Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 12 februari 2018 tot 13 februari 2018

Kettenlied für den Fasching (Aloys Blumauer)

 

Bij Carnaval

 

 2120013-be054b1c8f4349647d471cc2a2d9a6f4.jpg
Grand carnival Ostendais door Félix Labisse, 1934

 

 

Kettenlied für den Fasching

Laßt uns den Fasching loben,
Und ihn lobpreisen heut';
Wir haben viele Proben
Von seiner Freundlichkeit:
Er schloß heut' allem Leide
Hienieden unser Herz,
Und öffnet es der Freude
Allein nur und dem Schmerz.

Die Weisheit hüllt nicht immer
In Falten ihr Gesicht,
Der Freude Rosenschimmer
Entstellt ihr Antlitz nicht:
Drum trat an ihre Stelle
Heut' Scherz und froher Mut;
Denn auch die Narrenschelle
Ist oft zum Lachen gut.

Es leb' in unserm Kreise
Die Weisheit, welche lacht,
Und die des Lebens Reise
Uns angenehmer macht!
Es leben alle Brüder,
Die Hand an Hand in Reih'n
Auch dieses Jahr sich wieder
Wie wir, des Faschings freu'n!

 

 2120013-fd78b7812080779b4f7f65b6a3b3a2a4.jpg
Aloys Blumauer (21 december 1755 - 16 maart 1798)
Steyr in Oostenrijk, de geboorteplaats van Aloys Blumauer

 

 

Zie voor de schrijvers van de 13e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 09:41 Reageer op dit bericht

M. Vasalis, Jan Arend, Arjan Visser, Gerard Keller, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius, Urs Faes, Katja Lange-Müller

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

 

Felix was blank met bruine haren en een zachte g.

Felix was blank met bruine haren en een zachte g.
En: hij was kleurenblind, hij keek met scheef
getild gezicht en toegeknepen ogen naar de lucht.
Ik deed het heimelijk na. Wat heb ik hem bemind
toen ik vijf jaar was. Hij was negen.
Er is een bruine foto van ons allen aan de waterkant
gezeten in het gras, en daarop houd ik vlak
boven zijn hoofd, zijn verend haar mijn hand,
kijk met ZIJN toegeknepen ogen (onherroepelijk kleurenblind)
omhoog, je ziet de ouders en de kinderen en de zomerwind
die het gras scheef waait en in al die haren woelt -
je ziet dat ogenblik dat toentertijd nog eeuwig was.

 

 

Rebus in de bus

Wie zaten er vanochtend in de bus
behalve de chauffeur wiens roze wang
zo vloekte met zijn mooie rooie haar.
Een woeste oude boer met grijze ogen
en zijn gezicht in aanslag, en een woelig kind
doofstom, dat met zijn eigen dunne vingers praatte.
Een vrouw van vijftig, een zigeunerin of zo
ze stapte uit bij het woonwagenkamp
ze had een luipaard-jasje aan en kleine oren.
Een papoea-familie, drents van spraak
zo lief, zo lelijk en zo onbevangen.
Ik zat en luisterde en zag het aan
eerlijk gezegd en tegen beter weten in
verwachtend dat nu eindelijk 'De Zin'
zichzelf in deze bus zou openbaren
van al die raadselachtige aanwezigheden.
Maar nee - natuurlijk nee. De enige conclusie was:
ik houd van mensen in een bus, ik houd van gras
en lucht. Ik rij van Groningen naar Roden.
Ik leef een tijdje. Ik begrijp het niet,
zelfs niet als 'Het' zo duidelijk wordt aangeboden.

 

 

Steen

Verdriet kit al mijn krachten samen,
zodat ik roerloos word als steen.
Mijn hele wezen wordt materie,
een ondoordringbaar star mysterie,
o sla de rots, opdat ik ween.

 

 2120007-0da4668cb37bc3b236a885f11630c33a.jpg
M. Vasalis (13 februari 1909 - 6 oktober 1998)

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter Jan Arends werd geboren op 13 februari 1925 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Jan Arends en voor J. Arends op dit blog.

De list

Vandaag ben ik mijzelf niet meer,
ik ben het geraamte van mijn broer,
die gisteren is dood gegaan;
de dood staat altijd op de loer.

De dood staat altijd op de loer
en met hem zeven zonden,
die mij wel slepen naar de hel
als zij mij vinden konden.

Maar ik sta illegaal op straat
te wachten in de regen,
te wachten tot mijn zonden gaan,
maar straks zijn het er negen.

Ik durf mijn huis niet in te gaan;
de dood staat altijd op de loer;
ik sta in regen op de straat
in het geraamte van mijn broer.

 

 

Ik ben bang

Ik ben bang
voor het licht
van de zon die opkomt.

Het maakt
mij angstig voor de dag.

Ik heb reden
om bang te zijn.

Wat voor reden
heb ik nu om bang te zijn?

Niet om dood te gaan
want dat is normaal
dat is goed.

Ik ben bang voor de dingen
die mij nog te wachten staan.

 

 2120007-0061e8902d2c0dd249edf7c473980b89.jpg
Jan Arends (13 februari 1925 – 21 januari 1974)

 

 

De Nederlandse journalist en schrijver Arjan Visser werd geboren in Werkendam, Noord-Brabant, op 13 februari 1961. Zie ook alle tags voor Arjan Visser op dit blog.

Uit: Hotel Linda

“Het land ligt er verzorgd bij. Alle plaatsen — ik herken er niet één — zijn strak gelijnd, kriskras met elkaar verbonden. De piloot lijkt van plan te zijn het toestel op een van die wegen aan de grond te zetten — ik zie de passagiers in de auto's zitten. Precies zoals ik, vanuit mijn straatje aan de rand van het oude vliegveld, de reizigers uit Belo Horizonte kan zien vertrekken. Daar denk ik aan landgenoten, hier zie ik alleen maar buitenlanders. Toch ben ik hier of daar het een noch het ander. De piloot bedankt ons namens de bemanning en wenst ons een goed verblijf in Amsterdam. Ik word opgehaald — nu begrijp ik pas dat Vicky dit heeft geregeld, de schat — door alweer zo'n karretje, dat mij eerst bij de douane en daarna naar de bagageband brengt. Na een tijdje komen daarop de koffers voorbij. Ik volg ze, een voor een, steeds een paar meter, tot ik moe begin te worden.
Er ligt haast niets meer op de band. Twee rugzakken, een tas en één koffer; die van mij. Ik haal hem op en trek hem achter mij aan, langs de schuifdeuren, door de hal, naar buiten waar de taxi's staan. De chauffeur van de voorste wagen doet de kofferbak open en neemt, zonder iets te vragen, mijn bagage over. Hij maakt geen bezwaar als ik voorin plaatsneem. Jacobson.' Negeert mijn uitgestoken hand. 'Joodse naam toch?' Ja.' `Dacht ik al.' Daarna drukt hij het gaspedaal diep in en verlaten we het vliegveld. Als ik op een bord langs de snelweg `Rivierenbuurt' zie staan, wisselen we weer een paar woorden. Ik vertel hem dat ik in de Pijp heb gewoond. Hij huurt een huis in de Baarsjes. Dat is een nette buurt,' zeg ik. De chauffeur kijkt mij aan alsof hij denkt dat ik hem in de maling probeer te nemen. `Er is vast wel iets veranderd,' zeg ik. 'Ik herken nu pas een straat: de Zuider Amstellaan.' `Rooseveltlaan, zal u bedoelen.'

 

 2120007-a22af8b74396ed36cf486dfa719cd8d6.jpg
Arjan Visser (Werkendam, 13 februari 1961)

 

 

De Nederlandse schrijver en krantenredacteur Gerard Keller werd geboren op 13 februari 1829 in Gouda. Zie ook alle tags voor Gerard Keller op dit blog.

Uit: Aan Flanor

“Aan Flanor.
Et tu, Flanor!
Ach! ik zou wel graag het gelaat achter een slip van mijn toga verbergen! - Met het wegwerpen van mijn zwaard wil ik echter liever nog een beetje wachten.
Maar ik zal weeklagen om den gevallen slag! De wonde is wel niet heel erg, maar zij doet pijn, omdat Flanor haar heeft toegebracht!
En mij hebt gij willen sparen, mij alleen, - te midden van uwen toorn hebt gij mij begenadigd in een noot!
Haddet gij dat niet gedaan, Flanor! want het grieft mij u te moeten zeggen, dat ik die noot niet kraken wil. Das Lob, o Flanor, begehr' ich nicht, want het is de lof van een boos mensch.
Zijt gij in uw kinderjaren wel eens uit spelen gevraagd? Herinnert gij u dan ook het onaangename gevoel, als de vertoornde moeder uwer ondeugende vriendjes uzelven als model van een zoet jongetje voorstelde? ‘Keesje heeft zeker niet meegedaan, Keesje zou alleen nooit zoo stout geweest zijn!’
Jawel, Flanor, Keesje heeft wel degelijk meegedaan en zou heel graag alleen ook zoo stout geweest zijn.
Hij draagt er zelfs roem op, het eerst zijn vriendjes met den grooten poëet-harlekijn aan 't lachen gemaakt te hebben.
Maar Flanor voelt den ernst van dat lachen niet meer en kan niet meer medelachen, maar maakt zich boos. Want om zoo te lachen moet men oneerbiedig en hardvochtig oprecht zijn, en ook oneerbiedige en hardvochtige oprechtheid kunnen verdragen. Dat gaat beter als men jong is. En zie! - O, stichtelijk schouwspel! de dichter Flanor klopt met bemoedigende woorden zijn vriend Bohl het stof van de kleêren, terwijl hij dreigend zijn vuist tegen ons schudt: ‘'t Is niets hoor! je bent wèl een dichter! - Zulke kwaje jongens ook! - Ik wil niets meer van hen weten!’
En ter wille van zijn bespotten vriend brengt hij zelfs zijn naam in gevaar en zegt domme dingen, die hij niet meenen kan. In zijn goedhartigheid heeft hij een artikeltje geschreven, als een onschuldig zalfje ter verzachting voor de blauwe plekken. Zonder blikken of blozen heeft hij een klappermans-versje een ‘fraai gedicht’ genoemd. Ja, goedig en barmhartig is de oude dag.”

 2120007-ed5da7b9d5b60ce82a92de5dbc5ba4da.jpg
Gerard Keller (13 februari 1829 – 10 januari 1899)

 

 

De Belgische (Franstalig) schrijver Georges Simenon werd geboren in Luik op 13 februari 1903. Zie ook alle tags voor Georges Simenon op dit blog.

Uit: Le Chien jaune

- "Vite ! ... Un crime ... Je ne sais pas ..."
Le chien jaune est entré sur ses talons et s'est couché aux pieds de la fille de salle.
Il y a du flottement, un vague effroi dans l'air.
- "Votre ami, qui vient de sortir ..."
Quelques instants plus tard, ils sont trois à se pencher sur le corps, qui n'a pas changé de place. La mairie, où se trouve le poste de police, est à deux pas. Le douanier préfère s'agiter. Il s'y précipite, haletant, puis se suspend à la sonnette d'un médecin.
Et il répète, sans pouvoir se débarrasser de cette vision :
- "Il a vacillé en arrière comme un ivrogne et il a fait au moins trois pas de la sorte ..."
Cinq hommes ... six ... sept ... Et des fenêtres qui s'ouvrent un peu partout, des chuchotements.
Le médecin, agenouillé dans la boue, déclare :
- "Une balle tirée à bout portant en plein ventre ... Il faut opérer d'urgence ... Qu'on téléphone à l'hôpital ..."
Tout le monde a reconnu le blessé. M. Mostaguen, le principal négociant en vins de Concarneau, un bon gros qui n'a que des amis.
Les deux policiers en uniforme - il y en a un qui n'a pas trouvé son képi - ne savent par quel bout commencer l'enquête.
Quelqu'un parle, M. Le Pommeret, qu'à son allure et à sa voix on reconnaît immédiatement pour un notable.
- "Nous avons fait une partie de cartes ensemble, au Café de l'Amiral, avec Servières et le docteur Michoux ... Le docteur est parti le premier, voilà une demi-heure ... Mostaguen, qui a peur de sa femme, nous a quittés sur le coup de onze heures ..."

 

 2120007-6b3041bc8f2456af003360a6c1bf7f73.jpg
Georges Simenon (13 februari 1903 - 4 september 1989)
Cover 

 

 

De Nederlandse schrijfster Nynke van Hichtum (pseudoniem van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer) werd geboren in Nes op 13 februari 1860. Zie ook alle tags voor Nynke van Hichtum op dit blog.

Uit: Afke's tiental

“En Saapke ging weêr zitten breien, - maar 't was toch erg koud, hoor! De oude, dikke vingers werden er stijf van. Nog maar 'n kopje warme koffie! Ja, dat deed goed!
Daar klonk plotseling op de steenen van 't steegje 't geklepper van klompen, - toen een geluid, alsof er geworsteld werd. - Ach, die akelige jongens waren zeker alweêr aan 't vechten! Hoe was 't nu toch mogelijk, juist nu moeder ziek lag en haar rust zoo noodig had!
Saapke gooide driftig haar breikous op den grond, - zelfs haar warme koffie liet ze in den steek, - en daar stond ze in de buitendeur, de gebalde vuist dreigend opgeheven tegen twee jongens, die er zich echter heelemaal niet aan stoorden. Ze bleven maar vechten en elkaâr booze woorden toeschreeuwen.
Maar Saapke wist wel raad, - ze was niet voor niets tien jaar lang baker geweest in arbeiders-huishoudingen! Ze trok de bengels van elkaar, deelde links en rechts oorvijgen uit, joeg den eenen jongen, die hier niet thuis hoorde, de steeg uit, en trok het andere slachtoffer bij zijn oor meê in 't portaal, hem onderwijl met de hand dreigend, opdat hij toch maar geen geluid zou geven.
‘Hou je toch stil,’ deugniet,’ fluisterde ze heesch: ‘weet je dan niet, dat je Mem ziek is? Ze slaapt net eventjes - maak haar toch niet wakker met je geschreeuw!’
De jongen stond daar met open mond: - ‘Mem ziek?’ En opeens schoten zijn oogen vol tranen. ‘Waar is Mem? - Ik wil naar Mem toe!’
Daar ging-ie warempel nog snikken ook! ‘Akelige jongen, hou je toch stil! - Mem slaapt immers!’ snauwde Saapke hem toe. Maar de arme Klaas kon zich zoo gauw niet stilhouden. Hoe boozer Saapke zich maakte, des te erger raakte hij van streek; want al was hij ook een ondeugende rakker, zijn moeder was hem àlles; en hij was niet gewoon dat die ziek was, tenminste niet dat ze in bed lag en hij om harentwil stil moest zijn. – “

 

 2120007-f7f2de43c32d369eb38592b4e37da51d.jpg
Nynke van Hichtum (13 februari 1860 - 9 januari 1939)
Cover van een uitgave als stripboek

 

 

De Duitse dichter en schrijver Friedrich Christian Delius werd geboren in Rome op 13 februari 1943. Zie ook alle tags voor Friedrich Christian Delius op dit blog.

Uit: Der Reichtum Europas

„Wer das für idealistisch oder eurozentristisch hält, dem antworte ich gern mit Zitaten aus dem jüngsten Buch des Amerikaners Jeremy Rifkin, „Der europäische Traum. Die Vision einer leisen Supermacht. Durch den absehbaren Niedergang der USA nach der zweiten Bush-Wahl werden Rifkins Thesen von 2004 heute, Monat um Monat, noch aktueller. Er spricht vom Ende des amerikanischen Traums, weil mit dem Prinzip der Konkurrenz, des Egoismus, des Einzelgängers die Probleme der modernen Welt nicht mehr zu lösen seien. Viel größere Chancen habe der europäische Traum: „Der europäische Traum basiert auf Inklusivität, Verschiedenheit, nachhaltiger Entwicklung, sozialen Rechten und universellen Menschenrechten und auf Frieden und Zusammenarbeit zwischen den Menschen. Dies sind die Komponenten einer hohen Lebensqualität, und die Errungenschaften sind beeindruckend. Obwohl die Amerikaner ein um 28 % Prozent höheres Pro-Kopf-Einkommen haben, genießen die Europäer in vieler Hinsicht eine höhere Lebensqualität, ein deutlicher Hinweis darauf, dass Zusammenarbeit auf lange Sicht einer sicherer Weg zum Glück ist als Konkurrenz.“ (Die Zeit, 14.10.04)
Auf Details kann ich jetzt nicht eingehen. Ich möchte nur festhalten dass zu dieser Lebensqualität auch der Garten Eden zählt, in dem Schriftsteller sich bewegen, die Weiten der Kultur und die Tiefen, die Schönheiten der Kunst. Ich spreche also von dem Reichtum, den Europa hat. Und den Europa noch lange nicht genug als Reichtum begriffen hat.
Vom Reichtum reden heißt: Von den Gegenmitteln reden, die wir haben, um der Idiotisierung der Gesellschaft zu widerstehen, von den Mitteln, die wir haben, um das Sensorium, das Wissen, den Gemeinsinn zu entwickeln. Von den Mitteln, die Demokratie zu beleben und die schwer erkämpften Freiheiten zu würdigen, zu sichern und zu nutzen. Nach diesen Mitteln brauchen wir glücklichen Europäer nicht lange zu suchen. In Bibliotheken, Museen, Theatern, ja auch in Konzertsälen, im Internet, in Buchhandlungen, da und dort auch in Kinos, ja selbst in besseren Fernsehprogrammen und einigen Zeitungen wird dieser Reichtum präsentiert, liegt dort angehäuft, der Kronschatz unserer Zivilisation. Er ist nicht schwer zu finden, wir brauchen nur danach zu greifen, Augen, Ohren und Hände aufzumachen, es ist wirklich fast wie im Schlaraffenland.“

 

 2120007-dd4451819104495df13685ef4c479571.jpg
Friedrich Christian Delius (Rome, 13 februari 1943)

 

 

De Zwitserse schrijver Urs Faes werd geboren op 13 februari 1947 in Aarau. Zie ook alle tags voor Urs Faes op dit blog.

Uit: Halt auf Verlangen

„Er lehnte sich mit der Schulter an den Türrahmen, überblickte das Zimmer im Halbdunkel ; draußen dämmerte der Tag heran, das Licht fiel streifig in den Raum, wo noch immer ihre eilig ausgezogenen Kleidungsstücke verstreut lagen, die Schuhe, die Bluse, die Strümpfe.
Sie war vergnügt gewesen, übermütig, hatte sich um die eigene Achse gedreht und sich das Zeug vom Leib gezupft, mit kleinen Pausen, in denen ihr verschmitzt wirkendes Gesicht ihn schalkhaft maß, belustigt über sein Staunen, sein atemloses Schweigen.
Er war verwundert gewesen, dass sie ihn diesmal wieder aufgefordert hatte, mitzukommen nach oben, wo das war, was sie ihr kleines Paradies und Refugium nannte. Die oberste Wohnung mit Aufgang zur Dachterrasse, mit Blick über die Stadt bis zum See und, an klaren Tagen, in die Berge, deren ewiger Schnee sie mit kindlicher Freude erfüllte.
Sie hatte ihn schon das eine oder andre Mal mitgenommen, aber sie tat es nicht oft, und für eine ganze Nacht schon gar nicht. Gerade an diesem Abend hatte er darauf nicht hoffen können, und er hatte auch nicht damit gerechnet.
Schließlich war er einer geworden, dem das nicht mehr zustand. So sagte es Silaski, nicht ohne Mitgefühl, aber mit der kalten Sachlichkeit und unverblümten Offenheit, die zu ihm gehörten. »Das steht dir nicht mehr zu.«
Mit diesem Satz im Ohr war er zum Treffen mit Simone gefahren, war frühzeitig in der Storchenbar gewesen, fast allein unter dem leichten Regen des Vorabendpianos, dessen Töne warm und weich in den Raum plätscherten. Er ließ keine Erinnerungen aufkommen.
Er schlug den Mantelkragen hoch, entdeckte die Laufmasche in den Strümpfen, die fast ordentlich nebeneinanderlagen, als hätte Simone sie nachträglich über den Schuhen ausgerichtet, ein Schleier über dem Leder, netzverspielt.
Unbeschwert war sie gewesen an diesem Abend, wie seit Wochen nicht mehr, wie vielleicht nie zuvor. Sie hatte diese Fähigkeit, sich zu verlieren und den anderen dahinein mitzunehmen, in die Zeitlosigkeit des gelebten Augenblicks. Und er musste nicht reden von dem, was ihn bedrängte, wovor ihm bangte.”

 

 2120007-dfc6cb06f611378f602017b04a914a0e.jpg
Urs Faes (Aarau,13 februari 1947)

 

 

De Duitse schrijfster Katja Lange-Müller werd geboren op 13 februari 1951 in Berlijn-Lichtenberg. Zie ook alle tags voor Katja Lange-Müller op dit blog.

Uit: Die Enten, die Frauen und die Wahrheit

„Schwierig ist es, aber schön – durch Moskau zu laufen, besonders im Winter. Ein Abenteuer für die nicht mehr nüchterne (nirgends schmeckt der Wodka besser als hier und nie besser als im Winter), nicht mehr junge, aus mindestens diesen beiden Gründen nicht mehr gleichgewichtssichere Frau auf den profillosen Sommersohlen ihrer Halbschuhe. Sie, also diesmal ich, kann aufs Maul fallen jeden Moment; unter dem auch gerade gefallenen Schnee kann dünnes Eis sein über einer großen Pfütze in einem tiefen Asphaltloch, einem pflastersteinlosen Tal im Bürgersteig, einem Baugrübchen, wer weiß wie alt, in der viel getretenen, dennoch zu einem schiefen Grinsen verzogenen Visage der einen oder anderen Straße. – Doch, die Gehwege sind die Visagen der Moskauer Straßen, denn die müssen die Fußgänger oder Fußgängerinnen im Auge behalten bei jedem ihrer Schritte, von denen nämlich droht die größte Gefahr, womöglich die einzige.
So, laufend, schlitternd, strauchelnd und immer fröhlich gefaßt auf Platzwunde oder Gipsarm, manövriere ich mich zu einem der Eingänge der Metro-Station Novvokusnetzkaja; ich will zum Zoo heute, weil ich nicht mehr Straßenvisagen sehen will, sondern die von Menschen, jenen Menschen, die Tiere sehen wollen.
In den Gängen zu den Perrons laufen Menschen vorüber oder nicht vorüber an Menschen, die Bildchen verkaufen oder Blumen oder ausgelesene Hefte oder junge Katzen. Andere Menschen gehen vorbei an anderen Menschen, die auch dastehen, dasitzen, daliegen, obwohl sie nichts zu verkaufen haben. Sie bemühen sich allein um ein paar Rubel oder lassen sich von Hündchen helfen beim Betteln oder beim Geben.“

 

 2120007-4926047b153727a7838a5083aabad7b0.jpg
Katja Lange-Müller (Berlijn, 13 februari 1951)
Berlijn. Carnaval op de Kurfürstendamm

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e februari ook mijn blog van 13 februari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 13 februari 2007 en ook mijn blog van 13 februari 2008 en eveneens mijn blog van 13 februari 2009 en ook mijn blog van 13 februari 2009 deel 2.

Geschreven door Romenu om 09:39 Reageer op dit bericht

80 jaar Jan Siebelink

 

80 jaar Jan Siebelink

De Nederlandse schrijver Jan Siebelink werd geboren op 13 februari 1938 in Velp in een streng religieus gezin. Zijn vader had een bloemenkwekerij. Na de lagere school ging Siebelink naar de ULO en vervolgens naar de Kweekschool (de huidige Pabo). Hij werd onderwijzer in Laag-Soeren en studeerde in zijn vrije tijd Franse taal-en letterkunde. Tijdens zijn studie Frans raakte hij geïnteresseerd in de Franse schrijver van Nederlandse afkomst Huysmans, en hij vertaalde een van zijn boeken 'A rebours' in het Nederlands als 'Tegen de Keer'. Daarnaast begon hij zelf te schrijven. Zijn eerste verhaal was 'Witte Chrysanthen’. Dit verhaal vormt samen met vier andere verhalen de bundel “Nachtschade”, het literaire debuut van Siebelink. In die eerste verhalen zitten meteen al de thema's die later steeds terug zullen komen in zijn werk: zijn streng religieuze, maar niettemin sympathieke vader, de kwekerij, de streek uit zijn jeugd, het middelbaar onderwijs, de rangorde in het zogenaamd genivelleerde Nederland. In 1977 verscheen zijn eerst roman 'Een lust voor het oog. Zijn belangrijkste romans zijn “De herfst zal schitterend zijn”, “En joeg de vossen door het staande koren”, “De overkant van de rivier”, “Vera”, “Margaretha” en de bestseller “Knielen op een bed violen”. In het laatstgenoemde boek vertelt Siebelink over de godsdienstige kring waar zijn vader toe behoorde en hoe hij daar zelf bij betrokken werd. Van “Knielen op een bed violen” waren in 2009 meer dan 700.000 exemplaren verkocht. In september 2009 kwam de vijftigste druk uit. Naast zijn literaire werk schreef Siebelink ook essays over decadente Franse literatuur. In 2009 werd Siebelink geridderd, hij werd Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Uit: Margje

“Ruben wachtte op zijn broer, keek vanuit de voorkamer de straat af. Deze oudejaarsdag zouden ze samen het graf van hun ouders bezoeken.
Ruben was er zeker van dat Thomas zou komen. Het was altijd een genot geweest om naar hem te kijken. Een mooie jongen. Nog steeds was die schoonheid zichtbaar, ondanks de lege oogkassen. Een ernstig ongeluk, langer dan een jaar geleden, had Thomas blind gemaakt. Ook zijn spraakvermogen was aangetast.
Na lange revalidatie had hij het schilderen weer opgepakt. In het blindeninstituut had hij alle medewerking gekregen. Hij leerde snel en werd behendiger in het op de tast omgaan met verf. Op zijn kamer stond een schildersezel. Het eerste wat hij schilderde na het ongeluk was een veld dahlia’s waarover de vorst was gegaan. De bloemen waren pikzwart, hingen naar beneden, want de stelen waren vlak onder de knop geknakt. Maar één bloem, op een beschutte plek, was niet door de nachtvorst aangetast. Ze was helrood, van dat intense rood als de natuur voor de winter invalt nog één keer uithaalt.
Hij toonde het Ruben. Een glimlach verscheen op zijn gezicht, heel kort. De eerste na het afschuwelijke drama. Hij had hem omhelsd en ze bleven lang in elkaars armen.
Die ene bloem, die de vorst heeft overleefd, die extra schitterde, dat felrode bij alle zwart. Zo kon een dahliaveld er in november uitzien.

Opnieuw liep Ruben de voorkamer in, keek de steil aflopende Bergweg af. Uit een grijze lucht dwarrelde wat sneeuw. Tegen de avond was door opvriezing gladheid voorspeld.
Gisteren had Ruben Thomas nog bezocht. Hij was niet op zijn kamer. Er stond ook geen nieuw schilderij op de ezel. Op tafel lag het blauwlinnen zakbijbeltje dat hij aan het eind van de zondagsschool had ontvangen. Ruben bezat zijn eigen exemplaar niet meer. Dat van Thomas lag opengeslagen bij het evangelie van Lucas. Enkele regels waren rood onderstreept. Hij streek er licht met zijn vinger over. ‘Op de eerste dag van de week gingen de vrouwen al vroeg in de morgen naar het graf. Ze vonden de steen afgewenteld.’ Thomas, zolang Ruben hem kende, had niets opgehad met het transcendente.
Hij dwaalde door de lange, glazen gangen van Bartiméus.”

 

 2121455-83065df55f9b25e6349c86593efad4d7.jpg
Jan Siebelink (Velp, 13 februari 1938)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

II. Fastnacht, Bern, March 7, 1987 (William Irwin Thompson)

 

Bij Carnaval

 

 2119711-5918730327ceec108f4c9174a7e782a5.jpg
Carnival door David Ter-Avanesyan, 2011

 

 

II. Fastnacht, Bern, March 7, 1987
For Ralph Abraham

We, on the other side of dreamless sleep,
Still live out wholly unknown, enormous
Intangent, galactically extended lives;
And we're not supposed to know otherwise.
If only for one night I'd like to be
Other-wise, to see undark and entire
Eros, to look back at Eurydice
To know what other god she beds down.
Earth's flowers cannot twist to see their stems,
Even our moon has its darkness all turned out,
And mind is strapped to know what god intends
On riding the saddle of our time-bound thought.
In the night-time half is there another half,
Nesting like those painted Russian dolls?
Then each half could contain another whole
Half-life relatively timed in fractals.
Well, there's Einstein's House across the street,
And here's the crowd in which I am content
To say farewell to flesh, hello to Lent,
Unmasked, ordinary, not even indiscreet.
If each half of a half is never breached,
For all the other lives inside of me,
Then each creature dreams asymptotically
Until fractal infinity is finely reached.
Coiled in the smallest possible fragments spring,
Abundant in every dream-drenched sod –
den piece of life becoming everything,
The brute fact possible remains of God.
In other words, we're everybody every night
And live all the lives there are at once,
Rich man, poor whore, wise man, and dunce,
And only then come dumb again in light.
When we finally guess who we really con
It's bound to be good for a good long laugh;
Small wonder we like carnival's riff-raff,
Pretending with masks to put each other on.

 2119711-312e6885b311bec3ef9fc0a4e816e87f.jpg
William Irwin Thompson (Chicago, 16 juli 1938)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 12e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 09:42 Reageer op dit bericht

Barbara Honigmann, Detlev Meyer, Mariana Leky, Lou Andreas-Salomé, Sabahattin Ali, Friedrich de la Motte-Fouqué, Janwillem van de Wetering, Joachim Meyerhoff, John Hennessy

De Duitse schrijfster Barbara Honigmann werd geboren op 12 februari 1949 in Oost-Berlijn. Zie ook alle tags voor Barbara Honigmann op dit blog.

Uit: Das überirdische Licht

„Touristische Pflichten habe ich mir nicht auferlegt, die habe ich schon bei früheren Besuchen erfüllt. Am Ende meiner Residenzzeit werde ich dann feststellen, daß ich eigentlich nie aus dem Village herausgekommen bin, und meine Dorfgenossen werden mir bestätigen, das geht hier allen so! Weil es ja ein Dorf ist, wenn auch ein größeres, kann man es, wenn man gute Schuhe hat, auch zu Fuß erlaufen, die kleinen Streets hinauf und die mittleren Streets hinunter, und dabei sogar einige Avenues überqueren. Natürlich bleibe ich dauernd stehen, weil ich vieles näher betrachten will, Buchläden, Galerien, Drogerien und ihre customers, ein petshop, in dessen Auslage eine Handvoll ganz kleiner Hunde in einem Körbchen unter einem Infrarotstrahler wachsen. Am Union Square habe ich dann sogar ein ganzes Pet-Kaufhaus, mehrstöckig, mit einer Abteilung für Hundemode im basement entdeckt. Für Katzen gibt es aber keine Modeabteilung, die würden sich so etwas Affiges auch nicht bieten lassen.
Meine Dorfgenossen stehen der Vielgestaltigkeit ihrer Stadtlandschaft in nichts nach, so multiverschieden, multi-ethnisch und multisozial, multiform und multifarbig wie sie sind und ausschauen und dahergehen. Was sie anhaben, tun und wie sie sich benehmen. Manche laufen ganz wild aussehend herum, manche picobello wie vom Laufsteg weg, einige richtig bohèmehaft, andere mehr gepflegt vernächlassigt, viele ganz schön exzentrisch und ein jeder mit dem festen Willen zur Gestaltung, das ist unübersehbar. Deeply superficial, hat Andy Warhol alle diese Leute und sich selbst treffend beschrieben; der hat hier auch irgendwo gewohnt. Richtig Meschuggene, die laut deklarieren und wild gestikulieren, laufen auch mehr als in anderen Städten herum, obwohl sich der Unterschied zu denen, die einfach laut mit ihrem cell herumtelefonieren, verringert haben dürfte. Den Hauptpreis für Exzentrik spreche ich innerlich einer ganz großen, gertenschlanken Frau von tiefschwarzer Hautfarbe zu, die im schneeweißen Pelzmantel mit schneeweißer Pelzkappe und schneeweißen Stiefeletten auf 10 cm hohen Absätzen einher- stöckelt und ihren schneeweißen Pudel spazierenführt.“

 

 2119705-f2291fc37593f215a966150b02e6a6f1.jpg
Barbara Honigmann (Oost-Berlijn, 12 februari 1949)

 

 

De Duitse schrijver en dichter Detlev Meyer werd geboren op 12 februari 1950 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Detlev Meyer op dit blog.

Uit: Das Sonnenkind

„Es wäre ein Leichtes gewesen, herauszufinden, ob die Großmutter der 1890 geborenen Else Gellen, verheiratete Wol-lin, tatsächlich eine Comtesse von Veltheim war. Schließ-lich hätte man nicht zeit- und geldaufwendige genealogische Exkursionen unternehmen müssen, die zu klären in der Lage gewesen wären, ob das Haus Greifendau zum Bei-spiel erstmals im 11. Jahrhundert und nicht erst im dar-auffolgenden urkundlich erwähnt worden war. Nein, im Falle Gellert/Veltheim hätte man nur zwei, drei Einwohnermeldeämter aufsuchen müssen, um ein-deutig zu klären: Else ist tatsächlich eine Veltheim, der allein wegen des leichtfertigen Naturells ihrer Großmut-ter der schöne Titel und der nicht minder schöne Besitz versagt geblieben waren. Natürlich gibt es in Else Gellerts Geschichte einen feschen Gutsverwalter mit keckem Bärt-chen und feurigen Augen — ein Hallodri —, der die zur Leidenschaft entfachte Comtesse umgarnt und schließlich besessen hatte, im Heu, wie das so üblich war, in einer jener schwülen Sommernächte, die selbst die verknöchertsten Junker und keuschesten Stiftsdamen das Blut in den Adern spüren ließen. Niemand machte also dem aufblühenden Comtesschen den Vorwurf, bewusst und willentlich gegen ihren Stand und dessen Konventionen verstoßen zu haben. Sie war nur einer übermächtigen Natur gefolgt, hatte lediglich im Sinnentaumel die Sehnsucht ihres Herzens und Leibes gestillt. Die Frage, ob sie ihre liebestolle Großmutter gekannt habe, lässt Else Gellen offen. Frag lieber nicht, pflegt sie mit einem Ausdruck mühevoll gezähmten Schmerzes zu antworten, wobei ihr Blick in eine düstere Ferne schweift, in der ein verlaustes Asyl oder Armenhaus steht, letzte Zuflucht einer gewissen Frederieke Karwunke, geborene von Veltheim, Endstation einer Verlorenen und Verstoßenen. Elses Herkunftsgeschichte wird von der Familie akzeptiert, aus liebe, aus Respekt und, das gilt für Elses Mann, Max Wohin, weil sie Teil einer stillen Abmachung ist, die beide verpflichtet, die Geschichten des Partners nicht allzu penibel auf ihren Wahrheitsgehalt zu überprüfen, sie so stehenzulassen, wie sie erzählt werden.“

 

 2119705-bea3972b28af337281bc7ccc2d2f0b1c.jpg
Detlev Meyer (12 februari 1950 – 30 oktober 1999)
De regenboogvlag bij de U-Bahnhof Nollendorfplatz in Berlijn

 

 

De Duitse schrijfster Mariana Leky werd geboren op 12 februari 1973 in Keulen. Zie ook alle tags voor Mariana Leky op dit blog.

Uit:Die Herrenausstatterin

„Alles hätte gut und gern so weitergehen können, aber dann ist alles zerbrochen, was, wie Blank später sagte, ein sicheres Zeichen dafür ist, dass es eben nicht so habe weitergehen können, auch wenn ich das geglaubt hatte. Was man selber glaubt, ist, auch das sagte Blank später, manchmal unmaßgeblich in der Frage, ob etwas zerbrochen gehört oder nicht.
Morgens, wenn ich aufwachte, war Jakob längst wieder da oder gar nicht weg gewesen. Er lag neben mir in meinem Bett, je nach Jahreszeit unter einem Laken oder einer Decke. Jakob schlief wie ein Toter und brauchte anschließend lange, um richtig wach zu werden. Oft verschlief er und wachte erst auf, wenn die Sprechstundenhilfe anrief und sagte: »Sie müssten jetzt wirklich mal kommen, hier ist alles voller Schmerzpatienten.
« Dann stieg Jakob schlaftrunken in seine Kleider, ging schlaftrunken los, kaufte unterwegs einen Kaffee zum Mitnehmen, er tat das ohne Worte, weil man ihn in der Kaffeebar kannte, er kam schlaftrunken in die Praxis und durchquerte schlaftrunken sein volles Wartezimmer. Seine Sprechstundenhilfe wusste, dass Jakob morgens dankbar war für jedes Wort, das er nicht sagen oder hören musste, deshalb sagte sie nichts, folgte ihm ins Behandlungszimmer, zog ihm dort den zerdrückten Kaffeepappbecher aus der Jackentasche, reichte ihm den frisch gewaschenen Kittel und wies Jakob, kurz bevor der erste Schmerzpatient hereinkam, wortlos auf den Schlaf in seinen Augenwinkeln hin. Es ist beunruhigend, von jemandem behandelt zu werden, der noch Schlaf in den Augen hat.
Jakob war Zahnarzt. Ich lernte ihn kennen, als meine Zähne schlecht waren, deshalb kannte ich mich mit Zahnärzten gut aus und wollte eigentlich keinen neuen mehr kennenlernen.
Ich kannte mich mit den Wartezimmern aus, in denen hauptsächlich Leute sitzen, die aussehen, als kämen sie nur mal so zur Kontrolle. Ich kannte den Zahnarztbegrüßungshandschlag, ein kurzer fester Griff mit einer vom vielen Waschen farblosen und wachsweichen Hand.“

 

 2119705-99bf439b11b4729641ae7b1820bacf16.png
Mariana Leky (Keulen, 12 februari 1973)

 

 

De Russisch-Duitse dichteres en schrijfster Lou Andreas-Salomé werd geboren op 12 februari 1861 in Sint Petersburg. Zie ook alle tags voor Lou Andreas-Salomé op dit blog.

Uit: Aus fremder Seele

»Kurt?« fragte ein Bübchen und drängte sich an ihn, »dein großer Kurt? Darum rennen wir so? O je, können wir den nicht auch gleich wiedersehn?«
»Jetzt gleich lieber nicht. Aber spätestens morgen. Denn er sucht ganz sicher jeden von euch auf und erzählt euch was ihr haben wollt.«
Hinter ein paar armseligen Taglöhnerhäuschen, die aussahen, als hätte man sie aus Lehm und Feldsteinen zusammengeworfen, lag das niedrige Pfarrhaus in einem Garten.
Ein Querbau, wo sich die Küchenräume befanden, verengte den Hof zu einem schrägen Dreieck. Als sie herantraten, sprangeine schlanke weiße Hündin sie freudigbellend an, während aus der Hundehütte der alte, gichtlahme Unkas, der keine Kinder leiden konnte, nur ein verdrossenes Knurren hören ließ.
Im Querbau stand das Küchenfenster offen, und ein feines faltiges Frauengesicht, umrahmt von weißen Flechten, beugte sich lächelnd heraus. Die Kinder ließen die Hand des Pastors los, blieben stehn und machten lange Hälse. Wenn »Tante Babette«, wie sie bei allen hieß, des Pastors langjährige Freundin und Hausgenossin, ihnen zuwinkte, so gab es immer etwas Gutes, – besonders, wenn sie Pfefferkuchen gebacken hatte, solche, die es hierzulande gar nicht gab, denn das verstand sie.
Der Pastor war inzwischen durch den Garten gegangen, aus dem man direkt in seine Arbeitsstube gelangen konnte. Eine breite Glastür verlieh derselben viel Licht und den vollen Blick ins Grüne. An den Wänden standen Bücherregale, und den Boden deckte ein dunkler einfarbiger Teppich.“

 

 2119705-2f32e11469d93b2fe153f82cad60d75f.jpg
Lou Andreas-Salomé (12 februari 1861 – 5 februari 1937)
Katharina Lorenz als Lou Andreas-Salome and Julius Feldmeier als Rainer Maria Rilke in de filmbiografie „Lou Andreas-Salome” uit 2016.

 

 

De Turkse dichter en schrijver Sabahattin Ali werd geboren op 12 februari 1906 in Gümülcine, tegenwoordig, Komotini, Griekenland. Zie ook alle tags voor Sabahattin Ali op dit blog.

Uit: The Madonna in the Fur Coat (Vertaald door David Gramling en Ilker Hepkaner)

“The next day, my first chore was to search for a shop that sold replicas of famous paintings and look for the Arpie Madonna. I found it in a heavy album of Sarto’s work. The badly imprinted copy didn’t reveal much, but the author of the article was right: sitting higher than the others, the holy child in her arms, she looked downward without noticing the bearded man on her right and the young man on her left. The Madonna’s disappointed, irritated expression—observable in her gaze and lips, her face, and how she held her head—was precisely the one in the painting I’d seen the day prior. They were selling this page of the album individually, so I was able to buy the painting and return home. Looking carefully, I realized the painting was of great import from an artistic point of view. It was the first time I had seen such a Madonna: In the illustrations of Mother Mary I had encountered before, there was an expression of innocence, which was emphasized a little bit more than was necessary, and sometimes senselessly so; they either looked like little children who were saying to the baby in their arms, “See what God has bestowed upon me!” or they were housemaids, staring with fixed eyes and smiling in confusion at their sons, whom they had conceived by way of a man these girls could not even name. The Mary in this painting by Sarto was however a woman who had learned how to think, who conveyed all her judgments about the world, and had begun to treat the world with a bit of levity. She wasn’t looking at the saints, standing as if in worship on either side of her. She wasn’t looking at the Messiah in her arms, nor at the sky, but down toward the earth. And it is clear that she saw something there.
I put the image down on the table. I closed my eyes and thought about the painting in the exhibition. At that very moment, it occurred to me that the person depicted there actually existed. Of course this was the case—the painter had made a self-portrait. This spectacular woman was wandering among us, guiding her deep, dark eyes down to earth, or toward the person opposite her, parting her lips to speak, the bottom one a little bigger than the top. She was alive. I could go see her somewhere… The first thing I felt, when I thought about it, was tremendous fear. It would be a genuine disaster if a man like me—someone who had never had any adventures with a woman before—were to have his first time ever with a woman like this.”

 

2119705-6a3258116d0acd5cda0baa6c26f8f6f6.jpg
Sabahattin Ali (12 februari 1906 – 2 april 1948)

 

De Duitse schrijver Friedrich Heinrich Karl Freiherr de la Motte-Fouqué werd geboren in Brandenburg an der Havel op 12 februari 1777. Zie ook alle tags voor Friedrich de la Motte-Fouqué op dit blog.

Uit:Undine

“Drinnen saß bei dem Herde, von welchem aus ein spärliches Feuer die dämmernde, reinliche Stube erhellte, auf einem großen Stuhle des Fischers betagte Frau; beim Eintritte des vornehmen Gastes stand sie freundlich grüßend auf, setzte sich aber an ihren Ehrenplatz wieder hin, ohne diesen dem Fremdling anzubieten, wobei der Fischer lächelnd sagte: »Ihr müßt es ihr nicht verübeln, junger Herr, daß sie Euch den bequemsten Stuhl im Hause nicht abtritt; das ist so Sitte bei armen Leuten, daß der den Alten ganz ausschließlich gehört.« – »Ei, Mann«, sagte die Frau mit ruhigem Lächeln, »wo denkst du auch hin? Unser Gast wird doch zu den Christenmenschen gehören, und wie könnte es alsdann dem lieben jungen Blut einfallen, alte Leute von ihren Sitzen zu verjagen?« – »Setzt Euch, mein junger Herr«, fuhr sie, gegen den Ritter gewandt, fort; »es steht dorten noch ein recht artiges Sesselein, nur müßt Ihr nicht allzu ungestüm damit hin und her rutschen, denn das eine Bein ist nicht allzu feste mehr.« – Der Ritter holte den Sessel achtsam herbei, ließ sich freundlich darauf nieder, und es war ihm zumute, als sei er mit diesem kleinen Haushalt verwandt und eben jetzt aus der Ferne dahin heimgekehrt.
Die drei guten Leute fingen an, höchst freundlich und vertraulich miteinander zu sprechen. Vom Walde, nach welchem sich der Ritter einige Male erkundigte, wollte der alte Mann freilich nicht viel wissen; am wenigsten, meinte er, passe sich das Reden davon jetzt in der einbrechenden Nacht; aber von ihrer Wirtschaft und sonstigem Treiben erzählten die beiden Eheleute desto mehr und hörten auch gerne zu, als ihnen der Rittersmann von seinen Reisen vorsprach und daß er eine Burg an den Quellen der Donau habe und Herr Huldbrand von Ringstetten geheißen sei. Mitten durch das Gespräch hatte der Fremde schon bisweilen ein Plätschern am niedrigen Fensterlein vernommen, als sprütze jemand Wasser dagegen. Der Alte runzelte bei diesem Geräusche jedesmal zufrieden die Stirn; als aber endlich ein ganzer Guß gegen die Scheiben flog und durch den schlechtverwahrten Rahmen in die Stube hereinsprudelte, stand er unwillig auf und rief drohend nach dem Fenster hin: »Undine! Wirst du endlich einmal die Kindereien lassen. Und ist noch obenein heute ein fremder Herr bei uns in der Hütte.« – Es ward auch draußen stille, nur ein leises Gekicher ließ sich noch vernehmen, und der Fischer sagte, zurückkommend: »Das müßt Ihr nun schon zugute halten, mein ehrenwerter Gast, und vielleicht noch manche Ungezogenheit mehr, aber sie meint es nicht böse. Es ist nämlich unsere Pflegetochter Undine, die sich das kindische Wesen gar nicht abgewöhnen will, ob sie gleich bereits in ihr achtzehntes Jahr gehen mag.“

 

 2119705-94986dfd475992c167e7636571a16b40.jpg
Friedrich de la Motte-Fouqué (12 februari 1777 – 23 januari 1843)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijver Janwillem Van de Wetering werd geboren in Rotterdam op 12 februari 1931. Zie ook alle tags voor Janwillem van de Wetering op dit blog.

Uit: The Empty Mirror

„After the bathhouse the monks went to the kitchen for breakfast. I saw a wide variety of Japanese delicacies on the tables, radishes, sour plums, seaweed, small bowls with sauces. The head monk put his hand on my shoulder. “Not for you. That’s for us, we like this type of food. You and Gerald have been invited out by Peter; he is waiting for you.”
When I heard the pebbles crunch under my wooden sandals, felt the clean clothes against my skin, and inhaled the smoke of a cigarette, and knew that it was all over, that Rohatsu had faded into the past, I felt such a wave of happiness surge through me that I stopped. Gerald pushed me forward. “Peter has made an American breakfast, mark my words.”
And so it was. There was a neatly laid out table waiting for us, with dishes full of crisp rolls, bacon and eggs, fresh butter, a large pot of coffee, and tins of marmalade and cherry jam. Peter kept on toasting rolls and pouring coffee and frying eggs till we rolled over backwards on the floormats. That day was a holiday. I slept for a few hours and then woke up. The rhythm of my existence was disturbed and I couldn’t go back to sleep. I read till I became drowsy again. The rest of the day I spent sleeping, walking about the gardens, and eating. All stress had gone. The koan rumbled vaguely on the horizon of my consciousness but that was all. It was very quiet in my mind; the only feeling I was aware of was one of intense contentment.”

 

 2119705-ce48ad15ad9fa41f0e7072a63aeec127.jpg
Janwillem van de Wetering (12 februari 1931 – 4 juli 2008)
Cover

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver, acteur en regisseur Joachim Philipp Maria Meyerhoff werd geboren in 1967 in Homburg (Saarland). Zie ook alle tags voor Joachim Meyerhoff op dit blog.

Uit:Wann wird es endlich wieder so, wie es nie war

“Mein erster Toter war ein Rentner. lange bevor in meiner Familie ein Unfall. eine Krank-heit und Altenschwäche die nächsten geliebten Menschen verschwinden ließen, lange bevor ich hinnehmen musste, dass der eigene Bruder, der zu junge Vater, die Großeltern, ja selbst der Kindbelts-Hund nicht unsterblich waren, und lange bevor ich in ein zwanghaftes Dauergespräch mit mei-nen Gestorbenen geriet — so heiter, so verzweifelt —, fand ich eines Morgens einen roten Rentner.
Ich war eine Woche zuvor sieben Jahre ah geworden und harte diesem Geburtstag entgegengefiebert, da ich durch ihn endlich das Recht erwarb, den Schulweg allein zurück-zulegen. Von einem Tag auf den anderen durfte ich nun ste-hen bleiben und weitergehen, wann immer mer ich es wollte. Das Gelände der Psychiatrie, in der ich außvuchs, und auch die außerhalb der Anstaltsmauern liegenden Gärten, Häuser, Straßen und Gebüsche waren wie verändert, und ich ent-deckte lauter Dinge, die mir in Begleitung meiner Mutter oder meiner Brüder noch nie aufgefallen waren. Ich machte etwas größere Schritte und kam mir unglaublich erwachsen vor. Dadurch, dass ich ein Einzelner war, vereinzelten sich auch die Dinge um mich herum. Gegenüberstellungen auf Augenhöhe: Die Kreuzung und ich. Der Kiosk und ich. Die Schrottplatz :Mauerund ich. Wie viele Entscheidungen ich plötzlich selbst treffen durfte, überraschte mich. An der Hand meiner Mutter harte ich meist vor mich hin geträumt oder mit ihr geredet und mich, nie auf den Weg achtend, zur Schule bringen lassen wie einen Brief zum Postkasten. Die erste Woche lang war ich brav, wie ich es huch und heilig versprochen haue, den verabredeten Weg gegangen —den Weg, in den mich meine Mutter mit allem Nach-links-und Nach-rechts- und wieder Nach-links-Gucken eingewiesen harre, doch am darauffolgenden Montag beschloss ich, einen kleinen Umweg durch die Sdireberprtensiedlung zu nehmen.“

 

 2119705-1fe89d7dd57657a09262b826581603c7.jpg
Joachim Meyerhoff (Homburg, 1967)

 

 

De Amerikaanse dichter John Hennessy werd geboren in 1965 in New Jersey. Zie ook alle tags voor John Hennessy op dit blog.Zie ook alle tags voor John Hennessy op dit blog.

 

Mike Devlin

The dairy light, he called it, in any weather
when he delivered—fog eddies from Arthur Kill,
sun half an hour high over Merck, the morning
divided by smokestack. Temper’s teacup, a man’s
no more than a punter’s error, he liked to say.
He hummed “Ave Maria” through the baritone
kazoo of tracheotomy, circus shadow
of his church choir tenor; for kids, he buzzed
the Yankee Doodle like electric razor
or flexed his arm and blackened ship tattoos
dropped anchor under a war wound’s purple chop.
After the dairy cut his route, he became our oldest
paper-boy. Sack slung around his shoulder
and cradled like a headless cello, we saw him
more often, his walk an economic waltz.
Warm afternoons, he propped a shoe-shine box
beneath the awnings of Truppa’s deli, bullied tips
from all his customers. He slipped his gauze,
pulled the patch off his blow-hole, neck-smoked
a hot-boxed Camel to win the hardest cases.
The night Mike died, men emptied out of Pete’s:
Knights, Vets, Legionnaires, Sons of Italy. They parked
a phonograph on the fire-escape and played
his seventy-eights. Crackling Irish tenors
rose along rusted, ivy-covered slats, zigzag
ladder and window grills, to sing us to sleep.
Later bottles dropped, a pipe burst, the record player
smashed in the alley. Beat-cops broke it up
before morning twilight, his old delivery hour.

 

 2119705-691e31c2f485400973d7c2aa2e6fd265.jpg
John Hennessy (Philadelphia, 1965)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e februari ook mijn blog van 12 februari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 12 februari 2007 en ook mijn blog van 12 februari 2008 en eveneens mijn blog van 12 februari 2009.

Geschreven door Romenu om 09:40 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten