Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 16 oktober 2017 tot 17 oktober 2017

Mois d'octobre (François Coppée), Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2083190-9a16a027437c0ce32092c268be6250aa.jpg
Autumn Gold, Lumberville door Fern Coppedge, 1935

 

 

Mois d'octobre

Avant que le froid glace les ruisseaux
Et voile le ciel de vapeurs moroses,
Écoute chanter les derniers oiseaux,
Regarde fleurir les dernières roses.

Octobre permet un moment encor
Que dans leur éclat les choses demeurent ;
Son couchant de pourpre et ses arbres d'or
Ont le charme pur des beautés qui meurent.

Tu sais que cela ne peut pas durer,
Mon cœur ! mais, malgré la saison plaintive,
Un moment encor tâche d'espérer
Et saisis du moins l'heure fugitive.

Bâtis en Espagne un dernier château,
Oubliant l'hiver, qui frappe à nos portes
Et vient balayer de son dur râteau
Les espoirs brisés et les feuilles mortes.

 

 2083190-2d2d63ba5f34a0de4c284b011a6a2c3d.jpg
François Coppée (26 januari 1842 – 23 mei 1908)
Parijs, de geboortestad van François Coppée

 

 

Zie voor de schrijvers van de 17e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 17:30 Reageer op dit bericht

Simon Vestdijk, Pieter Waterdrinker, Georg Büchner, Mark Gatiss, Arthur Miller, Miguel Delibes, Emanuel Geibel, Nel Noordzij, Tom Rachman

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

 

Keuvelend met verliefde kronen

Keuvelend met verliefde kronen,
Ruischend de een, rits’lend de ander,
Zijn beuk en berk gaan samenwonen
Als lotgenoten van elkander,

In zulk een inn’ge eendracht, dat
Men aan de witte schors moet vragen
Wie of het berkenloof zal dragen
En wie in ’t najaar ’t bruinste blad.

Hier even breed, daar even smal,
Stroomen hun stammen naar beneden,
Uitwijkend, hunk’rend en tevreden,
Geven en nemen, een en al,

Tot waar de saamgevoegde wortel
De strengheid voedt van ’t mijn en dijn,
Alsof met een onzichtb’re mortel
De grensvlakken bestreken zijn. –

Maar lager, diep onder de aarde,
Daar heerscht de nijd van ’t voorgeslacht,
Dat waterdruppelen vergaarde
Met harig zuigende overmacht,

Elkaar verdringend, moord beramend,
In zulk een schennis van ’t verbond,
Dat elk der wezens zich zou schamen,
Wanneer ’t kon schouwen in zijn grond.

 

 

Mei

Reeds mag het warm en broeiend zijn, het lam
Is onbeschut op 't groene land gelegen
In koele nachten nog. De kersenstam
Is met de teed're bloesem volgeregen,

Die als een kostbaar uitgestrooide zegen
Mèt lam en madelief de leiding nam:
Tezamen zullen zij het weiland vegen,
De bloem, de bloesem en het witte lam!

En in de nacht keert alles nog in naar
De winter die voorbij is en verstreken,
Maar niet als boze droom, en niet vervloekt.

Lamm'ren in sneeuw: denkbeeld'ge fabelweken,
Als 't wonder reine kleuren bij elkaar
Nog blanker dan het allerblankste zoekt.

 

 

De twee beken

(Leuvenum)

Zij gingen steeds éen weg, men zag hen samen,
Stroomden hier dichtbij, dáar weer verder af,
Weiden en hoeven omlijstend,– tot zij kwamen
In dichter woud, waar elk hetzelfde gaf,

Maar niet gelijk ontving. De eerste liep
Langs hoogbestruikten boschrand over steenen,
Den blauwen hemel tot spiegel. Schichtig verdwenen
Was de ander, donkerder omloofd en diep.

Zij kronk’len, murm’len, roepen geheimzinnig,
verraden elkander aan dwarsche dieren,
Bladeren helpen, vogels vlerken vinnig,

Of is ’t een wolk, die hun de binding brengt,–
Het woud buigt hen weer samen: als rivieren
Worden zij schuimend in den val vermengd.

 

 2083185-a0caf2ce4fdcf5eff662b9c6cf97c956.jpeg
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

 

 

De Nederlandse schrijver Pieter Waterdrinker (pseudoniem van Pieter Arie Johannes van der Sloot - Waterdrinker is de achternaam van zijn moeder) - werd op 17 oktober 1961 in Haarlem geboren. Zie ook alle tags voor Pieter Waterdrinker op dit blog.

Uit: De dood van Mila Burger

“Ze doorkliefden de woestijn van sneeuw. Op de uitwaaieringen van de Wolga verschenen de stippen van ijsvissers.
‘Wat zijn dat?’ vroeg Mila, puur voor haar plezier.
Opa’s stem ging verloren in een oorverdovend geraas. Ze gierden over een spoorbrug, een flikkerend gevaarte met Romeinse bogen van ijzer en staal dat door Duitse krijgsgevangenen in de jaren na de oorlog, klinknagel na klinknagel, voor de eeuwigheid in elkaar was gezet.
Kirill Kirillovitsj deed alsof hij een vislijn met beide handen naar boven trok en bracht zijn vingertoppen naar zijn getuite lippen, als prees hij de snoekbaarzen die hij in een bijt achter het huis placht te vangen en door oma — onder een regenbuitje van citroensap — liet bereiden.
Het geraas was weer weg; met eenzelfde abrupte luchtklap als waarmee het was komen opzetten.
De oogjes van de zigeunervrouw leken op die van de zeug achter in het schuurtje. De helft van de slacht werd verkocht op het marktje van de staatsboerderij, terwijl de ingewanden opgingen aan de herder van hun buurman, meneer Fazander. In ruil gaf hij hun ieder jaar een kratje honing.
Meneer Fazander was een geboren Abchaziër. Tijdens de meifeestdagen declameerde hij op een podium tussen klapperende rode vlaggen, met naar de hemel gerichte blik, in ac11 centloos Russisch gedichten. Ook hij werkte op de cellulosefabriek; het imkeren deed hij er als hobby bij.
‘Ben je al pioniertje?’ had hij Mila enige weken geleden gevraagd.

‘Natuurlijk,’ zei ze.
‘Wat gaat het leven toch snel.’ Meneer Fazander schudde zijn mastieken hoofd en ontblootte zijn gebit vol gouden tanden.
De zigeunerin keek Mila ineens vuil aan; een auberginekleurige pukkel glom links van haar neus. Toen de boemeltrein de overkapping van het station in Kazan naderde, stak Mila even haar tong naar haar uit, juist op het moment dat het wijf zich amechtig zuchtend met haar brede achterste omdraaide naar de overloop, waar andere passagiers al waren samengedromd.”.

 

 2083185-ad84bbcb12c21d0741494b5386cb5612.jpg
Pieter Waterdrinker (Haarlem, 17 oktober 1961)

 

 

De Duitse schrijver Georg Büchner werd geboren op 17 oktober 1813 in Goddelau. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Georg Büchner op dit blog.

Uit: Dantons Tod

„CAMILLE. Die Staatsform muß ein durchsichtiges Gewand sein, das sich dicht an den Leib des Volkes schmiegt. Jedes Schwellen der Adern, jedes Spannen der Muskeln, jedes Zucken der Sehnen muß sich darin abdrücken. Die Gestalt mag nun schön oder häßlich sein, sie hat einmal das Recht, zu sein, wie sie ist; wir sind nicht berechtigt, ihr ein Röcklein nach Belieben zuzuschneiden. – Wir werden den Leuten, welche über die nackten Schultern der allerliebsten Sünderin Frankreich den Nonnenschleier werfen wollen, auf die Finger schlagen. – Wir wollen nackte Götter, Bacchantinnen, olympische Spiele, und von melodischen Lippen: ach, die gliederlösende, böse Liebe! – Wir wollen den Römern nicht verwehren, sich in die Ecke zu setzen und Rüben zu kochen, aber sie sollen uns keine Gladiatorspiele mehr geben wollen. – Der göttliche Epikur und die Venus mit dem schönen Hintern müssen statt der Heiligen Marat und Chalier die Türsteher der Republik werden. – Danton, du wirst den Angriff im Konvent machen!
DANTON. Ich werde, du wirst, er wird. Wenn wir bis dahin noch leben! sagen die alten Weiber. Nach einer Stunde werden sechzig Minuten verflossen sein. Nicht wahr, mein Junge?
CAMILLE. Was soll das hier? Das versteht sich von selbst.
DANTON Oh, es versteht sich alles von selbst. Wer soll denn all die schönen Dinge ins Werk setzen?
PHILIPPEAU. Wir und die ehrlichen Leute.
DANTON. Das »und« dazwischen ist ein langes Wort, es hält uns ein wenig weit auseinander; die Strecke ist lang, die Ehrlichkeit verliert den Atem, eh' wir zusammenkommen. Und wenn auch! – den ehrlichen Leuten kann man Geld leihen, man kann bei ihnen Gevatter stehn und seine Töchter an sie verheiraten, aber das ist alles!
CAMILLE. Wenn du das weißt, warum hast du den Kampf begonnen?
DANTON. Die Leute waren mir zuwider. Ich konnte dergleichen gespreizte Katonen nie ansehn, ohne ihnen einen Tritt zu geben. Mein Naturell ist einmal so. (Er erhebt sich.) Julie. Du gehst?
DANTON (zu Julie). Ich muß fort, sie reiben mich mit ihrer Politik noch auf. – (Im Hinausgehn:) Zwischen Tür und Angel will ich euch prophezeien: die Statue der Freiheit ist noch nicht gegossen, der Ofen glüht, wir alle können uns noch die Finger dabei verbrennen. (Ab.)
CAMILLE. Laßt ihn! Glaubt ihr, er könne die Finger davon lassen, wenn es zum Handeln kömmt?"

 

 2083185-f5557001cfb4d90aa59fabfa7afcb839.jpg
Georg Büchner (17 oktober 1813 - 19 februari 1837)
Scene uit een opvoering in Dresden, 2015

 

 

De Engelse schrijver, acteur en komiek Mark Gatiss werd geboren op 17 oktober 1966 in Sedgefield. Zie ook alle tags voor Mark Gatiss op dit blog.

Uit:The Devil in Amber

“He was an American, so it seemed only fair to shoot him.
I'd already winged the beggar once - somewhere in the region of his flabby calves - and was now in hot pursuit with the tenacity for which I'm mildly famous. For reasons too dreary to dwell on, I found myself clinging to the running board of a motor car, wind whipping at my face, positively pelting through the choked streets of Manhattan. Ahead of me loomed the gorgeous elegance of the new Chrysler Building, thrusting like a sword into the cold, brilliant blue sky. Ice and sun glinted off its exterior; sharp as a pin in the eye.
For those of you not in the know (dear me, where have you been?), my name is Lucifer Box: painter, occasional memoir-scribbler and agent (most secret) for His Majesty's Government. Sad it is to relate that my artistic career was somewhat in the doldrums. Fashion, that gay but inconstant dog, had moved on and I was regarded with some suspicion by the bright lads of the new school. Passe, old-hat, pre-War (the Great one, you understand: although there'd been nothing particularly great about it from my point of view). Between the Surrealists and the Cubists and the Whatsists, there seemed precious little demand for a spectacularly good portrait painter such as yours truly. Oh, don't protest! Modesty is for amateurs.
Even the landed gentry who had once positively drenched me in commissions seemed in thrall to the damned new religion of photography, and were busy cramming the green-damask walls of their country piles with horrid daguerreotypes of their scarcely smiling selves. And so here was I, the gorgeous butterfly of King Bertie's reign: middle-aged and rather neglected, my hair shorter and greying - though my figure still as trim as a boy's, thank you very much.
Crouched low against the cold metal of the motor, I peered at my distorted reflection in the window. Still a head-turner, no doubt about it, and those eyes no less blue, no less cold and clear."

 

 2083185-7ec135a2302c991e12f95b3586ff94fc.jpg
Mark Gatiss (Sedgefield.17 oktober 1966)

 

 

De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller werd geboren in New York op 17 oktober 1915. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Arthur Miller op dit blog.

Uit: The Crucible

“ELIZABETH: I’ll go, John –
PROCTOR: You will not go!
HERRICK: I have nine men outside. You cannot keep her. The lair binds me, John, I cannot budge.
PROCTOR, to Hale, ready to break him: Will you see her taken?
HALE: Proctor, the court is just -
PROCTOR: Pontius Pilate! God will not let you wash your hands of this!
ELIZABETH: John - I think I must go with them. He cannot bear to look at her. Mary, there is bread enough for the morning; you will bake, in the afternoon. Help Mr. Proctor as you were his daughter - you owe me that, and much more. She is fighthing her weeping. To Proctor: When the children wake, speak nothing of witchcraft - it will frighten them. She cannot go on.
PROCTOR: I will bring you home. I will bring you soon.
ELIZABETH: Oh, John, bring me soon!
PROCTOR: I will fall like an ocean on that court! Fear nothing, Elizabeth.
ELIZABETH with great fear: I will fear nothing. She looks about the room, as though to fix it in her mind. Tell the children I have gone to visit someone sick. She walks out the door, Herrick and Cheever behind her. For a moment Proctor watches from the doorway. The clank of chain is heard.
PROCTOR: Herrick! Herrick, don’t chain her! He rushes out the door. From outside: Damn you, man, you will not chain her! Off with them! I’ll not have it! I will not have her chained! There are other men's voices against his. Hale, in a fever of guilt and uncertainty, turns from the door to avoid the sight; Mary Warren bursts into tears and sits weeping. Giles Corey calls to Hale.
GILES: And yet silent, minister? It is fraud, you know it is fraud! that keeps you, man?
Proctor is half braced, half pushed into the room by two deputies and Herrick.
PROCTOR: I’ll pay you, Herrick, I will surely pay you!
HERRICK, panting: In God’s name, John, I cannot help myself. I must chain them all. Now let you keep inside this house till I am gone! He goes out with his deputies."

 

 2083185-49875d902673031f162f9f842743ecdc.jpg
Arthur Miller (17 oktober 1915 – 10 februari 2005)
Scene uit een opvoering in New York, 2016

 

 

De Spaanse schrijver Miguel Delibes werd op 17 oktober 1920 in Valladolid geboren. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Miguel Delibes op dit blog

Uit: Der Ketzer (Vertaald door Lisa Grüneisen)

"Als sie ...allein waren, versanken Minervina und er ineinander, als sei dies die natürlichste Sache der Welt. Ohne es sich einzugestehen, hatten sie ungeduldig auf diesen Augenblick gewartet. Instiktiv gab sie ihm wieder die Brust, säugte ihn, und er klammerte sich an sie wie ein Gnadenbild. Sie lagen nackt auf Minervas schmalem Bett, und die ängstlichen Bedenken steigerten das Verlangen nach Vereinigung noch. Er liebte sie dreimal, und als es vorüber war, empfand er eine Art Ekel vor sich selbst bei dem Gedanken, daß er das Mädchen entehrte. Er gestand ihr seine Liebe, die Reinheit seiner Zuneigung zu ihr, doch er konnte nicht aufhören, hinter all dem das schmutzige Abenteuer des jungen Herrn zu sehen, der es mit dem Dienstmädchen trieb. Er suchte einen anderen, unbekannten Beichtvater in San Gregorio auf.
'Ich bekenne mich schuldig, Pater meiner Amme beigewohnt zu haben, aber ich kann keine Reue empfinden. Meine Liebe ist stärker als mein Wille.' 'Liebst du sie, oder begehrst du sie?' 'Ich begehre sie, Pater, weil ich sie liebe. Ich habe noch nie jemanden so geliebt wie sie.'Aber du bist noch ein Knabe. Du wirst sie nicht heiraten können..' 'Ich bin vierzehn, Pater. Mein Vormund würde es nicht verstehen.' Der Prister zögerte. Schließlich sagte er: 'Aber wenn du nicht bereust, mein Sohn, kann ich dir nicht die Absolution erteilen.' 'Das verstehe ich, Pater. Ich werde ein andermal wiederkommen.'"

 

 2083185-26e6d3cb715390cc0dfc5bf4476a7790.jpg
Miguel Delibes (17 oktober 1920 - 12 maart 2010)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Emanuel Geibel werd geboren op 17 oktober 1815 in Lübeck. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Emanuel Geibel op dit blog.

 

An den Grafen von Platen

Wenn auch nur wen'ge deine Größe ahnen
Von jenem Volk, für das du hast gesungen,
Für das du hast gefochten und gerungen,
Voran ihm wandelnd auf der Schönheit Bahnen:

Doch sammelt schon im Schatten deiner Fahnen
Ein Häuflein sich, von edlem Mut durchdrungen,
Und ob dein eigner Feldruf auch verklungen,
Wir schlagen fort die Schlacht für deine Manen.

Wir sind die Schar, die nie von Schrecken bleiche,
Die mitten durch des Feinds gesenkte Speere
Den Weg erkämpft für eine Königsleiche.

Verpfändet haben wir die eigne Ehre,
Daß keines Buben Hand mit frechem Streiche
Die Schulter, die den Purpur trug, versehre.

 

 

Auf dem Wasser

Nun wollen Berg' und Tale wieder blühn,
Die Winde säuseln durch der Wipfel Grün,
Des Waldhorns Klang verschwimmt im Abendrot -
Ich möchte froh sein, doch mein Herz ist tot.

Die Freunde rudern frisch und säumen nicht,
Des Wassers Furche blinkt im Sternenlicht,
Die Zither klingt, im Takte schwebt das Boot -
Ich möchte froh sein, doch mein Herz ist tot.

Der Mond geht auf, und lauter wird die Lust,
Es drängen Lieder sich aus jeder Brust,
Der Wein im Becher glutet dunkelrot -
Ich möchte froh sein, doch mein Herz ist tot.

Und stiege meine Lieb' aus ihrem Grab
Mit all den Wonnen, die sie einst mir gab,
Und böte alles, was sie einst mir bot:
Umsonst! - Denn hin ist hin, und tot ist tot.

 

 2083185-0a72b38846e59f22b07b26139101c459.jpg
Emanuel Geibel (17 oktober 1815 - 6 april 1884)
Standbeeld in Lübeck

 

 

De Nederlandse schrijfster en dichteres Nel Noordzij (Eig. Pieternella Margaretha Breevoort-Noordzij) werd geboren in Rotterdam op 17 oktober 1923. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Nel Noordzij op dit blog.

 

MIJN ZEE heeft te grote ogen
en een te hoogmoedig gebaar overdag
's nachts is mijn zee een blauwe zakdoek
met blauwe schepen als initialen
langs de rand

sommige kleinere schepen verliezen wijn onderweg
en zachte vruchten
ik waarschuw wel ik roep luidkeels
maar mijn zee neemt de vruchten mee
en drinkt de wijn zo achteloos ik kan niets doen

mijn zee moest zo niet zijn meen ik
maar nu mijn zee de mijne is
zal ik de zon toe doen
en de nacht met mijn handen tegengaan

 

 2083185-c6e4f6c2d8be17d8fcecf7bddf61d704.jpg
Nel Noordzij (17 oktober 1923 – 7 september 2003)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Engelse schrijver Tom Rachman werd geboren in Londen in 1974. Zie ook alle tags voor Tom Rachman op dit blog.

Uit:The Rise & Fall of Great Powers

“Down the three creaking steps he came, passing under the sign history—nature—poetry—military—ballet  to a sunken den known as the snug. The bookshop had been a pub before, and the snug was where rain-drenched drinkers once hung their socks by the hearth, now bricked up but  still flanked with tongs and bellows, festooned with little green-and-red Welsh flags and Toby jugs on hooks. An oak table contained photographic volumes on the region, while the walls were lined with shelves of poetry and a disintegrating hardcover series of Shakespeare whose red spines had so faded that to distinguish King Lear from Macbeth required much scrutiny. Either of these venerable characters, dormant on the overburdened shelves, could at any moment  have crashed down into  the rocking chair where Tooly sat upon a tartan blanket, which came in handy during winters, when the radiators trembled at the task ahead and switched off.
She tucked back her short black hair, points curling around unpierced lobes, a gray pencil tip poking up behind her ear. The paperback she held before her aimed to discourage his interruptions, but behind its cover her cheeks twitched with amusement at the circling Fogg and his palpable exertion at remaining quiet. He strode around the table, hands in his trouser pockets, jingling change. (Coins were always plummeting through holes in those pockets, down his leg and into his shoe. Toward the end of the day, he removed it—sock coming half off—and emptied a small fortune into his palm.) “It behooves them to act decisively in Afghanistan,” he said. “It behooves them to.”
She lowered the book and looked at him, which caused Fogg to turn away. At twenty-eight, he was her junior by only a few years, but the gulf could have been twenty-eight again. He remained a youth in their exchanges, deferential yet soon carried away with fanciful talk. When pontificating, he toyed with a brass magnifying  glass, pressed it to his eye socket like a monocle, which produced a monstrous blue eye until he lost courage, lowered the lens, and the eye became small and blinky once more.”

 

 2083185-78dbc236e17470c315006729cf91be5e.jpg
Tom Rachman (Londen, oktober 1974)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e oktober ook mijn blog van 17 oktober 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:29 Reageer op dit bericht

Indian Summer (Henry van Dyke), Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 2082930-f9a293c5bf5e99fb0da8f76c50535c4f.jpg
Indian Summer door Régis François Gignoux, circa 1860–1862

 

Indian Summer

A soft veil dims the tender skies,
And half conceals from pensive eyes
The bronzing tokens of the fall;
A calmness broods upon the hills,
And summer's parting dream distills
A charm of silence over all.

The stacks of corn, in brown array,
Stand waiting through the placid day,
Like tattered wigwams on the plain;
The tribes that find a shelter there
Are phantom peoples, forms of air,
And ghosts of vanished joy and pain.

At evening when the crimson crest
Of sunset passes down the West,
I hear the whispering host returning;
On far-off fields, by elm and oak,
I see the lights, I smell the smoke,--
The Camp-fires of the Past are burning.

 

 2082930-55dcf5ed519cfc7b2bc7591376b165ae.jpg
Henry van Dyke (10 november 1852 – 10 april 1933)
Vernon Park in Germantown, Pennsylvania. Henry van Dyke werd in Germantown geboren.

 

Zie voor de schrijvers van de 16e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 18:35 Reageer op dit bericht

Günter Grass, Oscar Wilde, Alma Mathijsen, Guðbergur Bergsson, Eugene O’Neill, Dino Buzzati, Gerold Späth, Albrecht von Haller, Gustaaf Peek

De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk) op 16 oktober 1927. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Günter Grass op dit blog.

Uit: Die Rättin

“Kürzlich wurde beschlossen, daß alle links von der Brotbänken- und der Jopengasse zur Mottlau hinführenden Gassen von uns, alle rechtsläufigen Gassen bis hinterm Vorstädtischen Graben von den Versöhnlern bewohnt werden. Die hören nicht auf, Hoffnung zu plappern: Vielleicht kann man mit ihnen auf Dauer auskommen. Wenn man sie zufriedenstellt, wird sich die Menschenratte uns anpassen. Schließlich ist sie abhängig von uns. Sie lebt von gespeicherten Vorräten, die wir überschüssig, seit vielen Ernten überschüssig gelagert haben. Wir sollten ihnen zukommen lassen, was sie benötigen. Nennt es Deputat, den Zehnten oder Tribut. Jedenfalls sollten sie nicht hungern müssen. Hunger könnte sie angriffig machen. Wir Ratten sollten wissen, was Hunger heißt!
Bitter, als stieße ihr jahrtausendealte Erfahrung auf, lachte die Rättin: Hör dir das an, Herr! Die ewiggleichen Sprüche unbelehrbarer Abwiegler und Versöhnler. Wir hingegen sehen klar, allzu klar. Mehr und mehr werden sie haben wollen. Am Ende teilen sie uns zu, was übriggeblieben ist. Auf Rationen gesetzt werden wir sein. Raffgier, ihre Habsucht wird über uns kommen. Das ist das Menschliche an den Nippels. Schlußmachen! rufen wir, machen aber nicht Schluß, sondern beißen uns mit unsereins rum. In der Wollbergasse, um den Stockturm und hinterm Zeughaus ist es zu Straßenschlachten gekommen, auf dem Land nur zu kleineren Übergriffen bisher.
Und ich sah, wie sie sich befetzten. Bis zum Verenden ineinander verbissen. Der Rattenzähne unverminderte Schärfe. Überallhin, wo ihr Streit in Kampf umschlug, führte die Rättin mich. So streng um die Speicherinsel herum Distanz gehalten wurde, damit den Manippels der Zwist der Rattenvölker verborgen blieb, im Stadtkern hemmte nichts die Parteien. Rattengruppen, die aus dem Zeughaus, das neuerdings, wie auch der Theaterbau nebenan, Lagerhaus ist, Maiskolben und nicht entkernte Sonnenblumen trugen, um diese Feldfrüchte als Zehnten durch die Wollbergasse, die Langgasse hoch und durchs Grüne Tor auf die Brücke zur Speicherinsel zu schleppen, wurden schon vorm Zeughausportal von Rattenhorden, die aus der Jopengasse einfielen, angegriffen und in Zweikämpfe verwickelt. Dezimiert und geschwächt gelang es nur wenigen Transportgruppen der Versöhnler, sich bis zur Brücke durchzukämpfen: Schmale Kost fiel den Manippels zu.
Ich rief: Ein magerer Tribut ist das!
Die Rättin: Immer noch viel zuviel!
Ich: Jedenfalls leiden sie Mangel.
Geschieht Ihnen recht! rief sie, tun ja nichts als fressen und rammeln und rammeln und fressen.“

 

 2082928-4d1442025f64e9ecaa0c0ea80eec44eb.jpg
Günter Grass (16 oktober 1927 – 13 april 2015)

 

 

De Iers-Engelse schrijver Oscar Wilde werd geboren op 16 oktober 1854 in Dublin. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Oscar Wilde op dit blog.

 

Ballad of Reading Gaol – III (Fragment)

Alas! it is a fearful thing
To feel another’s guilt!
For, right within, the sword of Sin
Pierced to its poisoned hilt,
And as molten lead were the tears we shed
For the blood we had not spilt.

The Warders with their shoes of felt
Crept by each padlocked door,
And peeped and saw, with eyes of awe,
Grey figures on the floor,
And wondered why men knelt to pray
Who never prayed before.

All through the night we knelt and prayed,
Mad mourners of a corpse!
The troubled plumes of midnight were
The plumes upon a hearse:
And bitter wine upon a sponge
Was the savior of Remorse.

The cock crew, the red cock crew,
But never came the day:
And crooked shape of Terror crouched,
In the corners where we lay:
And each evil sprite that walks by night
Before us seemed to play.

They glided past, they glided fast,
Like travelers through a mist:
They mocked the moon in a rigadoon
Of delicate turn and twist,
And with formal pace and loathsome grace
The phantoms kept their tryst.

With mop and mow, we saw them go,
Slim shadows hand in hand:
About, about, in ghostly rout
They trod a saraband:
And the damned grotesques made arabesques,
Like the wind upon the sand!

 

 2082928-7ed412bd21207acbc04254700d2a170e.jpg
Oscar Wilde (16 oktober 1854 – 30 november 1900)
Een schilderij van Wilde hangt in een cel in de voormalige Reading Prison. In 1895 werd Wilde veroordeeld voor homoseksuele activiteiten en veroordeeld tot twee jaar gevangenis.

 

 

De Nederlands schrijfster en journaliste Alma Mathijsen werd geboren in Amsterdam op 16 oktober 1984. Zie ook alle tags voor Alma Mathijsen op dit blog.

Uit:Vergeet de meisjes

“Iris’ hoofd knikt, dan vallen haar ogen dicht. Het is anders dan slaap waardoor je langzaam bevangen wordt. Ik hoor haar instabiele adem, een lichte piep bij elke inademing. Kay staat naast het bed, ze trekt het laken iets hoger.
Ik loer naar de twee vrouwen door de lamellen van de kledingkast, ze hebben geen idee van mijn aanwezigheid. Kay duwt het stugge haar van Iris dat alle kanten op groeit achter haar oren, een zonnestraal speelt erdoorheen. De handeling wordt een paar keer herhaald omdat niet alle haren willen luisteren, of misschien omdat Kay het zachte stukje huid achter het oor nog een keer wil aanraken.
‘Het geitje gaat slapen,’ zegt Kay.
De adem van Iris stabiliseert, de piep wordt zachter, dan zegt ze: ‘Dag paardje.’
De schouders van Kay ontspannen, ze schuift naast Iris op het bed en gaat languit liggen. Ze smakt een aantal keren en lijkt nu in slaap te vallen. De vrouwen raken elkaar niet aan als ze liggen.
De geur van lavendel en wol tussen de jurken herinnert me aan mijn moeder. Ze vertelde dat mijn zussen constant speelden, ze deden tikkertje in de tuin, zochten naar wormen in de grond en ik deed niets. Ik keek, dat zei mijn moeder. Ik zat in mijn stoeltje en keek naar de anderen. Ik ben de observator, net als toen.
Iris ligt doodstil met haar handen in elkaar gevouwen boven op haar buik. Kay ademt luid, haar mond is opengevallen, in haar linkeroor zit een inkeping, een litteken dat haar schelp openbreekt. Recht boven Iris loopt een scheur op het plafond uit in een t-splitsing, de verf hangt aan flarden naar beneden. Zou Iris daarnaar turen als ze niet in slaap kan vallen?
Buiten slaat een kettingzaag met een paar haperingen aan. Iris wordt kreunend wakker uit haar middagdutje, Kay volgt direct daarna.”

 

 2082928-3bcc1534d0d1f856a9f2f8f3c621e91b.jpg
Alma Mathijsen (Amsterdam, 16 oktober 1984)

 

 

De IJslandse schrijver Guðbergur Bergsson werd geboren op 16 oktober 1932 in Grindavik. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Guðbergur Bergsson op dit blog.

Uit: Deuil (Vertaald door Eric Boury)

« Il ne rote pas une seconde fois. Il ne se libère pas de ce second poids.
Son visage est figé. Il a dormi sur le côté, la joue pressée contre l'oreiller ; des rides et des plis marquent sa peau.
Quand ses poumons se plaignent, il se tourne sur le dos et se frotte les yeux.
Il croit maintenant comprendre où il est : chez lui, à l'endroit qu'il occupe habituellement dans la chambre à coucher, mais il a oublié depuis combien d'années il vit ici. Il fixe ces murs qui ne l'intéressent plus. Pas plus que le monde. Bien qu'il ne désire pas mourir, il lui arrive souvent de souhaiter être mort ou de se dire qu'il devrait l'être depuis longtemps. Il devrait avoir disparu de ce monde. C'eût été dans l'ordre des choses.
Il en va autrement pour lui : plus il vieillit, plus il s'accroche à la vie, même s'il ne fait rien pour prolonger la sienne.
Un instant, il promène ses yeux sur la pièce, puis se tourne à nouveau sur le côté droit, tend un bras vers la table de nuit, cherche le réveil à tâtons et regarde les aiguilles. Il ne devrait pas avoir à le faire, il sait qu'il se réveille toujours à la même heure, alors qu'il est plus de midi pour le commun des gens. Autrefois, quand il allait au travail, il ne se réveillait jamais avant la sonnerie. Ces années-là, il se couchait fatigué. Aujourd'hui, elle ne retentit plus, il se réveille, se rendort et dort tout son soûl sans pour autant se soustraire à aucune obligation.
Tout est calme. Il n'entend pas un bruit. C'est l'été, la lumière emplit la chambre. »

 

 2082928-79336091802bd2f64eb972ed7d864217.jpg
Guðbergur Bergsson (Grindavik, 16 oktober 1932)

 

 

De Amerikaanse schrijver Eugene Gladstone O’Neill werd op 16 oktober 1888 in New York City geboren. Zie en ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Eugene O’Neill op dit blog.

Uit: Long Day’s Journey Into Night

"TYRONE
With threatening anger.
Listen to me! I’ve put up with a lot from you because from the mad things you’ve done at times I’ve thought you weren’t quite right in your head. I’ve excused you and never lifted my hand to you. But there’s a straw that breaks the camel’s back. You‘ll obey me and put out that light or, big as you are, I’ll give you a thrashing that’ll teach you” !
Suddenly he remembers Edmund’s illness and instantly becomes guilty and shamefaced.
Forgive me, lad, I forgot. You shouldn’t goad me into losing my temper.
EDMUND
Ashamed himself now.
Forget it, Papa. I apologize, too. I had no right being nasty about nothing. I am a bit soused, I guess. I’ll put out the damned light.
He starts to get up.
TYRONE
No, stay where you are. Let it burn.
He stands up abruptly and a bit drunkenly and begins turning on the three bulbs in the chandelier, with a childish, bitterly dramatic self-pity.
We’ll have them all on! Let them burn! To hell with them! The poor-house is the end of the road, and it might as well be sooner as later!
He finishes turning on the lights.
EDMUND
Has watched this proceeding with an awakened sense of humor now he grins, teasing affectionately.
That’s a grand curtain.
He laughs.
You‘re a wonder, Papa.
TYRONE
Sits down sheepishly grumbles pathetically.”

 

 2082928-2a36ce462873390f1d5c655bda2bf030.jpg
Eugene O’Neill (16 oktober 1888 – 27 november 1953)
Scene uit een opvoering in Chicago, 2016



 

De Italiaanse schrijver Dino Buzzati werd geboren op 16 oktober 1906 in San Pellegrino. Zie ook alle tags voor Dino Buzzati op dit blog en ook mijn blog van 16 oktober 2009 en ook mijn blog van 16 oktober 2010

Uit: Wie die Bären Sizilien eroberten (Vertaald door Heide Ringe)

„Ein Bär inmitten der Menschen? Sie hätten ihn niedergemacht und in Ketten gelegt und dann addio! So vergingen die Jahre. Und dann brach ein Winter herein, ein Winter, schrecklicher als alle früheren. Es wurde so kalt, dass selbst den Bären mit ihrem dichten Fell die Zähne klapperten.
Der Schnee deckte alle Pflanzen zu und es gab nichts mehr zu essen.
Der Hunger wurde so schlimm, dass die Bärenkinder nächtelang jammerten und ebenso die Bärenmütter, die am Ende ihrer Kräfte waren. So konnte es nicht weitergehen. Bis endlich einer sagte: »Und warum steigen wir nicht in die Ebene hinab?« An klaren Tagen konnte man hinunter ins Tal blicken, in dem man keinen Schnee sah, aber die Häuser der Menschen und den Rauch, der aus den Kaminen stieg, ein Zeichen dafür, dass sie etwas zu essen kochten. Dort unten schien das Paradies zu sein. Die Bären standen stundenlang an den Felshängen, schauten hinunter und stießen lange Seufzer aus. »Lasst uns ins Tal absteigen. Es ist immer noch besser, mit den Menschen zu kämpfen, als hier oben vor Hunger zu sterben«, sagten die Beherzteren. Und ihrem König Leonzio, man muss es sagen, gefiel dieser Gedanke gar nicht so schlecht: Für ihn wäre es eine gute Gelegenheit, seinen kleinen Sohn zu suchen. Wenn sein ganzes Volk auf einmal hinabstiege, dann wäre das Suchen viel weniger gefährlich. Die Menschen würden es sich wohl zweimal überlegen, ehe sie sich einem solchen Heer entgegenstellten. Die Bären, mitsamt ihrem König, wussten nicht, wie die Menschen wirklich waren, wie böse und hinterlistig, und welch furchtbare Waffen sie besaßen, was für Fallen sie ersinnen konnten, um Tiere zu fangen und einzusperren. Die Bären hatten keine Ahnung und keinerlei Furcht. Und so beschlossen sie, die Berge zu verlassen und in die Ebene hinabzusteigen.”

 

 2082928-b7a2d804da29ebe985151dd1e613fc3d.jpg
Dino Buzzati (16 oktober 1906 – 28 januari 1972)

 

 

De Zwitserse schrijver Gerold Späth werd geboren op 16 oktober 1939 in Rapperswil. Zie ook alle tags voor Gerold Späth op dit blog en ook mijn blog van 16 oktober 2010

Uit: Drei Vögel im Rosenbusch

„Unsere stadtbekannte Madame Hoggh wallt an diesem heissen Sommertag in luftig flirrendem Vielfarbentuch als Paradiesvogel daher ... - ich will mich grad vom Sternenplatz ins schmale Spiegeleiergässlein retten, da zwitschert sie mich schon von weitem an: Vivat qui venit, Mössiööö! Bekommen wir Sie endlich wieder mal zu sehen. Ah. Frau Hoggh. Schöner Tag heut. Fräulein Hoggh! Bitte sehr, mein Herr! Oder Mademoiselle, wenn's beliebt, nicht wahr. - Und pflanzt in voller Pracht sich vor mich hin und flötet: Das sollten Sie doch wissen, mio caro Signor Blitzaugen, Schwarzkirschenlippen, Damenmoustache, brandroter Seidenrosenkranz auf Florentiner Strohhut: die glanzschwarze Mähne eventuell eine Kunstfaserperücke -enormes Goldgehängsel blinkt daraus hervor, zieht der Mamsell die Ohrenläppchen lang - und mich umbranden Parfumschwälle: Moschus auf Ambra auf Muskat auf prallgebräuntem Decollete - nicht die simpelste Ausrede will mir einfallen diesmal; ich muss mich von ihr begurren lassen; aus nächster Nähe feuchtwarm mir ins Ohr: sie habe eine authentisch megaheisse Story fast so gut wie aufgeschrieben haargenau im Kopf parat ... - Exklusiv für Sie, cher Monsieur! Oh, Fräulein Hoggh! Wie oft ich angehauen werde in der Stadt! Absolut einmalige Geschichten! Finsterste Machenschaften und Geheimgerüchte! Unsäglich perfide Hinterzimmerschwindel! Neustens auch an jeder zweiten Ecke Himmel, Hölle, Seelenheil! - Das habe ich ihr aber nicht gesagt. Höchstens auf ein kleines Viertelstündlein, Fräulein Hoggh. -Das habe ich zu ihr gesagt. Papperlapapp, mein lieber Sir! Ihr flaxigen jungen Herren immer im Stress! Courage! Nur keine Klemmungen! Avanti, Monsieur! Kommen Sie! Und hat mich einfach abgeschleppt ...
Im Hoggh'schen Altstadthaus Allhier Zum Blühenden Rosenbusch sandsteingraue schattige Kühle. Das Fräulein H - vermutlich üppig gestopfte Erbtante von abwegig fernen Verwandten - steigt auf breiter, höflich knarzender Eichenholzstiege hurtig hinauf in die Beletage: lange Galerie, gedrechselte Geländersäulen, dunkel glänzender Handlauf ... Dann ein grosser Salon: die Sonnenfenster weit offen, Stuckdecke, holzgetäfelte Wände, Bilder - (knallfarbige Barbarswiler andschaften) - Kommoden, eine hohe Vitrine, Tische, Stühle, Sessel, Sofa, viel Leder ... Mein luftiger Living, sagt sie. Und wie Sie hier sehen, schwinge ich hie und da den stillen Pinsel.“

 

2082928-e122e5d5548a41b1c52ac931ea6e2b0a.jpg
Gerold Späth (Rapperswil, 16 oktober 1939)
Cover

 

 

De Zwitserse dichter, arts, en natuurwetenschapper Albrecht von Haller werd geboren in Bern op 16 oktober 1708. Zie ook alle tags voor Albrecht von Haller op dit blog en ook mijn blog van 16 oktober 2009 en ook mijn blog van 16 oktober 2010

 

Morgen-Gedanken (Fragment)

Der Mond verbirget sich, der Nebel grauer Schleier
Deckt Luft und Erde nicht mehr zu;
Der Sterne Glanz erblasst, der Sonne reges Feuer
Stört alle Wesen aus der Ruh.

Der Himmel färbet sich mit Purpur und Saphiren,
Die frühe Morgen-Röte lacht;
Und vor der Rosen Glanz, die ihre Stirne zieren,
Entflieht das bleiche Heer der Nacht.

Durchs rote Morgen-Tor der heitern Sternen-Bühne
Naht das verklärte Licht der Welt;
Die falben Wolken glühn von blitzendem Rubine,
Und brennend Gold bedeckt das Feld.

Die Rosen öffnen sich und spiegeln an der Sonne
Des kühlen Morgens Perlen-Tau;
Der Lilgen Ambra-Dampf belebt zu unsrer Wonne
Der zarten Blätter Atlas-grau.

Der wache Feld-Mann eilt mit singen in die Felder
Und treibt vergnügt den schweren Pflug;
Der Vögel rege Schaar erfüllet Luft und Wälder
Mit ihrer Stimm und frühem Flug.

 

 2082928-dfb8a87a7fd59bdb9ee077e90bcc9693.jpg
Albrecht von Haller (16 oktober 1708 – 12 december 1777)
Op een Zwitsers bankbiljet

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Gustaaf Peek werd geboren in Haarlem in 1975. Peek studeerde Engelse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit Leiden. Zie ook alle tags voor Gustaaf Peek op dit blog.

Uit: Godin, held

“Twee vrouwen, ergens tussen de dertig en veertig, hij kon dit nog niet zo scherp raden, haalden de jongen aan, trokken hem uit de groep tevoorschijn en omhelsden hem, lieten hem uitbundig hun lichamen voelen en de jongen, dronken en daardoor traag maar daarna gulzig ontwakend, wentelde zich in hun gewrijf en gestreel, hij kreeg een kus, een zweem tong, hij kende veel van zicht maar weinig van tast en beleefde zijn genot vooral in dromen, dromen die hem op zijn kamer weer naar de volle lichamen van deze twee zouden drijven, om hen eindelijk te bezitten, schaamteloos, met de moed van dromen, en dus verzamelde hij beeld en geur, van hals en haar, van hun vettige lippen en opgemaakte ogen, de vanzelfsprekendheid van hun onverwachte grepen, hun borsten die opveerden door zijn armen, de kreun in zijn oor wanneer ook hij hard kneep, hun buiken en heupen die als moederhanden langs zijn erectie wreven en hij lette erop dat hun aandacht niet luwde, dat hij hun spel juist las, maar ze lieten hem dat lange moment niet los, niet de donkere met de opgestoken haren, die zijn handen naar haar billen bracht, niet de oudere, die zich met een glimlach aanbood voor een volgende dag en zijn wangen aaide, een belofte zoveel dwingender dan een daad.
Het werd later, maar niets doofde, de oplichtende stad was steeds dichterbij gekomen. Ze liepen langs de weg, langs de laatste velden en de vaart en de eerste huizen toen ze door voorbijgangers en een toevallige agent werden tegengehouden.
Maar hun dode had de maan nog eenmaal gezien, de mensen op straat gehoord.”

 

 2082928-bc9dd103d503bebd165b1e56401acc48.png
Gustaaf Peek (Haarlem, 1975)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e oktober ook mijn blog van 16 oktober 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:34 Reageer op dit bericht

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2017 voor Margaret Atwood

 

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2017 voor Margaret Atwood

Aan de Canadese schrijfster Margaret Atwood werd gisteren in de Frankfurter Paulskerk de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels uitgereikt. De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939. Zie ook alle tags voor Margaret Atwood op dit blog.

Uit: Cat’s Eye

"Time is not a line but a dimension, like the dimensions of space. If you can bend space you can bend time also, and if you knew enough and could move faster than light you could travel backward in time and exist in two places at once.
It was my brother Stephen who told me that, when he wore his raveling maroon sweater to study in and spent a lot of time standing on his head so that the blood would run down into his brain and nourish it. I didn’t understand what he meant, but maybe he didn’t explain it very well. He was already moving away from the imprecision of words.
But I began then to think of time as having a shape, something you could see, like a series of liquid transparencies, one laid on top of another. You don’t look back along time but down through it, like water. Sometimes this comes to the surface, sometimes that, sometimes nothing. Nothing goes away.
“Stephen says time is not a line,” I say. Cordelia rolls her eyes, as I knew she would.
“So?” she says. This answer pleases both of us. It puts the nature of time in its place, and also Stephen, who calls us “the teenagers,” as if he himself is not one. Cordelia and I are riding on the streetcar, going downtown, as we do on winter Saturdays. The streetcar is muggy with twice-breathed air and the smell of wool. Cordelia sits with nonchalance, nudging me with her elbow now and then, staring blankly at the other people with her gray-green eyes, opaque and glinting as metal. She can outstare anyone, and I am almost as good. We’re impervious, we scintillate, we are thirteen.
We wear long wool coats with tie belts, the collars turned up to look like those of movie stars, and rubber boots with the tops folded down and men’s work socks inside. In our pockets are stuffed the kerchiefs our mothers make us wear but that we take off as soon as we’re out of their sight. We scorn head coverings. Our mouths are tough, crayon-red, shiny as nails. We think we are friends.
On the streetcars there are always old ladies, or we think of them as old. They’re of various kinds. Some are respectably dressed, in tailored Harris tweed coats and matching gloves and tidy no-nonsense hats with small brisk feathers jauntily at one side. Others are poorer and foreign-looking and have dark shawls wound over their heads and around their shoulders. Others are bulgy, dumpy, with clamped self-righteous mouths, their arms festooned with shopping bags; these we associate with sales, with bargain basements. Cordelia can tell cheap cloth at a glance. “Gabardine,” she says. “Ticky-tack.”

 

 2082801-2498e898945ade9afc3eee0750ec1387.jpg
Margaret Atwood (Ottawa, 18 november 1939)

Geschreven door Romenu om 09:48 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten