Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 26 november 2017 tot 27 november 2017

Navid Kermani, Nicole Brossard, Han Kang, Philippe Delerm, James Agee, Jos. Habets, Friedrich von Canitz, Jacques Godbout, Klara Blum

De Duits-Iraanse schrijver en islamist Navid Kermani werd geboren op 27 november 1967 in Siegen. Zie ook alle tags voor Navid Kermani op dit blog.

Uit: Große Liebe

„Das erste Mal hat er mit fünfzehn geliebt und seither nie wieder so groß. Sie war die Schönste auf dem Schulhof, stand in der Raucherecke oft nur zwei oder drei Schritte entfernt, ohne ihn zu beachten. Weil den Schülern der unteren Klassen verboten war, sich zu den Rauchern zu stellen, geschweige denn selbst eine Zigarette anzuzünden, verhielt er sich so unauffällig wie möglich, verhielt sich zwischen den breiteren Rücken wie ein blinder Passagier still. Den Kopf hob er nur an, um kurz nach den Lehrern, noch kürzer nach ihr zu schielen, die unnahbar für ihn stets den Mittelpunkt ihres Grüppchens zu bilden schien. Sowenig Hoffnung er sich machte, ihre Gunst je selbst zu erlangen, brachte ihn die Sorge dennoch um den Verstand, sie könne einem der Abiturienten, die sie umringten, mehr als nur wohlwollen. Zur Beruhigung redete er sich ein, daß sie ihre offenbar ansteckende Heiterkeit und ihre zweifellos erlesenen Worte gerecht mal diesem, mal jenem zudachte.
Im Blick behielt der Junge dabei stets die Finger der Abiturienten, ob sie nicht heimlich die Hände der Schönsten berührten, ihren Rücken, gar ihren Po.
Zugleich erwartete er bang, daß jemand sich umdrehte, um zu fragen, was er in der Raucherecke suchte. Mehrfach hatten ihn die Lehrer bereits vertrieben, deren ärgerlicher oder auch nur erstaunter Blick genügte, damit er sich verzog. Die Peinlichkeit ersparte er sich lieber, vor den Augen der Schönsten aus dem Pulk gezogen und zu den Gleichaltrigen verwiesen zu werden. Peinlich war dem Jungen seine Lage schon genug, da er sich einbildete, daß alle Raucher ihn beäugten, in jeder Sekunde ihn, obwohl sie ihm doch – aber hier setzte der logische Schluß aus – ihre Rücken zuwandten.“

 

 2096345-431204ac7ea2bf906ec0a545e109d487.jpg
Navid Kermani (Siegen, 27 november 1967)

 

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

 

Towns without water

at the hour of brief morning desires
a drop of water and its light
later to counter the dust
we looked for a blade of grass, a bush
any trace
of a time liquid and bowed to the hour
the dream thirsting inside us

 

Vertaald door Sylvain Gallais en Cynthia Hogue

 

 

Au Présent des Veines

1.
une dérive d'intuitions l'enchaînement rapide de la mort et de la vie la beauté du site

2.
surtout ne pas faire semblant que le monde s'est arrêté vlan flèche au liane humaniste surtout regarder empiéter sur la blessure une dernière description œuvre
d'art ou rien du tout

3.
se tenir inutilement mouillée près de la violence la réalité ou la vérité les mâchoires pleines d'énergie je crois qu'il faut des mots simples marcher
longuement la nuit écouter le son de l'eau qui persiste raccourci fiévreux dans l'universel

4.
un soir d'été à une autre femme
je dis toucher n'abolit pas la distance
tout est pratiquement réel
plus personne n'arrive à marcher dans l'absolu
je dis toucher ou caresser à quia

 

 2096345-1494b1de2aab18a06534694bd4a47dc4.jpg
Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

 

De Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang werd geboren op 27 november 1970 in Gwangju, in de provincie Zuid-Cholla. Zie ook alle tags voor Han Kang op dit blog.

Uit: Wit (Vertaald uit het Engels, door Marijke Versluys)

“Bij elk woord dat ik noteerde sloeg er een golf van onrust door me heen. Ik voelde dat ik dit boek móést schrijven, dat ik erdoor zou veranderen, dat het ook zelf zou veranderen, en wel in een soort witte zalf die op een zwelling wordt aangebracht, een verband dat op een wond wordt gelegd. Dat had ik nodig.
Toen ik een paar dagen later mijn blik nog eens over het lijstje liet gaan, begon ik me evenwel af te vragen waarom ik hier eigenlijk aan begon, wat het zou betekenen die woorden in de ziel te kijken.
Als ik de woorden in mezelf filter, klinken er beverige zinnen op, wat doet denken aan het vreemde, treurige gesnerp dat een strijkstok aan een metalen snaar ontlokt. Zou ik mezelf, gesluierd in wit verband, tussen die zinnen kunnen verstoppen?
Dat was zo’n moeilijke vraag dat ik het lijstje liet zoals het was en er verder niets meer mee deed. In augustus vertrok ik naar het buitenland, naar dit land waar ik nog nooit was geweest; ik huurde tijdelijk een flatje in de hoofdstad en wende eraan mijn dagen in deze vreemde omgeving te slijten. Een kleine twee maanden later, toen het op een avond voor het eerst bijtend koud was, kreeg ik migraine – een pijnlijk bekend verschijnsel. Ik nam een paar pillen in met warm water, en realiseerde me (heel kalm) dat ik me onmogelijk zou kunnen verstoppen.
Er zijn momenten dat ik me scherp bewust ben van het verstrijken van de tijd, vooral als ik ergens pijn heb. De migraines zijn begonnen toen ik een jaar of twaalf, dertien was; ze overvallen me onaangekondigd, vergezeld van heftige buikkrampen die het dagelijks leven een halt toeroepen. Zelfs het kleinste karweitje blijft liggen terwijl ik me louter concentreer op het verduren van de pijn: de afzonderlijke druppels van de tijd voelen als messcherpe edelstenen die langs mijn vingertoppen schampen. Eén keer diep inademen, en dan neemt dat nieuwe levensmoment de vorm aan van een parel bloed. Zelfs wanneer ik me weer in het dagelijks ritme heb gevoegd en de ene dag naadloos versmelt met de volgende, blijft die gewaarwording op dat plekje altijd met ingehouden adem wachten.
Elk moment is een sprong van een onzichtbaar klif, waarop de scherpe randen van de tijd voortdurend worden bijgeslepen. Onze voeten maken zich los van de stevige ondergrond van heel ons leven tot dan toe, en we zetten die hachelijke stap in het ongewisse. Niet omdat we zo bijzonder moedig zijn, maar omdat het de enige weg is. Nu, op dit moment, stroomt die duizelingwekkende prikkeling door me heen. En ik stap roekeloos de tijd in die ik nog niet heb geleefd, het boek in dat ik nog niet heb geschreven.”

 

 2096345-4fbce986e18d9d0b942722fb42d776bb.jpg
Han Kang (Gwangju, 27 november 1970)

 

 

De Franse schrijver Philippe Delerm werd geboren op 27 november 1950 in Auvers-sur-Oise. Zie ook alle tags voor Philippe Delerm op dit blog.

Uit:C'est bien

« Pas tous les jours ; parfois on préfère être seul, dans sa chambre. Mais certains soirs d'hiver, par exemple, quand il fait déjà nuit dehors, juste après le goûter. Sur la toile cirée, on installe le désordre des cahiers, des crayons de couleur, des gommes et des bouquins. Les devoirs traînent un peu. On a commencé par le plus dur, le problème de maths, mais la troisième question est difficile. Avec un doigt, on suit le dessin de la toile cirée : il y a des carreaux rouges et à côté des petits carreaux bleus qui représentent des moulins de Hollande. Ce serait bien d'aller là-bas, très loin, au nord. On reviendrait de l'école en patins à glace. - Dépêche-toi un peu I Après, tu seras débarrassé, tu pourras lire, ou jouer. Maman dit des petites phrases comme ça, de temps en temps, entre un navet et une carotte à éplucher - on lui a déjà mangé deux carottes crues et elle a fait semblant de se fâcher. Mais on n'a pas vraiment envie d'être débarrassé. Il fait si bon dans la cuisine, et puis il y a ces odeurs qui se mélangent : l'orange du goûter, les légumes de la soupe... Tant pis pour les maths. On y reviendra plus tard. On attaque la leçon d'histoire. Noblesse, clergé, tiers état. Les mots coulent bien. Sur le dessin, la Bastille n'est pas si terrible. Par contre, au Jeu de paume, tous les hommes noirs et gris ont des yeux farouches, et la scène est plutôt lugubre. - Allons, tu dois la savoir, maintenant I le t'interroge. - Attends encore un peu I On s'en fiche, des états généraux. Ce qui est bien, c'est de rester sur l'image en rêvant vaguement à l'ambiance de cette époque-là. Pourquoi faut-il qu'on cuise les navets ? Pourquoi faut-il apprendre les révolutions ? On prend une gousse d'ail. La peau fripée mauve, rose et blanche tombe sur le livre, légère. On ne sait plus vraiment quelle heure il peut être. Le dîner est encore loin. Dans la maison, il y a une agitation tranquille, des petites phrases sur la journée : -Tu as vu... ? On n'écoute pas vraiment ce que les parents disent. On n'apprend pas vraiment ses leçons. On se sent un peu flottant, comme si on n'existait plus, comme si on devenait la toile cirée, les légumes de la soupe, le livre d'histoire - comme si on devenait un soir d'hiver à la maison. C'est bien, dans les cuisines.”

 

 2096345-b9fa3584b931ccf1ec9f3f669ccdbdda.jpg
Philippe Delerm (Auvers-sur-Oise, 27 november 1950)

 

 

De Amerikaanse dichter en prozaïst James Agee werd geboren in Knoxville, Tennessee.op 27 november 1909. Zie ook alle tags voor James Agee op dit blog.

 

How Many Little Children Sleep

How many little children sleep
To wake, like you, only to weep?
How many others play who will
Like you, and all men, weep and kill?

And many parents watch and say,
Where they weep, where they play,
“By all we love, by all we know,
It never shall befall them so.”

But in each one the terror grows
By all he loves, by all he knows,
“Soon they must weep; soon they shall kill.
No one wills it, but all will.”

But in each one the terror moves
By all he knows, by all he loves,
“Soon they will weep, soon they will kill.
No one wills it, but all will.”

 

 

Sonnet I

So it begins. Adam is in his earth.
Tempted, and fallen, and his doom made sure
Oh, in the very instant of his birth:
Whose deathly nature must all things endure.
The hungers of his flesh, and mind, and heart,
That governed him when he was in the womb,
Those ravenings multiply in every part:
And shall release him only to the tomb.
Meantime he works the earth, and builds up nations,
And trades, and wars, and learns, and worships chance,
And looks to God, and weaves the generations
Which shall his many hungerings advance
When he is sunken dead among the sins.
Adam is in the earth. So it begins.

 

 2096345-d4ad75fd555a62a3c484be976be25955.png
James Agee (27 november 1909 - 16 mei 1955)

 

 

De Nederlandse schrijver, priester en archivaris Joannes Josephus (Jozef) Habets werd geboren in Oirsbeek op 27 november 1829. Zie ook alle tags voor Jos. Habets op dit blog en ook mijn blog van 27 november 2010.

 

Een liedeken van de Bockenrijders uit het jaar 1743. (Fragment)

‘T is wonderdat de goede Godt,
Het soe langh heeft verdraegen
Dat hij ons niet tot schanden spot
Ter dood al heeft verslaegen.
Omdatwij sijn soo boes van aert,
En menigh mensch hebben vermoert,
Int midden van de nachte
Als niemant op ons dachte.

Van vrijroeff en dieverijen
Men salt u gaen verbreijen,
Geschiedt int landt van alle heeren,
Kombt luijster met begeeren,
Wat daer is geschied all op die Baen
Een compagnie van meer dan honderd man,
Die meijste daervan gevangen,
Die anderen werden ook al banghe.

Ick sallt vertoenen heel onversoembt
En duijdelijck hier gaen noemen,
Wat daer is geschied van dorp tot dorp.
Wil klaerlijck gaen verthoenen,
Die daer mit kommen op de Baen.
Vier aeffdoeder wij gevonden haen;
Die Onderbenck doen ter handen
Sijn ook een deel in banden.

 

 2096345-663a89e67555778fa4bc218028027063.JPG
Jos. Habets (27 november 1829 - 22 juni 1893)
Beeld van een bokkenrijder in Sint Joost

 

 

De Duitse dichter, schrijver en diplomaat Friedrich Ludwig Rudolf Freiherr von Canitz werd geboren op 27 november 1654 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Friedrich von Canitz op dit blog en ook mijn blog van 27 november 2010.

 

Eitelkeit des Zeitlichen

Es eilet unsre Zeit, als wie ein Spiel, dahin,
Die Stunden und der Tag, der Monat und die Jahre
Begleiten insgesammt uns zu der Todten-Bahre;
Und ich weiß heute nicht, ob ich noch Morgen bin.
Was nützt dir die Gestalt? Was nützt dein hoher Sinn,
Der nicht an schlechtem Gut sich suchet zu ergötzen?
Bestricket ihn der Tod nicht auch mit seinen Netzen?
Ein Lacken und ein Bret ist endlich der Gewinn.
Spiel noch so lang und gut die Rolle hier auf Erden,
Der Schau-Platz muß einmahl doch zugezogen werden.

 

 

Als den Albend vorher, am Buß-Tage, drey Maßkirte Damen sich bey Hofe eingefunden

Als gestern unsre Stadt, wie ehmahls Ninive,
Im Sack und Asche lag, und ihre Fasten hielte,
Geschah es, bey der Nacht, daß, zwischen Ach und Weh,
Das schon betrübte Volck ein neues Schrecken fühlte;
Drey Maßken liessen sich in fremdem Zierath sehn,
Ich weiß nicht, ob sie uns vielleicht zum Trost erschienen.
Sie sahen denen gleich, die hin zum Paris gehn,
Durch seinen Richter-Spruch den Apffel zu verdienen.
Propheten, die ihr sonst die Geister prüfen könnt,
Und ob es solche sind, die Gott den Herren loben,
Ihr, die ihr jedes Ding bey seinem Nahmen nennt,
Sagt, kamen diese drey von unten oder oben?

 

 2096345-a8b3e81bad5d648b5ff1bc0c4bb8d339.jpg
Friedrich von Canitz (27 november 1654 - 11 augustus 1699)
Landgoed Blumberg rond 1860, vanaf 1861 in het bezit van Friedrich von Canitz.

 

 

De Canadese dichter, schrijver, essayist en filmmaker Jacques Godbout werd geboren op 27 november 1933 in Montreal, Quebec. Zie ook alle tags voor Jacques Godbout op dit blog en ook mijn blog van 27 november 2010.

Uit: Le tour du jardin

« Les grands défis démocratiques sont derrière nous : les gouvernements, interreliés par la mondialisation des flux financiers, sont désormais plus ou moins impuissants. Un gouvernement démocratiquement élu ne peut garantir à ses citoyens le filet social ou l’environnement sain promis que si l’équilibre de son budget le permet, or cet équilibre dépend de l’univers financier international, en bonne partie gangrené par les mafias et les conglomérats financiers, à l’abri de tout contrôle. La liberté réelle d’agir pour le peuple par le peuple s’est lentement évaporée.
Le XIXe siècle a inventé la démocratie, je ne sais quel nom on donnera à cette postdémocratie qui s’installe présentement. Hier, dans une agglomération, les villageois étaient libres de leurs mouvements et de leur pensée, mais ils demeuraient solidaires, on savait ce que chacun mangeait et buvait, si celui-ci allait à la messe, qui avait une maîtresse, qui accumulait un magot, quelle était son allégeance politique, à quelle publication l’un ou l’autre s’abonnait. La postière, le boucher, le curé, le notaire, les vieilles filles derrière les rideaux tirés, les lignes téléphoniques doubles et le reste étaient le Facebook de la petite société. Or on pouvait s’en échapper, partir en ville, retrouver la liberté dans l’anonymat.
Cet exil n’est plus possible dans le village global. La toile d’araignée du système marchand vous englue et vous tient prisonnier. Les voisins qui, dans le système rural, vous espionnaient vous suivent sur votre page Facebook. Les gouvernements qui espionnent vos communications, cartes à puce et réseaux sociaux sont vos nouveaux tuteurs."

 2096345-2e2a0f71f4b01195234976a759ba20a5.jpg
Jacques Godbout (Montreal, 27 november 1933)

 

 

De Duitstalige, joodse, Oostenrijkse, Russische en Chinese dichteres en schrijfster Klara Blum werd geboren op 27 november 1904 in Czernowitz in de Bukowina. Zie ook alle tags voor Klara Blum op dit blog.

Uit: Der Hirte und die Weberin

„Welche Sprache möchten Sie erlernen", fragte Hanna auf Chinesisch.
„In welcher Sprache hat Marx geschrieben?", lautete die schüchterne Gegenfrage.
Nach einigem Hin und Her fand Hanna heraus, daß Karl Marx gemeint war.
Ihr neuer Schüler hieß Tschien Chao-Tjen und zählte siebenundvierzig Jahre. Sein Chef, ein Kapitalist allerkleinsten Formats, war sogar der Vetter des Neffen seines Schwiegervaters, aber das nützte ihm nichts. Er verdiente, in Hirse gerechnet, um die Hälfte mehr als vor der Befreiung, also auch jetzt noch wenig genug. Immerhin: er konnte sich schon ein bißchen Privatunterricht leisten.
Zweimal wöchentlich kam er bescheiden und verlegen zur Türe herein und suchte umständlich nach einem schicklichen Platz für seinen breiten Strohhut. Dann öffnete er sein Bündelehen und nahm Geld, Lehrbuch und Heft heraus. Um nichts in der Welt wollte er sich setzen, bevor Hanna saß. Für jede Stunde bereitete er Fragen vor und lernte mir verblüffender Auffassungsgabe. Sein Heft hatte er mit hübschen farbigen Tinten symmetrisch in kleine Rubriken geteilt. In die eine schrieb er das deutsche Wort, in die andere die chinesische Transkription, in die dritte die chinesische Bedeutung. Es machte Hanna große Freude, ihn zu unterrichten, aber eine Lösung ihrer Existenzfrage war das nicht, und wenn sie noch zwanzig solcher Schüler gehabt hätte.
Und dann: sie war doch nicht unter Lebensgefahr zu den Kommunisten übergelaufen, um abseits zu stehen, abseits von jeder Arbeitsgemeinschaft, abseits vom Strom der Ereignisse, abseits von den Kampfgefährten Nju-Langs.
Sie ging in die Redaktion der Morgenblütenzeitung, der Volkszeitung, des Demokratischen Frauenblattes,', aber nirgends wurde sie vorgelassen.
Eines Abends, von ihren vergeblichen Wegen heimkehrend, überwältigte sie eine plötzliche Vorstellung: Durch diese Straßen bin ich schon einmal gegangen, vor diesen Türen bin ich schon einmal gestanden.“

 2096345-74bee5a1755fc5ed1f1f843aaae9ef45.jpg
Klara Blum (27 november 1904 - 4 mei 1971)
Cover

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 27 november 2008, mijn blog van 27 november 2007 en ook mijn blog van 27 november 2006.

Geschreven door Romenu om 18:12 Reageer op dit bericht

Saskia Goldschmidt

 

Onafhankelijk van geboortedata

 

De Nederlandse schrijfster Saskia Goldschmidt werd geboren in Amsterdam in 1954. Voordat zij zich fulltime op het schrijven stortte, was ze dertig jaar lang theatermaker, producente en docente. Ze werkte intensief samen met verschillende jeugdtheatergezelschappen. Ook was ze projectmanager bij het Tropenmuseum Junior, waar ze drie jaar een uitwisselingsproject tussen kinderen uit Amsterdam en Teheran leidde. Twintig jaar werkte ze als trainingsactrice en co-trainer voor verschillende organisaties, maar in hoofdzaak voor het AMC. Ze gaf communicatietrainingen aan specialisten en verpleegkundigen. Goldschmidt debuteerde in 2011 met “Verplicht gelukkig, portret van een familie”, een boek waarin ze onderzoekt hoe trauma’s van ouders, behept met overlevingsschuld, worden doorgegeven aan de naoorlogse generatie. Daarna had Goldschmidt de smaak te pakken en anderhalf jaar later volgde haar eerste roman “De Hormoonfabriek”. Het boek stond op de Longlist voor de Libris Literatuurprijs en werd genomineerd voor de Euregioprijs. Vertalingen verschenen in Amerika, Duitsland, Frankrijk, Zuid-Afrika, Engeland, Turkije en Bulgarije. Samen met radiomaker en scenarioschrijver Peter te Nuyl schreef Goldschmidt het scenario voor de gelijknamige twaalf en een half uur durende podcast die op Radio 1 werd uitgezonden. Filmtalents, de productiemaatschappij van Jaques Audiard, nam een optie op de filmrechten. In 2015 verscheen “De Voddenkoningin”.

Uit: De hormoonfabriek

“Iedere dag zak ik verder weg in de somberheid die veel van mijn geleefde tijd gekenmerkt heeft. Ik ken ze goed, de dagen waarop het voelt als of je met je poten in een stroperige,
smerige smurrie staat en iedere beweging te veel energie kost. De uren dat je bewegingloos op bed ligt, omdat je gevangen zit in een cocon van vreugdeloosheid. Daaruit kun je de wereld bezien: de zon die gewoon opkomt alsof haar licht van het grootste belang is. Mizie die de kamer binnenkomt met haar vreugdeloze glimlach. Het rennen van de mensen die zich op straat van hot naar her haasten, alsof door hun handelen de wereld ook maar een greintje beter of slechter wordt. Ja, die illusie heb ik ook gehad, decennialang. Ach, wat heb ik geloofd dat ik ertoe deed, dat ik met mijn capaciteiten, mijn doorzettingsvermogen, mijn intelligentie de wereld tot een betere plek zou maken. En ja, ik heb mijn voetafdruk gezet. Maar of daarmee de wereld geholpen is? De regen schuwen en in de sloot vallen, meer doen we niet, niemand van ons.
Vroeger wist ik, zelfs in de somberste dagen van vreugdeloosheid, dat ik vanuit mijn cocon weer de wereld in zou stappen om deel te nemen aan de strijd. En slecht deed ik dat niet, ik behoorde tot de winnaars. Sinds Darwin weten we dat het erom gaat te eten of gegeten te worden. Ik heb actief meegedaan. Maar uiteindelijk heeft al die activiteit me slechts één besef gebracht en dat is dat het er niet toe doet. Of je een winnaar of verliezer bent, dader of slachtoffer, het maakt geen moer uit.
Nu weet ik dat ik de cocon nooit meer uitkom. Dit is het eindpunt, het godvergeten laatste hoofdstuk. En wat verlang ik ernaar om deze hele bende de rug toe te keren, de laatste zucht te slaken. Laat het maar afgelopen zijn, het is al zo lang de hoogste tijd!
Maar de dood is hardvochtig en grijpt bij voorkeur malse hapjes. Het jeugdige overmoedige haantje dat op zijn brommer stapt en zich te pletter rijdt tegen een vrachtauto, de dikke big in haar volautomatische karretje dat het af laat weten midden op de spoorweg, de jonge moeders die met
vreugde hun broedsel op de wereld hebben geworpen en pas na de pijn van de weeën beseffen wat voor brok kwetsbaarheid ze op aarde geschopt hebben. In de bloei van het leven, zo heeft hij ze graag.
Maar een oude, taaie, uitgedoofde man als ik, die laat hij het liefst liggen. De tijd van het creperen eindeloos uitsmerend.
Ik ben nog volledig in het bezit van mijn verstandelijke vermogens, die als in een slechte witz ieder lichamelijk verval registreren. Dat verdomde lichaam, slaaf van niet te beheersen driften. De ene na de andere functie valt uit, als bij een rat waarop de werking van een stof wordt getest tot hij uiteindelijk amechtig hijgend in zijn kooitje neerligt. De pijn neemt toe en de verlossing van de slaap is steeds minder beschikbaar.”

 2187653-0fbe17004c125a6392c0891ac7a1920e.jpg
Saskia Goldschmidt (Amsterdam, 1954)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Jesus Christus herrscht als König (Philipp Friedrich Hiller)

 

Bij Christus Koning

 

 2095871-c88da93917cd97868d43555897436d0c.jpg
Christus Koning mozaïek in de kloosterkerk van de Franciscanessen
in Thuine (Nedersaksen),
in 1929 ontworpen door de kunstenaar Georg Poppe

 

 

Jesus Christus herrscht als König
Erbauungslied

Jesus Christus herrscht als König,
alles wird ihm untertänig,
alles legt ihm Gott zu Fuß.
Aller Zunge soll bekennen,
Jesus sei der Herr zu nennen,
dem man Ehre geben muß.

Fürstentümer und Gewalten,
Mächte, die die Thronwacht halten,
geben ihm die Herrlichkeit;
alle Herrschaft dort im Himmel,
hier im irdischen Getümmel
ist zu seinem Dienst bereit.

Gott ist Herr, der Herr ist Einer,
und demselben gleichet keiner,
nur der Sohn, der ist ihm gleich;
dessen Stuhl ist unumstößlich,
dessen Leben unauflöslich,
dessen Reich ein ewig Reich.

Gleicher Macht und gleicher Ehren
sitzt Er unter lichten Chören
über allen Cherubim;
in der Welt und Himmel Enden
hat Er alles in den Händen,
denn der Vater gab es ihm.

Nur in Ihm - o Wundergaben!-
können wir Erlösung haben,
die Erlösung durch sein Blut.
Hört's: Das Leben ist erschienen,
und ein ewiges Versühnen
kommt in Jesu uns zugut.

Jesus Christus ist der Eine,
der gegründet die Gemeinde,
die Ihn ehrt als teures Haupt.
Er hat sie mit Blut erkaufet,
mit dem Geiste sie getaufet,
und sie lebet, weil sie glaubt.

Gebt, ihr Sünder, Ihm die Herzen;
klagt, ihr Kranken, Ihm die Schmerzen;
sagt, ihr Armen, Ihm die Not!
Wunden müssen Wunden heilen,
Heilsöl weiß Er auszuteilen,
Reichtum schenkt Er nach dem Tod.

Eil, es ist nicht Zeit zum Schämen!
Willst du Gnade? Du sollst nehmen.
Willst du leben? Das soll sein.
Willst du erben? Du wirst sehen.
Soll der Wunsch aufs Höchste gehen:
Willst du Jesum? Er ist dein.

Zwar auch Kreuz drückt Christi Glieder
hier auf kurze Zeit darnieder,
und das Leiden geht zuvor.
Nur Geduld! Es folgen Freuden;
nichts kann sie von Jesu scheiden,
und ihr Haupt zieht sie empor.

Ihnen steht ein Himmel offen,
welcher über alles Hoffen,
über alles Wünschen ist.
Die gereinigte Gemeinde
weiß, daß eine Zeit erscheine,
wo sie ihren König küßt.

Jauchz' Ihm, Menge heilger Knechte,
rühmt, vollendete Gerechte,
und du Schar, die Palmen trägt,
und du Blutvolk in der Krone,
und du Chor vor seinem Throne,
der die Gottesharfen schlägt!

Ich auch auf der tiefsten Stufen,
ich will glauben, reden, rufen,
ob ich schon noch Pilgrim bin:
Jesus Christus herrscht als König,
alles sei Ihm untertänig,
ehret, liebet, lobet Ihn!

 2095871-557fc9e8f1c1d753f623438c3029cf31.jpg
Philipp Friedrich Hiller (6 januari 1699 - 24 april 1769)
Oud raadhuis en dorpskerk in Mühlhausen an der Enz, de geboorteplaats van Philipp Friedrich Hiller

 

Zie voor de schrijvers van de 26e november ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:54 Reageer op dit bericht

Luisa Valenzuela, Eugène Ionesco, Marilynne Robinson, Louis Verbeeck, Mihály Babits

De Argentijnse schrijfster Luisa Valenzuela werd geboren op 26 november 1938 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Luisa Valenzuela op dit blog.

Uit: Strange things happen here (Vertaald door Helen lane)

“You see them on street corners, Even Elba said something about it the other day, can you imagine, she's so nearsighted, Just like science fiction, they've landed from another planet even though they look like guys from the interior but with their hair so well combed, they're nice and neat I tell you, and I asked one of them what time it was but didn't get anywhere-they don't have watches, of course, Why would they want a watch anyway, you might ask, if they live hi a different time from us? I saw them, too. They come out from under the pavement hi the streets and that's where they still are and who knows what they're looking for, though we do know that they leave holes in the streets, those enormous potholes they come out of that can't ever be filled in, The guy with the vermouth isn't listening to them, and neither are Mario and Pedro, who are worrying about a briefcase forgotten on a chair that's bound to contain something of value because otherwise it wouldn't have been forgotten just so they could get it, just the two of them, not the guy with the lots going on at the other end of the cafe and there's nobody at this end and Mario and Pedro know it's now or never. Mario comes out first with the briefcase under his arm and that's why he's the first to see a man's jacket lying on top of a car next to the sidewalk. That is to say, the car is next to the sidewalk, so the jacket lying on the roof is too. A splendid jacket, of stupendous quality. Pedro sees it too, his legs shake because it's too much of a coincidence, he could sure use a new jacket, especially one with the pockets stuffed with dough. Mario can't work himself up to grabbing it. Pedro can, though with a certain remorse, which gets worse and practically explodes when he sees two cops coming toward them to .. "We found this car on a jacket. This jacket on a car. We don't know what to do with it. The jacket, I mean." "Well, leave it where you found it then. Don't bother us with things like that, we have more important business to attend to." More crucial business. Like the persecution of man by man if you'll allow me to use that euphemism. And so the famous jacket is now in Pedro's trembling hands, which have picked it up with much affection. »

 

 2095868-b69a6bb0986f914307b3c1c1bed3c336.jpg
Luisa Valenzuela (Buenos Aires, 26 november 1938)

 

 

De Frans-Roemeense schrijver Eugène Ionesco werd geboren op 26 november 1912 in Slatina, Roemenië. Zie ook alle tags voor Eugène Ionesco op dit blog.

Uit: Rhinocéros (Vertaald door Derek Prouse)

“The scene is a square in a small provincial town. Up-stage a house composed of a ground floor and one storey. The ground floor is the window of a grocer's shop. The entrance is up two or three steps through a glass-paned door. The word EPICERIE is written in bold letters above the shop window. The two windows on the first floor are the living quarters of the grocer and his wife. The shop is up-stage, but slightly to the left, not far from the wings. In the distance a church steeple is visible above the grocer's house. Between the shop and the left of the stage there is a little street in perspective. To the right, slightly at an angle, is the front of a café. Above the cafe, one floor with a window; in front, the café terrace; several chairs and tables reach almost to centre stage. A dusty tree stands near the terrace chairs. Blue sky; harsh light; very white walls. The time is almost mid-day on a Sunday in summer-time. JEAN and BERENGER will sit at one of the terrace tables. [The sound of church bells is heard, which stop a few moments before the curtain rises. When the curtain rises, a woman carrying a basket of provisions under one arm and a cat under the other crosses the stage in silence from right to left. As she does so, the GROCER'S WIFE opens her shop door and watches her pass.] GROCER'S WIFE: Oh that woman gets on my nerves! [To her husband who is in the shop:] Too stuck-up to buy from us nowadays. [The GROCER'S WIFE leaves; the stage is empty for a few moments.]
[JEAN enters right, at the same time as BERENGER enters left. JEAN is very fastidiously dressed: brown suit, red tie, stiff collar, brown hat. He has a reddish face. His shoes are yellow and well polished. BERENGER is unshaven and hatless, with unkempt hair and creased clothes; everything about him indicates negligence. He seems weary, half-asleep; from time to time he yawns.]
JEAN: [advancing from right] Oh, so you managed to get here at last, Berenger !
BERENGER: [advancing from left] Morning, Jean !
JEAN: Late as usual, of course. [He looks at his wrist watch.] Our appointment was for 11.3o. And now it's practically mid-day.
BERENGER: I'm sorry. Have you been waiting long?
JEAN: No, I've only just arrived myself, as you saw. [They go and sit at one of the tables on the all terrace.]
BERENGER: In that case I don't fed so bad, if you've only just ...“

 

 2095868-1278c655fee1f362ed4309d2e8d383a4.jpg
Eugène Ionesco (26 november 1912 – 28 maart 1994)
Scene uit een opvoering in New York, 2012

 

 

De Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson werd geboren in Sandpoint, Idaho op 26 november 1943. Zie ook alle tags voor Marilynne Robonson op dit blog.

Uit: The Givenness of Things: Essays

“If there is anything in the life of any culture or period that gives good grounds for alarm, it is the rise of cultural pessimism, whose major passion is bitter hostility toward many or most of the people within the very culture the pessimists always feel they are intent on rescuing. When panic on one side is creating alarm on another, it is easy to forget there are always as good grounds for optimism as for pessimism, exactly the same grounds, in fact. That is because we are human. We still have every potential for good as we ever had, and the same presumptive claim to respect, our own respect in one another. We are still creatures of singular interest and value, agile of soul as we have always been and as we will continue to be even despite our errors and degradations for as long as we abide on this earth. To value one another is our greatest safety, and to indulge in fear and contempt is our gravest error.”
(...)

“I have mentioned the qualitative difference between Christianity as an ethic and Christianity as an identity. Christian ethics goes steadfastly against the grain of what we consider human nature: the first will be last, to him who asks give, turn the other cheek, judge not. Identity on the other hand appeals to a constellation of the worst human impulses. It is worse than ordinary tribalism because it assumes a more than virtuous “us” on one side and on the other a “them” who are very doubtful indeed, who are in fact a threat to all we hold dear.”
(…)

“Cultural pessimism is always fashionable, and since we are human, there are always grounds for it. It has the negative consequence of depressing the level of aspiration, the sense of the possible... it is easy to forget that there are always as good grounds for optimism as for pessimism--exactly the same grounds, in fact--that is, because we are human. We still have every potential for good we have ever had, and the same presumptive claim to respect, our own respect and one another's. We are still creatures of singular interest and value, agile of soul as we have always been and as we will continue to be even despite our errors and depredations, for as long as we abide on this earth.”

 

 2095868-ecfc3d54d305d975bc2288906a11ed16.jpg
Marilynne Robinson (Sandpoint, 26 november 1943)
Hier in 2015 met president Obama 

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Louis Verbeeck werd geboren in Tessenderlo op 26 november 1932. Zie ook alle tags voor Louis Verbeeck op dit blog.

 

Wiegelied

Slaap, kleine prins, en droom nog maar even
Droom maar zolang je een droom wordt gegeven
Droom van een wereld met slagroom erop
Want later dan gooien ze die naar je kop

Jij bent nog heel klein maar je wordt al bewonderd
Je telde daarnet zonder haperen tot honderd
Ik word dan wat bang want dat cijfers citeren,
heeft Wernher von Braun vroeger ook moeten leren
Die heeft in zijn jeugd ook veel letters gespeld,
die heeft ook voor het eerst eens tot twintig geteld
Z'n Vatie wist ook niet dat na al die dromen
wat later basis Peenemünde zou komen

Slaap, kleine prins, en droom nog maar even
Droom maar zolang je een droom wordt gegeven
Later dan komt er van dromen niet veel
Je sterft misschien jong voor wat zwart, rood en geel

Ik zag je vanmiddag nog spelen verzinnen,
met uit de buurt zes of zeven vriendinnen
Je deed het zo dacht ik een beetje James Bond-ig,
al is dat zo jong op jouw leeftijd niet zondig
En eerlijk gezegd, ik was een beetje jaloers
Want later dan moet je veranderen van koers
en doe je dat niet roept de buurt al te gader
Het valt niet te verwonderen met zulk een vader

Speel, kleine prins, speel met je vriendinnen
Speel maar zolang je niet hoeft te beminnen
Nu noemt de buurvrouw zo'n kind sociaal
Maar later dan vindt ze zoiets een schandaal

Dus plons in het bad en spat als een kikker
Ren door het huis in je kletsblote flikker
Trap maar je bal door de ruit der buren
en loop door de plassen en schrijf op de muren
Word maar verliefd op de juffrouw op school,
maak van de melkboer een superidool
Bid maar tot God om wat haar op je benen,
huil maar eens uit om die trap op je schenen

Huil, kleine Wim, ach huil nog maar even
Huil maar zolang je een traan wordt gegeven
Huil maar en speel maar en zing maar en dans
Want later dan mag dat alleen in romans.

 

 2095868-9d5ff281732f2ee61159a5ae26ee8b9b.jpg
Louis Verbeeck (Tessenderlo, 26 november 1932)
Cover 

 

 

De Hongaarse dichter, schrijver en vertaler Mihály Babits werd geboren op 26 november 1883 in Szekszárd. Zie ook alle tags voor Mihály Babits op dit blog.

 

Zigeunerlied (Fragment)

Weht der Wind daher, dahin,
wandert die Zigeunerin.
Rotes Kopftuch, buntes Hemd,
Haar pomadenglatt gekämmt,
bündelt ihre Siebensachen,
muß dem Kind ein Bettchen machen:
Tuch um Hüft und Hals gewunden,
oben, unten zugebunden.
"Schläfst auf meinem Rücken fein,
winziges Zigeunerlein!
Wandern wir durch dunkle Wälder,
schlechte Felder, gute Felder,
schönes Land, grünes Land,
allzeit summt der Wind bekannt.

Schattend steht am Weg der Baum,
und mein Liebchen weint im Traum.
Beeren ziehn die Zweige nieder.
Tun vom Wandern weh die Glieder,
Bündel an den Baum geschwind,
schaukelt das Zigeunerkind.
"Maulbeerbaum kann uns was lehren:
Trägt die Wiege, trägt die Beeren,
gibt dazu auch trocknes Reisig -
wie man Feuer macht, das weiß ich.
Brennt die Flamme lichterloh,
findt ein Topf sich irgendwo,
aus dem Topf in den Kropf
blauer Himmel überm Kopf."

 

Vertaald door Annemarie Bostroem

 

 2095868-b0a94e62bebb7c6d3f96569b0008d172.jpg
Mihály Babits (26 november 1883 - 4 augustus 1941)
Mihály en Ildikó Babits in Italië in 1940

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e november ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 26 november 2008, mijn blog van 26 november 2007 en ook mijn blog van 26 november 2006.

Geschreven door Romenu om 13:51 Reageer op dit bericht

Herman Gorter, William Cowper, Theophilus Cibber, Alyosha Brell, Mohamed Al-Harthy, René Becher

De Nederlandse dichter Herman Gorter werd geboren in Wormerveer op 26 november 1864. Zie ook alle tags voor Herman Gorter op dit blog.

 

Zie je ik hou van je

Zie je ik hou van je,
ik vin je zo lief en zo licht -
je ogen zijn zo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je ogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zo vrees'lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen -
Maar ik kan het toch niet zeggen.

 

 

Uit: Mei

Maar in zijn rand verbrak de zee in reven
Telkens en telkens weer, er boven dreven
Als gouden bijen wolken in het blauw,
Duizende volle mondjes bliezen dauw
En zout in ronde droppen op den rand
Van roodgelipte schelpen, vn het strand
De bloemen, witte en geele als room en rood'
Als kindernagels, en gestreepte, lood-
Blauw als een avondlucht bij windgetij.
Kinkhorens murmelden hun melodij
In rust, op 't gonzen van de golf dreef voort
Helderder ruischen als in drooger woord
Vochtige klinkers, schelpen rinkelden
In 't glinst'rend water glas en kiezel en
Metalen ringen, en op veeren wiek
Vervoerde waterbellen vol muziek
Geladen, lichter wind. Over het duin
Dreven ze door de lucht tot in den tuin
Van Holland, en die schoon en vol was zonk
En brak in 't zinken wijl muziek weerklonk
Schooner dan stemmen, en van mijmerij
Elk duin opzag verre en van nabij.

En in een waterwieg, achter in zee -
Duizend schuimige spreien deinen mee -
Ontwaakt' een jonge Trion en een lach
Vloeid' over zijn gelaat heer, als hij zag
De waterheuvels om zich en een toren
Van een wit wolkje boven zich, zijn horen
Lag in zijn blooten arm, verguld in blank.
Hij blies er in, er viel een zacht geklank
Als zomerregen uit den gouden mond.

 

 2095856-fb4644194f38b3d946e1f2069aea54ab.jpg
Herman Gorter (26 november 1864 - 15 september 1927)
Cover

 

 

De Engelse dichter William Cowper werd geboren op 26 november 1731 in Berkhamstead, Herford. Zie ook alle tags voor William Cowper op dit blog.

 

On The Neglect Of Homer

Could Homer come himself, distressed and poor
And tune his harp at Rhedicina's door,
The rich old vixen would exclaim, (I fear,)
'Begone! no tramper gets a farthing here.'

 

 

On The Astrologers

The astrologers did all alike presage
My uncle's dying in extreme old age;
One only disagreed. But he was wise,
And spoke not till he heard the funeral cries.

 

 

On Pallas Bathing, From A Hymn Of Callimachus

Nor oils of balmy scene produce,
Nor mirror for Minerva's use,
Ye nymphs who lave her; she, array'd
In genuine beauty, scorns their aid.
Not even when they left the skies,
To seek on Ida's head the prize
From Paris' hand, did Juno deign,
Or Pallas in the crystal plain
Of Simois' stream her locks to trace,
Or in the mirror's polished face,
Though Venus oft with anxious care
Adjusted twice a single hair.

 

 2095856-80b089659ed94e6eed1983506e844301.jpg
William Cowper (26 november 1731 – 25 april 1800)
Teiresias en Athena door Louis-Jean-Francois Lagrenée,1725

 

 

De Engelse schrijver en acteur Theophilus Cibber werd geboren op 26 november 1703 in Londen. Zie ook alle tags voor Theophilus Cibber op dit blog.

Uit: The Lives of the Poets of Great Britain and Ireland (Christopher Marlowe)

“Was bred a student in Cambridge, but there is no account extant of his family. He soon quitted the University, and became a player on the same stage with the incomparable Shakespear. He was accounted, says Langbaine, a very fine poet in his time, even by Ben Johnson himself, and Heywood his fellow-actor stiles him the best of poets. In a copy of verses called the Censure of the Poets, he was thus characterized.

Next Marloe bathed in Thespian springs,
Had in him those brave sublunary things,
That your first poets had; his raptures were
All air and fire, which made his verses clear;
For that fine madness still he did retain,
Which rightly should possess a poet's brain.

His genius inclined him wholly to tragedy, and he obliged the world with six plays, besides one he joined for with Nash, called Dido Queen of Carthage; but before I give an account of them, I shall present his character to the reader upon the authority of Anthony Wood, which is too singular to be passed over. This Marloe, we are told, presuming upon his own little wit, thought proper to practise the most epicurean indulgence, and openly profess'd atheism; he denied God, Our Saviour; he blasphemed the adorable Trinity, and, as it was reported, wrote several discourses against it, affirming Our Saviour to be a deceiver, the sacred scriptures to contain nothing but idle stories, and all religion to be a device of policy and priestcraft; but Marloe came to a very untimely end, as some remarked, in consequence of his execrable blasphemies. It happened that he fell deeply in love with a low girl, and had for his rival a fellow in livery, who looked more like a pimp than a lover. »

 

 2095856-57a9c47c152741f9909c19a298a6e73f.jpg
Theophilus Cibber (26 november 1703 - oktober 1758)
Een anoniem portret in Corpus Christi College, Cambridge, waarvan wordt aangenomen dat het Christopher Marlowe toont

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver Alyosha Brell werd geboren in 1980 in Wesel. Zie ook alle tags voor Alyosha Brell op dit blog.

Uit: Kress

„Als Kress an einem Morgen im Mai die Tür seiner Wohnung abschloss und die Treppe hinabschritt, stand unten, vor seinem Briefkasten. ein Fahrrad. Erbittert presste er die Lippen zusammen. Schon vergangene Woche harre dieses Gefährt vor seinem Briefkasten gestanden. Vergangene Woche aber harte er sich noch nachsichtig gezeigt: Jeder machte einmal einen Fehler, auch er, Kress, war- zumindest theoretisch - vor Fehlern nicht gefeit. Die Wiederholung der Tat bewies jedoch: Dem Fahrradabsteller war nicht lediglich ein Fehler unterlaufen. Er handelte aus Bosheit. Es war ihm an einer Störung des Hausfriedens gelegen. Möglicherweise lag sogar eine gezielte Attacke gegen ihn persönlich vor, den Studenten der Literaturwissenschaft Kress. Wie einfach wäre es gewesen, die Reifen zu durchstechen oder das Schnappschloss mit Sekundenkleber zu zerstören. Stattdessen setzte Kress seine Tasche ab. entnahm ihr einen Bogen Papier und beschrieb ihn in großen Buchstaben mit den Worten: "FARRÄDER SIND LAUT. HAUSORDNUNG IM INNENHOF ABZUSTELI.EN.« Das Ganze unterschrieb er mit „DIE MIETERGEMEINSCHAFT“. Zwar war er sich nicht sicher, ob die Hausordnung das Abstellen von Fahrrädern im Flur tatsächlich verbot. Wo er darüber nachdachte, war er sich nicht einmal sicher, ob es eine Hausordnung überhaupt gab. Aber wie dem auch sei, es gab immer auch so etwas wie eine gefühlte Hausordnung, und diese gefühlte Hausordnung verbot das Abstellen von Fahrrädern nachdrücklich und stellte es sogar unter Strafe. Also klemmte Kress den Zettel auf den Gepäckträger und verstaute die Schreibutensilien wieder in seiner lasche. Dann, routinemäßig, zückte er seinen Schlüsselbund und warf einen Blick in den Briefkasten. Zu seiner Überraschung fanden sich unter den üblichen Wurfsendungen drei richtige, an ihn adressierte Briefe. Das war ungewöhnlich, beinahe niemand kannte seine Adresse. Er stopfte den Werbemüll in die Briefkästen seiner Nachbarn und nahm sich die Briefe vor. Der erste enthielt eine Nachricht seiner Bank. Offenbar war der Dauerauftrag mittels dessen er seine Miete bezahlte, nicht ausgeRihrt worden. Die Rank verstieg sich zu der Behauptung. sein Konto habe nicht die notwendige Deckung aufgewiesen. Natürlich ein Irrtum. Beunruhigt mischte er den zweiten Brief auf, der von seiner Hattsverwaltung stammte, einer Eureka/Rivers Property Management GmbH. Die Hausverwaltung stellte das Ausbleiben seiner Miete fest. Zugleich wurde er aufgefordert. den offenen Betrag binnen sieben Tagen zu überweisen. Aha. dachte Kress und ließ seine Zunge über den linken Eckzahn gleiten. Das war irgendwie nicht sogut. Er schob die Briefe in seine Tasche und öffnete den dritten: 'Profitieren Sie von ausgezeichneten Renditechancen und investieren Sie in die asiatischen Wachstumsmärkte..“

 

 2095856-b5ca244a3976c7d863610fb4ac22e94a.jpg
Alyosha Brell (Wesel, 1980)

 

 

De Omaanse dichter Mohamed Al-Harthy werd geboren in al-Mudhayrib, Oman, in 1962. Zie ook alle tags voor Mohamed Al-Harthy op dit blog.

 

After we’re gone, thet know

“When you think how big their feet are in black rubber
And it slippery underfoot always, it is clever
How they thread and manage among the sprawled nets, lines,
Hooks, spidery cages with small entrances.
But they are used to it. We do not know their names.
They know our needs, and live by them, lending them wiles
And beguilements we could never have fashioned for them.”
- W.S. Merwin

 

This is part of your poem ‘The Fishermen’,
which I read in a café
near the fish market in Seeb,
waiting for the boats to return
so I could buy one of the fish
that a fisherman had just brought ashore—
a fisherman wearing a striped headwrap
and a short dishdasha,
and whose name I did now know
(just like in your poem).
He was barefoot, and did not have
those long black rubber boots
(and he surely hadn’t read your poem, Merwin),
but he was friendly as we negotiated a price
that was good for him
and good for me,
so I read him the end of your poem while we bargained:
 
“They carry the ends of our hungers out to drop them
To wait swaying in a dark place we could never have chosen.
By motions we have never learned they feed us.
We lay wreaths on the sea when it has drowned them.”
 
He liked the end, for he gave an impromptu reply:
 
“When we drown in the Gulf, the living
don’t lay wreaths in the sea:
after we’re gone, they know
those wreaths would wait for us forever
in the expanses of eternity.
We’ve sealed the deal for the fish,
and this friend of mine
is selling spices and peppers
and coconuts just in from Kerala,
so follow him to his store:
maybe you’ll throw a feast
for your friend the poet, and maybe
he’ll write another poem
about our short dishdashas
and our bare feet.”

 

Vertaald door Kareem James Abu-Zeid

 

 2095856-3d6d6c29cd23a74336c6f685f70d0a57.png
Mohamed Al-Harthy (al-Mudhayrib, 1962)

 

 

De Duitse schrijver René Becher werd geboren in 1977 in Bayreuth. Zie ook alle tags voor René Becher op dit blog.

Uit: Etzadla

„Von links zischen die Bratwürste, der Zapfhahn bro-delt, Bierschaum für die Gemeindekatze Gabriel. „Was für ein schöner, herrlicher Mig." Adler zeigt hi-nauf in den Himmel, und tatsächlich: Eine'frost spendende Sonne tut sich da zwischen den bösen Wolken auf. „Alle vollzählig", so stellt Adler fest, „hätt ich sonntags auch mal gern." Gelächter von den Biertischen. „Schön, dass wir heute alle hier sein können, im war-men Schoß unserer Gemeinde." Adler blinzelt gegen die Sonne an. Christian trägt eine hellblaue Cappy, Hele-ne ihr Sommerjäckchen. Adler schaut auf seine sünd-haft teure Armbanduhr, winkt mir zu, später Samstag-nachmittag, winkt mich zu sich, ich bewege mich nicht mehr. Und Adler gedenkt unerwartet meines Vaters. Ganz still wird es da. Helene nimmt meine Hand, und Michel nimmt ihre Hand wieder weg. Adler erinnert sich jetzt an Vater. Er zeigt auf den Maibaum und meint: „Ein kräftiger Hinlanger, der Wer-ner." Der Alleinunterhalter spielt einen Tusch, die Gemein-de klatscht. Adler hebt das Mikrofon und deutet damit hinter sich, ins Gemeindehaus, und kratzt sich das spit-ze Kinn. Er legt den Zeigefinger an die Lippen: „Er war ein wichtiges Glied unserer Gemeinde", guckt auf sein Thesenpapier und nickt: „War, und ist ja immer noch, der gute Geist unserer Pfadfinderschaft, ein Wald- und Wiesenfreund", und so weiter und so fort: „Werner." Von links brodelt der Zapfhahn, Adler schlägt sich gegen die Stirn: „Und natürlich auch kein Kostveräch-ter!", und lacht und hebt den Daumen und wackelt mit dem Mikrofon und macht Vater ganz nass, verdammt!
Tropfen fielen in diese dunkle Versenkung. Manu-el, den die Jugend Mau nennt, überreichte Adler den Weihwasserwedel. Die Mutter stand in Schwarz und weinte, wie sie sonst nur weint, wenn ihr beim Rad-fahren verrückt gewordene Kleinstadtfliegen ins Auge rutschen. Sie haue noch rechtzeitig sechs Tische beim Ruck-deschel bestellt. Dort dann der Leichenschmaus. „Im-mer diese langweiligen Grabreden." Aber Adler machte seine Sache recht ordentlich. Stand in seiner violetten Stola vor dem gähnenden Loch und argumentierte ganz prächtig. Die Mutter hielt Christian in Schach. Sie schneuzte sich die Nase, dass die Äste erzitterten. Ich stand vor der Versenkung und jemand reichte mir von hinten Vaters Schweizermesser. Und mir gegenüber Ad-ler, verständig nickend. Manuel an seiner Seite. Auch Helene. Sie sah so verdammt gut aus in ihrer hellbrau-nen Ministrantenkutte.“

 2095856-13b45b3b6f5a0412c27d138e7d2df222.jpg
René Becher (Bayreuth, 1977)
Bayreuth

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 26 november 2008, mijn blog van 26 november 2007 en ook mijn blog van 26 november 2006.

Geschreven door Romenu om 13:50 Reageer op dit bericht

Paul Rodenko

De Nederlandse dichter, criticus, essayist en vertaler Paul Thomas Basilius Rodenko werd geboren in Den Haag op 26 november 1920. Hij was de zoon van een Russische vader en een Engelse moeder en een broer van schrijfster Olga Rodenko. In de oorlog werkte hij mee aan de illegale tijdschriften “Maecenas” (Den Haag) en “Parade der Profeten” (Utrecht). Door zijn essays en bloemlezingen over de experimentele poëzie in Nederland, ontstond een klimaat waarin de vernieuwende Beweging van Vijftig in de Nederlandse poëzie in steeds bredere kring werd geaccepteerd. Rodenko, die meteen na de oorlog enkele jaren in Parijs doorbracht, waar hij zich intensief met het surrealisme en het existentialisme bezighield, was zich al voor het optreden van de Vijftigers bewust van de gevolgen van WO II op de literatuur. Zijn essays getuigen van een buitengewone eruditie; door zijn veelzijdige belezenheid en zelfstandige verwerking van de Europese poëzie in het algemeen, wist hij de vernieuwingen in de Nederlandse poëzie in de jaren vijftig moeiteloos te plaatsen in een breder Europees verband. Beroemd werden zijn beschouwingen over onder anderen Gerrit Achterberg en Hans Lodeizen. Zijn gedichten werden in 1975 verzameld onder de titel “Orensnijder tulpensnijder”, Vertalingen uit het Russisch, Frans, Duits en Engels werden ook door hem verzorgd.

 

Februarizon

Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano's.
De populieren werpen met een schoolse nijging
elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.

De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.
Ik draag het donzen masker van
de eerste lentewind.

 

Bommen

De stad is stil.
De straten
hebben zich verbreed.
Kangeroes kijken door de venstergaten.
Een vrouw passeert.
De echo raapt gehaast
haar stappen op.

De stad is stil.
Een kat rolt stijf van het kozijn.
Het licht is als een blok verplaatst.
Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein
en drie vier huizen hijsen traag
hun rode vlag.

 

 

Robot Poëzie

Poëzie, wrede machine
Stem zonder stem, boom
Zonder schaduw: gigantische
Tor, schorpioen poëzie
Gepantserde robot van taal—

Leer ons met schavende woorden
Het woekerend vlees van de botten schillen
Leer ons met nijpende woorden
De vingers van ’t blatend gevoel afknellen
Leer ons met strakke suizende woorden
De stemmige zielsbarrière doorbreken:
Leer ons te leven in ’t doodlijk luchtledig
De reine gezichtloze pijn, het vers

 

 2135788-a4238f7742e67fd34eb7582f52b78bd4.jpg
Paul Rodenko (26 november 1920 - 9 juni 1976)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten