Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 6 oktober 2016 tot 7 oktober 2016

Simon Carmiggelt, Rachel Kushner, James Whitcomb Riley, Thomas Keneally, Dirkje Kuik, Steven Erikson, Wilhelm Müller, Sohrab Sepehri, Chigozie Obioma

De Nederlandse schrijver en dichter Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Simon Carmiggelt op dit blog.

 

Louter droefheid

Ik voel mij somber. Ei, wat zal ik doen?
Een platte geest dronk nu een glaasje.
Maar ik ben een poëtisch baasje
en ga mijn weemoed in een versje doen.

Dat is het voordeel van mijn gave.
De burger kan zijn ei niet kwijt,
terwijl ik, rustig mijn neerslachtigheid
gelijk een paardje voor mijn kar laat draven.

Is het volbracht, dan ben ik opgelucht.
'k Heb schoonheid uit mijn pijn gewrongen.
Mijn lieve pen heeft mooi gezongen.
Ik stap in bed. Ik geeuw en zucht.

En staan mijn verzen later soms te kijk
in 'Gouden Aren' of in 'Dichterschat',
dan zegt de leraar bij deez' pennespat:
'Kijk jongens, hier had hij het moejelijk.'

 

 

In de trein

Bij Vught dacht ik: 'Hier is broer Jan gestorven.'
En 'k zag mijn vader, met zijn oud gezicht
rood opgezwollen, toen het doodsbericht
zijn late leven toch nog had bedorven.

Voor moeder kwam een eind aan haar pakketten.
Zij streed, zolang Jan zat, met eigen wapen,
stond aan 't fornuis haar moed bijeen te rapen,
zond zeven broden, zeven tegenzetten.

En ook het reizen was achter de rug.
Ze gingen met de trein. Daar ligt het kamp.
Daar zit hij in. Daar woont die ramp.
Dan zuchtten ze en gingen maar weer terug.

Ziet ge de boer de vredesakker ploegen?
Mijn moeder heeft Jans foto op de kast gezet.
Mijn vader geeft in 't graf 'n antwoord aan die vroegen:
'En de oude man, hoe draagt hij het?'

 

 

De vader

Dit kleine prinsje, kraaiend, blij en rap,
is 't enig wezen in het aardse tranendal
voor wie hij in een afgrond springen zal.
Nu ja, maar stellig van een hoge trap.

Van vadertrots zwelt hem de weke krop,
want dit is nu toch 's levens suikerstang.
Hij sabbelt, maar het duurt niet lang.
Het zoet slinkt weg, de knaap groeit op.

En geen notaris wordt er uit die stek.
Daaraan werd vaders geld bepaald vermorst.
Toch is de jongen wel een flinke borst.
Als krachtig fietsenmaker lang niet gek.

Maar vrolijk kraaien valt hem niet meer in
wanneer hij, eens per jaar, pa's krot betreedt.
De oude kijkt hem aan. Als jongeling gekleed,
staat hij daar zelve, doch met Anna's kin.

 

 1963922-08e0c7c30c9e75e0720950e604caae16.jpg
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Rachel Kushner werd geboren op 7 oktober 1968 in Eugene, Oregon en verhuisde naar San Francisco in 1979. Zie ook alle tags voor Rachel Kushner op dit blog.

Uit: The Flamethrowers

“My uncle Bobby, who hauled dirt for a living, spent his final moments oflife jerking his leg to depress the clutch while lying in a hospital, his body determined to operate his dump truck, clutching and shifting gears as he Sped toward death on a hospital gurney. “He died on the job,” his two sons said, unmoved. Bobby was too mean for them to love. Scott and Andy had been forced to oil Bobby’s truck every Sunday and now he was dead and they had Sundays to themselves, to oil their own trucks. Bobby was my mother’s brother. Growing up, we’d all lived together. My mother worked nights, and Bobby was what we had as a parent. Done driving his dump truck, he sat inexplicably nude watching TV and made us operate the dial for him, so he wouldn’t have to get up. He’d fix himselfa big Steak and give us inStant noodles.
Sometimes he’d take us to a casino, leave us in the parking 1ot with bottle rockets. Or play chicken with the other cars on 1-80, with me and Scott and Andy in the backseat covering our eyes. I come from reckless,unsentimental people. Sandro used this againSt me on occasion. Hepretended I was placed in his life to torture him, when it was really the other way around. He acted smitten but I was the smitten one. Sandro held all the power. He was older by fourteen years and a successful artist, tall and good-looking in his work clothes and Steel-toed boots-the same kinds of clothes that Bobby and Scott and Andy wore, but on Sandro they added up to something else: a guy with a family inheritance who could use a nail gun, a drill press, a person not made effete by money, who dressed like a worker or sometimes a burn but was elegant in those clothes, and never hampered by the queStion of whether he belonged in a given situation (the queStion itselfwas evidence ofnot belonging).
Sandro kept a photo above the desk in his loft, him posing on a couch next to Morton Feldman in his Coke-bottle glasses, Sandro looking cool and aloof, holding a raised, loaded shotgun, its barrel one long half of the letter X crossing the photograph diagonally.”

 

 1963922-4ac761e80066cfb72d31e230c6450b0f.jpg
Rachel Kushner (Eugene, 7 oktober 1968)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Whitcomb Riley werd geboren op 7 oktober 1849 in Greenfield, Indiana. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor James Whitcomb Riley op dit blog.

 

September Dark

1
The air falls chill;
The whippoorwill
Pipes lonesomely behind the Hill:
The dusk grows dense,
The silence tense;
And lo, the katydids commence.

2
Through shadowy rifts
Of woodland lifts
The low, slow moon, and upward drifts,
While left and right
The fireflies' light
Swirls eddying in the skirts of Night.

3
O Cloudland gray
And level lay
Thy mists across the face of Day!
At foot and head,
Above the dead
O Dews, weep on uncomforted!


 1963922-e6dadbe7d11a8d36b1d6ac1a869e21c2.JPG
James Whitcomb Riley (7 oktober 1849 – 22 juli 1916)
Standbeeld in Greenfield, Indiana

 


De Australische schrijver Thomas Keneally werd geboren op 7 oktober 1935 in Sydney. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Keneally op dit blog.

Uit: Schindler's List

“Emilie, on the other hand, was delighted to leave her small village and her father’s old-fashioned household, where she had to act as hostess to him and his boring friends. She was enthusiastic about moving into an apartment in Zwittau with her tall, handsome young husband. However, Emilies dream of a happy marriage did not last long. Oskar followed his father’s example and forgot about his wife in the evenings, staying in cafes like a single man, talking to girls who were neither religious nor quiet.
Hans Schindler’s business went bankrupt in 1935, and soon afterwards he left his wife and found an apartment on his own.
Oskar hated his father for abandoning his mother and refused to speak to him. The son seemed blind to the fact that his treatment of Emilie was already following the same pattern.
Meanwhile, even though the world’s economy was suffering, Oskar managed to get a good job. He had good business contacts, he had a background in engineering and he was good company. These qualities made him the perfect man to become the sales manager of Moravian Electrotechnic. He began travelling a lot, which reminded him of his time as a motorbike racer, and which gave him an excuse to stay away from his responsibilities in Zwittau.
By the time of his mother’s funeral in the late 1930s, Oskar, like many young Czech Germans, was wearing a swastika, the badge of the Nazi Party, on the collar of his suit. He was still not interested in politics, but Oskar was a salesman. W hen he went into the office of a German company manager wearing the swastika, he got the orders that he wanted.
Oskar was a busy, successful salesman, but he could feel something even more exciting than money in the air. In 1938, in the month before the German army entered Sudetenland and made it part of the Third Reich,* Oskar sensed that history was being made, and he wanted to be part of the action.”

 

1963922-f2b975ff42634075b923f468348a58fd.jpg
Thomas Keneally (Sydney, 7 oktober 1935)
Scene uit de film van Steven Spielberg uit 1993

 

 

De Nederlandse schrijfster en beeldend kunstenares Dirkje Kuik werd geboren in Utrecht op 7 oktober 1929. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Dirkje Kuik op dit blog.

Uit: De ideale stad

“Ik graaf de grond weg onder de rijtjeshuizen en de torenflats al zou het een gifbelt betreffen. Pas wanneer de laag bereikt wordt waarin sporen voorkomen van kloostermoppen, pestputten en buurtkerkhoven houd ik op met mijn graafwerkzaamheden en ga opnieuw aan het bouwen.
Ja, één modern gebouw spaar ik, het Muziekcentrum. Deze muizenholenachtige schepping kan uitgebrand tot een geblakerde ruïne omgetoverd worden, geplakt tegen het totaal vervallen Hoog-Catharijne, een met graafmachines en bulldozers gesloopt complex, overwoekerd door hoog opgeschoten gras, onkruid, verwilderd struikgewas (…).”

 

1963922-fecaebbfe24bc990e78553483c907598.jpg
Dirkje Kuik (7 oktober 1929 – 18 maart 2008)
Dirkje Kuik, Gezicht op de Buurkerk en de wallen, ets, 1983

 

 

De Canadese schrijver, archeoloog, antropoloog Steven Erikson (pseudoniem van Steve Rune Lundin) werd geboren in Toronto op 7 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Steven Erikson op dit blog.

Uit: Fall of Light

“Barely a smudge against the gloom, the sun was fading in the sky over the city of Kharkanas. The two lieutenants from the Houseblades of Lord Anomander, Prazek and Dathenar, met on the outer bridge and stood leaning on one of its walls, forearms on the stone. Like children, their upper bodies were tilted forward as they looked down upon the waters of the Dorssan Ryl. To their right, the Citadel stood like a fortress of night, defying the day. To the left, the city’s jumbled buildings crowded up against the flood wall as if caught in the act of marching over the edge.
Below the two men, the river’s surface was black, twisting with thick currents. Even now, the occasional charred tree trunk slid past, like the swollen limb of a dismembered giant. Ash-grey mud crusted the sheer walls that made up the banks. The boats moored to iron rings in the walls, near the stone steps that reached down into the water at intervals, looked neglected, home to dead leaves and murky pools of rainwater.
‘There is discipline lacking,’ murmured Prazek, ‘in our sordid post upon this bridge.’
‘We are looked down upon,’ Dathenar replied. ‘See us from atop the tower. We are small things upon this frail span. Witness as we betray errant curiosity, not suited to sentries at all, and in our pose you will find, with dismay, civilization’s slouching departure from the world.’
‘I too saw the historian at his lofty perch,’ Prazek said, nodding. ‘Or rather, his hooded regard. Did it track us out here? Does it fix still upon us?’
‘I would think so, as I feel a weight upon me. At least an executioner’s shroud offers mercy in hiding the face above the axe. We might splinter here under Rise Herat’s judgement, bearing as it does no less sharp an edge."

 

1963922-db3e390a79ac05a7269e81f723dbb293.jpg
Steven Erikson (Toronto, 7 oktober 1959)

 

 

De Duitse, romantische dichter Wilhelm Müller werd geboren op 7 oktober 1794 in Dessau. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Wilhelm Müller op dit blog.

 

Rückblick

Es brennt mir unter beiden Sohlen,
Tret' ich auch schon auf Eis und Schnee.
Ich möcht' nicht wieder Atem holen,
Bis ich nicht mehr die Türme seh'.

Hab' mich an jedem Stein gestoßen,
So eilt' ich zu der Stadt hinaus;
Die Krähen warfen Bäll' und Schloßen
Auf meinen Hut von jedem Haus.

Wie anders hast du mich empfangen,
Du Stadt der Unbeständigkeit!
An deinen blanken Fenstern sangen
Die Lerch' und Nachtigall im Streit.

Die runden Lindenbäume blühten,
Die klaren Rinnen rauschten hell,
Und ach, zwei Mädchenaugen glühten!
Da war's geschehn um dich, Gesell!

Kömmt mir der Tag in die Gedanken,
Möcht' ich noch einmal rückwärts sehn,
Möcht' ich zurücke wieder wanken,
Vor ihrem Hause stille stehn.

 

 1963922-4926047b153727a7838a5083aabad7b0.jpg
Wilhelm Müller (7 oktober 1794 – 1 oktober 1827)
Borstbeeld in Dessau

 

 

De Iraanse dichter en schilder Sohrab Sepehri werd geboren op 7 oktober 1928 in Kashan. Zie ook alle tags voor Sohrab Sepehri op dit blog.

 

The Flow Of Water

When knowledge
Still nestled by springs,
Man
Indulged himself in his azure philosophy
In the delicate indolence of a meadow.
His thoughts flew with the bird.
He breathed with trees.
He was submissive to the poppy's conditions.
Intrepid meanings of the waters
Roared in the depths of his speech.
Man
Slept
In the text of the elements
And woke up
In dawning fear.

But sometimes
The strange music of growth
Echoed
In the frail joints of his joys
And dust settled
On his struggling knees.
Then
His creative fingers,
Idled and got lost
In precise geometrical grief.


Vertaald door Ismail Salami

 

 1963922-bc438d47333ce7623249ffbe5577dcd5.jpg
Sohrab Sepehri (7 oktober 1928 - 21 april 1980)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nigeriaanse schrijver Chigozie Obioma werd geboren in 1986 in Akure. Zie ook alle tags voor Chigozie Obioma op dit blog.

Uit: The Fishermen

“Before we slept that night, Ikenna, who was nearly fifteen and on whom we relied for the interpretation of most things, had suggested Father was being transferred. Boja, a year his junior, who would have felt unwise if he didn’t appear to have any idea about the situation, had said it must be that Father was travelling abroad to a “Western world” just as we often feared he someday would. Obembe who, at eleven, was two years my senior, did not have an opinion. Me neither. But we did not have to wait much longer.
The answer came the following morning when Father suddenly appeared in the room I shared with Obembe. He was dressed in a brown T-shirt. He placed his spectacles on the table, a gesture requesting our attention. “I will start living in Yola from today onwards, and I don’t want you boys to give your mother any troubles.” His face contorted when he said this, the way it did whenever he wanted to drive the hounds of fear into us. He spoke slowly, his voice deeper and louder, every word tacked nine-inches deep into the beams of our minds. So that, if we went ahead and disobeyed, he would make us conjure the exact moment he gave us the instruction in its complete detail with the simple phrase “I told you.”
“I will call her regularly, and if I hear any bad news”—he struck his forefinger aloft to fortify his words—“I mean, any funny acts at all, I’ll give you the Guerdon for them.”
He’d said the word “Guerdon”—a word with which he emphasized a warning or highlighted the retribution for a wrong act—with so much vigour that veins bulged at both sides of his face.”

 

1963922-3f84e376ae634d4206821436cf153957.jpg
Chigozie Obioma (Akure, 1986)

Geschreven door Romenu om 18:17 Reageer op dit bericht

Georg Hermann

De Duitse schrijver Georg Hermann (oorspronkelijk Georg Hermann Borchardt) werd op 7 oktober 1871 in Berlijn als de jongste van zes kinderen in een oude gevestigde Joods-Berlijnse familie geboren. De gekozen naam Hermann was de voornaam van zijn vader, "wiens leven en dood het harde leven en de bittere dood was van de hopeloze." De naam van zijn vader moest weer worden geëerd - zo Georg Hermann over de keuze van zijn pseudoniem. Georg Hermann werkte als koopman- leerling en bezocht van 1896 tot 1899 literatuur-, kunst- en filosofische lezingen aan de universiteit van Berlijn. Later was hij werkzaam bij het Berlijnse Statistische Bureau en schreef voor veertig kranten en tijdschriften, hoofdzakelijk uitgegeven door Ullstein. In de eerste drie decennia van de twintigste eeuw was Georg Hermann een bekende schrijver. Zijn literaire model was Theodor Fontane, waardoor hij zelf ook wel “de Joodse Fontane” werd genoemd. De romans “Jettchen Geberts Geschichte” en “Henriette Jacoby”, die in het Berlijn van de 1840's spelen en een beeld schetsen van de liberale geest van deze tijd in een Joodse familie, waren bestsellers met meer dan 260 oplagen. Zijn andere romans hebben niet dezelfde populariteit bereikt. Georg Hermann was in 1909 medeoprichter en eerste voorzitter van de Schutzverband Deutscher Schriftsteller (1910-1913), waarbij al snel bijna alle prominente Duitse schrijvers waren aangesloten. Voortdurend bedreigd door de Nationaalsocialisten besloot Hermann om Duitsland na de Reichstagsbrand in 1933 te verlaten. Met zijn twee jongste dochters en zijn gescheiden vrouw ging hij naar Nederland in ballingschap. Hermann's werken stonden op de zwarte lijst en werden in mei 1933 verbrand. In ballingschap schreef Hermann onder moeilijke economische omstandigheden “Eine Zeit stirbt” evenals drie andere romans. Na de bezetting door het Duitse leger was hij in het begin van 1943 verplicht zijn woonplaats Hilversum te verlaten en naar Amsterdam te gaan. Vanuit Amsterdam werd Hermann eerstsamen met zijn dochter uit het tweede huwelijk Ursula en haar zoon Michael naar Westerbork en op 16 november 1943 zonder dochter en kleinzoon naar het concentratiekamp Auschwitzgedeporteerd .Als datum van overlijden geldt 19 november 1943.

Uit:Eine Zeit stirbt

“Alle sind damit – mit Unrecht, vielleicht mit Recht, je nach dem, wie man das ansehen will – unzufrieden. Denn ihr Stück Gemüseland, und das gehört zu jeder Wohnung, wäre, so meinen sie, sicher viel ertragreicher geworden, und so bekäme man ja gar nichts raus, kaum ein Bund Radieschen und einen halben Zentner grüner Bohnen, ... also – viel ertragreicher wäre es geworden, wenn man nicht damals hier erst mal unnötigerweise den Boden planiert hätte, und dabei die alte Humusdecke abgestochen und untergegraben hätte. Und den dicken, rotgelben, schlechten Lehm, den von ganz unten, dafür hochgeworfen hätte. – Damals nämlich, als man die Absicht auszuführen begann, dieses Dutzend Wohnkästen hier – und warum eigentlich auf der Winterseite des Tals? – hinzustellen. Und außerdem noch gerade neben den Friedhof. Ja, da gehört doch gleich mit Eisenbahnschienen 'neigeschlagen! meinen sie.
Außerdem hatten die Erdarbeiten, die so unnütz wie ein Kropf waren, denn das Stückchen Gartenland hätte ebenso ruhig etwas mehr hügelan laufen können ... oder man hätte es überhaupt ganz so lassen sollen, wie es war, und die Häuser einfach mitten in die Margeriten- und Salbeiwiesen zwischen die alten Birnbäume stellen sollen, statt diese abzutragen und umzuhauen ... die Erdarbeiten hatten so viel verschlungen, immer neue Tausender, Hundertausender und Millionenscheine, die stets nach acht Tagen wieder so wertlos waren, daß es sich nicht mal lohnte, sie als Makulatur unter die Tapete zu kleben ... derartige Packen von Scheinen hatten die Erdarbeiten gefressen, daß die Häuser deshalb nachher kaum zu Ende gebaut werden konnten. Das Geld, das dafür bestimmt war, rutschte immer wieder unter dem Bau fort, wie Schwimmsand unter dem Fundament.
Sagte ich eben ein Dutzend?! Es sind ja nicht mal ganz ein Dutzend von diesen großen, gelben, langgezogenen Kästen mit je vier Parteien. Aber das ist wirklich nicht so wichtig. Das müßte man erst nachzählen. Und außerdem geht uns das gar nichts an. Vielleicht später mal. Genug, die Siedlung ist in der allerunsichersten Zeit errichtet worden. Heute macht man sowas besser! Kurz nach dem Krieg, als man noch nicht ahnte, was alles los war und werden würde, und nun meinte: jetzt ist der Krieg zu Ende, also ist deshalb doch Frieden. Wieder Frieden. Und alles wird ungefähr so werden, wie es vorher war. Nur die Briefmarken werden wir ändern. Die Menschen aber werden doch wieder wohnen müssen. Nicht wahr? Und sie werden essen müssen. Nicht wahr? Und sie werden Geld verdienen. Nicht wahr? Und sie werden Geld ausgeben. (Das haben sie immer getan.) Alles wird zwar etwas bescheidener sein als vorher, – dafür war eben Krieg! – aber doch ungefähr ebenso. Nicht wahr? Also: Geld wird wieder Geld sein. Und Ware Ware. Und die Menschen werden eben wieder Menschen sein.”

 

 2075963-9362a53bd5168189e45133d85b041d1f.jpg
Georg Hermann (7 oktober 1871 - 19 november 1943)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Victor Vroomkoning, Ulrike Ulrich, Yaşar Kemal, Heinrich Federer, Ludwig Begley, Maria Dąbrowska, Horst Bingel, Peter Gosse

De Nederlandse dichter Victor Vroomkoning (pseudoniem van Walter van de Laar) werd geboren op 6 oktober 1938 in Boxtel. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Victor Vroomkoning op dit blog.


Waas


Hij wuift het kanten waas
van de beslagen ruit.
De blaren vallen,
zegt hij half luid.
Trage halen
van zijn hand
wissen de herfst
in zicht.

Zij kijkt hem
in zijn uitgeleefde nek
en denkt: verrek
toch met je weer,
kijk naar je schedel,
je vergaan gezicht.

 

 

Contact

Ze tilt de hoorn van de haak,
verbindt er oor en mond mee,
noemt de naam die bij zijn voor-
naam hoort, achter de hare stond.

Ze moet herstellen.

Het is nog al te vers
dat ze zichzelf hervond,
kind weer van haar eerste man,
haar vader werd, diens naam hernam.

Haar tong die lang in coma lag
wordt fluisterend gewekt.
Door het contact wint zij aan stem.

Mond-op-mondbeademing
verkwikt haar toegesnoerde keel.

 

 

Zoektocht

Ik vraag het de man die naast zijn Groningse stadsbus bij
de remise recreëert, vraag het in Dorkwerd de gele vrouw
die de bermen fatsoeneert, vraag het de bode in Sauwerd die
met zijn post passeert, herhaal het in Adorp voor de werker
die de weg herstructureert, maar een weet waar jij existeert.
Wel de buitenstaander op het Pieterpad die jou exact traceert.

Nabij het Reitdiep duikt je krans van essen op. Wat houd jij
de door schelpen ingelijste pakweg honderd doden hoog!
Dat jij bewaard mag blijven, stille hoop voor wie rust zoekt.
Bij een graf vind ik een strofe die ik hier met jou verbind:

Wie legt me uit hoe alles werkt
hoe groot het gat is tussen nu en nooit
en hoe het komt dat ik nu merk
jij bent echt dichterbij dan ooit.

 

 1963572-7fa8b355e884d6f286b1b0499d7b8005.jpg
Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)
Portret door Robert Terwindt, 2004

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Ulrike Ulrich werd geboren in op 6 oktober 1968 in Düsseldorf. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Ulrike Ulrich op dit blog.

Uit: Draussen um diese Zeit

“Jeden Freitag geht sie zu den Schildkröten. Jeden Freitag, wenn es nicht regnet, setzt Hanna sich auf die rote Bank, die am Rand des Goldfischgrabens steht, direkt neben das Schildkröten-Warnschild, über das sie mit ihm gesprochen hat, über das sie überhaupt erst ins Gespräch kamen. Er hat sie angesprochen. Sie hätte sich nicht getraut. Letzten Freitag, als es geregnet hat, ist sie am Graben vorbei ins Palmenhaus gegangen und hat sich auf die Bank gesetzt, die dem Innenbecken am nächsten steht, aber sie hat dann genauso wenig daran geglaubt, dass er kommen wird, wie sie daran glaubt, dass die Schildkröten beissen. Trotzdem blieb sie zwei Stunden lang im Palmenhaus. Trotzdem hat sie den Schildkröten noch nie über den Panzer gestreichelt, obwohl sie Lust dazu hätte, besonders über den verbeulten Panzer von Agnes würde sie gerne mit den Fingerspitzen fahren, er erinnert sie an die Beifahrertür ihres ersten Kadetts, die auf eine ähnlich unvollziehbare Weise eingedrückt war, schon damals vor fast dreissig Jahren, als sie den Wagen von ihrem Grossvater zum Abitur geschenkt bekam. Gerade jetzt kriecht Agnes an den Rand des grossen Steins, auf dem heute alle Schildkröten neben- und übereinanderlagern, und taucht ihre Vorderfüsse ins Wasser, während eine andere Schildkröte, der Hanna noch keinen Namen gegeben hat, sich ganz in den Wassergraben rutschen lässt und dabei eine weitere mitreisst. Bis die unfreiwillig untergetauchte Schildkröte, die Burkhard heissen könnte, den Stein wieder erklommen hat - zweimal fällt sie mit dem Panzer voran zurück ins Wasser - vergeht eine Minute, in der Hanna sich fragt, ob die Unterseite der Weibchen und Männchen gleich aussieht. Es vergeht eine Minute, in der Hanna beinahe gar nicht daran denkt, wo er bleibt und wieso er nun schon an zwei Freitagen nicht da war, wieso er vielleicht auch schon an zwei Freitagen nicht da war, wieso er vielleicht auch an diesem nicht kommen wird, obwohl die Sonne scheint und die Schildkröten sich alle auf der grossen Steinplatte versammelt haben, Elsa wie immer obenauf, die kleine Elsa deren Panzer ausfranst und aussieht, als wolle er zu Federn werden.“

 

1963572-9556e6ba8adf52a4fa99c543adbc58e1.jpg
Ulrike Ulrich (Düsseldorf, 6 oktober 1968)

 

 

De Turkse schrijver Yaşar Kemal werd geboren op 6 oktober 1923 als Kemal Sadik Gökçeli in Hemite. Zie ook alle tags voor Yaşar Kemal op dit blog.

Uit: The Sea-Crossed Fisherman (Vertaald door Thilda Kemal)

“The dolphins would laugh out loud when they saw Selim. An   animal laugh? Laughter, tears, the prerogatives of humankind? Hah, what fools men are! It is human beings who have forgotten how to laugh. It is human beings who are lonely, friendless, who cannot, will never ever enjoy the touch of a warm hand, the beauty of a loving gaze. It is human beings who are cynical, callous, indifferent to the beauty of the world around them, incapable of feeling the pure joy of being alive, of seeing the sky under which they live, the earth over which they walk, just blind wanderers in the midst of the majesty of nature. Dolphins, fishes, birds, foxes, wolves, even the smallest insects are those who enjoy our world to the full.
(...)

A strange phenomenon it was indeed, this relationship between the dolphin and Selim. . . . The dolphin would find the finest nests of red mullet, lobsters and shrimps, and would then lead Selim to them.
Selim’s boat would overflow with the choicest fish, and when he went to sell his catch at the fish market the other fishermen would turn green with envy."

 

 1963572-89df63993940ef07d04365920180e156.jpg
Yaşar Kemal (6 oktober 1923 - 28 februari 2015)

 

 

De Zwitserse dichter, schrijver en priester Heinrich Federer werd geboren op 6 oktober 1866 in Brienz. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2009 en ook mijn blog van 6 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Heinrich Federer op dit blog.

Uit:Berge und Menschen

„Dann rutschte er aber doch ganz gleichgültig in das erste, das zweite Hosenbein, knöpfte sich verstohlen die Weste zu und schlich wie absichtslos zum Lehnstuhl hinüber. Aber die unsichtbare, unheimliche Krankheit ließ sich auf keine Art übertölpeln. Beim ersten Blick vom Fenster in die Beweglichkeit der Straße hinab schwindelte ihn. Er floh zu den grünen Ulmen des Kirchplatzes hinüber. Aber diese so gelassenen und dunkeln Bäume schienen ihre Finger auf einmal zu verschnörkeln, Fratzenmienen zu schneiden und drohend nach ihm zu häckeln. Bert meinte, vornüber zu sinken. Er fing an zu frieren und sich elend und immer elender zu fühlen, bis er wieder tief ausgestreckt im Bett lag. Und der Arzt sagte unter ärgerlichem Kopfschütteln: »Fünf Promille Eiweiß! Was treiben Sie denn untertags?«
Der arme Tropf! Und er war noch ein so junger Geometer!
Sein schwächliches Reden, das müde Bewegen der Hände und das ewige Nicken zu allem, was Frau Bert für ihn sagte, machte Emil betroffen. Er begann an eine tiefe Krankheit zu glauben und seinen alten Schulkameraden ehrlich zu bedauern. Aber je weiter er vom Krankenhause wegschritt, im gesunden Atem der Straße, um so kräftiger freute er sich über das eigene Wohlsein. Leichter als sonst und selbstgefälliger faßte er seine biegsamen Schritte, und indem er schon die Stirnseite seiner Wohnung erblickte, sagte er zwar noch einmal hastig: »Der arme Tropf!« dann aber fügte er, die Arme dehnend, voll Überzeugung hinzu: »Mir fehlt nichts! zum Teufel, ich bin doch ein gesundes Stück Mensch!«
So oft Manuß seinem Hause nahte, diesem hellgrauen, vielfenstrigen, mit kargen, aber feinen Ornamenten gezierten, soliden Hause und besonders der tiefbraunen Doppeltüre mit dem Scheibengitterchen davor, das zwei Fasanen mit nahen Schnäbeln und stolz gebäumten Schweifen darstellte, das Weibchen und seine Brut; so oft kam es ihm unwillkürlich: das ist eine Witwe, aber eine junge, so hell und doch so gedämpft, so erfahren und doch so froh, so Mädchen und doch schon über die Frau hinaus – ja, eine junge Witwe stellt mein Haus vor.“

 

 1963572-530fb45702eec7429722ee8889d28bc7.jpg
Heinrich Federer (6 oktober 1866 – 29 april 1928)
Cover biografie

 

 

De Poolse schrijfster Maria Dąbrowska werd geboren op 6 oktober 1889 in Russów bij Kalisz. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2009 en eveneens alle tags voor Maria Dąbrowska op dit blog.

Uit: Nights and Days (Vertaald door Christine A. Brown)

“Widowed, Jadwiga Ostrzenski moved to the provincial capital of Kaliniec, following the advice of the patriarch of the family, the rich councillor Joachim Ostrzeski, who felt an obligation to supervise the family of his imprudent relative. There she opened a boarding house for high school boys, at the same time educating her own children with great difficulty. After one year of such life, the insurrection of 1863 broke out; all boys, including her oldest son Daniel went to the woods to join the guerrillas. At that time, Jadwiga Ostrzenski sank so low financially that she had to exchange her spacious flat for a room with a garret, and to sell almost all her furniture. However, she did not lose her strength of mind even for a moment, nor did she allow her children to quit school. Sad experiences of her early years had disenchanted her with the prestige and benefits of affluence and birth. She believed only in education. She wished her sons to become scientists, or at least to acquire positions requiring only mental work; she wanted to provide the same opportunities for her daughters. When the insurrection was put down and Daniel, wounded in the leg, came home at last, Lady Jadwiga moved heaven and earth - including the vice governor of Kaliniec, whom the councillor Ostrzenski knew - to enable her son to finish the gymnasium and afterwards to enter the university. Timid and unsure of herself by nature, she was fierce and unyielding when she confronted difficulties or harassment related to the education of her children. In this respect, she was ready for the greatest humiliations and sacrifices, including the repugnance of asking for favors in governing circles. She would not accept any financial help, however - in that she was unpleasantly and rudely proud - she would agree unwillingly, only to the summer trips to Piekary Wielkie, the estate of the councillor Joachim. Besides, she believed herself capable of getting out of the greatest difficulties, and trusted that her children would help out in time. One son was supposed to be a biologist, the other, an engineer. Already they were in higher educational institutions, Daniel in Warsaw and Julian in St. Petersburg, and supported themselves by giving lessons. But they could not as yet send anything to mother, or perhaps they did not feel obliged to do so, occupied as they were with scholarly pursuits. So it was that Lady Jadwiga lived, with her two daughters in indescribable poverty.“

 

 1963572-1283119b4ba6fdf74595f4c0b1a43113.jpg
Maria Dąbrowska (6 oktober 1889 – 19 mei 1965)

 

 

De Amerikaanse schrijver Louis Begley werd geboren als Ludwig Beglejter op 6 oktober 1933 in Stryj (toen Polen, tegenwoordig Oekraïne). Zie ook mijn blog van 6 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Louis Begley op dit blog.

Uit:The Man Who Was Late

“It was a paradox, ofwhich Ben over the years became fond, that he, ostensibly the most punctual and reliable of men, should have been late in the major matters of existence, that he always somehow missed his train. For all that the world could see, his comings and goings were meticulously planned and executed; he could be counted on to leave and arrive unfailingly, and precisely at the appointed hour- whatever his destination. But he knew better. Having studied to death his own version of the universal timetable, he discovered that somehow everything had been timed wrong, had been botched. Ben elaborated on his theory over countless lunches with me. Provided he was in New York, and the peripeties of some financial combination of the decade he just happened to be bringing to the desired ending did not interfere-the pages of my desk calendar were most often blank-we met for lunch at least once a month. Sometimes, if the conversation seemed unfinished-because what we had meant to say could not be contained in the conventional space of two hours, or because we were interrupted by an intruder determined to catch up with one or the other of us, insensitive to the bored or disparaging banter with which, in our mood of conniving solidarity, we deflected his questions-we would agree to lunch again the very first day he was free, to make sure the thing was finally talked out. This was our habit during almost fifteen years. For Ben, after completing the rites of passage proposed to the nation’s best during the Eisenhower era-Harvard College, followed by service in the marines, travel in Europe on a famed scholarship, moved to New York.
By then, I had been living here for several years, ever since my own graduation three classes ahead of Ben, enjoying a precocious celebrity due to a short novel I had published at the midpoint between the appearance of “The Old Man and the Sea and “Goodbye, Columbus”.

 

 1963572-e34cae0ca8a3de9835913e2cee0039dc.png
Louis Begley (Stryj, 6 oktober 1933)

 

 

De Duitse dichter, schrijver, graficus en uitgever Horst Bingel werd geboren in Korbach op 6 oktober 1933. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Horst Bingel op dit blog.

 

Gegend, austauschbar

Die Gegend ist 
mies wir haben viel Gemeinsames 
die Liebe zu Katzen und Hunden 
und die Unlust am Morgen wenn
in dieser Gegend 
ein Mensch stirbt pflanzen 
sie Bäume der Tod 
ist nicht irgendwer 
gestern die Schule war gerade aus 
wurde ein Junge überfahren
45 Minuten lag er 
auf dem Trottoir wenn ich nicht 
Angst hätte aufzufallen 
hätte ich dem Jungen 
eine Decke gebracht.

 

Horoskop

Wenn der Himmel brennt,
wird die Flamme den Tag anzünden, 
Feuer von Feuer.

Wenn das Blatt sich rollt, 
wachsen in den Regenwolken stets 
Rosen von Rosen.

Wenn der Winter friert, 
teilen im Luftballon die Toten 
Steine um Steine.

 

 1963572-787a4e7b86a7c19718b1c4f0e34ad9b2.jpg
Horst Bingel (6 oktober 1933 – 14 april 2008)
Korbach 

 

 

De Duitse dichter, schrijver en essayist Peter Gosse werd geboren in Leipzig op 6 oktober 1938. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2010 en eveeneens alle tags voor Peter Gosse op dit blog.

 

Petersberg (Fragment)

Dort lagern wir, in oder außer uns,
Zeit abgeschaltet undenklich. Benommen
Des Wünschens wir. Gelöst, erlöst in Blendungs-
Zusammenhang. Unendend nunmehr Leben
Oder zu Ende - gleichviel. Ohnmacht Allmacht.

Doch dann: Vom Schaum der Apfelblütenblättchen
Wir wie umschuppt, wie zuarmiert, bepanzert:
Als seien wir noch hier Schutzes bedürftig.
Ihr Haar und Härchen, ganzer Abgrundschwärze,
Umtan zu Asche, Flach reklamerosa
Der Brüstchen Doppelzimt. Verwachsen nixisch
Fuß-Filigran. Und mehr nicht denn Vermutung
Auf ihrer Nabelsasse meine Linke.

Dann gar noch dies: Ein kleiner Aufwind griff sich
Von den durchblühten Ästekugeln Weißes
Und hob es vor dem Felsen-Anthrazite
In Stiebungen - wir sahen: Rauch. Auch hier.
Auch diese Kuhle Krater. Nicht zu trauen
War diesem Frieden auch. Wir im Vulkane.

Auch ließ die Wunschlosigkeit nach, und jähe.

 

 1963572-d18ce128e0a015b396a70c2bb9e6ce7e.jpg
Peter Gosse (Leipzig, 6 oktober 1938)      

     

Geschreven door Romenu om 18:20 Reageer op dit bericht

Anton Wachterprijs 2016 voor Roos van Rijswijk

De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk krijgt dit jaar de Anton Wachterprijs, de tweejaarlijkse prijs voor een literair prozadebuut. De schrijfster krijgt die voor haar eerder dit jaar verschenen roman "Onheilig". Van Rijswijk is de twintigste Anton Wachterprijswinnaar. Zie ook alle tags voor Roos van Rijswijk op dit blog.

Uit: Onheilig

“Mijn sigaret was bijna op en ik stak er nog een aan om ze na te kijken, en aan de overkant van mijn straat stonden twee jongens in de keuken, een zwarte en een witte. Ze zwaaiden naar me. want dat doen we altijd. Het zijn studenten of jonge vrienden die ik in het wild niet zou herkennen om-
dat ze in dat raam horen‚ in het gele licht van hun keuken, en ik hoor in mijn raamkozijn met een siga-
rct tussen mijn vingers. Soms krijgen zij mijn kranten‚ de donkere jongen komt ze me dan brengen. Een aai over zijn bol wil ik hetn geven. hij zegt u en mevrouw. Ik durf hem niet te vragen waar hij vandaan komt: Miguel haatte het als mensen dat deden, nog meer dan wanneer hij in de stad voor toerist gehouden werd. 1 am not a tourist, 1 live here.
Ik moet er niet aan denken dat alle laatste keren nog dagen, weken of maanden verder liggen. Kan het niet gewoon klaar zijn?
*
U heeft kinderenf zei de arts.
‘Ja’.
Ik weet niet of mijn leven begon of eindigde toen Miguel kwam, ik neig naar dat laatste. Het eindigde
toen ik doorhad dat hij zou komen, toen het te laat was om hem tegen te houden. Het enige onverwachte wat die jongen ooit gedaan heeft, op zijn plotselinge verhuizing naar nota bene Duitsland na, is geboren worden op de wc van de Bijenkorf. Zo banaal dat je het niet verzinnen kunt, ik zocht een angoratrui en kreeg ineens ontzettende kramp.
Toen kwam Miguel. Zijn naam kreeg hij pas een paar dagen later, op de dag dat Alfons hem aangaf op het gemeentehuis. Doe maar wat. had ik gezegd, in de volle overtuiging dat ik later nog wel eens van dat kind zou gaan houden.”

 

1963404-fba5fb675b91abe02ac79f2d89508cdf.jpg
Roos van Rijswijk (Amsterdam, 1985)

Geschreven door Romenu om 08:10 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten