Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 26 juni 2017 tot 27 juni 2017

Lucille Clifton, Rafael Chirbes, Teju Cole, Frank O'Hara, Paul Laurence Dunbar, E. J. Potgieter, Kees Ouwens, Dawud Wharnsby, João Guimarães Rosa

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

 

Shapeshifter Poems

1
the legend is whispered
in the women's tent
how the moon when she rises
full
follows some men into themselves
and changes them there
the season is short
but dreadful shapeshifters
they wear strange hands
they walk through the houses
at night their daughters
do not know them


2
who is there to protect her
from the hands of the father
not the windows which see and
say nothing not the moon
that awful eye not the woman
she will become with her
scarred tongue who who who the owl
laments into the evening who
will protect her this prettylittlegirl

 

 2050417-bf0f1470a4b9209ad55be6e4099f30a8.jpg
Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

 

 

De Spaanse schrijver Rafael Chirbes werd geboren op 27 juni 1949 in Tabernes de Valldigna bij Valencia. Zie ook alle tags voor Rafael Chirbes op dit blog

Uit: Aan de oever (Vertaald door Eugenie Schoolderman en Arie van der Wal)

“Dat soort dingen had hij vast van mijn grootvader geleerd, die ze las in de romans van Russische schrijvers die hij leende uit de volksbibliotheek in Misent (in Olba was toen nog geen bibliotheek), waar hij op zijn fiets naartoe ging. Hij trok zijn beste kleren aan voor de tocht, de onderpijpen zorgvuldig bijeengebonden in de metalen broekklemmen, net als ik jaren later mijn vader zag doen op vrijdagmiddag, al was de volksbibliotheek tegen die tijd al verdwenen en stonden er waarschijnlijk niet veel Russische boeken meer in de gemeentelijke bibliotheek. De mannen uit mijn familie hielden van die romans. Ze kwamen bij ons in huis tot het einde van de oorlog (dat ook het einde van het leven van mijn grootvader was), evangeliën met een gedragscode die moest gaan gelden, over de gewelddadige opstand van de massa’s, kronieken van de heldendaden van de arbeiders. ‘Russisch’ betekende de Sovjet-Unie, moeder aller arbeiders in de wereld. Francisco en ik hebben het er meer dan eens over gehad hoe sterk een aantal generaties Spanjaarden is verlicht door alles wat Russisch was (hoewel dat Sovjet-Russische licht voor de ooms en tantes, grootouders en vader en moeder van Francisco eerder tegenlicht was: een verblindende dreiging). Als je nu ‘Russisch’ zegt, denk je aan het allerergste: afpersing, maffia, vrouwenhandel, handel in mensenvlees in het algemeen, dat net als bij kuddes dieren van een afstand gezien allemaal hetzelfde lijkt, maar schittert door het eigen karakter dat je voor je hebt, wondermooie lijven staan in de clubs langs de grote weg voor slechts veertig of vijftig euro tot je beschikking. Het Sovjetgebeuren. De klassenstrijd. Mijn vader heeft altijd geweigerd zijn timmerbedrijf uit te breiden. We nemen de opdrachten aan die we kunnen doen. Meer niet. We leven niet van het werk van anderen, maar van dat van onszelf.”

 

 2050417-bb42521aa5fb8c043412a2958ac4fa30.jpg
Rafael Chirbes (Tabernes de Valldigna, 27 juni 1949)

 

 

De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver, fotograaf en kunsthistoricus Teju Cole werd geboren op 27 juni 1975 in Kalamazoo, Michigan. Zie ook alle tags voor Teju Cole op dit blog.

Uit: Open City

“I liked the murmur of the announcers, the sounds of those voices speaking calmly from thousands of miles away. I turned the computer's speakers low and looked outside, nestled in the comfort provided by those voices, and it wasn't at all difficult to draw the comparison between myself, in my sparse apartment, and the radio host in his or her booth, during what must have been the middle of the night somewhere in Europe. Those disembodied voices remain connected in my mind, even now, with the apparition of migrating geese. Not that I actually saw the migrations more than three or four times in all: most days all I saw was the colors of the sky at dusk, its powder blues, dirty blush and russetts, all of which gradually gave way to deep shadow. When it became dark, I would pick up a book and read by the light of an old desk lamp. I had rescued the lamp from one of the dumpsters at the university; its bulb was hooded by a glass bell that cast a greenish light over my hands and the book on my lap, as well as on the worn upholstery of the sofa. Sometimes, I even spoke the words in the book out loud to myself, and doing so I noticed the odd way my voice mingled with the murmur of the French, German or Dutch radio announcers, or with the thin texture of the violin strings of the orchestras, all of this intensified by the fact that whatever it was I was reading had likely been translated out of one of the European languages. That fall, I flitted from book to book: Barthes's Camera Lucida, Peter Altenberg's Telegrams of the Soul, Tahar ben Jelloun's The Last Friend, among others.
In that sonic fugue, I recalled Saint Augustine, and his astonishment at Saint Ambrose who was reputed to have found a way to read without sounding out the words. It does seem an odd thing—it strikes me now as it did then—that we can comprehend words without voicing them. For Augustine, the weight and inner life of sentences were best experienced out loud, but much has changed in our idea of reading since then. We have for too long been taught that the sight of a man speaking to himself is a sign of eccentricity or madness; we are no longer at all habituated to our own voices, except in conversation or from within the safety of a shouting crowd. But a book suggests conversation: one person is speaking to another, and audible sound is, or should be, natural to that exchange. So, I read aloud with myself as my audience, and gave voice to another's words.”

 

 2050417-da9c7637df67924d6763ef4d9e550c6c.jpg
Teju Cole (Kalamazoo, 27 juni 1975)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en kunstcriticus Francis Russell "Frank" O'Hara werd geboren op 27 juni 1926 in Baltimore. Zie ook alle tags voor Frank O'Hara op dit blog.

 

Yesterday Down at the Canal

You say that everything is very simple and interesting
it makes me feel very wistful, like reading a great Russian novel does
i am terribly bored
sometimes it is like seeing a bad movie
other days, more often, it's like having an acute disease of the kidney
god knows it has nothing to do with the heart
nothing to do with people more interesting than myself
yak yak
that's an amusing thought
how can anyone be more amusing than oneself
how can anyone fail to be
can i borrow your forty-five
i only need one bullet preferably silver
if you can't be interesting at least you can be a legend
(but i hate all that crap)

 

 

Animals

Have you forgotten what we were like then
when we were still first rate
and the day came fat with an apple in its mouth

it's no use worrying about Time
but we did have a few tricks up our sleeves
and turned some sharp corners

the whole pasture looked like our meal
we didn't need speedometers
we could manage cocktails out of ice and water

I wouldn't want to be faster
or greener than now if you were with me O you
were the best of all my days

 

 2050417-4b5f53268bdbb453268d7d6317372db6.jpg
Frank O'Hara (27 juni 1926 - 25 juli 1966)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Paul Laurence Dunbar werd geboren op 27 juni 1872 in Dayton, Ohio. Zie ook alle tags voor Paul Laurence Dunbar op dit blog.

 

We Wear The Mask

We wear the mask that grins and lies,
It hides our cheeks and shades our eyes,--
This debt we pay to human guile;
With torn and bleeding hearts we smile,
And mouth with myriad subtleties.

Why should the world be overwise,
In counting all our tears and sighs?
Nay, let them only see us, while
We wear the mask.

We smile, but, O great Christ, our cries
To thee from tortured souls arise.
We sing, but oh the clay is vile
Beneath our feet, and long the mile;
But let the world dream otherwise,
We wear the mask!

 

 

A Golden Day

I Found you and I lost you,
All on a gleaming day.
The day was filled with sunshine,
And the land was full of May.

A golden bird was singing
Its melody divine,
I found you and I loved you,
And all the world was mine.

I found you and I lost you,
All on a golden day,
But when I dream of you, dear,
It is always brimming May.

 

 2050417-fee498ea05c95a2eb65fe27f337fdbf9.png
Paul Laurence Dunbar (27 juni 1872 - 9 februari 1906)

 

 

De Nederlandse schrijver Everhardus Johannes Potgieter werd geboren in Zwolle op 27 juni 1808. Zie ook alle tags voor Potgieter op dit blog.

Uit:Jan, Jannetje en hun jongste kind

“Jannetje ziet wel eens zuur, het is waar, als zij al den vreemden opschik gâslaat, die harer dochteren om ‘de teêre leedjens bengelt;’ Jannetje ziet nog zuurder als zij de piano hoort rammelen en haar oor uitheemsche klanken vangt, in plaats van de liedekens, welke zij plagt te kwelen: Jannetje ziet allerzuurst, als zij in het huis van een harer kinderen vreemde drempelmeiden ontmoet, Brabandsche bonnes, Zwitsersche gouvernantes, Fransche floddermadammen, doch dat gebeurt maar enkel, doorgaans is zij over hare dochters nog al tevreden: hoe kan het anders? Orde, spaarzaamheid, liefhebberij in het kraak-zindelijke, huiselijkheid, deernis met armoede, vroomheid, zij heeft ze haar van kindsbeen af ingescherpt! Hoe zij verjongt als ze hare eigene liefelijkheid herboren ziet in den schroom van eene aanvallige bruid! - bruidstranen zijn een eigenaardig zwak van Jannetje - in het geluk eener jeugdige echtelinge! - het te huis is de hemel eener hollandsche vrouw, - in de dankbaarheid eener zalige moeder! - Jannetje plagt in hare jeugd bij de wieg in den Bijbel te lezen. - Hoe zij verjongt, als eene wolk van gezondheid om hare knieën dartelt; eene wolk, waaruit zij allerlei zoete stemmetjes: ‘grootemoê! grootemoê!’ hoort roepen.
‘Vader!’ vraagt ze nu - gevalt u de trouwhartige uitdrukking niet? Jan heeft intusschen zijn glas geledigd, wèl bekome het hem! - ‘Vader!’ vraagt zij, ‘hebben we een goed jaar gehad?’
Zij heeft er alle regt toe, zij, die hem het huis hielp bouwen!
‘Als ik mijne koetjes niet vroeger op het drooge had gebragt,’ antwoordt hij, met een spreekwoord van zijne voorvaders, die kaasboeren waren, ‘het zou me zwaar zijn gevallen, ze in Een en Veertig uit het water te halen!’

 

 2050417-dd888a48bad65effe36e2aa5038bfb71.jpg
Potgieter (27 juni 1808 – 3 februari 1875)
Zwolle, de Sassenpoort

 

 

De Nederlandse dichter Kees Ouwens werd geboren op 27 juni 1944 in Zeist. Zie ook alle tags voor Kees Ouwens op dit blog.

 

In het donker

Fluitekruid, ik kom tot u, want gij zijt wit
en voor hetzelfde geld ook rein.
Als ik neerdaal in het gras, omdat mijn
kruis weer strak gespannen staat,
vindt gij dat niet afkeurenswaardig.
Want gij zijt een echte moeder en al wat goed is voor
uw kind bevordert gij uit alle macht.

O, geurige bloem, ik ruik u niet, maar
gij zijt er toch, al heerst alom nacht.
Achter mij sluit ik de deur en ga
over de schreiende aarde op zoek naar u.
Omdat het een hete zomer is, draag ik slechts een wit overhemd.
Over mijn wangen ligt een bezeten blos,
maar ik vind u niet.

O, duistere nacht.
O, wedervaren, met hier en daar een bui.

 

 

Even afgestapt

In de berm van het geluk staat een fiets achter mij.
Uitgestrekt grasland tot aan de zoom van mijn schoen.
Een paardje dat voorbijkleppert is smaakvol
uitgerust met een paardedeken.
Van verre klinkt het gezang van een officiële
begrafenis.
In een rug van hoge luchtdruk doet
ook de zon zijn best.

Ontspannen tussen hondsdraf voel ik dat
ik bloed heb.
O, gij bloedvat, kreunt de mol in zijn onderaardse
grotten.

 

 2050417-8d2d60da69ab98e3141ab29c042eedd9.gif
Kees Ouwens (27 juni 1944 – 24 augustus 2004)
Cover De Revisor, mei 1989 

 

 

De Canadese dichter, singer-songwriter, performer en sociale activist. Dawud (David) Wharnsby Ali werd geboren op 27 juni 1972 in Kitchener, Ontario. Zie ook alle tags voor Dawud Wharnsby op dit blog.

 

Wings Against my Window

Wings against my window
are they birds or are they angels,
waking me for worship
at fajr, before dawn?
Wings against my window
are they birds or are they angels,
singing me from slumber?
soon night will be gone.

I hear sparrows whistle
making the adhan.
I hear their words telling me I am a lazy man
“Come fast to pray”, they say,
“You will find success that way.
Stand up now from where you lay.
This is the best time of the day”

Wings against my window
Are they birds or are they angels,
waking me for worship
at fajr, before dawn?
Wings against my window
are they birds or are they angels,
singing me from slumber?
soon night will be gone.

My heart, it wants to wake up
my body wants to sleep.
The morning air is brisk and cool
my bed is warm and deep.
Birds, they call me to the way,
“Stand before Allah to pray!
Kiss the dawn and greet the day!”
But dreams, they just get in the way.

Wings against my window
are they birds or are they angels,
waking me for worship
at fajr, before dawn?
Wings against my window
are they birds or are they angels,
singing me from slumber?
soon night will be gone.

 

 2050417-e42fecb8f52b2e1e32384fa94cab9309.jpg
Dawud Wharnsby (Kitchener, 27 juni 1972)

 

 

De Braziliaanse schrijver João Guimarães Rosa werd geboren op 27 juni 1908 in Cordisburgo, Minas Gerais. Zie ook alle tags voor João Guimarães Rosa op dit blog.

Uit: The Devil To Pay In The Backlands (Vertaald door James L. Taylor en Harriet de Onís)

« Everybody believes what he says: that there are certain places, three of them, that he can’t go near without hearing a faint crying behind him, and a little voice saying: “I’m coming! I’m coming!” It’s the Whoosis, the What-You-May-Call-Him. And then take Jisé Simplício. Anybody here will swear to you that he keeps a captive demon in his house – a little imp who is obliged to help him in his shady dealings, which is why Simplício is on his way to getting rich. They say this is also the reason Simplício’s horse shivers and shies when Simplício tries to mount. Superstition. Jisé Simplício and Aristides are prospering, imp or no imp. Now listen to this: there are people who insist that the devil himself stopped off at Andrequicé while passing through there recently. It seems that a certain young man, a stranger, showed up and boasted that he could get from there here in only twenty minutes – it takes a full day and a half on horseback – because he would go around the headwaters of the Rio do Chico. * Perhaps, who knows – no offense intended – it could have been you yourself when you passed through there, just joking for the fun of it? Don’t hold it against me – I know you didn’t. I meant no harm. It is just that sometimes a question at the right time clears the air. But, you understand, sir, if there was such a young man, he just wanted to pull somebody’s leg. Because, to circle the headwaters he would have to go deep into this state of ours and then double back, a trip of some three months. Well, then? The whoosis? Nonsense. Imagination. And then this business of politely calling the devil by other names – that’s practically inviting him to appear in person, in the flesh! Me, I have just about lost all my belief in him, thanks to Gog; and that’s the honest truth I’m telling you, though I know he is taken for a fact and the Holy Gospels are full of him. Once I was talking with a young seminarian, very amiable he was, turning the pages and reading en his prayer book. He had on his vestments and bore a wand of chaste-tree in his hand. He said he was going to help the priest drive the Whoosis out of an old woman os Cachoeira-dos-Bois. I don’t believe a word of it. My compadre Quelemém claims that it’s the lower spirits that cause these manifestations, the third-class ones, milling about in the pitch darkness, seeking contact with the living, and that sometimes they will give a man real support. My compadre Quelemém is the one who eases my mind – Quelemém de Góis is his full name. But he lives so far from here – at Jijujã, on the Vereda do Burití Pardo.”

 

 2050417-95707fc05f1f3c7a36a714ef0b9d239b.jpg
João Guimarães Rosa (27 juni 1908 – 19 november 1967)
Cover 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juni ook mijn blog van 27 juni 2016 en eveneens mijn blog van 27 juni 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:46 Reageer op dit bericht

Aimé Césaire, Jacqueline van der Waals, Yves Beauchemin, Elisabeth Büchle, Laurie Lee, Pearl S. Buck, Stefan Andres, Martin Andersen-Nexø, Branwell Brontë

De Afrocaraïbische schrijver en politicus Aimé Césaire werd geboren op 26 juni 1913 in Basse-Pointe, Martinique. Zie ook alle tags voor Aimé Césaire op dit blog.

 

It is Myself, Terror, It is Myself

Stranded dried up dreams flush with the muzzles of rivers create
formidable piles of mute bones
the too swift hopes crawl scrupulously
like tamed snakes
one does not leave one never leaves
as for me I have halted, faithful, on the island
standing like Prester John slightly sideways to the sea
and sculptured at snout level by waves and bird droppings
things things it is to you that I give
my crazed violent face ripped open in the whirlpool’s depths
my face tender with fragile coves where lymphs are warming
it is myself terror it is myself
the brother of this volcano which certain without saying a word
ruminates an indefinable something that is sure
and passage as well for birds of the wind
which often stop to sleep for a season
it is thyself sweetness it is thyself
run through by the eternal sword
and the entire day advancing
branded with the red-hot iron of foundered things
and of recollected sun

 

. . . On the State of the Union

I imagine this message in Congress on the state of the Union:
situation tragic,

left underground only 75 years of iron
50 years of cobalt
but 55 years worth of sulfur and 20 of bauxite
in the heart what?
     Nothing, zero,
          mine without ore,
          cavern in which nothing prowls,
          of blood not a drop left.

 

Vertaald door Clayton Eshleman en Annette Smith

 

 2050060-1529b1974ed52e3393d315e19c8a1265.jpg
 Aimé Césaire (26 juni 1913 – 17 april 2008)

 

 

De Nederlandse dichteres Jacqueline Elisabeth van der Waals werd geboren op 26 juni 1868 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Jacqueline van der Waals op dit blog.

 

Acaciabosje

Klein, fris plekje
Groen gras in bronzen heide,
Teergroen bosje
Van lichte acacia's,
Omringd door donker dennenhout,
Hoe slaat mijn hart zo blijde!
Hoe slaat mijn hart zo lustigjes,
Zo jolig en zo dwaas!

Bén ik een kind?
Mijn jeugd moest lang voorbij zijn,
Mat ik mijn ouderdom
Naar mijner jaren tal.
Bij grijzend haar,
Hoe kan het hart zo blij zijn
Met zulk een kleinigheid,
Een niets, een niemendal?

Lief, klein bosje
Van jong acacialover,
Lief, blij weitje,
Omringd door sombre hei!
Hoe wordt mijn hart zo stil, zo blij,
Zoo dwaas-gelukkig over
Een bosje groene acacia's,
Een kleine, groene wei!

 

Komende schepen

Ik zit aan de zee in de donkere nacht.
Met ogen als vuurtorenlichten
Tuur ik naar verre kusten en wacht,
Op overzeese berichten.

Ik zit in het donker, ik wacht, ik staar
Naar schepen die langzaam komen,
Met lichtende blikken zoek ik naar
Het schip uit het land mijner dromen.

 

 2050060-c2aa7bb78b9e633df4c01d1151ce4ba4.png
Jacqueline van der Waals (26 juni 1868 – 29 april 1922)
Den Haag: Gezicht over het Kortenbos naar de Grote of St. Jacobskerk door Carel Jacobus Behr, 1870

 

 

De Canadese schrijver Yves Beauchemin werd geboren op 26 juni 1941 in Rouyn-Noranda, Quebec. Zie ook alle tags voor Yves Beauchemin op dit blog.

Uit:Le Matou

« — N'oubliez pas que vous devez partir pour Québec demain matin à huit heures, fit mademoiselle Relique d'une voix sèche et toute menue qui rappelait cette fois-ci l'écoulement d'un filet de sable. Elle s'arrêta devant eux, revêtue de son manteau gris souris, serrant son billet d'autobus dans sa main gantée de noir: — Les magasins Sherman se plaignent de ne pas vous voir souvent depuis deux mois... — Vieux bénitier, murmura Florent en la regardant s'éloigner, pendant que son ami Slipskin, une cigarette au bout de ses longs doigts couverts de rousselures, fixait le plafond avec un sourire rêveur. Vers six heures, ce même jour, monsieur Gustave St-Onge, propriétaire de La Binerie, se sentit particuliè-rement outragé d'avoir à discuter au téléphone d'un sujet aussi grave que la vente de son restaurant et, qui plus est, avec un petit jeune homme qui ne semblait pas faire la différence entre une serviette et un torchon. — Au bout du fil, mon ami, fit-il en agitant sa main gauche mouillée d'eau de vaisselle, je n'entends plus que du chinois quand vient le moment de certains sujets. Amène-toi, on se parlera. Sinon, salut et que la picotte t'emporte. — Je suis en train de faire la cueillette de tous les vieux toqués de la ville, bougonna Florent en déposant le combiné. — Je te vois aller, fit Élise, et tu m'inquiètes. Ils ont beau être toqués, tu te prêtes à leur jeu. Je te sens capable de risquer toutes nos économies. Et pourtant, fit-elle avec une moue pleine de coquetterie, on s'était bien promis de les réserver pour quelqu'un d'autre. Et elle promena lentement sa main devant son bas-ventre en esquissant une rondeur imaginaire. »

 

 2050060-a7aef2b3b3c5ecc0779237c20ad28f9c.jpg
Yves Beauchemin (Rouyn-Noranda, 26 juni 1941)

 

 

De Duitse schrijfster Elisabeth Büchle werd geboren op 26 juni 1969 in Trossingen, Baden-Württemberg. Zie ook alle tags voor Elisabeth Büchle op dit blog.

Uit:Himmel über fremdem Land

“Unter beständig und abschwellendem Donnern schlugen die schauingekrönten Wellen auf dem weißen, leicht ansteigenden Sandstrand auf. Demy vernahm trotz des gewaltigen Brausens des Windes das zischende Geräusch, mit dem sich das Wasser über den Sand, die winzigen farbigen Steinchen und die kleinen Muscheln hinweg in das aufgewühlte stahlgraue Meer zurückzog. Das Mädchen schlang die Arme um den schlanken Körper, als wolle sie sich vor dem peitschenden, böigen Wind schützen, doch ihre hoch aufgerichtete Gestalt und das erhobene Haupt zeigten deutlich, wie sehr sie die Gewalt des Sturms genoss. Weiße Gischt, vom Wind über den Strand getragen, durchnässte ihr hellblaues Kleid und das lange dunkle Haar, und beides klebte beinahe wie eine zweite Haut an ihr. Demy ballte die Hände zu Fäusten, während sie mit dem nack-ten Fuß gegen ein schwarzes Stück Schwemmholz trat, sodass cs aufflog und vom Sturm seitlich in Richtung der Dünen davonge-trieben wurde. »Ich will hier nicht weg!«, schrie sie gegen den peitschenden Wind an, wobei sie denn Schmelz ignorierte, den sie sich durch den derben Tritt gegen das mit Feuchtigkeit vollgesogene Holzstück zugezogen hatte. »Wie konnte Tilla das nur tun?« Auch diesen entrüsteten und zugleich verzweifelten Ruf trug der Wind mit sich fort. Sie wandte sich dem schäumenden Meer zu und watete in die ausrollenden Wellen, bis das kalte Wasser bei jeder Woge gegen ihre Knie schwappte und die Gischt ihren Körper einhüllte. Tilla, Demys sechs Jahre ältere Halbschwester, hatte sich in die-sen Tagen mit Joseph Meindorff aus Berlin verlobt, so wie es ihr Vater gewünscht und vereinbart hatte.
Die Familie Meindorif besaß in der aufstrebenden Hauptstadt Preußens ein gut gehendes Unternehmen in der Elektrobranche und ein standesgemäß herrschaftliches Stadthaus. Allerdings hatte man Demy Eiur zu jung befunden, um ihr zu erklären, welche Vorteile ihr Vater sich von dieser arrangierten Vermählung seiner ältes-ten Tochter ins Deutsche Reich erhoffte. Doch ließ die Vehemenz, mit der er das anvisierte Ziel verfolgt hatte, sie zumindest erahnen, dass diese Vorteile nicht unbeträchtlich waren.“

 

 2050060-2d2111ee05edf57fae40b6247fff7988.jpeg
Elisabeth Büchle (Trossingen, 26 juni 1969)

 

 

De Engelse dichter en schrijver Laurence Edward Alan "Laurie" Lee werd geboren in Stroud, Gloucestershire op 26 juni 1914. Zie ook alle tags voor Laurie Lee op dit blog.

 

Invasion Summer

The evening, the heather,
the unsecretive cuckoo
and butterflies in their disorder,
not a word of war as we lie
our mouths in a hot nest
and the flowers advancing.

Does a hill defend itself,
does a river run to earth
to hide its quaint neutrality?
A boy is shot with England in his brain,
but she lies brazen yet beneath the sun,
she has no honour and she has no fear.

 

 

Music in a Spanish Town

In the street I take my stand
with my fiddle like a gun against my shoulder,
and the hot strings under my trigger hand
shooting an old dance at the evening walls-

Each saltwhite house is a numbered tomb
each silent window crossed with blood;
my notes explode everywhere like bombs
when I should whisper in fear of the dead.

So my fingers falter, and run in the sun
like the limbs of a bird that is slain,
as my music searches the street in vain.

Suddenly there is a quick flutter of feet
and children crowd about me,
listening with sores and infected ears,
watching with lovely eyes and vacant lips.

 

 2050060-29330bd4c0f23e69c8ef73e9d336d40c.png
Laurie Lee (26 juni 1914 – 13 mei 1997)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Pearl S. Buck werd geboren in Hillsboro West-Virginia, op 26 juni 1892. Zie ook alle tags voor Pearl S. Buck op dit blog en eveneens alle tags voor P. S. Buck.

Uit:Peony: A Novel of China

“She rose and washed and dressed herself and braided her hair freshly, and having made her room neat for the day she went into the peach-tree garden. It lay in the silence of the spring morning. Under the early sun the dew still hung in a bright mist on the grass, and the pool in the center of the garden was brimming its stone walls. The water was clear and the fish were flashing their golden sides near the surface. The great low-built house that surrounded the garden was still in sleep. Birds twittered in the eaves undisturbed and a small Pekingese dog slept on the threshold like a small lioness.“
(…)

“We were a proud people. We lost our country. Our only hope for return was to keep ourselves a people. The only hope to keep ourselves a people was to keep our common faith in one God, a God of our own. That God has been our country and our nation. In sorrow and wailing and woe for all that we have lost has been our union. And our rabbis have so taught us, generation after generation.”
(…)

“Here was that question: Was life sad or happy? She did not mean her life or any one life, but life itself—was it sad or happy? If she but had the answer to that first question, Peony thought, then she would have her guide. If life could and should be happy, if to be alive itself was good, then why should she not try for everything that could be hers? But if, when all was won, life itself was sad, then she must content herself with what she had. Now this old question thrust itself before her, and she found no answer in her heart.”

 

 2050060-90dbbcaa0fbf52cdf15549df991f3fc8.jpg
Pearl S. Buck (26 juni 1892 – 6 maart 1973) 
Cover 

 

 

Duitse schrijver Stefan Andres werd geboren op 26 juni 1906 in Breitwies bij Trier. Zie ook alle tags voor Stefan Andres op dit blog.

Uit: Der Knabe im Brunnen

“Je näher der Tag des Schulbeginns heranrückte, desto aufmerksamer hörte ich zu, wenn Franziska und Nickel aus der Schule erzählten. Ich lernte die Namen der Lehrer und ihre Eigenarten, vor allem die eine, ob sie häufig und kräftig den Stock gebrauchten oder ob sie sanft und nachsichtig seien. Doch merkte ich bald, daß fast alle gern drein- und draufschlugen, nur die Stöckewaren verschieden. Der vom guten alten Burx war, wie Nickel mir berichten konnte, ein gut durchziehendes, ziemlich dünnes Rohr. „Schöner als er sich anfühlt“, sagte der Bruder mit einer Art von verheißungsvollem Drohen. Der Stock vom Husmann war ein grober Knüttel, den er aber selten gebrauchte, da er es vorzog, mit beiden Händen ins Gesicht zu schlagen. Der Stock von Tipphenne stammte vom Besenstiel des Schornsteinfegers, einem Holz also, das, wie Nickel mir erkläre, sehr biegsam ist; denn der Schornsteinfeger ringelte seinen Besenstiel wie einen Schlauch auf und trug ihn, wenn er zu uns kam, um zu putzen, quer über Schulter und Brust. Dieser Stock war vom vielen Gebrauch am Ende aufgesplittert, und Tipphenne hatte darum einen feinen Blumendraht gewickelt.
„Dä spart sich de Arbeit“, sagte Nickel, „drei Schläg, un du bis bekehrt.“
Eines Tages war es so weit, daß Mutter mit mir ins Dorf ging. Im Laden der Josefine Stei in der Richtgasse kaufte sie mireine Tafel, einen Griffel und einen Tornister. Am Ranzen gefiel mir am meisten das kleine Blechschildhen auf der Klappe, es glänzte und sah wenigstens in meinen Augen feiertäglich und fast ein bißchen städtisch aus, -die Pferde hatten auf ihrem Festtagskummet auch solche Schildchen.“

 

 2050060-4600d2f579d536dab7b5c5fdc6ab6dc4.png
Stefan Andres (26 juni 1906 - 29 juni 1970)
Hier met echtgenote Dorothee

 

 

De Deense schrijver Martin Andersen-Nexø werd geboren op 26 juni 1869 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Martin Andersen-Nexø op dit blog.

Uit:Die Passagiere der leeren Plätze (Vertaald door Ellen Schou en Karl Schodder)

„Auf der Station, wo ich den Zug besteigen musste, vertrauten wildfremde Menschen ein krankes altes Mütterchen meiner Obhut an. Sie hatte Krebs und musste nach Kopenhagen, um operiert zu werden; todkrank war sie wohl. Es war die erste Eisenbahnreise dieser verbrauchten Frau, und eine endlose Reihe mühseliger Tage und Nächte hindurch, während langer Jahre voller Plackerei, Kindergeschrei und Kinder-zu-Grabe-Tragen hatte sie sich auf diese Reise nach der Hauptstadt gefreut. Die Reise hatte wie eine Verheißung über ihrem Dasein geschwebt, und nun wurde sie durch den Krebs Wirklichkeit — die Verheißung wurde endlich erfüllt. Sie wusste, dass es auch ihre letzte Reise sein würde, und es war erschütternd, wie in ihren Vorstellungen die Märchenhaftigkeit der ersten Reise und die Reise in den Tod durcheinander spukten und spannende Erwartung und Todesgrauen miteinander vermischten! Ann-Mari wurde meine erste bewusste Begegnung mit den Passagieren der leeren Plätze.
In Kopenhagen musste ich mich einige Tage aufhalten, um dies und jenes zu ordnen, und wohnte in einer Dachkammer draußen auf Nörrebro. Neben mir wohnte ein vertrocknetes kleines Großmütterchen, die von Gott weiß was lebte. Verwandte oder Freunde hatte sie nicht, und um Arbeit anzunehmen, dazu war sie zu alt und verbraucht. Sie sprach mit niemand und galt für geistesschwach. Ich musste mir aber Luft machen, und ob nun meine überströmende Freude sie für mich einnahm oder meine bevorstehende Reise in die mystische Fremde an etwas in ihr rührte: mir gegenüber taute sie auf und begann, von sich zu erzählen.
Als junges Mädchen war sie von einem Ort drüben in Jütland in die Hauptstadt gekommen, arm und in dünnen Kleidern, aber mit heißem Blut und vielem Mut: eine von den unzählig vielen, die ein bisschen mehr vom Leben wollen als die nackte graue Existenz. Dann hatte sie sich mit einem ihresgleichen angefreundet, einem jungen Arbeiter, der auch über das Gewöhnliche hinaus wollte. Und auf dieser Grundlage heirateten sie, und es kamen Kinder; wenn das eine die Brust losließ, konnte sie ein neues anlegen.“

 

 2050060-8b7c738fde47efdd47f63b089901f94b.jpg
Martin Andersen-Nexø (26 juni 1869 – 1 juni 1954)
Portret door Michael Ancher, 1910

 

 

De Engelse dichter en schilder Branwell Brontë werd op 26 juni 1817 geboren in Thornton, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Branwell Brontë op dit blog.

 

Epistle To The Labouring Poor (Fragment)

Your labours give the coarsest food
A relish sweet and cleanse the blood,
Make cheerful health in spring-tide flood
Incessant boil,
And seldom restless thoughts obtrude
On daily toil.

Those relish least who proudly own
Rich groves and parks familiar grown;
The gazing stranger passing on
Enjoys them most,
The toy possessed, the pleasure's flown,
For ever lost.

Then grateful let each murmur die,
And joyous wipe the tearful eye:
Erect a palace in the sky,
Be rich in grace:
Loathe this vain world, and longing sigh
For Jesu's face.

Both rich and poor, who serve not God,
But live in sin, averse to good,
Rejecting Christ's atoning blood,
Midst hellish shoals,
Shall welter in that fiery flood,
Which hissing rolls.

But all who worship God aright,
In Christ His Son and image bright,
With minds illumed by Gospel light,
Shall find the way
That leads to bliss, and take their flight
To heavenly day.

 

 2050060-99387d001d3e1b46c1bd573d677de6a9.jpg
Branwell Brontë (26 juni 1817 – 24 september 1848)
Adam Nagaitis als Branwell Brontë in in de Britse miniserie “To Walk Invisible”

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juni ook mijn blog van 26 juni 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:41 Reageer op dit bericht

Annie Salomons

De Nederlandse schrijfster, dichteres en vertaalster Annie Salomons (eigenlijk Anna Maria Francisca van Wageningen-Salomons) werd geboren in Rotterdam op 26 juni 1885. Annie Salomons haalde haar HBS-diploma in 1901. Als extraneus aan het Erasmiaans Gymnasium behaalde zij in 1905 het diploma gymnasium-alfa, waarna zij Nederlandse letteren studeerde, eerst in Leiden (1905-1907), later in Utrecht. Zij beëindigde in 1910 de studie voortijdig. Daarna woonde zij bij haar ouders tot aan haar huwelijk op 27 november 1924 met de jurist Henri (Han) van Wageningen. Van 1924 tot 1927 verbleven zij in Medan op Sumatra, in Nederlands-Indië. Han van Wageningen kon een goede carrière maken bij de Rechterlijke Macht, maar Annie Salomons verdroeg de hitte slecht. Na drie jaar keerden zij terug naar Nederland om zich in Den Haag te vestigen, waar Van Wageningen tot rechter was benoemd. Salomons werkte al vroeg mee aan tal van tijdschriften. Onder invloed van de Tachtigers en aangemoedigd door Johan de Meester sr. was zij aanvankelijk dichteres. Later maakte zij echter vooral naam door haar romans. Salomons heeft de vele groten van de generatie na Tachtig persoonlijk gekend: Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden, Louis Couperus, J.H. Leopold, P.C. Boutens, Nico van Suchtelen, Carel Gerretson (Geerten Gossaert), Slauerhoff, J.C. Bloem en Adriaan Roland Holst. Van de schrijfsters kende zij vooral Top Naeff, Ina Boudier-Bakker, Carry van Bruggen en Margo Scharten-Antink. Verder de Vlamingen August Van Cauwelaert, Felix Timmermans, Karel van de Woestijne en Herman Teirlinck. Al deze ontmoetingen maakten indruk op Salomons en velen werden door haar bewonderd. In “Herinneringen uit de oude tijd aan schrijvers, die ik persoonlijk heb gekend” vertelt zij over deze kleurrijke mensen die haar leven en werken hebben beïnvloed en gevormd.

 

Zigeunerweisen van Sarasate.

De klanken klagen door den zwaren nacht
Hun zoelen zang van ongetroost verlangen....

Ik bid je, leg je hand niet aan mijn wangen,
Ook ik heb jarenlang vergeefs gewacht,
En bij de eentonig-uitgehuilde klacht
Voel ik mijn ziel door ouden waan bevangen.

De klanken stijgen tot een sterken stroom,
Die zich een bres breekt door het steil berusten.
Ik wéét niet meer, met welken verren droom
Ik vroeger steeds mijn heet verlangen suste....
De stroom is niet te stuiten; - liefde kóóm',
En néém mijn mond, die hunkert naar haar lusten.

 

 

Wreede liefde

III
Wij, die elkaar in droomen minden,
Buiten den dwang van ruimte en tijd,
Hoe zullen wij bevreed'ging vinden
In deze arme werklijkheid?

Uw hoofd, in mijnen arm gedoken,
Lijkt als een vrucht zoo broos en klein;
Gij houdt uw oogen vroom geloken;
Kan daar mijn hééle wereld zijn?

Er ligt een trots van troostend weten
In uwer handen vasten druk.
Maanden van hunkring, fel verbeten,
Heeft rustloos mij de drang bezeten
Naar dit onmogelijk geluk.

Maar, bang en blij tot u gekomen,
Zooals een kind naar 't eerste feest,
Lijkt liefde's liefste mij ontnomen:
Gij maakt een eind aan al mijn droomen....
Ik ben nog nooit zóó arm geweest.

 

 2072106-3ef52c213d56c21a6b39454112a81859.jpg
Annie Salomons (26 juni 1885 – 16 januari 1980)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten