Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 24 februari 2018 tot 25 februari 2018

De verheerlijking op den berg (Nicolaas Beets)

 

Bij de tweede zondag van de vasten

 

 2123533-13165c066557aca5b6f08888119b19fd.jpg
De gedaanteverandering van Christus door Titiaan, ca. 1560

 

 

De verheerlijking op den berg
Matth. XVII. v. 1-9.


II.
Treed naderbij, aanschouw den Heer,
Daar Hij op Thabor staat!
Een lichtgloed blinkt om zijn gelaat;
Het is de mensch niet meer,
Die, in 't gewaad eens Joodschen mans,
Op aarde ronddoolt zonder glans;

Het is des Allerhoogsten Zoon,
Die 's Vaders zetel deelt,
Om wien het licht des Hemels speelt,
Gods eigen stralenkroon;
Voor wien, van heilge vrees bezield,
De rei der zaalgen nederknielt.

Twee daalden er, op reine vlerk,
Uit bovenaardsche sfeer,
En juichen in zijn heilig werk,
En brengen hulde en eer
Aan Hem, die kwam tot heil en troost
Van arm, gevallen menschenkroost.

Door hen was óók een zware strijd
Op deze onze aard volbracht.
Zoo donker was de gruwelnacht,
De poort des kwaads zoo wijd,
Alsof heel 't menschdom God vergat,
En dood noch straf te vreezen had.

Toen riep Hij Mozes tot zijn tolk.
Door hem heeft Hij zijn Wet;
Op Horebs bergtop ingezet.
Voor 't uitverkoren volk;
Opdat het, door zijn God geleid,
Zou wandlen in gehoorzaamheid.

Maar ach! dat volk, verblind en stout,
Doolt af van 's Heeren pad,
Verzaakt wie hen gezegend had,
En knielt voor steen en hout,
En tergt, tot ieder kwaad gereed,
Den Heil'gen, dien hun hart vergeet.

Daar zendt de Heer Elias af,
Zijn strengen boetprofeet,
Met goddelijk gezag bekleed,
Wie Baäl dient ten straf;
Dat hij nog eens van Hem getuig',
En waan en hoogmoed nederbuig'!

Wel was de strijd dier mannen zwaar,
Gestreden voor Gods eer!
Doch 't eind is goed; Hij vergt niet meer;
De tijd der rust is daar!
Maar, schoon hen Abrams schoot ontving,
Nog moeide hun de sterveling.

Ach! wanneer zou aan 't arme volk
Verlossing zijn bereid
Van zondeschuld en dienstbaarheid,
Als 't Licht brak door de wolk,
Dat met zijn zegenrijken gloed
Een troost zou zijn voor 't vroom gemoed?

Het komt. Gods Zoon, ziedaar dat Licht!
Zij dalen juichend neer,
En groeten Jezus, aller Heer,
En brengen hulde en plicht
Aan Hem, den Koning van 't Heelal,
Die arme zondaars redden zal.

 

 2123533-0f09170bbfab79bddaf64195a4a214c6.jpg
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Sint Bavo kathedraal (koor) in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

 

Zie voor de schrijvers van de 25e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:14 Reageer op dit bericht

Amin Maalouf, Aldo Busi, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Karel Toman, Vittoria Colonna

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: De rots van Tanios (Vertaald door Eef Gratama)

“In het dorp waar ik ben geboren hebben de rotsen een naam. Je hebt er het Schip, de Berekop, de Hinderlaag, de Muur en de Tweelingen, ook wel de Boezem van de Vampier genoemd. En vooral niet te vergeten de Soldatensteen; daar stond men vroeger op de uitkijk wanneer de achtervolging op rebellen werd ingezet; geen enkele plek wordt meer geëerd, is zwaarder beladen met legenden. Maar toch, als het landschap van mijn jeugd in mijn dromen opnieuw aan mij voorbijtrekt, zie ik een andere rots voor me. Hij ziet eruit als een vorstelijke zetel, uitgehold en als het ware ingesleten op het zitvlak, met een hoge, rechte rugleuning, die aan weerszijden als het ware met armsteunen afloopt — het is, geloof ik, de enige rots die de naam van een mens draagt, de Rots van Tanios. Ik heb deze stenen troon lange tijd aanschouwd zonder erop te durven klimmen. Het was niet uit angst voor gevaar; de rotsen bij het dorp waren ons geliefde speelterrein en reeds als kind had ik de gewoonte om grotere jongens tot de gevaarlijkste beklimmingen uit te dagen; onze blote handen en voeten vormden onze enige uitrusting, maar onze huid wist zich aan de huid van de steen vast te hechten en geen kolos kon ons weerstaan. Nee, het was niet de angst om te vallen die mij tegenhield. Het was een geloof, en het was een eed. Afgedwongen door mijn grootvader, enkele maanden voor zijn dood. 'Alle rotsen, maar nooit die!' De andere jongens bleven net als ik op afstand, uit dezelfde bijgelovige vrees. Ook zij hadden dat moeten beloven, met hun hand op het donzige haar van hun snor. En ook zij hadden dezelfde uitleg gekregen: 'Zijn bijnaam was Tanios-kichk. Hij was op die rots gaan zitten. Daarna is hij nooit meer teruggezien.'
Men had mij vaak verteld over deze figuur, held van talloze plaatselijke verzinsels, en telkens weer had zijn naam mij geïntrigeerd. Tanios, dat begreep ik goed, was een van de vele plaatselijke varianten van Anton, net als Antoun, Antonios, Mtanios, Tanos of Tannous ... Maar waarom die spottende bijnaam lichk'? Dat had mijn grootvader me niet willen vertellen. Hij heeft alleen maar gezegd wat hij tegen een kind meende te kunnen zeggen: Tanios was de zoon van Lamia. Je hebt vast en zeker van haar gehoord. Het was heel lang geleden,”

 

 2123529-17ccfc57e7d1b326b7fe125d0051934c.jpg
Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

 

 

De Italiaanse schrijver en vertaler Aldo Busi werd geboren op 25 februari 1948 in Montichiari, Brescia. Zie ook alle tags voor Aldo Busi op dit blog.

Uit: Standard Life of a Temporary Pantyhose Salesman (Vertaald door Ercole Guidi)

“They kindly saw him to the train; one told him to call him when he got back «to go and get a coffee together.
He felt ashamed of his immaculate record; he had nothing to brag about. On the other hand, he could make on time any train he wished. And he was also ashamed of that raillery so frustratingly polished, his «Letters to the Editor,» stuff that not even in barraks must have had a minimal moment.
He had a clean record not because he was smart enough, like so many people, but because he was conservatively legalistic in his requitals.
Ultimately, whoever looked at him, must have perceived a priest-like countenance, which is always agreeable to everyone. In the train he felt amazed how his cold blood were flowed through by a warm current of reformist cowardice, by a desire of revolting by integrating himself; but that was the price in order to evade the cliché of diversity, of scandal, of a dated not so noble and hysterical segregation.
In Naples he was put before an unpleasant appendage: Galeazzo had anal condylomas - Venereal warts, Angelo translated for him. He hadn't seen Galeazzo in two years, and the situation down South had grown even more splintered and fistulous. The answer was that it had also occurred to him «that something wasn't quite right,» but, being in the police, he feared that down at headquarters they'd have gotten wind of any surgery.
Angelo saw that his friend felt the Defence Intelligence Service, venereal section, all over him, and that he would not be convinced. In a split second Angelo reviewed the situation of the Grants to the South and asked to be taken to SIP. If the need for epic was so rooted even in an affair of warts, if the only thing left to the South were its fears and cock dramas, there was nothing Angelo could do.
When he got out of the phone booth he exhibited the scalpel of a sudden engagement: he must leave for the Netherlands the next day, the moment he arrived home; a matter of pantyhose.
Galeazzo protested; but how? he wasn't even rested from the trip; and Amalfi? and Capri? On the footboard the good-bye of the civilian grazed contrite the «electric scalpel, a trifle», while that encomiastic of the uniform continued to slip «down Krupp's boulevard.”

 

 2123529-4afb18e1a5aeb2854156c70268df5950.jpg
Aldo Busi (Montichiari, 25 februari 1948)
Cover


 

De Nederlandse dichter, essayist, toneelschrijver, vertaler, kunstcriticus, journalist, redacteur en politicus Gabriël Wijnand Smit werd geboren in Utrecht op 25 februari 1910. Zie ook alle tags voor Gabriël Smit op dit blog

 

De vlinder

Trillende vlinder op het tafelvlak,
hoe stil vouwt gij uw lichte vleugels samen,
alsof uw wanhoop aan de dichte ramen
niets van uw inkeer en uw vrede brak,

alsof het valsch verglaasde kamerlicht
in wreede spiegeling van wijd ontfermen
u niet verleidde tot àl driester zwermen
en opjoeg tot gij bijna waart gezwicht.

Was het genade, die u plots deed wijken
om in bevrijd geluk hier neer te strijken?
Niets zal u wonden waarvan God niet weet.

Doch Hij weet ook: gij liet u wéér verblinden, -
dacht gij de troost van levend gras te vinden,
het is mijn doode, groene tafelkleed.

 

 

Een gestorven vriend

Wij lagen samen loom in wuivend gras:
boven de hooge, rustelooze boomen
blonken de wolken als de witte droomen
van wat ons beider liefste toekomst was.

Gezicht, dat zoo onnoemelijk helder was
en kruidengeur over ons heen gekomen;
in licht geritsel zorgeloos opgenomen
leek ons het leven simpel als het gras.

Nu ligt gij, slapend, daar niet ver vandaan,
in zelfde grassen ruischende bedolven;
geen droomen ziet ge blinkend overgaan,

doch werkelijkheid, die ik niet kan verstaan,
stuwt wreed u van mij weg in hooge golven
tot ik ons beider leven heb gedaan.

 

 2123529-54eb3b8e472dcf4535fa87d4c739cc25.png
Gabriël Smit (25 februari 1910 – 23 mei 1981)
Op 18-jarige leeftijd

 

 

De Britse dichter en schrijver Anthony Burgess werd geboren op 25 februari 1917 in Manchester, Engeland. Zie ook alle tags voor Anthony Burgess op dit blog.

Uit:Machten der duisternis (Vertaald door Paul Syrier)

“Het was de middag van mijn eenentachtigste verjaardag en ik lag in bed met mijn schandknaap toen Ali kwam zeggen dat de aartsbisschop er was om me te spreken.
‘Heel goed, Ali,’ riep ik beverig in het Spaans door de gesloten deur van de grote slaapkamer. ‘Breng hem naar de bar. Geef hem iets te drinken.’
‘Hay dos. Su capellán también.’
‘Heel goed, Ali. Geef zijn kapelaan ook iets te drinken.’
Ik heb me twaalf jaar geleden teruggetrokken als romanschrijver. Niettemin zult u moeten concluderen, als u mijn werk een beetje kent en even de moeite neemt die eerste zin te herlezen, dat er nog niets mankeert aan mijn gewiekstheid in het bedenken van wat men noemt ‘een pakkende openingszin’. In dit geval is er van gewiekstheid echter geen sprake. De feiten spelen de kunst soms in de kaart. Dat ik eenentachtig was kon ik nauwelijks nog betwijfelen: telegrammen met gelukwensen hadden me dat al de hele ochtend ingepeperd. Geoffrey, die zijn te strakke zomerbroek al aantrok, was, nam ik aan, zowel mijn Ganymedes ofwel minnaar als mijn secretaris. Het Spaanse woord arzobispo betekent wel degelijk aartsbisschop. Het tijdstip was even na vieren op een Maltese junidag – de drieëntwintigste om precies te zijn en om de werkelijk geïnteresseerden het openslaan van de Who’s Who te besparen.
Geoffrey zweette te veel en was hard op weg dik te worden (waarom zeggen we toch ‘hard op weg’? Geoffrey was nooit hard op weg). Het leven was, veronderstelde ik, te makkelijk voor een jongen van vijfendertig. Maar goed, het moment van onze scheiding kon, naar het zich liet aanzien, niet lang meer worden uitgesteld. Geoffrey zou bij de voorlezing van mijn testament niet aangenaam getroffen zijn. ‘Die ouwe slet, liefje, na alles wat ik voor hem gedaan heb.’ Nu, ik ging nog iets terugdoen, maar wel postuum, postuum.”

 2123529-f3c412947407c4f754bfebbd450efa79.jpg
Anthony Burgess (25 februari 1917 – 22 november 1993)
Cover Engelse uitgave 

 

 

De Franse dichter  Robert Rius werd geboren op 25 februari 1914 in Château-Roussillon. Zie ook alle tags voor Robert Rius op dit blog

 

La main courante

L’azur triomphe tous les samedis
devant les images de films d’aventures
il y a le jeu des boules de billard
mystérieux rendez-vous linéaires aux jeux antiques
promenades des plus faciles à réaliser

Tous les jours s’inscrivent
des lèvres aux agendas courants
avec des lignes étoilées et parallèles
des raies à capturer les baisers
des sexes à fasciner

Déliement délateur idéal
des divans maléfiques en courses d’embauche
voûtes de montagnes
voûtées en voûtes de miroirs
à déceler les paraboles
Les arbres grandissent au flot des sourires entendus
catalogués selon les images de géométries savantes
aux termes inconnus

Au lit des amours convulsives
la découverte des couleurs s’invente à heures fixes

 

 2123529-6029d43d546da26f8b53a535c4efde77.jpg
Robert Rius (25 februari 1914 - 21 juli 1944)
Portret door Pedro Florès, 1940

 

 

De Duitse schrijver Karl May werd geboren op 25 februari 1842 in Hohenstein-Ernstthal. Zie ook alle tags voor Karl May op dit blog.

Uit: Und Friede auf Erden!

»Ich bin Sejjid Omar!«

Wie stolz das klang, und wie beweiseskräftig die Gebärde war, mit welcher er diese Worte zu begleiten pflegte! »Ich bin Sejjid Omar,« das sollte sagen: »Ich, Herr Omar, bin ein studierter, schriftkundiger Abkömmling des Propheten, welcher der Liebling Allahs ist. Mein Name wurde mit allen meinen persönlichen Vorzügen in die heilige Stammrolle zu Mekka eingetragen; darum habe ich das Recht, ein grünes Oberkleid und einen grünen Turban zu tragen. Wenn ich sterbe, wird die Kuppel meines Grabmals grün angestrichen und mir die Tür des obersten der Himmel gleich geöffnet sein. Respekt also vor mir!«
Was aber war dieser Sejjid Omar? Ein Eselsjunge! Er hatte seinen »Stand« an der Esbekije in Kairo, dem Hotel Kontinental, in welchem ich wohnte, gegenüber. Ein schön und kräftig gebauter, junger Mann von wenig über zwanzig Jahren, war er mir durch seinen steten Ernst und die angeborne Würde seiner Bewegungen aufgefallen. Ich beobachtete ihn gern von meinem Balkon aus, und wenn ich unten auf dem prächtigen Vorplatze des Hotels meinen Kaffee trank, konnte ich ihn sprechen hören. Sein Gesicht zeigte zwar auch den Zug von Verschlagenheit, der allen Eseltreibern eigen ist, aber er war nicht aufdringlich und lag seinem Geschäfte in einer Weise ob, als werde Jedem, der sich seines Esels bediente, eine ganz besondere Gunst erwiesen. Er gab sich so wenig wie möglich mit Berufsgenossen ab, und wenn sie ihn für diese Zurückhaltung mit spöttischen Redensarten zu ärgern versuchten, bekamen sie nichts als ein verächtliches »Ich bin Sejjid Omar« zu hören. Wollte ein Fremder mit ihm feilschen, oder wurde ihm irgend Etwas gesagt oder zugemutet, was er für gegen seine Ehre hielt, so wendete er sich mit einem geringschätzenden »Ich bin Sejjid Omar« ab und war dann für den Betreffenden nicht mehr zu sprechen.
Die Folge war, daß ich ihm ein ganz besonderes Interesse schenkte, obgleich sich mir keine Gelegenheit bot, ihm dies in Beziehung auf sein Geschäft zu beweisen. Aber Blicke ziehen einander bekanntlich an. Ich bemerkte, daß auch er sehr oft zu mir herübersah. Er schien unruhig zu werden, wenn ich nach dem Mittag- und dem Abendessen mich nicht sofort auf der Terrasse sehen ließ, und so oft ich beim Ausgehen an ihm vorüberkam, trat er, obgleich ich ihn gar nicht zu beachten schien, einen Schritt zurück und legte, still grüßend, die Hände auf die Brust.
In dem erwähnten Hotel gibt es zu Seiten des Speisesaales zwischen den Säulen kleinere Tische für Gäste, welche es nicht lieben, an der Tafel enggepfercht zu sitzen."

 

 2123529-abf9d827a672e72e48e95cd1b7244628.jpg
Karl May (25 februari 1842 – 30 maart 1912)
Cover

 

 

De Oekraïense dichteres, schrijfster en vertaalster Lesja Oekrajinka werd geboren op 25 februari 1871 in Novograd-Volynsky. Zie ook alle tags voor Lesja Oekrajinka op dit blog.

Uit: The Forest Song (Vertaald door Percival Cundy) 

"He Who Rends The Dikes"
Down from mountain into valley,
Skipping, racing, forth I sally.
All the villages are quaking,
As the dikes and dams I'm breaking.
When folk try to dam the water,
To their work I give no quarter;
For wild waters of the spring
Like wild youth, must have their fling!
He continues to agitate the water more and more, plunging and then emerging as though seeking something.

Two Lost Babes (Tiny pale infants in scanty white shirts, who come up to the surface among the water lilies.)
1.Why do you come hither blundering?
2. Why do you disturb our slumbering?
1. Here our mother made our nest;
Laid us gently down to rest;
O'er the stones and o'er the gravel
She laid reeds to make it level,
Lily pads she gave for covering,
And we heard her softly singing:
"Lulla-lulla-lullaby,
Sleep, my darlings, mother's nigh."
2. Why do you come us to scare?
1. 'Whom is it you're seeking here?

"He Who Rends The Dikes"
That Rusalka, blithe and kittle,
Whom I've loved since I was little;
For of water nymphs so queenly
There is none I love more keenly.
I have coursed all over mountains,
Valleys, ravines, springs, and fountains.
Lovelier spirit of the mere,
None there is than who dwells here.
Into foam this lake I'll churn,
Seeking her for whom I yearn!
He agitates the water tempestuously.”

 

 2123529-c92084b8f454226a1214fdb5683781df.jpg
Lesja Oekrajinka (25 februari 1871 – 1 augustus 1913) 
Portret door Ivan Trush, z.j.

 

 

De Tsjechische dichter, journalist en vertaler Karel Toman werd geboren 25 februari 1877 in Kokovice. Zie ook alle tags voor Karel Toman op dit blog.

 

The Lighthouse

One half watch-tower and one half prison cell,
on sandy strand apart it probes the skies
the somber lighthouse; of your fears and sighs
a confidant trustworthy, safe to tell.

In solitude unhurt the soul would dream,
within a tower of iron and of stone,
captive to cosmic power that holds the throne,
the waves’ unrest, the play of glint and gleam.

Your sorrows trite by ocean green unfurled
under the softly fronded weeds, past care
for earth, and space, and time; you will forbear
when the bejewelled night bespans the world.

 

Vertaald door Václav ZJ Pinkava

 

 2123529-090df86ea56c769c0d81e27767bdaad1.jpeg
Karel Toman (25 februari 1877 - 12 juni 1946)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Italiaanse dichteres Vittoria Colonna werd in april 1490 in Marino, bij Rome, geboren. Zie ook alle tags voor Vittoria Colonna op dit blog.

 

To thy great victories, my eternal light

To thy great victories, my eternal light,
Nor time, nor seasons, lent their favouring aid;
Thy sword, thy might, thy courage undismay’d,
Summer and winter ser’d thy will aright.
By thy wise governance and eagle sight,
Thou didst so rout the foe with headlong speed,
The manner of the doing crown’d the deed,
No less than did the deed display thy might.
Mountains and streams, and haughty souls in vain
Would check thy course. By force of courtesy
Or valour vanquish’d, cities of name were won.
Earth’s highest honours did thy worth attain;
Now truer triumphs Heaven reserves for thee,
And nobler garlands do thy temples crown.

 

Vertaald door Thomas Adolphus Trollope

 

 2123529-0864c877c1935e2ef3c63a805644b5f8.jpg
Vittoria Colonna (april 1492 – 25 februari 1547)
Portret door Sebastiano del Piombo, ca. 1520

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 25 februari 2007 en ook mijn blog van 25 februari 2008 en eveneens mijn blog van 25 februari 2009.

Geschreven door Romenu om 13:13 Reageer op dit bericht

Franz Xaver Kroetz, Gérard Bessette, Mary Chase, Karl Wilhelm Ramler, Friedrich von Spee, Carlo Goldoni, Quirinus Kuhlmann

De Duitse dichter, schrijver, regisseur en acteur Franz Xaver Kroetz werd geboren op 25 februari 1946 in München. Zie ook alle tags voor Franz Xaver Kroetz op dit blog.

 

Kirchberg

Da Dot is a schdada Hund.
As Bebi schreit.

As Bebi schreit, und da Dot
muaß wartn.

Da Dot is a schdada Hund,
der mogs ned laud.

Etzan laßtase in insam
Dorf nimma seng,
seit erm insa Bebi vadreibt.

A da Nachbarin ihra Dochta
kriagt ihra Bebi, a wenn da
Herr Arzt vum Trostberga
Grangahaus zu ihra gsogd hod,
wenns moing ned zim ausgrazn kemma,
nachat laft erna hoit da Baz
iwamoing iwa de Fiaß owe.

Sogor de kloa Katz
bracht a ganze Stund zin Dedn
vun oana schwarzn Feidmaus
drausd auf da Deraßn.

Da Dot is a schdada Hund,
vapfiffa isa worn aus insam Dorf.
Nicht daß es hier
nichts zu berichten gäbe.

Weiche sonnblaue Tage
im Mai.

Ich schüttete
sechs Liter
braunes Bier
in mich hinein.

Hellweiche Tage
im Wonnemonat Mai.

Ich möchte
im Birnbaum hängen
er blüht am schönsten.

Nicht daß es
hier nichts
zu berichten gäbe.

Meine anderthalb
jährige Tochter
sagt »heiß«.

Und heute
kam sie
und sagte
»papa heiß aua«.

 

 2123521-4b0cad6ee0fb17859ef66b9024d18530.jpg
Franz Xaver Kroetz (München, 25 februari 1946)

 

 

De Canadese schrijver Gérard Bessette werd geboren op 25 februari 1920 in Sainte-Anne-de-Sabrevois, Quebec. Zie ook alle tags voor Gérard Bessette op dit blog.

Uit: Last Rites (Vertaald door Wayne Grady)

„I had known Etienne for a long time. We'd been to college together, and then to university, and after graduat-ing with our law degrees we had set up a joint practice in an office down on St. James Street. And two years ago almost to the day of his attack, we had both retired. But we still got together regularly, two or three times a week, either to play bridge or chess, or sometimes just to talk. Emilie, Etienne's daughter, and her husband Julien—with whom Etienne had been living—met me at the door. They seemed frightened. The doctor had arrived a few min-utes before me, and was already in with the patient in his room. He came out just as I entered the living room. "How is he?" I asked him. The doctor, who was also an old friend, shook his head sadly: "There's nothing we can do, I'm afraid," he said. "He only has a few hours left." , The news brought a painful lump to my throat, and Emilie buried her face in her husband's arm, sobbing uncontrollably. But she soon rallied, and said with an air of decision: "We must call the priest." The doctor and I exchanged embarrassed looks. Although I had expected something of the sort, I could think of nothing to say. In fact, there didn't seem to be anything one could say. Emilie and her husband were devout Catholics; they were very active in their parish, and had raised their chil-dren in the strictest orthodox manner. Etienne's atheism had long been a matter of considerable pain to them. They had always hoped he would recant before his death, but they had no doubt preferred not to give it much thought. But now that Etienne was on his deathbed, they obviously felt it was time to act.
(…)

" I had to refuse, although I did so politely, explaining that religion was a personal matter and that, in any case, until then all my efforts in that direction had been futile. I then excused myself and went into the sick man's room. As I approached his bedside, I saw how much the par-tial paralysis had altered Etienne's appearance. The whole left side of his face was pale and shone like taut silk; it seemed pulled back as if by a heavy weight, presenting a painful contrast to the right side, which seemed entirely healthy, as creased and florid as ever. He must have heard me enter, because as soon as I was close enough he opened his right eye, lifted his left eyelid with his finger, and looked up at me."

 

 2123521-18c2bcba52df85e205eaf2d2f904cb92.jpg
Gérard Bessette (25 februari 1920 – 21 februari 2005)
De katholieke kerk van Sainte-Anne-de-Sabrevois, Québec

 

 

De Amerikaanse schrijfster Mary Chase werd geboren op 25 februari 1907 in Denver, Colorado. Zie ook alle tags voor Mary Chase op dit blog.

Uit: Harvey

“VETA (Turning.) Oh—the Society Editor. She's very import cant. (She fixes her hair and goes to phone. Her voice is very sweet. She throws out chest and assumes dignified pose.) Good afternoon, Miss Ellerbe. This is Veta Simmons. Yes—a tea and reception for the members of the Wednesday Forum. You might say—program tea. My mother, you know—( Waves hand toward portrait) the late Marcella Finney Dowd, pioneer cultural leader she came here by ox•team as a child and she founded the Wednesday Forum. (MYRTLE is watching out door,) Myrtle—how many would you say?
MYRTLE. Seventy-five, at least. Say a hundred.
VETA. (On phone.) Seventy-five. Miss Tewksbury is the soloist, accompanied by Wilda McCurdy, accompanist.
MYRTLE, Come on( Miss Tewksbury is almost finished with her number.
VETA. She'll do an encore.
MYRTLE. What if they don't give her a lot of applause?
VETA. I've known her for years. She'll do an encore. (Karla again starts to leave.) You might say that I am entertaining, assisted by my daughter, Miss Myrtle Mae Simmons. (To Myrtle—indicates her dress. MYRTLE MAE crosses to C.) What color would you call that?
MYRTLE. Rancho Rose, they told me. vra (Into phone.) Miss Myrtle Mae Simmons looked charming in a modish Rancho Rose toned crepe, picked up at the girdle with a touch of magenta on emerald. I wish you could see her, Miss Ellerbe."

 

 2123521-53eb4bb770472bf51d2a2c1e502ee2eb.jpg
Mary Chase (25 februari 1907 – 20 oktober 1981)
Scene uit een opvoering in New York, 2012 

 

 

De Italiaanse toneelschrijver Carlo Goldoni werd geboren in Venetië op 25 februari 1707. Zie ook alle tags voor Carlo Goldoni op dit blog.

Uit: Der Diener zweier Herren

„Dritter Auftritt. Vorige, Truffaldino, Blandina.
TRUFFALDINO. Übrigens hab' ich die Ehre, mit aller Hochachtung zu sein: Euer Wohledeln ergebenster Diener und Freund!
DOKTOR. Der Mensch beginnt seine Rede mit dem Schlusse eines Briefes.
PANDOLFO. Was will Er?
TRUFFALDINO. Kann ich vorher die Ehre haben, Sie um etwas zu fragen?
PANDOLFO. 0 ja.
TRUFFALDINO. Wer ist das artige, wohlerzogene, gutgenährte, rotbäckige, freundliche Mamsellchen? PANDOLFO. Was geht Ihn das an? Es ist meiner Tochter Mädchen.
TRUFFALDINO. Ich wünsche Euer Wohledeln viel Freude an ihr! Zu Blandina. Und schätze mich glücklich, Sie kennen zu lernen.
PANDOLFO. Ist der Mensch ein Narr! — Komm' Er zur Sache, Freund! Was will Er? wer ist Er? wer schickt Ihn?
TRUFFALDINO. Gemach, mein Herr, gemach! Drei Fragen auf einmal, das ist zu viel für einen armen Teufel, wie ich bin.
PANDOLFO zum Doktor. Was ist das für ein Mensch? — gewiß keiner von den klügsten.
DOKTOR. Auch wohl nicht von den ehrlichsten.
TRUFFALDINO zu Blandina. Sind Sie eine Braut?
BLANDINA. Ach nein.
PANDOLFO. Will Er bald sagen, wer Er ist; oder will Er seiner Wege gehen?
TRUFFALDINO. Wenn Sie nichts anderes wissen wollen, als wer ich bin, so bin ich mit zwei Worten fertig. Ich bin der Diener meines Herrn. Zu Blandina. Wir wollen wieder auf unsere Sache kommen. PANDOLFO wendet ihn zu sich. Wer zum Henker ist denn Sein Herr?“

 

 2123521-1670755ecd1f983122e94668300f259d.jpg
Carlo Goldoni (25 februari 1707 – 6 februari 1793)
Scene uit een opvoering in Frankfurt, 2010

 

 

De Duitse jezuïet en dichter Friedrich von Spee werd op 25 februari 1591 in Kaiserswerth bij Düsseldorf geboren. Zie ook alle tags voor Friedrich von Spee op dit blog.

 

Zu dir auß tieffem grunde

Zu dir auß tieffem grunde
Hab ich geruffen, Herr:
Ach höre mich zur-stunde,
Nit bleibe doch so ferr.
So du die zahl der sünden
Villeicht wolst schawen an,
Wer würd ohn schanden könden
Vor deinen augen stahn?

Ein gnaden Meer verschloßen
In deinem hertzen ligt,
Das komt mit hauff gefloßen,
Wan vns die noth anficht:
Drumb nie will ich verzagen,
Auff ihn will harren fäst,
Wan mich bey trüben tagen
Schon liecht, vnd glantz verläst.

Ach Israël mich höre,
Was dir von hertzen rath;
Kein vngemach dich störe,
Nit zage früh, noch spath:
Wan sich der tag entzündet
Zur ersten morgen-wacht,
Dein hoffnung sey gegründet
Auff Gott, biß in die nacht.

Auff ihn wer sich geleinet
Mit festem helden-mut,
Die gnad ihm bald erscheinet,
Der streit kompt ihm zu gut.
Dan vnser Gott so milde,
Voll süß- vnd gütigkeit,
All vnser schutz, vnd schilde
Verbleibt in Ewigkeit.

 2123521-fbe330914471fa99de30927e066d0daf.jpg
Friedrich von Spee (25 februari 1591 – 7 augustus 1635)
Standbeeld in Paderborn

 

 

De Duitse dichter en filosoof Karl Wilhelm Rạmler werd geboren in Kolberg op 25 februari 1725. Zie ook alle tags voor Karl Wilhelm Ramler op dit blog.

 

Sehnsucht nach dem Winter (Fragment)

Die Stürme befahren die Luft ,
verhüllen den Himmel in Wolken,
Und jagen donnernde Ströme durchs Land;
Die Wälder flehen entblösst: das Laub der gefelligen Linde
Wird weit umher in die Thäler geführt.

Der Weistock, ein dürres Gesträuch,
Was klag' ich den göttlichen Weinstock?
Auf! Freunde, trinket fein schäumendes Blut,
Und lasst den Autumnus entfliehn mit ausgeleeretem Füllhorn,
Und ruft den Winter im Tannenkranz her.

Er deckt den donnernden Strom mit diamantenem Schilde,
Der alle Pfeile der Sonne verhöhnt,
Und füllt mit Blüthe den Wald , dass alle Thiere sich wundern,
Und säet Lilien über daß Thal.

Dann zittern die Bräute nicht mehr in wankender Gondel; sie fliegen
Beherzt auf gleitenden Wagen dahin :
Der Liebling wärmet sich falsch im Hermeline der Nymphe,
Die Nymphe lächert, und wehret ihm falfch.

Dann baden die Knaben nicht mehr, und schwimmen nicht unter den Falten ;
Sie gehn auf harten Gewässern einher,
Und haben Schuhe von Stal : der Mann der freundlichen Venus
Verbarg der Blitze Gerchwindigkeit drein.

 

 2123521-e5667b2f01618183e63351c66e7cb731.JPG
Karl Wilhelm Rạmler (25 februari 1725 – 11 april 1798)
Portret door Anton Graf, na 1771

 

 

De Duitse dichter en mysticus Quirinus Kuhlmann werd geboren op 25 februari 1651 in Breslau. Zie ook alle tags voor Quirinus Kuhlmann op dit blog.

 

Uit: Der Kühlpsalter

Der 2. Gesang

4.
Verfluchte Sünd! Ach gibstdu solchen Lohn?
Trägt man von dir so schrekklich Leid davon?
O habe doch, mein Heil, mit mir gedult!
Schirm, Jesus, schirm! erlasse meine Schuld!


5.
Herr, straffe nicht, wi ich der Straffe werth!
Genade sei stat rechtes Recht begehrt!
Ich flih und flih in deine Wundenhöhl!
Rett, Jesus, rett di hochbedrängte Seel!


6.
Wo ist dein Blutt, unschuldigs Gottes Lamm!
Das du vergosst vor mich am Kreutzesstamm?
Der kleinste Tropf ist unser Lösegeld!
Schütz, Jesus, schütz, eh mich der Feind gefällt!

 

 2123521-726ef56ddcada0b8266fd0507bc4e320.jpg
Quirinus Kuhlmann (25 februari 1651 – 4 oktober 1689)

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 25 februari 2007 en ook mijn blog van 25 februari 2008 en eveneens mijn blog van 25 februari 2009.

Geschreven door Romenu om 13:10 Reageer op dit bericht

Gerald Murnane

De Australische schrijver Gerald Murnane werd geboren op 25 februari 1939 in Coburg, Victoria, een voorstad van Melbourne, en heeft de staat Victoria bijna nooit verlaten. Delen van zijn jeugd werden doorgebracht in Bendigo en de Western District. In 1956 studeerde hij af aan het De La Salle College in Malvern. Murnane studeerde daarna kort voor het rooms-katholieke priesterschap. Hij verliet dit pad echter en werd leraar op basisscholen (van 1960 tot 1968) en in de Apprentice Jockeys 'School van de Victoria Racing Club. Hij behaalde in 1969 een Bachelor of Arts aan de University of Melbourne en werkte vervolgens tot 1973 in de Victorian Education Department. Vanaf 1980 begon hij creatief schrijven te doceren aan verschillende instellingen voor hoger onderwijs. De eerste twee boeken van Murnane, “Tamarisk Row” (1974) en “A Lifetime on Clouds” (1976), lijken semi-autobiografische verslagen te zijn van zijn kindertijd en adolescentie. Beide zijn grotendeels samengesteld uit zeer lange maar grammaticale zinnen. In 1982 bereikte hij zijn volwassen stijl met “The Plains”, een korte roman over een naamloze filmmaker die naar 'Inner Australia' reist, waar hij de vlaktes probeert te filmen onder het beschermheerschap van rijke landeigenaren. “The Plains” werd gevolgd door: “Landscape With Landscape” (1985), “Inland” (1988), “Velvet Waters” (1990) en “Emerald Blue” (1995). Een essaybundel, “Invisible Yet Enduring Lilacs”, verscheen in 2005. Deze boeken houden zich allemaal bezig met de relatie tussen geheugen, beeld en landschap, en vaak met de relatie tussen fictie en non-fictie. In 2009 verscheen, na meer dan een decennium, pas weer opnieuw fictioneel werk van Murnane: “Barley Patch”, gevolgd door “A History of Books” in 2012 en “A Million Windows” in 2014.

Uit: Invisible Yet Enduring Lilacs

“On the road to Bendigo: Kerouac’s Australian life
Like other children of my time and place, I watched films from Hollywood in the first years after World War II, although I believe I watched fewer than most children. I watched perhaps twenty double-feature programs from 1946 to 1948. The films were mostly cowboy films, in black and white, and I watched them on Saturday afternoons in the Lyric Theatre, Bendigo, of which I remember only that the floor was quite level, so that the screen always seemed high above me and remote. The films I watched made me discontented. Scene after scene disappeared from the screen before I had properly appreciated it; the characters moved and spoke much too fast. I hardly ever got the hang of a film, as my brother would say afterwards when I asked him to explain what I had missed. What I looked for in films was what I called pure scenery. I thought of pure scenery as the places safely behind the action: the places where nothing seemed to happen. Occasionally I glimpsed the kind of scenery I wanted. Behind the men on horses or the encampment of wagons was a broad tract of tall grass leading back to a line of hills. When I saw any such banal arrangement of grassy middle distance and hilly background, I tried to do to it something for which the simplest word I could have found was swallow. I wanted to feel that waving grass and that line of hills somewhere inside me. I wanted grass and hills fixed inside the space that began, as I thought, behind my eyes. I was not so literal-minded that I was troubled by cartoon images of a greedy boy with his cheeks swollen by a segment of landscape-pie. Yet the word swallow was not inapt. Getting the scenery from outside to inside seemed to engage me in some kind of bodily effort. And if I did not actually think of mouth or stomach, I could still see myself crouching over scenery made somehow conve-niently tiny; the scenery brought so close to my face that the familiar became blurred, and strange details filled my eyes; some crucial moment arriving for which I had no words; and finally the scenery safely mine, a piece of plain with a rim of hills floating inside my private space, and rather higher than lower, as though my space was a sort of appropriate that an early Australian poet should have put on racing silks and ridden at Flemington and Coleraine. The racecourse must have seemed sometimes to Gordon his landscape of last resort. A man who had been born in Ballarat in the 1890s once told me that he had heard from a former jockey who rode with Gordon. At the barrier before a steeplechase one day at Dowling Forest, Gordon announced that this would be his last race. When he urged his horse like a madman at the first jump, the other riders knew what he had meant. That was the last they saw of him — in racing parlance. He won that day by a great space.”

 

 2205012-161376155df6fec3556e45d83f84f54f.jpg
Gerald Murnane (Coburg, 25 februari 1939)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Leon de Winter, Alain Mabanckou, George Moore, Erich Loest, Herman Maas, Luc Verbeke, Wilhelm Grimm, Friedrich Spielhagen, Jacques Presser

De Nederlandse schrijver Leon de Winter werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 24 februari 1954. Zie ook alle tags voor Leon de Winter op dit blog.

Uit: God's gym

“Opnieuw knikte de man, met gebogen hoofd nu. Maar hij was zo lang dat Joop nog steeds onbelemmerd zijn gezicht kon zien. `Waar wacht je op! Weg! Wil je dat ik de politie bel!' `Het mag niet zo blijven,' zei de man terwijl hij naar zijn handen keek. 'Als mensen sterven hebben ze recht op een ritueel. Mirjam moet een graf krijgen. Ik bemoei me nergens mee, maar u reageert niet. U neemt de telefoon niet op. U haalt de post niet uit uw brievenbus. Ik moest iets doen. Ik zei maar dat ik namens u handelde. Doet u het dan alstublieft zelf. Doe 't voor haar. Ze heeft er recht op. Mister Koepm'n, ze heeft nog steeds rechten!' Het gezicht van de grote man trok opeens in een kramp en zijn ogen stroomden vol. Terwijl hij in zijn handen kneep, perste hij zijn lippen op elkaar en probeerde zijn tranen in te slikken. Maar de tranen bleven stromen en met diepe uithalen stond de man voor zijn deur te huilen. Zijn schouders schokten en hij opende zijn mond en haalde diep adem om de pijnscheuten van verdriet te kunnen weerstaan. De aanblik van de man was niet te verdragen. Joop deed een stap opzij en zocht steun bij de muur naast de kapstok, met zijn schouder tegen het rugzakje, en onttrok zich aan het uitzicht door het raam. Gedempt hoorde hij het gesnik van de man. De man had de motor bestuurd. Zijn dochter was gestorven, maar de man was ongedeerd, stond hier nu te janken alsof het zijn eigen kind was geweest. Hij had geen recht op medelijden. Niet van Joop. Niet hier. Joop wachtte tot er geen gesnik meer door de deur klonk. Na een paar minuten leek de man zijn huilende lijf onder controle te krijgen. Het gesnik stopte en Joop hoorde dat de man zijn neus snoot. `Mister Koepm'n, sir?' hoorde Joop vervolgens. 'Mister Koepm'n? Luistert u even naar me? Ik weet dat u me hoort. Mister Koepm'n, ik heb gisteren m'n zaak verkocht! U bent er geweest, pas geleden nog! Ik moet daar les blijven geven, maar ik heb het verkocht en ik heb er geld aan overgehouden! Real money! Mister Koepm'n, ik wil een gedenkteken voor haar oprichten! Een tempel, sir! Een beeld in een Griekse tempel met zuilen! Zoiets als de tempel van Artemis in Ephesus! Iets wat er eeuwig zal staan! Ik betaal alles, sir!”

 

 2123213-c44080ffe30de8b31d8bfccbb85338a2.jpg
Leon de Winter (’s-Hertogenbosch, 24 februari 1954)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Erich Loest werd geboren op 24 februari 1926 in Mittweida. Zie ook alle tags voor Erich Loest op dit blog.

Uit: Nikolaikirche

“1985, April, Mai
»Ich bleib morgen zu Hause.« Harald Protter reagierte nicht. Ihn jammerte, wie die Französin dem netten Österreicher die Tour ver-masselte, und der Quizmaster gab sich doch die größte gerade noch erlaubte Mühe, ihr eine Brücke zu bauen. •Kein Maler, neiiin, ein Bildhauer, vielleicht hat er mal Skizzen gezeichnet, aber die Bronzen... Seine Lippen bildeten ein R000, da hallte der Gong. Der Österrei-cher, der wohl gewußt hatte, daß nach Rodin gefragt worden war, lächelte seine Partnerin tröstend an. Prompt kam Paul Kuhn ins Bild, der hieb in die Tasten und gab mit einem Kinnrucken seinen Mannen das Einsatzzeichen. Protter fragte erst jetzt: •Und warum?« »Weil ich wütend bin.« Astrid Protter wollte anfü-gen: Weil ich übermorgen den schwersten Tag haben werde, seit ich in diesem Büro sitze, weil ich meinen Zorn brauche und alle Kraft. Da kann ich nicht vorher an einer Maitribüne vorbeihüpfen, als wäre alles in But-ter. »Und was sagst du im Betrieb?« Protter hätte gern gewußt, ob alle Leute in diesem Riesensaal völlig bei der Sache waren oder im Hinterkopf an den nächsten Tag dachten, beispielsweise an eine Gewerkschaftsfeier. Demonstrieren im Sinne von Vorbeimarschieren wie hier gab es ja drüben nicht. »Ich kann doch mal krank sein, oder?« »He, Schwänzen!« Das war Silke. »Mutti, das merk ich mir aber!« •Schule ist was anderes.« »Bei mir ist es immer was anderes.« Astrid Protter versuchte sich vorzustellen, sie würde zu ihrem Chef sagen: Ich habe nicht gegen die Kriegs-brandstifter und ftir den Völkerfrieden und unseren ruhmreichen Sozialismus demonstriert, weil dein Be-richt absoluter Unfug ist. Und du weißt es. Silke knüllte Papier und zerriß Pappe. Protter mein-te, jetzt sollte ihre Mutter sie eigentlich darauf hinwei-sen, daß derlei doch nicht um diese Zeit im Wohnzim-mer gemacht werden müßte. Vor zwei Jahren hätte er sie ins Bett geschickt. Er fand selten den richtigen Ton, Silke auf etwas hinzuweisen, noch nicht einmal, sie um etwas zu bitten: Sofort zog sie einen Flunsch. Kürzlich haue er in einem Radiovortrag gehört, Pubertät setze ein, wenn die Eltern blöd würden.“

 

 2123213-588dbcc9965d3b018eca0ecbf125b2a5.jpg
Erich Loest (24 februari 1926 - 12 september 2013)
Cover

 

 

De Congolese dichter en schrijver Alain Mabanckou werd geboren op 24 februari 1966 in Congo-Brazzaville (Frans Congo). Zie ook alle tags voor Alain Mabanckou op dit blog.

Uit:Tais-toi et meurs

“Je m’appelle Julien Makambo. Pendant les semaines qui ont suivi mon arrestation, et même bien avant, lorsque j’étais encore en cavale, ma tronche et mon autre nom, José Montfort, ont occupé la une de la plupart des journaux de France et de Navarre. Dans notre langue du Congo-Brazzaville, le lingala, Makambo signifie « les ennuis ». J’ignore ce qui avait piqué mes parents pour m’attribuer un tel nom qui n’est d’ailleurs pas celui de mon défunt père, encore moins celui d’un proche de la famille. Je suis maintenant convaincu que le nom qu’on porte a une incidence sur notre destin. Si ce vendredi 13 je ne m’étais pas rendu au restaurant L’Ambassade avec Pedro pour rencontrer celui qu’il qualifiait alors de « type très important » venu de Brazzaville, je ne serais peut-être pas en détention provisoire depuis un an et demi dans cette cellule de Fresnes. Mais voilà, lorsqu’on s’appelle Makambo les choses ne sont pas aussi simples.
*
Quand on vient me tirer de la cellule pour les interrogatoires devant le juge d’instruction ou pour les entretiens avec mon avocat commis d’office, j’ai presque envie de demander aux gardiens pourquoi ils sont aussi nombreux à m’entourer, comme si j’étais ce célèbre Guy Georges, le meurtrier qui sévissait dans l’Est de Paris, qui violait, puis tuait certaines femmes dans les parkings. Je ne suis pas non plus un de ces tueurs en série qu’on voit dans les films américains et qui sont emprisonnés à Alcatraz. Ceux-là sont surveillés sept jours sur sept, vingt-quatre heures sur vingt-quatre, et on ne les libère jamais, pas question de les voir recommencer leur entreprise maléfique de destruction du genre humain — ce que d’ailleurs ce Guy Georges faisait chaque fois qu’il sortait de prison. Je cite ce nom parce qu’un détenu d’une des cellules du fond du couloir m’a laissé entendre un jour que je ressemblais à ce criminel et qu’avec ma tête «bizarre» — je reprends son mot — même un aveugle dirait sans risque de se tromper que je suis un tueur-né, un tueur de la trempe de ceux qu’on voit dans les films.”

 

 2123213-35b421f8bf50a07abf2e4d953c5efe60.jpg
Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)

 

 

De Ierse schrijver en kunstcriticus George Augustus Moore werd geboren op 24 februari 1852 in Ballyglass. Zie ook alle tags voor George Moore op dit blog.

Uit:Celibates

“The tall double stocks were breathing heavily in the dark garden; the delicate sweetness of the syringa moved as if on tip-toe towards the windows; but it was the aching smell of lilies that kept Mildred awake.
As she tossed to and fro the recollections of the day turned and turned in her brain, ticking loudly, and she could see each event as distinctly as the figures on the dial of a great clock.
'What a strange woman that Mrs. Fargus--her spectacles, her short hair, and that dreadful cap which she wore at the tennis party! It was impossible not to feel sorry for her, she did look so ridiculous. I wonder her husband allows her to make such a guy of herself. What a curious little man, his great cough and that foolish shouting manner; a good-natured, empty-headed little fellow. They are a funny couple!
Harold knew her husband at Oxford; they were at the same college. She took honours at Oxford; that's why she seemed out of place in a little town like Sutton. She is quite different from her husband; he couldn't pass his examinations; he had been obliged to leave. ... What made them marry?
'I don't know anything about Comte--I wish I did; it is so dreadful to be ignorant. I never felt my ignorance before, but that little woman does make me feel it, not that she intrudes her learning on any one; I wish she did, for I want to learn. I wish I could remember what she told me: that all knowledge passes through three states: the theological, the--the--metaphysical, and the scientific. We are religious when we are children, metaphysical when we are one-and-twenty, and as we get old we grow scientific. And I must not forget this, that what is true for the individual is true for the race. In the earliest ages man was religious (I wonder what our vicar would say if he heard this). In the Middle Ages man was metaphysical, and in these latter days he is growing scientific.”

 

 2123213-463fb398bfd886693a76a127f8bc5c41.jpg
George Moore (24 februari 1852 – 20 januari 1933)
Moore Hall in de baronie van Carra in 1890. Het huis van de familie Moore brande af tijdens de Ierse Burgeroorlog (1922/23)

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Herman Hubertus Joannes (Herman) Maas werd geboren in Venray op 24 februari 1877. Zie ook alle tags voor Herman Maas op dit blog.

Uit: Het goud van de Peel

“Een kort, onderdrukt gelach, terwijl haar ogen hem uitdagend tegen-blikten. Dan: `Dat kunt ge immers niet!' `Och, arm dingske, met één hand draag ik u weg!' Een schoof stro, die zij juist in de handen hield, gooide ze hem naar het hoofd met de kracht van sterke armen, gewoon aan ruw werk. Dat prikkelde hem en hij greep haar vast in een worsteling. In zijn omarming wrongen hun lichamen zich tegen elkaar. De weerstand van haar sterk gebouwd vrouwenlijf bedwelmde hem geheel in een roes van zinnelijkheid. Haar haren raakten los en bosten wild om haar hoofd terwijl haar rokken opfladderden om de benen. Toen rukte zij zich los en liep weg. Maar datzelfde spelletje herhaalde zich dikwijls. En er gebeurden dan wel eens dingen, waarin zij door gebrek aan ontwikkeling niets zagen, maar die hun begeerte met ál-groter kracht deden opvlammen. Geen van beiden dacht er aan, dat het iets onbehoorlijks was. Zo verminderde al langer hoe meer het hoewel onbewuste, natuurlijke zich inhouden tussen hen, dat de dadelijke toenadering tussen de man en de vrouw verhindert, maar dat door de langzame ontwikkeling hen wellicht juist met zoveel te meer kracht tot elkander dwingt. In de zomer, in het hooiland, hadden enige lui iets gezien. En onmiddellijk vloog rumoerend het praatje het dorp rond, dat de knecht en de meid van de Veulenhof met elkaar vrijden. Het drong ineens door in alle huizen als een stofwolk, waarvoor geen deuren of ramen dicht genoeg kunnen zijn. Er werd druk over gepraat. Ook werden er toespelingen gemompeld, die iets moesten verbergen voor jonge oren, maar toch ruw genoeg waren om door iedereen verstaan te worden. Eén ding was zeker, het was nog schande, zo onder één dak. Schande ook voor de boer en de boerin. Dat die zulke dingen maar allemaal toelieten.”

 

 2123213-10c6c72181a89bb56d809dec97fa4196.jpg
Herman Maas (24 februari 1877 - 27 januari 1958)
Venray. De Groote straat op een oude ansichtkaart

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Luc Verbeke werd geboren in Wakken op 24 februari 1924. Zie ook alle tags voor Luc Verbeke op dit blog.

 

Zingt niet...

Zingt niet de grootheid van voorbije eeuwen
als een verloren vogel diep in mij?
Snikt niet in mij het stervend hart der Leeuwen
wijl ik, onmachtig, om mezelven schrei?

O belforten, o burchten, kathedralen,
torens en beelden, uit steen en graniet,
blijft gij niet eenzaam en versomberd pralen
in dezen nacht vol sterren en verdriet?

Laat nog éénmaal de bronzen klokken bonzen,
hun slagen mij doorzindren, en hun lied,
hun volle tonen om mijn oren gonzen
tot weer het vuur der vaadren mij doorschiet

en ik weer word een nieuwe mens, herboren,
herrezen uit het donker van den tijd,
die slechts zijn Volk en God kan toebehoren
en niet verkwijnt in knagend zelfverwijt.

Ik wil Uw klacht, klein hart, niet langer horen,
Uw onmacht en Uw vrees niet meer verstaan,
doch onbeschroomd en driest den ongeboren
maar open morgen juichend binnengaan.

 

 2123213-65926132574da43fbcd7a852608d8ccd.jpg
Luc Verbeke (24 februari 1924 – 30 september 2013)
Het Kasteel van Wakken

 

 

De Duitse schrijver en taalwetenschapper Wilhelm Karl Grimm werd geboren in Hanau op 24 februari 1786. Zie ook alle tags voor Wilhelm Grimm op dit blog.

Uit: Die sieben Raben

„Ein Mann hatte sieben Söhne und immer noch kein Töchterchen, so sehr er sichs auch wünschte; endlich gab ihm seine Frau wieder gute Hoffnung zu einem Kinde, und wies zur Welt kam, war es auch ein Mädchen. Die Freude war groß, aber das Kind war schmächtig und klein, und sollte wegen seiner Schwachheit die Nottaufe haben. Der Vater schickte einen der Knaben eilends zur Quelle, Taufwasser zu holen: die andern sechs liefen mit, und weil jeder der erste beim Schöpfen sein wollte, so fiel ihnen der Krug in den Brunnen. Da standen sie und wußten nicht, was sie tun sollten, und keiner getraute sich heim. Als sie immer nicht zurückkamen, ward der Vater ungeduldig und sprach: "Gewiß haben sie's wieder über ein Spiel vergessen, die gottlosen Jungen." Es ward ihm angst, das Mädchen müßte ungetauft verscheiden, und im Ärger rief er: "Ich wollte, daß die Jungen alle zu Raben würden." Kaum war das Wort ausgeredet, so hörte er ein Geschwirr über seinem Haupt in der Luft, blickte in die Höhe und sah sieben kohlschwarze Raben auf- und davonfliegen.
Die Eltern konnten die Verwünschung nicht mehr zurücknehmen, und so traurig sie über den Verlust ihrer sieben Söhne waren, trösteten sie sich doch einigermaßen durch ihr liebes Töchterchen, das bald zu Kräften kam, und mit jedem Tage schöner ward. Es wußte lange Zeit nicht einmal, daß es Geschwister gehabt hatte, denn die Eltern hüteten sich, ihrer zu erwähnen, bis es eines Tags von ungefähr die Leute von sich sprechen hörte, das Mädchen wäre wohl schön, aber doch eigentlich schuld an dem Unglück seiner sieben Brüder“.

 

 2123213-2b297b04b2906a04b365f6f2fd385eac.jpg
Wilhelm Grimm (24 februari 1786 – 16 december 1859)
Illustratie door Oskar Herfurth, ca. 1930

 

 

De Duitse schrijver Friedrich Spielhagen werd geboren op 24 februari 1829 in Magdeburg. Zie ook alle tags voor Friedrich Spielhagen op dit blog.

Uit: Angela

“Die Tischglocke des »Grand Hôtel du Lac« in Vevey war verklungen; die Gäste kamen aus ihren Zimmern, sich in den zur ebenen Erde gelegenen Speisesaal zu begeben; einige hatten bereits ihre Plätze an der Tafel eingenommen.
Wir bringen es heute nicht mehr auf Dreißig, sagte Herr Sybold über den Rücken seiner Frau zu Herrn Banse. Was gilt die Wette?
Was ist da groß zu wetten, erwiderte Herr Banse, den Zipfel der Serviette vorsichtig zwischen die beiden obersten Knöpfe seiner weißen Weste schiebend; Sie haben sich bei Delajoux erkundigt.
Parole d'honneur! rief Herr Sybold, fragen Sie meine Frau! Ich kalkuliere nur nach der Unmenge von Koffern, die zum Zwei-Uhr-Zuge im Vestibül aufgestapelt waren, als wir um ein Uhr mit dem Dampfer nach Montreux fuhren. Sind erst vor zehn Minuten zurück – fragen Sie meine Frau!
So habe ich mich erkundigt, erwiderte Herr Banse, und kann also nicht wetten: einunddreißig auf den Kopf. Sie sehen, Sie hätten verloren.
Und gestern waren wir noch achtundvierzig, klagte Herr Sybold; als wir am Dienstag vorige Woche kamen: sechsundachtzig! Fünfundfünfzig in sieben Tagen – das ist arg – und wir gedachten bis Mitte November zu bleiben!
Wer hindert Sie daran? Delajoux gewiß nicht.
Der freilich nicht; er wird froh fein, wenn überhaupt noch ein Mensch aushält; aber das wird doch am Ende verteufelt langweilig.
Nicht sehr schmeichelhaft für uns, die wir hier überwintern, wie Sie wissen.
Die Anwesenden sind immer ausgenommen – pardon, liebes Suschen!
Frau Sybold hatte eine ungeduldige Bewegung gemacht; Herr Sybold zog den Arm von der Lehne ihres Stuhles zurück, beugte sich über seine Suppe und murmelte, während er eifrig zu löffeln begann: Ich weiß gar nicht, was Du gegen die Leute hast.“

 2123213-ea6132b6c4cd50dbf92c9bca640c443e.jpg
Friedrich Spielhagen (24 februari 1829 – 25 februari 1911)
In zijn werkkamer, 1898

 

 

De Nederlandse historicus, schrijver en dichter Jacques (Jacob) Presser werd geboren in Amsterdam op 24 februari 1899. Zie ook alle tags voor Jacques Presser op dit blog.

Uit: Ondergang

“Hoeveel kwamen in Engeland aan? Het heet: enige honderden. Men kan met zekerheid zeggen: verreweg de meeste ontsnapten, maar niet alle. De bekende Amsterdamse kunsthandelaar J. Goudstikker, die zelf zoveel voor de gevluchte Duitse Joden had gedaan, viel in het nachtelijk duister in het ruim van een boot, waar men zijn lijk pas na uren terugvond; op een snikhete dag in juli, enige maanden later, verscheen in zijn zaak op de Herengracht 'een zeer omvangrijk man, in een witte uniform en met een stafje in de hand' (naar het verhaal van een ooggetuige); het was de Reichsmarschal Goering, en: 'Enige dagen later reden grote vrachtauto's bij Goudstikker voor, terwijl langs de gracht een paar zolderschuiten meerden.
Werklieden droegen de kostbare schilderijen en de antieke meubelen in de auto's en op de schuiten. Goudstikker werd leeggehaald. Alles ging naar Duitsland'. Hierbij nu alvast de aantekening dat Goering's 'hofjuwelier', Staatsrat dr. Kurt Hermann al op 7 juni 1940 bij de firma Asscher voor 368 000 gulden aan briljanten kocht, de eerste van een reeks welgeslaagde aankopen.
Een enkele Joodse familie dobberde in een bootje een week lang op de Noordzee rond. Gelukkig was het weer goed en in elk geval kwam ook zij aan de overkant. In tegenstelling tot de vele duizenden, die terugkeerden. Naar het inmiddels overweldigde strijdensmoede Nederland, naar Amsterdam, waar rookwolken zwaar boven de westkant van de stad hingen, naar Amsterdam, dat die éne avond in jaren, in dat donkerste uur zijner geschiedenis, niet verduisterde, dus helder verlicht was, alsof het illumineerde, naar Amsterdam, waar ze beschaamd hun achtergelaten betrekkingen ontmoetten, hun meewarige buren, waar velen, vooral in 'Oost' maar zeker ook elders, brandstapels aanrichtten van anti-Nazi kranten en diergelijke lectuur, tot Engelse woordenboeken toe. In Amsterdam tenslotte, waar velen, maar al te velen nu de andere vluchtweg opgingen, die in de dood. Maar ook van deze poging kwam de meerderheid terug zonder het doel bereikt te hebben.”

 

 2123213-efa20e48700387ce3f0df0fc63ecce52.jpg
Jacques Presser (24 februari 1899 - 30 april 1970)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 24 februari 2007 en ook mijn blog van 24 februari 2008 en eveneens mijn blog van 24 februari 2009 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 10:09 Reageer op dit bericht

August Derleth, Keto von Waberer, Yüksel Pazarkaya, Erich Pawlu, Irène Némirovsky, Vincent Voiture, Rosalía de Castro, Paul Alfred Kleinert, Stanisław Witkiewicz

De Amerikaanse schrijver en uitgever August William Derleth werd geboren op 24 februari 1909 in Sauk City, Wisconsin. Zie ook alle tags voor August Derleth op dit blog.

Uit: The Shuttered Room

“At dusk, the wild, lonely country guarding the approaches to the village of Dunwich in north central Massachusetts seems more desolate and forbidding than it ever does by day. Twilight lends the barren fields and domed hills a strangeness that sets them apart from the country around that area; it brings to every-thing a kind of sentient, watchful animosity—to the ancient trees, to the brier-bordered stone walls pressing close upon the dusty road, to the low marshes with their myriads of fireflies and their incessantly calling whippoorwills vying with the muttering of frogs and the shrill songs of toads, to the sinuous windings of the upper reaches of the Miskatonic flowing among the dark hills seaward, all of which seem to close in upon the traveller as if intent upon holding him fast, be-yond all escape. On his way to Dunwich, Abner Whateley felt all this again, as once in childhood he had felt it and run screaming in terror to beg his mother to take him away from Dunwich and Grandfather Luther Whateley. So many years ago! He had lost count of them. It was cu-rious that the country should affect him so, pushing through all the years he had lived since then—the years at the Sorbonne, in Cairo, in London—pushing through all the learning he had assimilated since those early visits to grim old Grandfather Whateley in his ancient house attached to the mill along the Miskatonic, the country of his childhood, coming back now out of the mists of time as were it but yesterday that he had visited his kinfolk. They were all gone now—Mother, Grandfather Whateley, Aunt Sarey, whom he had never seen but only knew to be living some-where in that old house—the loathsome cousin Wilbur and his terri-ble twin brother few had ever known before his frightful death on top of Sentinel Hill.”

 

 2123208-6aab788f0e0ce7fb25e618d5a699a91f.jpg
August Derleth (24 februari 1909 – 4 juli 1971)

 

 

De Duitse schrijfster en architekte Keto von Waberer werd geboren op 24 februari 1942 in Augsburg. Zie ook alle tags voor Keto von Waberer op dit blog.

Uit: Mingus

“Papa ist tot. Sein Schlüsselbund mit dem Löwenkopf wiegt schwer in meiner Tasche. Ich bin noch nie lange draußen gewesen. Ich bin noch nie alleine draußen gewesen, und ich sem mich sofort auf einen Stein neben dem Tor und sehe zu, wie die Sonne untergeht. Ich weiß, dass dies die Sonne ist, die hinter den Bergen wegtaucht wie eine glühende Scheibe. Papa hat sie mir gezeigt durchs Fenster. Das ist lange her, viele, viele Zeiten, Zeiten von flitze und Kälte. Jahreszeiten, sagt Papa. Jetzt ist Sommer. Meine Lieblingszeit Draußen riecht es gut, und doch, ich möchte zurück in mein Bett kriechen. Aber vor meinem Bett liegt Papa. Er lebt nicht mehr, und all sein roter Saft ist ausgelaufen. Ich habe ihn abgeworfen, nur das, nichts weiter, ich habe ihn abgeschüttelt, weggcschlcu-den, weiter nichts. Ich wollte ihm nicht wehtun. »Du musst lernen, dich zu bezähmen«, sagt Papa »Du hast solche Kraft«, sagt Papa. »Das ist gut, aber gefährlich.« Er hat mich angesprungen, von hinten, und nach mei-nem Mund gesucht mit seiner Hand, in der er die Tablette hielt. Ich wollte sie nicht nehmen. Ich hasse es, so lange zu schlafen. Immer macht er, dass ich schlafe.
Man kann weit sehen von hier aus. Das rote Tal, sandiger Boden mit Steinen, die Schatten werfen. Weit weg, so weit weg die Berge. Es sind keine Berge, sondern Hügel, sagt Papa. Ich habe noch nie einen Berg gesehen. Die Sonne ist weg, und alles färbt sich dunkelblau, dann grau, dann schwarz. Die Steine sehen aus wie kleine Menschen, die sich zum Schlafen zusammengekauert haben. Nichts be-wegt sich. Nur Wind geht und kommt, unsichtbar, hebt Stöckchen auf und trockene Halme und trägt sie ein Stück, ehe er sie fallen lässt. Ich höre das große Windrad über mir klappern. Ich möchte essen. Drinnen mache ich die Kiste auf, in der es Winter ist, immer Winter, sagt Papa. Ich nehme Fleisch heraus. Ein großes Stück mit einem Kno-chen. Der glänzt wie Metall im trüben lieht. »Ich esse das alles auf«, sage ich. Natürlich antwortet er nicht. Und ich lache. Die toten Tiere kann man essen, aber nicht die Menschen, sagt mein Papa. Menschen muss man ganz lassen, wenn sie tot sind, und dann eingraben, ehe sie schlecht riechen. In der Winterkiste ist kein Platz für Papa. Ich werde ein Loch graben. Morgen. Und einen Stein draufrollen. Ich bin stark. Viel stärker als Papa. Ich kann ihn aufheben und tra-gen. Er will das nicht. Papas Bett ist zu klein für mich, aber es riecht gut, nach ihm. Er hat ein Kissen. Ich werfe es auf den Boden. Mor-gen grabe ich Papa ein. Morgen gehe ich weg. Morgen geht die Sonne auf, und es wird heiß. Ich werde Papas Tasche mitnehmen. Sie packen, so wie er es immer getan hat. »Geh nicht weg, Papa! Gch nicht weg!« — »Ich bin bald zurück. Dein Essen ist da. Komm her, lass mich die Kette festma-chen. Nimm schön deine Tabletten, schau, ich nehme auch Tabletten.“

 

 2123208-da884f5f37cad2eeb06d6ef1b5dd8d6a.jpg
Keto von Waberer (Augsburg, 24 februari 1942)

 

 

De Turkse dichter, schrijver en vertaler Yüksel Pazarkaya werd geboren op 24 februari 1940 in Izmir. Zie ook alle tags voor Yüksel Pazarkaya op dit blog.

 

Gedanken auf der Flucht
 
1
Wo blieb mein Holzkoffer
Wie ich in weiter Ferne
 
Dieser Fernseher paßt jedoch nicht in ihn
Der Waschautomat und der Geschirrspüler
Die Sitzgruppe und das Schlafzimmer im Möbelhaus gekauft
Und die Kücheneinrichtung
Sie passen nicht in meinen Holzkoffer
Nicht einmal die Kaffeemaschine
- Da ich hier süchtig wurde nach gefilterten Bohnenkaffee -
Der Staubsauger und die Musikbox
Wie kann doch alles und noch viel mehr
Hineinpassen in den Holzkoffer
 
Eine Handvoll Weizengrütze
Ein Pfund weiße Bohnen und
Eine kleine Flasche Raki und
Die selbstgemachte Hirtenflöte
Hatte ich eingepackt für die Reise
in die Hoffnung die bange
Und einige Lieder die nach Erde rochen
Nach Trennung und Sehnsucht
Einige Lieder verstaut im Holzkoffer

 

 2123208-1ab4323021592c0529f95fdf62803324.jpg
Yüksel Pazarkaya (Izmir, 24 februari 1940)




De Duitse schrijver Erich Pawlu werd geboren op 24 februari 1934 in Frankstadt, Mähren. Zie ook alle tags voor Erich Pawlu op dit blog.

Uit: Fahrt ins Blaue

“Auch nach München? Das ist er.« Er, das war ein blitzblanker ICE, der wartend auf dem Gleis stand. Und die da sprach, war eine langmähnige Reisende mit offensichtlichen Führungsqualitäten. Ich folgte ihr und ihrem festen Schritt. Am Kopfschild stand in großen Lettem »München Hbf«. Und es war wenig Zeit. Der Zug sollte in einer Minute abfahren. »Wir müssen uns beeilen«, sagte ich. Ich staunte, wie schnell die Sprache auf ein »Wir« umschalten kann. Wir stiegen ein. Kaum saßen wir uns gegenüber, setzte sich der Zug auch schon in Bewegung. »Ich liebe Pünktlichkeit«, sagte sie. Merkwürdigerweise beschäftigte mich die Überlegung, was die fremde Schöne wohl sonst noch liebte. »Es ist wunderbar, bequem zu reisen«, sagte sie. Und während der ICE seine Geschwindigkeit steigerte, begann sie von ihren Bahnfahrten quer durch Europa zu erzählen, von Kindheitserlebnissen und von der schönen Landschaft ihrer Heimat. »Ach«, rief sie, »ich möchte wieder einmal so unbekümmert zum Fluss hinunterlaufen können wie damals!« Mir fiel ein, dass ich eine Stelle an der Isar kannte, auf die man, wenn man Lust hatte, über einen Ufersteilhang zulaufen konnte. »So ein Wunsch«, sagte ich, »lässt sich erfüllen.« Aber plötzlich beobachtete die Fremde durch das Fenster die vorüberfliegende Gegend, wurde ganz still und sagte nach einer Weile: »Der Zug fährt nicht nach München.« So war es. Ein Bahnbediensteter hatte vergessen, das Hinweisschild am Gleisende im Frankfurter Hauptbahnhof zu wechseln. Der ICE raste bei anbrechender Nacht nach Berlin. Unruhe machte sich bemerkbar. Eine Schar von Reisenden geriet in Wut. Sie hatten ebenfalls bemerkt, dass sie in den falschen Zug eingestiegen waren.“

 

 2123208-728b9a07c5d83c10ddb0aaf857acf385.jpg
Erich Pawlu (Frankstadt, 24 februari 1934)
Cover

 

 

De Franstalige schrijfster Irène Némirovsky werd op 24 februari 1903 in Kiev geboren. Zie ook alle tags voor Irène Némirovsky op dit blog.

Uit: Suite française

« Les Michaud s'étaient levés à 5 heures du matin pour avoir le temps de faire l'appartement à fond avant de le quitter.Il était évidemment étrange de prendre tant de soin de choses sans valeur et condamnées,selon toutes probabilités,à disparaître dès que les premières bombes tomberaient.Mais,pensait Mme Michaud,on habille et on pare bien les morts qui sont destinés à pourrir dans la terre.C'est un dernier hommage,une preuve suprême d'amour à ce qui fut.
(…)

Qu'ils aillent où ils veulent; moi, je ferai ce que je voudrai. Je veux être libre. Je demande moins la liberté extérieure, celle de voyager, de quitter cette maison (quoique ce serait un bonheur inimaginable !), que d'être libre intérieurement, choisir ma direction à moi, m'y tenir, ne pas suivre l'essaim. Je hais cet esprit communautaire dont on nous rabat les oreilles. Les Allemands, les Français, les gaullistes s'entendent tous sur un point: il faut vivre, penser, aimer avec les autres, en fonction d'un État, d'un pays, d'un parti. Oh, mon Dieu ! je ne veux pas ! Je suis une pauvre femme inutile; je ne ne sais rien mais je veux être libre ! Des esclaves nous devenons, pensa-t-elle encore; la guerre nous envoie ici ou là, nous prive de bien-être, nous enlève le pain de la bouche; qu'on me laisse au moins le droit de juger mon destin, de me moquer de lui, de le braver, de lui échapper si je peux. Un esclave ? Cela vaut mieux qu'un chien qui se croit libre quand il trotte derrière son maître. Ils ne sont même pas conscients de leur esclavage, (...) et moi je leur ressemblerais si la pitié, la solidarité, "l'esprit de la ruche" me forçaient à repousser le bonheur."

 

 2123208-ad52b4bc6858ff093472196af29efaf1.jpg
Irène Némirovsky (24 februari 1903 – 17 augustus 1942)
Cover

 

 

De Franse dichter en schrijver Vincent Voiture werd geboren op 24 februari 1598 in Amiens. Zie ook alle tags voor Vincent Voiture op dit blog.

 

Le Soleil ne voit icy bas

Le Soleil ne voit icy bas
Rien qui ne cede aux doux appas
Dont Caliste nous ensorcelle,
Son air n'est pas d'une mortelle,
Sa bouche, ses mains, ny ses bras.

Ses beaux yeux causent cent trespas,
Ils esclairent tous ces climats,
Et portent en chaque prunelle
Le Soleil.

Tout son corps est fait par compas,
La grace accompagne ses pas ;
En fin Venus n'est pas si belle,
Et n'a pas si bien faites qu'elle
Les beautez qui ne voyent pas
Le Soleil.

 

 2123208-c63c1ac0fddb8674efb3cbfefaab91a1.jpg
Vincent Voiture (24 februari 1598 – 26 mei 1648)
Vincent Voiture als Lodewijk de Heilige door Philippe de Champaigne, ca. 1640–48,

 

 

De Spaanse dichteres Rosalía de Castro werd geboren op 24 februari 1837 in Santiago de Compostela. Zie ook alle tags voor Rosalía de Castro op dit blog.

 

Cold months of winter

Cold months of winter
That I love with all my love;
Months of rivers that run full
And the sweet love of home.
Months of wild storms,
Image of the pain
That besets the young
And severs lives in bloom.
Come, after the autumn
That makes the leaves fall,
And let me sleep among them
The slumber of dissolution.
And when the lovely sun
Of April returns smiling
Let it shine upon my repose,
No longer upon my suffering.


Vertaald door Eduardo Freire Canosa.

 

 

Now that the sunset of hope

Now that the sunset of hope for my life
has sand and colourless come,
toward my dim dwelling, dismantled and chill,
let us turn step by step:
for the white light of the day
with its gladness does not embitter me more:

Contented the ill-fated bird seeks its black nest;
well the wild beast to its hidden cave retreats;
the dead to the grave; the wretched to oblivion,
and to its wilderness my soul.


Vertaald door Kate Flores.

 

 2123208-3b443ed038df9cd31a353e1c9d92a071.jpg
Rosalía de Castro (24 februari 1837 – 15 juli 1885)
Rosalia de Castros museum in Padron

 

 

De Duitse dichter en schrijver Paul Alfred Kleinert werd geboren op 24 februari 1960 in Leipzig. Zie ook alle tags voor Paul Alfred Kleinert op dit blog.

 

Altern

wenn Zuordnungsverhältnisse schwinden
die Tage in 's Nichts vergehen
Körperfunktionen ihre Abhängigkeit von der Materie erweisen

vielleicht, daß eine stille Musik in dir Raum nimmt,

die den Weg weist?

 

 2123208-1df74b8f53edc6b2f6ac28d943791e44.jpg
Paul Alfred Kleinert (Leipzig, 24 februari 1960)

 

 

De Poolse schrijver, filosoof, fotograaf en schilder Stanisław Witkiewicz werd geboren in Warschau op 24 februari 1885. Zie ook alle tags voor Stanisław Witkiewicz op dit blog.

Uit: Afscheid van de herfst (Vertaald door Karol Lesman)

“Een knal en een vreselijke pijnscheut in de maagstreek, een pijn waar hij psychisch sinds lang tegen verdoofd was (sinds een paar minuten), de eerste grote fysieke pijn in zijn leven, de eerste en de laatste. Het is vast de lever, dacht hij. En tegelijk was er het zalige gevoel dat hij geen hart had en dat het nooit meer zou kloppen, nooit meer. Een van de kogels, de slimste van de serie, trof hem recht in het hart. Met een gevoel van buitenaards genot, wegzinkend in het zwarte, van de essentie van het leven doordrenkte niet-zijn, wat niet alleen een illusie is van niet met elkaar in overeenstemming te brengen tegenstrijdigheden, maar datzelfde juist, dat enige en toch nimmer vervulbare, ook niet op het moment van de dood zelf, alleen een oneindig tijdstipje erna. . .
(...)

Atanazy stortte op haar neer als een kerktoren die zojuist een tweeënveertig centimeter granaat verslonden had en met een onweerstaanbare stoot van zijn bloederige zwengel tot vlak onder haar hart nagelde hij haar aan zich vast, en zo veroverde hij haar voor eeuwen.”

 

 2123208-3f8102b562a08cac2d3b83e19bd79f5c.jpg
Stanisław Witkiewicz (24 februari 1885 - 18 september 1939)
Molen door Stanisław Witkiewicz, 1877

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 24 februari 2007 en ook mijn blog van 24 februari 2008 en eveneens mijn blog van 24 februari 2009 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 10:05 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten