Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 28 februari 2018 tot 1 maart 2018

Jan Eijkelboom, Jim Crace, Delphine de Vigan, Franz Hohler, Lytton Strachey, Robert Lowell, Myrthe van der Meer, Franzobel, Steven Barnes

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

 

Ja het klopt

Alles verklaarbaar en van een
regelmaat die koestert en sust
al jaagt het sommigen de deur uit
naar tomelozer oorden.

Zie ze dansen op de maan
in hun opgeblazen hansop.
Hunkerend kijken ze terug
naar de blauwgroene aarde.

Ja het klopt,
als de hartslag van een heelal vol
wentelende sterren, prieelvogels,
kleine middenstanders, kalm
wiekende adelaars en een losbol
die het aanziet en zich
plotseling verbaast.

 

 

Rafels

Toen ving een roodbruine stam nog
de ochtendzon op, puur cederhout
van caran d'ache.

Later fladderden er raven
tussen de al even gerafelde takken
van de lariks.

Een schicht: de schaduw
van een zwaluw schoot
door de zomer.

En in het sprookjesbos
is plotseling de stinkzwam
dwingend aanwezig.

Doodgaan behoort tot het zeer weinige
dat niet zou mogen. Toch
wordt het veel gedaan.

 

 

Een haan kraait

De schreeuw van wie
de zon doet opgaan
helemaal in z'n, met
prachtvolle veren bedekte,
eentje. Triomf
die als doodskreet
kan worden verstaan.
Zoals, andersom,
de schreeuw van wie
heelhuids ter wereld komt:
in woede en pijn
je moeder verlaten en
dan toch luidkeels
willen leven en leven.
Onbegrijpelijk, later.

 

 2124765-87bf0719660281215a29081b3716fc58.jpg
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

 

 

De Engelse schrijver Jim Crace werd geboren op 1 maart 1946 in St. Albans, Hertfordshire. Zie ook alle tags voor Jim Crace op dit blog.

Uit: The Pesthouse

“Everybody died at night. Most were sleeping at the time, the lucky ones who were too tired or drunk or deaf or wrapped too tightly in their spreads to hear the hillside, destabilized by rain, collapse and slip beneath the waters of the lake. So these sleepers (six or seven hundred, at a guess; no-one ever came to count or claim the dead) breathed their last in passive company, unwarned and unexpectedly, without experiencing the fear. Their final moments, dormant in America.
But there are always some awake in the small times of the morning, the love-makers, for instance, the night workers, the ones with stone hard beds or aching backs, the ones with nagging consciences or bladders, the sick. And animals, of course.
The first of that community to die were the horses and the mules, which the travelers had picketed and blanketed against the cold out in the tetherings, between the houses and the lake, and beyond the human safety of stockades. They must have heard the landslide – they were so close and unprotected – though it was not especially bulky, not bulky enough, probably, to cause much damage on its own. In the time that it would take to draw a breath and yawn, there was a muted stony splash accompanied by a barometric pop, a lesser set of sounds than thunder, but low and devious, nevertheless, and worrying – for how could anyone not know by now how mischievous the world could be? The older horses, connoisseurs of one-night stands when everything was devious and worrying, were too weary after yet another day of heading dawnways, shifting carts, freight and passengers, to do much more than tic their ears and flare their nostrils. Even when, a moment later, the displaced waters of the lake produced a sloshing set of boisterous waves where there had not been any waves before, the full-growns would not even raise their heads. But the younger horses and the ever-childish mules tugged against their ropes, and one or two even broke free but hadn’t the foresight to seek high ground in the brief time that remained.
What happened next was almost silent. The landslip had hit the deepest side of the lake and, therefore, took some moments to reach the bottom, ten man heights from the surface, and then took some moments more for the avalanche of stone, earth, swarf and ancient buried scrap to show how heavy it was and squeeze the life out of the gas rich sediments, the volatile silt and compacted weeds, the soda pockets, which had settled on the bed through centuries and were now ready – almost eager – for this catalyst.”

 

 2124765-5863c9618e6269c892c973722975d624.jpg
Jim Crace (St. Albans, 1 maart 1946)

 

 

De Franse schrijfster en filmmaakster Delphine de Vigan werd geboren op 1 maart 1966 in Boulogne-Billancourt. Zie ook alle tags voor Delphine de Vigan op dit blog.

Uit: Dagen zonder honger (Vertaald door Geertrui Marks & Lia Tuijtelaars)

“Door die kou heeft ze ingestemd met de afspraak. De eerste keer dat hij opbelde. Een onbekende, nasale stem bood hulp aan, op een herfstavond, een avond als alle andere: weer met haar rug tegen de radiator. En dat niet alleen vanwege de kou. Eerst weigerde ze. Waar bemoeide hij zich mee? Hij stelde een paar vragen over haar fysieke toestand, hij vroeg niet naar haar gewicht en ook niet hoeveel ze at. Nee. Eerder vragen van een deskundige, een expert zelfs, nauwkeurig, direct, om na te gaan hoe urgent de situatie was. Zolang ze meespeelde, won hij tijd. Die tijd die ze niet meer te verliezen had, die ijle tijd die zich verzette tegen de dood als een laatste komma, wankel.
Daar begon hij mee, dat er niet veel tijd meer was. Ze voelde dat hij ook iets afwist van eenzaamheid, van isolement. Terwijl hij sprak en doorvroeg, speelden haar vingertoppen gespannen met het snoer van het toestel. Ze had net een derde trui aangetrokken, ze had zich opgerold tot een balletje – als je tenminste met die stakerige botten nog van een balletje kon spreken – ze gaf gedachteloos antwoord, alsof ze een verhaaltje opzei dat ze langgeleden uit haar hoofd had geleerd, zonder erbij na te denken. Ze wilde vooral beleefd blijven.
Hij zei, het is te laat, hier kom je alleen niet meer uit, ik kan je helpen, kom woensdag naar mijn spreekuur, ik verwacht je. Ze keek waar haar sigaretten lagen. Ze had de kracht niet om haar rug los te maken van de radiator en het pakje dat voor haar lag te grijpen.
Het was voor het eerst dat iemand haar terugriep, dat iemand haar belde, iemand die dit lijden wist te benoemen, het lijden van haar lichaam. Voor het eerst dat iemand haar opzocht waar de anderen het niet konden, het niet meer opbrachten.
Hij vroeg haar, sommeerde haar om te komen. Hij wist dat dit eerste contact bepalend was. Ze stelde zich voor hoe beducht hij misschien was geweest toen hij haar nummer draaide. Ze hoorde in zijn stembuigingen de angst om te falen en ook de vastberadenheid om haar te overtuigen.”

 

 2124765-3e93899b78ebf3c22e9315128384fd8a.jpg
Delphine de Vigan (Boulogne-Billancourt, 1 maart 1966)

 

 

De Zwitserse dichter, schrijver, cabaretier en liedjesmaker Franz Hohler werd geboren op 1 maart 1943 in Biel. Zie ook alle tags voor Franz Hohler op dit blog

Uit: Das Päckchen

“Warum er den Hörer abgenommen hatte, konnte er sich später nicht mehr erklären.
Er stand in der großen Unterführung des Berner Hauptbahnhofs und wollte von einem der wenigen öffentlichen Telefonapparate, die es noch gab, seine Frau anrufen, um ihr zu sagen, dass er mit einem späteren Zug komme, hatte auch schon seine Karte eingesteckt, als der Apparat neben ihm klingelte. Er schaute sich um, um zu sehen, ob da jemand war, der sich vielleicht zurückrufen ließ, aber erst am übernächsten Apparat sprach ein fremdländischer Mann eindringlich und leise in die Muschel, ohne auch nur den Kopf zu drehen. Da machte er einen Schritt, hob den Hörer und sagte: »Hallo?«
»Ernst«, sagte eine weibliche Stimme, »bist du es?«
Er erschrak. Er hieß Ernst.
Er zögerte einen Moment und sagte dann: »Ja. Wer spricht?«
»Ich«, sagte die Frau am andern Ende.
»Und –«
»Ich brauche deine Hilfe.«
»Aber –«
»Bitte.« Die Stimme klang verängstigt.
»Wie kann ich Ihnen helfen?«
»Ernst, ich bitte dich. Wir sind doch per Du.«
»Natürlich. Und wie kann ich helfen?«
»Komm bitte bei mir vorbei.«

 

 2124765-f5f98a8a77822c35121eeca7a5fb8f59.jpg
Franz Hohler (Biel, 1 maart 1943)
Cover 

 

 

De Britse schrijver Giles Lytton Strachey werd geboren op 1 maart 1880 in Londen. Zie ook alle tags voor Lytton Strachey op dit blog. 

Uit: Portraits in Miniature and Other Essays (Gibbon)

“Happiness is the word that immediately rises to the mind at the thought of Edward Gibbon: and happiness in its widest connotation—including good fortune as well as enjoyment. Good fortune, indeed, followed him from the cradle to the grave in the most tactful way possible; occasionally it appeared to fail him; but its absence always turned out to be a blessing in disguise. Out of a family of seven he alone had the luck to survive—but only with difficulty; and the maladies of his childhood opened his mind to the pleasures of study and literature. His mother died; but her place was taken by a devoted aunt, whose care brought him through the dangerous years of adolescence to a vigorous manhood. His misadventures at Oxford saved him from becoming a don. His exile to Lausanne, by giving him a command of the French language, initiated him into European culture, and at the same time enabled him to lay the foundations of his scholarship. His father married again; but his stepmother remained childless and became one of his dearest friends. He fell in love; the match was forbidden; and he escaped the dubious joys of domestic life with the future Madame Necker. While he was allowed to travel on the Continent, it seemed doubtful for some time whether his father would have the resources or the generosity to send him over the Alps into Italy. His fate hung in the balance; but at last his father produced the necessary five hundred pounds and, in the autumn of 1764, Rome saw her historian. His father died at exactly the right moment, and left him exactly the right amount of money. At the age of thirty-three Gibbon found himself his own master, with a fortune just sufficient to support him as an English gentleman of leisure and fashion. For ten years he lived in London, a member of Parliament, a placeman, and a diner-out, and during those ten years he produced the first three volumes of his History. After that he lost his place, failed to obtain another, and, finding his income unequal to his expenses, returned to Lausanne, where he took up his residence in the house of a friend, overlooking the Lake of Geneva. It was the final step in his career, and no less fortunate than all the others. In Lausanne he was rich once more, he was famous, he enjoyed a delightful combination of retirement and society. Before another ten years were out he had completed his History; and in ease, dignity, and absolute satisfaction his work in this world was accomplished. „

 

 2124765-9392aaca03af6cdcce0f199da5f52f7f.jpg
Lytton Strachey (1 maart 1880 – 21 januari 1932) 
Portret door Henry Lamb, 1914

 

 

De Amerikaanse dichter Robert Traill Spence Lowell werd geboren op 1 maart 1917 in Boston. Zie ook alle tags voor Robert Lowell op dit blog.

 

Mr. Edwards And The Spider

I saw the spiders marching through the air,
Swimming from tree to tree that mildewed day
In latter August when the hay
Came creaking to the barn. But where
The wind is westerly,
Where gnarled November makes the spiders fly
Into the apparitions of the sky,
They purpose nothing but their ease and die
Urgently beating east to sunrise and the sea;

What are we in the hands of the great God?
It was in vain you set up thorn and briar
In battle array against the fire
And treason crackling in your blood;
For the wild thorns grow tame
And will do nothing to oppose the flame;
Your lacerations tell the losing game
You play against a sickness past your cure.
How will the hands be strong? How will the heart endure?

A very little thing, a little worm,
Or hourglass-blazoned spider, it is said,
Can kill a tiger. Will the dead
Hold up his mirror and affirm
To the four winds the smell
And flash of his authority? It’s well
If God who holds you to the pit of hell,
Much as one holds a spider, will destroy,
Baffle and dissipate your soul. As a small boy

On Windsor Marsh, I saw the spider die
When thrown into the bowels of fierce fire:
There’s no long struggle, no desire
To get up on its feet and fly
It stretches out its feet
And dies. This is the sinner’s last retreat;
Yes, and no strength exerted on the heat
Then sinews the abolished will, when sick
And full of burning, it will whistle on a brick.

But who can plumb the sinking of that soul?
Josiah Hawley, picture yourself cast
Into a brick-kiln where the blast
Fans your quick vitals to a coal—
If measured by a glass,
How long would it seem burning! Let there pass
A minute, ten, ten trillion; but the blaze
Is infinite, eternal: this is death,
To die and know it. This is the Black Widow, death.

 

 2124765-ee8799e7b2be6852a3066eac8ee2b02c.JPG
Robert Lowell (1 maart 1917 - 12 September 1977) 
Cherry Jones als Elizabeth Bishop en David Aaron Baker als Robert Lowell in het theaterstuk “Dear Elizabeth”, New York, 2012

 

 

De Nederlandse schrijfster Myrthe van der Meer (pseudoniem) werd geboren op 1 maart 1983 in Den Bosch. Zie ook alle tags voor Myrthe van der Meer op dit blog.

Uit:Het houden van mannen

“De eerste boodschap stimuleert de jonge man om zijn grenzen te verleggen en verder te kijken dan naar wat hij al kan; ja, het is geweldig als de jonge man voor het eerst zijn behoefte op een potje kan doen, maar dit betekent niet dat hij hier tot het einde der tijden op kan blijven zitten. De volgende stap is toch echt het toilet. De tweede boodschap leert de man dat dergelijk succes niet vanzelf komt; hij zal moeten trainen, oefenen, falen en blijven proberen tot hij zijn doel heeft bereikt, of zeker weet dat het doel onhaalbaar is.
Zijn deze twee boodschappen perfect in balans, dan is het resultaat een individu dat niet alleen zijn eigen krachten, maar ook zijn beperkingen kent en weet hoe hij de laatste enigszins kan compenseren door harder te werken.
(...)

“Hoewel de fokker over het algemeen zijn uiterste best doen om de twee kernwaardes netjes in balans te houden, komt het vaak voor dat er vanuit het eigen karakter of de eigen opvoeding op de ene kernwaarde onbewust meer nadruk gelegd wordt dan op de andere, waardoor deze op die manier enigszins vervormd doorgegeven wordt aan het kroost. Dit kan resulteren in een onbalans in de mannelijke geest. In de jeugd is dat vaak nog niet heel duidelijk te zien, omdat de jonge man zich dan nog volledig oriënteert op de fokker zelf. Aangezien de fokker ervan overtuigd is dat hij het juiste doet en de jonge man bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal het hier vanzelf mee eens is, kan zelfs een niet volledig uitgebalanceerde opvoeding toch vrij harmonieus en logisch aanvoelen voor de man. Echter, in de puberteit maakt de man zich los van de fokker en wordt hij als het ware zijn eigen opvoeder. De volwassen buitenwereld begint hem namelijk voor keuzes en problemen te stellen die zijn fokker niet meer voor hem kan oplossen en dus moet hij zelf zijn richting bepalen. Hij moet dan kiezen welke van de twee kernwaardes hij vanuit zijn jeugd meeneemt als leidraad voor zijn volwassen leven.
Zijn de kernwaardes die de man tijdens de jeugd heeft meegekregen perfect in balans, dan heeft hij een werkbare set gedragsregels meegekregen die hij in alle situaties kan toepassen. Als een van beide kernwaardes echter meer nadruk heeft gekregen, dan kan dit voor problemen met het zelfbeeld zorgen. Dit leidt tot drie verschillende persoonlijkheidstypes in de puberteit:”

 

 2124765-c3bfa88358f1f2b06bd489fe09a3e453.jpg
Myrthe van der Meer (Den Bosch, 1 maart 1983)
Cover Opzij

 

 

De Oostenrijkse schrijver, dichter en schilder Franzobel werd geboren op 1 maart 1967 in Vöcklabruck. Zie ook alle tags voor Franznbel op dit blog

Uit: Wiener Wunder

“Es war ein regnerischer Oktobertag. Auf den Straßen Wiens standen Wasserlachen, und wenn man nicht nahe an der Hauswand ging, wurde man von rücksichtslosen Autofahrern nassgespritzt. Ein kalter Wind pfiff durch die Gassen, so stark und böig, dass es Hüte und kleine Hunde davonwehte,
Schirme umbog und fahrende Motorräder um einen halben Meter versetzte. In einem Außenbezirk war ein Baugerüst umgestürzt und hatte drei Arbeiter in den Tod gerissen. Die letzten Gastgärten waren seit Tagen geschlossen.
Trotz dieses miesen Wetters hatte sich Kriminalkommissar Groschen nicht wie seine Inspektoren vom Turko-Italiener etwas bringen lassen, sondern war zum Chinesen gegangen, um sein Lieblingsmenü, Nummer zehn, zu speisen. In dem Lokal hingen jede Menge feuchter Mäntel und Hüte, die Fenster waren beschlagen, und es roch schon winterlich.
Heute waren es besonders wenig Meeresfrüchte und besonders viele Chilischoten, dafür wurde die Frühlingsrolle aus Unachtsamkeit erst nach der Hauptspeise gebracht. Auf dem Bier fehlte der Schaum, und beim Zahlen hatte ihm die kleine, immer lächelnde Chinesin glatt um dreißig Euro zu wenig rausgegeben. Wenn er sie nicht seit Jahren gekannt hätte, wäre ihm dieses zerstreute Verhalten verdächtig vorgekommen.
So aber trank er den lauwarmen Pflaumenwein, der hier als Digestif gereicht wurde, und begab sich zurück in die Vorlaufstraße, in das Hauptquartier der Wiener Kriminalpolizei.
Auf seinem Schreibtisch warteten Berge von Akten. Schreiben von Gerichten, Anfragen, Bewilligungen, Beschwerden, Interviewgesuche von angehenden Soziologen – lauter Dinge, die Kommissar Groschen nicht interessierten.“

 

 2124765-4f6f65a3f43ca7a2e289e4ed1cb1c257.jpg
Franzobel (Vöcklabruck, 1 maart 1967)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Steven Barnes werd geboren op 1 maart 1952 in Los Angeles. Zie ook alle tags voor Steven Barnes op dit blog.

Uit: The Cestus Deception 

“For half a millennium Coruscant had glittered, a golden-towered centerpiece to the Republic’s galactic crown. Its bridges and arched solaria harked back to ages past, when no leader’s words seemed too grand, no skyscraper too spectacular, and titanic civic sprawls boldly proclaimed the rational mind’s conquest of the cosmos.
With the coming of the Clone Wars, some believed such glorious days were past. Whether the news holos spoke of victory or defeat, it was all too easy to imagine flaming ships spiraling to their doom beneath distant skies, the clash of vast armies, the death of uncounted and uncountable dreams. It was almost impossible not to wonder if one day war’s ravening maw might not envelop this, the Republic’s jeweled locus. This was a time when the word city symbolized not achievement, but vulnerability. Not haven, but havoc.
But despite those fears, Coruscant’s billions of citizens kept faith and continued about their myriad lives. A flock of hook-beaked thrantcills flew in perfect diamond formation through Coruscant’s placid, pale blue sky. For a hundred thousand standard years they had winged south for the winter, and might for yet another. Their flat black eyes had watched civilization force Coruscant’s animal life into inexorable retreat. The planet’s former masters now scavenged in her duracrete canyons, their natural habitats replaced with artificial marshes and permacrete forests. This, others argued, was a time of marvels and marvelous beings from a hundred thousand different worlds. This was a time for optimism, for dreams, and for unbridled ambition.
A time of opportunity, for those with vision to see.
The red-and-white disk of a two-passenger Limulus-class transport sliced through Coruscant’s cloud-mantle. In the morning sun it glittered like a sliver of silvered ice. Spiral-dancing to inaudible music, it had detached its hyperdrive ring in orbit, slipping through wispy clouds to land with a shush as gentle as a kiss. Its smooth, glassy side rippled. A rectangular outline appeared and then slid up. A tall, bearded man wrapped in a brown robe stepped into the doorway and hopped down, followed by a second, clean-shaven passenger. »

 

 2124765-09e8f20215c75e4c9eb0b643f174653c.jpg
Steven Barnes (Los Angeles, 1 maart 1952)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e maart ook mijn blog van 1 maart 2015 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 1 maart 2007 en ook mijn blog van 1 maart 2008 en eveneens mijn blog van 1 maart 2009 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:18 Reageer op dit bericht

Peter Pessl

De Oostenrijkse schrijver en radiokunstenaar Peter Pessl werd geboren op 1 maart 1963 in Frankfurt am Main, maar groeide op in Oostenrijk. Pessl debuteerde in 1984 in met „Splitter und Sporen“, een smalle bordeauxrode poëziebundel, waaraan hij een zin van Antonin Artaud programmatisch vooraf liet gaan: "La poésie, c'est de la multiplicité broyée et qui rend des flammes." In die tijd was hij een van de jonge schrijvers van het literaire tijdschrift “Perpsektive” rond Petra Ganglbauer en stond met Friederike Mayröcker en andere dichters van de Weense avant-garde in actieve correspondentie. In de late jaren 1980 trok hij zich met Petra Ganglbauer op een wijngaard in de Südsteiermark terug en schreef verhalen en sinds 1991 ook talloze hoorspelen voor het ORF programma Kunstradio – Radiokunst. Voor de “Aufzeichnungen aus dem Himalaya”, bestaande uit vier delen, reisde hij naar de Himalaya-regio's in India, Tibet en Nepal.

Uit: Formiert aus Luft, Aufzeichnungen aus dem Himalaya, Teil 3

„Nicht eigen
(Miniatur),
für Claude Levi-Strauss”

14. Mai, Dongpo.
Die übermächtige, glasierte Nanda Devi (7816 Meter)
sah ich aufgehen
als Blütenhaupt des nahen Himalaya (Weisszwirn),
der das engverborgene Tal des Sutlej,
das (hier) auch Garuda-Tal genannt wird
und, so wissen meine liebsten Historiker, das Zentrum des Bön-Königreichs Shang-Shung war, (weithin) parallel als Riegel Schanze Drachenkamm
vom indischen Subkontinent abtrennt
Von den achtzehn Mythos-Königen der Chronik von Shang-Shung,
so erzählte mir Pasolini, regierten drei im Garuda-Tal:
Letra Guge, der mit der gehörnten Krone aus klarem Licht,
Gyungyar Mukho, der mit der gehörnten Krone des Regenbogenlichts,
Kyile Guge Unchen, der mit der gehörnten Muschelkrone.
Blutgeruch als das Identische.

Im Schwemmland Sinter von Dongpo beeindruckt
die Streuung der Funde
aus Eis und Glas (ich fand Nasen,
Ringe, Methangas.
Blüten, Kräuter Korallenriffs waren nicht viele, dafür Wasseradler
(braune, schwarzschwarze, lamentierende,
die einkreisten)

 

 2128761-e3b81902588135ff3930683dd9d3dd54.jpg
Peter Pessl (Frankfurt am Main, 1 maart 1963)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Benedict Wells

De Duitse schrijver Benedict Wells werd geboren geboren in München op 29 februari 1984. Zie ook alle tags voor Benedict Wells op dit blog.

Uit: Vom Ende der Einsamkeit

„Wie ich rasch an Höhe gewinne, nach oben schieße, schneller werde, wie mir der Wind ins Gesicht weht, ehe ich mit ausgebreiteten Armen dem Horizont entgegenfliege, einfach fort. Ich
betrachte wieder das Heim, so angenehm fern, und male mir aus, was sie gerade ohne mich tun. Wie sie Schlitten fahren und von Mädchen sprechen, wie sie herumalbern und einander ärgern, dabei manchmal zu weit gehen, ehe schon im nächsten Moment alles wieder vergessen ist. Allmählich treten erste Lichter aus der tiefer werdenden Dämmerung hervor, und ich denke an mein altes, vom Zufall zerschnittenes Leben in München, doch das Heimweh ist nur noch eine verblassende Narbe.
Als ich später das Internat erreiche, ist der Himmel bereits nachtschwarz. Ich öffne die Tür zum Haupteingang. Aus der Mensa wehen aufgekratzte Stimmen zu mir her über, und ein intensiver Geruch drängt sich mir auf, nach Essen, Schweiß und Deodorant. Die Luft durchdrungen
von Erwartungen, Gelächter und unterdrückter Angst.
Ich laufe den Flur entlang und sehe einen Jungen, den ich nicht kenne, auf mich zukommen. Er betrachtet mich, den Neuen, argwöhnisch. Instinktiv richte ich mich auf, versuche, erwachsen auszusehen und keinen Fehler zu machen. Der Junge geht wortlos an mir vorbei.
Ich erreiche mein Zimmer, setze mich auf mein Bett und wische mir den Schnee aus dem Haar. Ich bin einfach nur da, ein Geist, ein winziges Wesen, elf Jahre alt. Starr und leer sitze ich im Zimmer, während alle anderen beim Abendessen sind. Später werde ich für mein Fernbleiben eine Strafe bekommen. Ich blicke in die Dunkelheit hinaus.“
*
Das Heim, in das meine Geschwister und ich nach dem Tod unserer Eltern kamen, war keine dieser elitären Einrichtungen mit Tennisplätzen, Hockeyfeldern und Töpfereien, die uns anfangs vielleicht vorschwebten, sondern ein billiges staatliches Internat auf dem Land, bestehend aus zwei grauen Gebäuden und einer Mensa, alles auf dem Gelände des örtlichen Gymnasiums. Morgens gingen wir mit den Landkindern zur Schule, die Nachmittage und Abende verbrachten wir auf unseren Zimmern, am See oder auf dem Fußballplatz. Man gewöhnte sich an dieses Kasernenleben, dennoch konnte es auch noch nach Jahren deprimierend sein, wenn die externen Mitschüler nach dem Unterricht zu
ihren Familien durften, während man selbst wie ein Gefangener auf dem Heimgelände zurückblieb und sich fühlte, als habe man einen Makel.“

 

 2128077-36e597eaa9b55066f8fdac5e1700a47f.jpg
Benedict Wells (München, 29 februari 1984)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Bart Koubaa, Stephen Spender, John Montague, Josef Svatopluk Machar, Luc Dellisse, Marcel Pagnol, Bodo Morshäuser, Martin Suter, Yórgos Seféris

De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.

Uit: Een goede vriend

“Hij leidde me rond, gaf wat uitleg over de wasmachine en de oven en nam uit een la van een zware kast in de woonkamer een kaartje waarop de code voor de wifi stond. Ik zei dat ik geen internet nodig had, dat ik alleen een telefoon zou gebruiken. ‘No internet?’ zei hij bijna verontwaardigd terwijl hij zijn armen licht spreidde, waarop ik glimlachend ook mijn armen spreidde. Ivan bleef even in de gang staan voor hij me de sleutels gaf, de hand schudde en wegging. Vanaf de trap riep hij nog dat ik hem maar moest bellen als er iets was. Toen hoorde ik hem zacht vloeken en keerde hij terug. ‘Coffee,’ zei hij waarna hij zich op het voorhoofd sloeg en hij liep naar de keuken, terwijl hij me wenkte als een kleine jongen die zijn kamer aan een vriendje wil tonen. Hij legde uit hoe de espressomachine naast de koelkast werkte en gaf me twee blauwmetalen capsules. De capsules kon ik in de supermarkt kopen; in de koelkast stond een halve liter verse melk.
Het appartement was veel te groot voor mij alleen: een volledig uitgeruste lange keuken met rechts een balkonnetje dat uitzicht bood op een duistere binnenplaats, en links twee kleine kamertjes, met in het ene schoonmaakartikelen en in het andere een secretaire, een paar kartonnen dozen en een staande lamp. Aangrenzend aan de keuken was een zeer ruime slaapkamer met ertegenover een badkamer met douche, ligbad, bidet en toilet en daarnaast de entree met links ervan een tweede slaapkamer en een royale woonkamer met bank en leeslamp en een tafel met glazen blad waaromheen zes stoelen stonden, alles met elkaar verbonden door een ruime witte gang. De grootste slaapkamer, waarin twee opgemaakte eenpersoonsbedden stonden, had vier hoge ramen die uitkeken op het Moorse kasteel in de bergen en door een klein zijvenstertje kon je de Taag zien. De witgekalkte L-vormige kamer was rondom afgezet met een rand groenachtige bloemmotieftegels die perfect op de warme plankenvloer aansloten en in de vierkante ruimte voor de vier hoge ramen stonden op een Perzisch tapijt twee ligstoelen naast elkaar als in een sanatorium; in de ene lag een zwart schapenvel, in de andere een geelwit. In de kleinste slaapkamer, waarvan de muren waren afgezet met een rand blauwachtige tegels, bevond zich een mahoniehouten bureautje waarop een bankierslamp van groen glas op een bronzen voet naast een leren onderlegger stond.”

 

 2124495-28406809dc0ec0a379800aaacf4a1366.jpg
Bart Koubaa (Eeklo, 28 februari 1968)

 

 

De Engelse dichter, essayist en schrijver Stephen Spender werd geboren op 28 februari 1909 in Londen. Zie ook alle tags voor Stephen Spender op dit blog.

Uit: World within world

“Within this situation of a world hypnotized by power, there were, none the less, two movements which expressed a faith in human values. Firstly, there was a revival of interest in the arts. This arose spon-taneously and simply, because people felt that music, the ballet, poetry and painting were concerned with a seriousness of living and dying with which they themselves had suddenly been confronted. The audiences at the midday concerts of the National Gallery, or at the recitals of music and ballet in provincial towns and at factories, sat with a rapt attention as though they were listening for some message from the artist, who, though perhaps he had lived in other times, was close to the same realities as themselves — and to the pressing need to affirm faith and joy within them. There was something deeply touching about this interest in the arts; it was one of the few things which can still make me regret the war. The affirmation of these timeless qualities was the only answer of human personality to war. In a word, it was — survival. It answered that side of humanity which had produced the war with the indes-tructability of this other side — human love. Lest it be objected that war is infinitely destructive and human love infinitely destructible, I repeat what I have said before: the inner life of man must create his outward circumstances. Perverted love, in the form of nationalism, or class solidarity (what is called 'Communist love'), produce the forces of destruction in our time. Although we should support every outward movement for attaining peace and social improvement, it is only within the inner life that man can will himself to be a coherent whole and not a part set against another part. One day, at a midday concert in the National Gallery, I listened to the playing of an early Beethoven Quartet (Opus 18, No. 1, I think). In the middle of the minuet there was a tremendous explosion. A delayed-action bomb had gone off in Trafalgar Square. In the trio of the minuet which they were playing, the musicians did not lift the bows from their strings. A few of the audience, who had been listen-ing with heads bowed, straightened themselves for an instant and then resumed their posture.”

 

 2124495-1eac8c7d9a76c3d0ea48afeded4d92d3.jpg
Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995)
Cover

 

 

De Ierse dichter John Montague werd geboren in New York op 28 februari 1929. Zie ook alle tags voor John Montague op dit blog.

 

Sibyl’s Morning

I
She wakes in a hand-painted cot,
chats and chortles to herself,
a healthy small being, a happy elf,
sister to the early train whistle,
the bubbling dawn chorus along
the wisteria of Grattan Hill.

No complaints as yet, enjoying
through curtains the warm sunlight,
until she manages to upend herself.
Then the whine starts. Is it anger
or lust for the bottle?

Lift her up, warm and close
or held at arm's length -
that smell, like a sheep pen,
a country hedge steaming after rain.

As the bottle warms, the decibels increase,
the scaldie's mouth gapes open;
head numb, coated tongue,
cotex ends squealing, no
thirsty drunk at a bar,
nursing a hangover, manages such concentration.

Daughter, dig in, with fists like ferns
unfurling, to basic happiness!
Little one, you are now
nothing but the long music of the gut,
a tug of life, with halts
for breathing, stomach swelling.

 

 

New Milk

Sara Anne came to fetch the milk
Down by the Waterside every evening.
I lay in wait for her, shy, but bold
enough to entice her into a meadow.
In the stubbly aftergrass we kissed
and I touched her impossibly yellow hair.

My nostrils tingled with the smell
and dust of hay. All of summer
seemed to gather towards that hour
where we lay so close together.
But when I grew daring enough
to ease my body across hers
I upset the can of sweet milk,
Briefly whitening the warm earth.

 

 2124495-e16ae51dfbb0c0598c7f15dcf2289367.jpg
John Montague (28 februari 1929 – 10 december 2016)
Portret door Colin Davidson, 2016

 

 

De Tsjechische dichter, schrijver, journalist en politicus Josef Svatopluk Machar wed geboren op 29 februari 1864 in Kolín. Zie ook alle tags voor Josef Svatopluk Machar op dit blog.

Uit: Dreißig Jahre

„Wenn es dunkel wurde, mischten wir uns in das Gewoge der Menschen auf der Ringstraße. Der wollüstige Körper der Stadt legte seine Juwelen an. Gelbe Lichterketten brannten auf den Straßen über den Köpfen, die Geschäfte gossen ihre Lichter über die Gehsteige, die Auslagen strahlten in ihren Farben, es leuchteten die Fensterreihen, die Laternen der Kutschen, die Räder der Tramwaywagen rasselten, auf den Trottoirs wimmelte es von einer Unmenge von Gestalten, Männern und Frauen, bunt schillerten die gedämpften Farben der Toiletten, Gespräch und Lachen rauschten, und über allem glitzerten hoch oben in der Finsternis die herbstlichen Sterne. Nur diese Sterne waren die gleichen wie bei uns – sonst war alles fremd, so kalt und feindselig fremd. Kein Wunder, daß man es für ein besonderes Geschenk hielt, wenn einem dann auch nur etwas träumte von Prag ...
Auch das Verlangen, wieder einmal eine Unterhaltung in tschechischer Sprache zu hören, stellte sich ein.
Wir begaben uns in den Bezirk Favoriten. Eine meiner wenigen Kenntnisse über Wien bestand darin, daß in diesem Bezirk Landsleute wohnten. Wir kamen dort an, schritten durch die Straßen, lasen die Firmennamen und Aufschriften – nichts, nichts. Es war Mittag, wir beschlossen, essen zu gehen, vielleicht würden wir zu dieser Zeit irgendwo jemanden finden. Ich fragte einen Wachmann, wo es hier ein tschechisches Gasthaus gäbe. Er zeigte mir:
„Do geh’n die Böhm’ ’nein.“ Ein schmutziges Wirtshaus, auf dem Tisch ein dreckiges Tischtuch, der Kellner ohne Rock. Am Nebentisch essen zwei Männer, sie sind mit ihrer Mahlzeit fertig, und einer konstatiert: „Ty knedlíky nestály dnes za nic.“ – „Die Knödel hab’n heute nichts g’haß’n.“ Der erste Satz in der Muttersprache, den ich in Wien vernehme. Die Wirtin erzählt mir anschließend – auch auf tschechisch, aber schon ziemlich mit Wienerisch durchsetzt –, daß hier viele Böhmen herkommen, etliche Beamte aus den nahen Fabriken, „Krowotinnen“ , die aus Mähren zu den Märkten anreisen, ein paar Vereine haben hier regelmäßig ihre Treffen, „Favoriten jsou lauter Čechy“– ganz Favoriten besteht aus Tschechen.“

 2124495-9daaa75bf64ea0362ff871be60e586da.jpg
Josef Svatopluk Machar (29 februari 1864 - 17 maart 1942)

 

 

De Belgische-Franse dichter, schrijver, essayist, dramaturg en scenarioschrijver Luc Dellisse werd geboren op 28 februari 1953 in Brussel. Zie ook alle tags voor Luc Delisse op dit blog.

Uit: L'Invention du scénario

« Le choix du sujet n'est pas forcément personnel et spon-tané. Dans le cadre d'une entreprise collective comme le cinéma, il lui arrive plus souvent de dépendre d'une com-mande, ou d'une discussion entre divers partenaires. Mais dans tous les cas, il met en jeu ce que vous êtes, et ce que vous êtes désireux ou capable d'écrire. Car même dans le cas d'une commande, dans l'hypo-thèse assez fréquente où le sujet, certains personnages, voire des récurrences et des consignes, vous sont fournis et imposés, vous serez obligés de les intérioriser, de les habi-ter, de leur donner du sens et de la couleur en les mêlant à votre imaginaire et à votre sensibilité. Il faudra de plus que ces éléments obligés coexistent avec d'autres que vous fournirez vous-même, qui provien-dront de votre propre fonds, et où votre style, vos goûts, votre perception du monde trouvent à se manifester. Surtout, il faudra que le récit qui résultera de la combi-naison de ces éléments extérieurs et intérieurs corresponde réellement à votre projet global, lié à l'acte d'écrire. Car si le scénario est appelé à être un jour votre métier, ce n'est pas un métier neutre et purement fonctionnel : on y joue avec du sens, des émotions — et une certaine part de vérité. Ce qui compte en dernier ressort, c'est votre raison profonde d'écrire, et non votre aptitude à écrire n'importe quoi. Choisissez, chaque fois que c'est possible, de travailler sur une histoire dans laquelle vous puissiez glisser votre savoir et votre univers. Ne perdez pas de vue que s'il y a commande, vous pou-vez y imprimer votre marque, la tirer vers vous. Subvenir une commande, ce n'est pas écrire autre chose que ce qu'on attend de vous : c'est la rendre compatible avec ce que vous cherchez à faire, avec l'image que vous voulez donner du réel. Le sujet n'est rien, le traitement est tout. Les chefs-d'oeuvre en fournissent régulièrement la preuve. Quoi de moins attirant qu'une errance de motels en campus ? Quoi de moins « sympathique » qu'un pédophile triste ? Et pourtant, quoi de plus jubilatoire que Lolita (avec une supériorité du roman de Nabokov sur le film de Kubrick), récit dont l'errance est le style et la pédophilie le sujet ? Que vous puissiez ou non choisir les paramètres de base de votre scénario, c'est par la façon de le traiter et plus encore, par la résonance que vous accorderez aux événe-ments, aux personnages, que vous aurez le pouvoir d'écrire un récit en lui donnant sa vérité. »

 

 2124495-aa0d1d250cb9244259b76c34e471e623.jpg
Luc Dellisse (Brussel, 28 februari 1953)

 

De Franse dichter, schrijver, dramaturg en regisseur Marcel Pagnol werd geboren op 28 februari 1895 in Aubagne, Bouches-du-Rhône. Zie ook alle tags voor Marcel Pagnol op dit blog.

Uit: Souvenirs d'enfance – Le temps des amours

“Le soir, en anglais, il eut comme sujet à donner son avis sur Macbeth. Quand nous sortîmes il m'expliqua comment il avait réussi à placer son coucher de soleil.
- Vois ce coup, me dit-il. J'ai commencé comme cela: « on parle souvent de Macbeth. Mais la vraie façon de lire cette pièce célèbre, c'est d'aller s'asseoir sous un chêne, le livre ouvert sur ses genoux, à l'heure où le soleil se couche...» etc. Tu vois d'ici le truc. Deux pages de coucher de soleil.
- Et Macbeth? Qu'en fais-tu, dans tout ça? Tu la connaissais donc?
- Vaguement. Tout le mnde connaît ça, voyons...le Maure qui étouffe sa femme. La tache de sang qui ne veut plus s'effacer. Tu seras roi...To be or not to be...
Je ne jugeai pas utile de le détromper.”
(...)

Les invités affluaient. Des jeunes filles anémiques, vêtues de rose tendre, suivies de mères énormes en toilettes de jeunes filles, avec des fleurs aux corsages ; des messieurs graves et ennuyés, gantés de beurre frais et surmontés de claques à dix reflets.
Des professeurs à lorgnon, de vieilles dames à réticules. Des directrices de lycée et d'écoles supérieures, si bien coiffées qu'elles n'osaient remuer. Des normaliennes au buste concave, enfin des lycéens, en assez grand nombre. Belloche, au ventre somptueux, Babeille, toujours souriant, Havet se répétant intérieurement les dates importantes du ministère Polignac, et enfin Peluque, méconnaissable avec des escarpins vernis, une cravate pareille à une bannière et un chapeau de paille aux vastes bords."

 

 2124495-2898360e2d2c680c05f1dc5b82ca44be.jpg
Marcel Pagnol (28 februari 1895 – 18 april 1974)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Bodo Morshäuser werd geboren op 28 februari 1953 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Bodo Morshäuser op dit blog.

Uit: Die Berliner Simulation

„Den Namen Sally habe sie später angenommen, in Wirklichkeit heiße sie Sarah, aber diese Zeit sei vorbei. Pause. Zum letzten Mal habe sie geweint, als sie einen Orgasmus hatte … Keine Frage war so abwegig wie die, warum sie mir das erzählte. Und doch stellte ich sie mir – ergebnislos –, als sie ihren Netzbeutel von der Lehne nahm und davonschwenkte und ich las ANTISEPTIC CREAM. Alle Bierdeckel auf ihrem Tisch waren zerbrochen und zu einem Häufchen aufgetürmt. Als sie wiederkommt, sind um die Finger neue Pflaster geklebt. Sie legt ihren Netzbeutel auf den Tisch. RUBBER BANDAGE. Sally lächelt. Das ist keine Täuschung. Ganz lange und gleichmäßig lächelt sie mich an und ich halte der Ewigkeit ihres vorsätzlichen Blicks nicht stand und finde es dann blöd, nur vorsätzlich zu gucken. Ihr Haar ist von einem erträumten Schwarz, und voll. Strähnen hängen vor ihrem rosigen, unangegriffenen Teint. Die Augen glänzen. Sie klappt einen Handspiegel auf und tupft grüne Salbe auf eine kleine Wunde an der Schläfe.
Wir haben längst bezahlt und sind gegangen. Sie hakt sich ein und redet, als hätte ich sie gefragt, woher sie komme und was sie mache. "Die Schule war aus, man wurde ernst oder heiratete, meistens beides. Mit London war ich am Ende. Ich kannte es zu gut. Auch Paul zu verlassen war möglich. Mit Laura aus Berlin zog ich durch Südfrankreich. Als wir zurückwaren, bekam ich den Job in der Küche. Berlin ist gut. Ich schreibe meinen Eltern Briefe und erkläre ihnen, was Sarah in Berlin tut, nicht aber, was Sally erlebt." Anfangs wollte sie nicht hierbleiben. Nun ist sie geblieben, und damit ist es ihr wie vielen ergangen. Das Bild, das wir abgeben, hätte auf mich als Betrachtenden anziehende Wirkung. Es ist von der Gestalt, dass wir lediglich die Gestalten des Bildes sind; nicht Menschen etwa, nach denen zu fragen wäre. Das sind wir zu allen anderen Stunden. Wenn ich uns sähe, sähe ich uns als Vorschlag, doch in die uns spiegelnden Scheiben blicke ich nicht.
"Warum fragst du mich nicht, ob ich einen Unfall gehabt habe?" Sie kneift mich, ich kneife sie. "Weil du davon sprechen willst. Dabei hast du gar keinen Unfall gehabt." Immer noch kneifen wir uns in die Arme, es tut höllisch weh. "Woher weißt du das?" Vor Schmerzen müssen wir lachen und trotten ineinander verhakt weiter. Ich kannte diese Straßen und Plätze alle, aber sie alle waren ein Irgendwo, eine Ebene, egal welche, durch die man ziehen konnte. Ich bin erregter als ich scheinen möchte. Ich warte auf den Augenblick, in dem sie beginnt, mich zu missionieren.“

 

 2124495-cbd8e125f63b44065644f0a73e5abbda.png
Bodo Morshäuser (Berlijn, 28 februari 1953)
Cover

 

 

De Zwitserse schrijver Martin Suter werd geboren op 29 februari 1948 in Zürich. Zie ook alle tags voor Martin Suter op dit blog.

Uit: Elefant

„12. Juni 2016
Eine Entzugserscheinung konnte es nicht sein, er hatte genuggetrunken.
Schoch versuchte, das Ding zu fokussieren, das tief hinten in der Unterspülung des Uferwegs stand, dort, wo die Höhlendecke auf den sandigen Boden traf.
Ein Kinderspielzeug. Ein Elefäntchen, rosarot, wie ein Marzipanschweinchen, aber intensiver. Und es leuchtete wie ein rosarotes Glühwürmchen.
Es kam vor, dass jemand seine Höhle entdeckte. Manchmal fand er Fixerbesteck oder Kondome oder Junkfood-Verpackungen. Aber Spuren von Kinderbesuchen hatte er bisher noch nie entdeckt.
Er schloss die Augen und versuchte, so etwas wie Schlaf zu finden.
Schoch hatte einen Drehrausch. So nannte er die Räusche, bei denen sich alles drehte, sobald er im Schlafsack lag.
Er hatte in all den Jahren nicht herausgefunden, wann die Räusche zu Drehräuschen wurden. Manchmal war er sich sicher, dass es an der Menge lag, dann wieder neigte er dazu, die Ursache in der Mischung zu vermuten. Aber dann gab es Fälle wie diesen, wo er – soweit er sich erinnern konnte – weder mehr noch anders als am Vortag getrunken hatte und sich dennoch alles drehte.
Vielleicht spielte das Wetter eine Rolle. Auf dem Heimweg hatte der Föhn die dicken Wolken über den Fluss gejagt, und manchmal waren sie aufgerissen und hatten für einen Augenblick einen weißen vollen Mond enthüllt. Vollmond und Föhn, vielleicht war das die Erklärung für die Drehräusche. Wenigstens für ein paar davon.
Auch was mehr half, Augen auf oder zu, hatte er nie herausgefunden.
Er öffnete sie. Das Elefantenspielzeug war noch immer da. Aber es kam ihm vor, als stünde es etwas weiter rechts.
Er schloss die Augen wieder. Einen Moment lang drehte sich das Elefäntlein unter seinen Augenlidern und hinterließ einen rosa Schweif.
Sofort schlug er die Augen wieder auf.
Dort stand es, schlug mit den Ohren und hob den Rüssel zu einem S.
Schoch legte sich auf die andere Seite und versuchte, das Drehen zu stoppen.
Dabei schlief er ein.“

 

 2124495-755d8a5410ed1fa20c26a647511f62ef.jpg
Martin Suter (Zürich, 29 februari 1948)

 

 

De Griekse dichter Yórgos Seféris werd geboren in Smyrna (nu Izmir, in Turkije) op 29 februari 1900. Zie ook alle tags voor Yórgos Seféris op dit blog en ook mijn blog van 19 februari 2007.

 

The Companions In Hades
fools, who ate the cattle of Helios Hyperion;
but he deprived them of the day of their return.
— Odyssey

Since we still had some hardtack
how stupid of us
to go ashore and eat
the Sun's slow cattle,

for each was a castle
you'd have to battle
forty years, till you'd become
a hero and a star!

On the earth's back we hungered,
but when we'd eaten well
we fell to these lower regions
mindless and satisfied.

 

 

Mythistorema

1
The angel —
three years we waited for him, attention riveted,
closely scanning
the pines the shore the stars.
One with the blade of the plough or the ship's keel
we were searching to find once more the first seed
so that the age-old drama could begin again.

We returned to our homes broken,
limbs incapable, mouths cracked
by the tastes of rust and brine.
when we woke we traveled towards the north, strangers
plunged into mist by the immaculate wings of swans that wounded us.
On winter nights the strong wind from the east maddened us,
in the summers we were lost in the agony of days that couldn't die.

We brought back
these carved reliefs of a humble art.

 

 2124495-48f03fed46ca7516207455fab22349bb.jpg
Yórgos Seféris (29 februari 1900 - 20 september 1971)
Cover biografie

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e en de 29e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 28 februari 2007 en ook mijn blog van 28 februari 2008 en van 29 februari 2008 en eveneens mijn blog van 28 februari 2009.

Geschreven door Romenu om 18:13 Reageer op dit bericht

Howard Nemerov, Daniel Handler, Dee Brown, Michel de Montaigne, Marin Sorescu, Saul Williams

De Amerikaanse dichter en literatuurdocent Howard Nemerov werd geboren op 29 februari 1920 in New York. Zie ook alle tags voor Howard Nemerov op dit blog.

 

Witnessing The Launch Of The Shuttle Atlantis

So much of life in the world is waiting, that
This day was no exception, so we waited
All morning long and into the afternoon.
I spent some of the time remembering
Dante, who did the voyage in the mind
Alone, with no more nor heavier machinery
Than the ghost of a girl giving him guidance;
And wondered if much was lost to gain all this
New world of engine and energy, where dream
Translates into deed. But when the thing went up
It was indeed impressive, as if hell
Itself opened to send its emissary
In search of heaven or 'the unpeopled world'
(thus Dante of doomed Ulysses) 'behind the sun.'
So much of life in the world is memory
That the moment of the happening itself—
So much with noise and smoke and rising clear
To vanish at the limit of our vision
Into the light blue light of afternoon—
Appeared no more, against the void in aim,
Than the flare of a match in sunlight, quickly snuffed.
What yet may come of this? We cannot know.
Great things are promised, as the promised land
Promised to Moses that he would not see
But a distant sight of, though the children would.
The world is made of pictures of the world,
And the pictures change the world into another world
We cannot know, as we knew not this one.

 2124493-cf1bb10fe9297298e5599dcd4647fa82.jpg
Howard Nemerov (29 februari 1920 – 5 juli 1991) 
Hier met zijn zoontjes Jeremy en Alexander rond 1967

 

 

De Amerikaanse schrijver Daniel Handler werd geboren op 28 februari 1970 in San Francisco, Californië Zie ook alle tags Daniel Handler op dit blog.

Uit: A Series of Unfortunate Events - The Bad Beginning (Onder pseudoniem Lemony Snicket)

“If you are interested in stories with happy endings, you would be better off reading some other book. In this book, not only is there no happy ending, there is no happy beginning and very few happy things in the middle. This is because not very many happy things happened in the lives of the three Baudelaire youngsters. Violet, Klaus, and Sunny Baudelaire were intelligent children, and they were charming, and resourceful, and had pleasant facial features, but they were extremely unlucky, and most everything that happened to them was rife with misfortune, misery, and despair. I'm sorry to tell you this, but that is how the story goes. Their misfortune began one day at Briny Beach. The three Baudelaire children lived with their parents in an enormous mansion at the heart of a dirty and busy city, and occasionally their parents gave them permission to take a rickety trolley—the word "rickety," you probably know, here means "unsteady" or "likely to collapse"—alone to the seashore, where they would spend the day as a sort of vacation as long as they were home for dinner. This particular morning it was gray and cloudy, which didn't bother the Baudelaire youngsters one bit. When it was hot and sunny, Briny Beach was crowded with tourists and it was impossible to find a good place to lay one's blanket. On gray and cloudy days, the Baudelaires had the beach to themselves to do what they liked. Violet Baudelaire, the eldest, liked to skip rocks. Like most fourteen-year-olds, she was right-handed, so the rocks skipped farther across the murky water when Violet used her right hand than when she used her left. As she skipped rocks, she was looking out at the horizon and thinking about an invention she wanted to build. Anyone who knew Violet well could tell she was thinking hard, because her long hair was tied up in a ribbon to keep it out of her eyes. Violet had a real knack for inventing and building strange devices, so her brain was often filled with images of pulleys, levers, and gears, and she never wanted to be distracted by something as trivial as her hair. This morning she was thinking about how to construct a device that could retrieve a rock after you had skipped it into the ocean. Klaus Baudelaire, the middle child, and the only boy, liked to examine creatures in tidepools. Klaus was a little older than twelve and wore glasses, which made him look intelligent. He was intelligent. The Baudelaire parents had an enormous library in their mansion, a room filled with thousands of books on nearly every subject. Being only twelve, Klaus of course had not read all of the books in the Baudelaire library, but he had read a great many of them and had retained a lot of the information from his readings.”

 

 2124493-4ed8cf9923affaa2452e78071c8b0ade.jpg
Daniel Handler (San Francisco, 28 februari 1970)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver en historicus Dee Brown werd geboren op 28 februari 1908 in Alberta, Louisiana. Zie ook alle tags voor Dee Brown op dit blog.

Uit: Bury My Heart at Wounded Knee

“Two vast new territories were organized, Kansas and Nebraska, encompassing virtually all the country of the Plains tribes. In 1858 Minnesota became a state, its boundaries being extended a hundred miles beyond the 95th meridian, the “permanent Indian frontier.”
And so only a quarter of a century after enactment of Sharp Knife Andrew Jackson’s Indian Trade and Intercourse Act, white settlers had driven in both the north and south flanks of the 95th meridian line, and advance elements of white miners and traders had penetrated the center.
It was then, at the beginning of the 1860s, that the white men of the United States went to war with one another—the Bluecoats against the Graycoats, the great Civil War. In 1860 there were probably 300,000 Indians in the United States and Territories, most of them living west of the Mississippi. According to varying estimates, their numbers had been reduced by one-half to two-thirds since the arrival of the first settlers in Virginia and New England. The survivors were now pressed between expanding white populations on the East and along the Pacific coasts—more than thirty million Europeans and their descendants. If the remaining free tribes believed that the white man’s Civil War would bring any respite from his pressures for territory, they were soon disillusioned.
The most numerous and powerful western tribe was the Sioux, or Dakota, which was separated into several subdivisions. The Santee Sioux lived in the woodlands of Minnesota, and for some years had been retreating before the advance of settlements. Little Crow of the Mdewkanton Santee, after being taken on a tour of eastern cities, was convinced that the power of the United States could not be resisted. He was reluctantly attempting to lead his tribe down the white man’s road. Wabasha, another Santee leader, also had accepted the inevitable, but both he and Little Crow were determined to oppose any further surrender of their lands.”

 

 2124493-ee4f9ad1a3a02e259515b95934cebe2f.jpg
Dee Brown (28 februari 1908 – 12 december 2002)
Cover luisterboek

 

 

De Franse filosoof, schrijver en politicus Michel Eyquem de Montaigne werd geboren in Bordeaux op 28 februari 1533. Zie ook alle tags voor Michel de Montaigne op dit blog.

Uit: Over vriendschap (Vertaald door F. de Graaff)

“Zodra de liefde binnen de grenzen van de vriendschap komt, dat wil zeggen op een gemeenschappelijke wil en keuze berust, dan verliest zij haar vuur en kracht. Het genot van de liefde is tevens het einde ervan, omdat dit op het lichaam gericht is en tot verzadiging leidt. Vriendschap daarentegen wordt genoten in de mate waarin ze gewenst wordt, en door dit genot wordt zij gewekt, wortelt ze en bloeit ze op, omdat het geestelijk is en de ziel door het onderhouden ervan meer en meer gelouterd wordt. Die andere, stormachtige affecties hebben bij mij ook tijdens onze volmaakte vriendschap wel gewoed, om van mijn vriend maar niet te spreken, die daarvan maar al te duidelijk getuigt in zijn verzen. Zo hebben beide hartstochten toegang tot mij gehad; ze kenden elkaar, maar hebben nooit met elkaar gewedijverd: de eerste vervolgde zijn hoge en trotse vlucht en zag met verachting neer op de vorderingen van die ander ver beneden zich.
Wat het huwelijk betreft, behalve dat het een contract is, waarvan alleen het afsluiten vrijwillig plaatsvindt (het voortduren ervan is gedwongen en opgelegd en derhalve van andere dingen afhankelijk dan onze wil), en dat gewoonlijk om andere redenen wordt afgesloten, brengt het ontelbare verwikkelingen met zich mee die ontward moeten worden, wat voldoende is om de draad te breken en de ontwikkeling van een sterke gevoelsband te verstoren. Terwijl bij een vriendschap het enige waar men mee te maken heeft en waarmee men moet omgaan, die vriendschap zelf is. En daar komt eerlijk gezegd nog bij dat vrouwen gewoonlijk niet over de vermogens beschikken, die beantwoorden aan de eisen van het soort vertrouwelijke omgang en gedachtenuitwisseling, waardoor die heilige band gevoed wordt. Ook schijnen ze de geestelijke kracht te missen om tegen het knellen van zo'n nauwe en duurzame band bestand te zijn. Nu is het zeker zo dat, als dat niet zo was, als het inderdaad mogelijk was een dergelijke ongedwongen, vrijwillige relatie op te bouwen, waaraan niet alleen de zielen zich volledig kunnen laven, maar ook de lichamen deel kunnen hebben, waarin de hele mens betrokken zou zijn, - dat deze vriendschap dan ongetwijfeld nog volmaakter en totaler zou zijn. Maar uit geen enkel voorbeeld blijkt nog, dat het vrouwelijk geslacht dit heeft kunnen bereiken en de scholen uit de oudheid zijn het erover eens, dat dit hun ook niet gegeven is.”

 2124493-7fe2e2b947b8f9a0225b657eadea23ac.jpg
Michel de Montaigne (28 februari 1533 – 13 september 1592)
Cover

 

 

De Roemeense dichter Marin Sorescu werd geboren op 29 februari 1936 in Bulzeşti. Zie ook alle tags voor Marin Sorescu op dit blog.

 

Chess

I move a white day,
he moves a black day.
I rush forward with a dream,
he takes it from me in war.
He attacks my lungs,
for a year I lie thinking in hospital,
calculate brilliantly
and win a black day.
He displaces a misfortune
and threatens me with cancer
(which at the moment moves diagonally)
but I treat him to a book
and force him to retreat,
take a few other pieces and
notice that half my life has
vanished from the board.
'I shall call checkmate
and you will lose your optimism',
he claims.
'Never mind,' I try to joke,
'then I'll switch to feelings and castle your king.'

Behind me my wife, my children,
the sun, the moon and other spectators
tremble at every move I make.

I light a cigarette
and continue the game.

 

 

With A green Scarf

With a green scarf I blindfolded
the eyes of the trees
and asked them to catch me.

At once the trees caught me,
their leaves shaking with laughter.

I blindfolded the birds
with a scarf of clouds
and asked them to catch me.

The birds caught me
with a song.

Then with a smile I blindfolded
my sorrow
and the day after it caught me
with a love.

 

Vertaald door Michael Hamburger

 

 2124493-abc7813c4a2bbd52e8d317a3939b6eaf.jpg
Marin Sorescu (29 februari 1936 – 8 december 1996)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver, acteur, rapper en musicus Saul Stacey Williams werd geboren in Newburgh, New York op 29 februari 1972. Zie ook alle tags voor Saul Williams op dit blog.

 

Untimely Meditations

CHAPTER 3
Happiness is a mediocre standard
for a middleclass existence.
I see
through smiles and smell truth in
the distance. Beyond one dimensional
smiles and laughter lies the hereafter.
Where tears echo laughter.

You'd have to do math to divide a
smile by a tear, times fear, equals
mere truth, that simply dwells in the
air. But if that's the case all I have
to do is breath and all else will follow.
That's why drums are hollow.

And I like drums. Drums are good.
But I can't think straight. I lack the
attention span to meditate. My attention
spans galaxies. Here and now are immense.
Seconds are secular. Moments are mine.
Self is illusion. Music's divine.

 

 2124493-6d765c1cab141c627fbdaaa7488dfa78.jpg
Saul Williams (Newburgh, 29 februari 1972)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e februari ook mijn blog van 28 februari 2016 deel 1 en ook deel 2 en ook mijn blog van 29 februari 2016.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 28 februari 2007 en ook mijn blog van 28 februari 2008 en van 29 februari 2008 en eveneens mijn blog van 28 februari 2009.

Geschreven door Romenu om 18:12 Reageer op dit bericht

Sylvie Marie

De Vlaamse dichteres Sylvie Marie (pseudoniem van Sylvie De Coninck) werd geboren in Tielt op 28 februari 1984. Na haar middelbare schooltijd in haar geboorteplaats ging zij naar Gent om er aan de universiteit Politieke en Sociale Wetenschappen te studeren. Het laatste jaar van die studies bracht ze als Erasmusstudente door in Rijsel. Aan de VLEKHO in Brussel voltooide ze haar studententijd met een postgraduaat journalistiek. Marie publiceert sinds 2005 gedichten in literaire tijdschriften. Ze won ook enkele poëziewedstrijden en staat regelmatig op het podium, zoals op het poëziefestival “Onbederf'lijk Vers” in Nijmegen in 2006 en in 's-Hertogenbosch in 2009. In 2009 kwam ook haar debuutbundel “Zonder” uit. Twee jaar later verscheen “Toen je me ten huwelijk vroeg”, dat genomineerd werd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline Van Haarenprijs. Voor “Altijd een raam” kreeg zij in 2017 de laatste provinciale prijs Letterkunde van de provincie Oost-Vlaanderen. Tussen november 2009 en juni 2011 schreef Sylvie Marie als huisdichteres regelmatig gedichten voor het weekblad Humo. Vandaag werkt ze als leerkracht literaire creatie aan de academies van Tielt en Ieper en geeft ze regelmatig workshops poëzie.

 

 

de nacht is een kofferbak waarin ik klaarlicht liggen moet.
het stapelt zich op. etter. builen.
de dood is groot, geen hand strooit zand.

met mijn hoofd in de kom van je oksel zie ik je mond,
die trekt samen soms; snokjes van een hond
aan de leiband.

niet het bed, deze vorm kraakt.
mijn kaak, jouw schouder, mijn heup, je ellepijp,
tandvlees op tandvlees en stilaan prikken vingers,
slaat slaap me in de benen.

maar ik blijf zoeken naar vergeten,
excuseer, vergeven, naar je kijken zonder zwaartekracht
op mijn oogleden, de hoeken van mijn mond.

 

*

 

welkom in onze flat
dit huis heeft kelder noch zolder, niemand
die naar boven of benden
vlucht, we verzamelen

ons aan tafel om er steevast
te zitten, oog in oog, tand op tand.

wat op het blad wacht, staat er om te verteren.

en neen, er is geen hond
om stiekem restjes aan te schuiven.

 

 

2162961-b2b2387cc9358b63288920c7529e7092.jpg 
Sylvie Marie (Tielt, 28 februari 1984)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten