Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 29 januari 2018 tot 30 januari 2018

Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt, Anne-Gine Goemans, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Karl Gerok, Michael Dorris, Anton Hansen Tammsaare

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Bernard Dewulf werd op 30 januari 1960 in Brussel geboren. Zie ook alle tags voor Bernard Dewulf op dit blog.

Uit: Late dagen

“Herfstlicht scheen over de tuin. Dat heeft vaak iets heiigs, alsof iemand in een laatste woede de wereld aan het vegen is en het opzwevende stof nu doelloos laat ronddwarrelen. Elk jaar opnieuw vind ik het groot nieuws, maar nooit haalt het de krant.
Het gras was een laatste keer gemaaid. Een wesp spartelde er nog even in rond. Ik stapte er als een genadige reus overheen en slalomde tussen de paddenstoelen.
De schommel, die sommige dagen hoger heeft gezwierd dan de populier, hing nu al jaren stil. In de druivelaar droogden nog wat aanstaande rozijnen aan een tak.
Het blijkt allemaal geen nieuws. Nooit gebeurt het nieuws hier, altijd daar. Daarom ben ik ook hier en niet daar. Was ik daar, dan zag ik niet wat er hier gebeurt, waar ik liever vertoef. Hier kan ik rustig lezen wat daar gebeurt. Dan denk ik, ze doen daar maar. Daar kunnen ze niet lezen wat hier gebeurt,
aangezien het geen nieuws is.
Tenzij ik het opschrijf, zoals daarnet. En dan nog. Ik noteer het niet om er nieuws van te maken, want dan werd het hier een soort daar.
Ik schrijf het op om te laten weten dat hier ook weleens iets gebeurt. Uiteraard zijn het geen gebeurtenissen, zeker geen historische. Er bestaan andere woorden voor: anekdote, fait divers, bagatel, futiliteit, banaliteit. Of: doordeweeks, dagelijks en zelfs dagdagelijks.
Dat laatste is het dagelijkse in het kwadraat. D2. Trek daarvan de vierkantswortel en het resultaat is mijn bestaan.
Ik geloof graag dat het dagelijkse even historisch is als het historische.
Dat de langswaaiende bries in mijn tuin ooit, uiteindelijk, haast als een tegenwind, soeverein over het graf van de geschiedenis zal gaan. Dat ik, plaatsnemend in het kleine verhaal van mijn tuin en kijkend naar het grootse herfstlicht, in één blik op dat licht alles nietig kan verklaren.
Dat als het waar is dat het universum huist in een zandkorrel, het ook waar moet zijn dat de geschiedenis bestaat in onze kamers.”

 

 2116157-6959eb86d9c14ac6f63b3f14c0cac69a.jpg
Bernard Dewulf (Brussel, 30 januari 1960

 

 

De Nederlandse schrijver Tijs Goldschmidt werd geboren op 30 januari 1953 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Tijs Goldschmidt op dit blog.

Uit: Kloten van de engel

“Op 28 april 1945 schreef de Belgische dichter Gaston Burssens in zijn dagboek dat hij bezoek kreeg van een vriend, de schilder Floris Jespers. Het was een prachtige dag. Burssens en Jespers zaten genoeglijk in de zon op het terras en genoten van de fruitbomen, die uitbundig in bloei stonden. Op een gegeven moment kreeg Jespers zin om te schilderen en kondigde aan: ‘Ik ga dat hoekje van je tuin schilderen zoals Botticelli het nooit heeft gekund.’ Verf en penselen had Jespers bij zich, maar doek had hij kennelijk niet van huis meegenomen. Want toen Burssens dat niet direct bij de hand had, liep Jespers naar binnen en kwam terug met een schilderijtje van Magritte, dat hij van de muur had genomen. Burssens vroeg geschrokken aan Jespers wat hij van plan was. Die antwoordde: ‘Ik ga Magritte een dienst bewijzen door dat doekje over te schilderen. Het is toch niet veel zaaks!’ ‘Na een half uur,’ schreef Burssens, ‘had hij er een Botticelli van gemaakt die een trektang zou doen huilen.’ Jespers zelf was aanmerkelijk minder negatief en constateerde: ‘Het is wel geen Botticelli, maar zoveel slechter dan die Magritte is het toch ook niet!’
Als deze anekdote op waarheid berust, is het me een raadsel waarom Burssens zijn vriend niet tegenhield. Weliswaar was Magritte toen nog niet zo’n monument in de kunstgeschiedenis als tegenwoordig, maar Burssens waardeerde zijn werk zeker. Waarom reageerde hij zo gelaten? Is het soms geen kwaadaardige daad op deze manier een Magritte te vernietigen? Ik zou woedend zijn en had desnoods net zolang met Jespers geworsteld tot het doek van Magritte weer op zijn plek hing.
Het overschilderen van andermans werk kun je zien als een geritualiseerde vorm van vernedering, die doet denken aan het gedrag van IJslandse paarden. Hengsten, en zelfs ruinen, maken hun positie in de hiërarchie manifest door over elkaars vijgen heen te poepen. Een hogergeplaatst dier stapt over de vijg heen van een inferieur mannetje en deponeert zijn eigen vijg er precies bovenop.”

 

 2116157-0fbe17004c125a6392c0891ac7a1920e.jpg
Tijs Goldschmidt (Amsterdam, 30 januari 1953)

 

 

De Nederlandse schrijfster Anne-Gine Goemans werd geboren in Heemstede op 30 januari 1971. Zie ook alle tags voor Anne-Gine Goemans op dit blog.

Uit: Honolulu King

“George schudt zijn hoofd. ‘Je zit ernaast. De man heet Wolferink.’
‘ Verbeek,’ houdt Cok vol.
Cok ziet er vreemd uit, vindt Hardy. Zoals hij daar zit met zijn veel te witte en te grote nieuwe gebit lijkt hij meer op een haai dan op een man van achtenzeventig. Het komt ook door zijn huid. Die is zo strak als die van een bruine haai.
‘Hardy? Wat denk jij?’ vraagt Cok terwijl een kegeltje as op de kipfilet valt. ‘ Wolferink of Verbeek?’
Hardy staat langzaam op uit zijn fauteuil en trekt zijn overhemd met dynamische witte cirkels in de plooi. ‘We gaan hem tracen,’ zegt hij en hij loopt naar de stellingkasten die een buffer vormen tussen zijn afhaalhuisje en het huiskamergedeelte. Veel meer dan een vitrine met gerechten behelst de toko niet. Hardy tilt een plastic krat uit de stellingkast en zet het op de eettafel. Vier kratten heeft hij die tot de rand toe gevuld zijn met cassettebandjes. Keurig in het gelid, met de ruggen van de doosjes naar boven zodat de achternamen zichtbaar zijn.
Jansen. Tikoealoe. Oosterhof. Velthuizen. De Jong. Kakabeke. Disco.
Hardy buigt zich over het krat. ‘Het is Wolff en niemand anders,’ zegt hij stellig en hij ploegt door de cassettebandjes terwijl hij hardop de namen voorleest. George Akkerman en Cok Bakker, respectievelijk bassist en gitarist van hun in de vorige eeuw opgedroogde hawaïband de Honolulu Kings, luisteren in stilte naar de namen.
Hoe vaak hebben ze zo al bij elkaar gezeten om iemand te tracen? ‘ We gaan hem tracen.’ Honderd keer? Honderdvijftig keer? Geen van hen zou het kunnen zeggen. Het begint met een vraag van een van de drie vrienden over een gebeurtenis in de Indische gemeenschap. Bijvoorbeeld wie van de geïnterviewden vertelde dat zijn groep in 1948 was gediskwalificeerd tijdens het hawaïconcours vanwege het optreden van hoelameisjes, terwijl danseressen nadrukkelijk verboden waren op concoursen omdat zij de jury konden beïnvloeden. Was het
Eddy Doorenbos van de populaire Maui Eilanders? Of Peter Schilperoort van de Puka Paka’s?

 

 2116157-5c33e9a7e703846c7dfbed1ab9548edc.jpg
Anne-Gine Goemans (Heemstede, 30 januari 1971)

 

 

De Australische schrijfster Shirley Hazzard werd geboren op 30 januari 1931 in Sydney. Zij overleed op 12 december jongstleden op 85-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Shrley Hazzard op dit blog.

Uit: The Transit of Venus

“It was then that the walking man arrived at the path, and stood. Above him, four old houses were set wide apart on a high curve of hill: holding down, like placed weights, the billowing land. He had been given their names in the village—the names, not of masters but of dwellings. Brick walls were threadbare, tawny; one showed a side of ivy, green as an upturned lawn. The farthest and largest house stood forward from a wood, claiming supremacy.
The man observed from a decisive turn of his own stillness, as if on some great clock he saw the hand fall to the next stroke before his eyes. He turned off the road on the first wave of rain and gale, put his suitcase down, took off his soaked cap, beat it on his side, and stuffed it in a pocket. His hair sprang up like the crops between the gusts and, like them, was quickly, wetly flat. He climbed the hill in the rain, steadily and with no air of wretchedness. Once he paused to look back at the valley—or vale, it might be sweetly, tamely called. Peal on peal of thunder swept it, up and down, until the pliant crops themselves reverberated. On an opposing hill there was a castle—grey, tumid, turreted, and not unsuited to the storm.
Approaching the farthest house, he paused again, looking with as much plain interest as if the weather had been fine. Water ran in his collar from his tilted head. The house darkened, but stood firm. Through two or three centuries of minor additions, Peverel had held to scale and congruity like a principle; consistent except for one enlarged high window—an intentional, frivolous defect like the piercing of an ear for an ornament.
Mud was streaming over gravel and beaten clay. Ledges of clipped privet were shaking all over. The man waded up into the entrance of the house as if from the sea, and pulled a bell. Quick footsteps were perhaps his own heartbeats. The woman who opened the door was old, he thought. Had he himself been a few years older, he might have promoted her to middle age. Age was coiled in smooth grey hair, was explicit in skin too delicate for youth and in a tall if unmartial stance. She drew him in over the paving of what had been a fine hall. Her eyes were enlarged and faded with discovering what, by common human agreement, is better undivulged.”

 

 2116157-d78319bf3a93f836ab0eb1c2165a6aa7.jpg
Shirley Hazzard (30 januari 1931 – 12 december 2016)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Adelbert von Chamisso werd op het slot Boncourt in de Champagne geboren op 30 januari 1781. Zie ook alle tags voor Adelbert von Chamisso op dit blog.

 

An meinem Herzen, an meiner Brust

An meinem Herzen, an meiner Brust,
Du meine Wonne, du meine Lust!
Das Glück ist die Liebe, die Lieb ist das Glück,
Ich hab's gesagt und nehm's nicht zurück.
Hab überschwenglich mich geschätzt
Bin überglücklich aber jetzt.
Nur die da säugt, nur die da liebt
Das Kind, dem sie die Nahrung giebt;
Nur eine Mutter weiß allein
Was lieben heißt und glücklich sein.
O, wie bedaur' ich doch den Mann,
Der Mutterglück nicht fühlen kann!
Du lieber, lieber Engel, du
Du schauest mich an und lächelst dazu!
An meinem Herzen, an meiner Brust,
Du meine Wonne, du meine Lust!

 

 

Das Lied von der Freundschaft

Thöricht ist's, dem sanften Glühen,
Das die Freundschaft mild erregt,
Jene Wunden vorzuziehen,
Die die Liebe grausam schlägt.
Liebe nimmer uns erscheine,
Freundschaft bleib' uns zugewandt!
Wer verläßt Italiens Haine
Für Arabiens heißen Sand?

Für das flüchtige Entzücken,
Das die Liebe sparsam bringt,
Wie viel Qualen uns durchzücken,
Welcher Schrecken uns umringt!
Liebe mag die Blicke weiden,
Wenn ihr Opfer sinkt ins Grab;
Freundschaft nahet sich dem Leiden,
Trocknet ihm die Thränen ab.

Drum der Liebe bangen Schmerzen,
Ihrer Trunkenheit entflohn,
Woll'n der Freundschaft wir die Herzen
Reichen uns zu schönerm Lohn.
Uns die Freundschaft zu versüßen
Noch mit einer schönern Zier,
Laß mich dich als Bruder grüßen,
Gieb den Schwesternamen mir!

 

 2116157-7331dd0529816d3f1297c855aec8c245.jpg
Adelbert von Chamisso (30 januari 1781 - 21 augustus 1838)
Cover

 

 

De Engelse dichter Les Barker werd op 30 januari 1947 geboren in Manchester. Zie ook alle tags voor Les Barker op dit blog.

 

My Way

And now the end is near
And now we face the final curtain;
My friend, I'll say it clear;
I'll state my case, of which I'm certain.
The parking lots are full
With SUVs, as is the highway;
You’ll all buy cars like these;
You’ll do it my way.

Regrets? I've had a few,
I’m sad you all went to Kyoto
And signed that protocol,
That piece of paper I said no to.
My friends who sell the oil,
Who make the cars, all say what I say;
You can’t do things like that;
You’ll do it my way.

For what is a man? What has he got?
He gets a tan; he gets more hot;
He gets more wet as oceans rise;
He gets less ozone in his skies;
Ralph Nader goes right up my nose;
You’ll do it my way.

I've lived; I've sunk some booze;
I've seen the poor, off in the distance;
I’ve heard they make sports shoes;
What’s that they call it? subistence?
I’ll give them Burger King,
A Taco Bell on every highway;
That’s how it has to be;
You’ll do it my way.

For what is a man? Where is he from?
If he’s from here, he’s got the bomb,
Land mines and germs and poison gas;
Has he a gun? I’ll say he has;
My friends and I say when you die
You’ll do it my way.

 

 2116157-2d2a887bc22ec4cc4976d141fbd2da35.jpg
Les Barker (Manchester, 30 januari 1947)

 

 

De Duitse dichter en theoloog en Karl Friedrich von Gerok werd geboren op 30 januari 1815 in Vaihingen an der Enz. Zie ook alle tags voor Karl Gerok op dit blog.

 

Märzensonnenschein

Goldner Märzensonnenschein,
Wie du mild mir schmeichelst,
Wärmest jeden Mauerstein,
Jede Knospe streichelst!

Lockst am Weg das Gras hervor,
Aus dem Haus die Kranken,
Daß sie durch das finstre Thor
Lächelnd wieder wanken.

Knospe hält sich länger kaum,
Möchte heut noch springen;
Vöglein zirpet wie im Traum,
Uebt sich schon im Singen.

Blatt am Baum und Blüt' am Hag,
Blümelein im Garten,
Können ihren Ostertag
Kaum vor Lust erwarten.

Krokus und Blauveigelein,
Primeln, Tulipanen
Tanzten gern den Ringelreih'n,
Schwängen gern die Fahnen.

Käm' ein Regen über Nacht,
Netzte lau die Wurzeln:
Alles würde gleich mit Macht
Aus der Erde purzeln.

Wie, sobald die Schule aus,
Alle Kinder hüpfen,
Aus dem engen, dumpfen Haus
Auf die Gasse schlüpfen,

Und im bunten Flügelkleid
Jubelnd sich zerstreuen,
Rings in Wiese, Wald und Haid'
Sich des Spiels zu freuen.

 

 2116157-4a164db247f619d1e31b6443d655bc8b.jpg
Karl Gerok (30 januari 1815 - 14 januari 1890)
Aussichtsplattform Geroksruhe in Stuttgart, genoemd naar de dichter

 

 

De Amerikaanse schrijver Michael Anthony Dorris werd geboren op 30 januari 1945 in Louisville, Kentucky. Zie ook alle tags voor Michael Dorris op dit blog.

Uit:Morning Girl

“My family calls me Morning Girl because I wake up early.
I always have something on my mind. My mom says it’s because I dream too hard. She’s right. I’m always doing things in my dreams: swimming or searching for shells or finding a good place to fish.
I like being alone in the early morning. My little brother likes the darkness. I don’t know how we got to be so different.
We only seem to pass by each other as the sun rises or the sun sets.
Mother says someday we will be friends. She tells stories about her brother, my Uncle Sharp Tooth. But she doesn’t know my brother the way I do.
He eats too much. He doesn’t know how to be quiet. And who knows what he does when the rest of us are asleep.
This morning, just before dawn, I woke up and I found him staring at me. When we were talking, my father woke up and so did my mother. ”Why won’t the ghosts let us sleep?” they grumbled.
I could have told them it was my brother’s fault. But they would just make jokes and say, ”We’ll listen later, Morning Girl.”
So I went outside where no one else was around. I loved the start of a new day. I could smell the large red flowers and that gave me an idea. I could look for the most beautiful blossoms and put together necklaces for Father and Mother.
They would find them and wonder where the amazing necklaces had come from. And they would be wearing them, and still be happy with me, when my brother finally woke up”

 

 2116157-c62a30dd93de36d405819fd87a9e4a7d.jpg
Michael Dorris (30 januari 1945 – 10 april 1997)
Cover 

 

 

De Estlandse schrijver Anton Hansen Tammsaare werd geboren op 30 januari 1878 in Albu. Zie ook alle tags voor Anton Hansen Tammsaare op dit blog.

Uit: Truth and Justice (Vertaald door Alan Trei and Inna Feldbach)

“It was the end of the third quarter of the last century. The setting sun neared the horizon as the horse pulled a wooden-axled wagon up a hill. A young woman sat atop the wagon and her husband, nearly thirty years old, walked beside them.
When they topped the rise, the last of the sun’s rays lit the man’s broad face, with its firm jaw, steely eyes, and short, thick, black beard. It lit the woman’s sad eyes, too, and the yoked head of the horse, with its ears pricked up.
“There it is—Vargamäe,” said the man, pointing across the marsh to a group of low houses on the next hill. “The buildings you can see are ours. The next farm is behind the hill, in the valley. The Manor Register lists them as Front Family and Back Family, but people call them Hill Farm and Valley Farm. That little grove of pines up there on the hill is ours, too—those old twisted trees. Some of them are half dead.”
He said nothing more and the wagon rumbled on in deepening silence.
The woman looked around. Here was a hill, there another; further on, a third; on the left, a fourth; on the right, a fifth; and behind them, a sixth and seventh and more. Fields and houses covered those hills and the marshland around and between was punctuated by peat bogs covered with scraggly brush.
One of these hills was to be her home. There she would probably spend the rest of her days. The young woman’s heart twisted tightly in her breast. The pain spread lower, through her bowels, squeezing them and clenching at her navel.
She never imagined living in a place like this. To her, home had always been fields and forest—a great forest, which, in the evenings, echoed shouts of joy and the herdsmen’s horns. What could you hear in this place, if you got the notion to sing out like a lark? Would the bogs respond? Would the marshes answer back?
The woman looked at the man striding alongside her, then glanced at the horse she’d seen foaled and watched row on her father’s farm. Eagerly, the man and the horse moved forward, as if anticipating happiness.”

 2116157-2b9e946f982e3099956330d2b6ad76e5.jpg
Anton Hansen Tammsaare (30 januari 1878 – 1 maart 1940)
Cover Estische uitgave

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e januari ook mijn blog van 30 januari 2016 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 30 januari 2007 en ook mijn blog van 30 januari 2008 en eveneens mijn blog van 30 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 18:54 Reageer op dit bericht

Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov, Olga Tokarczuk, Hubert K. Poot, Romain Rolland, Germaine Greer

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Hans Plomp op dit blog.

Uit: Jezus en zijn band

“Door de paarsbruine wolkenflarden snijden schichtige trekvogels een rafelige ‘V’, uiteengejaagd door laagvliegende vliegtuigen en de termiese windkolken tussen de hoge gebouwen.
De oude boomgeesten langs de grachten laten hun bladeren los, mismoedig. ‘Dit is geen leven voor een boom,’ bromt er een. ‘Ik houd al drie jaar een lek in de gasleiding met mijn wortel dicht en toch sta ik het langzaam maar zeker af te leggen. En dat terwijl ik Lodewijk Napoleon nog langs heb zien gondelen in mijn jeugd.’
‘En ik Descartes en de ouwe Spinoza en de dikke Barleus,’ lispelt een boom, bevend over zijn hele gebladerte.
‘Tegen mij heeft Hadjememaar nog staan pissen, maar tegenwoordig heb ik alleen het hondje van Mr. Hilterman, een schraal plasje.’
Zo brommen de boomgeesten onder elkaar, en als ze zwijgen, kietelen ze elkaar onder de grond met de duizenden haarworteltjes en ze laten de dikkere wortels mistroostig in in het laagveen hangen. Zelfs diep onder de grond is schraalhans keukenmeester geworden.
Op het Damrak voelt Larrie zich opeens een toerist. Bij dozijnen schuifelen de gezelschappen af en aan. ‘In de rij! In de rij blijven daar!’ gilt een parmantige gidse schel. Er schiet een echtpaar betrapt terug in de slagorde. ‘Mij willen slechts paar klompjes kopen voor nichtje met klompvoetjes,’ hoort Larrie de bedremmelde man mompelen, hoewel hij ruim buiten gehoorsafstand sjokt.
Hij draait een steeg in naar de Nieuwendijk, waar de geuren uit de keukens van de eetgelegenheden een heel ander verhaal vertellen dan de neonreklames op de voorgevels.
Hier huizen de aasgieren, die rusteloos in de voorbijtrekkende stroom spieden, die met een feilloos oog de voorbijgangers takseren en om de haverklap snel en schoon hun slag slaan.
‘Ze hebben het graag, een vleugje crime,’ grijnslacht een van de kruimelratten tegen Larrie. ‘Ze voelen zich belazerd als ze niet beroofd worden in de buurt van het Anne Frankhuis. Allemaal dikke reisverzekeringen. Je hoeft ze tegenwoordig niet eens meer te róllen, ze drukken je hun gouden klokkies zo in de hand. Allemaal zwáár oververzekerd. En als je moeite hebt met hun zak, maken ze graag het knoopje voor je open. En de anderen maar filmen."

 

 2115776-0abf4d6510246794c8d3f2a3dd4cdbec.jpg
Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)

 

 

De Vlaamse schrijfster Saskia de Coster werd geboren in Leuven op 29 januari 1976. Zie ook alle tags voor Saskia de Coster op dit blog.

Uit: Wij en ik

“Dank u daarvoor, God. Ik verveel u met onbenulligheden. Ik wil u uw kostbare tijd niet afnemen. U hebt het te druk om naar zever te luisteren. Stel u eens voor dat iedereen met het kleinste onbenulligheidje bij u komt zagen. Nee, dat kan niet, zo kan u niet werken. Ik kom ter zake, God.' Melanie Vandersanden-Plottier gelooft dat God alles kan verklaren en haar lot in de palm van zijn buitenmenselijk grote hand kneedt als een balletje gehakt. Hij heeft het laatste woord, al houdt hij vaak zijn mond. Zo wil hij al jaren niets lossen over de dood van haar vroeggestorven zoon Alain en haar geliefde man André. Nee, een pilaarbijter is Melanie niet, eerder een wanhopige gelovige, met grote pijnen opgesloten achter de loden deur van haar hart. Op een grijze woensdagochtend in 1990, luttele maanden nadat achthonderd kilometer verder naar het oosten de Berlijnse muur is neergehaald, een paar weken nadat over de oceaan Gloria Estefan uit het ziekenhuis mag na haar ongeluk en een paar dagen nadat de enorme Hubbletelescoop in het heelal zijn plaats heeft gevonden om naar de aarde te kijken, zit Melanie in het kleinste kamertje op de pot. Melanie is een Vlaamse vrouw die de leeuwenvlag uithangt op feestdagen, een vrouw die deals met God sluit als een maffioso met de rechter van het hoogste gerechtshof, een kloek vrouwtje dat door de wildernis in haar hoofd sjokt en daarbij een vochtig zwart-wit regenwoud in Congo ziet. `Grote God, nu moet u mij echt helpen. Het is een noodgeval. En tussen ons gezegd, u hebt mij toch ook al vaak niet geholpen. Als u mij dit keer wel helpt, vergeet ik dat allemaal. Ik meen het. Dan vergeet ik hoe u mijn lief manneke Alain in de steek heeft gelaten.”

 

 2115776-dddcf3d7334545e8cbff8816371ccc48.jpg
Saskia de Coster (Leuven, 29 januari 1976)

 

 

De Nederlandse schilder en dichter Willem Hussem werd geboren in Rotterdam op 29 januari 1900. Zie ook alle tags voor Willem Hussem op dit blog.

 

vaar op de stroom

vaar op de stroom van de vergankelijkheid
heb geen verwachting heb geen vrees
nadert het einde laat het komen
zorgen worden overbodig

 

 

De takken van de treurwilg

de takken van de treurwilg
aan de slootkant
reiken naar de takken
van een treurwilg in de sloot
een vis hapt lucht
de waterkringen weiden er over uit

 

 2115776-9a396d467db00e279b50627865ce60ec.jpg
Willem Hussem (29 januari 1900 - 21 juli 1974)
Willem Hussem, Sonja Henie, ca. 1950

 

 

De Nederlandse tekstdichter, columnist en schrijver Lennaert Nijgh werd geboren in Haarlem op 29 januari 1945. Zie ook alle tags voor Lennaert Nijgh op dit blog.

 

Nou, dat was het dan

Nou, dat was het dan,
hij gaat de deur uit
na bijna twintig jaar,
nog pas gisteren kwam ie thuis met open knieën,
vuile handen en klitten in z'n haar.

Nou, dat was het dan,
zes jaren tobben,
tussen kerst- en eindrapport,
en telkens weer de angst dat ie bleef zitten,
en dromen van wat ie later wordt.

Nou dat was het dan,
't is net als vroeger,
nu zijn we weer alleen,
net als vroeger in die eerste dolle jaren,
toen 't leven nog zo avontuurlijk scheen.

Nou dat was het dan
't is wel wat eenzaam
na bijna twintig jaar,
het huis lijkt plotseling koud en donker
en wij kruipen net als toen weer bij elkaar.

 

 

Rust en orde II

In zo'n buurt daar kan een dame
niet met goed fatsoen op straat,
want ze staan haar om elk hoekje op te wachten.
Waar zo'n viezerik meteen
z'n dinges aan d'r kijken laat,
als ze haar niet meteen verkrachten.
Er is echt niets verloren
aan die ouwe achterbuurt.
Dus er komen nette straten en geen sloppen,
zonder al die rare hoekjes
waar zo'n kerel dan uit gluurt,
in zo'n nieuwe wijk kan zich geen tuig verstoppen

't Zijn de oproerkraaiers, armoedzaaiers
waar ik zo van walg.
Ja, die moeten allen opgehangen worden.
Want de nette mensen die leven
bij de gratie van de galg,
op voor rust en orde.

 

 2115776-e1d56f5e669bb44b229bd666c8d658ad.jpg
Lennaert Nijgh (29 januari 1945 - 28 november 2002)
Hier met Boudewijn de Groot (rechts)

 

 

De Russische schrijver Anton Tsjechov werd geboren op 29 januari 1860 in Taganrog, een havenstad in Zuid-Rusland. Zie ook alle tags voor Anton Tsjechov op dit blog.

Uit: Kruisbessen (Vertaald door Marja Wiebes en Yulanda Bloemen)

“De hemel was sinds de vroege morgen bedekt met regenwolken; het was rustig weer, niet heet en druilerig, zoals zo vaak op van die grijze betrokken dagen wanneer de wolken al een hele tijd boven het veld hangen en je wacht op de bui die niet komt. Ivan Ivanytsj, de veearts, en Boerkin, de gymnasiumleraar, waren vermoeid van het lopen en dachten dat er geen eind aan het open veld zou komen. Voor hen uit waren net de windmolens van het dorp Mironositskoje te onderscheiden, rechts strekte zich een rij heuvels uit die verderop achter het dorp verdween, en ze wisten allebei dat daar de oever van de rivier lag, dat daar weiden, groene wilgen en hoeven lagen, en dat, als je op een van die heuvels klom, je daarvandaan een uitzicht had over weer zo'n enorm open veld, op telegraafpalen en een trein die uit de verte op een kruipende rups leek, en bij helder weer kon je daarvandaan zelfs de stad zien. Bij dit rustige weer, nu de natuur zo vriendelijk en nadenkend leek, waren Ivan Ivanytsj en Boerkin vervuld van een diepe liefde voor dit open veld en ze dachten allebei bij zichzelf hoe mooi dit land was. `Toen we de vorige keer in de schuur van Prokofi, de dorpsoudste, zaten,' zei Boerkin, 'stond je op het punt een verhaal te vertellen.' `Ja, ik wilde toen vertellen over mijn broer.' Ivan Ivanytsj slaakte een langgerekte zucht en stak een pijpje op om zijn verhaal te beginnen, maar op dat moment begon het te regenen. En een minuut of vijf later goot het, en het viel niet te voorzien wanneer het zou ophouden. Ivan Ivanytsj en Boerkin bleven aarzelend staan; de honden, ook al nat, stonden met de staart tussen de benen en keken smachtend naar hen op. `We moeten ergens schuilen,' zei Boerkin. 'Laten we naar Aljochin gaan. Dat is vlakbij.' `Doen we.'

 

 2115776-ab742966c48811ee1bef288b51b6fc83.jpg
Anton Tsjechov (29 januari 1860 – 15 juli 1904)
Cover

 

 

De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk is in Sulechów, dichtbij Zielona Góra, geboren op 29 januari 1962. Zie ook alle tags voor Olga Tokarczuk op dit blog

Uit: Runners (Vertaald door Jennifer Croft)

“There are 64 of them. He doesn’t delete any. They come up automatically, for 10-12 seconds each. The pictures are boring. Their one merit is that they fix instants that would otherwise have vanished completely. But would it be worth it to copy them? Although. Kunicki copies them to a CD, turns off the computer and sets off for home.
All his actions he performs automatically: he turns the key in the ignition, turns off the alarm, fastens his seatbelt, flips on the radio, puts the car in first gear. It immediately rolls along from the parking lot into the busy street, in second gear. They’re doing the weather on the radio. They’re saying it’s going to rain. And sure enough it starts to rain, as if all the drops of rain had just been waiting to be conjured up by the radio; the windshield wipers come on.
And suddenly something changes. It’s not the weather, not the rain, not the view from the car, but somehow, in a single moment, he sees everything differently. It’s as if he’s taken off his sunglasses, or as if the windshield wipers have scraped off more than their usual skimming of urban grunge. He feels hot and steps on the gas in spite of himself. People are honking at him. He pulls himself together and tries to catch up with the black Volkswagen. His hands start to sweat. He would happily pull over, but there’s nowhere to pull over to, he has to keep going.
He sees with terrible clarity that the road, so familiar to him, is suffused entirely with lurid signs. These signs are messages for him alone. The one-legged circles, the yellow triangles, the blue squares, the green and white markers, the arrows, the indicators. The lights. The lines painted on the asphalt, the highway markers, warnings, reminders. The smile on the billboard, not immaterial either. He saw them this morning, but he didn’t understand them then, this morning he could ignore them, but now, now there is no way for him to do that. Now they are all communicating with him, quietly, categorically, there are so many more of them, in fact there is no space they do not inhabit. The names of stores, the ads, the post office symbol, the drugstores, the bank, the lifted STOP paddle of the preschool teacher overseeing the children cross the crosswalk, sign goes through sign, across sign, sign indicating other sign–a little further on, sign taken up by other sign, passed further along, a conspiracy of signs, a network of signs, an understanding between signs behind his back. Nothing is innocent, and nothing is insignificant, it’s all a big endless puzzle.”

 

 2115776-58b476e10c8a6131a9a4b3def63555e6.jpg
Olga Tokarczuk (Sulechów, 29 januari 1962)

 

 

De Nederlandse dichter Hubert Kornelisz. Poot werd geboren in Abtswoude op 29 januari 1689. Zie ook alle tags voor Hubert K. Poot en ook voor Hubert Poot op dit blog.

 

Wachten

Hier heeft mij Rozemond bescheiden,
Hier, bij deez' boom, die welig wast.
Waar mag de schone zo lang beiden,
Dat zij niet op het uurtje past?
Of ben ik wat te vroeg gekomen,
Door drift der min, waar ik van kwijn?
ô Zalig veld, ô groene bomen,
't Kost* hier te nacht wel bruiloft zijn.
Maar och, hoe lang zijn thans de stonden!
Elk omzien* duurt een jaar gewis.
Op achten was de komst gevonden:
Ik schat het ruim al negen is.
Val, avond. Zoudt ge uw' plicht niet weten?
Of is de tijd zijn wieken kwijt?
Of heeft Apol* zijn zweep vergeten,
Dat hij dus traaglijk zeewaarts rijdt?
Dagvoerder*, laat u dit toch lusten:
Verkort de dag en rek de nacht.
Spoei voort: gij zult bij Thetys rusten,
En ik bij 't meisje dat ik wacht.

 

Afgoderij

Hoe buigt zich, met verdwaald gebaar,
D' Afgoderij voor 't blind Altaar!
Hoe zwaait ze wierookvieren,
Wier stank de ware God verveelt,
Terwijl men zijne glorie steelt,
En schenkt aan stomme dieren!
Zo doolt men zeker al te wijd.
Dees godvergeten dolheid smijt
De wet uit Mozes' handen.
Ontzinde mensen, laat u raên:
Gij stookt de helse vlammen aan
Met heilloos offerbranden.

 

 2115776-c64c732964606f3eb273bdc1f17255f9.jpg
Hubert K. Poot (29 januari 1689 - 31 december 1733)
Cover

 

 

De Franse schrijver Romain Rolland werd geboren op 29 januari 1866 in Clamecy. Zie ook alle tags voor Romain Rolland op dit blog.

Uit: Jean Christophe

« Dans cet égoïsme universel, quel ineffable bien peut faire une simple parole de tendresse, une attention délicate, un regard qui a pitié et qui vous aime ! On sent alors le prix de la bonté. Et que tout le reste est pauvre, à côté !... Elle rapprochait Olivier de Mme Arnaud, plus que de son Christophe. Cependant Christophe s'obligeait à une patience méritoire ; il lui cachait, par affection, ce qu'il pensait de lui. Mais Olivier, avec l'acuité de son regard que la souffrance affinait, apercevait le combat qui se livrait en son ami, et combien sa tristesse lui était à charge. C'était assez pour l'écarter à son tour de Christophe, et lui souffler l'envie de lui crier : — Va-t'en ! Ainsi, le malheur sépare souvent les coeurs qui s'aiment. Comme le vanneur trie le grain, il range d'un côté ce qui veut vivre, de l'autre ce qui veut mourir. Terrible loi de vie, plus forte que l'amour ! La mère qui voit mourir son fils, l'ami qui voit son ami se noyer, — s'ils ne peuvent les sauver, n'en continuent pas moins de se sauver soi-mêmes, ils ne meurent pas avec eux. Et pourtant, ils les aiment mille fois mieux que leur vie... Malgré son grand amour, Christophe était obligé de fuir Olivier. Il était très fort, il se portait trop bien, il étouffait dans cette peine sans air. Qu'il était honteux de lui ! Il enrageait de ne pouvoir rien pour son ami ; et comme il avait besoin de se venger sur quelqu'un, il en voulait à Jacqueline. En dépit des paroles clairvoyantes de Mme Arnaud, il continuait de la juger durement, comme il sied à une âme jeune, violente et entière, qui n'a pas encore assez appris de la vie, pour n'être pas impitoyable envers ses faiblesses. Il allait voir Cécile et l'enfant qui lui était confié. Cécile était transfigurée par sa maternité d'emprunt ; elle paraissait toute jeune, heureuse, affinée, attendrie. Le départ de Jacqueline n'avait pas fait naître en elle un espoir inavoué de bonheur. Elle savait que le souvenir de Jacqueline éloignait d'elle Olivier plus encore que Jacqueline présente. D'ailleurs, le souffle qui l'avait troublée était passé : c'était un moment de crise, que la vue de l'égarement de Jacqueline avait contribué à dissiper ; elle était rentrée dans son calme habituel, et elle ne comprenait plus très bien ce qui l'en avait fait sortir. Le meilleur de son besoin d'aimer trouvait à se satisfaire dans l'amour de l'enfant. Avec le merveilleux pouvoir d'illusion —l'intuition — de la femme, elle retrouvait celui qu'elle aimait, au travers de ce petit être ; ainsi, elle l'avait faible et livré, tout à elle : il lui appartenait ; et elle pouvait l'aimer, passionnément l'aimer d'un amour aussi pur que l'étaient le coeur de cet innocent et ses limpides yeux bleus, gouttelettes de lumière... Non qu'il ne se mêlât à sa tendresse un regret mélancolique. »

 

 2115776-34c7f220cd117fb867ab173ccd9eaccd.jpg
Romain Rolland (29 januari 1866 – 30 december 1944)
Cover

 

 

De Australische literatuurwetenschapper en publiciste Germaine Greer werd geboren in Melbourne op 29 januari 1939. Zie ook alle tags voor Germasine Greer op dit blog.

Uit: How to Bring a Devastated Forest Back to Life

“Once great wrongs are done, it’s rarely possible to undo them. Earth, the most exuberant planet known to exist in any galaxy, carries great wounds upon its lovely face: denuded hills, fertile farmlands being washed into the sea or turned to dust, treasure houses of biodiversity annihilated, air, land and water poisoned. It seems that nobody knows how to reverse any of it.
And yet, in the cracks between the pavement of the expanding cities, seedlings of long-gone forest giants continue to emerge. Earth keeps on trying to renew itself, after radioactive leak, after nuclear explosion, after earthquake and eruption, flood and tsunami. The planet’s powers of recuperation and restoration are almost unbelievable. Give it an inch and it will give you a mile.
Field flowers no longer grow amid the crops in England’s fields, but once the backhoes are withdrawn from roadworks, poppies spring from the disturbed ground. The seed they have grown from blew off the fields maybe a generation ago, and has lain in the soil ever since, waiting for someone or something to break the sod. Year on year the poppies keep turning up, every time bringing their promise of resurrection.
The dead hedgehog on the road cannot be brought back to life, but creating habitat for hedgehogs will give other hedgehogs a better chance of breeding successfully so that numbers can build up again.
In suburban gardens across the country people are making tunnels under their fences so that hedgehogs can travel without having so often to cross roads. It doesn’t take much and costs nothing, but it puts the householder on the side of Earth, which is the hedgehogs’ home as much as it is ours.
The swallows that have nested at my place in Essex ever since I have didn’t turn up one year. Or the next. Ten springs passed, and I thought they couldn’t possibly remember the barn where they had built their mud nests so many years before. I stopped scanning the sky for them.”

 2115776-21c744f2e520473d06613343c532c0e7.jpg
Germaine Greer (Melbourne, 29 januari 1939)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e januari ook mijn blog van 29 januari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 29 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en eveneens mijn blog van 29 januari 2009.

Geschreven door Romenu om 16:11 Reageer op dit bericht

Elia Barceló

De Spaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Elia Eisterer-Barceló werd geboren op 29 januari 1957 in Elda, in de provincie Alicante. Barceló studeerde Engels, Amerikaans en Spaans aan de universiteiten van Londen, München, Parijs, Florence, Rome en Innsbruck. In 1996 promoveerde ze op de Argentijnse schrijver Julio Cortázar. Tegenwoordig woont de moeder van twee kinderen met haar Oostenrijkse echtgenoot in Innsbruck. Ze doceert Spaanse literatuur, culturele studies en creatief schrijven aan de Universiteit van Innsbruck en schrijft romans en korte verhalen. Ze ontving talloze onderscheidingen voor haar werk. Ze bezoekt regelmatig de Gijón's Black Week, een van de meest populaire literaire festivals in Europa, waar ze literaire workshops leidt. In 2002 verscheen van haar de roman “El vuelo del hipogrifo” (Ned: Stemmen uit het verleden) gevolgd door “El secreto del orfebre” (Ned:De eeuwige terugkeer van de liefde, 2003), “Disfraces terribles” (Ned: Bal masqué, 2004), “Corazón de tango” (Ned: Tangohart, 2007), “Las largas sombras” (Ned: Donker geheim, 2009), “Laura” (2010), “Anima Mundi” (Ned: Kinderen van de rode clan, 2012) en “El color del silencio” (Ned: De kleur van stilte, 2017)

Uit: De kleur van stilte (Vertaald door Dorotea ter Horst)

“Gisteren heb ik van La Mora gedroomd. Het was zo'n droom die zich aanvankelijk niet onderscheidt van de realiteit en tevens een soort ontdekkingsdroom is. Zo'n droom waarvan je in een euforische stemming raakt, niet alleen omdat je iets zeer geliefds hebt teruggevonden, maar ook vanwege de onvermoede verwondering voor alle nieuwe dingen, die daar in feite altijd al waren maar die je destijds nooit hebt kunnen zien. La Mora lag als een juweel op de bodem van een vijver te glinsteren, tastbaar en irreëel tegelijk. Het wateroppervlak werd beroerd door rimpelingen en spiegelingen die de aanwezigheid van wat daar niet hoorde te zijn maar er toch was, afwisselend onthulden en verborgen. Ik liep over de paden en keek naar de fonteinen, de ijzeren lantaarns en kleurkristallen die aan de bomen hingen, naar de blauwe, groene en zwarte tegels van de bankjes met hun geometrische figuren. Alles stond in bloei en ik wist dat ik in de mooiste tijd van het jaar was gekomen, in die koele aromatische Atlantische lente, die later onder de zomerzon onherroepelijk zou verzengen. Maar nu vouwde ze haar charmes open voor alle zintuigen van de toeschouwer, voor die vreemde wandelaar die zich liet verleiden door de onvervalste schoonheid van het leven, die na een lange winterslaap weer onbedwingbaar tevoorschijn komt. Onder een van die bomen waarvan ik nooit de naam heb geweten, vol met ballen roze bloemen die als kerstversiering aan de takken hangen, bleef ik staan en genoot ik van de rust en stille verlatenheid van die tuin, net een betoverde tuin uit een sprookje. Uit een oosters sprookje, dat zich alleen voor mij had ontvouwd. De zeewind beroerde de hoge takken, blies de donkere pijlen van de cipressen tegen een felblauwe hemel heen en weer en ruiste door de bladeren van de palmbomen, een geluid dat klinkt als regen als je je ogen sluit. Een van ver aangevoerd aroma van rode anjers wedijverde met de zoute lucht. Ik wist dat er niemand in de tuin was en ook nooit zou komen, dat die betovering alleen voor mij was. Ik moest lachen van geluk, rende over de paadjes en zag na iedere bocht iets nieuws en onbekends: een buxusdoolhof met een zonnewijzer in het midden, een groot rechthoekig waterbassin vol witte waterlelies met achterin een fontein die zijn diamantenregen naar de zon opspoot, een marmeren tempeltje vanwaar je de branding van de zee op een verlaten strand kon zien, een in een wolk van theerozen gehuld Romeins borstbeeld in een nis. Plotseling begon de verlatenheid mij te benauwen en verlangde ik hevig naar iemand met wie ik al die schoonheid kon delen. Maar ik wist dat het mijn schuld was, dat ik iedereen had verlaten.”

 

 2208149-6b822741d5d607431b878fb942329250.jpg
Elia Barceló (Elda, 29 januari 1957)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten