Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 10 april 2017 tot 11 april 2017

Leonard Nolens, Glenway Wescott, Mark Strand, Silvia Avallone, Walid Soliman, Dorothy Allison, Hubert Nyssen, Barbara Köhler, Rolf Schilling

De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Zie ook alle tags voor Leonard Nolens op dit blog.

 

Kier

Laat dit niet alles zijn, dit leven stil en donker
Als het maandelijks bloeden van de vrouwen.
Laat mij van iemand zijn, maar ook niet zo volstrekt
Dat ik verdwijn, in haar, in hem, of weg moet gaan
Omdat geen mens mijn menselijk gewicht kan tillen.
Uit schrik voor mijn gezicht schrijf ik dit op.

Altijd ben ik onderweg. Ik vind geen rust
Bij mij, ben bang als jij mijn trage stap hoort branden
Op de koude tegels in de gang naar jou.
De deur gaat open. En zoenend en stom onderzoeken je lippen
De sombere man die jou zwijgend staat aan te blaffen
Met liefdesgedichten. Geef hem je bed. Laat alle deuren

Op een kier.

 

 

Noordkant

Als zij thuis is kan ik hier het zuiden horen.
Zij is het licht dat mij zijn kern te eten geeft
En straalt tot in de koudste hoeken van mijn leven.
Alle warmte die ik ben komt hier van haar.

Dat ooit een mens mij zo brutaal, zo helemaal
Heeft aangekeken, met een blauw dat ging en gaat
Tot op het botste van mijn mannelijke leegte,
Dat ooit twee handen hier zo gruwelijk intiem

Mijn bloed gingen betasten, elke blote zenuw
Van het kind dat er onvindbaar in mij sliep,
Dat doet mijn oude dood nog pijn, dat maakt mij ziek
Van geluk dat ik met haar niet delen kan.

Als zij weg is blijf ik achter met de schaamte
Van de jongen die zijn moeder wil bezitten, hurk ik
Neer onder de rok van haar afwezigheid en neurie
Onverstaanbaar de zoete ellende van mijn geboorte.

 

 

Stof

Vier vrouwen hebben mij gebaard en gezoogd en gewiegd.
Ze droegen me 's middags en 's avonds naar de hemel
Van mijn kamer en wasten mijn vleugels en kleedden me uit.
Ze kleden me uit en ze bidden me niet meer in slaap.
Doe dat maar zelf! Doe dat voortaan maar zelf!

Vier vrouwen lagen op hun knieën voor mijn bed te zingen.
De enkele vader zit beneden, overstemt de bovenwereld
Met zijn stilte, pent er zijn hartgrondige verslagen
Over de herkomst en erfeniskwesties van de aardbol neer.
Zijn moegezworven dood verkavelt alle slijk onder mijn voet.

Op alle plaatsen waar hij jaar na jaar begraven wordt
Veeg ik zijn stof bijeen en spuw erin
En kneed mezelf weer heel
En vloek dat ik hem lief moet hebben als de mond
Waarmee ik dit leven bedenk en mijn kinderen kus.

 2026315-a50d4cd4916cec1cb73ab74cf827dea5.jpg
Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

 

 

De Amerikaanse schrijver Glenway Wescott werd geboren op 11 april 1901 in Kewaskum, Wisconsin. Zie ook alle tags voor Glenway Wescott op dit blog.

Uit: A Visit to Priapus

« Naturally, bitter regret for my great days as a lover assailed me. Also a fresh and terrible kind of sense of devotion to the two whom I love, who love me, who cannot keep me happy, whom I torment and disappoint year in and year out, ached in my grotesque heart. With which my pride also started up, at its worst. To think that I should have come to this: sex-starved, in a cheap provincial hotel humbly waiting for a total stranger; and it should be so soon, at thirty-eight! But, I must say, then a certain good nature quickened in me as well, thank God; an amused appreciation of myself. Once more I summoned up courage to believe—scowling a little, grinning a little, gritting my teeth—that in the considerable brotherhood of middle-aged men in unlucky sexual plight, not many are my peers in this respect and that respect at least. G.D. on the Bowery. A.E.A. or B.K. in Turkish baths: my ventures no doubt are as undignified as theirs, my sensations probably less rapturous than theirs, but ... But my life is the oddest. As a result of years of perfect intercourse, unforgettable, my self-consciousness is extraordinary. Living as I do, undivorced—with those I have most desired still the closest to me—I am embar-rassed in the pursuit of pleasure by their alluring noble example; handicapped by trickery of my own spirit, my own flesh; impover-ished by tribute. Nevertheless I have been able to keep a more level and subtle head than G.D., a more fearless temper than A.E.A., a soberer habit than B.K. In the very efficacy of my excitements there is something like a practical morality. My very sense of humor about it all seems somehow poetical. And if I ever have occasion to tell this tale, for example, I shall tell it well. So I said to myself, boasted to myself ... By that time, with mechanical eye, I had read Time from cover to cover. In any case I could not take any further interest in the sad international facts it so blithely reported, nor any other particular facts, not even the facts of my presence where I was, and why, and what would come of it. I was under an introspective spell. I was interested in only the wondrous tiresome way my mind works, always the same way, no matter what it has to do, incorruptible by what it has to deal with. It was fascination of only the sense of life in general, in the abstract, all of a piece: life of which, like everyone else alive, I am daily, gradually, dying ... Which mystic fit, as it might be called—in almost entire forgetfulness of time and place and purpose and self—seemed the purest kind of experience of all. »

 

 2026315-cc4f294ba21031a6353b85dbe5e2f186.jpg
Glenway Wescott (11 april 1901 - 22 februari 1987)
Cover

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

 

When the Vacation is Over for Good

It will be strange
Knowing at last it couldn't go on forever,
The certain voice telling us over and over
That nothing would change,

And remembering too,
Because by then it will all be done with, the way
Things were, and how we had wasted time as though
There was nothing to do,

When, in a flash
The weather turned, and the lofty air became
Unbearably heavy, the wind strikingly dumb
And our cities like ash,

And knowing also,
What we never suspected, that it was something like summer
At its most august except that the nights were warmer
And the clouds seemed to glow,

And even then,
Because we will not have changed much, wondering what
Will become of things, and who will be left to do it
All over again,

And somehow trying,
But still unable, to know just what it was
That went so completely wrong, or why it is
We are dying.

 

 

Old Man Leaves Party

It was clear when I left the party
That though I was over eighty I still had
A beautiful body. The moon shone down as it will
On moments of deep introspection. The wind held its breath.
And look, somebody left a mirror leaning against a tree.
Making sure that I was alone, I took off my shirt.
The flowers of bear grass nodded their moonwashed heads.
I took off my pants and the magpies circled the redwoods.
Down in the valley the creaking river was flowing once more.
How strange that I should stand in the wilds alone with my body.
I know what you are thinking. I was like you once. But now
With so much before me, so many emerald trees, and
Weed-whitened fields, mountains and lakes, how could I not
Be only myself, this dream of flesh, from moment to moment?

 

 2026315-71cd229be80f17643a1fbb9c4d549a9f.jpg
Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)

 

 

De Italiaanse schrijfster Silvia Avallone werd geboren in Biella op 11 april 1984. Zie ook alle tags voor Silvia Avallone op dit blog.

Uit: Ein Sommer aus Stahl (Vertaald door Michael von Killisch-Horn)

„Die Gestalt in dem unscharfen Kreis des Glases bewegte sich kaum, ohne Kopf.
Ein Stück Haut, her angezoomt im Gegenlicht.
Dieser Körper hatte sich innerhalb des letzten Jahres allmählich verändert unter der Kleidung. Und jetzt, im Sommer, im Fernglas, explodierte er.
Das Auge glitt aus der Ferne über die Details: den Riemen des Bikiniunterteils, ein dünner Streifen Algen auf der Hüfte.
Die angespannten Muskeln über dem Knie, die Wölbung der Wade, der Knöchel voller Sand. Wegen des anhaltenden Starrens durch das Fernglas wurde das Auge immer größer und geröteter.
Der jugendliche Körper sprang aus dem Blickfeld und stürzte sich ins Wasser.
Im nächsten Augenblick tauchte er im mitgewanderten und nachregulierten Fernglas wieder auf mit der ganzen Pracht seiner goldenen Mähne. Und so unbändig lachend, dass es dich auch aus dieser Entfernung allein durch den Anblick schüttelte. Und dazu die Grübchen auf den Wangen und die Mulde zwischen den Schulterblättern und die Einbuchtung des Bauchnabels und alles Übrige.
Sie spielte wie ein Mädchen ihres Alters und ahnte nicht, dass sie beobachtet wurde. Sie riss den Mund auf. Was sie wohl sagte ? Und zu wem ? Sie warf sich in eine Welle, und als sie wieder aus dem Wasser auftauchte, war ein Dreieck des Bikinioberteils verschoben. Auf der Schulter war ein Mückenstich zu erkennen. Die Pupille des Mannes verengte und weitete sich wie unter dem Einfluss von Rauschmitteln.
Enrico beobachtete seine Tochter, es war stärker als er.
Er spionierte Francesca vom Balkon aus hinterher, nach dem Mittagessen, wenn er keine Schicht im Stahlwerk Lucchini hatte. Er verfolgte sie, betrachtete sie durch das Fernglas.“

 

 2026315-e43c7917b38c328851ac5728e25fa3b4.jpg
Silvia Avallone (Biella, 11 april 1984)

 

 

De Tunesische dichter, schrijver, essayist en vertaler Walid Soliman werd geboren op 11 april 1975 in Tunis. Zie ook alle tags voor Walid Soliman op dit blog.

Uit: Three hours in Fiumicino (Vertaald door Jason Casper)

“I said to her, smiling, “Happy Birthday! And many more!” “Thanks. But I had wished to celebrate with my family and friends.” “Don’t worry about it. Sometimes life forces one to do things he doesn’t really want.” While she was saying that, I was thinking of something I might give her as a present, but the only thing I found was my silver keychain representing Tanit. I took off the one key attached to it and gave it to her, saying, “Here’s a humble present for you; sorry, it’s the only thing I have.” After initial reluctance she accepted the gift, and the appearance of her face indicated she liked it. She thanked me, and asked what it represented. “Its Tanit,” I replied, “the Phoenician fertility goddess. It is said among us that she brings good luck. I hope it works for you.” At this point she asked me my name, and as it appeared a bit strange to her she asked if it had any specific meaning, which I explained to her. Then in turn I asked her hers. “My name is Anabella, but my friends call me Anna. Take your pick.” “They’re both pretty, but I’ll call you Bella, since truly you are.[2]” “Alright. If you really think so, then why not?” We talked about travel, and I asked if she enjoyed it. She told me it was the greatest passion in her life, and that she spends almost her whole income on it. She took her turn to ask me the same question, and I said yes. That’s why she appeared a bit perplexed why I said in reality I don’t generally enjoy the trips I take. I explained my travel was usually for business, which took all my time leaving little for pleasure. »

 2026315-fee0f671b7aa0d6b8ce0679cd3cd32b7.jpg
Walid Soliman (Tunis, 11 april 1975)
Tunis

 

 

De Franse schrijver, essayist en uitgever Hubert Nyssen werd geboren in Boendael aan de rand van Brussel op 11 april 1925. Zie ook Zie ook alle tags voor Hubert Nyssen op dit blog.

Uit: Le monologue de la concubine

« Mais le troisième ou le quatrième jour, après avoir repris du bon temps au glouton, tu as déballé une histoire qui m’a glacée jusqu’au cœur… Je venais d’essuyer la sueur dont tu étais couvert, et toi, les yeux baissés, tu m’as appris que tu n’étais pas un célibataire tombé du ciel . Tu étais arrivé en avant-garde, tu avais une femme, une infirmière encore bien, et deux filles qui débarqueraient bientôt.
- Tu n’aurais jamais dû me faire un coup pareil, mon bébé !
Le premier jour, tu m’aurais dit que tu avais une tribu, je ne t’aurais pas repoussé, je me serais dit que le ciel nous avait offert une java. Et plus tard tu serais reparti sans que ça laisse autre chose que des petits regrets à conserver bien au chaud
- Pas des cicatrices comme celle que tu m’as laissées ! »
(…)

« Je te jure, Bruno, je n’ouvre plus ma porte avant des semaines. La dernière fois, c’était hier... On sonne, on frappe, on cogne, j’ouvre… une Chinoise. Elle me regarde avec des yeux comme des meurtrières, elle me dit qu’elle a été ton étudiante, puis ta disciple, et elle veut que je lui donne tes papiers, tes archives, parce qu’elle va écrire un libre sur le professeur Bruno BONOPERA.
- Non, mais quoi encore ? C’est vite dit, une disciple !
Si tu avais vu … une disciple, elle prononçait le mot en pinçant sa bouche sans lèvres. Comme elle y allait… Tu n’étais même pas encore enterré !
- C’était peut-être une de tes petites putains, vieux salaud…
Et puis un livre sur un type qui n’as pas été fichu d’en écrire lui-même, ni d’avoir son nom dans un dictionnaire ou dans les gazettes, et encore moins à la télévision, non merci !
Mais quand je dis que tu n’as pas eu ton nom dans les journaux, ce n’est pas tout à fait vrai. Il y a l’affaire d’Athènes. Là, on peut dire que les journaux grecs ont parlé de toi, titres en manchette, dessins, photos."

 

 2026315-5e5ab76041f8f5b9fd764ea139db0875.jpg
Hubert Nyssen (11 april 1925 – 12 november 2011)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Dorothy Allison werd geboren op 11 april 1949 in Greenville, South Carolina. Zie ook Zie ook alle tags voor Dorothy Allison op dit blog.

Uit: A Question of Class

« The first time I heard, "They're different than us, don't value human life the way we do," I was in high school in Central Florida. The man speaking was an army recruiter talking to a bunch of boys, telling them what the army was really like, what they could expect overseas. A cold angry feeling swept over me. I had heard the word they pronounced in that same callous tone before. They, those people over there, those people who are not us, they die so easily, kill each other so casually. They are different. We, I thought. Me.
       When I was six or eight back in Greenville, South Carolina, I had heard that same matter-of-fact tone of dismissal applied to me. "Don't you play with her. I don't want you talking to them." Me and my family, we had always been they. 'Who am I? I wondered, listening to that recruiter. 'Who are my people? We die so easily, disappear so completely—we/they, the poor and the queer. I pressed my bony white trash fists to my stubborn lesbian mouth. The rage was a good feeling, stronger and purer than the shame that followed it, the fear and the sudden urge to run and hide, to deny, to pretend I did not know who I was and what the world would do to me.
       My people were not remarkable. We were ordinary, but even so we were mythical. We were the they everyone talks about—the un-grateful poor. I grew up trying to run away from the fate that destroyed so many of the people I loved, and having learned the habit of hiding, I found I had also learned to hide from myself. I did not know who I was, only that I did not want to be they, the ones who are destroyed or dismissed to make the "real" people, the important people, feel safer. By the time I understood that I was queer, that habit of hiding was deeply set in me, so deeply that it was not a choice but an instinct. Hide, hide to survive, I thought, knowing that if I told the truth about my life, my family, my sexual desire, my history, I would move over into that unknown territory, the land of they, would never have the chance to name my own life, to understand it or claim it.”

 

 2026315-3357d156513b4c954f98b3085fa624ca.jpg
Dorothy Allison (Greenville, 11 april 1949)

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Barbara Köhler werd geboren op 11 april 1959 in Burgstädt. Zie ook alle tags voor Barbara Köhler op dit blog.

 

Rondeau Allemagne

Ich harre aus im Land und geh, ihm fremd,
Mit einer Liebe, die mich über Grenzen treibt,
Zwischen den Himmeln. Sehe jeder, wo er bleibt;
Ich harre aus im Land und geh ihm fremd.

Mit einer Liebe, die mich über Grenzen treibt,
Will ich die Übereinkünfte verletzen
Und lachen, reiß ich mir das Herz in Fetzen
Mit jener Liebe, die mich über Grenzen treibt.

Zwischen den Himmeln sehe jeder, wo er bleibt:
Ein blutig Lappen wird gehißt, das Luftschiff fällt.
Kein Land in Sicht; vielleicht ein Seil, das hält
Zwischen den Himmeln. Sehe jeder, wo er bleibt.

 

 

Lösung, Turner

Langsam löst sich das bild
auf vor den augen. Langsam
löst es sich von der wand.
Löst sich langsam in nebel
licht und bewegung langsam
liegt’s nicht mehr auf der
hand. Langt nicht mehr hin
hält nicht mehr fest sieht
nicht mehr stellt es nicht
her weht geht in die augen
kreisen und fallen wirbeln
weisses wie schnee und wie
dunkel es fällt kristallen
so kalt ein sturm ein halt

 

 2026315-dec3daeacffa69f07fddd5544b55ed55.jpg
Barbara Köhler (Burgstädt, 11 april 1959I
Snow Storm door  J. M. W. Turner, 1842

 

 

De Duitse dichter Rolf Schilling werd geboren in Nordhausen in de Harz op 11 april 1950. Zie ook alle tags voor Rolf Schilling op dit blog.

 

Garten und Gedicht

Wie gleicht doch dieser Garten
Einem Gedicht von dir,
Da jeglichem Erwarten
Wird noch Erfüllung hier.

Wie ist er reich an Farben,
Gleich offen und compakt
Für Sonnen-Widders Garben
Und Drachen-Kamm gezackt.

Zu Rotem, Grünem, Blauem
Kommt goldenes Gegleiß,
Und ob der Herbst mit rauhem

Zugriff dies Glück zerreiß -
Du bannst es zu genauem
Vers-Maßwerk Schwarz auf Weiß.

 

 

Septemberlich

Du mußt dich ruhig halten,
Und übernimm dich nicht,
Laß Waage-Geister walten
Im Garten, im Gedicht.

Im Wandel der Gestalten
Fällt, was im grellen Licht
Sich trachtet zu entfalten,
Nicht wirklich ins Gewicht.

So laß in sanfter Schwebe,
Was dir ist ausersehn
Von Rose, Schilf und Rebe,

Septemberlich erstehn,
Als ob der Wind verwebe
Sein Flüstern seinem Flehn.

 

 2026315-fb64192701530ace02c07a6ddffa9667.png
Rolf Schilling (Nordhausen, 11 april 1950)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e april ook mijn blog van 11 april 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:25 Reageer op dit bericht

Claude Tillier

De Franse schrijver Claude Tillier werd geboren in Clamecy, Nièvre, op 11 april 1801 als zoon van een goed opgeleide slotenmaker. Hij studeerde aan het lycée van Bourges dankzij een subsidie ​​die door de stad Clamecy werd verleend. Na zijn baccalauraat dat in 1820 werd behaald, werkte hij als studiebegeleider, eerst aan het college van Soissons, vervolgens in Parijs. Van 1822 tot 1827 was hij in militaire dienst, waarbij hij in 1823 deelnam aan een expeditie naar Spanje. Bij zijn terugkeer naar Clamecy trouwde hij en in 1828 werd hij leraar, maar de onderwijsmethoden bevielen hem niet. Hij startte een particuliere school en tegelijkertijd riep hij in 1831 de krant L'Indépendant in het leven. In 1832 raakte hij in conflict met het Kantonale Comité voor Openbare Onderwijs en stapte hij uit de directie van de school. Vanaf 1841 vervolgde hij zijn werkzaamheden als privéleraar. Hij verliet Clamecy om zich in Nevers te vestigen, waar hij redacteur werd van L’Association, een democratische krant die twee maal per week verscheen. Vanaf 1842 begon hij in de L'Association zijn meesterwerk, “Mon oncle Benjamin”, een roman in briefvorm, te publiceren. Vanaf juni 1843 publiceerde Tillier ook pamfletten, met een oplage van 400 tot 500 exemplaren, waarin hij de notabelen van Nevers en het departement bekritiseerde. Sinds zijn militaire dienst was Tilliers gezondheid echter aangetast, Hij stierf op 12 oktober 1844.

Uit:Mon oncle Benjamin

“Je ne sais pas, en vérité, pourquoi l'homme tient tant à la vie. Que trouve-t-il donc de si agréable dans cette insipide succession des nuits et des jours, de l'hiver et du printemps? Toujours le même ciel, le même soleil; toujours les mêmes prés verts et les mêmes champs jaunes; toujours les mêmes discours de la couronne, les mêmes fripons et les mêmes dupes. Si Dieu n'a pu faire mieux, c'est un triste ouvrier, et le machiniste de l'Opéra en sait plus que lui. Encore des personnalités, dites-vous, voilà maintenant que vous faites des personnalités contre Dieu. Que voulez-vous! Dieu est, à la vérité, un fonctionnaire et un haut fonctionnaire encore, bien que ses fonctions ne soient pas une sinécure. Mais je n'ai pas peur qu'il aille réclamer contre moi à la jurisprudence Bourdeau des dommages-intérêts, de quoi faire bâtir une église, pour le préjudice que j'aurai porté à son honneur. Je sais bien que messieurs du parquet sont plus chatouilleux à l'égard de sa réputation qu'il ne l'est lui-même; mais voilà précisément ce que je trouve mauvais. En vertu de quel titre ces hommes noirs s'arrogent-ils le droit de venger des injures qui lui sont toutes personnelles? Ont-ils une procuration signée Jéhovah qui les y autorise?
Croyez-vous qu'il soit bien content quand la police correctionnelle lui prend dans la main son tonnerre et en foudroie brutalement des malheureux, pour un délit de quelques syllabes? Qu'est-ce qui prouve d'ailleurs, à ces messieurs, que Dieu a été offensé? Il est là présent, attaché à sa croix, tandis qu'ils sont, eux, dans leur fauteuil. Qu'ils l'interrogent; s'il répond affirmativement, je consens à avoir tort. Savez-vous pourquoi il a fait choir du trône la dynastie des Capets, cette vieille et auguste salade de rois qu'avait imprégnée tant d'huile sainte? Je le sais, moi, et je vais vous le dire. C'est parce qu'elle a fait la loi sur le sacrilège. Mais ce n'est pas là la question. Qu'est-ce que vivre? Se lever, se coucher, déjeuner, dîner, et recommencer le lendemain. Quand il y a quarante ans qu'on fait cette besogne, cela finit par devenir bien insipide. Les hommes ressemblent à des spectateurs, les uns assis sur le velours, les autres sur la planche nue, la plupart debout, qui assistent tous les soirs au même drame, et bâillent tous à se détraquer la mâchoire; tous conviennent que cela est mortellement ennuyeux, qu'ils seraient beaucoup mieux dans leur lit, et cependant aucun ne veut quitter sa place. Vivre, cela vaut-il la peine d'ouvrir les yeux? Toutes nos entreprises n'ont qu'un commencement; la maison que nous édifions est pour nos héritiers; la robe de chambre que nous faisons ouater avec amour, pour envelopper notre vieillesse, servira à faire des langes à nos petits-enfants. Nous nous disons: Voilà la journée finie; nous allumons notre lampe, nous attisons notre feu; nous nous apprêtons à passer une douce et paisible soirée au coin de notre âtre: pan! pan! quelqu'un frappe à la porte; qui est là? c'est la mort:"

 

 2075052-0b6fad48f86070890142a4415d27597d.jpg
Claude Tillier (11 april 1801 - 12 oktober 1844)
Borstbeeld in Clamecy

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Leo Vroman, Jan van Mersbergen, Paul Theroux, Claudio Magris, Bella Akhmadulina, Stefan Heym, Richard Wagner, Marcel van Maele, Eric Knight

De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook alle tags voor Leo Vroman op dit blog.

 

De drie zwanen

Die drie zwanen
drijvend op het meer
zag ik niet weggaan en
waren er weer,

en de treurwilg met een
scheef houten been,
haar haar omlaag
en weerkaatsend omhoog
maakte een boog
om de zwanen heen,

door een kind getekend, maar
ik moet om te beginnen
het kind nog verzinnen.
Dan is het waar
maar lang, lang later.
Dan is het najaar
en klotst het water.

 

 

Een stille ontmoeting

Soms moet ik zo verlangen naar
blauwgras, wimperparelgras,
zoals ons tuintje vroeger was,
honderd jaar, duizend jaar,
liesgras, trilgras, liefdegras,
duizend jaar geleden, maar
kweldergras, knolbeemdgras,
kijk daar eens even, daar
scherpgras, hardgras, tandjesgras,
een lege kleine zoogdiervacht,
kamgras, baardgras, borstelgras,

zo onaantastbaar zacht,
en het schedeltje zo onbewoond
kruipertje kromstaart, herderstas,

dat nog zo'n brede grijns vertoont,
raaigras raaigras

 

 

Aan een vriend

Ach, laten wij geen ogenblik bederven
voor wie van ons het eerst zal moeten sterven,
en laten wij ook nimmer praten
van alles wat wij huichelden en haatten.
Zolang een vlerkgespreide leeuwerik blijft zingen
vergeeft zijn God ons al wat wij begingen,
zolang wij kersenbomen zacht in bloei zien staan
dan hebben wij nog niemand kwaad gedaan.
Ach, laten wij het leed dat men ons deed, vergeten,
God zal het allemaal wel weten,
en laten we geen ogenblik bederven
voor wie van ons het eerst zal moeten sterven.

 

 2026035-4a5aaaa2581a9179ddd6fe2c4384c102.png
Leo Vroman (10 april 1915 - 22 februari 2014)

 

 

De Nederlandse schrijver Jan van Mersbergen werd geboren in Gorinchem 10 april 1971. Zie ook alle tags voor Jan van Mersbergen op dit blog.

Uit: De ruiter

“Ik stond te slapen.
Heel even doezelen en dromen en dutten tot die kleine wieltjes trrr-trrr over de stenen hobbelden en een hoog, fel en ratelend geluid mijn ogen openwrikte en ik een man en een meisje aan zag komen lopen over het pad. Daar gaan ze.
Zij trekt een rolkoffer achter zich aan maar het lijkt ook alsof die koffer haar de stenen over duwt, hop hop. Het ding is grijs, net als haar jas en haar strakke broek, haar haar strakgebonden in een staartje.
Iets achter haar de man, zijn handen in zijn zakken, zijn passen groot en traag. Die kant op, hop.
Bij het spijlenhek een eind verderop aan de weg verschuilt een auto zich tussen het blad van de struiken en de lage takken van de bomen, alles nog vol in het blad. De man komt het meisje na.
Ergens tussen het kippenhok en de schuur blijven ze staan.
De koffer stil, het meisje houdt het handvat nog steeds vast, de koffer aan haar hand geplakt als een tak met hars.
Dan verschijnt de baas vanachter de schuur. Hij droogt zijn handen aan een doek.
De man geeft de baas geen hand, hij zegt alleen: Hallo.
De baas schraapt zijn stem, schrrr schrrr, en kucht: Dat is een tijd geleden.
De man zegt: Ja, dat is waar.
Dat heb je over de telefoon ook gezegd, zegt de baas en de man knikt en de baas kijkt naar het meisje en zegt: Sandra, je bent groot geworden.
Het meisje zegt niks maar haar gezicht verandert.
Dan kijkt de baas naar de koffer en zegt: Dat is het lelijkste roze dat ik ooit heb gezien.
Dat doet hij vaker, grijs benoemen als rood, paars, roze, wat dan ook.
De man loopt door het gras naar het hoge fijne kippengaas, een hand ertegenaan, de vingers door de mazen.
Heb je geen kippen meer? zegt hij.
De baas zegt: Jawel.
En direct beginnen de kippen te scharrelen en te tokken achter de deur, ze horen alles en reageren als hondjes, eerst zachtjes en als de baas even de klink beweegt tokken ze harder, alsof ze dat voor die bezoeker doen.”

 

 2026035-5479e58526186de65752261b8088eecd.jpg
Jan van Mersbergen (Gorinchem, 10 april 1971)

 

 

De Amerikaanse schrijver Paul Edward Theroux werd geboren op 10 april 1941 in Medford, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Paul Theroux op dit blog.

Uit:The Great Railway Bazaar

“EVER SINCE CHILDHOOD, when I lived within earshot of the Boston and Maine, I have seldom heard a train go by and not wished I was on it. Those whistles sing bewitchment: railways are irresistible bazaars, snaking along perfectly level no matter what the landscape, improving your mood with speed, and never upsetting your drink. The train can reassure you in awful places — a far cry from the anxious sweats of doom airplanes inspire, or the nauseating gas-sickness of the long-distance bus, or the paralysis that afflicts the car passenger. If a train is large and comfortable you don't even need a destination; a corner seat is enough, and you can be one of those travelers who stay in motion, straddling the tracks, and never arrive or feel they ought to—like that lucky man who lives on Italian Railways because he is retired and has a free pass. Better to go first class than to arrive, or, as the English novelist Michael Frayn once rephrased McLuhan: "The journey is the goal." But I had chosen Asia, and when I remembered it was half a world away I was only glad. Then Asia was out the window, and I was carried through it on these eastbound expresses marveling as much at the bazaar within the train as the ones we whistled past. Anything is possible on a train: a great meal, a binge, a visit from card players, an intrigue, a good night's sleep, and strangers' monologues framed like Russian short stories. It was my intention to board every train that chugged into view from Victoria Station in London to Tokyo Central; to take the branch line to Simla, the spur through the Khyber Pass, and the chord line that links Indian Railways with those in Ceylon; the Mandalay Express, the Malaysian Golden Arrow, the locals in Vietnam, and the trains with bewitching names, the Orient Express, the North Star, the Trans-Siberian. I sought trains; I found passengers.
The first was Duffill. I remember him because his name later became a verb— Molesworth's, then mine. He was just ahead of me in the line at Platform 7 at Victoria, "Continental Departures." He was old and his clothes were far too big for him, so he might have left in a hurry and grabbed the wrong clothes, or perhaps he'd just come out of the hospital. He walked treading his trouser cuffs to rags and carried many oddly shaped parcels wrapped in string and brown paper —more the luggage of an incautiously busy bomber than of an intrepid traveler.“

 

 2026035-9d0fe14016f15e1b9ff2a0a4f45024ff.jpg
Paul Theroux (Medford, 10 april 1941)
Cover

 

 

De Italiaanse schrijver en vertaler Claudio Magris werd geboren op 10 april 1939 in Triëst. Zie ook alle tags voor Claudio Magris op dit blog.

Uit: Ein Nilpferd in Lund (Vertaald door Karin Krieger)

„Doch so, wie die Suche nach jedem Paradies stets weiter und weiter in die Vergangenheit führt, bis sie sich in einer fernliegenden Nichtzeit verliert, geht auch das Paradies der Scilly-Inseln auf noch viel ältere Ursprünge zurück. Sie waren die Kassiteriden der Phönizier, reich an Zinn und sorgsam vor anderen vorbeikreuzenden Seefahrern verborgen. Der Legende nach waren sie vor allem die Inseln der Seligen, einer der möglichen Orte der elysischen Gefilde, der Hesperiden, jener Inseln der Glückseligkeit, die reich an Blumen und Korn waren, wo ein ewiger Sommer herrschte und wo die Helden, nachdem sie übers Wasser gekommen waren, das Land der ewigen Jugend und der Unsterblichkeit fanden.
Die Scilly-Inseln und besonders Tresco verdienen es durchaus, mit den Inseln der Seligen gleichgesetzt zu werden, mit den Hesperiden und mit dem Paradies, das Stevenson und Gauguin in der Südsee suchten; ein Leben ohne Zeit, Ewigkeit des Meeres, Glückseligkeit ohne Erbsünde und ohne Geschichte. Der Zauber ist vollkommen, steht still; trokkene, klare Helligkeit, Triumph der Lebenskraft in all ihren Formen und Farben, Vielfalt der Pflanzen und Vögel; Möwen und Reiher, Kormorane und Sturmvögel, Stockenten und Strandläufer, Brachvögel und Stare. Als wir an einem Tisch unter den Bäumen essen, kommen viele dieser Vögel, um uns aus der Hand oder vom Teller zu fressen wie im Märchen. Die Spatzen, die zutraulichsten und gierigsten von allen, reißen den anderen die Bissen aus dem Schnabel und uns die Bissen aus der Hand.“

 

 2026035-c10654dfbf1b1cb527d52e1e33b77e40.jpg
Claudio Magris (Triëst, 10 april 1939)

 

 

De Russische dichteres Bella Akhmadulina werd geboren op 10 April 1937 in Moskou. Zie ook alle tags voor Bella Akhmadulina op dit blog.

 

The Saint Bartholomew's Night (Fragment)

I sometimes wonder to the hum of rain:
Whether it’s true – on some assumptive level –
that any child, born close by the slain,
is execrated to the sin and evil.

In that cursed night when Saint Bartholomew
flocked all the craving, how week and sole,
was cry of him, who midst these fires, two,
was still not Catholic, nor Huguenot in whole.

Though a chick, still peeping in his nest,
though a kid, still weak and not earth-rooted,
he had survived and owned his first breath
just from the one who was there executed.

So, little nurse, how weren’t you try to brood,
over a child with milk of earth or heaven,
in his so small and so tidy blood
still lives a gulp of oxygen that’s alien.

He has a sweet tooth, wants to eat a lot:
doesn’t sense his body, ignorant and brainless,
that so greedy, testily and hot
it feasts with spirit of the larynx breathless.

He’s fond of breath! And he has not the blotch
of distant massacres, religious superstitions…
And he takes fumes, the bloody ones and staunch,
for common favor for his lungs, ambitious.

I do not know in whose shade he lays
and sleeps, with childhood and bloodshed around –
but, equally, the hangmen and their prey
will putrefy his dreams, still blind and sound.

When will be opened just a single eye,
in what his fate will seeds of poison spear:
will it be bliss to kill someone or die,
or just – be blackened by the yoke and fear.

 

 2026035-a43b5c7cfdb5ba10d768833ddbc036ec.jpg
Bella Akhmadulina (Moskou, 10 April 1937)
Moskou 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Stefan Heym (eig. Hellmuth Flieg) werd geboren op 10 april 1913 in Chemnitz. Zie ook alle tags voor Stefan Heym op dit blog.

Uit: 5 Tage im Juni

„Dienstag, r6. Juni r953 12.3o Uhr.

näherte sich Witte,*von der Leipziger Straße her kommend, dem Haus der Ministerien. Der festungsartige Gebäudekomplex, jetzt Sitz mehrerer Mi-nisterien und Dienststellen der Regierung, war einst daS Hauptquartier von Görings Luftwaffe gewesen. Die alliierten Bomber hatten, vielleicht aus einer Art esprit de corps, just diesen Bau verschont; so streckte er sich nun, grau und düster, inmitten einer Ruinenlandschaft bis hin zur Sektorengrenze am Potsdamer Platz. Vor dem Haupteingang war es schwarz von Menschen, auf der Kreuzung Leipziger und Wilhelmstraße war ein einziges Gedränge; aus den Hunderten, die über den Alexandcrplatz marschiert kamen, waren Tausende geworden. Witte er-kannte das Transparent wieder, das er dort gesehen hatte; weitere waren hinzugekommen mit neuen, politisdren Lo-sungen; auch harte die Zusammensetzung der Menge sich ver-ändert: die Bauarbeiter waren jetzt in der Minderheit, andere Arbeiter hatten sich ihnen zugesellt, vor allem aber war die Zahl der Mitläufer gewachsen, darunter viele sichtlich West-berliner Herkunft. Die Arbeiter sprachen nicht viel und gaben sich selbstsicher, doch waren Unruhe und Zweifel, ja eine Art Beklemmung bei manchen spürbar. Die andern dagegen wimmelten umher, Wortführer disputierten miteinander, Redner tauchten auf, fanden ihr Publikum, erhielten Beifall oder wurden verlacht, verschwanden wieder, es wurde ge-lärmt, Losungen wurden gerufen, hier und da sammelte sich ein fliegender Sprechchor, Nieder mit den Normen!, HO schlägt uns KO/Witte wurde, des Abzeichens an seiner Jacke wegen, mehrmals angerempelt; besonders ein junger Mann, auf dessen Hemd ein Cowboy sein Lasso schwang, tat sich dabei hervor; sobald dip BurSchen merkten, daß Witte bereit war, sich zu verteidigen, zogen sie sich zurück. . Fr kam nicht weiter, wußte auch nicht, ob er überhaupt noch Einlaß Enden würde ins Haus der Ministerien. Die Fenster entlang der Vorderfront jedenfalls waren trotz der Mittags-hitze fest geschlossen; hinter dem Glas ließen sich, schatten-haft, Gesichter eher vermuten als erkennen. Vielleicht, dachte .Witte, waren es auch nur Reflexe, Vielleicht saßen die Staats-angestellten da. oben hinter ihren Schreibtischen, unberührt , . von deni tärm auf Straße und Vorplatz, stempelten ihre Pa-piere, stapelten, schichteten sie, schoben sie weiter. Das Bild hatte etwas Grandioses an sich: Macht, zum Apparat gewor-den, der rattert und läuft und sich dreht, was auch geschehen mag; das läßt sich nicht erschüttern, das hat Bestand. Düch war es, als erzeugte der stumme Bau gerade durch reine unger heure Gleichgültigkeit eine ständig Steigende Eiregung. pk„ .Sprechckiöre gewannen an Mitruferg; die Arbeiter begännen",; sich zu beteiligen; die Rufe, abprallend an der gesichtslosen 5 Mauer, schufen immer neues Echo.“

 

 2026035-717e3b2cd980df46ac78c5755fb92a78.jpg
Stefan Heym (10 april 1913 – 16 december 2001)

 

 

De Duitse schrijver Richard Wagner werd geboren op 10 april 1952 in Lovrin, in Roemenië. Zie ook alle tags voor Richard Wagner op dit blog.

Uit:Miss Bukarest

„Ich horchte Erika aus, so gut ich konnte. Es war nicht besonders schwer. Sie
redete gern und viel. Ich mußte sie nur auf die richtigen Themen bringen. Aber seine Grenzen
hatte das auch. Mein Interesse an Erika durfte sich nicht plötzlich verstärken. Es mußte alles
bleiben, wie es war. Ich konnte mich nicht über Nacht Erika zuwenden. Das ging schon
wegen Lotte nicht. Und auch Erika gegenüber wollte ich kein gesteigertes Interesse zeigen. Es
konnte nur zu Mißverständnissen führen. Ich wollte mich ja nicht mit Erika zusammentun.
Ich liebte Lotte. Und weil das auch Erika klar war, mußte sie sich doch fragen, woher mein
Interesse kam. Also hielt ich mich zurück, und Saracu reichten die Informationen bald nicht
mehr aus.
»Schützt du sie vielleicht«, fragte er mich eines Tages. Er meinte Erika. Ich schüttelte den
Kopf, erklärte ihm mein Problem. »Wir wollen natürlich nicht deine Ehe zerstören«, sagte er.
»Wir brauchen eine Ergänzung.«
Und damit kam Saracu auf die Idee, Erika anzuwerben. Eine richtige Securisten-Idee. Er
beauftragte Razvan damit. Dieser setzte bei Dieter an. Ausländerkontakte. Man habe nichts
gegen sie, gegen Erika Binder, aber Gesetz ist Gesetz, und die Aufgabe der Sicherheitskräfte
sei nun mal, darauf zu achten, daß das Gesetz eingehalten und die Staatsinteressen gewahrt
werden, sagte Razvan. Ob sie vielleicht was gemerkt habe? Dieter sei bestimmt ein guter
Kerl, aber was er denn für Freunde habe? Unter den Freunden stößt man manchmal auf die
größten Überraschungen.“

 2026035-555bba4fa66417d20e9edfe87253bab4.JPG
Richard Wagner (Lowrin, 10 april 1952)

 

 

De Vlaamse dichter en beeldhouwer Marcel van Maele werd geboren in Brugge op 10 april 1931. Zie ook alle tags voor Marcel van Maele op dit blog.

 

Het gras is zoet en zout de regen

Het gras is zoet en zout de regen
als de zee zich terugtrekt en
in een oeverloos verlangen
haar naaktheid spreidt.

Hoog in de wimpel en wind
stemmen die op water dansen
een ondoorzichtig aangezicht
bijkleuren, invullen. In de spiegel
onbewogen sta ik stil.

Blijven staan en verder gaan want weet
het zijn niet wij maar de jaren verjagen.
Pluimpapaver spelevaren
op de baren van de wildste dromen
en op het balkon een gelukkig paar
lonkend naar een luchtballon.

 

 2026035-f8d300c78b5fe9ca41312cc7df3c27c2.jpg
Marcel van Maele (10 april 1931 - 24 juli 2009)

 

 

De Amerikaanse schrijver Eric Knight werd geboren op 10 april 1897 in Menston in Yorkshire, Engeland. Zie ook alle tags voor Eric Knight op dit blog.

Uit: Lassie Come-Home

“With instinct, and the lessons of their own past experiences, animals manage to arrive at conclusions which man reaches by his reasoning power. It was instinct that drove Lassie daily in one direction. It was past experience that taught her to be wary of human beings. It was instinct that told her how to keep out of their sight—to follow the low ground of ravines, to glide belly-low on the skylines. Instinct taught her to find food. On the fifth day as she went along, traveling at her fast, swinging trot, her senses began to warn her. She halted in the half-beaten animal track through the wild heather and with head forward stood transfixed, her eyes, her ears, her nose reading the signs that came so faintly that a human being would have been insensible to them. It was her sense of smell that deciphered the puzzle first. There was a warm, thick smell—the smell of food. The habit of a lifetime impelled Lassie to run toward it openly. But instinct overruled habit. She dropped to a crouch, and with body low began to creep upwind toward the smell. Silently she moved through the heather, edging nearer and nearer. And then, suddenly, on the path she saw what her nose had warned her of. Coming down the path, his snakelike body undulating, was a weasel. His head was lifted high, and by his side he dragged the freshly killed body of a rabbit. His game was much bigger than himself, yet the powerfully built killer was dragging it along at a surprising speed. Then his senses warned him, too, and he whirled in defiance. Dropping his quarry, he turned to face the menace. His savage, white teeth were bared, and he gave a shrill cry that sounded like one of defiant rage. Lassie, with head low, gazed at him. She had never seen such an animal before. Nor was there in her breeding the instinct of the terrier kind, which will dash more quickly than thought of man at any form of rodent life. She was a working-dog breed, a dog of peace—and yet instinct drove her on. Slowly the ruff on her neck rose. The lips curled back from her teeth. Her ears lay flat against her head. She gathered her hindquarters under her. But at the second she sprang, as if knowing the precise moment when that would be, the screaming weasel flashed aside. With lightning rapidity, he wove his way through the tangled heather, going silently, swiftly, flowing like water.”

 

 2026035-6224e3d0273627df0634231706923456.JPG
Eric Knight (10 april 1897 – 14 januari 1943)
Lassie en Jeff Miller (Tommy Rettig), Lassies baasje in de eerste drie seizoenen van de tv-serie (1954-1957)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e april ook mijn blog van 10 april 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:28 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten