Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 13 februari 2016 tot 14 februari 2016

La balade de Saint Valentin (Othon III de Grandson)

 

Bij Valentijnsdag

 

 1877449-d6d34c79ddd5d378c41e4aabd1da7916.jpg
Sint Valentijn ontvangt een rozenkrans van de heilige maagd door David Teniers III

 

 

La balade de Saint Valentin

Je vous choisis, noble loyal amour,
Je vous choisis, souveraine plaisance,
Je vous choisis, gracieuse doulçour,
Je vous choisis, très douce souffisance,

Je vous choisis de toute ma puissance
Je vous choisis de cœur entier et vrai
Je vous choisis, par telle convenance
Que nulle autre jamais ne choisirai.

Je vous choisis, des belles la meilleure,
Je vous choisis, sans penser décevance,
Je vous choisis des plus belles la fleur,
Je vous choisis sans faire variance,

Je vous choisis, ma droite soustenance,
Je vous choisis, tant com je puis ne sais,
Je vous choisis et si vous affiance
Que nulle autre jamais ne choisirai.

Je vous choisis, confort de ma langueur
Je vous choisis pour avoir allégeance,
Je vous choisis pour guérir ma douleur,
Je vous choisis pour saner ma grevance, 
 

Je vous choisis sans fin en persévrance
Je vous choisis et choisie vous ai.
Saint Valentin en prends en témoignance
Que nulle autre jamais ne choisirai.

 

 1877449-1ff56812039acb5d4b8db32dd9086f28.jpg
Othon III de Grandson (1340-1350 - 7 augustus 1397)
Château de Grandson bij het meer van Neuchatel

 

Zie voor de schrijvers van de 14e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.



Geschreven door Romenu om 12:32 Reageer op dit bericht

Piet Paaltjens, Ab Visser, Ischa Meijer, Hanna Bervoets, Robert Shea, Alexander Kluge, Frank Harris

De Nederlandse dichter en predikant Piet Paaltjens werd geboren in Leeuwarden op 14 februari 1835. Zie ook alle tags voor Piet Paaltjes op dit blog.

 

Des zangers min (Fragment)

De morgendamp hangt over 't veld,
En kleurt den herfstdraad wit.
Voor 't venster op de Hoogewoerd
Een minnedichter zit.
 
Een dichter, die gewoon is, om,
Na d'afloop van 't ontbijt,
Een lied te tokklen op de harp,
Zijn liefje toegewijd.
 
Niet, dat hij echt een liefje heeft;
Hij stelt het zich maar voor.
Dat doen de minnedichters meer;
Daar zijn ze dichters voor.
 
Ook nu weer is hij aan den gang;
Ook nu weer zingt de snaar
Zijns instruments een minnelied,
Zoo zoet, zoo wonderbaar:
 
‘Als ik u staar in 't blauwend oog,
O Mina, Mina mijn!
Dan krimpt mijn jong studentenhart
Ineen van minnepijn!
 
En drinkt mijn oor uw zilvren stem,
O Mina, Mina mijn!
Dan zet zich dat studentenhart
Uiteen van minnepijn!
 
En proeft mijn mond uw liefdekus,
O Mina, Mina mijn!
Dan berst datzelfde jonge hart
Vaneen door minnepijn!’

Nauw sterft de laatste harptoon weg
Dier englenmelodij,
Of raatlend rijdt de diligence
Naar Woerden 't huis voorbij.
 
De jongling werpt zijn dichtersblik
't Raam uit en 't rijtuig in,
En, hemel, hoe toevallig! - juist
In 't oog van een Friezin;
 
Van een der liefste meisjes uit
Die landstreek, ‘in wier lijn’
Reeds Starter heeft gezongen, dat
‘De schoonste vrouwen zijn.’

 

 1877440-94cdc19902911bfb8b11aa31ae5ebd53.jpg
Piet Paaltjens (14 februari 1835 – 19 januari 1894)
 

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Albert (Ab) Visser werd geboren in Groningen op 14 februari 1913. Zie ook alle tags voor Ab Visser op dit blog.

 

De dichter

God heeft hem in zijn achtertuin gelaten,
Daar jaagt hij speels de vlugge vlinders na,
Hij puurt er honing uit de rode klaver,
En slaat verbaasd het werk der mieren ga.
 
Soms klimt hij in een boom en denkt: De wolken
Die pak ik bij hun zachte flanken vast,
En rijd de luchten door - maar eenmaal boven,
Voelt hij zich door een wrange angst verrast.
 
Hij weet zich plots van God en mens verlaten,
En roept ontsteld naar alle einders heen.
Maar spottender geeft telkenmaal de echo
Met eigen stem terug: alleen - alleen!
 
God heeft hem in zijn achtertuin gelaten;
Daar leeft hij ver van alle liefd' en lust.
Maar dikwijls schrikt een stem hem uit zijn spelen,
Dan staat hij op, en zoekt, en vindt geen rust.

 

 

Regenbui

Ik heb geluisterd naar de duizend talen,
Waarin de regen met de aardedingen spreekt.
Ik weet hoe elke regendrop veelmalen
Zijn zelfde en enigst woord in and're stem versteekt.
 
Wat bracht mij tot dit simpelste genieten:
Het futs'len op een blad, het tokken in een ton,
Een laatste drop in rimp'ling zien vervlieten,
Nadat ze daalde - een vuurvlieg - in de zon.

 

 1877440-a22af8b74396ed36cf486dfa719cd8d6.jpg
Ab Visser (14 februari 1913 – 9 mei 1982)
In 1940

 

 

De Nederlandse journalist, schrijver, dichter, filmacteur en televisiepresentator Ischa Meijer werd geboren in Amsterdam op 14 februari 1943. Zie ook alle tags voor Ischa Meijer op dit blog.

Uit: Spitsuur in de hel (Verzameling avonturen en overpeinzingen van De Dikke Man)

“Die ochtend kuierde De Dikke Man onder een meedogenloze zon over de Westerstraat, waar drommen mensen traag langs de marktkraampjes gingen. Op de hoek van de Noordermarkt stond een groep Chilenen buitengewoon veel muziek te maken.
‘Weet je waarom die stakkers naar ons lang zijn gevlucht?’ vroeg De Dikke Man aan een heel mooi meisje, dat hem passeerde.
‘Nee, meneer,’ antwoordde Dat Heel Mooie Meisje.
‘Omdat ze in hun eigen land werden vervolgd,’ zei De Dikke Man. ‘Vanwege die muziek.’

Spitsuur
in
de
hel

dichtte hij. En liet zich verder meevoeren door de menigte.”

 

 1877440-83e57c4352815c1ccc3f45690a9ad137.jpg
Ischa Meijer (14 februari 1943 – 14 februari 1995)

 

 

De Nederlandse schrijfster journaliste en columniste Hanna Marleen Bervoets werd geboren in Amsterdam op 14 februari 1984.Zie ook alle tags voor Hanna Bervoets op dit blog.

Uit: Of hoe waarom

“De Amerikaanse show werd verkocht aan TvTokio en TvTokio heeft het filmpje vertaald. ‘Karuchi!’ doet de baby daar. En: ‘Daisi ko ko koiya. Ya ya, yayaya!’ Bij het vlam vatten hoor je mensen lachen en bij het smeren van de slagroom ook. De man met de beker vonden de Japanse lachers minder grappig: bij het blussen blijft het stil. Sindsdien is het filmpje van één minuut en zeven seconden in zestien landen uitgezonden.
Daar heeft die baby nooit geld voor gekregen. Ik kan het weten.
Want ik, Florence Vos, vijfentwintig, was die baby.
Wist je dat?
Waarschijnlijk niet. Ik heb het in ieder geval in nog geen enkel tijdschrift gelezen. En als je mijn naam intypt bij een zoekmachine, verschijnen er heel andere dingen. Zelfs journalisten hebben er nooit naar gevraagd.
Ik had er net nog een op bezoek. Een journalist, hier; in mijn kamer. Hij droeg een trui van kunststof zo dun dat zijn schouderbladen er haast doorheen staken.
‘Mooie trui,’ zei ik.
‘Dank u,’ deed de journalist.
Ik gaf hem een mok thee en een roze koek, of eigenlijk: glacé. Ik ben dol op glacés maar de journalist heeft zijn koek niet opgegeten. ‘Hoe is het allemaal begonnen?’ vroeg hij al tijdens de thee. Ik kon het hem niet vertellen. Daarom zei ik: ‘Wil je niet iets anders weten? Wat ik leuke programma’s vind op tv? Wat voor dagcrème ik gebruik of welke lippenstift?’
De journalist schudde zijn hoofd.”

 

 1877440-3ccdfbccdcd2b52bd93148e02f37070e.jpg
Hanna Bervoets (Amsterdam, 14 februari 1984)

 

 

De Amerikaanse schrijver Robert Shea werd geboren op 14 februari 1933 in New York. Zie ook alle tags voor Robert Shea op dit blog.

Uit: The Illuminatus! Trilogy (samen met Robert A. Wilson)

“The phone rang at 2:30 A.M. the morning of April 24. Numbly, dumbly, mopingly, gropingly, out of the dark, I find and identify a body, a self, a task. "Goodman," I say into the receiver, propped up on one arm, still coming a long way back.
"Bombing and homicide," he electrically eunuchoid voice in the transmitter tells me. I sleep naked (sorry about that), and Fm putting on my drawers and trousers as I copy the address. East Sixty-eighth Street, near the Council on Foreign Relations. "Moving," I say, hanging up.
"What? Is?" Rebecca mumbles from the bed. She's naked, too, and that recalls very pleasant memories of a few hours earlier. I suppose some of you will be shocked when I tell you I'm past sixty and she's only twenty-five. It doesn't make it any better that we're married, I know.
This isn't a bad body, for its age, and seeing Rebecca, most of the sheets thrown aside, reminds me just how good it is. In fact, at this point I don't even remember having been the ringmaster, or what echo I retain is confused with sleep and dream. I kiss her neck, unselfconsciously, for she is my wife and I am her husband, and even if I am an inspector on the Homicide Squad-Homicide North, to be exact-any notions about being a stranger in this body have vanished with my dreams into air. Into thin air.
"What?" Rebecca repeats, still more asleep than awake,
"Damned fool radicals again," I say, pulling on my shirt, knowing any answer is as good as another in her half-conscious state.
"Um," she says, satisfied, and turns over into deep sleep again.
I washed my face somewhat, tired old man watching me from the mirror, and ran a brush through my hair. Just time enough to think that retirement was only a few years away and to remember a certain hypodermic needle and a day in the Catskills with my first wife, Sandra, back when they at least had clean air up there . . . socks, shoes, tie, fedora . . . and you never stop mourning, as much as I loved Rebecca I never stopped mourning Sandra. Bombing and homicide. What a meshuganah world.”

 

 1877440-68b07a9afa67cd67e4e23abe96ee1362.jpg
Robert Shea (14 februari 1933 – 10 maart 1994)

 

 

De Duitse schrijver en regisseur Alexander Kluge werd op 14 februari 1932 geboren in Halberstadt. Zie ook alle tags voor Alexander Kluge op dit blog.

Uit: Ein Liebesversuch

“Die am Versuch beteiligten Mannschaften warteten in den Gängen des Schlosses, einige Meter von der Zellentür entfernt. Sie verhielten sich im wesentlichen ruhig. Sie hatten Weisung, sich nur flüsternd miteinander zu verständigen. Ein Beobachter verfolgte den Verlauf des Geschehens im Innenraum. So sollten die beiden Gefangenen in dem Glauben gewiegt werden, sie seien jetzt allein.
Trotzdem kam in der Zelle keine erotische Spannung auf. Fast glaubten die Verantwortlichen, man hätte einen kleineren Raum wählen sollen. Die Versuchspersonen selbst waren sorgfältig ausgesucht. Nach den Akten mußten die beiden Versuchspersonen erhebliches erotisches Interesse aneinander empfinden.
Woher wußte man das?
J., Tochter eines Braunschweiger Regierungsrates, Jahrgang 1915, also etwa 28 Jahre, mit arischem Ehemann, Abitur, Studium der Kunstgeschichte, galt in der niedersächsischen Kleinstadt G. als unzertrennlich von der männlichen Versuchsperson, einem gewissen P., Jahrgang 1900, ohne Beruf. Wegen P. gab die J. den rettenden Ehemann auf. Sie folgte ihrem Liebhaber nach Prag, später nach Paris. 1938 gelang es, den P. auf Reichsgebiet zu verhaften. Einige Tage später erschien auf der Suche nach P. die J. auf Reichsgebiet und wurde ebenfalls verhaftet. Im Gefängnis und später im Lager versuchten die beiden mehrfach, zueinanderzukommen. Insofern unsere Enttäuschung: jetzt durften sie endlich, und jetzt wollten sie nicht.“

 

 1877440-474ba310962917155c5549197e491970.jpg
Alexander Kluge (Halberstadt, 14 februari 1932)

 

 

De Iers-Engelse schrijver, publicist, uitgever en redacteur Frank Harris werd geboren op 14 februari 1856 in Galway, Ierland Zie ook alle tags voor Frank Harris op dit blog

Uit: Oscar Wilde, His Life and Confessions

“The head master was always holding my brother Willie up to me as an example; but even he admitted that in my last year at Portora I had made astounding progress. I laid the foundation there of whatever classical scholarship I possess."
It occurred to me once to ask Oscar in later years whether the boarding school life of a great, public school was not responsible for a good deal of sensual viciousness.
Englishmen all say so," he replied, "but it did not enter into my experience. I was very childish, Frank; a mere boy till I was over sixteen. Of course I was sensual and curious, as boys are, and had the usual boy imaginings; but I did not indulge in them excessively.
At Portora nine out of ten boys only thought of football or cricket or rowing. Nearly every one went in for athletics-running and jumping and so forth; no one appeared to care for sex. We were healthy young barbarians and that was all."
Did you go in for games‘?" 1 asked.
No," Oscar replied smiling, "I never liked to kick or be kicked."
Surely you went about with some younger boy, did you not, to whom you told your dreams and hopes, and whom you grew to care for?"
The question led to an intimate personal confession, which may take its place here.
It is strange you should have mentioned it," he said. "There was one boy, and," he added slowly, "one peculiar incident.
It occurred in my last year at Portora. The boy was a couple of years younger than I-we were great friends; we used to take long walks together and I talked to him interminably. I told him what I should have done had 1 been Alexander, or how I'd have played king in Athens, had I been Alcibiades.”

 

 1877440-f82a83a872f8071d15e6cb68474caa69.jpg
Frank Harris (14 februari 1856 – 27 augustus 1931)
Cover
 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e februari ook mijn vorige blog van vandaag.



Geschreven door Romenu om 12:21 Reageer op dit bericht

Julia de Burgos, Frederick Philip Grove, Vsevolod Garsjin, Edmond About, Johann Martin Usteri, Pierre-Claude de La Chaussée, Leone Battista Alberti

De Puerto Ricaanse dichteres en schrijfster Julia de Burgos (eig. Julia Constanze Burgos García) werd geboren op 14 februari 1914 in Carolina. Zie ook alle tags voor Julia de Burgos op dit blog.

 

Farewell from Welfare Island

It has to come from here,
right this instance,
my cry into the world.

The past is only a shadow emerging from
nowhere.

Life was somewhere forgotten
and sought refuge in depths of tears
and sorrows;
over this vast empire of solitude and darkness.
Where is the voice of freedom,
freedom to laugh,
to move
without the heavy phantom of despair?
Where is the form of beauty
unshaken in its veil, simple and pure?
Where is the warmth of heaven
pouring its dreams of love in broken
spirits?

It has to be from here,
right this instance,
my cry into the world.
My cry that is no more mine,
but hers and his forever,
the comrades of my silence,
the phantoms of my grave.

It has to be from here,
forgotten but unshaken,
among comrades of silence
deep into Welfare Island
my farewell to the world.

 

 1877432-888512ede7129c744b93614ac11ca7ec.jpg
Julia de Burgos (14 februari 1914 – 6 juli 1953)
Cover biografie 

 

 

De Canadees-Duitse schrijver en vertaler Frederick Philip Grove werd geboren als Felix Paul Greve op 14 februari 1879 in Radomno, Westpruisen. Zie ook alle tags voor Frederick Philip Grove op dit blog.

Uit: The Master of The Mill

“The two women looked at each other with a smile of comprehension as the old, old man who, considering his years, was still so amazingly active, rose restlessly from his arm-chair to go to the northernmost window of the enormous hall in which they were sitting and to look, over the west end of the dark lake, at the mill. He did this night after night now; but there had been years when he had carefully avoided that view.
All three were in evening clothes; it was the custom to dress for dinner, at the great house on the shelf of the hillside overlooking the two arms of the lake. The women were busy with embroidery; it was rare that either of them spoke on these long evenings after they had risen from table; and if there was occasion for an exchange of words, they were uttered under their breath.
The younger of the two, Lady Clark or Maud, as she was called by her intimates was the old man's daughter-in-law. Though she was still in her early forties, she had, to all appearance, at least for an outsider, only one aim left in life, namely to ease the old man's lapse into that senility which had to come at last, long as it had been staved off by her husband's unexpected death more than a decade ago. The older woman, Miss Charlebois, had once been the 'companion' of Mrs Samuel Clark, the long-dead wife of the old man, a senator of Canada, who had gone to the window whence he looked at the mill as if he must watch that nobody walked off with it.”

 

 1877432-1e12460379ebfeb3f423a24e636f8b98.jpg
Frederick Philip Grove (14 februari 1879 – 19 augustus 1948)

 

 

De Russische schrijver Vsevolod Garsjin werd geboren op 14 februari 1855 in Prijatnaja Dolina. Zie ook alle tags voor Vsevolod Garsjin op dit blog.

Uit: De beren (Vertaald door Hans Boland)

“Ik herinner me dat we door bebost terrein draafden, dat de kogels ons om de oren floten, dat er takken afbraken onder het spervuur en dat we ons een weg moesten banen door meidoornstruiken. Er werd steeds feller geschoten. Af en toe schitterde er iets roods tussen de bomen aan de bosrand. Sidorov, een jong soldaatje van de eerste compagnie – hoe komt hij toch in onze linie terecht? dacht ik nog even – zakte plotseling door zijn knieën en keek me zwijgend aan, met grote, bange ogen. Het bloed stroomde uit zijn mond. Ja, dat herinner ik me precies. Ook herinner ik me dat ik tussen de dichte begroeiing, toen de bosrand al vlak voor me lag, hem opeens zag: een grote dikke Turk. Zelf ben ik tenger, en helemaal niet sterk, maar ik rende recht op hem af. Er klonk een luide knal en er scheerde iets door de lucht – een enorm gevaarte, leek me. Mijn oren gonsden. Dat is hij, hij heeft op me geschoten, dacht ik. Maar de Turk gaf een schreeuw van pure doodsangst, terwijl hij zijn lichaam tegen de struiken achter zich perste. Hij had eromheen kunnen lopen, maar was kennelijk zo geschrokken dat hij niet meer na kon denken en zichzelf in de stekelige takken van de meidoorn wrong. Daarop sloeg ik hem zijn geweer uit de handen en stak ik mijn bajonet plompverloren in zijn lijf. Er was een geluid dat het midden hield tussen grommen en kreunen. Ik rende verder. Onze mannen riepen ‘Hoera!’, lieten zich op de grond vallen, vuurden. Ik herinner me dat ikzelf ook een paar keer schoot, toen ik me al in het vrije veld bevond. Nu werd het hoerageroep luider, en we rukten op. Dat wil zeggen, niet wij maar onze mannen – zelf bleef ik achter. Dat vond ik vreemd. Nog vreemder was het dat alles ineens in het niets was opgelost. De stemmen en geweren zwegen. Ik hoorde niets meer en zag alleen nog maar wat blauws, de hemel, neem ik aan. Toen loste ook dat op.”

 

 1877432-7750b94f49410a816e9ae0d7e4b4d2ae.jpg
Vsevolod Garsjin (14 februari 1855 – 31 maart 1888)
 

 

De Franse schrijver Edmond François Valentin About werd geboren op 14 februari 1828 in Dieuze, Lorrainne. Zie ook alle tags voor Edmond About op dit blog.

Uit: Trente et Quarante (Le Capitaine Bitterlin)

“Sa toilette était celle des hommes de trente ans qui brillait vers 1828 : chapeau à bords étroits, col noir grimpant jusqu’aux oreilles, redingote boutonnée sous le menton, pantalon large à gros plis. Les gants qu’il mettait de préférence étaient de fil d’Écosse blanc ; le ruban rouge de sa boutonnière fleurissait opulemment comme un œillet au mois de juin. Sa voix était brève, impérative, et par-dessus tout maussade. Il traînait sur le milieu des phrases et s’arrêtait court à la fin, comme s’il eût commandé l’exercice. Il disait : Comment vous portez… vous ? du même ton qu’il aurait dit : Présentez… arme ! Son caractère était le plus franc, le plus loyal et le plus délicat, mais en même temps le plus aigre, le plus jaloux et le plus malveillant du monde. L’humeur d’un homme de soixante ans est presque toujours le reflet heureux ou triste de sa vie. Les jeunes gens sont tels que la nature les a faits ; les vieillards ont été façonnés par les mains souvent maladroites de la société. Jean-Pierre Bitterlin avait été le plus joli tambour et le plus joyeux enfant de la France à la bataille de Leipsick. La fortune, qui le traitait en enfant gâté, le fit caporal à seize ans et sergent à dix-sept. Devant ses premiers galons, il rêva, comme tant d’autres, les épaulettes étoilées, le bâton de maréchal, et peut-être quelque chose de mieux. L’impossible était rayé du dictionnaire de l’armée. Un brave garçon sans naissance et sans orthographe pouvait aspirer à tout, si l’occasion lui donnait un coup de main. Bitterlin s’était fait remarquer dès son début par la tenue, l’aplomb, le courage, et toutes ces qualités secondaires qui sont l’argent de poche du soldat français. Il mérite sa première épaulette à Waterloo, mais il ne la reçut que neuf ans plus tard, en Espagne. Dans l’Intervalle, il avait eu cent fois la tentation de quitter le service pour revenir planter ses choux à Lunéville ; mais il n’avait jamais conspiré, quoique mécontent et sergent. Il continuait machinalement et sans goût un métier qu’il avait embrassé par enthousiasme. Le café, le service, la lecture du Constitutionnel et les beaux yeux d’une modiste de Toulouse se partageaient les instants de ce guerrier découragé”.

 

 1877432-87d0de889766a6f3f0c1e35d4d2c60e9.jpg
Edmond About (14 februari 1828 – 16 januari 1885)
Standbeeld op Père Lachaise, Parijs

 

 

De Zwitserse schrijver en dichter Johann Martin Usteri werd geboren op 14 februari 1763 in Zürich. Zie ook alle tags voor Johann Martin Usteri op dit blog.

 

Der Frühlingsboten (Fragment)
Gemälde a la Breughel

Von allen zwölf Monaten in dem Jahr
Geb’ ich das Kränzlein dem Februar,
Und nicht, weil da , von Lust umringt,
Die tolle Fastnacht im Reihen springt,
Und alles lärmt und tanzt und wühlt,
Und hübsch im Stillen sein Müthlein kühlt,
Durch Butzentracht und Mummerei,
Vor Tadel, Spott und Strafe frei.
Nein! Darum hab’ ich den Hornung lieb,
Und ihm das Ehrenkranzlein gieb’,
Weil da des Winters Rinde springt,
Wenn Petri Stuhlfei’r den Storch uns bringt.

Wie oft seufz’ ich nach dieser Zeit,
Wenn’s draußen stürmt und eis’t und schnei’t,
Der Reif die Fenster überzieht
Daß man nicht mehr auf die Straße sieht,
Kein Freudenton in’s Zimmer dringt,
Kein Lied erschallt , kein Vöglein singt,
Und nur der häßliche Rabe krächzt,
Der Boden knistert, das Wagenrad ächzt,
Der Wandrer schnaubt, und hustet Und schneutzt,
Der Frost ihm Nasen und Ohren durchbeitzt,
Die Füße erlahmt, die Finger krümmt-
Und alle Lebenslust benimmt.

 

 1877432-8f0b579ac1507ca54972e960c6e90041.jpg
Johann Martin Usteri (14 februari 1763 – 29 juli 1827)

 

 

De Franse toneelschrijver Pierre-Claude Nivelle de La Chaussée werd geboren op 14 februari 1692 in Parijs. Zie ook alle tags voor Pierre-Claude de La Chaussée op dit blog.

Uit: L’École des Mères

“DOLIGNI fils.
Et si j'aimais ailleurs ?
DOLIGNI père.
Ma foi, tant pis pour elle.
Il faudrait, en ce cas, devenir infidèle.
DOLIGNI fils.
Ce n'est donc pas pour moi que vous me mariez ?
DOLIGNI père.
Pour qui donc ?
DOLIGNI fils.
Je le croirais presque.
J'ai compté faire un choix que vous approuveriez.
DOLIGNI père.
L'amour dans un jeune homme est toujours romanesque.
J'aurais été moi-même assez extravagant
Pour épouser aussi ma première amourette,
Si l'on n'eût retenu ma jeunesse indiscrète.
DOLIGNI fils.
Mais je ne connais point Mademoiselle Argant.
DOLIGNI père.
Ni moi : mais elle aura vingt mille écus de rente.
DOLIGNI fils.
Eh ! Quand elle en aurait quarante !
DOLIGNI père.
Ce serait encor mieux.”

 

 1877432-2d8841606418a38eb6b78a5641d762e9.jpg
Pierre-Claude de La Chaussée (14 februari 1692 – 14 mei 1754)
Cover

 

 

De Italiaanse dichter, schilder, taalkundige, filosoof, cryptograaf, musicus en architect Leone Battista Alberti werd geboren in Genua op 14 februari 1404. Zie ook alle tags voorLeone Battista Alberti op dit blog.

Uit: De Re Aedificatoria

“We moeten nu iets zeggen over de regels van de verhoudingen die niet afgeleid zijn van harmonie of de natuurlijke verhoudingen van lichamen, maar elders geleend zijn om de drie betrekkingen van de ruimte vast te stellen en om dat te doen moeten we in ogenschouw nemen dat er zeer bijzondere overwegingen zijn in de praktijk die ontleend kunnen worden aan de musici, landmeters en zelfs de rekenkundigen waar we het nu over zullen hebben. De filosofen noemen dit de gemiddelden en de regels ervoor zijn veelvuldig, maar er zijn er drie in het bijzonder die het meest in achting zijn. Van alle is de bedoeling dat als de twee uitersten gegeven zijn, de middelste rede of getal overeenstemt op een bepaalde vastgestelde manier of, om het zo uit te drukken, met een regelmatige betrekking. Het is zaak dat we in dit onderzoek drie termen vinden waarvan de twee uitersten de grootste en de kleinste zijn en het derde of gemiddelde getal moet met de andere twee corresponderen met een juiste betrekking of proportioneel interval, welk interval de gelijke relatieve afstand is die dit getal af staat van de andere twee. Van de drie methoden om dit gemiddelde te vinden en die het meest goedkeuring ondervinden van de filosofen, is die van het rekenkundig gemiddelde het gemakkelijkst en dat gaat als volgt. Als we de twee uiterste getallen nemen, zoals bijvoorbeeld acht voor het grootste en vier voor het kleinste, tel je ze op dat maakt twaalf. Dat wordt in twee gelijke delen verdeeld en maakt zes.”

 

 1877432-7bd53dc20657528ca4cc48207ab0b6a5.jpg
Leone Battista Alberti (14 februari 1404 — 25 april 1472)
Anoniem portret

Geschreven door Romenu om 12:20 Reageer op dit bericht

M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

 

Sprookje
Voor mijn moeder en mijn dochtertje

Zij luisteren beide naar een oud verhaal,
wondere dingen komen aangevlogen,
zichtbaar in hun verwijde ogen,
als bloemen, drijvend in een schaal.

Er is een zachte spanning in hun wezen,
zij zijn verloren en verzonken in elkaar,
-het witte en het blonde haar -
geloof het maar, geloof het maar,
alles wat zij vertelt is waar
en nooit zal je iets mooiers lezen.

 

 

Duif

Het had geonweerd en de straat was nat,
het asfalt lag als water aan de oever
van het trottoir, waar plechtig trad
een duif en koerde als een kind, maar droever.

De hemel boven 't park werd licht,
de bomen stonden groen, af

zonderlijk
en ieder leek een bos, zo bol zo wonderlijk
en in zichzelf gekeerd, prevelend opgericht.

Ik liep te kijken in de korte stille straat
en zag de duif, de kleur van onweer op zijn vleugels
en poten roze als de dageraad.

 

 

Ochtend

Zo kalm als op een vlot van helderheid
en rust, gelegen op mijn rug
dreef ik de ochtend in, het ochtendlicht,
land, lucht en water waren één en zonder dat
er van hun eigenheid maar iets verloren ging.

 

 1877068-ae66ad526a3b70ed27ecab404cde4b26.jpg
M. Vasalis (13 februari 1909 - 6 oktober 1998)
Portret door Bert Megens, 2013

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter Jan Arends werd geboren op 13 februari 1925 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Jan Arends op dit blog.

 

De voetstappen die ik achterlaat

De
voetstappen
die ik achterlaat
zijn bezit
van de grond.

Mijn leven
is van het
verleden.

Mijn woord
is in de monden
van anderen.

Ik
ben niet.

Ik was.

Zo
is het
met alle dingen.

 

 

Niet god

Niet god
is god
maar ik
ben god.

ik ben
de schepper
van god.

Ik
heb hem gemaakt
van wat ik ben.

Ik heb hem
gemaakt van mijn taal
toen ik taal werd.

Hij is
het weten van mij.

Zo is god
van mij.

 

 1877068-7c5e8567bdcc55f666842141fee6d243.jpg
Jan Arends (13 februari 1925 – 21 januari 1974)

 

 

De Belgische (Franstalig) schrijver Georges Simenon werd geboren in Luik op 13 februari 1903. Zie ook alle tags voor Georges Simenon op dit blog.

Uit: De burgemeester van Veurne (Vertaald door Rokus Hofstede)

“Het was vlakbij, nauwelijks vijftien kilometer. Aan de rand van het dorp, waar je de duinen en het groene water van de zee al zag liggen, stonden kleine huizen op een rij, zonder bovenverdieping, elk met een hekje ervoor. De hekjes waren geverfd in blauw, in wit, in groen. Dat van zijn moeder was lichtgroen.
Hij wist dat er tussen alle gordijnen door buren naar hem keken. Hij wist dat er werd gezegd: ‘Het is de burgemeester van Veurne.’
En zij wisten van hun kant dat zijn vader, de oude Joris, tot de dag van zijn dood garnalen had gevist, met zijn paard, dat bij laagwater een net over het strand sleepte.
Was in het buurtje met de kleine lage huizen ook maar iemand onkundig van het feit dat hij zijn moeder had aangeboden in Veurne te komen wonen, of waar ze maar wilde, en haar te onderhouden?
Zij was koppig. Hij had altijd te maken gehad met koppige vrouwen. Ze was niet thuis, hij wist het meteen toen hij zag dat de gordijnen dicht waren en de grendel van het hekje dichtgeschoven.
Voor zijn auto stond hij te wachten tot iemand zich om hem zou bekommeren, en inderdaad ging er een deur open, een bleek meisje met albino-ogen en een baby op haar arm verklaarde: ‘Mevrouw Joris is bij Crams… Ik ga haar wel even roepen…’
Ze stapte vlug, een beetje voorovergebogen vanwege de baby, langs het klinkerpad dat de modder van het trottoir in tweeën deelde. Ze klopte op een bruine deur. De hemel was laag, lager dan in Veurne. Een frisse wind kwam in grote vlagen aangewaaid uit zee. Voor de huizen hingen garnalennetten te drogen.
Daar verscheen een kromgetrokken vrouwtje, met klepperende klompen en een wit mutsje op haar hoofd.
‘Ben jij het!’ zei ze, terwijl ze een sleutel tevoorschijn haalde uit een zak die verscholen zat onder haar schort.
Daarna, vreugdeloos: ‘Wat wil je nu weer?’

 

 1877068-6b3041bc8f2456af003360a6c1bf7f73.jpg
Georges Simenon (13 februari 1903 - 4 september 1989)
Op de cover van de Paris Match, 1989

 

 

De Nederlandse schrijfster Nynke van Hichtum (pseudoniem van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer) werd geboren in Nes op 13 februari 1860. Zie ook alle tags voor Nynke van Hichtum op dit blog.

Uit: Afke's tiental

‘Ziezoo Afke,’ zei ze, ‘en nu moet je me maar gauw wat werk geven. Naaien kan ik niet goed meer, want mijn oogen worden slecht; maar er zullen wel kapotte kousen en sokken zijn van de kinderen; die zou 'k wel gauw eventjes kunnen stoppen.’
Afke, die vermoeid de oogen gesloten had, toen 't kindje haar werd afgenomen, deed ze nu weêr wijd open, en er kwam een gelukkig lachje op haar bleek gezicht:
‘Nee,’ zei ze, ‘ik heb niks meer te stoppen. Alle kousen zijn netjes in orde. 'k Heb den halven nacht opgezeten om alles te verstellen, wat nog kapot was!’
Vol bewondering keek Saapke haar aan: ‘Wat ben jij een flinke huisvrouw, en dat met je zwakke lichaam! Zóó heb ik 't nog nooit gezien! Maar nu moet je ook probeeren 'n beetje te slapen, dan ben je wat uitgerust als de kinderen straks thuis komen uit de middagschool!’ En ze schoof de gordijnen weêr dicht, en zette de bedsteedeuren op een kier. In den hoek van de vensterbank lag 't breiwerk van een van de kinderen. Dat nam Saapke ter hand, nadat ze 't kooltje in haar stoof een beetje opgerakeld en zich een kopje koffie had ingeschonken.
En nu was 't weer heel rustig in de kamer. Ook buiten was 't stil. De velden, waarop het eenige raam uitzag, waren met sneeuw bedekt. De oude sloot, die de bleek achter 't huisje van een groot weiland scheidde, lag dichtgevroren. De kinderen hadden al geprobeerd er schaatsen op te rijden, maar 't ging niet: er lag te veel stof op 't ijs: 't was heelemaal stroef. Ze vielen telkens, als ze hun beenen wilden uitslaan. Heel vervelend! - Maar van avond zouden ze de heele sloot met water begieten; als dat dan bevroor, werd 't een prachtige baan voor alle kinderen uit 't steegje; tenminste zoolang de groote vaarten nog niet heelemaal veilig waren. Tot zoolang nog ‘baantje rijden’ op de oude sloot, maar dan - de beenen vrij uitslaan en overal naar toe! - Verre tochten maken met vaders of groote broers, of ooms en tantes! Heerlijk!”

 

 1877068-b011e1e7f2c74444df373626c005efc5.jpg
Nynke van Hichtum (13 februari 1860 - 9 januari 1939)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Friedrich Christian Delius werd geboren in Rome op 13 februari 1943. Zie ook alle tags voor Friedrich Christian Delius op dit blog.

 

Ein Bankier auf der Flucht

Ganz sicher, er war es. Vor kurzem noch im Fernsehn,
jetzt sehn wir ihn im Schwarzwald zu Fuß
und abgehetzt, Dreck an den Schuhn, sehn ihn allein
mit einem Koffer, Richtung Süden, kein Gespenst.
Schweiz oder Liechtenstein? Warum hat er nicht
wenigstens seinen Chauffeur bei sich und
den Mercedes? Warum nimmt er nicht die Bahn? Warum
vertraut er sich nicht einem ortskundigen Landwirt an?
Warum dieser ängstliche Blick, diese Hast?
Ein Wanderer würde anders laufen und ohne
diesen Koffer. Wer vor seiner Frau oder Geliebten
abhaut, haut nicht über Feldwege ab.
Warum schlägt er den Mantelkragen hoch?
Erschrickt der vor uns? Seit wann gehören
Bankiers zu den Angsthasen? Kommen jetzt noch mehr
flüchtende Bankchefs hier vorbei und stören
Spaziergänger auf? Schreiben wir das Jahr 74 oder
1929 oder 1986, oder was ist hier eigentlich los?

 

 

Aufstiegsrunde

Hertha steigt auf. Steigt Hertha auf
steigt die ganze Hauptstadt auf
steigt aus dem Tal die Wirtschaft auf
(weil ich dann mehr Schultheiß sauf)
steigt die Macht der Presse auf
(steigert sonntags den Verkauf)
steigt die Stadtautobahn mit auf
(hoch über die Zone nach Helmstedt hinauf)
steigt der Senator für Inneres auf
(haut bundesweit sehr feste drauf)
steigt das ganze Rathaus auf
(rennt nach Bonn im Dauerlauf)
steigt auch der Bürgermeister auf
der freie Westen auch noch AUF!

Steigen wir Absteiger fürs erste ab
und sägen denen das Treppchen ab.
Denn die so mühsam aufgestiegen sind
vergessen wie spielstark die Absteiger sind.

 

 1877068-dd4451819104495df13685ef4c479571.jpg
Friedrich Christian Delius (Rome, 13 februari 1943)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e februari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:52 Reageer op dit bericht

Urs Faes, Faiz Ahmed Faiz, Irene Dische, Karl Klostermann, Katja Lange-Müller

De Zwitserse schrijver Urs Faes werd geboren op 13 februari 1947 in Aarau. Zie ook alle tags voor Urs Faes op dit blog.

Uit:Sommer in Brandenburg

“Was war das für eine Stimme, ein Lachen, nicht laut, aber eindringlich, übermütig verspielt, unbekannt, vor allem das: ein Mädchenlachen, das er nie zuvor gehört hatte, ein Klang, der ihm fremd war, kehlig, rauh.
Er kannte sie doch alle, die hier waren, seit Monaten, die Mädchen und die Jungen, Chawerot und Chawerim. Er lauschte, hielt die Hand gegen die Sonne, die blendete, Gegenlicht, darüber der Himmel, blau, preußischblau, dieser große Himmel, Frühsommer noch und heiß. Schnell sprang er über die Schattensprenkel auf dem Weg, eilte dem Stall zu, wollte das Tor schließen, dann hinunter zum Sportplatz, für ein paar Ballwürfe in den Korb vor dem Abendbrot.
Vom Brunnen drang noch immer das Lachen herüber, ausgedehnt und breit. Was gab es da zu lachen, vor dem Brunnen. Dahinter schimmerte der Schwanenteich; da sirrten die Libellen, an diesem Spätnachmittag als Drohung über dem Schilf, bläulich durchlässig. Hecken säumten das Ufer, darüber das Grün der hohen Eichen, die den Weg verschatteten, der sandig war und trocken, weil Regen schon seit Tagen ausgeblieben war. Krähen flogen über den hohen Zaun, der das Landgut umgab.
Wir haben Gänse und Hühner, Ziegen, sogar zwei Pferde, hatte er Helma geschrieben, sechs Kühe, die für eine ganze Milchwirtschaft reichen, mit Käse und Quark. Helma hatte gespottet in ihrem Brief, von Sommerlager gesprochen und Pfadfinder-Romantik, die nicht reiche für den Pioniergeist, den es brauche im fremden Land. Was wußte schon Helma.
Das Lachen, zu wem gehörte es? Die Stimme, etwas laut für eine Zeit, in der sie gelernt hatten, leise und unauffällig zu sein,keinAufsehenzuerregen,zutun,als wären sie nicht da. Und nun lachte da eine, rief hinüber zum Haus, wo die Mädchen waren. Er hielt im Laufen inne, machte ein paar Schritte auf das Gebäude zu, ein Jagdschlößchen aus vergangener Zeit.“

 

 1877065-dcca78e0f320c2c48127c527097fe9fd.jpg
Urs Faes (Aarau,13 februari 1947)

 

 

De Duits-Amerikaanse schrijfster Irene Dische werd op 13 februari 1952 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Irene Dische op dit blog.

Uit: Liebe Mom, lieber Dad

„Liebe Mom, lieber Dad, bitte entschuldigt, dass ich mich so lange nicht gemeldet habe. Ich kann mir vorstellen, dass Ihr Euch Sorgen gemacht habt, aber ich konnte wirklich nicht anrufen. Bis gestern lag ich im Krankenhaus.
Zum ersten Mal seit anderthalb Monaten sitze ich wieder an einem Tisch. Nach unserem Streit vor sechs Wochen wegen Ralph, der Euch nicht gefällt, weil er so viel älter ist als ich und überhaupt eine seltsame Wahl ist, weil er kein Arzt oder Anwalt ist wie alle anderen, die ich kenne, war ich so wütend, dass ich mich besser nicht ans Steuer gesetzt hätte.
Jackie hatte die ganze Zeit im Wagen auf mich gewartet. Sie ist immer meine beste Freundin gewesen. Ich war doch bloß vorbeigekommen, um Euch kurz zu umarmen. Danach wollten wir weiterfahren – über das Wochenende nach Maine, wo Ralph eine Farm hat. So arm ist er nämlich gar nicht, wisst Ihr. Ich war hereingekommen und sagte: „Ich wollte euch bloß Guten Tag sagen, ich bin auf dem Weg nach Maine.“ Da habt ihr gleich angefangen, mir Vorwürfe wegen Ralph zu machen. Ihr werdet Euch daran erinnern. Als Du, Dad, meine Beziehung zu ihm eine „Katastrophe“ nanntest und Mom zu weinen anfing, da habe ich eben kehrtgemacht und bin gegangen. Ihr seid hinter mir her, aber ich war schneller. Ich habe mich in den Wagen gesetzt, mit zitternden Händen. Jackie bot an, sie könne fahren. Aber ich wollte nicht. Ich fuhr zu schnell. Ich fuhr viel zu schnell. Jackie schrie mich an. Ich stand einfach auf dem Gaspedal. Hundertfünfzig bin ich gefahren. An einer Baustelle verengte sich die Straße, und ich schoss auf die Gegenfahrbahn. Ein kleiner Wagen, eine indische Familie mit vier Kindern, kam mir entgegen – ich krachte in sie rein. Noch immer habe ich Jackies „Nein! Nein!“ im Ohr. Es waren ihre letzten Worte, Jackie ist tot.“

 

 1877065-731f3f01edd829c665c560cf7fcf44aa.jpg
Irene Dische (New York, 13 februari 1952)

 

 

De Pakistaanse (Urdu) dichter Faiz Ahmed Faiz werd geboren op 13 februari 1911 in Sialkot. Zie ook alle tags voor Faiz Ahmed Faiz op dit blog.

 

Bangladesh II

This is how my sorrow became visible:
its dust, piling up for years in my heart,
finally reached my eyes,

the bitterness now so clear that
I had to listen when my friends
told me to wash my eyes with blood.

Everything at once was tangled in blood—
each face, each idol, red everywhere.
Blood swept over the sun, washing away its gold.

The moon erupted with blood, its silver extinguished.
The sky promised a morning of blood,
and the night wept only blood.

The trees hardened into crimson pillars.
All flowers filled their eyes with blood.
And every glance was an arrow,

each pierced image blood. This blood
—a river crying out for martyrs—
flows on in longing. And in sorrow, in rage, in love.

Let it flow. Should it be dammed up,
there will only be hatred cloaked in colors of death.
Don’t let this happen, my friends,

bring all my tears back instead,
a flood to purify my dust-filled eyes,
to was this blood forever from my eyes.

 

Vertaald door Agha Shahed Ali

 

 1877065-e38f963a0bb427a6d339d2e896295f2f.jpg
Faiz Ahmed Faiz (13 februari 1911 - 20 november 1984)
Cover

 

 

De Duits-Tsjechische schrijver Karl Klostermann werd geboren op 13 februari 1848 in Haag am Hausruck in Oostenrijk. Zie ook alle tags voor Karl Klostermann op dit blog.

Uit: Aus der Welt der Waldeinsamkeiten

„Gott weiß, welches Geschick den Revierförster Koán im Jahre 186… nach Pürstling verschlagen hat. In einer Einöde, inmitten von Wald und Moor, wohin wohl über dreißig Jahre kein menschlicher Fuß den Weg gefunden hat, liegt es eine halbe Stunde von der bayerischen Grenze.
Durch eine Hochebene, durch sattes Grün, stellenweise mit grauem Moose überwachsen, schlängelt sich in weitem Bogen ein Bach dahin – die junge Wottawa. Aus dem Inneren des Lusen kommend, spiegelt sich ihr Wasser in granatroter Farbe, und ihre Quelle, die Gold enthalten soll, wie aus längst vergangener Zeit berichtet wird, gibt einfach von ihrem Rest an kostbarem Metalle dem „krummen“ Fluß mit auf seinen Weg.
Von diesem goldenen Überschuß ist jetzt wohl nichts mehr zu sehen.
Trittst du aus der Türe des Forsthauses, steht vor dir der Lusen, den struppigen Kopf in weiße Nebel oder in schwarze Wolken eingehüllt, in südlicher Richtung die Ebene abschließend.
Unbeweglich steht er da, im ewigen Schweigen, als würde er trauern über die Veränderungen der letzten Jahr­­zehnte.
Auf der rechten, westlichen Seite begrenzt die Ebene der Plattenhausen, der Große und der Kleine Spitzberg, auf der linken, östlichen Seite, der Moorkopf und der Marberg, alle dicht mit Wald bewachsen bis hinauf zu den Gipfeln. Zwischen den Bergen findet man keine tiefe Schlucht, keinen Abgrund, nur ein enges Tal am Fuße des sanften Abhanges. Überall moorige Einöde, unbewegt, einförmig bis zur Verzweiflung, elender Wald, den Kälte und Feuchtigkeit nicht zum Wachsen kommen lassen, nur Knie- und Krummholz, durch das kein Fußpfad führt.“

 

 1877065-2fe9ece3a1a4fc8aebbc09b121a4afa5.jpg
Karl Klostermann (13 februari 1848 – 17 juli 1923)

 

 

De Duitse schrijfster Katja Lange-Müller werd geboren op 13 februari 1951 in Berlijn-Lichtenberg. Zie ook alle tags voor Katja Lange-Müller op dit blog.

Uit: Böse Schafe

„Wir liegen auf den beiden Matratzen, nicht Seite an Seite, dennoch Kopf an Kopf. Die Arterie über deinem Schläfenbein pulst gegen meine Wange. Dein Haar berührt meine Nase, doch es kitzelt nicht, riecht bloß – nach Shampoo und nach dir. Seit Minuten oder Stunden bewegen wir uns kaum, sagen nichts, atmen flach. Deine Augen sind geschlossen, meine schauen hoch zum offenen Fenster, in dem sich nichts zeigt als ein Stück des wolkenlosen, weder hellen noch dunklen Himmels. Und wollte ich mich überhaupt etwas fragen, dann nur, ob der Morgen herandämmert oder der Abend. Ich fühle mich weder müde noch wach, weder schwer noch leicht, muß weder rauchen noch essen, noch trinken, noch zum Klo. Ich habe nicht das Bedürfnis nach Distanz, aber auch keine Lust, dich zu umarmen. Ich bin frei, nicht zu, sondern von allem, und trotzdem nicht einsam …
Dieser Film läuft, sobald ich an dich, an uns denke. Ich sehe ihn und gleichzeitig mich darin vorkommen (mitspielen wäre wohl das falsche Wort), nicht als die Frau, die ich jetzt bin, sondern so, wie ich vor vielen Jahren war: jünger, schöner und meistens neben dir.
Ich kann den schon ein wenig verblichenen und zerkratzten Film nicht zurückspulen, nur beschleunigen oder strecken, Sequenzen, die mir gefallen, anhalten, bis sich der ganze Spuk auflöst, weil das Telefon wieder klingelt oder der Postbote oder weil ich, von keiner weiteren Störung behelligt, das heute nähere, morgen fernere Ufer des Schlafs erreicht habe.
Je länger der Film dauert, um so ereignisloser wird er; und vielleicht ist der Vergleich mit einem stotternd abgespulten Kino- oder Fernsehfilm nicht der beste, vielleicht gehören diese Bilder, die mir eins nach dem anderen über die Netzhäute flimmern, ja eher zu einer Serie nicht sehr scharfer, auch deshalb einander ähnlicher Diapositive, deren unwillkürliche, nie identische Reihenfolge von meinen Wimpernschlägen abhängt, davon, wann und wie oft sich meine Augen schließen, öffnen, schließen …“

 

 1877065-4926047b153727a7838a5083aabad7b0.jpg
Katja Lange-Müller (Berlijn, 13 februari 1951)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e februari ook mijn vorige blog van vandaag.



Geschreven door Romenu om 13:49 Reageer op dit bericht

Ivan Krylov, Eleanor Farjeon, Ricardo Güiraldes, Antonia Pozzi, Friedrich Adler

De Russische dichter en schrijver Ivan Andrejevitsj Krylov werd geboren op 13 februari 1769 in Moskou. Zie ook alle tags voor Ivan Krylov op dit blog.

 

Swan, Pike And Crawfish

When partners can't agree
Their dealings come to naught
And trouble is their labor's only fruit.
____________

Once Crawfish, Swan and Pike
Set out to pull a loaded cart,
And all together settled in the traces;
They pulled with all their might, but still the cart refused to budge!
The load it seemed was not too much for them:
Yet Crawfish scrambled backwards,
Swan strained up skywards, Pike pulled toward the sea.
Who's guilty here and who is right is
not for us to say-
But anyway the cart's still there today.

 

 1877063-6cd601ff17f7c55bd4ac7b0cdd08075c.jpg
Ivan Krylov (13 februari 1769 - 21 november 1844)
Op een Russische postzegel

 

 

De Engelse dichteres en schrijfster Eleanor Farjeon werd geboren op 13 februari 1881 in Londen. Zie ook alle tags voor Eeleanor Farjeon op dit blog.

 

Cats Sleep Anywhere

Cats sleep, anywhere,
Any table, any chair
Top of piano, window-ledge,
In the middle, on the edge,
Open drawer, empty shoe,
Anybody's lap will do,
Fitted in a cardboard box,
In the cupboard, with your frocks-
Anywhere! They don't care!
Cats sleep anywhere.

 

The Quarrel

I quarreled with my brother,
I don't know what about,
One thing led to another
And somehow we fell out.
The start of it was slight,
The end of it was strong,
He said he was right,
I knew he was wrong!
We hated one another.
The afternoon turned black.
Then suddenly my brother
Thumped me on the back,
And said, "Oh, come on!
We can't go on all night—
I was in the wrong."
So he was in the right.

 

 1877063-610594de106672945bd318091add4627.jpg
Eleanor Farjeon (13 februari 1881 – 5 juni 1965)

 

 

De Argentijnse dichter en schrijver Ricardo Güiraldes werd geboren op 13 februari 1886 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Ricardo Güiraldes op dit blog.

Uit: The Gaucho: Contradictions and the Construction of a National Symbol (Studie door Helen Chaffee)

“For Güiraldes, the gaucho, epitomized in the person of Don Segundo, is a symbol of strength and character. While Fabio has his share of unwise decisions and even Don Segundo is not above lying to a corporal of the police, Güiraldes emphasizes the mental and physical endurance the gaucho lifestyle builds. Besides teaching Fabio all nature of work involved in being a gaucho—breaking colts, using bolas, making leather straps, and rounding cattle — Don Segundo teaches Fabio about life, “about endurance and integrity under duress, fatalism in accepting whatever came along without grumbling, moral strength in matters of love, distrust of women and liquor, reserve with strangers, and faith in friends.” According to Güiraldes, the essence of the gaucho lies not in his physical work of rounding up cattle but rather in the strength of character acquired by hard work and a simple lifestyle. This abstract definition of a gaucho allowed any one, no matter their social class or geographical location, to be a gaucho. Don Segundo sums this up in his advice to Fabio: “if you‟re really a gaucho, you don‟t have to change, because wherever you go, you‟ll go with your soul leading the way, like the lead mare of the herd.”46 All Argentines could acquire the strength of character necessary to be a gaucho.
The story of Fabio can be understood as a metaphor for Argentina‟s own national story. The young Fabio starts out with a decided lack of identity—he does not know who his parents are, he wanders through the town with no friends, making fun of boys his own age. This connects to the confusion surrounding national identity in early twentieth century Argentina.”

 

 1877063-9ee49a278648a703c4dfc052062bf581.jpg
Ricardo Güiraldes (13 februari 1886 – 8 oktober 1927)

 

 

De Italiaanse dichteres Antonia Pozzi werd geboren op 13 februari 1912 in Milaan. Zie ook alle tags voor Antonia Pozzi op dit blog.

 

Modesty

If a word of mine
pleases you
and you tell me
even just with your eyes
I open wide
in a joyful smile –
but I tremble
like a young mother
who even blushes when
a passerby tells her
her little boy is handsome.

 

 

A Longing for Light Things

Frail blonde reeds
like a field of wheat
beside the sky-blue lake

the houses of a distant island
the color of sails
ready to set off –

A longing for light things
in the heart as heavy
as a stone
inside a boat –

Yet one evening it will reach
these shores,
the unfettered soul:
without folding down the reeds
without stirring up water or air
it will set sail – with the houses
of the distant island,
for a high reef
of stars –

 

Vertaald door Nick Benson

 

 1877063-60e152560f914e0a5418b4bb26a779e4.jpg
Antonia Pozzi (13 februari 1912 – 3 december 1938)
Cover

 

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, vertaler en jurist Friedrich Adler werd geboren op 13 februari 1857 in Amschelberg in Midden-Bohemen (nu Tsjechisch: Kosova Hora). Zie ook alle tags voor Friedrich Adler op dit blog.

 

Frühlingsgebet

Wieder wallen die süßen Lüfte
Und den farbigen Brautkranz
Flicht die Erde, die ewig junge
Wieder in′s perlenglitzernde Haar;
Aufleuchtend erglüht
Zu neuer Freude das Auge,
Das zum Staube sich trüb′ gesenkt;
Hoffend wendet das Herz sich
Der Zukunft zu,
Die sich golden aufthut,
Und auf die Lippen drängt,
Innig geflüstert
Sich das tiefste Gebet der Seele.

Selten in mein Herz
Ist der fröhliche Lenz gekehrt,
Und meine Blüthen
Hast du mit Schauer umweht und Frost,
Finster waltendes Schicksal:
Hast mich früh hinausgedrängt,
Mit dem Leben zu kämpfen,
Und strenge Nothwendigkeit
Verscheuchte die süßen Bilder,
Welche die Dichtung spinnt,
Die sorgenlose, die ewig
Heitere Göttin.

Gabst du den Kampf, ich habe gekämpft!
Wirst du die Sonne mir verhüllen,
Im Dunkel werd′ ich suchen den Weg –
Eins nur begehre ich.
Laß mir die Seele frei von Bitterniß,
Daß mir immer traut und verständlich
Die Sprache sei,
Die der Mai spricht,
Daß keine Rose vergebens
Den köstlichen Hauch mir entgegenwehe,
Kein Lied,
Das freier Kehle wirbelnd entsteigt,
Ungehört an das Ohr mir schlage ...

Laß mir die Seele frei von Neid,
Laß mich glücklichere Lippen
Schlürfen seh′n der Freude Labetrunk
Und dann ruhig zurückkehren
Unter die Last der Arbeit,
In den eisernen Dienst der Pflicht.

 

 1877063-432da88506316f8aab6ec26fb23e4a16.jpg
Friedrich Adler (13 februari 1857 – 2 februari 1938)

Geschreven door Romenu om 13:48 Reageer op dit bericht

Arjan Visser

De Nederlandse journalist en schrijver Arjan Visser werd geboren in Werkendam, Noord-Brabant, op 13 februari 1961. Vanaf 1987 schreef hij drie jaar voor een huis-aan-huisuitgave van het Utrechts Nieuwsblad. Vervolgens werd hij tekstredacteur bij Libelle. Voordat Visser aan het schrijven sloeg werkte hij bij de Sociale Dienst als maatschappelijk werker. Volgens eigen zeggen was hij daar niet hard genieg voor. In 1991 won hij een literaire prijs met een kort verhaal; vanaf dat jaar vestigt hij zijn naam als journalist en interviewer, achtereenvolgens bij Libelle, Nieuwe Revu en dagblad Trouw. Visser is voornamelijk bekend vanwege zijn lange interviewreeks “De tien geboden”. Het eerste hiervan verscheen in augustus 1997 in Nieuwe Revu. Deze interviews zijn gebundeld in een tot nu toe zesdelige reeks. De eerste bundeling heet “Over smalle wegen”, de overige heten alle De tien geboden. Visser ontving voor zijn debuut “De laatste dagen” (2003) de Anton Wachterprijs, de Geert Jan Lubberhuizenprijs en een nominatie voor de shortlist van de AKO Literatuurprijs. Zijn tweede roman “Hemelval” verscheen in 2006. In 2009 verscheen “Paganinipark”, in 2012 “Hotel Linda” (In het Duits vertaald onder de titel „Der blaue Vogel kehrt zurück“. In 2016 verscheen zijn vijfde boek “God sta me bij want ik ben onschuldig”.

Uit: God sta me bij want ik ben onschuldig

“Wie zich veel herinnert, weet waarschijnlijk weinig zeker. Ik benijd de mensen voor wie het verleden lijkt op een archief dat zelden wordt geopend. Ik haal mijn herinneringen zo vaak tevoorschijn dat ze verkreukeld en onbetrouwbaar zijn geworden. Het zijn inmiddels herinneringen aan herinneringen, niet zo of misschien zelfs nooit gebeurd.
Wat kan ik weten? Wat zou ik moeten weten? Wat weet ik – of wist ik, bij nader inzien – liever niet? Details die ik vandaag te horen krijg, vond ik gisteren niet interessant genoeg. Van wat ik nu begrijp, begreep ik vroeger niets, en vice versa. Wat is waar, wat is verzonnen? Hoeveel waarheid schuilt er in verzinsels?
In mijn jonge jaren leek alles vanzelfsprekend en eenduidig. Als de werkelijkheid me slecht beviel, vluchtte ik in de fantasie. Het was het één of het ander. Van een schijnwereld had ik nog niet gehoord en geheimen hadden vooral een vórm: een voorraad gepikte snoepjes, een liefdesbriefje dat ik had gekregen (plus het antwoord dat ik nooit had durven sturen) en attributen die mijn ouders voor ons verborgen hielden in ‘de witte kast’, een wandmeubel dat in de woonkamer stond en met goudkleurige sleuteltjes werd afgesloten. Ik vond er een Playboy, Golden Fiction-sigaretten, zilveren guldens en in 1975, toen ik veertien was, een Spaanse krant van een jaar eerder met een paginagrote foto van Fina.
Hier wordt het lastig.
Fina Fúster was een jonge vrouw die mijn vader eind jaren zestig in Playa de Gandía, een plaatsje aan de Costa Blanca, had leren kennen. Hij was daar, als importeur van groenten en fruit, om zaken te doen met een sinaasappelboer uit de regio. Fina runde samen met haar moeder Adela
een souvenirshop in een straatje vlak bij de kust. Fina was stevig gebouwd, een beetje bleu, niet erg opvallend. Ze had een oudere zus en een jonger broertje. Haar vader was op het moment dat wij met de familie bevriend raakten al een paar jaar dood. Begin jaren zeventig, toen ik negen of tien jaar oud was, kwam Fina naar Nederland. Hoe lang ze bleef, is lastig te achterhalen, maar dat ze er was, is op verschillende foto’s vastgelegd: Fina op een feestje dat ter ere van haar bezoek werd gehouden. Ze drinkt wijn en draagt een minirok."

 1963397-a22af8b74396ed36cf486dfa719cd8d6.jpg
 Arjan Visser (Werkendam, 13 februari 1961)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

J.M.A. Biesheuvelprijs voor Marente de Moor

De Nederlandse schrijfster en columniste Marente de Moor heeft vrijdag de J.M.A. Biesheuvelprijs gewonnen, een prijs voor de beste Nederlandstalige bundel korte verhalen. De Moor krijgt de prijs, een bedrag van 4875,35 euro, voor haar bundel “Gezellige Verhalen” Zie ook alle tags voor Marente de Moor op dit blog.

Uit: Gezellige verhalen

“We sluiten de tent. Voorgoed. Jules is het ermee eens, althans, dat zei hij vannacht toen we in het donker tegenover elkaar stonden met de toonbank tussen ons in. De energiezuinige straatlantaarn wierp een groene gloed over zijn schedel, kaal op twee hoorntjes van pluishaar na. Mijn broer, de faun van Vaals. Hij had gedronken, de hemel mag weten wat, en nu vrees ik dat hij nooit meer terugkomt.
‘Goed man, gaan we sluiten,’ zei hij, de druipende vaatdoek wegsmijtend waarmee ik zojuist kortsluiting had veroorzaakt, ‘maar dan ook verder geen gezeik meer, ik doe wat ik wil en wat jij doet moet jij weten.’
Hij rook weer zo eigenaardig. Niet zoals toen we nog met z’n tweee¨n waren, niet naar het rijzende deeg en de vruchten van de vlaaien die hij bakte, maar naar de supplementen die zij hem laat slikken. Poeders, Aziatische wondermiddeltjes die hem uitputten. Die hoer laat hem als een estafetteloper achter zijn eigen stokje aan rennen. En de mensen zien het, want zo wandelt hij hier door de straten, met zijn dunne broek. God, de mensen zien het en zullen denken dat ik het ben, want niemand kan ons van elkaar onderscheiden. Hij is een halfuur jonger en vijf centimeter korter, knipt de zijkanten van zijn hoofd niet, ik wel; hij heeft zijn bril weggedaan terwijl ik ’m nog draag. Verschillen genoeg, zou je zeggen. Ik blijf rustig, hij is opvliegend; dat was hij al voordat hij haar ontmoette (als je bij zoiets al van een ontmoeting kunt spreken). Hij kan zingen, dansen en autorijden en ik allemaal niet; hij bakte en ik bediende, en dat wilden we volhouden tot ons pensioen, maar nu zijn we pas drieënvijftig en sluiten we de tent.
Zes uur. De volle maan is er nog even. Zal ik naar beneden gaan, beginnen met de vullingen? Dan hebben de gasten weer vlaai van Marcel, die weliswaar minder goed smaakt dan die van Jules; dat verschil merken ze dan weer wel. Kijken doe je met de bovenkant van je gezicht terwijl je proeft en roddelt met de onderkant, het is maar waar je voor kiest. Ik blijf het liefst hier liggen, zo lang mogelijk in dezelfde houding om het ledikant zijn afschuwelijke gekraak te besparen, in dit van mijn vuil verslapte beddengoed, starend naar de stripfiguurtjes aan de muur, ik blijf, ik laat alles zoals het is.”

 

1877810-9c11fbeb829d67f4ffa0a00c288c54cd.jpg
Marente de Moor (Den Haag, 1972)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten