Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 24 juli 2017 tot 25 juli 2017

Lieke Marsman, Sytze van der Zee, Elias Canetti, Max Dauthendey, Jovica Tasevski – Eternijan, Annette Pehnt, Ottokar Kernstock, Albert Knapp, Louise Boege

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

Uit:Het tegenovergestelde van een mens

„Als kind hield ik ervan om te fantaseren dat ik een komkommer was. ’s Avonds lag ik met mijn armen langs mijn lichaam onder mijn dinosaurussendekbed, soms kaarsrecht, soms met mijn benen licht kromgetrokken, en probeerde voor heel even de gestalte van mijn lievelingsgroente aan te nemen. Ben een komkommer, ben een komkommer, ben een komkommer, fluisterde ik tegen mijn achtjarige zelf, totdat ik bedacht dat komkommers niet kunnen fluisteren. Vervolgens zei ik mijn mantra op in mijn hoofd, totdat me te binnen schoot dat komkommers ook niet in zichzelf kunnen praten. Maar doorgaans was ik tegen die tijd al in een zoete, diepe slaap gevallen. Nota bene: dit was in de tijd dat mindfulness nog niet bestond en ook meditatie nog iets zo exotisch was dat de meeste mensen er alleen maar van in paniek raakten.
Ik woonde met mijn ouders en mijn broer Carl in een Vinexwijk aan de rand van een middelgrote provinciestad. De huizen in onze straat waren gemaakt van witte bakstenen met lichtgrijs cement ertussen. De meeste bewoners hadden hun kozijnen blauw, rood of geel geverfd: primaire kleuren die fel afstaken bij het wit van de stenen. Er woonden veel kinderen in de wijk en daarom mochten de auto’s niet harder dan 30 kilometer per uur. Als logge beesten bewogen de gezinswagens zich voort naar school en werk, grazende bizons op een steppe van rechte stoepranden en basketbalpleintjes. Alleen ’s avonds laat hoorde je wel eens een auto snel optrekken. Zo nu en dan zelfs een scooter.
Van hun vakantiegeld kochten de mensen uit de straat een nieuwe parasol of een nieuwe hogedrukspuit. Of een vakantie natuurlijk. De meeste buren gingen net als wij op vakantie in eigen land, naar een bungalowpark op de Veluwe of een camping aan de Noordzeekust, maar zo nu en dan reed er eind augustus een zongebruinde familie de straat in die met caravan en partytent drie weken lang op een Spaans grasveldje had gestaan. Zij zouden op de buurtbarbecue die ieder jaar in het eerste weekend van september gehouden werd hoge ogen gooien.”

 

 2058407-1391decd42c0cb3389a2bf59a24fcdac.jpg
Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

 

De Nederlandse journalist en schrijver Sytze van der Zee werd geboren op 25 juli 1939 in Hilversum. Zie ook alle tags voor Sytze van der Zee op dit blog en ook mijn blog van 25 juli 2010

Uit: Vogelvrij

‘Ik had liever gehad dat ze me tegen de muur hadden gezet, dan was me veel bespaard gebleven.’ Hebt u er nooit met iemand over gesproken?‘In de eerste plaats: met wie? En in de tweede plaats was het geen mooi verhaal. Dat je in de gevangenis hebt gezeten.’ Voor een dochter of een zoon is het een verschrikkelijk verhaal: een vader die als V-man voor de SD en de Gestapo heeft gewerkt.‘Dat laatste heeft men mij toen ten laste gelegd. Maar u kunt me geloven of niet, ik heb in die tijd ook moeilijkheden gehad, in de HJot en bij Barbie, omdat ik geen ariër was. Toch geloofde ik in Hitler en ik had me vast voorgenomen mijn vaderland te dienen. Bij het leger kon ik niet terecht, dus ging ik naar de SD.’ Bent u nog wel eens in Nederland terug geweest?‘Nee, nooit.’ Zegt u de naam Rebecca Ensel iets? Zwijgend schudt hij het hoofd. Dezelfde reactie krijg ik als ik de namen van Nelly Liebermann en Metha Tailleur noem (alle drie vrouwen zou hij hebben verraden).Maar met Metha Tailleur bent u nog verloofd geweest.‘Ik heb nooit een verloofde gehad.’ Hebt u uw eerste of tweede vrouw dan niets over uw verleden verteld? ‘Dat heb ik niet. Na mijn vrijlating ben ik naar Frankfurt gegaan om een nieuw leven op te bouwen. Maar nu is alles kapot. Laten we een einde aan dit gesprek maken.’

 

 2058407-6d61b3eb78608213d12d4b6dc9975e9d.jpg
Sytze van der Zee (Hilversum, 25 juli 1939)
Cover 

 

 

De Duitstalige schrijver Elias Canetti werd geboren op 25 juli 1905 in Russe in Bulgarije. Zie ook mijn blog van 25 juli 2010 en eveneens alle tags voor Elias Canetti op dit blog.

Uit:Het boek tegen de dood (Vertaald door Ria van Hengel)

“Je eigen jaren als aflossing voor de anderen. Iemand geeft mensen die hij waardevol acht enkele van zijn eigen jaren, om hun leven te verlengen. Hem is een lang bestaan voorspeld; hij weet dat hij zijn honderdste verjaardag zou bereiken. Dan besluit hij om er met behulp van reizen en grondig onderzoek achter te komen wie zijn jaren nodig heeft. Hij deelt ze heel weloverwogen uit, nooit te veel, nooit te weinig; het is een vermoeiend beroep. In de tijd die hij voor zijn eigen leven overhoudt, moet hij zorgen dat er optimaal van zijn offer gebruik wordt gemaakt.
De mare van zijn wonderlijke handel verspreidt zich al snel. Hij valt in handen van speculanten die aan zijn jaren willen verdienen. Ze moeten hem overtuigen van de levenswaarde, de algemene betekenis, het nut van hun cliënten, maar in werkelijkheid zijn dat stokoude belachelijke vrouwtjes, met veel geld en nog meer verlangen naar nog een paar belachelijke jaartjes erbij. De speculanten
produceren dus waardevolle mensen, want die weldoener, een zuiver mens, gaat het helemaal niet om geld. Het beperkte aantal jaren van zijn leven maakt die jaren steeds kostbaarder; hoe minder er overblijven, des te meer mensen dringen op om ervan te genieten. Er ontstaan een soort heimelijke aandelen die van hand tot hand gaan en waanzinnige koersen bereiken. Degenen die al jaren hadden ontvangen voordat het speculeren begon, worden opgespoord en op allerlei manieren aangezet hun rechten van de hand te doen. Jaren worden versnipperd tot maanden en tot weken. Zij die hun rechten door koop hebben verkregen, vormen een vennootschap met een bestuur en verkiezingen. Die moet voornamelijk het moment in de gaten houden dat de weldoener het allang vastgestelde eindpunt van zijn leven bereikt. Vanaf dat moment is het van hen.
(...)

[In de nacht na 14 Sha’abaan (de achtste maand van het islamitisch jaar) worden in alle moskeeën speciale diensten gehouden. De traditionele reden is dat ‘in die nacht de lotusboom in het paradijs, die de namen van alle levende mensen op zijn bladeren heeft staan, wordt geschud, en het blad van de sterveling van wie bepaald is dat hij het volgende jaar zal sterven, valt verdorrend op de grond’.]

Hij heeft de neiging alles op het meest verkeerde moment te doen; een troosteloze wanorde in de tijd, alsof hij niet kan accepteren dat de tijd onomkeerbaar is. Als hij de dingen in hun juiste volgorde doet, is hij bang dat hij de dood, waar al die volgordes naartoe leiden, erkent.”

 

 2058407-8529d98fb761f543eb1713f6ccc6d9be.jpg
Elias Canetti (25 juli 1905 - 14 augustus 1994)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schilder Max Dauthendey werd geboren op 25 juli 1867 in Würzburg. Zie ook alle tags voor Max Dathendey op dit blog.

Uit:Der Geist meines Vaters

“Heute war ich am Grabe meines Vaters.

Unsere Familiengruft, in welcher mein Vater und meine Mutter begraben liegen, suche ich manchmal auf, um mich zu überzeugen, daß der Gärtner, dem das Grab in Obhut gegeben ist, seine Pflicht tut. Ich kaufe dann in der Gärtnerei, die neben dem Kirchhof liegt, ein paar blühende Blumenstöcke und lasse sie von einem Gärtnerburschen an das Grab tragen. Wenn der Gärtner am Grabstein die Blumentöpfe niedergestellt und sich wieder entfernt hat, lese ich gern die Jahreszahlen der Geburts- und Sterbetage auf der schwarzen Marmortafel.
1819 wurde mein Vater geboren, 1896 starb er. Also liegt nahezu ein Jahrhundert mit ihm hier unter dem Efeu begraben. Dieser kleine Erdenfleck hat Herz, Augen und Gedanken in sich aufgenommen, die einmal, so wie ich jetzt, durch Millionen Meilen hindurch im Weltraum die ferne Sonne fühlen und durch Millionen Meilen hindurch nachts die Sterne betrachten konnten.
Mein eigenes Herz aber und meine Augen und Gedanken können, wenn sie vor diesem Grabe stehen, die Gestalten der Toten nicht unter diese paar Fuß Erde zwingen. Meine Toten gehen mit mir hin zum Grabe und gehen mit mir vom Grabe fort. Nur wenn ich auf die Nebengräber sehe, die in langer Reihe den Weg säumen, an dem unsere Gruft liegt, nur dort in den anderen Gräbern sehe ich im Geist tote Menschen liegen. Aber wenn ein Trauernder in der Ferne auf den Friedhofwegen daherkommt, an einem Grabe stehenbleibt und, so wie ich, seine Verstorbenen besuchen will, dann fühle ich; auch die anderen, wenn sie an ihre Gräber treten, können keine Angehörigen sich ins Grab hineindenken. Die Toten sind auferstanden aus jedem Grab, sobald an dasselbe ein Trauernder ehrfurchtsvoll hintritt.
Ach, aus diesen kleinen Erdenzellen, die da in langen Reihen, in unzähligen Straßen durch den Kirchhof nebeneinander eingegraben sind, strömen aus jeder Zelle Welten von Erinnerungen. Die kleinen eingezäunten Blumenäckerlein enthalten oft Königreiche und Weltteile voll lebender Erinnerungen.“

 

 2058407-2ee02ed78e15d1ba85feb9f3074ccb8b.jpg
Max Dauthendey (25 juli 1867 – 29 augustus 1918)
Cover

 

 

De Macedonische dichter Jovica Tasevski – Eternijan werd geboren op 25 juli 1976 in Skopje. Zie ook alle tags voor Jovica Tasevski – Eternijan op dit blog en ook mijn blog van 25 juli 2010

 

Engram

When dark ice
fell on the cotton fields
of Adonai

Engram

Cherubim threaded
through the needles of the Black Dough
The light wings don't erode

Engram

Clear magma strikes
from the Mild Pupils
The Stony face cannot be eroded

Engram

The herds of heaven will pass over her shell
with their heavy hoofs
Will the dark axis swing

Engram

 

Vertaald door Marija Girevska

 

 2058407-150c855d3f7486bb4141d6b94d0272d0.jpg
Jovica Tasevski – Eternijan (Skopje, 25 juli 1976)

 

 

De Duitse schrijfster Annette Pehnt werd geboren op 25 juli 1967 in Keulen. Zie ook alle tags voor Annette Pehnt op dit blog en ook mijn blog van 25 juli 2010

Uit: Hier kommt Michelle

„Hier kommt Michelle eine reizende junge Abi-turientin mit einem schmalen, flinken Körper, einer ra-schen Auffassungsgabe und einer ausgeprägten Schwä-che für Katzen. Im Moment kann sie aber keine halten, denn sie weiß nicht, wo sie die nächsten Jahre verbrin-gen wird, und Katzen brauchen Sicherheit. Michelle dagegen ist bereit, einiges auszuprobieren, schließlich hat sie sich in den letzten Jahren sehr am Riemen geris-sen, und gelohnt hat es sich, das sagt jeder, und sie selbst sagt es sich voller Stolz. Ein gutes, nein ein sehr gutes, ein überdurchschnittliches Abitur, und Michelle ist das nicht in den Schoß gefallen, sie hat fleißig gelernt, zum Glück kann sie sich die Dinge leicht merken, solange sie nicht allzu kompliziert sind, und ihre Eltern haben sie sehr unterstützt, und auch ihr Freund hat sie sehr unter-stützt, das allerdings ist ein trauriges Kapitel, denn der Freund hat sich aus dem Staub gemacht, mit einer ande-ren ist er über alle Berge, nach Australien sogar, weiter geht es ja gar nicht, aber Michelle ist das ganz recht, so muss sie wenigstens nicht befürchten, ihn ständig im Supermarkt oder im Kino zu treffen, und wenn sie ein-sam ist, hat sie ja genug Freundinnen, die ihr beistehen, und bald wird sie sowieso haben, und auch nicht für Katzen, weil sie ihr Stu-dium beginnen wird. Sie wird über dem Studium nicht die Eltern vernachlässigen, und die Freundinnen nach Möglichkeit auch nicht, und den schmalen flinken Kör-per nicht, den sie im Fitnessstudio trainiert, aber das kann sie ja auch als Studentin tun, die Zeit wird sie sich eben nehmen.
Hier ist die Erzählerin. Sie reibt sich die Hände, weil sie dieses harmlose Mädchen mit groben Strichen entwor-fen hat und sich jetzt schon, wo die Erfindung doch gerade erst zu leben begonnen hat, darauf freut, ihr Knüppel zwischen die Beine zu werfen. Vom morali-schen Standpunkt her ist diese Erzählerin also höchst zweifelhaft und zugleich simpel. Warum macht sie es sich so leicht? Warum verspottet sie ihr Geschöpf, bevor es überhaupt richtig losgeht? Warum wagt sie sich nicht an eine komplexere Figur? Das hat sie doch bisher auch ganz gut gekonnt. Die Figuren der letzten Romane: zutiefst gebrochen, vielleicht gar gescheitert, Suchende, für die keine Lösungen mehr zur Verfügung stehen, Reisende, die nicht ankommen werden, poeti-sche Existenzen, phantasievolle, abgründige Charak-tere. Die übrigens auch interessante Namen trugen. Und jetzt: diese Michelle.“

 

 2058407-8cc65d0b04009d18d1b4c1cde016086f.jpg
Annette Pehnt (Keulen, 25 juli 1967)
Keulen

 

 

De Oostenrijkse dichter, priester en Augustijner Koorheer Ottokar Kernstock werd geboren op 25 juli 1848 in Marburg an der Drau. Zie ook alle tags voor Ottckar Kernstock op dit blog en ook mijn blog van 25 juli 2010

 

Der Hexenwald

"Bleib, Friedel!" fleht’ Wildmeisters Gret’,
"Im Wald haust eine Hex’.
Was im Geäst sich blicken läßt,
Versteinert oder wurzelt fest
Im Grund wie ein Waldgewächs."

"Komm’ mit, komm’ mit und fürcht’ dich nit!"
Sprach kosend der Garzun, .
"Im Wald, lieb Kind, da ruht sich’s lind.
Zwei’n, die in Treu’n verbunden sind,
Kann keine Hexe was tun."

"O Schau und glaub’! Schon grinst durchs Laub
Das Hirschgespenst aus Stein.
Und das Gerank’, wie Birken blank,
Die Körper sind es, weiß und schlank,
Verwunschener Waldfräulein.

Den Weidmann und den Stöberhund,
Gebannt in Strunk und Strauch,
Des Ritters Leib dort in der Eib’
Verhext hat Sie das Zauberweib.
Fort! Sonst verhext sie uns auch.

"Der Knab’ umschlang das Mägdlein bang -
Da kam die Zauberei:
Es standen stumm, die Welt ringsum
Vergessend, im Waldheiligtum
Wie angewurzelt die zwei.

 

 2058407-b327d411399bf71fd8925240b9ac83c4.jpg
Ottokar Kernstock (25 juli 1848 – 5 november 1928)
In 1914

 

 

De Duitse dominee en dichter Albert Knapp werd geboren op 25 juli 1798 in Tübingen. Zie ook alle tags voor Albert Knapp op dit blog en ook mijn blog van 25 juli 2010

 

Der Quell der Freude

Möchtest du dich freuen? —
Außer Ihm, dem Treuen,
Gibt es keine Lust!
Christus nur hat Freude!
Ist nach langem Leide
Dir noch nicht bewußt,
Daß dein Herz
In sich nur Schmerz,
Und allein in Seiner Gabe
Keinen Frieden habe?

Sieh' die Wolken jagen,
Hoch vom Sturm getragen,
Durch den Himmel fern;
Aber droben schimmert
Ewig unzertrümmert
Gottes Morgenstern.
Kennst ihn du? —
In stiller Ruh

Siehet er aus seinen Höhen
Nachtgewölk verwehen.
Bist du losgekettet,
Von dir selbst errettet,
Und dem Retter treu:
Dann nur magst du sagen,
Daß in deinen Tagen
Edle Freude sey. —
Sichrer Mluth,
Der Sünde thut,
Hüpft auf einer morschen Schwelle
Ueber'm Schlund der Hölle.

O daß du entbrenntest,
Und im Geist erkenntest
Jesu Freundlichkeit, —
Und, wenn du Ihn liebest,
Ihm zur Seite bliebest!
Dann, am Ziel der seit,
Sprächest du
Mit süßer Ruh:
"Herr, mein Hirt!
Quell aller Freuden,
Niemand soll uns scheiden!"

 

 2058407-cbf795498055cf91e11cf84d2086f03b.JPG
Albert Knapp (25 juli 1798 – 18 juni 1864)
Knapps geboortehuis in Tübingen (met de de rode luiken)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse dichteres en schrijfster Louise Boege werd geboren in 1985 in Würzburg. Zie ook alle tags voor Louise Boege op dit blog en ook mijn blog van 25 juli 2010

Uit: Kaspers Freundin

„Hinten hängt dem Herrn das Hemd aus der Hose, und das Hemd ist grün und ungefähr viertausendmal gewaschen. Es ist mit kleinen Elefanten bedruckt. Auf der Tweedhose des Herrn sind einige mikroskopisch kleine braune, vielleicht rote, vielleicht von Obst, Flecken. Ein sehr breiter Gürtel hält diese schöne Kleidung um einen sehr dürren Körper zusammen.
Der Herr spielt. Die Läufe gelingen ihm gut. Alles klingt ganz gut, um nicht zu sagen: schön. Beinah hat Kasper eine Gänsehaut, beinah macht sich eine feierliche Stimmung breit, wunderschön, und Kasper denkt:
Aber er hat ja Recht, diese komische Lampe macht doch tatsächlich ein ganz angenehmes Licht.“

 

 2058407-882a8c0ee873ad46289970301013c043.jpg
Louise Boege (Würzburg, 1985)

 

Geschreven door Romenu om 18:32 Reageer op dit bericht

Robyn Carr

De Amerikaanse schrijfster Robyn Carr werd geboren op 25 juli 1951 in Minnesota. Carr was nooit van plan schrijver te worden. Zij studeerde verpleegkunde op de universiteit. Ze trouwde alop de middelbare school vlak voordat haar man naar de US Air Force vertrok als helikopterpiloot tijdens de Vietnam-oorlog. Carr volgde haar man van basis naar basis, en omdat ze niet lang op één plaats verbleven, was ze niet in staat om haar carrière als verpleegster voort te zetten. Toen ze door een moeilijke zwangerschap in bed moest blijven begon zij romans te lezen om zichzelf af te leiden. Ze besloot al snel om haar eigen romans te schrijven. Carr debuteerde in 1978, maar het zou dertig jaar duren voor ze de eerste plek zou bemachtigen in de New York Times Bestsellerlijst. Dat gebeurde in 2007 met het eerste deel uit haar wereldberoemde Virgin River-serie. Sindsdien publiceert Carr een paar boeken per jaar, in totaal verschenen er inmiddels twintig romans die zich afspelen in het kleine stadje Virgin River. Bovendien startte Carr een nieuwe reeks, “Thunder Point”, die net zo populair lijkt te worden. Hoewel haar verhalen echte goodreads zijn, staan er altijd sterke vrouwelijke karakters centraal en gaat ze onderwerpen als huiselijk geweld en gezondheidsproblemen niet uit de weg.

Uit:What We Find

“Maggie had no idea how long Sully had been up when she finally rolled out of bed at seven-thirty….on about four hours of sleep. She stumbled to the bathroom and purposely didn’t look in the mirror, a little afraid she’d she Cal’s brand on her. She started the shower and got in while it was still cold.
Holy mother of pearl, what a night that was. He was an amazing lover. But also, he was such a sweet, smart, funny man. Of course he had to be some strange duck who was taking six months off to do odd jobs and camp. He couldn’t be some ordinary, stable, reliable person, like a truck driver or forest ranger. But then, what type of man did she think she could have a comfortable fit with? Sergei, the Ukrainian artist, had been a disaster. Andrew, the doctor, should’ve worked — they had so many things in common — and it had been a worse disaster.
Even running her own hands over her body as she sudsed up in the shower brought delicious tinglings from the night before, little shudders of aftershocks.
When she was out of the shower she braved it, looked in the mirror. Her cheeks were either flushed or chafed from his beard. Her lips were rosy from hours of kissing, sometimes so wildly she could hardly catch her breath. She lost control more times than she could count and she was pretty sure she bit him once. His fault, really. He could drive her so far into ecstasy she lost her bearings and became nothing more than a writhing body responding to a powerful body and lost all sense. She wondered if she just rocked and wailed in that little pop-up all the damn night. For all she knew the other campers brought their folding chairs and fires over to Cal’s site and created an audience. At least it had been Sunday night, the weekend warriors gone, population down.
She put lotion on her face and some lip gloss, blew out her hair and got dressed. She was going to have to think of what to say to Sully. She’d never faced that before — worry over explaining to her father. She’d had a fling or six at the crossing, and there was Andrew — she’d never explained him. She had just said they were seeing each other and they’d be staying in one of the cabins. Something about this was different. It was probably because he’d had a heart attack, she thought. Or it could be because she hardly knew Calvin, the handsome, good natured bum and princess molester. Better go easy on Sully.”

 

 2110031-e2500a66c3eab69f2e2c7bb576bae695.jpg
Robyn Carr (Minnesota, 25 juli 1951)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Robert Graves, Johan Andreas der Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Katia Mann, Junichirō Tanizaki, Frank Wedekind, Alexandre Dumas père, Betje Wolff

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Uit: I, Claudius

"This is a confidential history. But who, it may be asked, are my confidants?
My answer is: it is addressed to posterity. I do not mean my great-grandchildren, or my great-great- grandchildren: I mean an extremely remote posterity.
Yet my hope is that you, my eventual readers of a hundred generations ahead, or more, will feel yourselves directly spoken to, as if by a contemporary: as often Herodotus and Thucydides, long dead, seem to speak to me. And why do I specify so extremely remote a posterity as that? I shall explain.
I went to Cumae, in Campania, a little less than eighteen years ago, and visited the Sibyl in her cliff cavern on Mount Gaurus. There is always a Sibyl at Cumae, for when one dies her novice-attendant succeeds; but they are not all equally famous. Some of them are never granted a prophecy by Apollo in all the long years of their service. Others prophesy, indeed, but seem more inspired by Bacchus than by Apollo, the drunken nonsense they deliver; which has brought the oracle into discredit. Before the succession of Deiphobe, whom Augustus often consulted, and Amalthea, who is still alive and most famous, there had been a run of very poor Sibyls for nearly three hundred years. The cavern lies behind a pretty little Greek temple sacred to Apollo and Artemis--Cumae was an Aeolian Greek colony. There is an ancient gilt frieze above the portico ascribed to Daedalus, though this is patently absurd, for it is no older than five hundred years, if as old as that, and Daedalus lived at least eleven hundred years ago; it represents the story of Theseus and the Minotaur whom he killed in the Labyrinth of Crete. Before being permitted to visit the Sibyl I had to sacrifice a bullock and a ewe there, to Apollo and Artemis respectively. It was cold December weather.
The cavern was a terrifying place, hollowed out from the solid rock, the approach steep, tortuous, pitch-dark and full or bats. I went disguised, but the Sibyl knew me. It must have been my stammer that betrayed me. I stammered badly as a child and though, by following the advice of specialists in elocution, I gradually learned to control my speech on set public occasions, yet on private and unpremeditated ones, I am still, though less so than formerly, liable every now and then to trip nervously over my own tongue: which is what happened to me at Cumae.”

 

 2058059-a9e24ceb7885ae5e068a913899b3b644.jpg
Robert Graves (24 juli 1895 - 7 december 1985)
Derek Jacobi als Claudius in de BBC-serie uit 1976

 

 

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd geboren op 24 juli 1863 in Westervoort. Zie ook mijn blog van 24 juli 2010 en eveneens alle tags voor Johan Andreas dèr Mouw op dit blog.

 

Omhoog zien naar de zon de waterrozen

Omhoog zien naar de zon de waterrozen,
Kinderlijk, alsof 't Rafaels eng'len waren;
Grauw slib en wijde schem'ringen bewaren,
Die hier de dood stilde tot smartelozen.

Opzuigt de bliksemstorm het meer tot hozen:
Dan staan in blauw doorschijnende pilaren
De doden: hun zwarte ogengaten staren
Boven hun grijns om macabre apotheozen.

Naar Brahman's zonlicht bloeien mijn gedachten;
Schem'ringen, koel, van zielegronden brachten
Rust aan mijn smart om wensen, lang gebroken:

Vlaag van herinn'ring woelt uit grauw vergeten
'T verleden op bij flits van plots'ling weten -
'T herrijst, 't herrijst; mijn dode wensen spoken.

 

 

Ik zat aan ’t roer

Ik zat aan 't roer; jouw half blote armen roeiden;
Door verre rietkrans zwierf karkietgeroep.-
De plantjes zag 'k door 't meer - reusacht'ge loup -
Die ginds in licht als van Davinci groeiden.

'K zag, hoe diep onder mij, boven een groep
Van avondwolken, die roodvlokkig gloeiden,
Blauw op oranje, twee libellen stoeiden,
Aëroplanen, scheen 't, looping the loop.

En 'k schrok, toen 't plots'ling door mijn denken schoot:
Mijn luchtschip hangt boven het avondrood,
Dan staat Hij nog boven mijn horizon.

En langs de wolken keek ik weg van 't stuur.
Jouw fosf'rend haar leek een roodstralend vuur:
En even zag ik de ondergaande zon.

 

 

Zwevend op winden waait de zee door ’t duin

Zwevend op winden waait de zee door 't duin,
En 't zout blijft achter in 't diep-koele zand;
Geen bloemengloed, geen groen van sapp'ge plant
Kleurt 't bleke egaal van vér-zichtbare kruin;

Maar 't water, neerfilt'rend, doet, tuin naast tuin,
Laaien van tulpenrood 't wijdvlammend land,
En ruist als bossen op, tot waar de rand
Vaal is door helm en ziek'lijk struikenbruin:

Stormend door open mensenleven, laat
De Godheid bloemloos 't oppervlak, waar 't zaad
Van blijdschap sterft, door lang verdriet geschroeid;

Tot ondergrondse zuiverheid vervloeid,
Herrijst Ze als 't rijk van schijn en rijm en maat,
Waar 't Denken tulpt en lovert, ruist en gloeit.

 

 2058059-328414b424d7c9dbd736b535af9d341b.jpg
Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)
Westervoort op een oude ansichtkaart

 

 

De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli 1964 inTokyo. Zie ook alle tags voor Banana Yoshimoto op dit blog en ook mijn blog van 24 juli 2010.

Uit : Kitchen (Vertaald door Megan Backus)

"Not at all," he said. "Did you decide on a place to live yet?"
"Not even close." I smiled.
"I see."
"Would you like to come in for some tea?"
"No. I'm on my way somewhere and I'm kind of in a hurry." He grinned. "I just stopped by to ask you something. I was talking to my mother, and we were thinking you ought to come to our house for a while."
"Huh?" I said.
"In any case, why don't you come over tonight around seven? Here's the directions."
"Okay ..." I said vacantly, taking the slip of paper.
"All right, then, good. Mom and I are both looking forward to your coming." His smile was so bright as he stood in my doorway that I zoomed in for a closeup on his pupils. I couldn't take my eyes off him. I think I heard a spirit call my name.
"Okay," I said. "I'll be there."
Bad as it sounds, it was like I was possessed. His attitude was so totally "cool," though, I felt I could trust him. In the black gloom before my eyes (as it always is in cases of bewitchment), I saw a straight road leading from me to him. He seemed to glow with white light. That was the effect he had on me.
"Okay, see you later," he said, smiling, and left.
Before my grandmother's funeral I had barely known him. On the day itself, when Yuichi Tanabe showed up all of a sudden, I actually wondered if he had been her lover. His hands trembled as he lit the incense; his eyes were swollen from crying. When he saw my grandmother's picture on the altar, again his tears fell like rain. My first thought when I saw that was that my love for my own grandmother was nothing compared to this boy's, whoever he was. He looked that sad.
Then, mopping his face with a handkerchief, he said, "Let me help with something." After that, he helped me a lot.
Yuichi Tanabe ... I must have been quite confused if I took that long to remember when I'd heard grandmother mention his name.”

 

 2058059-f7345a34f72e2cc9ddde2e03dc084e61.jpg
Banana Yoshimoto (Tokyo, 24 juli 1964)
Cover

 

 

De Duitse schrijfster Rosemarie Schuder werd geboren op 24 juli 1928 in Jena. Zie ook alle tags voor Rosemarie Schuder op dit blog en ook mijn blog van 24 juli 2010.

Uit: In der Mühle des Teufels

„Er hat geschrieben, jeder kann seine Beschwerde vortragen. Es wird Abhilfe geschaffen.” Siegmund schlug dem Wirt ermunternd auf die Schulter.
“Nach Möglichkeit, steht in dem Blatt”, meinte Baumgartner zurückhaltend. Nach einer Weile des Nachdenkens setzte er hinzu: “Ich wüßte schon, worüber ich mich beschweren könnt. Einer hat mir meinen Sack gestohlen, der Spinoll.”
“Pfui, du wirst doch nicht einen Kameraden verraten, du denkst wohl, dafür bekommst du eine Belohnung, ja?”
Der Wirt von Baumgarting fuhr betroffen zusammen.
“Verrat, mein Gott, ja, der Spinoll war einer von den Anführern, sie könnten ihn greifen …”
“Und aufhängen”, setzte Siegmund hinzu.
Der Wirt bekreuzigte sich hastig.
“Ich will nicht schuld sein am Tode eines Menschen. Die Rache ist mein, spricht der Herr. Ich will mich so billig an dem Spinoll nicht rächen, daß er mich bestohlen hat. Mag er’s mit Gott ausmachen. Und was soll ich beim Statthalter? Ich will mich über nichts beschweren. Will nicht die Aufmerksamkeit auf mich lenken. Leb wohl, Bruder, glaub kaum, daß wir uns noch einmal wiedersehen, es sei denn, du kommst zu mir als Gast nach Baumgarting. Aber als zahlender”, fügte er lachend hinzu und ging.
Sie kamen beide nicht weit. Die Reiter des Statthalters griffen sie auf. Sie wurden beschuldigt, sich im verbotenen Gebiet aufzuhalten. Die Reiter berechneten die zwanzig Meilen großzügig. Sie setzten ihre beiden Gefangenen auf Pferde und banden ihnen die Beine unter den Pferdebäuchen zusammen. Der Wirt jammerte leise vor sich hin, die Stricke schnitten schmerzend ein.“


2058059-2f148220d1c6b3b30116efd768035f0b.jpg

Rosemarie Schuder (Jena, 24 juli 1928)
Cover

 

 

De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook alle tags voor Katia Mann op dit blog en ook mijn blog van 24 juli 2010.

Uit:Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren

“Die ersten Jahre bis zur Tertia hat mich noch ein Student, der ins Haus kam, um meine vier Brüder bei ihren Aufgaben zu beaufsichtigen, in den Fächern, die man bis zur Unter- oder Obertertia nimmt, unterrichtet; und das war eine Kleinigkeit. Von da ab hatte ich dann Gymnasiallehrer. Jeder kam die Woche vielleicht zwei Stunden; einer für die alten Sprachen, einer für Mathematik und einer für Deutsch und Geschichte. Das Ganze war ja furchtbar leicht, und ich lernte nicht schwer. Es ging sehr schnell. Wenn man allein ist, lernt man viel schneller. In der Schule muß man sich immer nach dem Durchschnitt oder dem Unterdurchschnitt richten, und ich gehörte zum oberen Durchschnitt. Im letzten Jahre hatte ich dann noch Unterricht bei einem Religionsprofessor des Gymnasiums, einem Dr. Engelhardt. Mit dem las ich das Neue Testament auf Griechisch. Religion war ja Pflichtfach am Gymnasium. Ich kann mich erinnern, daß wir einmal zu der Geschichte kamen, wie Jesus die Samariterin trifft und zu ihr sagt: Fünf Männer hast du gehabt, und der, mit dem du jetzt lebst, ist nicht dein Mann. Da wurde der Lehrer etwas verlegen und er kommentierte: Das findet man so in der Vorstadt. So ging es bis zu meinem siebzehnten Jahr. Dann machte ich gemeinsam mit dem Zwillingsbruder als Externe das Abitur am Wilhelms-Gymnasium. Es verlief glänzend. Nun sollte ich auch etwas studieren. Ich ging auf die Universität und hörte vor allem Naturwissenschaften. Bei Röntgen Experimentalphysik und bei meinem Vater Mathematik: Infinitesimal-, Integral-und Differentialrechnung und Funktionstheorie. Aber ich bin noch immer der Meinung, daß ich für diese Fächer keine besondere Veranlagung hatte. Einer meiner Brüder, Peter, der zweitälteste, studierte auch Physik. Er ist ein sehr guter Physiker geworden. Ich war gar nicht dafür prädestiniert, und Röntgen hielt auch gar nichts von mir. Beim Experimentieren passierte mir einmal etwas sehr Mißliches. Ich warf einen Apparat hin. Das hat Röntgen mir sehr übelgenommen. Ich hätte es wahrscheinlich in diesem Fach nie zu etwas gebracht, und auch für Mathematik fand ich mich gar nicht sehr begabt. Ich hätte es auch da nicht sehr weit gebracht. Es war eigentlich mehr so töchterliche Anhänglichkeit. Ich hab's auch alles vergessen. Vielleicht hätte ich zu Ende studiert und auch Examina gemacht. Ich hatte ja erst vier oder sechs Semester studiert, als ich heiratete, und wie ich dann verheiratet war, kam bald das erste Baby, und dann sofort das zweite Baby, und sehr bald kam dann das dritte und vierte.“

 

 2058059-cf5182edb8440828a4bb64ecc3030654.jpg
Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)
Katia Mann met haar 6 kinderen in 1919 (van links naar rechts: Monika, Golo, Michael, Katia Mann, Klaus, Elisabeth en Erika)

 

 

De Japanse schrijver Junichirō Tanizaki werd geboren in Tokio op 24 juli 1886. Zie ook alle tags voor Junichirō Tanizaki op dit blog en ook mijn blog van 24 juli 2010.

Uit:In Praise of Shadows (Vertaald door Thomas Harper en Edward Seidensticker)

“What incredible pains the fancier of traditional ar-chitecture must take when he sets out to build a house in pure Japanese style, striving somehow to make electric wires, gas pipes, and water lines har-monize with the austerity of Japanese rooms—even someone who has never built a house for himself must sense this when he visits a teahouse, a restaurant, or an inn. For the solitary eccentric it is another matter, he can ignore the blessings of scientific civilization and retreat to some forsaken corner of the countryside) but a man who has a family and lives in the city cannot turn his back on the necessities of modem life—heating, electric lights, sanitary facilities—merely for the sake of doing things the Japanese way. The purist may rack his brain over the placement of a single tele-phone, hiding it behind the staircase or in a corner of the hallway, wherever he thinks it will least offend the eye. He may bury the wires rather than hang them in the garden, hide the switches in a closet or cupboard, run the cords behind a folding screen. Yet for all his ingenuity, his efforts often impress us as nervous, fussy, excessively contrived. For so accustomed are we to electric lights that the sight of a naked bulb beneath an ordinary milk glass shade seems simpler and more natural than any gratuitous attempt to hide it. Seen at dusk as one gazes out upon the countryside from the window of a train, the lonely light of a bulb under an old-fashioned shade, shining dimly from behind the white paper shoji of a thatch-roofed farmhouse, can seem positively elegant. But the snarl and the bulk of an electric fan remain a bit out of place in a Japanese room. The ordinary householder, if he dislikes electric fans, can simply do without them. But if the family business involves the entertainment of own tastes at the expense of others. A friend of mine, the proprietor of a Chinese restaurant called the Kairakuen, is a thoroughgoing purist in matters archi-tectural. He deplores electric fans and long refused to have them in his restaurant, but the complaints from customers with which he was faced every summer ul-timately forced him to give in. »

 

 2058059-ac1b5d174af433aed39f4de0775e34f8.jpg
Junichirō Tanizaki (24 juli 1886 – 30 juli 1965)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en acteur Frank Wedekind werd geboren in Hannover op 24 juli 1864. Zie ook alle tags voor Frank Wedekind op dit blog en ook mijn blog van 24 juli 2010.

Uit: Frühlings Erwachen

„Melchior Das ist mir zu langweilig. Ich mache nicht mehr mit.
Otto Dann können wir andern nur auch aufhören! – Hast du die Arbeiten, Melchior?
Melchior Spielt ihr nur weiter!
Moritz Wohin gehst du?
Melchior Spazieren.
Georg Es wird ja dunkel!
Robert Hast du die Arbeiten schon?
Melchior Warum soll ich denn nicht im Dunkeln spazierengehn?
Ernst Zentralamerika! – Ludwig der Fünfzehnte! Sechzig Verse Homer! – Sieben Gleichungen!
Melchior Verdammte Arbeiten!
Georg Wenn nur wenigstens der lateinische Aufsatz nicht auf morgen wäre!
Moritz An nichts kann man denken, ohne daß einem Arbeiten dazwischenkommen!
Otto Ich gehe nach Hause.
Georg Ich auch, Arbeiten machen.
Ernst Ich auch, ich auch.
Robert Gute Nacht, Melchior.
Melchior Schlaft wohl!
Alle entfernen sich bis auf Moritz und Melchior.
Melchior Möchte doch wissen, wozu wir eigentlich auf der Welt sind!
Moritz Lieber wollt' ich ein Droschkengaul sein um der Schule willen! – Wozu gehen wir in die Schule? – Wir gehen in die Schule, damit man uns examinieren kann! – Und wozu examiniert man uns? – Damit wir durchfallen. – Sieben müssen ja durchfallen, schon weil das Klassenzimmer oben nur sechzig faßt. – Mir ist so eigentümlich seit Weihnachten... hol mich der Teufel, wäre Papa nicht, heut noch schnürt' ich mein Bündel und ginge nach Altona!
Melchior Reden wir von etwas anderem. –

 

 2058059-bb4ab1e100b4f77695968a6bf7f46b60.jpg
Frank Wedekind (24 juli 1864 - 9 maart 1918)
Scene uit de gelijkamige film uit 2009

 

 

De Franse dramaturg en schrijver Alexandre Dumas père werd geboren in (Villers-Cotterêts (Aisne) op 24 juli 1802. Zie ook alle tags voor Alexandre Dumas père op dit blogen ook mijn blog van 24 juli 2010.

Uit: The Three Musketeers (Vertaald doorWilliam Barrow)

« By the latter I mean your relatives and friends. Endure nothing from anyone except Monsieur the Cardinal and the king. It is by his courage, please observe, by his courage alone, that a gentleman can make his way nowadays. Whoever hesitates for a second perhaps allows the bait to escape which during that exact second fortune held out to him. You are young. You ought to be brave for two reasons: the first is that you are a Gascon, and the second is that you are my son. Never fear quarrels, but seek adventures. I have taught you how to handle a sword; you have thews of iron, a wrist of steel. Fight on all occasions. Fight the more for duels being forbidden, since consequently there is twice as much courage in fighting. I have nothing to give you, my son, but fifteen crowns, my horse, and the counsels you have just heard. Your mother will add to them a recipe for a certain balsam, which she had from a Bohemian and which has the miraculous virtue of curing all wounds that do not reach the heart. Take advantage of all, and live happily and long. I have but one word to add, and that is to propose an example to you-- not mine, for I myself have never appeared at court, and have only taken part in religious wars as a volunteer; I speak of Monsieur de Tréville, who was formerly my neighbor, and who had the honor to be, as a child, the play-fellow of our king, Louis XIII, whom God preserve! Sometimes their play degenerated into battles, and in these battles the king was not always the stronger. The blows which he received increased greatly his esteem and friendship for Monsieur de Tréville. Afterward, Monsieur de Tréville fought with others: in his first journey to Paris, five times; from the death of the late king till the young one came of age, without reckoning wars and sieges, seven times; and from that date up to the present day, a hundred times, perhaps! So that in spite of edicts, ordinances, and decrees, there he is, captain of the Musketeers; that is to say, chief of a legion of Caesars, whom the king holds in great esteem and whom the cardinal dreads--he who dreads nothing, as it is said. Still further, Monsieur de Tréville gains ten thousand crowns a year; he is therefore a great noble. He began as you begin. Go to him with this letter, and make him your model in order that you may do as he has done.”
Upon which M. D’Artagnan the elder girded his own sword round his son, kissed him tenderly on both cheeks, and gave him his benediction. “

 

 2058059-71a0c2324c02a20b00f53d1d2304b0be.jpg
Alexandre Dumas père (24 juli 1802 - 5 december 1870)
Scene uit de gelijknamige film uit 1973

 

 

De Nederlandse schrijfster Betje Wolff (eig. Elizabeth Bekker) werd geboren in Vlissingen op 24 juli 1738. Zie ook alle tags voor Betje Wolff op dit blog en ook mijn blog van 24 juli 2010.

Uit:Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (Samen met Aagje deken)

“Ik moest mynen vorigen, die hier nevens gaat, zo schielyk afbreken, om dat Tante my riep, schoon zy my niets te zeggen hadt, en slegts beval, by haar te zitten: Onze gromparty sla ik maar over, om dat ik u nu eens ernstig moet schryven.
Myn waarde Vader, weet gy, was Jan Burgerhart; hy negotieerde in de Thee; zyn handel was voordeelig. Myne lieve Moeder was, zo als men dat noemt, een bestorven Meisje. Zy hadt een stuiver goeds, en trouwde zeer jong. My, het eenig kind, voedde men op als een meisje, dat van eene goede familie is, en geld te wagten heeft, door brave Ouders opgevoed wordt. Gy kent myn aandoenlyk hart; gy weet hoe vatbaar het is voor de minste blyken van genegenheid; oordeel dan hoe ik deeze myne dierbare Ouders eerde en beminde. Ouders! dat is toch een zielroerend woord, Antje, en kost my meermaal eene stille traan. Myne Ouders waren gelukkig met elkander. Hun karakter was voor elkander berekent.
Meer zeg ik niet. Wie spreekt ooit dan met achting van myne zalige Ouders? och, yder een! .... Gy weet het. Hoe aangenaam was ons zeer geregeld huishouden! Myne Ouders lazen veel, en zagen deeze zucht in my met goedkeuring. Nog zie ik hen in onzen tuin, op de bank zitten, als Vader zyn pypje van rust, zo als hy het noemde, rookte, en Moeder hem iets voorlas, terwyl ik op des goedaartigen mans knie zat te luisteren, of te spelen. Nog zie ik hoe hy my, gevolgt door myne glimlachende Moeder, in huis draagt. ô! Dat waren gouden dagen; waren het niet?
Myne Moeder hadt eene Zuster, die veel ouder was, en waar by ik nu inwoon. Die Zuster vondt maar gansch niet billyk, dat Saartje vóór haar ten huwelyk verzogt wierd, en kyk, de Juffrouw was magtig gestelt op het Decorum; dat was het maar: zy meende ook zeer wel te weten, dat zy zo wel veel meer verdiensten, als jaren telde, dan myne Moeder. Doch, of het spel sprak, daar kwamen geene Liefhebbers. Indien onze Vriendin hadt kunnen bewogen worden, om eene aanpryzende voorrede voor Tante te schryven, mooglyk zou men haar gezogt hebben. Hoe 't zy - (verschoon dien inval!) zy begreep, (Tante heeft ook haare invallen, Antje,) dat er geen beter party voor haar opzat, dan zich te voegen by die Lieden, die wy fynen, en die zich zelf vroomen noemen.”

 2058059-b7f4ed079b233e4b78a46316b7802355.jpg
Betje Wolff (24 juli 1738 - 5 november 1804)
Het Betje Wolff Museum in Middenbeemster

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:26 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten