Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 6 mei 2017 tot 7 mei 2017

Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey, Archibald MacLeish, Rabindranath Tagore

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Lijmen / Het been

“Ook de notaris scheen in te zien dat het nu uit was en nam zijn hamer in de hand. Driehonderd vijftig éénmaal, driehonderd vijftig andermaal.
Boorman was recht gestaan en had een arm opgestoken als een eerste Mussolini.
– Acht duizend vijfhonderd frank, sprak zijn zware basstem.
Het vrouwtje staarde hem aan met oogen die uitpuilden van verstomming, verslikte zich, hoestte geweldig, probeerde tevergeefs een opwellend gegichel te smooren en bevrijdde zich eindelijk in een onweerstaanbaren schaterlach die de heele zaal meesleepte, en de ruiten daveren deed.
Het publiek was opgesprongen.
– Huu, huu! jouwde een stem.
– Bui-ten, bui-ten, bui-ten, scandeerden de papiermenschen, zichzelf begeleidend met rhythmisch getrappel.
De notaris hamerde geweldig en toen even een windstilte intrad kon hij zich verstaanbaar maken.
– Mijnheer, riep hij, ik verzoek u dringend de orde niet te storen. Hetis hier geen kermistent.
De agent van politie had zich losgemaakt van den wand en slenterde in onze richting.
– Acht duizend vijfhonderd andermaal, brulde Boorman, of hoor jij niet goed? Toewijzen zeg ik!
– Eén millioen achthonderd vijftig duizend frank, schreeuwde opeens een mannetje met een bolhoed dat op een stoel was gesprongen.
Dat bod werd onthaald op een ontzaglijk hoera.
Wat Boorman toen riep was niet meer te verstaan, maar ik zag dat de radelooze notaris met zijn hamer een teeken gaf en de agent pakte Boorman bij den arm.
– Vooruit, beval hij verbeten.
Boorman was niet groot, maar sterk, want het borstbeeld van Leopold ii, een massief marmeren blok
dat voor mij geen vin wilde verroeren, had hij eens opgepakt en alleen van ’t Museum van Inlandsche en Uitheemsche voortbrengselen tot in de gang gedragen, bij gelegenheid van een schoonmaak.”

 

 2034288-3a7d3c3e7d5bdb9a7f9d908abda0d090.jpg
Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960) 

 

 

De Spaanse schrijfster Almudena Grandes Hernández werd geboren op 7 mei 1960 in Madrid. Zie ook alle tags voor Almudena Grandes op dit blog.

Uit: De vijand van mijn vader (Vertaald door Mia Buursma)

“Het ijs bedekte de binnenplaats met een wittig, groezelig gaas, als een oud verband om de armetierige boomstammen aan weerszijden van de put, en in het nog vage licht van de dageraad verleende het een mysterieuze betekenis aan elke kiezelsteen, scherpe contouren die afstaken tegen de door de kou omhooggekrulde, stijf geworden grond. En ook aan mijn neus, die eerder dan ikzelf als een bevroren aanhangsel wakker werd in mijn gezicht, haast alsof hij van iemand anders was. Dan stak ik een hand uit om hem aan te raken, alsof ik verbaasd was dat hij daar was, tussen mijn ogen en mijn mond, en het verschil in temperatuur deed tegelijk pijn aan mijn neus en aan mijn vingers. Om dat niet te hoeven voelen, stopte ik mijn hoofd helemaal tussen de warme zachte lakens en viel weer in slaap, en deze keer was beter dan de eerste, maar zoals bijna alles in dit leven wat beter is, was die rust maar van korte duur. De deur van de kamer die ik met mijn zusjes deelde, was in het midden, aan de andere kant van het groene gordijn, maar het raam hoorde bij mij en daarom maakte mijn moeder mij altijd als eerste wakker. Het licht kwam gelijk met haar stem, kom, Nino, opstaan, het is de hoogste tijd, en even later de snelle vluchtige kus op mijn voorhoofd, het onvermijdelijke begin van elke ochtend.
Elke dag begon op dezelfde manier, dezelfde voetstappen, dezelfde woorden, het kleine geluidje van haar vingers die de luiken openmaakten en ook die kleine kus, de huid van mijn moeder die amper mijn huid aanraakte, een zachtheid die voortkwam uit haast en die in niets leek op de luidruchtige, herhaalde druk van haar lippen die me welterusten wensten alsof ze hun afdruk voorgoed op mijn wangen wilden achterlaten. Elke dag begon op dezelfde manier, maar met de eerste vorst veranderde alles zonder dat er iets veranderde. In andere huizen in het dorp werd met gefronste blikken naar de bergen gekeken, één enkele bezorgde uitdrukking op heel veel verschillende gezichten. In mijn huis, dat geen huis was maar drie kamers in de kazerne van Fuensanta de Martos, gedroegen wij ons beter, want we wisten dat zodra de winter begon mijn moeder geen zin meer had in grapjes.
‘Hoe heb ik het ooit in mijn hoofd kunnen halen om met hem hier te trouwen, hè, hoe heb ik dat ooit kunnen doen, en dat terwijl ik het zo goed had in mijn dorp ...’

 2034288-3008e11c54a3f277d1da89025be00cf2.jpg
Almudena Grandes (Madrid, 7 mei 1960 )

 

 

De Duitse schrijver Christoph Marzi werd geboren op 7 mei 1970 in Mayen. Zie ook alle tags voor Christoph Marzi op dit blog.

Uit: Der letzte Film des Abraham Tenenbaum

„Geschichten wie diese kennt man aus dem Kino. Aber diese Geschichte ist wirklich passiert. Und das Verrückte daran ist, dass sie mir passiert ist. Es war im letzten September, und wenn ich an den Tag, an dem alles anfing, zurückdenke, sind auch die kleinsten Erinnerungen wie Bilder aus einem alten Film: die Stadt ein einziges Panorama aus Herbst, in schillernden Farben und Cinemascope, und ich mittendrin. Das Leben ist manchmal wirklich wie im Kino — nur anders, viel echter. Der Tag, an dem sich mein Leben ändern sollte, begann unspektakulär mit einem Wecker, den ich nicht hörte. Das allein war nichts Ungewöhnliches. Zu verschlafen war meine Spezialität und es war nicht das erste Mal, dass ich knapp eine halbe Stunde, bevor die Schicht im Thunderbird begann, aufwachte. Es war auch nicht das erste Mal, dass ich mir Quentins Vespa ausleihen musste, wenn ich es noch einigermaßen pünktlich bis rauf in die Montague Street schaffen wollte. Quentin Klein hatte die Wohnung gegenüber gemietet, er studierte irgendwas mit Wirtschaft an der Columbia, doch die meiste Zeit saß er einfach rum, hörte Modern Jazz und lernte jede Menge Mädchen kennen. »Hi, ich bin Tom«, stellte ich mich einer hübschen Unbekannten vor, die mir die Tür zu Quentins Bude öffnete. »Ist Quentin da? Ich meine, äh, ich brauche die Vespa.« Müde Augen starrten mich verständnislos an. »Den Roller«, drängelte ich und schaute über ihre Schulter ins Halbdunkel der Wohnung. Das Mädchen trug nur ein T-Shirt mit einem grimmigen Hulk darauf. Ich kannte das T-Shirt, es gehörte Quentin. »Ich wohne gegenüber«, erklärte ich ihr (irgendwo da drüben stand sogar mein Name auf dem Klingelschild: Tom Balfour). »Der Nachbar«, fügte ich hinzu, weil sie verwirrt wirkte. Der Schlüssel für die Vespa hing jedenfalls an dem Rüssel eines ziemlich hässlichen Porzellanelefanten, den Quentin aus irgendeinem Grund liebte. »Quentin leiht mir öfter seine Vespa.« Ihr Blick wurde klarer und gleichzeitig verwirrter. »Quentin hat eine Vespa?« »Nimm dir den Schlüssel!«, rief Quentin irgendwo aus dem Halbdunkel. »Und mach den Tank voll, wenn du sie zurückbringst.« Ich lächelte die Unbekannte höflich an, dann machte sie Platz und ich schob mich an ihr vorbei in die Wohnung. »Da ist er ja!« Der hässliche Porzellanelefant war pink und dick, aber der Schlüssel hing genau da, wo er hingehörte. Ich schnappte ihn mir und schlüpfte schnell wieder nach draußen. »Bin schon weg«, flüsterte ich entschuldigend.“

 

 2034288-d63aecdda2d3bde192cc0d51829f2ca8.jpg
Christoph Marzi (Mayen, 7 mei 1970)

 

 

De Surinaamse schrijver Edgar Eduard Cairo werd geboren in Paramaribo op 7 mei 1948. Zie ook alle tags voor Edgar Cairo op dit blog.

Uit:De Negerhaan

“Aangezien wij arm waren, maar niet werkelijk straatarm, kwamen de buren gedurig, behalve suiker, zout, peper, brokjes cacao, blauwsel, soda en andere huishoudelijke luxe, schoon en helder kraanwater bij ons lenen: ‘Me schat, me schat! Ik ben nie gebaad vandaag, ma' ik moet bij dokter gaan. Dankje danke, leen me een beetje water, no?’ Vader mopperde zich een ongeluk, maar moeder kon nu eenmaal dat soort dingen niet weigeren en dus kan men de permanente staat van oorlog tussen vader en de buren wel vermoeden. Het was dan ook altijd eerst een kwestie van schichtig loeren van zo'n buurvrouw, desnoods met een compagnon op de uitkijk, hoegenaamd kleren met de maïskolf borstelend: zodra mijn vader z'n voet het huis uittrok... rrrttts... als 'n rat naar binnen gerend bij ons met: ‘Buurvrouw! Buurvrouw...!’
Zulks nog afgezien van het feit dat men geleend water of suiker nooit terugkrijgt, tenzij er een wonderbare vermenigvuldiging optreedt. Dan praat ik niet over de mensen die, eenmaal iets geleend hebbend, het voorwerp, een kam of bezem, liefst tegen betaling aan hun over-overburen verder leenden. Totdat je iets wat je zelf leende, als je oorspronkelijke eigendom herkende. Ruzie geblazen, zeg ik je, desnoods met vechtpartij tot bloedens toe! Negerhuis-leven? 't Was me wat!
Bij ons op het erf had je helemaal aan de voorzijde, aan de straat, een grote woning op - hoe kon het anders - heel hoge stenen stutten, met een hoge en vooral brede, tegelijk stenen stoep in de vorm van een halve cirkel. Aha: de eigenaarswoning, groot en machtig boven alle krotverdenkingen uittorenend. Zo'n woning aan de voorkant, overal in de stad volgens de oudkoloniale bouwstijl nog te vinden, heette maar al te bloemrijk bakra-oso, letterlijk: de blankenwoning (vroeger dus de woning van de blanke slavenmeester). De halfcirkelige hoge stoep die ik zojuist beschreef stond aan de erfzijde van het grote huis. Maar aan de straatzijde was er een nog grotere, compleet met een groen geverfd, gietijzeren hek met zoet Hollands motiefje.”

 

 2034288-577ea31f3cd2100a6e6ecc21037b2529.jpg
Edgar Cairo (7 mei 1948 – 16 november 2000) 


 
 

De Duitse dichter en schrijver Volker Braun werd geboren op 7 mei 1939 in Dresden. Zie ook alle tags voor Volker Braun op dit blog.

Uit: Der Weststrand

V

Frühstück, „Herr Ober, die Staukarte bitte“
        . . .

Sie hocken im Modder wie komische Vögel
        Die Krallen abwärtsgerichtet
                         Plastikbeutel als schwarze
                 Wehende Kröpfe, Muschelsucher
In La Tranche-sur-Mer. Einsame lüsterne Arbeit
Der Dichter,
                       für eine rohe Mahlzeit.
                                                             Was zählt
        Das Ende der Geschichte
                         In diesem alltäglichen Schlick
Wo oben unten ist und Tod Leben.
        . . . Und er benutzte die Zeit, darüber nachzudenken
                 Wie paradox es ist
                         Daß uns Stöße Genuß bereiten
        „Ein Stochern im Leib. . . dankbar aufgenommen“.
                         Im Gesicht einer Frau
Liest er,  öffnet sich was sich öffnen läßt
        Mund und Auge, mehr
                 Liest er im Gesicht einer Frau.
Siedendes Wasser. Sie schlürfen die Muscheln
                 Eine Nacht nach der andern
        Betäubt mit Zitronen
Und ich hoffte wieder, mich der Dinge
        Die mich treffen
                 Ein Erwählter
                         Würdig zu zeigen.

 

 2034288-1535666a9b8f89de2023fe23bb5736e7.JPG
Volker Braun (Dresden, 7 mei 1939)

 

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Browning werd geboren op 7 mei 1812 in Londen. Zie ook alle tags voor Robert Browning op dit blog.

 

Childe Roland To The Dark Tower Came

IV
For, what with my whole world-wide wandering,
What with my search drawn out thro’ years, my hope
Dwindled into a ghost not fit to cope
With that obstreperous joy success would bring,—
I hardly tried now to rebuke the spring
My heart made, finding failure in its scope.

V
As when a sick man very near to death
Seems dead indeed, and feels begin and end
The tears and takes the farewell of each friend,
And hears one bid the other go, draw breath
Freelier outside, (“since all is o’er,” he saith,
“And the blow fallen no grieving can amend;”)

VI
While some discuss if near the other graves
Be room enough for this, and when a day
Suits best for carrying the corpse away,
With care about the banners, scarves and staves,
And still the man hears all, and only craves
He may not shame such tender love and stay.

VII
Thus, I had so long suffer’d, in this quest,
Heard failure prophesied so oft, been writ
So many times among “The Band”—to wit,
The knights who to the Dark Tower’s search address’d
Their steps—that just to fail as they, seem’d best.
And all the doubt was now—should I be fit?

 

 2034288-9b67a3584ec7ddcfb794e73bf2b9b3a1.jpg
Robert Browning (7 mei 1812 – 12 december 1889)

 

 

De Australische schrijver Peter Carey werd geboren in Bacchus Marsh, Victoria, op 7 februari 1943. Zie ook Zie ook alle tags voor Peter Carey op dit blog.

Uit: Amnesia

“I had published several books, fifty features, a thousand columns, mainly concerned with the traumatic injury done to my country by our American allies in 1975. While my colleagues leapt to the conclusion that the hacker was concerned simply with freeing boat people from Australian custody, I took the same view as our American allies, that this was an attack on the United States. It was clear to me, straight away, that the events of 1975 had been a first act in this tragedy and that the Angel Worm was a retaliation. If Washington was right, this was the story I had spent my life preparing for. If the “events of 1975” seem confusing or enigmatic to you, then that is exactly my point. They are all part of “The Great Amnesia.” More TC.
In court, I listened as my publisher got a belting from the judge and I saw his face when he finally understood he could not even sell my book as remaindered.
“Pulp?” he said.
“Including that copy in your hand.”
Damages were awarded against me for $120,000. Was I insured or not insured? I did not know.
The crowd outside the court was as happy as a hanging day.
“Feels, Feels,” the News International guy shouted. “Look this way. Felix.”
That was Kev Dawson, a cautious little prick who made his living rewriting press releases.
“Look this way Feels.”
“What do you think about the verdict, Feels?”
What I thought was: our sole remaining left-wing journalist had been pissed on from a mighty height. And what was my crime? Repeating press releases? No, I had reported a rumour. In the world of grown-ups a rumour is as much a “fact” as smoke. To omit the smoke is to fail to communicate the threat in the landscape.”

 

 2034288-93b47dd7b0b26cd3df491f1d44163400.jpg
Peter Carey (Bacchus Marsh, 7 mei 1943)

 

 

De Amerikaanse dichter en politicus Archibald MacLeish werd geboren op 7 mei 1892 in Glencoe, Illinois. Zie ook alle tags voor Archibald MacLeish op dit blog.

 

The Young Dead Soldiers Do Not Speak

The young dead soldiers do not speak.

Nevertheless, they are heard in the still houses:
who has not heard them?

They have a silence that speaks for them at night
and when the clock counts.

They say: We were young. We have died.
Remember us.

They say: We have done what we could
but until it is finished it is not done.

They say: We have given our lives but until it is finished
no one can know what our lives gave.

They say: Our deaths are not ours: they are yours,
they will mean what you make them.

They say: Whether our lives and our deaths were for
peace and a new hope or for nothing we cannot say,
it is you who must say this.

We leave you our deaths. Give them their meaning.
We were young, they say. We have died; remember us.

 

 

The Snowflake Which Is Now And Hence Forever

Will it last? he says.
Is it a masterpiece?
Will generation after generation
Turn with reverence to the page?

Birdseye scholar of the frozen fish,
What would he make of the sole, clean, clear
Leap of the salmon that has disappeared?

To be, yes!--whether they like it or not!
But not to last when leap and water are forgotten,
A plank of standard pinkness in the dish.

They also live
Who swerve and vanish in the river.

 

 2034288-46964e0f78acaf9a772417f027340a62.png
Archibald MacLeish (7 mei 1892 – 20 april 1982)
Rond 1925

 

 

De Bengaalse dichter en schrijver Rabindranath Tagore werd op 7 mei 1861 in Calcutta (tegenwoordig: Kolkata) geboren. Zie ook alle tags voor Rabindranath Tagore op dit blog.

 

Clouds And Waves

Mother, the folk who live up in the clouds call out to me-
"We play from the time we wake till the day ends.
We play with the golden dawn, we play with the silver moon."
I ask, "But how am I to get up to you ?"
They answer, "Come to the edge of the earth, lift up your
hands to the sky, and you will be taken up into the clouds."
"My mother is waiting for me at home, "I say, "How can I leave
her and come?"
Then they smile and float away.
But I know a nicer game than that, mother.
I shall be the cloud and you the moon.
I shall cover you with both my hands, and our house-top will
be the blue sky.
The folk who live in the waves call out to me-
"We sing from morning till night; on and on we travel and know
not where we pass."
I ask, "But how am I to join you?"
They tell me, "Come to the edge of the shore and stand with
your eyes tight shut, and you will be carried out upon the waves."
I say, "My mother always wants me at home in the everything-
how can I leave her and go?"
They smile, dance and pass by.
But I know a better game than that.
I will be the waves and you will be a strange shore.
I shall roll on and on and on, and break upon your lap with
laughter.
And no one in the world will know where we both are.

 

2034288-7b311edba60a596fdba3d11974fd162d.jpg
Rabindranath Tagore (7 mei 1861 – 7 augustus 1941)
Portret door Walther Illner, ca.1930

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 12:16 Reageer op dit bericht

Horst Bienek, Joseph Joubert, Stanisław Przybyszewski, Karl Gustav Vollmõller, A. E. W. Mason, Therese Huber, Dorit Zinn, Angela Carter, André du Bouchet

De Duitse dichter en schrijver Horst Bienek werd geboren op 7 mei 1930 in Gleiwitz. Zie ook alle tags voor Horst Bienek op dit blog.

 

Berlin, Chausseestrasse 125

Man muß die Schuhe abstreifen,
noch einmal, bevor man eintreten darf.
Der strenge Blick der Aufseherin,
die auch in Bautzen
Dienst tun könnte. Wer fünf Minuten
später kommt, wird nicht mehr eingelassen.
Überhaupt, nur Gruppenführungen. Im Kollektiv.

Dann: die Räume,
aus denen die Zeit entflohen ist. Hier
also hat er gelebt. Hier also
soll er geschrieben haben. Briefe.
Die Bearbeitung des Coriolan. Nichts
Neues mehr. Die Elegien in Buckow, draußen,
unter Sandkiefern.
Dämmerlicht, von einem Raum zum andern,
− Wo er doch die Klarheit liebte
Der wuchtige Schreibtisch, leer,
kahl, abweisend. Das Holz ist das einzige,
was hier noch atmet.

Leben des Galilei schrieb er auf den Knien
in engen, stickigen Hotelzimmern .

Früher ging der Blick auf den
Dorotheenstädtischen Friedhof. Hegels Grab.
Fichtes Gedenkstein. Früher.
Jetzt verwehrt das eine dicke graue Gardine.
Aus konservatorischen Gründen, sagt die
Aufseherin. Aus was?

Nichts erinnert an ihn. Nicht einmal
die amerikanischen Krimis, oben im Regal,
die er gelesen haben soll.
Nur im Schlafzimmer seine Mütze, die schwarze,
verschwitzte, am Haken, hinter der Tür,
beweist, daß er einmal hier gewesen ist.

 

 2034284-1a885cb43ea554d7c65065f58e68622c.jpg
Horst Bienek (7 mei 1930 – 7 december 1990)
 

 

De Franse schrijver en essayist Joseph Joubert werd geboren in Montignac op 7 mei 1754. Zie ook alle tags voor Joseph Joubert op dit blog.

Uit: Pensées

« J’ai donné mes fleurs et mon fruit : je ne suis plus qu’un tronc retentissant ; mais quiconque s’assied à mon ombre et m’entend, devient plus sage.

Je ressemble en beaucoup de choses au papillon : comme lui j’aime la lumière ; comme lui j’y brûle ma vie ; comme lui j’ai besoin, pour déployer mes ailes, que dans la société il fasse beau autour de moi, et que mon esprit s’y sente environné et comme pénétré d’une douce température, celle de l’indulgence ; j’ai l’esprit et le caractère frileux.

J’ai besoin que les regards de la faveur luisent sur moi. C’est de moi qu’il est vrai de dire : « Qui plaît est roi, qui ne plaît plus n’est rien. » Je vais où l’on me désire pour le moins aussi volontiers qu’où je me plais.

J’ai de la peine à quitter Paris, parce qu’il faut me séparer de mes amis, et de la peine à quitter la campagne, parce qu’il faut me séparer de moi.

J’ai la tête fort aimante et le cœur têtu. Tout ce que j’admire m’est cher, et tout ce qui m’est cher ne peut me devenir indifférent.

Philanthropie et repentir est ma devise.

J’aime peu la prudence si elle n’est morale. J’ai mauvaise opinion du lion depuis que je sais que son pas est oblique.

Quand mes amis sont borgnes, je les regarde de profil."

 

 2034284-21fe3d552ba565dae600437a9384d8b0.jpg
Joseph Joubert (7 mei 1754 - 4 mei 1824)
Cover

 

De Poolse dichter en schrijver Stanisław Przybyszewski werd geboren op 7 mei 1868 in Łojewo. Zie ook alle tags voor Stanisław Przybyszewski op dit blog.

Uit: De Profundis

„Das Surrogat dieses unsichtbaren Seelenlebens: das logische Gehirnleben, kennen wir nun zur Genüge. Das ganze Fazit aller seiner wissenschaftlichen und philosophischen Spekulationen ist ein Ignoramus und Ignorabimus, also eine gänzliche Bankerotterklärung all' seiner verzweifelten Bestrebungen. Das künstlerische Fazit – risum teneatis amici – ist der Naturalismus, die seelenlose, brutale Kunst für das Volk, die Bürgerkunst par excellence, die biblia pauperum für das schwache »normale« Gehirn, das denkfaule, feige, plebejische Gehirn, das Alles erklärt, Alles zurechtgelegt haben will, das jede Tiefe, jedes Geheimnis verhöhnt und verspottet und für Verrücktheit erklärt, weil es die Seele haßt, nur weil es sie nicht begreifen kann. Ja! das rohe, stupide Bürgergehirn – die famose vox populi – haßt Alles, was es nicht verstehen kann, vielleicht auch, weil es die bekannte Plebejerangst hat, düpiert zu werden.
Nun ja: man überlasse dem Plebejer, was des Plebejers ist, mit Vergnügen sogar einige Herren, die durchaus »Großgehirnaristokraten« genannt werden wollen.
Ich meine hier also eine andere Kunst. Die Kunst, die sich in der Malerei nicht mit der banalen Außenwelt, ein paar alten, stupiden Invaliden in Amsterdam zum Beispiel, beschäftigt, sondern der Welt, wie sie sich in der Seele in seltenen Stunden, den Stunden der Halluzination und der Ekstase widerspiegelt. Ich denke auch nicht an die famosen Leoncavallos und die zahllosen Mascagnis, sondern etwa an die Fis-moll-Polonaise von Chopin, diesen gräßlichen, nackten Seelenschrei. Ich meine hier auch nicht den feudalen Reinhold Begas, sondern Vigeland. Ja, ich denke jetzt an eine andere Kunst, die Kunst, die das Tageblatt-Bürgertum für verrückt, blödsinnig, impotent u. s. w., u. s. w. erklärt hatte.
In der Literatur hat diese Kunstgattung im orientalischen Altertum und namentlich im Mittelalter ungemein reiche Blüten getrieben. Ja, namentlich im germanischen Mittelalter. Keine Rasse hat so viele Mystiker, also Menschen, die des reinen visionären Seelenlebens teilhaftig wurden, hervorgebracht, wie gerade die germanische.
Für die moderne deutsche Künstlergeneration dieser Art, also Künstler, die sich mit den Phänomenen des Seelenlebens beschäftigen, scheint mir Amadeus Hoffmann der Urahn zu sein. Freilich hat Hoffmann an die seelischen Phänomene als solche kaum geglaubt. Er suchte sie rationalistisch zu analysieren, etwa wie ein anderer Herr den Übergang der Juden über das rote Meer durch eine kolossale Ebbe erklären wollte; vielleicht suchte Hoffmann das Rätselhafte der Seele dem fetten Bürgergehirn, auf das er nun einmal aus buchhändlerischen Rücksichten angewiesen war, gegen bessere Überzeugung verständlich zu machen.“

 2034284-c7f47f4d3b3a52ce558107d75293ded8.jpg
Stanisław Przybyszewski (7 mei 1868 – 23 november 1927)
Portret door Edward Munch, 1895

 

 

De Duitse schrijver Karl Gustav Vollmõller werd geboren op 7 mei 1878 in Stuttgart. . Zie ook alle tags voor Karl Gustav Vollmöller op dit blog.

Uit:Turandot, Princess of China (Vertaald door Jethro Bithell)

“BRIGELLA. (Behind the scenes.) Halt! Present arms!
TRUFFALDINO. (Behind the scenes.)
Halt! Slope swords! Open the gate! At ease! Quick march!
(The gate is thrown open. TRUFFALDINO, leading the eunuchs; then, between PANTALONE
and TARTAGLIA, the PRINCE OF SAMARKAND; behind them, at the head of his pages, BRIGELLA. The whole procession halts in front of the gate, they all draw up in one line, and gaze upwards at the bloody heads.)
PANTALONE. (Stepping in front of the footlights.)
My name is Pantalone, and I am a native of Venice. At the moment I am the Prime Minister of the
Chinese Empire. Eh, what d'ye say? What I'm doing here in Pekin? H'm. (Puts his hand in front of his mouth.) Venice got too hot for me. An indindelicate affair. My wife of course, you guess my meaning. (To the PRINCE.) This, your Royal Highness, is the place you have heard so much of. Have a good look at it, please. Make yourself quite_at home. Yes, quite right, up there, please! (To TARTAGLIA.) I say, my dear Lord Chancellor. Be so good as to show his Royal Highness the elevated position he will occupy in the near future. You have the information, I presume.
(TARTAGLIA turns towards the PRINCE, PANTALONE _pulls his sleeve.)
Don't forget, my dear Lord Chancellor.
TARTAGLIA.(Stepping in front of the footlights.) My name is Tat-Tra-Tartaglia (stammers). From Naples. My mother always maintained that she was the daughter of a Spanish grandee, but I fear she
was a fisherman's daughter from Po-Po-Pozzuoli. My father, on the other hand (stops short and
looks round)—“

 

 2034284-5e78df1233ebe28def8be06da61de3b4.jpg
Karl Gustav Vollmõller (7 mei 1878 – 18 okrober 1948)

 

 

De Britse schrijver Alfred Edward Woodley Mason werd geboren op 7 mei 1865 in Londen. Zie ook alle tags voor A. E. W. Mason op dit blog en ook voor A. Mason.

Uit: The Four Feathers

“He remembered a season in London to which he had come fresh from the China station; and he was curious to see Harry Feversham. He did not admit that it was more than the natural curiosity of a man who, disabled in comparative youth, had made a hobby out of the study of human nature. He was interested to see whether the lad took after his mother or his father—that was all.
So that night Harry Feversham took a place at the dinner-table and listened to the stories which his elders told, while Lieutenant Sutch watched him. The stories were all of that dark winter in the Crimea, and a fresh story was always in the telling before its predecessor was ended. They were stories of death, of hazardous exploits, of the pinch of famine, and the chill of snow. But they were told in clipped words and with a matter-of-fact tone, as though the men who related them were only conscious of them as far-off things; and there was seldom a comment more pronounced than a mere “That’s curious,” or an exclamation more significant than a laugh.
But Harry Feversham sat listening as though the incidents thus carelessly narrated were happening actually at that moment and within the walls of that room. His dark eyes—the eyes of his mother—turned with each story from speaker to speaker, and waited, wide open and fixed, until the last word was spoken. He listened fascinated and enthralled. And so vividly did the changes of expression shoot and quiver across his face, that it seemed to Sutch the lad must actually hear the drone of bullets in the air, actually resist the stunning shock of a charge, actually ride down in the thick of a squadron to where guns screeched out a tongue of flame from a fog. Once a major of artillery spoke of the suspense of the hours between the parading of the troops before a battle and the first command to advance; and Harry’s shoulders worked under the intolerable strain of those lagging minutes.
But he did more than work his shoulders. He threw a single furtive, wavering glance backwards; and Lieutenant Sutch was startled, and indeed more than startled—he was pained. For this after all was Muriel Graham’s boy.
The look was too familiar a one to Sutch. He had seen it on the faces of recruits during their first experience of a battle too often for him to misunderstand it. And one picture in particular rose before his mind: an advancing square at Inkermann, and a tall big soldier rushing forward from the line in the eagerness of his attack, and then stopping suddenly as though he suddenly understood that he was alone, and had to meet alone the charge of a mounted Cossack.”

 2034284-88a1454104a53f9c1853a6e8ed118bca.jpg
A. E. W. Mason (7 mei 1865 – 22 november 1948)
Affiche voor de gelijknamige film uit 1931 

 

 

De Duitse schrijfster Therese Huber werd geboren als Marie Therese Heyne op 7 mei 1764 in Göttingen. Zie ook alle tags voor Therese Huber op dit blog.

Uit:Alte Zeit und neue Zeit

“Ich habe dir versprochen, ohne Hehl die Eindrücke zu schildern, welche nach einer Abwesenheit von zwanzig Jahren die Menschen und Gegenstände in meiner Heimat auf mich machen würden. Dinge, von denen ich dir so oft mit Jugendglut der Erinnerung sprach! – und nachdem dir meine ersten beiden Briefe die Freude des Wiedersehens, die Wehmut, so manche Stätte leer, so manches Haupt ergraut gefunden zu haben, schilderten, will ich dir auch die Wahrnehmungen nicht verhehlen, zu denen ein längerer Aufenthalt in meiner Vaterstadt mir Anlaß gibt.
Ich verließ sie in der Fülle jugendlichen Gefühls, und kehre, ein Vierziger, zu ihr zurück; schwärmte ich damals, – wahrlich, so bin ich nun ruhig; daß ich nicht kalt ward, mein guter Hartmann, danke ich dir und deiner lieben Frau, da ihr mir durch den Zutritt in euer Haus Vaterland und Familie ersetztet, und endlich, nachdem ihr den Jüngling reifen saht, den Mann durch eure geliebte Schwester beglücktet. Möge Gott meine Amalie in dieser Stunde und in jeder des Lebens erfreuen! – Ich schreibe ihr, daß sie von dir diese Details erhalten wird, über die wir, so vertraut mein mutiges Herz, nächsten Winter schon wieder um unsern Kamin versammelt, schwatzen werden.
Lieber Hartmann, entweder bin ich anders geworden, oder meine Landsleute, oder beides. Ich erzählte dir ja wohl oft in den ersten Jahren meiner Niederlassung in Philadelphia von unserm gesellschaftlichen Leben in **, wie die Frauen den ganzen Morgen ihren Geschäften oblägen, im Haushalt, der Kinderstube, am Nähtisch, dann mittags der Gatte, aus den Hörsälen, der Session gekommen, sich des Wohlseins seiner Lieben freute, die Knaben nach ihren Schulzeugnissen fragte, der Mädchen ihre Schreibbücher ansah, oder vor ihrem Nähzeug mit einem freundlichen Scherz zurückfuhr, weil ihre Kunst ihm unbegreiflich blieb – dann arbeitete wieder ein jeder in seinem Beruf; die Hausfrau mußte wohl irgendeinen Höflichkeitsbesuch machen oder nahm deren an, des Abends gingen die Eltern auch wohl in Gesellschaft, dann ward meinen Schwestern ein froher Zeitvertreib gegeben, oder ein Buch, oder eine junge Freundin besuchte sie – aber meistens versammelten sich die Kinder um die Mutter, der Vater kam, er las ihr vor, wir hörten zu, oder trieben allerlei stille und laute Künste im Nebenzimmer.“

 

 2034284-5ad4c980dcceea83c436beb2174c70fe.jpg
Therese Huber (7 mei 1764 – 15 juni 1829)
<Göttingen

 

De Duitse schrijfster Dorit Zinn werd geboren in Dessau op 7 mei 1940, Zie ook alle tags voor Dorit Zinn op dit blog.

Uit: Mein Sohn liebt Männer

„Wie geht es Alex? Gut. Ich strahle sie an und verbessere mich: blendend! Er lebt nach wie vor in Berlin, arbeitet als Journalist und Wissenschaft-ler und ist immer noch mit demselben Mann zusam-men. Frau H. strahlt zurück. Unser Felix, sagt sie, ist auch mit seinem Freund in Berlin, er hat einen Job an der Humboldt-Universität, irgendein spannendes For-schungsprojekt. Wissen Sie noch, wie wir uns gesorgt und aufgeregt haben - und heute ist alles so leicht und selbstverständlich geworden. Vergnügt packt sie mich am Arm. Letzte Woche war ich bei den Kindern in Ber-lin, unsere Tochter hat doch ein Baby bekommen, wenn Sie wüssten, wie vernarrt Felix in seine kleine Nichte ist. Und bei uns, verkündet Konrad stolz, kommt in weni-gen Monaten das dritte Enkelkind zur Welt. Max wird zum dritten Mal Vater, erkläre ich, aber Alex sieht die Kinder seines Bruders leider selten, sie wohnen zu weit auseinander, und ich denke: Wenn Max noch in Berlin wohnte, ob sie dann mehr Kontakt hätten? Sie mögen sich, aber sie leben in verschiedenen Welten. Übrigens habe ich Alex kürzlich im Fernsehen gesehen, sagt Frau H., viel Prominenz war anwesend, neugierig schaut sie uns an, ich glaube, Wowereit war auch dabei. Gut möglich, sage ich, und Konrad erzählt, dass Alex einen Preis der Bundesregierung für zwei Schwulenprojekte entgegengenommen hat.
Wenige Meter von uns entfernt teilen Hände das Sonnenblumendickicht, ein junges Pärchen taucht auf, zerzaust und mit hochroten Köpfen. Wohlwollend lächeln wir ihnen zu. Wenn ich mir vorstelle, überlege ich, dass einer unserer Jungs mit seinem Liebsten aus dem Feld herausgestolpert käme ... Wo ist das Problem? Frau H. lacht und wir lachen mit. Allerdings, sagt sie, für viele Leute wäre es sicher ein Problem. Leider, ich stimme ihr zu, zwar würde man über unsere Jungs nicht mehr offen lästern wie früher, aber angelächelt wie dieses Hetero-pärchen würden sie nicht.“

 

 2034284-56b7cf588b911d020f83d54dcfa73ce0.jpg
Dorit Zinn (Dessau, 7 mei 1940)
Cover 

 

 

De Britse schrijfster en journaliste Angela Carter werd geboren in Eastbourne op 7 mei 1940. Zie ook alle tags voor Angela Carter op dit blog.

Uit: The Company of Wolves

“She stands and moved within the invisible pentacle of her own virginity. She is an unbroken egg; she is a sealed vessel; she has inside her a magic space the entrance to which is shut tight with a plug of membrane; she is a closed system; she does not known how to shiver. She has her knife and she is afraid of nothing.
Her father might forbid her, if he were home, but he is away in the forest, gathering wood, and her mother cannot deny her.
The forest is closed upon her like a pair of jaws.
There is always something to look at in the forest, even in the middle of winter - the huddled mounds of birds, succumbed to the lethargy o f the season, heaped on the creaking boughs and too forlorn to sing; the bright frills of the winter fungi on the blotched trunks of trees; the cuneiform slots of rabbits and deer, the herringbone tracks of the birds, a hare as lean as a rasher of bacon streaking across the path where the thin sunlight dapples the russet brakes of last year's bracken.
When she heard the freezing howl of a distant wolf, her practiced hand sprang to the handle of the knife, but she saw no sign of a wolf at all, nor of a naked man, neither, but then she heard a clattering among the brushwood and there sprang onto the path a fully clothed one, a very handsome one, in the green coat and wide-awake hat of a hunter, laden with the caresses of game birds. She had her hand on the knife at the first rustle of twigs, but he laughed with a flash of white teeth when he saw her and mad her a comic yet flattering little bow; she'd never seen such a fine fellow before, not among the rustic clowns of her native village. So on they went together, through the thickening light of the afternoon.
Soon they were laughing and joking like old friends. When he offered to carry her basket, she gave it to him although her knife was in it because he told her his rifle would protect them. As the day darkened, it began to snow again; she felt the first flakes settle on her dark eyelashes, but now there was only half a mile to go and there would be fire, and hot tea, and a welcome, a warm one, surely, for this dashing huntsman as well as herself.”

 

 2034284-d7d7d1552f01338058d1ee6b636f7b77.jpg
Angela Carter (7 mei 1940 - 16 februari 1992)

 

 

De Franse dichter André du Bouchet werd op 7 mei 1924 geboren in Parijs. Zie ook alle tags voor André du Bouchet op dit blog.

 

Cession

Le vent,
  dans les terres sans eau de l'été, nous
  quitte sur une lame,

                               ce qui subsiste du ciel.

En plusieurs fractures, la terre se précise. La terre
demeure stable dans le souffle qui nous dénude.

Ici, dans le monde immobile et bleu, j'ai presque atteint
ce mur. Le fond du jour est encore devant nous. Le
fond embrasé de la terre. Le fond
et la surface du front,
  aplani par le même souffle,

ce froid.

Je me recompose au pied de la façade comme l'air
bleu au pied des labours.

- Rien ne désaltère mon pas.

 2034284-20b1073a3c91cdcdbfc0f457bcc95e8e.jpg
André du Bouchet (7 mei 1924 – 19 april 2001)

Geschreven door Romenu om 12:15 Reageer op dit bericht

Am dritten Sonntage nach Ostern (Annette von Droste-Hülshoff)

 

Bij de derde zondag na Pasen

 

 2034280-d5679a9e1ac02eff87079d928c96d454.jpg
Joannes de Evangelist door Valentin de Boulogne, ca. 1621-22

 

 

Am dritten Sonntage nach Ostern
»Über ein kleines werdet ihr mich sehen.« (Joh: 16:16)

Ich seh dich nicht!
Wo bist du denn, o Hort, o Lebenshauch?
Kannst du nicht wehen, daß mein Ohr es hört?
Was nebelst, was verflatterst du wie Rauch,
Wenn sich das Aug' nach deinen Zeichen kehrt?
Mein Wüstenlicht,
Mein Aaronsstab, der lieblich könnte grünen,
Du tust es nicht;
So muß ich eigne Schuld und Torheit sühnen!

Heiß ist der Tag;
Die Sonne prallt von meiner Zelle Wand,
Ein traulich Vöglein flattert ein und aus;
Sein glänzend Auge fragt mich unverwandt:
Schaut nicht der Herr zu diesen Fenstern aus?
Was fragst du nach?
Die Stirne muß ich senken und erröten.
O bittre Schmach!
Mein Wissen mußte meinen Glauben töten.

Die Wolke steigt,
Und langsam über den azurnen Bau
Hat eine Schwefelhülle sich gelegt.
Die Lüfte wehn so seufzervoll und lau
Und Angstgestöhn sich in den Zweigen regt;
Die Herde keucht.
Was fühlt das stumpfe Tier, ist's deine Schwüle?
Ich steh gebeugt;
Mein Herr berühre mich, daß ich dich fühle!

Ein Donnerschlag!
Entsetzen hat den kranken Wald gepackt.
Ich sehe, wie im Nest mein Vogel duckt,
Wie Ast an Ast sich ächzend reibt und knackt,
Wie Blitz an Blitz durch Schwefelgassen zuckt;
Ich schau ihm nach.
Ist's deine Leuchte nicht, gewaltig Wesen?
Warum denn, ach!
Warum nur fällt mir ein was ich gelesen?

Das Dunkel weicht;
Und wie ein leises Weinen fällt herab
Der Wolkentau; Geflüster fern und nah.
Die Sonne senkt den goldnen Gnadenstab,
Und plötzlich steht der Friedensbogen da.
Wie? wird denn feucht
Mein Auge, ist nicht Dunstgebild der Regen?
Mir wird so leicht!
Wie? kann denn Halmes Reibung mich bewegen?

Auf Bergeshöhn
Stand ein Prophet und suchte dich wie ich:
Da brach ein Sturm der Riesenfichte Ast,
Da fraß ein Feuer durch die Wipfel sich;
Doch unerschüttert stand der Wüste Gast.
Da kam ein Wehn
Wie Gnadenhauch und zitternd überwunden
Sank der Prophet,
Und weinte laut und hatte dich gefunden.

Hat denn dein Hauch
Verkündet mir, was sich im Sturme barg,
Was nicht im Blitze sich enträtselt hat?
So will ich harren auch, schon wächst mein Sarg,
Der Regen fällt auf meine Schlummerstatt.
Dann wird wie Rauch
Entschwinden eitler Weisheit Nebelschemen,
Dann schau ich auch,
»Und meine Freude wird mir niemand nehmen.«

 

 2034280-5048edb7f3bded4ae380218573b9b334.jpg
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
De kapel van Burg Hülshoff

 

 

Zie voor de schrijvers van de 7e mei ook mijn volgende twee blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 12:15 Reageer op dit bericht

Willem Kloos, Hélène Gelèns, Sasja Janssen, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Christian Morgenstern, Carl Ludwig Börne

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

Alle Zeven

Met zeven nagelen lag Ik geklonken
Op dit zwart rad van marteling, mijn Leven, -
Want zeven Hárten zijn mij ópgeblonken,
In pracht van Jeugd en Vreugde's innigst beven.

In zeven dromen was ik zwaar verdronken,
Dromen van deemoed en van liefde-geven,
Die alle zeven weer in 't Niet-zijn zonken:
Daarom gegroet, mystiek getal van Zeven!

Hártstochten gaan en komen op de maat
Van mijner diepre Ziel geheimvol deinen,
En heel mijn liefde was een morgendroom.

Maar, boven al de Schijn des Tijds uit, staat
Gij in uw koelte, al-enig-vaste-en-reine,
O, Cijfer, waar 'k op tuur, in vreemde schroom.

 

 

Verzen

XI.
Diep uit de nooit-doordringbare gewelven
Van Uwe Ziel klonk eens het vorstlijk woord,
't Woord van Uw Liefde, en dieper in Mij-zelven
Klonk 't en weerklonk door verre gang en poort.

Wij waren Eén Mysterie, maar het zwelgen
Van Tijd en Wereld heeft úw vlam versmoord,
En daarom sterf ik, maar het niet-te-delgen,
Nu, mijn Mysterie brandt ondoofbaar voort.

Ik was de God-op-aard, de Nooit-gekende,
Die zelf zijn Zelf niet zag, dan ééns op 't laatst,
Toen opstond en de kroon op 't hoofd zich drukte:

Gij zijt het Aardsche Kind, dat dorst te schenden
Wat Kind niet weet, en op het hoofd zich plaatst,
Wat voegelijker zijnen Vader smukte.

 

XII.
Ik wás uw Vader, ja, vol mededoogen,
Een vader, als geen ander kind ooit had:
Ik leerde u spreken, voelen, zien met oogen,
Loopen met voeten op uw wereldsch pad.

O Kind, mijn oogen hingen aan úwe oogen,
Enkel te weten, of gij iets niet hadt....
En daarom hebt gij mij zoo wreed bedrogen,
Wee, om wat weelde en weidschen vreugden-schat.

Ja, heel mijn leven was één melodie
Van koninklijke goedheid, en ik zie
Dees klare ziel zoo vrij van zonde en schulden.

En 'k ga thans heen uit dit heel slechte leven,
Wijl al die goedheid om mijn hoofd blijft zweven,
Heilge, in zijn eigen glorie-licht gehulde.

 

 2034049-bb75200ed61e28353b849635424f55ea.jpg
Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

 

 

De Nederlandse dichteres Hélène Gelèns werd geboren in Bergschenhoek op 6 mei 1967. Zie ook alle tags voor Hélène Gelèns op dit blog.

 

Lief! Maar dat is niet genoeg

lief! maar dat is niet genoeg
hij wil weten hoe! van hier tot waar
tot maastricht casablanca de ochtendster
tot mijn huis hier om de hoek - hoe lief!

ik vind lief! lief genoeg
hij wil woorden die ronken

ik zeg: de langste lange twinkelhaar lief
de zachtste haar waarmee ik je omwikkel
van top tot teen een glanzende haarhuid
een doorzichtige haar want ik wil je zien

dat vindt hij wel een heel lange haar
hij wil woorden met waarheidswaarde

ik zeg: een lange zachte woordendraad lief
een fluisterdraad die je oor met een dwaas verhaal omspint
een grapjesdraad die je lip kriebelt je buik bloot lacht
een vuurdraad die jou in mijn armen trekt

ik begin bijna te ronken maar
hij wil woorden die zeggen: wel heel lief

ik ruk aan mijn draad
lief!

 

 

Afscheid 2

We hadden gezwegen ik aaide
haar wangen haar slapen het witte haar
aaide het haar werd zijde aaide
de strakke mond een stille lach

ze lichtte haar deken op
ik dacht wat een benen zo mooi
ze bestaan - af - zo lang
dacht dat zo mooi dan kan

steeds meer been en meer dan been
ik dacht wie wil ze dat ik ben ik aaide
haar wangen haar slapen aaide
haar zijden haar aaide

 

 2034049-bfb257a7ca49eb0caf49a1a7f051787e.jpeg
Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Sasja Janssen werd geboren op 6 mei 1968 in Venlo. Zie ook alle tags voor Sasja Janssen op dit blog. Zie ook alle tags voor Sasja Janssen op dit blog.

 

Manieren van Dobbelen

We zijn bij elkaar gedobbeld en zijn donkere handen
zijn mij onbekend, die kleine botjes als takjes
onderhuids ruiken naar tabak en dure poeder
hoeveel kinderen hoeveel vrouwen wonen er in die handpalm
ook je dood.
Zijn lange nagels, die jagen mij vrees aan voor straks
als we
maar eerst die hals uit, die nauwsluitende Sehnsucht.
Wat doen ogen als ze elkaar uitspelen?

Het is de dobbelsteen
die kraait sardonisch nog een keer nog een keer
tot ik mijn hals aandoe, om mijn ogen te vertrouwen.
De verdonkerde man knipt het pislicht aan en of ik garnalen lust.
Ik eet geen dieren die sprookjes spelen
zoals jij, zegt hij en zijn ogen knikkeren
zijn kassen over mij heen.

 

 

Wilde vinex

Ik ga mijn eigen dood uitkiezen, ik ben een vinexvrouw,
geen buitenmeisje.
Ik loop in mijn vlinderbroekje op het terras, ogen ploppen
overal uit, uit mijn benen, mijn buik en mijn broekje is zo klein
zacht en zo champagne, hier in deze wijk met houten kades
zonder water, waar meisjesbenen tegen de gevel groeien.

Ik ken een zwaluw die veren verpandt voor mijn noten
hij laat ze op mijn voeten vallen, ik bewaar ze voor de slaap.
Ik zie een man die hangt een kaarsrechte herinnering
over zijn vrouw, zijn kind de zoom die zij lospeutert.
Het wijst uit de hoek mijn tepels aan.
Ik draai mijn loop.
Ik ben een verschrikkelijk organisme dat uitverkiest.
Ik ben koningsblauw.
Ik sta in wilde schoonheid.

 

 2034049-165425877cbceff56f5addc946dab140.jpg
Sasja Janssen (Venlo, 6 mei 1968)

 

 

De Chileens-Amerikaanse toneelschrijver, essayist, dichter, novellist, cartoonist Ariel Dorfman werd op 6 mei 1942 in Buenos Aires geboren. Zie ook alle tags voor Ariel Dorfman op dit blog.

Uit: Feeding on Dreams: Confessions of an Unrepentant Exile

“One of the ways for Americans to go beyond the insecurity that has been swallowing us since 9/11 is to admit that our suffering is neither unique nor exclusive. If we are willing to look at ourselves in the vast mirror of our common humanity, we may find ourselves connected with many apparently faraway men and women who have trekked through similar situations of injury and fury.
A message I was able to deliver with more forcefulness because I had, in 2005, recently become a US citizen.
I had resisted taking that step with as much passion as I had put into trying to remain in Chile during our unfortunate six months in 1990. My wife, the implacably practical Angélica had decided to seek naturalization soon after we resettled for good in the States, and then hauled our two sons to Charlotte, North Carolina, for the interviews and swearing-in ceremonies.
I was a tougher nut to crack. I had already switched allegiances twice before – from Argentina to the States and from the States to Chile – and damned if I was going to relapse a third time, especially now that physical absence might weaken my ties to Latin America. Though my obstinacy had more intricate reasons.
No matter how much I might proclaim my mission to be a bridge between the Americas, the voice I had created for myself, the persona I projected, was that of a Latino from the South. I derived authority, power, credentials from that outsider status, relished being a sort of unofficial spokesperson for those who could not make themselves heard from our derelict lands. I had grown comfortable with that tone and viewpoint. It served me well on television and radio, in my op-ed columns and interviews, in readings at bookstores and commencement speeches, a deepening of the perspective I had discovered that morning in Bethesda watching the snow that was and was not mine fall silently. It had crusted into a second skin, become a home away from home, struck the right balance by allowing me to intervene in both Chile and the States from a middle point of intersection and detachment. And each time after 9/11 that I faintly contemplated reconsidering Angélica’s arguments in favour of nationalization, something would flare up, in Santiago or Mexico or some neglected corner of Latin America and the words would come flying, in English and in Spanish, and I didn’t want to squander that – there is nothing more difficult to abandon than a voice.”

 

 2034049-c308138bd09f2f4b2120322b3d9c4d88.jpg
Ariel Dorfman (Buenos Aires, 6 mei 1942)
Cover 

 

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.

 

Altersunterschied

Einmal
wenn du älter wirst
werde ich nicht mehr älter werden

Irgendwann werde ich dann
vielleicht
zu jung sein für dich

Jetzt aber
habe ich noch Angst
dass ich zu alt bin

Manchmal möchte ich drum
für mein Leben gern
sterben

 

 

Beziehungen zu einer Großmacht.

Mit den Mördern leben
ist ein verständlicher Wunsch
wenn man am Leben hängt
und wenn die Mörder stark sind
nur - mit den Mördern leben
kann eines Tages bedeuten
an den Mördern sterben
wie man mit ihnen gelebt hat.

 

 

Die drei Steine

Wie lange kann ich noch leben
Wenn mir die Hoffnung verloren geht?
Frage ich die drei Steine.

Der erste Stein sagt:
So viele Minuten du deinen Atem anhalten kannst
Unter Wasser
Noch so viele Jahre.

Der zweite Stein sagt:
Ohne Hoffnung
Kannst du noch leben
Solange du ohne Hoffnung
Noch leben willst

Der dritte Stein lacht:
Das hängt davon ab
Was du noch ‘Leben’ nennst
Wenn deine Hoffnung tot ist.

 

 2034049-e9c65f9cf9741cb068ca6521a7642395.jpg
Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

 

De Japanse schrijver Yasushi Inoue werd geboren op 6 mei 1907 in Asahikawa. Zie ook alle tags voor Yasushi Inoue op dit blog.

Uit:The Hunting Gun(Vertaald door Michael Emmerich)

“And when you die, Uncle, not one person on this planet will even suspect that this love of yours existed. Until now, I always believed love was as bright as the sun, dazzlingly so, and that it should be eternally blessed by God and all the people around you. I knew love was like a clear stream that sparkled beautifully in the sun, and when the wind blew any number of soft ripples skittered across its surface, and its banks were gently held by the plants and trees and flowers, and it kept singing its pure music, always, as it grew wider and wider—that’s what love was to me. How could I have imagined a love that stretched out secretly, like an underground channel deep under the earth, flowing from who knew where to who knew where without ever feeling the sun’s rays?
For thirteen years Mother deceived me. She was still deceiving me when she died. I never dreamt we could have any secrets from each other, no matter what happened.
She used to say so herself, that we were mother and daughter, after all. The only thing she never talked about was the reason she and Father had to break up; she said I wouldn’t understand until it was time for me to get married myself. That made me want to grow up as quickly as I could. Not because I wanted to know what happened between Mother and Father, but because I thought having to keep that knowledge bottled up inside her must hurt Mother a lot. And it did, in fact, seem to be very painful. It never even occurred to me, though, that Mother might be keeping an altogether different secret from me!
When I was a girl, Mother used to tell me this story about a wolf who was enchanted by the devil and tricked a little rabbit. The wolf was turned into a stone for what he did. Mother tricked me, and she tricked Aunt Midori, and she tricked everyone else… it’s just incomprehensible. The devil who enchanted her must have been one terrible devil.”

 

 2034049-8db39d300d30771946462cd576085dca.jpg
Yasushi Inoue (6 mei 1907 – 29 januari 1991)

 

 

De Zweedse dichter en schrijver Harry Martinson werd geboren op 6 mei 1904 in Jämshög in het zuidoosten van Zweden. Zie ook alle tags voor Harry Martinson op dit blog

 

Winter Piece

Delicate ermine tracks
cross lightly
in eights on the winter snow
there where a hidden ice-brook with its white fur roof
winds forward,
there where the swirling water had scooped out
a rippling bowl,
the otter drinks from the ice-eye.
When the children in red woolen caps come
to hear the singing of this polar roof,
the otter digs into his cave
and watches their eyes through chinks in the ice.

 

Vertaald door William Jay Smith en Leif Sjöberg

 

 

Sea Birds

Our thoughts are like sea birds -
always in flight.
When we eat meat soup
in the mess hall while passing Cape Cod
our old sea bird leaves a dropping
on that milepost of the sea - Rockall
or dozes off like a sleepy penguin -
with a newly washed shirt-front -
down by Mount Ross -
or doesit whisper like a fatigued dove
in Karen's ear, my sweet Karen,
in the mayor's kitchen in Kerteminde?
Our thoughts are like sea birds
and they always fly away from us;
and we sit in the mess hall while passing Cape Cod -
sooty, sweaty - and the meat soup...
well, it is definitely nothing to write home about -

 

Vertaald doorLars Nordstrom

 

 2034049-2de173b1424cc491f07c2461e43b290a.jpg
Harry Martinson (6 mei 1904 – 11 februari 1978)
 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Christian Morgenstern werd geboren in München op 6 mei 1871. Zie ook alle tags voor Christian Morgenstern op dit blog.

 

Der Hügel

Wie wundersam ist doch ein Hügel,
der sich ans Herz der Sonne legt,
indes des Winds gehalt'ner Flügel
des Gipfels Gräser leicht bewegt.

Mit bunten Faltertanz durchwebt sich,
von wilden Bienen singt die Luft
und aus der warmen Erde hebt sich
ein süßer hingeb'ner Duft.

 

 

Der Schnupfen

Ein Schnupfen hockt auf der Terrasse,
auf dass er sich ein Opfer fasse

- und stürzt alsbald mit großem Grimm
auf einen Menschen namens Schrimm.

Paul Schrimm erwidert prompt: "Pitschü!"
und hat ihn drauf bis Montag früh.

 

 

Die drei Spatzen

In einem leeren Haselstrauch,
da sitzen drei Spatzen,Bauch an Bauch.

Der Erich rechts und links der Franz
und mittendrin der freche Hans.

Sie haben die Augen zu, ganz zu,
und obendrüber,da schneit es, hu!

Sie rücken zusammen dicht an dicht,
so warm wie Hans hat's niemand nicht.

Sie hör'n alle drei ihrer Herzlein Gepoch.
Und wenn sie nicht weg sind,so sitzen sie noch.

 

 2034049-fa745eade55cdbba6dba5cc1c18a6e65.jpg
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914)
Cover biografie

 

 

De Duitse schrijver, journalist en criticus Carl Ludwig Börne werd in Frankfurt geboren als Juda Löb Baruch op 6 mei 1786. Zie ook alle tags voor Carl Ludwig Börne op dit blog.

Uit: Briefe aus Paris

“Paris, den 17. September 1830

Seit gestern bin ich hier, und alles ist vergessen. Ob ich gesund und froh, wie Sie es wünschen, in Paris angekommen oder durch mein Ankommen erst geworden bin, wüßte ich kaum zu bestimmen; doch glaube ich eher das letztere. Ich habe wunderliche Nerven. Wenn sie kein Lüftchen berührt, sind sie am unruhigsten und zittern wehklagende Töne gleich Elvirens Harfe in der »Schuld«. Diese Kränkelei macht mich so wütend, daß ich meine eignen Nerven zerreißen möchte. Sooft sie aber ein grober Sturmwind schlägt, bleiben sie philosophisch gelassen, und verlieren sie ja die Geduld, brummen sie doch männlich wie die Saiten einer Baßgeige. Ich kann es Ihnen nicht genug sagen, wie mir so behaglich worden gleich von der ersten Stunde an. Das moralische Klima von Paris tat mir immer wohl, ich atme freier, und meine deutsche Engbrüstigkeit verließ mich schon in Bondy. Rasch zog ich alle meine Bedenklichkeiten aus und stürzte mich jubelnd in das frische Wellengewühl. Ich möchte wissen, ob es andern Deutschen auch so begegnet wie mir, ob ihnen, wenn sie nach Paris kommen, wie Knaben zumute ist, wenn an schönen Sommerabenden die Schule geendigt und sie springen und spielen dürfen! Mir ist es gerade, als müßte ich unserm alten Konrektor einen Esel bohren.
– Ich wohne hinter dem Palais Royal. Die Zimmer sind gut, aber die enge Straße mit ihren hohen Häusern ist unfreundlich. Kein Sonnenblick den ganzen Tag. Und doch ist es mir manchmal noch zu hell; denn ich habe merkwürdige Gegenüber. Erstens sehe ich in die Küche eines Restaurateurs. Schon früh morgens fangen die ungewaschenen Köche zu tüchten und zu trachten an, und wenn man so mit ansieht, wie die Grazie, die allen französischen Schüsseln eigen ist, zustande kömmt, kann man die Eßlust auf eine ganze Woche verlieren.“

 

 2034049-3ac7c43b4f2d9218908dee978628faee.jpg
Ludwig Börne (6 mei 1786 – 12 februari 1837)
Monument in de Texaanse stad Boerne, die genoemd is naar de schrijver

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 12:45 Reageer op dit bericht

Ferdinand Sauter, Eugène Labiche, Gaston Leroux, Júlio César de Mello e Souza, Marie-Aude Murail, Paul Alverdes, Erik Bindervoet, Simon Mulder

De Oostenrijkse dichter Ferdinand Sauter werd geboren op 6 mei 1804 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ferdinand Sauter op dit blog.

 

Lebensweise

Ich wandle so mit offnem Sinn
Im heitern Sonnenschein,
Gesund und kräftig, wie ich bin,
Freut mich das schöne Sein.

Ich achte meinen Leib gering,
Der einst des Moders Staub,
Und schmücke mich, wenn Lenz verging,
Noch mit des Herbstes Laub.

Dem Zephir, wie dem Winterwind
Biet' ich die freie Brust,
Und jauchze, wie ein frohes Kind,
Des Bösen unbewußt.

 

Einsam

Wie traurig, wem ein Gott Gefühle gab,
So einsam an dem Zeitenstuhl zu weben, —
Indeß der Sommer reift die vollen Reben,
Sich üppig rankend um den schlanken Stab.

Verarmt an Glück, mußt du von fremdem Wohl
Die schlaflos langen Mitternächte träumen, —
Wie auch des Lebensbechers Fluten schäumen,
Dein Herz bleibt leer, sowie dein Becher hohl.

Doch zage nicht und kräft'ge deinen Muth;
Noch herrlich ist's, in späten Tagen lieben!
Mag rings um dich auch Glück und Lenz zerstieben
Dein Eichenherz — es trotzt der Stürme Wuth.

Vielleicht wird eines neuen Lenzes Strahl
Auf deines Herzens letzte Blume blicken,
Und doppelt mag solch spates Glück entzücken,
Emporgeblüht aus des Entbehrens Qual.

 

 2034041-397c411ab9b8076f1b52b3d973961931.jpg
Ferdinand Sauter (6 mei 1804 – 30 oktober 1854)
Portret door Moritz von Schwind, 1828

 

 

De Franse (blijspel)schrijver Eugène Marin Labiche werd geboren op 6 mei 1815 in Parijs. Zie ook alle tags voor Eugène Labiche op dit blog.

Uit: La Grammaire

« MACHUT. — Ah bien, tu as de l’aplomb, toi!
JEAN. — Dame, si elle savait que son saladier est cassé... ça lui ferait de la peine, à cette demoiselle.
MACHUT. — Ah çà! je viens pour la vache...
JEAN. — Oh! c’est inutile.
MACHUT. — Pourquoi?
JEAN. — Elle est morte... Il paraît qu’elle avait avalé un petit morceau de carafe... mal enterré.
MACHUT. — Ah! voilà! tu ne creuses pas assez.
JEAN. — C’est vrai... mais il fait si chaud depuis un mois!
MACHUT. — Ah çà! c’est aujourd’hui le grand jour! ton maître doit être dans tous ses états.
JEAN. — Pourquoi?
MACHUT. — C’est dans deux heures qu’on va élire le président du comice agricole d’Arpajon.
JEAN. — Croyez-vous que M. Caboussat soit renommé?
MACHUT. — Je n’en doute pas. J’ai déjà bu treize verres de vin à son intention.
JEAN. — Vrai? Eh bien, ça ne paraît pas.
MACHUT. — Je cabale pour ton maître. C’est juste, j’ai la pratique de la maison.
JEAN. — Il a un concurrent qui est malin, M. Chatfinet, un ancien avoué... Depuis un mois il ne fait que causer avec les paysans...
MACHUT. — Il fait mieux que ça. Dimanche dernier, il a été à Paris, et il en est revenu avec une cinquantaine de petits ballons rouges qui s’enlèvent tout seuls... et il les a distribués gratis aux enfants de la classe agricole.
JEAN. — Ah! c’est très fort!
MACHUT. — Oui, mais j’ai paré le coup... j’ai répandu le bruit que les ballons attiraient la grêle... et on les a tous crevés.
JEAN: — Quel diplomate que ce père Machut!
MACHUT. — Nous ne voulons pas de Chatfinet... A bas Chatfinet! un intrigant... qui fait venir d’Etampes son vétérinaire!
JEAN. — Ah! voilà! »

 2034041-4df36cf195fc58280d31fa0d3510b136.jpg
Eugène Labiche (6 mei 1815 – 22 januari 1888)
Affiche voor een uitvoering in Parijs, 2017 (detail)

 

 

De Franse schrijver Gaston Leroux werd geboren op 6 mei 1868 in Parijs.Zie ook alle tags voor Gaston Leroux op dit blog.

Uit: Le fantôme de l'Opéra

« Bah ! fit l’une d’elles qui avait à peu près conservé son sang-froid, vous voyez le fantôme partout. »
Et c’est vrai que, depuis quelques mois, il n’était question à l’Opéra que de ce fantôme en habit noir qui se promenait comme une ombre du haut en bas du bâtiment, qui n’adressait la parole à personne, à qui personne n’osait parler et qui s’évanouissait, du reste, aussitôt qu’on l’avait vu, sans qu’on pût savoir par où ni comment. Il ne faisait pas de bruit en marchant, ainsi qu’il sied à un vrai fantôme. On avait commencé par en rire et par se moquer de ce revenant habillé comme un homme du monde ou comme un croque-mort, mais la légende du fantôme avait bientôt pris des proportions colossales dans le corps de ballet. Toutes prétendaient avoir rencontré plus ou moins cet être extra-naturel et avoir été victimes de ses maléfices. Et celles qui en riaient le plus fort n’étaient point les plus rassurées.
Quand il ne se laissait point voir, il signalait sa présence ou son passage par des événements drolatiques ou funestes dont la superstition quasi générale le rendait responsable. Avait-on à déplorer un accident, une camarade avait-elle fait une niche à l’une de ces demoiselles du corps de ballet, une houppette à poudre de riz était-elle perdue ? Tout était de la faute du fantôme, du fantôme de l’Opéra !
Au fond, qui l’avait vu ? On peut rencontrer tant d’habits noirs à l’Opéra qui ne sont pas des fantômes.
Mais celui-là avait une spécialité que n’ont point tous les habits noirs. Il habillait un squelette.
Du moins, ces demoiselles le disaient.
Et il avait, naturellement, une tête de mort.
Tout cela était-il sérieux ? La vérité est que l’imagination du squelette était née de la description qu’avait faite du fantôme, Joseph Buquet, chef machiniste, qui, lui, l’avait réellement vu. Il s’était heurté, – on ne saurait dire « nez à nez », car le fantôme n’en avait pas – avec le mystérieux personnage dans le petit escalier qui, près de la rampe, descend directement aux « dessous ». Il avait eu le temps de l’apercevoir une seconde, – car le fantôme s’était enfui – et avait conservé un souvenir ineffaçable de cette vision."

 

 2034041-719028ac3038074043b86cc9e1049442.jpg
Gaston Leroux (6 mei 1868 – 15 april 1927)
Scene uit een uivoering van de musical van Andrew Lloyd Webber in Parijs 2016

 

 

De Braziliaanse schrijver Júlio César de Mello e Souza werd geboren op 6 mei 1895 in Rio de Janeiro. Zie ook alle tags voor Júlio César de Mello e Souza op dit blog.

Uit: The Man Who Counted (als Malba Tahan)

“Beremiz holds forth on the forms of geometry. Our happy encounter with Sheik Salem Nasair and his friends the sheep rearers. Beremiz solves the problem of the twenty-one wine casks. The explanation of the disappearing dinar.
Beremiz was very satisfied at receiving the fine present from the Syrian merchant. "It is very well made," he said, turning the turban over and looking at it from all sides. "It has, however, one defect, which could easily be avoided: its form is not strictly geometric." I looked at him, unable to conceal my surprise. That original man had a way of transforming the most ordinary things, to the point of considering even turbans in the light of geometric form. "It should not be surprising to you, my friend," said the wise Persian, "that I should wish for turbans of geometric form. Geometry is everywhere. Consider the ordinary and perfect forms of many bodies. Flowers, leaves, and innumerable animals reveal admirable symmetries that lighten the spirit. Geometry, I repeat, exists everywhere: in the sun's disk, in leaves, in the rainbow, in butterflies, in diamonds, in starfish, in the tiniest grain of sand. There is an infinite variety of geometric forms throughout nature. A crow flying slowly through the air traces wondrous figures with its sooty body. The blood circulating in the veins of a camel also obeys strict geometric principles; its humps, unique among mammals, show a singular elliptical form; the stone thrown at an intruding jackal describes a perfect curve in the air, known as a parabola: the bee makes its cells in the form of hexagonal prisms and uses that geometric form to build its house with the greatest possible economy of material. "Geometry exists everywhere.”

 

 2034041-00848ca9bc427a29bd0362ed8b5cef51.jpg
Júlio César de Mello e Souza (6 mei 1895 – 18 juni 1974)

 

 

De Franse schrijfster Marie-Aude Murail werd geboren op 6 mei 1954 in Le Havre. Zie ook alle tags voor Marie-Aude Murail op dit blog.

Uit:Oh, boy !

“- Bon, je prends ma douche. Vous pouvez visiter. Faites comme chez vous.
Il gagna sa chambre et arracha ses vêtements trempés de sueur.
- C'est ta chambre, là ? fit une petite voix.
Bart poussa un hurlement et attrapa son oreiller pour le plaquer devant lui.
- Mais...qu'est-ce que tu fais là, toi ?
-T'as dis de visiter, lui rappela Venise.
Elle lui fit un tendre sourire de connivence.
- T'as un zizi, toi ?
Ce fut Bart qui rougit.
- Mais...comme tous les garçons. Elle est incroyable, celle-là ! Allez, pchi, dehors...
On aurait dit qu'il voulait chasser un petit animal. Cela fit rire Venise, qui tint malgré tout à informer son frère aîné.
- Moi, c'est une zézette que j'ai.
C'est le moment que choisit Siméon pour entrer à son tour.
-Ah, tu es là ? dit-il à Venise,ignorant délibérément Bart, toujours à poil.
- Vous êtes où ? appela Morgane dans le couloir.
- Là ! répondirent Siméon et Venise.
Morgane entra et vit Bart qui gardait son oreiller en cache-sexe.
- C'est ta chambre ? Elle est super-belle. Nous, notre chambre, c'est tout petit-moche.
Barthélémy s'effondra sur son lit, protégeant comme il pouvait sa virilité.
-Venez, on dérange, remarqua enfin Siméon. »

 

 2034041-f3416918dc3ebe9dd018ba7e77012d91.jpg
Marie-Aude Murail (Le Havre, 6 mei 1954)

 

 

De Duitse schrijver Paul Alverdes werd geboren op 6 mei 1897 in Straatsburg. Zie ook alle tags voor Paul Alverdes op dit blog.

Uit:Das Schlaftürlein

“Am Ende der Welt ist das Schlaftürlein …“ Und das ist eine ganze besondere Tür. Denn da müssen alle Kinder hindurch, die schlafen wollen. Dahinter gibt es viele Bettchen, und über jedem hängt ein Traumesbaum, voll mit den wunderbarsten Träumen, in Tüten aus Gold und Silber gewickelt. Und was dort alles zum Vorschein kommt: Die tollsten Spielsachen, lauter Lieblingsspeisen wie im Schlaraffenland und andere wunderbare Träume. Wer nicht träumen mag, darf in den „Schwebesaal“, und sogar für kranke Kinder gibt es einen Raum, wo sie unter kühlen Apfelbäumen und neben Limonadebrunnen das Fieber einfach wegschlafen. Und was passiert mit Kindern, die auf keinen Fall durch das Schlaftürlein wollen, viel zu spät kommen und es verschlossen finden? Tja, das ist eine spannende Sache. Die wird nicht verraten, sie steht im Bilderbuch. Das Sandmännchen spielt dabei eine große Rolle….”

 

 2034041-e5e9115a6a334c5005f884ab50006795.jpg
Paul Alverdes (6 mei 1897 – 28 februari 1979)
Cover

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse dichter, schilder en vertaler Erik Bindervoet werd geboren in het jaar 1962 in Oostzaan. Zie ook alle tags voor Erik Bindervoet op dit blog.

 

Het Tuinhuis

De lentemiddag komt met een groen licht
Over de daken, met toeters en bellen,
U altegader in dit huis vertellen
Dat dromen niet voor praktijk zijn gezwicht.

Wij samen, doe het zelvende rebellen,
Verbouwen ieder schuurtje tot gedicht
Om niet, als u, Muze, in katzwijm ligt
Het zonder onderdak te moeten stellen.

Hier, in de achtertuin, snurkten de zagen
En klopten hamers hard zonder sarcasme
Op de planken die hoofd en wereld schagen -

Zij zuchtten, hijgden, zweetten bij het klussen,
Niet uit vermoeidheid, maar uit enthousiasme
Voor bouwen en de ruimtezee daartussen.

 

 2034041-38f1fef7c21a215f7c4e6ee2e99c7c4f.jpg
Erik Bindervoet (Oostzaan, 1962)

 

 

De Nederlandse dichter Simon Mulder werd geboren in 1986. Zie ook alle tags voor Simon Mulder op dit blog.

 

Dat ik het, alle moed verzamelend

Dat ik het, alle moed verzamelend,
toen je daar stond, niet zei zoals verwacht,
maar wankelmoedig, zacht, bedacht
op vallen, onbeholpen stamelend;

dat je gelachen hebt zoals je lacht;
dat we twijfel en vormelijk verzet
voorgewend hebben – niets heeft het belet:
we vielen, we veroverden de nacht.

Was het een wensen dat ik in je las,
een naderen met een geschenk, was het
een wenken, donker en onopgezet?
Je werd onhoudbaar mooier dan je was.

Mooier dan ik verdien. Je wist misschien
al lang dat ik ons samen had gezien.

 

 2034041-1ac9acbc7df63072327107fd211ccf51.jpg
Simon Mulder (1986)

Geschreven door Romenu om 12:43 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten