Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 21 augustus 2017 tot 22 augustus 2017

Dolce far niente, Jacob Israël de Haan, Griet Op de Beeck, Jeroen Theunissen, Annie Proulx, Krijn Peter Hesselink, Willem Arondeus

 

Dolce far niente

 

 2066671-0e71d170b5f21f2ae1634ae51a1710f9.jpg
Amsterdam, Marnixstraat

 

Uit: Pijpelijntjes

“Geen mensch op straat, de witte lichten flatterden wild in de wind en wuifden hun lichtbossen door de donkere waterplassen heen en weer.
‘Wat krijg je d'rop?’
‘Een daalder... of misschien vijf en dertig stuivers, dat hangt d'r van af.’
‘Zoo, nou moet je d'res hooren wat ik doe. Laten we nou rekenen, dat je op 't ringetje 'n daalder krijgt, ik heb nog 'n stuiver of vijftien en jij zeven, dan lossen we mijn klok; daar staat 'n rikspop op, en dan brengen we die naar de Marnixstraat, daar krijg ik d'r drie gulden op’....
‘'t Regent zoo, laten we dat nou niet doen, ik ben zoo koud, we komen d'r nou immers toch wel.’
‘Nee, laten we dat nou wel doen, die tien stuivers zijn gauw verdiend, zoo ver is dat nou ook niet, en die regen, nou ja, die regen... ik ga immers mee.’
Z'n fijne vleiing maakte mij flauw en van binnen streelde zijn stem in mij.
‘Goed, laten we dan maar.’
Op 't ringetje kregen we één vijf en zeventig en Sam brutaal in eens opdriestend, nou die wat inloste, eischte de klok terug.
Toen, door de regenPijp marcheerden we samen, de donkere Stadhouderskade dan.
Tegen de zwarte regenlucht geelde het pleklicht van de stad, bleek-goud, maar verder alles nat en zwart. En de kade leeggewaaid, en zwarter, waar geen tram meer liep te lichten.
‘Sam.’...
‘Ja, boy.’...
‘Dàg... 'n eind hè?’
Mijn koudgeregende hand nam hij beet en hield hem vast, warm in de zijne, omdat hij z'n handen altijd in z'n zak had. Dicht naast mekaar liepen we voort, gebogen tegen de wind in.
Het Leidscheplein, mal-licht, schater-licht, de drukke tintellichtlachjes van de gloeilampjes en de witte kousjes en de kalme bleekblauwe doodslach van de boogbollen, die wit blauw-grijnzend schommelden op de wind.
De menschen vlug-an uit de zwarte pleinhoeken 't licht in, en weg weer in een andere donkerte. Op 't plein liet Sam m'n hand los en we liepen gauw schuin over, 't zwarte straatgat tusschen het witte Américainhotel en de roode stadsschouwburg in. De Marnixstraat zwart met wat geel, stilte na 't pleingeluid, de kale boomen druipend van dichtebij; brandde druk de lichte muur van de suikerfabriek, het zwarte stuk er achter, spokig.
‘Jezes, wat is zoo'n stad toch een beroerd beest’....”

 

 2066671-87e31924dcb7cd11d3034cbed66e6618.jpg
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 - 30 juni 1924)
Smilde, de Hoofdvaart. Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde.

 

 

De Vlaamse schrijfster en columniste Griet Op de Beeck werd geboren in Turnhout op 22 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Griet Op de Beeck op dit blog.

Uit: Vele hemels boven de zevende

“Een vrouw van rond de vijftig, aan het praten met een vriendin. Heel erg blond waren ze. Met felle lippenstift. Alsof het alle dagen feest mag zijn. Ze dronken koffie en lieten hun koekje liggen. Ze deden aan grote vrolijkheid. Dat leek vanzelf te gaan. En toen hoorde ik die ene proestend zeggen:
'Ik weet niet hoe dat bij u zit, maar I am seriously underfucked.’
Hikkend voegde ze eraan toe dat ze dat in een film had gehoord, en gedacht had: die moet ik onthouden, héél erg van toepassing. Of ze een man had of niet viel uit het gesprek geenszins af te leiden. Of het lachen weglachen was evenmin.
Een oude man met wakkere ogen, die op tv vertelde over zijn leven en zijn kunst. En over zijn assistente. Hij was dol op haar, zei hij. Alles aan hem lachte. 'Misschien zelfs meer dan dol.’ Maar andere woorden durfde hij niet te gebruiken, zei hij. Hij vermeldde niet waarom. Ik vroeg me af of woorden niet gebruiken het gevoel ook mee bepaalt.
Ik ben alleen, maar verre van verloren. Soms zeg ik dat hardop tegen mezelf. Meestal kan ik erom lachen.
Ik ben zesendertig. Dat is niet jong en ook niet oud. Ik kan heel goed autodansen en op hoge hakken lopen, risotto maken en lief zijn voor kleine dieren. Hoe dat preciesmoet leven, daar ben ik nog niet helemaal achter, maar ik kan redelijk goed doen alsof. Dat is een begin, vind ik. Ik kan ook verdienstelijk uitleggen aan anderen hoe het misschien zou kunnen, en daar wordt soms naar geluisterd, merk ik, wat mij dan een beetje verbaast.
Wat heb ik nog gezien? Een jongen met iets tussen snor en dons op de bovenlip. Hij voelde er met zijn vingers aan, uit trots misschien, uit gêne zou ook kunnen. Hij stond in mijn favoriete boekwinkel en hij keek naar de romans van mijn favoriete auteur. Aarzelend pakte hij er eentje.
'Doen,' zei ik. 'Die is fantastisch.’ Hij keek alsof ik hem een huwelijksaanzoek had gedaan, geschokt door zoveel opgedrongen intimiteit. Hij zei niks en zette het boek weer terug. 'Op het einde gaat zij dood, nu hóéft ge 't ook niet meer te lezen.' Meteen nadat ik het gezegd had, voelde ik al spijt.”

 2066671-6c87a58ee6c2c0aebee4babcad878a70.jpg
Griet Op de Beeck (Turnhout, 22 augustus 1973)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jeroen Theunissen werd geboren in Gent op 22 augustus 1977. Zie ook alle tags voor Jeroen Theunissen op dit blog.

Uit: Onschuld

“Ik werd in een auto geduwd. Op de achterbank zat ik met mijn hoofd tussen mijn knieën terwijl de man links en de man rechts, de ene met een hese stem en de andere met een bariton, me stompten zodra ik bewoog. Van Salim intussen geen spoor. Ik heb geen idee hoe lang de rit geduurd heeft. Ik werd naar een kamer gebracht, waar ik met handen en voeten aan een bed werd vastgeklonken. Ik bleef een tweetal weken op die eerste locatie. In het begin werd ik zeer slecht behandeld. Ik moest minder worden dan een mens. Ze wilden mij laten bekennen dat ik een CIA-agent was, en dus kreeg ik stokslagen op de onderkant van mijn voeten; ik kon hierna twee dagen amper lopen. Ze moedigden elkaar aan om hard en harder te slaan. Ze wetten hun messen, maakten snijbewegingen over hun halzen, en lachten smakelijk, plaatsten de loop van hun wapen tegen mijn slaap en bootsten het geluid van een AK-47 na, soms kreeg ik achteraf een schouderklopje van 'jongens onder elkaar'. Ze genoten van mijn angst, mijn menselijkheid moest kapot. In veel te hete kamers zat ik. Het eten dat ik kreeg, bestond uit restjes, en soms kreeg ik gewoon geen eten. Naar het toilet mocht ik één keer per dag. Ik kreeg niet echt de kans mij te wassen. Die machteloosheid is afgrijselijk. Op den duur verloor ik ieder besef van tijd. De uren een dode, grijze massa. Zelfs nu nog is er niets wat mij meer vreugde schenkt dan een deur te kunnen openen, gewoon de klink te pakken en de deur te openen. De beste manier om niet gek te worden was te slapen. Mijn ontvoerders, viel me op, gebruikten een mengelmoes van talen. Ze waren in de oorlog als freelancers, kun je haast beweren, net als ik. De Tsjetsjenen waren het wreedst en de Brit met de haakneus was het minst voorspelbaar. Er was zelfs een Belg bij, een verlegen jongen uit het Brusselse, die mij in een onverwachte spraakzame bui vertelde dat hij vroeger, voor zijn bekering, als bejaardenverzorger had gewerkt.”

 

2066671-c596c261b017810a128e91c6848772e0.jpg
Jeroen Theunissen (Gent, 22 augustus 1977)

 

 

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Annie Proulx werd geboren op 22 augustus 1935 in Norwich, Connecticut. Zie ook alle tags voor Annie Proulx op dit blog en ook mijn blog van 22 augustus 2010.

Uit: Brokeback Mountain

“Ennis knew the salty words to “Strawberry Roan.” Jack tried a Carl Perkins song, bawling “What I say-ay-ay,” but he favored a sad hymn, “Water-Walking Jesus,” learned from his mother, who believed in the Pentecost, and that he sang at dirge slowness, setting off distant coyote yips.
“Too late to go out to them damn sheep,” said Ennis, dizzy drunk on all fours one cold hour when the moon had notched past two. The meadow stones glowed white-green and a flinty wind worked over the meadow, scraped the fire low, then ruffled it into yellow silk sashes. “Got you a extra blanket I’ll roll up out here and grab forty winks, ride out at first light.”
“Freeze your ass off when that fire dies down. Better off sleepin in the tent.”
“Doubt I’ll feel nothin.” But he staggered under canvas, pulled his boots off, snored on the ground cloth for a while, woke Jack with the clacking of his jaw.

 

 2066671-4bdda2d917db2564f1b4490ef89111ed.png
Scene uit een opvoering van de opera “Brokeback Mountain”, New York, 2014

 

“Jesus Christ, quit hammerin and get over here. Bedroll’s big enough,” said Jack in an irritable sleep-clogged voice. It was big enough, warm enough, and in a little while they deepened their intimacy considerably. Ennis ran full throttle on all roads whether fence mending or money spending, and he wanted none of it when Jack seized his left hand and brought it to his erect cock. Ennis jerked his hand away as though he’d touched fire, got to his knees, unbuckled his belt, shoved his pants down, hauled Jack onto all fours, and, with the help of the clear slick and a little spit, entered him, nothing he’d done before but no instruction manual needed. They went at it in silence except for a few sharp intakes of breath and Jack’s choked “Gun’s goin off,” then out, down, and asleep.
Ennis woke in red dawn with his pants around his knees, a top-grade headache, and Jack butted against him; without saying anything about it, both knew how it would go for the rest of the summer, sheep be damned.”

 

 2066671-801e5dc14fc8aecd870cfba72fb51a8a.png
Annie Proulx (Norwich, 22 augustus 1935)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Krijn Peter Hesselink werd op 22 augustus 1976 geboren in Utrecht. Zie ook alle tags voor Willem Krijn Peter Hesselink op dit blog en ook mijn blog van 22 augustus 2010.

Uit: Moederziel

“Ik zie mijn moeder krijsen.
Ik zie haar. Dat is het rare. Ik hoor haar niet, ik zie haar. Ik sta in de woonkamer en ik heb iets fout gedaan. Geen idee wat. Goede kans dat ik het destijds ook niet wist. Maar misschien wel. Misschien had ik mijn voeten niet geveegd, had ik mijn jas niet goed opgehangen, had ik één keer te veel gevraagd of de televisie aan mocht. Over dat soort dingen ging het. Als ik tenminste wist waarover het ging, want maar al te vaak had ik geen idee. Stond ik daar. Met in mijn handen een plastic schepje. Of nee, nu weet ik het weer, dat was juist het punt, ik wilde aan de slag met dat schepje, buiten in de tuin. Daar stond een kleine zandbak. Ik was dol op het gevoel van de zandkorrels die tussen mijn vingers door gleden. De schep waarmee ik orde aanbracht in de chaos, kastelen optrok, grachten groef. Het had iets magisch, vanaf de dag waarop mijn vader ermee aan kwam zetten, de donkerebalken, die een beetje naar teer roken, en de gigantische zakken met zand. Door een stel planken aan elkaar te timmeren maakte hij er een deksel bij. Ik hield enorm van hem als hij zo met zijn handen bezig was. Als ik van hem op mijn donder had gekregen, omdat ik zonder kloppen de studeerkamer was binnengestormd, omdat ik mijn speelgoed had laten slingeren, omdat ik ergens te lang over had doorgezeurd, dan stelde ik me bij wijze van troost graag voor dat ik weer met hem in het schuurtje stond, dat hij me aankeek met dat grimmige lachje van hem – ‘Stevig vasthouden, hè?’ – en dat hij begon te zagen terwijl ik uit alle macht probeerde de plank stil te houden en de pijn van het schurende hout in mijn handpalmen weg te drukken.
Het deksel was een idee van mijn moeder. Ik begreep het niet zo goed. De zandbak op het schoolplein had toch ook geen deksel? Ze legde uit dat het zand uit de Sahara kwam en dat het, als je niet oppaste, zo weer weg zou waaien, terug naar de woestijn. Sindsdien lette ik er scherp op dat het deksel na a?oop van het spelen weer op de zandbak werd gedaan. Ik vond het prima als het zand terugging naar Afrika, maar dan wilde ik wel mee! Stiekem hoopte ik dat er op een dag een wind op zou steken die mij en het zand in één beweging op zou tillen en mee zou voeren, hup, daar gingen we! Ik zag al helemaal voor me hoe we door de lucht suisden.”

 

 2066671-4748496bb29ef08028c4d70391e39179.png
Krijn Peter Hesselink (Utrecht, 22 augustus 1976)

 

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Willem Arondéus werd op 22 augustus 1894 in Naarden geboren. Zie ook alle tags voor Willem Arondéus op dit blog en ook mijn blog van 22 augustus 2010.

 

Alleen te zijn, en zich alleen te weten

Alleen te zijn, en zich alleen te weten,
Van geen ontmoet de dag de nacht;
Ben ik de zilvren menschen-stem vergeten,
Die streelt en lacht.

Van geen begeerd, en vol begeeren wezen
Naar elk, die zwijgend komt en keert;
Het diepst te minnen wat het diepst te vreezen
Is, en meest deert;

Te dwalen, en nooit het waarheen te weten,
Een dolen doelloos zonder end,
Een droomen van de monden nooit bezeten,
En nooit gekend;

Is dit de buit der jaren, doelloos droomen
Van alle waken meer gewond?
Reeds met hun ernst der wonden-teekens komen
Om oog en mond.

Alleen te zijn, en zich alleen te weten,
De dag, de nacht ontmoet van geen;
Van alle woorden deze onvergeten:
Alleen, alleen.

 

 2066671-db5a349d6b309a6d0dfbada8d79b2958.jpg
Willem Arondéus (22 augustus 1894 – 1 juli 1943)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e augustus ook mijn blog van 22 augustus 2016 en ook mijn blog van 22 augustus 2016 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:33 Reageer op dit bericht

Alfred Wellm

De Duitse schrijver Alfred Wellm werd geboren op 22 augustus 1927 in Neukrug/Elbing als zoon van een visser. Vanaf 1941 bezocht hij een lerarenopleidingscentrum in Mehlsack. In januari 1945 werd hij opgeroepen voor de Wehrmacht, maar nam om gezondheidsredenen niet meer deel aan gevechtshandelingen. Na de laatste fase van de oorlog in Zuidwest-Duitsland te hebben doorgebracht keerde Wellm terug naar zijn vader in Falkensee. Hij bezocht een school voor nieuwe leraren en werkte vanaf 1946 tot 1962 in verschillende plaatsen in het onderwijs, als directeur van een middelbare school en als onderwijsinspecteur. Sinds 1963 werkte hij als freelance schrijver in Groß-Menow bij Fürstenberg, later in Lohmen bij Güstrow. Alfred Wellm schreef romans, kinder- en jeugdboeken en draaiboeken. In de DDR werd hij zeer gewaardeerd als kinderboekschrijver. Hij werd bekend door zijn boek “Pause für Wanzka oder die Reise nach Descansar” (1968), en door de autobiografische roman “Pugowitza oder Die silberne Schlüsseluhr“ (1975). De laatste bevat een indringende beschrijving van de ontsnapping uit Oost-Duitsland in 1945. Alfred Wellm was lid van de Duitse Schrijversbond, de Duitse Academie van Beeldende Kunsten (sinds 1978) van PEN International Center van de DDR en sinds 1998 van PEN International Center Duitsland. Hij ontving onder andere in 1959 en 1969 de Fritz Reuter-prijs van het district Schwerin, in 1969 de Heinrich Mann-prijs en in 1976 een nationale prijs van de DDR.

Uit:Pugowitza oder Die silberne Schlüsseluhr

“Nein, dachte Komarek, du gehst nicht aus Dubrowka.
Der alte Mann stand bei seinem Schuppen und dachte immer diesen einen Satz, daß er nicht aus Dubrowka gehen werde. Er lauschte auf den fernen unheimlichen Donner. Manchmal schwoll der Donner an, und der Wald um ihn herum erbebte. Das ist in der Selbongener Heide, sagte der alte Mann zu sich, sie sind jetzt südlich von Selbongen.
Dann geht er in den Schuppen. Er legt Holz in den runden Ofen und zündet ein Feuer an.
Er, dieser sonderbare alte Mann, hat immer mit der Einsamkeit gelebt, jetzt denkt er: Ach, gäbe es doch einen Menschen, mit dem du dich beraten könntest! Gewiß, es gab einige Menschen, mit denen er sich ausgesprochen gut verstanden hatte. Sie wohnten hier und dort in den Dörfern Masurens. Er hatte bei ihnen Unterkunft gefunden, wenn es sich ergab, er hatte zu jeder Stunde zu ihnen kommen können. Aber er hatte keine ständige Berührung zu ihnen unterhalten, manchmal waren Jahre vergangen, dann erst hatte es sich ergeben, und er hatte bei ihnen eingesehen.
Der Alte ist nicht untätig. Er geht in seiner Hütte um und her. Er nimmt ein Dutzend Reusenbügel, er überprüft und hängt die Bügel wieder an den Nagel.
Er tritt abermals vor die Türe. Steht da und horcht.
Von seinem Schuppen aus kann er fünf Dächer sehen. Einen Hügel. Ein paar Gartenzäune. Dicht bei seiner Hütte stehen zwei uralte Kiefern, die der Mann sehr mag.
Er geht hinab ins Dorf, in dieses müde Dorf. Aber die Häuser beherbergen seit zwei Tagen keinen Menschen mehr. Er geht, dreht sich und ist allein.”

 

 2067952-eae05c877a22cf0ed3b38ddb2ca5e2aa.jpg
Alfred Wellm (22 augustus 1927 - 17 december 2001)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Martin Bril, Rogi Wieg, X.J. Kennedy, Robert Stone, Aubrey Beardsley, Frédéric Mitterrand

 

Dolce far niente

 

 2066411-0a189a0a8e5f15f2dbc330a81eb0d3ab.jpg
Amsterdam: Kruising Tollensstraat – Kinkerstraat begin jaren zeventig

 

Uit: De Tollensstraat

“De eerste Amsterdamse straat die echt iets voor mij betekende was de Tollensstraat, een zijstraat van de Kinkerstraat in Oud-West. Het was zo'n volksstraat met etagewoningen gevestigd in hoge, grimmige, bakstenen panden met hijsbalken, een café op de hoek met vitrages voor de ramen en oude auto's langs de scheve stoepen. Ik kwam de straat binnen op een herfstige avond in 1980. De tram had me vanaf het Centraal Station naar de hoek Bilderdijkstraat en Kinkerstraat gebracht. Het laatste stuk liep ik, langs onder andere een oliebollenkraam die er nog steeds staat in dit jaargetijde. Toen sloeg ik linksaf, de Tollensstraat in. Ik moest me halverwege die straat melden bij een jongen die ik niet kende — Walter Carpay. Hij woonde op driehoog-achter. We gingen een tijdschrift beginnen. Ik schelde aan. Er gebeurde lange tijd niets, en ik keek om me heen. Ik was nog nooit eerder in een straat als deze geweest. Ik kwam uit Groningen, daar had je zulke straten niet. Ik was wel eerder in Amsterdam geweest, maar meer dan het Rokin, het Spui, de Nes en een paar grachten had ik niet gezien. Dit was de eerste keer dat ik diep in Amsterdam was. 21 was ik. De deur ging open en ik begon de lange klim naar Carpays verdieping. Ik kwam langs deuren, overlopen, kratten met lege flessen, bakken met kattenkorrels, wasgoed dat in het trapgat hing. Ik rook eten en hoorde stemmen achter dunne muren. Uiteindelijk was ik boven. Aanwezig waren die avond Dirk van Weelden, Rob Scholte en de al genoemde Carpay, die later begrafenisondernemer zou worden, maar nu nog op de Rietveld Academie zat. Scholte zat op dezelfde school, en Van Weelden kende ik uit Groningen. Daar studeerden we allebei filosofie. Hij was de schakel tussen mij en de anderen: hij had met hen op de middelbare school in Alkmaar gezeten. Goed. We smeedden plannen, zoals die dingen gaan, en daarna hadden we honger. Ik herinner me dat Carpay en Scholte de deur uit gingen om boodschappen te doen. Ze kwamen terug met een zak aardappelen, een kilo wortelen en uien, twee rookworsten en een paar flessen Grolsch, halve liters. In het kleine, smalle keukentje van Carpay, met een granieten aanrecht en een geiser met een weigerachtige vlam en zo'n plastic slangetje eronder, schilden we de aardappels, sneden we de uien en wasten we vier borden en het nodige bestek af. Toen aten we hutspot:”

 

 2066411-91e0b8290fd641229f1cb7175486381a.jpg
Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959 - 22 april 2009)
Utrecht, Oude Gracht. Martin Bril werd geboren in Utrecht.

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter Rogi Wieg werd geboren op 21 augustus 1962 in Delft. Zie ook mijn blog van 21 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Rogi Wieg op dit blog.

 

De Zomer

Zoals een ziek dier
wegraakt van de anderen
gaan je vingers van mij weg;
de zomer heeft je handen
niet genezen.

Alles gebeurt, maar
de vogels lijken trager
en minder vaak te dalen
uit het heelal.

Je bestaat tussen de morgen
en de avond in, maar 's nachts
volg je een schaduw naar de
toekomst, een tijd van volgzaamheid
liefste.
In je kleine oorschelp wordt mijn
stem geweerd, alsof je ooit
alleen de slaap in gaat;
je hebt je schouders naar mij toegekeerd.

 

 

Een zeer zacht spijkerbed

Ooit moest ik mijn verzen afkappen
van hun stam en ze laten rotten op
een grasland in de droge hitte.
Afgekapt Dichtwerk zou ik
al mijn gemaakte taal noemen,
gelegen in een alles – ja, ook het alfabet -
smeltende warmte die zich over gras gelegd
had, als vuur over mijn dode toekomst.
En ik zou alleen Het Niets kunnen dichten.

Maar Jezus verscheen rood en blauw
geslagen, met Zijn magere, wat jonge lijf,
een zeer zacht spijkerbed, en Hij liet mij daarop
rusten, nadenken over poëzie.

De zesde dag haalde ik mijn nog ongeschonden
verzen uit de hitte. En Jezus gaf mij
een zonsondergang aan mijn linkerkant en
een rivier met visjes aan mijn rechterhand.

Hij gaf mij het kaarslicht, de vulpen en het papier,
en ik maakte niet een chanson anonyme,
of een testament, maar Eigen Nieuwe Verzen.
Total playing time:
de rest mijner oudere mannen jaren.
En misschien zelfs langer.

 

 

Het gedicht na mijn laatste gedicht (vandaag)

Mijn vader stierf het eerst.
Mijn moeder stierf daarna.
Er bleven van hun lijven
twee urnen volgestopt
met as. De urnen staan
rechtop en bij elkaar. Staan
of liggen dan de doden in hun
zwarte vazen naast elkaar?
Of is er niets en van mijn
doden zo geen sprake?

Ik schreef dit maanden na
het maken van mijn laatste vers.
Er was vandaag een rechterhand
die tegen mijn verwachting in
met inkt en veel denkbeeldig as
wat zwarte kralen maakte.

Kralen rollend door de ruimtetijd
die regels werden, en zo twee
volle urnen die ik niet liefhebbend
lief ging hebben. Staan of liggen
nu vandaag mijn dode ouders?
– Heb ik hen lief? –
Of is er niets en van mijn
ouders zo geen sprake meer?

Vandaag weer een eerste vers. Ik
ben in leven als pijn waaruit
de vlammen slaan op een veld
dat brandt en de nachthemel bijlicht.

 

 2066411-1609e8b0522ac5735870ceaad381e24a.jpg
Rogi Wieg (21 augustus 1962 – 15 juli 2015)
Cover


 

De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedy werd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929. Zie ook alle tags voor X. J. Kennedy op dit blog en ook mijn blog van 21 augustus 2010.

Uit: A Hoarse Half-Human Cheer

The siren of the police car kept growling, bullying other cars out of the way, but Kiki Sue, sleeping in Aisling’s arms, never stirred. In record time they reached South Orange and pulled into a street of fifteen-room houses with long uphill lawns. The largest house sat at the end of the street, a tall Victorian with a wrap-around porch surrounded by tall maples beginning to put out buds. Three or four cars clustered in front of it. Knox and the police car parked.
Branigan walked back to them and said, “Here we are, Father. What’s with your dying priest? He have a heart attack getting
“I don’t know yet,” Knox said. “I don’t know what’s happened to him.”
“You want me to wait outside?”
“I want you to come in with us.”
Branigan hesitated. “I don’t know as I ought to, Father.”
“Why not?”
“Kind of hate to be seen in a place like this. It might get back to the wife.”
“She gives you a hard time, have her call me. I’ll vouch for you. Listen, Branigan, we might need you. This man could have the strength of ten. I figure he’s out of his mind.”
“All right,” the cop said reluctantly. “I’ve got my billy stick, I could bop him over the head, you want me to.”
“We don’t want to hurt him,” Knox said quickly, “just make him come out of there. Mrs. Vastasi, we won’t need you now. You and the baby better stay in the car.”
Aisling clambered out of the back seat, clutching Kiki Sue. “Like hell you’re leaving me out in the cold. I’m your medical support. Anyhow, I’ve always wanted to see the inside of a whorehouse.”
Knox shrugged. They mounted creaking steps to the porch, Branigan lagging behind, his cap pulled down low over his face. Knox pushed a doorbell and a woman’s voice came through a speaking tube, “Who’s there?”

 

 2066411-ea1344412a7f4779f6e29939e2c9ac05.jpg
X.J. Kennedy (Dover, 21 augustus 1929)
Dover, New Jersey

 

 

De Amerikaanse schrijver Robert Stone wed geboren op 21 augustus 1937 in New York. Zie ook alle tags voor Robert Stone op dit blog en ook mijn blog van 21 augustus 2010.

Uit: Dog Soldiers

“Marge had no answer. The blond couple watched Eddie Peace. "What'd he do? Take off on you?" When Hicks came out of the bathroom he held a pistol in either hand; he bore the weapons before his shoulders with the barrels raised like a movie-poster cowboy. Eddie drew himself and displayed empty hands. "Jesus, Mary and Joseph," Eddie said. "Look at this!" The woman looked at Hicks with a sensitive frown. Her companion moved in front of her. "Buffalo Bill," Eddie said. Hicks stared at him and glanced about the room. He was looking for a place to put the pistols down. "You asshole," Eddie said. "If I was the narks your ass would be dead." "So would yours," Hicks said. Marge went into the bathroom and brought the backpack out. Hicks put the pistols inside it and slung it around his shoulder by one strap. Then he went to the door and looked outside. "Don't you love the guy?" Eddie asked his friends. The man nodded sadly as though Hicks represented a mode of behavior with which he was wearily familiar. He was a big soft man. He had steel-rimmed spectacles and dim blue priestly eyes. The woman was very like him, as bland to look at but perhaps a shade meaner. They were both wearing light-colored leather jackets and bell-bottom pants. The clothes appeared brand new. Hicks came back from the door and sat on the bed beside Marge. He set the backpack between them. "If these people are buying weight," he told her softly, "things are really getting fucked up." Eddie Peace had linked arms with the couple; he hauled them before Hicks' blank stare. "These folks, Raymond, are the nicest folks you could ever want to meet. Gerald and Jody — this is Raymond."
Jody stooped to shake Hicks' hand as though he were an Indian or a lettuce picker. Gerald saluted briskly. "Sit," Hicks said. Jody spread herself cross-legged on the carpet. Gerald and Eddie Peace took the only chairs. "Gerry is a writer," Eddie Peace explained, "and he's one hell of a writer too. He wants to see the scene." "What scene?" "Oh man, like the old Malibu scene. You know." "Man," Hicks said, "I don't have a notion." "He wants to look at some scag," Eddie said. "For atmo-sphere." He turned toward Gerry in coy apology. "I'm sorry, Gerry — I'm just teasing you. Why don't you explain yourself to the man." "That may not be easy," Gerald said modestly. He did not like to be called Gerry. Everyone watched him. "I'm a writer," he said.”

 

 2066411-95f8c22a25c2ed246ae5bc71d35d23a7.gif
Robert Stone (21 augustus 1937 – 10 januari 2015)
Cover


 

 

De Engelse dichter, schrijver en illustrator Aubrey Vincent Beardsley werd geboren op 21 augustus 1872 in Brighton. Zie ook alle tags voor Aubrey Bewardsley op dit blog en ook mijn blog van 21 augustus 2010.

 

Lines Written In Uncertainty

The lights are shining dimly round about,
The Path is dark, I cannot see ahead;
And so I go as one perplexed with doubt,
Nor guessing where my footsteps may be led.

The wind is high, the rain falls heavily,
The strongest heart may well admit a fear,
For there are wrecks on land as well as sea
Eíen though the haven may be very near.

The night is dark and strength seems failing fast
Though on my journey I but late set out.
And who can tell where the way leads at last?
Would that the lights shone clearer round about!

 2066411-4e5461ef4165fa69f2c27a1699c7764d.jpg
Aubrey Beardsley (21 augustus 1872 - 16 maart 1898)
The Cave Of Spleen door Aubrey Beardsley, 1896

 

 

De Franse schrijver, scenarioschrijver, documentairemaker, filmer en politicus  Frédéric Mitterrand werd geboren op 21 augustus 1947 in Parijs. Zie ook alle tags voor Frédéric Mitterand op dit blog en ook mijn blog van 21 augustus 2010.

Uit: La Mauvaise vie

« Ce n'est pas seulement lui qui explique la force de mon attirance, c'est aussi la mise en scène si bien réglée qui m'a fait découvrir sa présence. Dans chaque club, les garçons se tiennent sur la scène très éclairée par petits groupes de quatre ou six ; ils portent la tenue distincte de l'établissement et de sa spécialité, minimale et sexy : maillot 1900 à bretelles ou cycliste pour les athlètes, boxers shorts, strings pour les minets ou pseudo-voyous, les follassons ont droit à des mini-jupes. Ils demeurent immobiles, silencieux, corps bien droit et jambes légèrement écartées, l'air absent ou souriant selon la classe du club où la catégorie supérieure demanderait plutôt qu'ils se montrent impassibles, au moins en début de soirée, et tous le regard perdu vers la semi-obscurité de la salle en contrebas, la pénombre d'où la clientèle les observe en se faisant servir des verres. Le numéro est accroché à l'aine, en évidence. La plupart d'entre eux sont jeunes, beaux, apparemment épargnés par la dévastation qu'on pourrait attendre de leur activité. J'apprendrai plus tard qu'ils ne viennent pas tous les soirs, sont souvent étudiants, ont une petite amie et vivent même parfois avec leur famille, qui prétend ignorer l'origine de leur gagne-pain. En revanche, ils ont tous un portable, un e-mail pour retrouver ailleurs et à tout moment leurs customers les plus accrochés, ce qui laisse supposer que les clubs prélèvent un pourcentage trop important et qu'ils n'ont de cesse de pouvoir se débrouiller seuls. Quelques-uns sont plus âgés et il y a aussi un petit contingent de malabars mal dégrossis qui a manifestement son public. C'est le côté menines de l'exposition : leur présence fait ressortir la séduction juvénile de tous les autres. Au rythme de la sempiternelle techno, après trois minutes, deux cèdent leur tour et retournent en coulisses, une autre paire les remplace et ainsi de suite. »

 

 2066411-833d74717468fb7384d2f3b96153abbd.jpg
Frédéric Mitterrand (Parijs, 21 augustus 1947)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e augustus ook mijn blog van 21 augustus 2016 en ook mijn blog van 21 augustus 2016 deel 2.

 

Geschreven door Romenu om 17:04 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten