Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 1 mei 2017 tot 2 mei 2017

Esther Freud, Wytske Versteeg, Rob Waumans, Tilman Rammstedt, James Holmes, Jef Last, Gottfried Benn, Novalis, Jurgis Baltru¨aitis

De Engelse schrijfster Esther Freud werd geboren in Londen op 2 mei 1963. Zie ook alle tags voor Esther Freud op dit blog.

Uit: Mein Jahr mit Mr Mac (Vertaald door Anke en Eberhard Kreutzer)

„Ich bin in dem kleinen Zimmer unterm Dach zur Welt gekommen, nicht in der Kammer mit dem Gaubenfenster, in dem ich jetzt schlafe, auch nicht in dem großen, dem für die Gäste, die im Sommer kommen und uns vorher schreiben, von wann bis wann sie bleiben wollen. Manchmal dürfen da auch Leute übernachten, wenn sie zu viel getrunken ha-ben. aber von denen holt Mutter sich das Geld im Voraus. Könnte ja jeder kommen und am nächsten Morgen behaupten, er hätte keine Ahnung, wie er in dieses wunderbare, breite Bett gekommen ist, da hätte ihn wohl jemand mitgenommen und -gegen seinen Willen, wenn auch schön bequem - einfach dabehalten. Aber das kommt nur zur Erntezeit vor, wenn die Männer und jungen die Weizenspreu, die ihnen in der Kehle kitzelt, herunterspülen oder wenn sie im Hochsommer der Hafer sticht. Aber ich bin im Wintergeboren, und die Brandung unten am Strand hat in jener Nacht lauter gebrüllt als meine Mutter bei ihrem neunten Kind. Mein Vater war draußen im Sogg's Fen auf Kaninchenjagd und brachte bei seiner Rückkehr die Nachricht mit, drei Fischer aus Dunwich würden auf See vermisst. In Dunwich läuteten sie die Kirchenglocken, und meine Mutter schwor. sie hätte es trotz des tosenden Sturms bis in ihr Zimmer gehört. Dann hat sie mich auf ihre Brust gelegt und geheult, als wollte sie mich mit ihren Tränen ersäufen. »Was hast du?. Meine Schwester Mary kümmerte sich um sie. »Will er nicht trinken?.
Aber Mutter sagte nur, sie hätte gewusst. dass dese Nacht jemanden holen würde, und - der Herrgott möge ihr verzeihen - sie sei nur so unendlich froh, dass es nicht mich getroffen habe. Das Kaninchen dna:lege mein Vater zum Aasnehmen und Abziehen Mary in die Hand. dann kroch er zu Mutter ins Bett und schlief vom Branntwein, in dem er seine Angst ertränkt hatte, ein. »Wir können uns nicht beide auf die faule Haut legen.. sagte meine Mutter und stupste ihn, »wenn der Junge nicht umsonst überlebt haben soll.« Als er sich nicht rühne, ließ sie mich neben ihm liegen. standauf und stieg vorsichtig die Leiter hinunter. Für den Fall, dass noch ein Gast kam und etwas essen wollte, machte sie in der Schankstube Feuer.
Mutter hatte das Dorf im Blut: Als Tochter eines Schweinehirten war sie nicht weit von der Dorfwiese geboren und aufgewachsen. Wäre sie nicht eines schönen Nachmittags genau in dem Moment auf die Straße getreten, als ein Mann an ihr vorbeiradelte und ihr zuzwinkerte. hätte sie im Leben nicht daran gedacht, von dort wegzugehen. »Messer zu schleifen., sang er über die Schulter, und sie lächelte ihm zu. Er war schon älter, nicht so alt wie ihr Vater, aber auch nicht weit davcn entfernt und ein wenig zerzaust als hätte er niemanden, der auf ihn achtgab. Docher lächelte auf seiner Runde vor. Haus zu Haus, und als sie nach ihrem Namen fragte. erbot er sich. die Messer der Familie zum halben Preis zu schleifen.“

 

 2032842-3bee8d6470c1b07da0fbd8304e9d7253.jpg
Esther Freud (Londen, 2 mei 1963)

 

 

De Nederlandse schrijfster Wytske Versteeg werd geboren op 2 mei 1983. Zie ook alle tags voor Wytske Versteeg op dit blog.

Uit:Boy

‘Mag ik hem zien?’ had ik gevraagd, want plotseling wilde ik alleen dat nog maar.
De vrouw schraapte haar keel. ‘U moet begrijpen dat de tijd –’ ik was al bezig om mijn jas te pakken, ‘de tijd dat Boy in het water heeft gelegen, dat zo’n tijd en ons klimaat, dat hij er niet meer is, niet meer zoals u hem gekend heeft.’
Dat hij geen huid meer had bedoelde ze, of niet meer zoals wij, geen huid, geen spieren en geen vet, dat zijn gezicht al van zijn schedel was gegleden.
Het aangespoelde lichaam van mijn zoon werd gevonden door een toevallig passerende wandelaar met hond. Soms probeer ik me voor te stellen hoe dat is gegaan, of het een vrouw was die hem vond, en wat voor hond en hoe ze daar met z’n tweeën waren, wegzakten in het zand. Ik stel me een kleine, dikke vrouw voor met grijs haar en in een houtje-touwtjejas, want het was koud aan zee. In mijn fantasie was haar hond niet zo’n keffertje dat ervandoor gaat met een bot, maar een herder of iets dergelijks, een trouw dier dat naast Boy is blijven staan en blaffend zijn bazin waarschuwde, ik stel me voor dat ze haar brede shawl heeft afgedaan en daarmee Boy heeft toegedekt nog voor ze de politie belde. Ik hoop dat ze niet zomaar achteruitgedeinsd is zoals je misschien doet als je een lijk vindt. (Zo’n woord dat je niet uit wilt spreken, dat iedereen tot aan de begrafenisondernemer toe zorgvuldig vermijdt, tot je ziek wordt van de eufemismen en hoe omzichtig iedereen nu met je omgaat. Ook omdat je nu gitzwarte grappen maakt en ze dat niet kunnen begrijpen, niet snappen dat er geen andere manier is.)
Op de dag dat Boy niet thuiskwam was ik niet ongerust. Ik had geen voorgevoel, geen intuïtie die me zei dat er iets mis was. Misschien floot ik nog toen hij al dood was, misschien dacht ik aan wat we dat weekend zouden doen, of de volgende week. Aan de afspraken die zich aaneenregen in keurig afgemeten blokken, aan de vakantie die eraan kwam.”

 

 2032842-912a05997318ffe12fcf4363c38b31dd.png
Wytske Versteeg (Amsterdam (?), 2 mei 1983)
 

 

De Nederlandse schrijver Rob Waumans werd geboren in Alkmaar op 2 mei 1977. Zie ook alle tags voor Rob Waumans op dit blog.

Uit: Als je de stad binnenrijdt

“De auto staat niet goed in het vak geparkeerd en heeft geen parkeerbonnetje. Mijn handcomputer hangt met een polskoord om mijn arm en met een slinger manoeuvreer ik hem in mijn rechterhand. Ik loop om de grijze Mercedes heen. Het is een dure jongen en op de achterkant heeft de eigenaar een vis geplakt. Er zitten mooie velgen op de wielen, het interieur is voorzien van leren bekleding. Ik tik het kenteken in, twee cijfers, twee letters, twee cijfers. De letters van het nummerbord zijn LP. Lekker Parkeren. Het systeem geeft aan dat de auto geen parkeervergunning heeft voor deze wijk. Ik noteer de verschillende overtredingen in het systeem, de codes weet ik uit mijn hoofd. Als ik op de groene BEVESTIG-knop wil drukken hoor ik een deur dichtslaan. Haastige voetstappen op de stoep, een man schreeuwt naar mij. `Ik ga al weg, ik ga al weg!' Ik zeg niets terug en houd mijn blik op de computer gericht. `Hallo!' zegt hij overdreven als hij voor mijn neus staat. 'Ik ga al weg, zei ik net.' De man kijkt nogal gestrest uit zijn ogen. Van mij hoeft u niet weg, hoor,' zeg ik, 'maar u mag hier niet staan.' Hij plant zijn handen in zijn zij. 'Man, ik sta hier net twee minuten. Even wat afgeven, dat is alles.' Hij wijst naar een pand. Eigenlijk zijn het twee gebouwen met daartussen een ruimte van een meter of twee breed. Een soort steeg, die is afgesloten met een stenen muur met in het midden een groene, houten deur. `Werkt u daar?' vraag ik. `Nee.' `Wat heeft u afgegeven?'
De man wordt ongeduldig, zijn rechterwenkbrauw trilt als de bovenlip van meester Co. Als die boos was, dan trilde alles in zijn gezicht, maar zijn bovenlip nog het meest. 'Gewoon,' zegt hij. `Gewoon wat?' `Een pakketje.' `En is dat pakketje dermate belangrijk geweest dat het foutparkeren rechtvaardigt?' Ik wijs naar zijn auto. Ja, inderdaad ja, dat was een heel belangrijk pakketje.' `Wat was het dan?' Hij zegt even niets. In zijn gezicht zie ik veel emotie. 'Het ging om een vertrouwelijk document,' zegt hij dan. `Een belangrijk, vertrouwelijk document dus?' Hij knikt. `Ik weet het mooi gemaakt,' zeg ik. 'Ik houd het bij een waarschuwing, maar de volgende keer schrijf ik hem uit. Heeft u dat begrepen?'

 

 2032842-1b0c95502cb1c95121d870e77a44c37b.jpg
Rob Waumans (Alkmaar, 2 mei 1977)

 

 

De Duitse schrijver Tilman Rammstedt werd geboren op 2 mei 1975 in Bielefeld. Zie ook alle tags voor Tilman Rammstedt op dit blog.

Uit:Der Kaiser von China

„Du hättest mitkommen sollen", mich ärgerte dieser Satz, ich hörte, wie er ihn aussprach, wie er das „hättest" betonte, wie sich seine Augenbrauen nach unten wölbten, wie er mich danach anblickte, als ob er eine Antwort erwarte, die richtige Antwort natürlich: Ja, stimmt, Großvater, ich hätte mitkommen sollen, das war ein Fehler, du hast mal wieder Recht gehabt. Mein Großvater hatte gern Recht, mein Großvater hatte angeblich alles immer schon vorher gewusst, du hättest einen Schirm mitnehmen sollen, du hättest auf den Stadtplan schauen sollen, du hättest mehr Fremdsprachen lernen sollen, du hättest den Pullover separat waschen sollen, du hättest das Steak bestellen sollen. Mein Großvater war stets beleidigt, wenn man nicht auf ihn gehört hatte, dabei konnte man nie auf ihn hören, weil er einem immer erst im Nachhinein mitteilte, was man alles hätte anders machen sollen, aber ihn habe ja keiner gefragt, und schau, jetzt bist du nass, und schau, jetzt haben wir uns verfahren, und schau, jetzt bin ich tot.
Ja, ich hätte mitkommen sollen, und nein, ich war nicht mitgekommen, nicht nach China und schon gar nicht in gottverlassene Käffer auf dem Weg dorthin, und ich wusste, es sah so aus, als hätte ich ihn im Stich gelassen, ich wusste, dass ich auch ihm irgendeine Erklärung schuldete, aber nun war das nicht mehr nötig, und ich wusste beim besten Willen nicht, ob es angemessen war, darüber erleichtert zu sein.
Dass auch die letzte Postkarte nicht aus China kam, war leicht zu erkennen. Sie war mit einer deutschen Briefmarke frankiert, und das Bild des dicken goldenen Mannes war aus irgendeinem Reiseprospekt herausgerissen und notdürftig über eine Gratispostkarte geklebt worden, eine Ecke hatte sich bereits gelöst, ein Eisbär kam darunter zum Vorschein.“

 

 2032842-727d8a45f882a1228aea71b140347a78.jpg
Tilman Rammstedt (Bielefeld, 2 mei 1975)

 

 

De Amerikaanse dichter en vertaler James Stratton Holmes werd geboren in Collins, Iowa, op 2 mei 1924. Zie ook alle tags voor James Holmes op dit blog.

Uit: A Long Night In Leatherland (Verschenen onder het pseudoniem Jacob Lowland)

“Until I realize it’s closing time. Where to go? Directly to the Anco, or first a quick stop at the Eagle? The Eagle it is, because I told Jan and Gerrit that I would be there later on. They seem to have gone home, together with an English kid…it must be the one of the poem.
But the beer tastes excellent, the bar is full of its normal bizarre mixture of types, and Karl is horny again.
He wants to be in the sling again. This time about fifteen guys watch and jack off while I explore his depths, first only with one hand, then with two, three, four fingers of the other one, later on with my manhood clutched in my hand. Volcanic eruptions. And the show is over. Satisfied we move to the front. Our beer has gone and the lights burn brightly. Quarter past four, time for the final act. Along the Oude Kerk, across the bridge and then ringing at the door of the Anco. Steve opens. The bar is rather full. A lot of men who I already noticed at Jaecques or in the Argos, but also types you never see in the Warmoesstraat. God knows where they come from. Even the barkeeper of ‘t Mandje. Almost all have one thing in common: too much booze to be capable to perform, but still horny.”

 

 2032842-99e5b5ab7464ab000303cb1f1055c78c.jpg
James Holmes (2 mei 1924 - 6 november 1986)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Josephus Carel Franciscus (Jef) Last werd geboren in Den Haag op 2 mei 1898. Zie ook alle tags voor Jef Last op dit blog.

 

Het nieuwe lied

De vlag waait rood van den toren
bij de nieuwe traktorenfabriek:
de ronkende zang der motoren
het drillend gesnor van de boren
dat is onze Sowjet-lyriek.

Wie zal de weg ons versperren?
Wie stuit onze stoet op haar baan?
Ons lied geldt de toekomst, de verre
en niet meer Pierrot bij de sterren
in het bleeke licht van de maan.

Acht hoogovens in de steppe
veertigduizend traktoren per jaar
de razende raderen reppen
geen handen genoeg om te scheppen:
het plan moet in vier jaren klaar!

Staal, koper en goud uit de groeven
Kolen uit Kusnetz en Donbas
Een wereld van moeren en schroeven
waar het spoor slechts van eenzame hoeven
zich eenmaal verloor in het gras.

Rood waait de vlag van den toren
waar het leger der arbeiders gaat.
De nieuwe mensch is geboren:
de stootbrigadier treedt naar voren
en slaat met zijn hamer de maat.

Het tempo der bolsjewieken
Het rijm op ‘bourgeois’ -: G.P. Oe.
Het rythme van duizend fabrieken
zoo gaat, over 't lijk der klassieken
ons lied naar de dageraad toe.

Het schrijdt in de strijdende rijen
van de komsomolzen vooraan
als de daverende stap op de keien
van de roodgardisten, de vrijen
zal het over de aarde gaan.

Ons lied geldt de toekomst, de blijde
en niet meer Pierrot bij de maan
als de vijand ons uitdaagt ten strijde
dan zal met zijn maats zij aan zijde
de strijdende dichter staan!

 

 2032842-e94b32abd88c528d7ea70dafeba9d21f.jpg
Jef Last (2 mei 1898 – 15 februari 1972)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Gottfried Benn werd geboren in Mansfeld op 2 mei 1886. Zie ook alle tags voor Gottfried Benn op dit blog.

 

März. Brief nach Meran

Blüht nicht zu früh, ach blüht erst, wenn ich komme,
dann sprüht erst euer Meer und euren Schaum,
Mandeln, Forsythien, unzerspaltene Sonne –
dem Tal den Schimmer und dem Ich den Traum.

Ich, kaum verzweigt, im Tiefen unverbunden,
Ich, ohne Wesen, doch auch ohne Schein,
meistens im Überfall von Trauerstunden,
es hat schon seinen Namen überwunden,
nur manchmal fällt er ihm noch flüchtig ein.

So hin und her – ach blüht erst, wenn ich komme,
ich suche so und finde keinen Rat,
daß einmal noch das Reich, das Glück, das fromme,
der abgeschlossenen Erfüllung naht.

 

 

Letzter Frühling

Nimm die Forsythien tief in dich hinein
und wenn der Flieder kommt, vermisch auch diesen
mit deinem Blut und Glück und Elendsein,
dem dunklen Grund, auf den du angewiesen.

Langsame Tage. Alles überwunden.
Und fragst du nicht, ob Ende, ob Beginn,
dann tragen dich vielleicht die Stunden
noch bis zum Juni mit den Rosen hin.

 

 

Kommt

Kommt, reden wir zusammen
wer redet, ist nicht tot,
es züngeln doch die Flammen
schon sehr um unsere Not.

Kommt, sagen wir: die Blauen,
kommt, sagen wir: das Rot,
wir hören, lauschen, schauen
wer redet, ist nicht tot.

Allein in deiner Wüste,
in deinem Gobigraun –
du einsamst, keine Büste,
kein Zwiespruch, keine Fraun,

und schon so nah den Klippen,
du kennst dein schwaches Boot –
kommt, öffnet doch die Lippen,
wer redet, ist nicht tot.

 

 2032842-1dd933fbb0339ef17916355822fba2a0.jpg
Gottfried Benn (2 mei 1886 - 7 juli 1956)
Benn op een illustratie van Angela Smets

 

 

De Duitse dichter en schrijver Novalis werd geboren in Oberwiederstedt op 2 mei 1772. Zie ook alle tags voor Novalis op dit blog.

Uit: Hymnen an die Nacht (Fragment)

4
Kannst du mir zeigen ein ewig treues Herz? hat deine Sonne freundliche Augen, die mich erkennen? fassen deine Sterne meine verlangende Hand? Geben mir wieder den zärtlichen Druck und das kosende Wort? Hast du mit Farben und leichtem Umriß Sie geziert - oder war Sie es, die deinem Schmuck höhere, liebere Bedeutung gab? Welche Wollust, welchen Genuß bietet dein Leben, die aufwögen des Todes Entzückungen? Trägt nicht alles, was uns begeistert, die Farbe der Nacht? Sie trägt dich mütterlich und ihr verdankst du all deine Herrlichkeit. Du verflögst in dir selbst - in endlosen Raum zergingst du, wenn sie dich nicht hielte, dich nicht bände, daß du warm würdest und flammend die Welt zeugtest. Warlich ich war, eh du warst - die Mutter schickte mit meinen Geschwistern mich, zu bewohnen deine Welt, sie zu heiligen mit Liebe, daß sie ein ewig angeschautes Denkmal werde - zu bepflanzen sie mit unverwelklichen Blumen. Noch reiften sie nicht diese göttlichen Gedanken - Noch sind der Spuren unserer Offenbarung wenig - Einst zeigt deine Uhr das Ende der Zeit, wenn du wirst wie unser einer, und voll Sehnsucht und Inbrunst auslöschest und stirbst. In mir fühl ich deiner Geschäftigkeit Ende - himmlische Freyheit, selige Rückkehr. In wilden Schmerzen erkenn ich deine Entfernung von unsrer Heymath, deinen Widerstand gegen den alten, herrlichen Himmel. Deine Wuth und dein Toben ist vergebens. Unverbrennlich steht das Kreutz - eine Siegesfahne unsers Geschlechts.

 

 2032842-821da52f69e5c9f4f72b0d94090c80fc.jpg
Novalis (2 mei 1772 - 25 maart 1801)

 

 

De Litouwse schrijver en vertaler Jurgis Baltrušaitis werd geboren op 2 mei 1873 in Paantvardys. Zie ook alle tags voor Jurgis Baltrušaitis op dit blog.

 

Red Sound

'To All the Stepsons of the Native Land'

Transfiguration's light descends
Upon the fleeting hour and age, –
The seer's trance has been fulfilled,
And mighty anguish comes to pass!

The freeman's Plow, and not the dull
Yoke – slave of years now dead and gone,
Has turned the dark glebe's slumbrous clods, –
To heaven blooms the flower of earth.

The flame of life is unconfined!
Another bound, another step,
And the far distant Promised Land
Will be revealed without a bourn.

Ascending to the realm of space,
The strength of hands set free lifts up
The sun's face in the sun – bright cup
In shrine, whose light is circling stars.

Dispelled the gloom of life oppressed,
She, crucified in days gone by,
Rus', at this Easter Morning – song,
Chants loud her universal psalm!

 

 2032842-6a1f2f02871862db45a31288aa6fe610.jpg
Jurgis Baltrušaitis (2 mei 1873 – 3 januari 1944)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e mei ook mijn blog van 2 mei 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:31 Reageer op dit bericht

Theo Sontrop

De Nederlandse dichter, letterkundige en uitgever Theodorus Alexander Leonardus Maria ("Theo") Sontrop werd geboren in Haarlem op 2 mei 1931. Hoewel hij studeerde aan de Rijksuniversiteit Utrecht was Theo Sontrop van 1 december 1956 tot 19 januari 1959 redacteur van het aan de Universiteit van Amsterdam gelieerde studentenweekblad Propria Cures. Hij werkte samen met redacteuren als Piet Borst, Hugo Brandt Corstius, Joop Goudsblom, Renate Rubinstein en Aad Nuis. Later werd Sontrop leraar en was hij betrokken bij uitgeverij J.M. Meulenhoff. Van 1972 tot 1991 was hij directeur van uitgeverij De Arbeiderspers. In deze jaren bracht Theo Sontrop samen met hoofdredacteur Martin Ros De Arbeiderspers van een sociaaldemocratische, op het grote publiek georiënteerde uitgeverij, tot een van de literair toonaangevende uitgeverijen van Nederland, met een breed fonds van Nederlandse, Vlaamse en internationale (vertaalde) auteurs. Tijdens zijn directeurschap werd de serie Privé-domein een begrip. Sontrop werd als directeur opgevolgd door Ronald Dietz. Theo Sontrop had in de jaren tachtig een column in het satirische VPRO-radioprogramma Borát.

 

Park

Papieren arken op een vijver van beton.
Spreeuwen harken pieren in een grijs gazon.
Bomen met roos: uit hun kruin vallen duiven
als Noach seniel met de broodzak gaat wuiven.

 

 

De eikel spreekt

Waar mijn ontbladerde vader
zijn harige takken laat ruisen,
en de bast van mijn moeder
met welgevallen beziet,
wordt de mier op de grond
door mijn val invalide.
Wellicht word ik woudreus,
en schud met de vuist naar
mijn vader die kromgroeit.

 

 

Arsenic

Der barden modieuze plaatjeskijken,
het herfstig zingen over blaadjeslijken
of waar de gaatjes prijken bij een zwam of vrouw;
Rochester zei het in een enkel vaers:
When you have seen all this, then kiss mine arse.

 

 2069662-d5a57fdc704a4de21d18778e5c8a7079.jpg
Theo Sontrop (Haarlem, 2 mei 1931)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Die Arbeiter (Alfons Petzold)

 

Bij 1 mei

 

 2032353-c156a74858482280e042bcfb1583574a.jpg
Die Internationale door Otto Griebel, 1928-30

 

 

Die Arbeiter

Sturm und Gewalt ist in unseren Händen,
stehn wir im räderdurchdonnerten Raum;
doch in dem keuchenden Beugen der Lenden
sind wir gar oftmals nur Andacht und Traum.

In dunkler Berge verlorner Kaverne
sind wir die Brüder der strahlenden Tage;
türmen wir Steine im Antlitz der Sterne,
lebt Gottes Sehnsucht in unserer Plage.

Unser Wille erschüttert die Erde,
und der heiligsten Unruhe voll
schenken wir ihr durch die stete Beschwerde
Ewigkeit, die unserm Schaffen entquoll.

 

 

 2032353-b58b43967bc8eac94c3f20c0b5572d9d.jpg
Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923)
Wenen, Haus der Industrie. Alfons Petzold werd in Wenen geboren.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 1e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:21 Reageer op dit bericht

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos, Antal Szerb, Ignazio Silone, Aleksander Wat, Reinier van Genderen Stort

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Guido Gezelle.

 

Maak pompen van kanons

Maak pompen van kanons
en speiten van geweren,
al 't vechten is voorbij,
't is vrede weere in 't land.

 

 

De koning is gekommen!

De grote zon, de zomer is
ten oosten uitgeklommen,
bezoekende zijn koninkrijk...

De volkeren, de groten en
de klenen, alle lieden
hem koninklijk begroeten gaan
en blijde inkom bieden.

De mannen zijn veel sterker nu
ten arbeide, en de vrouwen,
ze slaan wel nog zo dapper, met
de la, de weefgetouwen.

De jongens en de maagden, als
of ze nog klene waren,
gaan lopen in de lanen, in
de locht, en spelevaren.

Het kindje, dat geen tonge en heeft,
nu zingen kan; en ‘t aaien
van moeders hand- en mondgebaar
vriendtoevig tegenkraaien.

De vogels zingen, de aarde zingt,
de kruiden en de blommen...
de zomer is, de grote zon,
de koning is gekommen!

 

 

Wierook

o Wierookgraan,
geronnen traan
van ceder- en van lorkenstammen,
gebedenbeeld,
daar ‘t vier in speelt,
en ‘t vonkelen van ‘s herten vlammen.

Geen gave van
fijn goud en kan
mijn hand de Heer, geen myrrha bieden,
maar wierook zal,
en overal
en allen dag, Hem dank bedieden.

o Wierookgraan,
in ‘t vier gedaan,
en rokende uit mijns herten midden,
van aards en grauw
wordt hemels blauw:
gaat, wierookgraan, de Here aanbidden!

 

 2032347-1b18d0faf9223823ab9e856f571bb415.jpg
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Borstbeeld door J. Dommisse, 1e helft 20 eeuw

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johano Strasser werd geboren op 1 mei 1939 in Leeuwarden. Zie ook alle tags voor Johano Strasser op dit blog.

Uit: Der Wind

Bei den Barmherzigen Schwestern springt er
Über den rostigen Schinkelzaun
Dreht ein paar
Kokette Pirouetten
Auf dem Kopfsteinpflaster und wisch!
Ist er weg der Hexenwind
Schwingt sich hinauf ins Lichtgewitter der Eichen
Berlin in den Siebzigern
Wir hatten zwar damals
Den Kopf voll mit anspruchsvollen Ansichten
Zu nahezu allem
Was in der Welt passierte
Aber für Luftnummern wie diese waren
Wir immer zu haben

Meinem Ur-Ur-Ur-Großvater mütterlicherseits
Setzte er zu auf der langen Steigung
Vor Recogne
(Oder war es vor Bar-le-Duc?)
Als er mit dem Planwagen aus dem flandrischen
Maldegem ins blühende Elsaß fuhr
Und dem Eisernen Gustav dem sie am Wannsee
Ein Denkmal gesetzt haben
Obwohl er doch nur in Paris
Eine Zufallsbekanntschaft besuchen wollte
Machte er den alten Fuchswallach wild
Auf den letzten Kilometern
Zurück nach Berlin

 

 2032347-3fdeed6b4c35ab8c973efb98875aa282.jpg
Johano Strasser (Leeuwarden, 1 mei 1939)

 

 

De Franse schrijfster Yasmina Reza werd geboren op 1 mei 1960 in Parijs. Zie ook alle tags voor Yasmina Reza op dit blog.

Uit: Heureux les heureux

« – Mais comment tu me parles ! Est-ce que tu réalises comment tu me parles ! Je dis, avance. Avance ! Rien ne m’agace plus que ces froissements subits, où tout s’arrête, où tout se pétrifie. Évidemment je pourrais dire, excuse-moi. Pas une seule fois, il faudrait que je le dise deux fois, avec le bon ton. Si je disais, excuse-moi deux fois avec le bon ton, on pourrait repartir à peu près normalement dans la journée, sauf que je n’ai aucune envie, aucune possibilité physiologique de dire ces mots quand elle s’arrête au milieu d’une travée de condiments avec un air ébahi d’outrage et de malheur. Avance Odile s’il te plaît, je dis d’une voix modérée, j’ai chaud et j’ai un article à finir. Excuse-toi, dit-elle. Si elle disait excuse-toi avec un timbre normal, je pourrais obtempérer, mais elle susurre, elle confère à sa voix une inflexion blanche, atonale, par-dessus laquelle je ne peux pas passer. Je dis s’il te plaît, je reste calme, s’il te plaît, de façon modérée, je me vois roulant à toute allure sur un périphérique, écoutant à fond Sodade, chanson découverte récemment, à laquelle je ne comprends rien, si ce n’est la solitude de la voix, et le mot solitude répété à l’infini, même si on me dit que le mot ne veut pas dire solitude mais nostalgie, mais manque, mais regret, mais spleen, autant de choses intimes et impartageables qui s’appellent solitude, comme s’appellent solitude le caddie domestique, le couloir d’huiles et vinaigres, et l’homme implorant sa femme sous les néons. Je dis, excuse-moi. Excuse-moi, Odile. Odile n’est pas nécessaire dans la phrase. Bien sûr. Odile n’est pas gentil, j’ajoute Odile pour signaler mon impatience, mais je ne m’attends pas à ce qu’elle fasse demi-tour les bras ballants vers les produits réfrigérés, c’est-à-dire vers le fond du magasin, sans un mot et laissant son sac à main dans le caddie. »

 

 2032347-5c325603de4c596e709d0d6a4bab144e.jpg
Yasmina Reza (Parijs, 1 mei 1960)

 

 

De Italiaanse schrijver Ignazio Silone werd geboren op 1 mei 1900 in Pescina dei Marsi. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Ignazio Silone.

Uit: Fontamara (Vertaald door J.-P. Samson)

« Les faits étranges que je vais vous rapporter ont eu lieu en 1930 à Fontamara. C’est une antique et obscure localité peuplée de paysans pauvres, sis au nord du lac asséché de Fucino, dans la Marsica, à l’intérieur d’une vallée, à mi-côte entre les collines et la montagne…Fontamara ressemble, en bien des points, à n’importe quel village méridional un peu isolé entre plaine et montagne, à l’écart des grandes voies de communication et, partant, un peu plus arriéré, misérable et abandonné que les autres… De la même façon, tous les paysans pauvres, les hommes qui font fructifier la terre et souffrent de la faim, fellahs, coolies, péons, moujiks, afoni, se ressemblent dans tous les pays du monde ; ils sont, sur toute la face de la terre, une nation à part, une race à part, une église à part ; et pourtant on n’a encore jamais vu deux pauvres en tous points identiques…. L’échelle sociale, à Fontamara, ne connaît que deux échelons : la condition des cafoni, à ras du sol, et, un peu lus au-dessus, celle des petits propriétaires. Sur ces deux mêmes échelons se répartissent aussi les artisans : un petit peu au-dessus, les moins pauvres, ceux qui ont une échoppe, et quelques outils primitifs ; tout en bas les autres….
Je sais fort bien que le nom de « cafone », dans le langage courant de mon pays, tant à la campagne qu’à la ville, est à présent terme d’offense et de mépris ; mais je m’en sers, dans ce livre, avec la certitude que lorsque, dans mon pays, la douleur aura cessé d’être une honte, ce même mot deviendra un nom de respect et peut-être aussi d’honneur….
Les plus fortunés d’entre les cafoni de Fontamara possèdent un âne, parfois un mulet. Arrivés à l’automne, après avoir péniblement payé les dettes de l’année précédente, il leur faut emprunter le peu de pommes de terre, de haricots, d’oignons, de farine de maïs indispensable pour ne pas mourir de faim pendant l’hiver….
IL n’y ajamais eu d’issue. Mettre de côté, en ces temps-là, vingt sous par mois, trente sous par mois, l’été jusqu’à cent sous par mois, cela pouvait faire comme économies une trentaine de lires au total. Et elles étaient tout de suite parties : pour les intérêts d’une traite ou pour l’avocat, ou pour le curé, ou encore pour le pharmacien.Et l’on recommençait du commencement au printemps suivant… »

 

 2032347-3b191ea98265b4a76108cb39afaf8136.jpg
Ignazio Silone (1 mei 1900 – 22 augustus 1978)

 

 

De Amerikaanse schrijver Joseph Heller werd geboren in New York op 1 mei 1923. Zie ook alle tags voor Joseph Heller op dit blog.

Uit: Closing Time

“He was a rambunctious and impulsive Armenian, often a little bit frightening, unable to learn how to navigate in the accelerated course thrown at him unexpectedly in operational training at the air base in Columbia, South Carolina, where a group of us had been brought together as a temporary crew to train for combat and fly a plane overseas into a theater of war. The pilot was a sober Texan named Appleby, who was very methodical and very good, God bless him, and the two were very quickly not getting along. My feelings lay with Yossarian, who was humorous and quick, a bit wild but, like me, a big-city boy, who would rather die than be killed, he said only half jokingly one time near the end, and had made up his mind to live forever, or at least die trying. I could identify with that. From him I learned to say no. When they offered me another stripe as a promotion and another cluster to my Air Medal to fly ten more missions, I turned them down and they sent me home. I kept all the way out of his disagreements with Appleby, because I was timid, short, an enlisted man, and a Jew. It was my nature then always to make sure of my ground with new people before expressing myself, although in principle at least, if not always with the confidence I longed for, I thought myself the equal of all the others, the officers too, even of that big, outspoken Armenian bombardier who kept joking crazily that he was really an Assyrian and already practically extinct. I was better read than all of them, I saw, and the best speller too, and smart enough, certainly, never to stress those points.
Inevitably, Yossarian got lost on every one of the night missions we flew in our operational training flights over South Carolina and Georgia. It became a joke. From the other enlisted crewmen I met in the barracks and mess hall, I learned that all of their bombardiers turned navigators got lost on all of their night training flights too, and that became another joke. The third officer in our crew was a shy copilot named Kraft, who, promoted to pilot overseas, was shot down by flak on a mission over Ferrara in northern Italy when his flight went over the bridge there in a second pass and was killed. Yossarian, the lead bombardier, who'd failed to drop the first time, got a medal for that one for going round the second time when he saw the others had missed and the bridge there was still undamaged.”

 

2032347-a011417f684c44ab0227fa30d016e86a.jpg
Joseph Heller (1 mei 1923 – 12 december 1999)
 

 

De Nieuwgriekse dichter Yánnis Rítsos werd geboren op 1 mei 1909 in Monemvasia. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Yánnis Rítsos.

 

Moonlight Sonata (Fragment)

We’ll pause for a little at the top of St. Nicholas’ marble steps,
and afterward you’ll descend and I will turn back,
having on my left side the warmth from a casual touch of your jacket
and some squares of light, too, from small neighbourhood windows
and this pure white mist from the moon, like a great procession of silver swans –
and I do not fear this manifestation, for at another time
on many spring evenings I talked with God who appeared to me
clothed in the haze and glory of such a moonlight –
and many young men, more handsome even than you, I sacrificed to him –
I dissolved, so white, so unapproachable, amid my white flame, in the whiteness of moonlight,
burnt up by men’s voracious eyes and the tentative rapture of youths,
besieged by splendid bronzed bodies,
strong limbs exercising at the pool, with oars, on the track, at soccer (I pretended not to see them),
foreheads, lips and throats, knees, fingers and eyes,
chests and arms and thighs (and truly I did not see them)
– you know, sometimes, when you’re entranced, you forget what entranced you, the entrancement alone is enough –
my God, what star-bright eyes, and I was lifted up to an apotheosis of disavowed stars
because, besieged thus from without and from within,
no other road was left me save only the way up or the way down. – No, it is not enough.
Let me come with you ...

I know it’s very late. Let me,
because for so many years – days, nights, and crimson noons – I’ve stayed alone,
unyielding, alone and immaculate,
even in my marriage bed immaculate and alone,
writing glorious verses to lay on the knees of God,
verses that, I assure you, will endure as if chiselled in flawless marble
beyond my life and your life, well beyond. It is not enough.
Let me come with you ...

 

 2032347-fb02730d6cac964bdf8391b55c5a12fc.jpg
Yánnis Rítsos (1 mei 1909 — 11 november 1990)

 

De Hongaarse schrijver Antal Szerb werd geboren op 1 mei 1901 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Antal Szerb.

Uit: Journey by Moonlight(Vertaald door Len Rix)

“Moving away from the Grand Canal, where their hotel stood, he arrived in the streets around the Frezzeria. Here at this time of night the Venetians promenade in large numbers, with the peculiar ant-like quality typical of the denizens of that city. They proceed only along certain routes, as ants do when setting out on their journeyings across a garden path, the adjacent streets remaining empty. Mihály too stuck to the ant-route, reckoning that the bars and fiaschetterie would surely lie along the trodden ways, rather than in the uncertain darkness of empty side-streets. He found several places where drinks were sold, but somehow none was exactly what he had in mind. There was something wrong with each. In one the clientele were too elegant, in another they were too drab; another he did not really associate with the sort of thing he was after, which would have a somehow more recherché taste. Gradually he came to feel that surely only one place in Venice would have it, and that he would have to discover on the basis of pure instinct. Thus he arrived among the back-alleys.
Narrow little streets branched into narrow little alleyways, and the further he went the darker and narrower they became. By stretching his arms out wide he could have simultaneously touched the opposing rows of houses, with their large silent, windows, behind which, he imagined, mysteriously intense Italian lives lay in slumber. The sense of intimacy made it feel almost an intrusion to have entered these streets at night.

 

 2032347-658215f21e8cf1fafc146ef6f334bc0f.jpg
Antal Szerb [1 mei 1901 – 27 januari 1945)
Cover biografie

 

 

De Poolse schrijver en dichter Alexander Wat werd geboren op 1 mei 1900 in Warschau. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Aleksander Wat.

Uit: My Century: The odyssey of a Polish intellectual (Vertaald door Richard Lourie)

“We had no communist literature the entire time when I was in Lubyanka, no Marxist literature at all. I was in many cells where prisoners were given books, at least a few, and everyone confirmed that they were never given that sort of book. My fellow prisoners had a very intelligent explanation for that: it was simply to keep the investigators, who were not terribly intelligent, from being nailed to the wall by Marxist arguments. There was no shortage, however, of religious literature. I read Solovyov there and a great many others. I read the church fathers, St. Augustine on the Kingdom of God.
The books I read in Lubyanka made for one of the greatest experiences of my life. Not because they allowed me an escape but because, to a certain extent, they transformed me, influenced and shaped me greatly. It was the way I read those books; I came at them from a completely new angle. And from then on I had a completely new understanding, not only of literature, but of everything.
Literature is insight and synthesis, which means that poetry, ultimately, is heroic. Naked, weak, hungry, trembling, endangered by all the elements, all the beasts and demons, the cave men performed that act of heroism for consolation, in the deepest sense of the word. And at that time there in Lubyanka this seemed to me the essence of literature and the source of its legitimacy in the world. Consolation for a weak, naked cave man.”

 2032347-9290aeba57a09eb1be107b09b6171b31.jpg
Aleksander Wat (1 mei 1900 – 29 juli 1967)
Cover Nederlandse vertaling

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Reinier van Genderen Stort werd geboren op 1 mei 1886 in Buitenzorg, Nederlands Indië.Zie ook alle tags voor Reinier van Genderen Stort op dit blog en ook mijn blog van 1 mei 2010.

Uit: Kleine Inez

“Zoo wekte het geen verwondering, toen het bewindvoerend reactionnair kabinet bij de vierjaarlijksche verkiezingen overwonnen werd, dat de koning hem belastte met de samenstelling van een nieuw college, waarvan hij als minister van Binnenlandsche Zaken, de door zijn aanhangers hartstochtelijk gevolgde, door zijn tegenstanders hartstochtelijk bestreden leider werd.
Hij kwam nu in den Haag wonen. Hij was veertig jaar, gezond en krachtig, had dus ternauwernood des levens middaghoogte bereikt en hij voelde zich behagelijk in het besef, dat hij zijn kracht eerst nu ganschelijk ontplooien kon. Middelerwijl was hij getrouwd geweest met de dochter van een welgesteld leidsch ambtgenoot, hoogleeraar in de godgeleerdheid, maar die een jaar reeds na haar huwelijk tengevolge van de bevalling eener dochter gestorven was. Hij had haar betreurd en beweend, want zij was zijn toegewijde echtgenoote geweest en naar waarheid had hij haar onderscheiding en genegenheid kunnen betoonen. Velen hadden hem een voorbeeldig echtgenoot geprezen en inderdaad, steeds had hij zijn echtelijke als zijn ambtelijke verplichtingen nauwkeurig vervuld. Wel is waar had hij haar door zijn veelvoudige werkzaamheden tijdens hun huwelijk eigenlijk weinig gesproken en ook in hun korten verlovingstijd, herinnerde hij zich later, hadden zij slechts enkele gesprekken gehad, waarin zij hem haar in strengheid en vroomheid geteelde ziel beschroomd had ontvouwd. Dan had hij verstrooid geluisterd, want de maatschappelijke en staatkundige vraagstukken, waarvan hij de oplossing zocht, lieten hem geen rust. Het had hem geschenen, dat zij de laatste maanden van hun huwelijk stiller was geworden, dan zij de eerste maanden geweest was en een of tweemaal had hij, haar toevalligerwijs aanziend, een zoo diepen blik ontmoet, dat hij, verwonderd, het hoofd had geheven. Maar dan had haar gezicht enkel de milde zorg gespiegeld hem in alles terwille te zijn en reeds, methodisch en onstuimig, was zijn geest voortgesneld in de baan, die hem langs de mijlpalen van studie en kunde tot macht en roem zou voeren.”

 

 2032347-9baff8797b37978f136cf1efb5a72315.jpg
Reinier van Genderen Stort (1 mei 1886 – 7 januari 1942)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e mei ook mijn blog van 1 mei 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 11:20 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten