Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 16 juli 2018 tot 17 juli 2018

Lewis Catoll, Martin R. Dean, Rainer Kirsch, Eelke de Jong, Alie Smeding, Tsead Bruinja, Thé Lau, Lilian Loke

 

Dolce far niente

 

 2163395-623cc38a50759060b70fd75ee627e02c.jpg
Rode boten in Argenteuil door Claude Monet, 1872

 

 

A Boat Beneath a Sunny Sky

A boat beneath a sunny sky,
Lingering onward dreamily
In an evening of July —

Children three that nestle near,
Eager eye and willing ear,
Pleased a simple tale to hear —

Long has paled that sunny sky:
Echoes fade and memories die:
Autumn frosts have slain July.

Still she haunts me, phantomwise,
Alice moving under skies
Never seen by waking eyes.

Children yet, the tale to hear,
Eager eye and willing ear,
Lovingly shall nestle near.

In a Wonderland they lie,
Dreaming as the days go by,
Dreaming as the summers die:

Ever drifting down the stream —
Lingering in the golden gleam —
Life, what is it but a dream?

 

 2163395-4331289e1c6a982d437d428269cd9450.jpg
Lewis Caroll (27 januari 1832 — 14 januari 1898)
De Ring 'O' Bells Pub in Daresbury, de geboorteplaats van Lewis Caroll

 

 

De Zwitserse schrijver Martin R. Dean werd geboren op 17 juli 1955 in Menziken Aargau. Zie ook alle tags voor Martin R. Dean op dit blog.

Uit:The Guyana Knot (Vertaald door Nadia Lawrence)

« Now I couldn’t leave my escapology exercises alone. Barely awake out of my deep sea sleep, I had to drag the heavy trunk out from under the bed. No day without practice. To brighten up my previous appearance in Gera, which is in what used to be East Germany, I tried again to get out of the Butcher’s Knot. This made people think of oven roasts and corned beef, so it got a lot of applause. It is also called the Jam Knot. I wriggled across the floor of my room, lashed a double loop around my legs, and tied up the top half of my body alternately with Bowline and Packer’s Knots. And for my arms, which have to be free so I can tie myself up, I have two artificial ones from shop window dummies that I tie to my torso. The pressure of the ropes immediately brought to mind a vivid memory of the hard floor of what were once the Russian barracks in Gera. Applied the Barrel Knot (relatively compact, doesn’t come undone and doesn’t cramp you) out of which tangle I freed myself in approximately a quarter of an hour. Too long for a Roman audience! I got pointlessly sweaty with the Swivel Hitch: the climate here doesn’t permit violent exertion. All the northern sorts of knots have to be dropped. Thought of the southern Trumpet Hitch, a Single-Strand Stopper, with which I tied myself to a chair leg so as not to escape too quickly.
It’s five o’clock in the afternoon. I stand at the bull’s eye and watch the play of the birds. In tight formation they climb over St. Peter’s, fly like bullets from the treetops and rise in flocks over the gardens. In the air the group forms the wildest, most exuberant shapes, runs away like a stream, falls and splashes and trickles on, forms soft waves pushed by the wind, is pulled away by a flying formation at the tip, a loose amoeba mass. Shortly after, it shapes itself into an arrow, shoots straight down towards a dome, a tower, and, just before hitting it, broadens into a wide sheet, an ever-turning mobile, a fluttering flag, which straightaway dissolves and disintegrates into hundreds of delicate spots, the grain pattern of the sky like black raindrops held lightly in the hand and dripping downwards, and then, over a little wood, a hidden garden, vanish from my sight.
But my world is not really the study, it’s the circus. Already, as a child, I played hooky from school on hot June mornings, to watch our national circus arrive at the village’s disused railway station. Scarcely had I seen the train of red and white carriages standing on the tracks in the siding, when the big doors opened and dark-skinned circus hands in light red livery pulled the animals into the open. Spitting lamas and sleepwalking zebras were dragged along the narrow ramp.”

 

 2163395-c7b557a9ae403ffc79c9228c4b7ac8fd.jpg
Martin R. Dean (Menziken, 17 juli 1955)

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Kirsch werd geboren op 17 juli 1934 in Döbeln. Zie ook alle tags voor Rainer Kirsch op dit blog.

 

Lied der Kinder
für Herburger

Hu, auf zu den Sternen!
Im Weltall ist es kalt.
Man sieht keine Fernen.
Es lebt kein Wald.

Man denkt, man steht still.
Dabei rast man in Eile.
Man wollte, was man will.
Das ist die Langeweile.

Auf einem Stern steigt man aus.
Die Erde ist weit weg.
Der Stern sieht grau aus.
Er ist aus Eisen und Dreck.

Der Weltmolch sagt: Ich fresse
Die Langeweile und die Geschwindigkeit.
Ich verdaue und presse
Heraus kommt die Zeit.

Zwischen hinten und vorn
Denkt man sich eine Mitte.
Was ist, ist schon verlorn.
Ach, hätte man das Dritte.

Durch die schmale, die Spalte
Rutscht man, kann sein, zurück.
Die Erde wäre die alte.
Das wäre Glück.

 

 

Uitstel

Opdat wij later kunnen spreken, zwijgen we.
We leren onze kinderen te zwijgen, zodat

Zij later kunnen spreken.
Onze kinderen leren hun kinderen zwijgen.
We zwijgen en leren alles
Dan sterven we.
Ook onze kinderen sterven. Dan
Sterven hun kinderen, Nadat
Zij onze achterkleinkinderen alles hebben geleerd
Ook het zwijgen zodat zij
Op een dag kunnen spreken.
Dit, zeggen we, is niet de tijd om te spreken.
Dat leren we onze kinderen
Zij hun kinderen
Zij die van hun.
Ooit, denken we, moet toch de tijd
komen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 2163395-8b6d022c162b6f9436ae0c3c45443a15.jpg
Rainer Kirsch (17 juli 1934 – 14 september 2015)

 

 

De Nederlandse schrijver Eelke de Jong werd geboren in Apeldoorn op 17 juli 1935. Zie ook alle tags voor Eelke de Jong op dit blog.

Uit: Paris mon amour

“Nagedacht of ik gisteravond in het café niet te aanhalig geweest was. Dat bier maakt me praatziek, overschreeuwerig, opdringerig, slachtoffer van een verhitte vertrouwelijkheid. Wie weet.
Onderaan de dijk lagen bergjes geel zand, 'n stuk of 20 keurig gerangschikte, anderhalve meter hoge hopen, vorige week aangevoerd door een truck. Vanmorgen zaten er kraaien op de heuveltjes en een kraai bovenop een ijzeren paaltje.
Op de andere dijk zag ik een bejaard echtpaar naar boven klimmen. Vooraf dalfde een grote zwarte hond. De vrouw trok de man mee omhoog, hield zijn uitgestrekte hand tussen elleboog en zij geklemd, hij kroop meer.
Laat d.w.z. 'n uur of 1 ontbeten, t.w. een soepkom met yoghurt uit de ijskast en een paar eetlepels boekweitvlokken, tarwekiemen en bramenjam. Bodempje van beton in m'n maag, straks waarschijnlijk weer 't zuur. En stukjes gelezen van Malsen in ‘Paris Saloon’, treurige Casanova in een wereldje van keutelende misfits. En eigen séjours in Parijs herinnerd. De eerste keer was 't najaar '54.
En niet veel meer gedaan dan alsmaar rondgeslenterd, alsmaar over de trottoirs van de boulevards en de Seinekades en de straatjes daartussen, alsmaar en alsmaar in regen en zonneschijn rondgelopen. En blaren verzorgd in een kamertje in de Rue Jacob, meer alkoof je eigenlijk, doolhof van smalle gangetjes en trapjes bij een waaklampje, voor de wc moest je je bukken.
't Raampje van de wc keek uit op een binnenplaats. Op een avond zag ik aan de overkant een naakt meisje op een bed liggen in de lichtkring van een lamp, de dekens opengeslagen, de rest van de kamer in het donker, haar hoofd weggesneden door het raamkozijn. Aan haar bewegingen te zien lag ze een boek te lezen. En ik zat op de wc en spoot m'n zaad in de afvoerpijp.
Ik had een vriendin in Parijs, gevonden in het correspondentiehoekje van het christelijk-nationaal weekblad De Spiegel, waar ze thuis op geabonneerd waren, een 10 jaar ouder, tamelijk mollig kantoormeisje, dat forensde uit Versailles en me geld begon te lenen om m'n verblijf te kunnen rekken. Dacht er zelfs over om me in Parijs te vestigen, maar het beursje van de typiste raakte leeg en wie niet werkt zal niet eten, zo was het toen ook, en ik wist niet waarmee aan te vangen.”

 

 2163395-a039d7c854d5034fa392839df1b5aa13.jpg
Eelke de Jong (17 juli 1935 – 1 augustus 1987)

 

 

De Nederlandse schrijfster Alie Smeding werd geboren in Enkhuizen op 17 juli 1890. Zie ook alle tags voor Alie Smeding op dit blog.

Uit: De zondaar

“Het barsch-bevelende hoornsignaal van een vrachtauto, dreef Dirk naar de krap-afgepaste veiligheid van een trottoir, en bijna botste hij dan eerst nog tegen een achteloos-fietsende slagersjongen aan.
Hij kreeg er een knorrige glimlach bij. ‘Soeskop,’ misprees hij, ‘ja, wie loopt er nou midden op de straat, je ben niet in je dorp...’
Zijn wrevel vloeide meteen al weer weg. ‘Waar dacht hij ook weer aan daarnet?, wat was 't...?’
Het glimpte nog als wat warms na in zijn hoofd. ‘Over de boerderij?, nee, of over Moeder...?’ De drukte om hem heen onderschepte het.
Toen zag hij ook de stad weer: rijen van grauwe lange buurten, schemerige stegen en vieze sloppen.
‘Jazzes,’ mokte hij, ‘wat toch 'n steenmop, hè?’ Een verlegen minachting vloog naar zijn jonge lichte oogen, maar ook een ijle angst. En ongedurig woelden zijn vingers rond in de dingen van zijn jaszakken: stompjes potlood, staafjes krijt, stuf...
‘Nou,’ zei hij bij zichzelf, ‘maar ik ken m'n werk best ân, geen-een zal zeggen dat ik m'n werk niet ân ken.’ Toch moest hij telkens slikken, en om zijn mond kwam een koud gevoel.
‘Wees maar niet ongerust,’ bemoedigde hij, ‘'t eenigste is, je moet nog wennen, als je hier eerst maar gewend ben, dan zal je 's zien... je moet ook denken: alles is zoo anders, geen mensch die je nou nog bij je voornaam noemen zal, natuurlijk niet, nou was 't altijd: Meneer Hartsen of Meester.’
Hij kreeg er een schrale glimlach van. ‘Menéer...’ Maar zijn schuw-waarnemende oogen dwaalden toch onrustig van de steile huizen-complexen, naar de menschen die hij elke ochtend opnieuw tegenkwam.
Vluchtig keken ze, onverschillig-terloops, en zonder een blik van herkenning. Enkel maar vreemden.”

 

 2163395-5bbafd7a12c538da663e48a87fc524e1.jpg
Alie Smeding (17 juli 1890 – 5 juli 1938)

 

 

De Nederlandse dichter Tsead Bruinja werd geboren in Rinsumageest op 17 juli 1974. Zie ook alle tags voor Tsead Bruinja op dit blog.

 

ik zei ik zie de roos

ik zei ik zie de roos
als een wrak
in aanbouw

ze zwierde aan de kroonluchters
boven de romige hapjes

met een vorkje porde ik van alle kanten
in het gebakje

vat vol ongenoegen dat ik ben
inclusief slenterhart dat al twee dagen
zijn plek niet meer kent

en ik maar denken
ik liet haar gaan maar niet zonder
slag of stoot geen letter hortte uit mijn mond
ik snotterde alleen rook

toen ze zei dag ik hou van je
riep ik heel hard tegen het plastic ivoor
dag telefoon
dahaaaaag

 

 

De wagen van de deen

weet jij wie er vandaag onder de wagen
van de deen gaat liggen

onder de bedrijfswagen

wie er in de bedrijfswagen mag

de bootvluchteling

mag de bootvluchteling
in de bedrijfswagen

onder de wagen
is het beschutter

daar houden die mensen van

je zult het zien
met de wagen van die deen
gaat heintje van hiernaast
de pui rammen

van de bootvluchteling

had hij maar met zijn jatten
van de vrouw van de deen
af moeten blijven

maar met zijn nieuwe wagen

ja....joh

je moeder en een halfnaakte bosuil

 

 2163395-d37c5fc18c65d0e4cce1245a745ddc40.jpg
Tsead Bruinja (Rinsumageest, 17 juli 1974)

 

 

De Nederlandse muzikant en schrijver Thé (Matheus Josephus) Lau werd eboren in Bergen op 17 juli 1952. Zie ook alle tags voor Thé Lau op dit blog.

Uit: Juliette, een liefde in snapshots

“Maar makkelijke score of niet, Robbie was voor het eerst met een vrouw naar bed geweest en teder betastte hij de plek waar Elsa had gelegen. Toen zijn vingertoppen in de plooien van het laken niets meer van haar voelden klom hij uit het bed, kleedde zich aan en liep naar de tafel bij het raam van het tuinhuisje. Ze had een bordje en een mok voor hem klaargezet. Op het bord lag een briefje:
‘Ik ben naar het paviljoen om schoon te maken. In de keuken is brood, en koffie en filters, als je wilt. Kijk maar. Kus. Elsa.’
Ze had een krullerig meisjeshandschrift, en onder haar naam had ze een hartje getekend. Het was aandoenlijk, en in strijd met haar nymfomane reputatie. Robbie tekende er een hartje naast en liep naar buiten.
Hij keek nieuwsgierig om zich heen. Wat vannacht in duisternis gehuld was geweest bleek een groot, met hoge bomen en krakkemikkige bouwsels bezaaid terrein. Drie schuren stonden her en der verspreid rond een grote boerderij met een aangevreten rieten dak. Van een ervan hingen de deuren in hun hengsels. In hun schaduw was een roestige tractor te zien, en eromheen slingerde gereedschap. Naast Elsa’s huisje stond een half ingestort kippenhok.
Het geheel maakte de indruk van een machine die krakend en piepend tot stilstand was gekomen.
Robbie stak het erf over en opende het hek. Hij keek naar zijn witte Puch, die ertegenaan stond, en dacht aan zijn vader. Wat zou hij van deze eerste verovering hebben gevonden? Het antwoord zou Robbie nooit krijgen. Zijn vader had vorig jaar een beroerte gekregen en was zittend aan de schildersezel overleden.
Robbie stapte op en startte de brommer.
Na een paar minuten kwam hij bij de splitsing van de weg naar het dorp, dat hij ‘de enclave’ noemde, en de Zeeweg. In de volksmond heette het punt ‘de Bourgondiër’, omdat er ten tijde van de Franse Revolutie door Franse, Britse en Russische troepen slag was geleverd. De Fransen hadden gewonnen.”

 

 2163395-e8b586211b0848f157c537d28a4282e8.jpg
Thé Lau (17 juli 1952 – 23 juni 2015)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijfster Lilian Loke werd geboren in 1985 in München. Zie ook alle tags voor Lilian Loke op dit blog.

Uit: Gold in den Straßen

„Hat gerade die Scheidung hinter sich, das alte Haus an die Exfrau abgetreten, will jetzt was nach ganz eigenem Geschmack, – Groß, ehrwürdig, mit Seele! Vernunftehen und Vernunftimmobilien seien was für Arme, hat er geschäkert. Eigentlich ist Brink Falbers Kunde, aber die vier Häuser, die Falber bislang für ihn ausgesucht hat, waren Brink noch nicht einmalig, außergewöhnlich genug, die fand er regelrecht tot. Herr Falber hat noch nicht verstanden, was ich eigentlich suche!, lamentierte Brink vor einigen Wochen, stand mit Falber im Empfangsbereich des Maklerbüros, machte Meyer zum Publikum, als er zurückkam von einem Außentermin, fasste ihn sanft, aber bestimmt am Oberarm, hielt ihn auf. Meyer ist es mittlerweile gewohnt, von Leuten ungefragt angefasst zu werden, nimmt es hin wie ein unanständiges, aber schmeichelhaftes Kompliment, – Ihr Chef ist ein guter Mann, deklarierte Brink, Herr Falber wurde mir ja wärmstens empfohlen, aber ich bitte Sie, Herr …? Meyer stellte sich vor, Brink drückte ihm schmerzhaft die Hand, – Herr Meyer, tun Sie mir den Gefallen, helfen Sie Ihrem Chef, ich fürchte, Herr Falber hat kein Gespür für mich … Dann warf Brink einen Blick auf seine massive Armbanduhr, – So, ich muss! Herr Falber, wir sprechen – und Sie, junger Mann, Sie bringen mir ein bisschen Bewegung in die Sache, nicht? Falber nahm die Spitze gelassen, Meyer könne sich ruhig umhören, sagte er, als Brink aus der Tür war. Wenn Meyer für den Kerl tatsächlich was finde, mache er drei Kreuze. Drei Wochen später, auf einer von Frau Scherings Benefizgalas in der Alten Oper, stieß Meyer auf die Villa in Kronberg, allerdings war die alles andere als ein Wohnjuwel. Seinen Rat brauche sie, deklarierte seine Tischnachbarin, als er wie beiläufig fallenließ, er sei im Immobiliengeschäft. Sandra Götz, Chefeinkäuferin für Peek & Cloppenburg, überblond, überhungert, nicht mehr taufrisch, aber scheckheftgepflegt, wollte das Haus ihres Vaters verkaufen, – Gott hab ihn selig, aber das Haus ist ein Albtraum, klagte die Götz, einen absurd eklektizistischen Geschmack habe ihr Vater gehabt, Tudor-Style-Leuchter, altdeutsche Essgruppe, ein Gussofen aus dem späten 19ten, dunkle Holzvertäfelungen en masse und diese Tapisserien nach Louis Schlag-mich-tot, die ihr Vater gesammelt habe. Nicht zu sprechen von den Badezimmern, handgemalte Lindwürmer auf roten Kacheln, französische Spezialanfertigung.“

 

 2163395-d3fea0eb4611c77d4fc0a6d07cfa7ce8.jpg
Lilian Loke (München, 1985)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juli ook mijn blog van 17 juli 2017 en ook mijn blog van 17 juli 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:52 Reageer op dit bericht

Sylvie Marie, Reinaldo Arenas, Georges Rodenbach, Tony Kushner, Anita Brookner, Jörg Fauser, William Irwin Thompson

 

Dolce far niente

 

 2163077-e0883eb1ca6ce03ed36198ec6a62c288.jpg
Beach Bathers door Jack Maxwell, 2010

 

 

zomerdagen

op zomerdagen gebeurt zoveel
aan zee. vrouwen ontbloten
buiken, mannen smeren ze
in, jongens halen ballen boven.
weinigen verdiepen zich
in tegendraads gemekker, hardnekkige
vlekken of veters die keer op keer
weer lossen.
het is dat ik, wat de weerman ook voorspelt,
steeds de paraplu meebreng. ik weet:
niet aarzelend verandert alles
maar vastbesloten als de vloed
die op het strand het tij komt keren,
het dier mee loodst, het kind verrast.

 

 

2163077-ea25dc25fe43b07e83eb81841c040293.jpg 
Sylvie Marie (Tielt, 28 februari 1984)
De markt in Tielt, de geboorteplaats van Sylvie Marie

 

 

 

De Cubaanse dichter en schrijver Reinaldo Arenas werd geboren op 16 juli 1943 in Holguin. Zie ook alle tags voor Reinaldo Arenas op dit blog.

Uit: The Color of Summer (Vertaald door Andrew Hurley)

“Virgilio Piñera: (moving away)
Well done! Bravo! Bravo!
You've got bi-i-ig feet
and one heel's crooked on your shoe ...
Go—there's nothing for you here.
Suddenly, seeing that Coco Salas is right behind him with a tape recorder, he
turns toward the sea and shouts at the top of his lungs:
Virgilio Piñera:
Where are you going, you ingrate!
Come back—we'll forgive you! It's not too late!
Avellaneda: (growing farther and farther away from the Malecón and the harbor)
Ingrate! Ungrateful for what?
That parting shot
to my vulnerable backside?
No thanks, you snot—
I'll take my chances
in New York or Florida or Kansas.
Chorus: (standing on the wall of the Malecón)
No more mercy, no more pleas—
blast her out of the waves!
The backside's the best spot to aim,
so do it! Bombs away!
A new barrage of rotten eggs is launched.
Avellaneda: (now pulling into the open sea in a hail of rotten eggs)
What ineffable light, what strange happiness!
Night's mourning is banished from the skies.
The hour's come round, the artillery thunders;
fire, fire, fire, you murderers,
fire at this trembling bosom!
Meanwhile, back on shore, Delfín Proust arrives. After first making a quick check of himself in a portable mirror that opens like a huge fan, he makes a grand pirouette and leaps up onto the Malecón. He whirls about several times, hops like a frog, opens and closes his arms. Prancing about, he begins his poetic discourse:”

 

 2163077-1887d9f79fae076d3a096f778949eb43.jpeg
Reinaldo Arenas (16 juli 1943 – 7 december 1990)
Zanger / acteur Wes Mason als Reinaldo Arenas in de opera "Before Night Falls“, 2012

 

 

De Belgische dichter en schrijver Georges Rodenbach werd geboren in Doornik op 16 juli 1855. Zie ook alle tags voor Georges Rodenbach op dit blog.

 

Béguinage flamand

II
Cependant quand le soir douloureux est défunt,
La cloche lentement les appelle à complies
Comme si leur prière était le seul parfum
Qui pût consoler Dieu dans ses mélancolies !

Tout est doux, tout est calme au milieu de l'enclos ;
Aux offices du soir la cloche les exhorte,
Et chacune s'y rend, mains jointes, les yeux clos,
Avec des glissements de cygne dans l'eau morte.

Elles mettent un voile à longs plis ; le secret
De leur âme s'épanche à la lueur des cierges,
Et, quand passe un vieux prêtre en étole, on croirait
Voir le Seigneur marcher dans un Jardin de Vierges !


III
Et l'élan de l'extase est si contagieux,
Et le coeur à prier si bien se tranquillise,
Que plus d'une, pendant les soirs religieux,
L'été répète encor les Ave de l'Église ;

Debout à sa fenêtre ouverte au vent joyeux,
Plus d'une, sans Ôter sa cornette et ses voiles,
Bien avant dans la nuit, égrène avec ses yeux
Le rosaire aux grains d'or des priantes étoiles !

 

 2163077-314c6b7b2a73e4f82e20643e9af2eab0.jpg
Georges Rodenbach (16 juli 1855 – 25 december 1898)

 

 

De Amerikaanse schrijver Tony Kushner werd geboren op 16 juli 1956 in New York. Zie ook alle tags voor Tony Kushner op dit blog.

Uit: Angels in America

“ROY COHN: [delirious, under the impression that Belize is the Angel of Death] Can I ask you something, sir?
BELIZE: "Sir"?
ROY COHN: What's it like? After?
BELIZE: After...?
ROY COHN: This misery ends?
BELIZE: Hell or heaven?
ROY COHN: [laughs]
BELIZE: Like San Francisco.
ROY COHN A city! Good! I was worried... it'd be a garden. I hate that shit.
BELIZE Mmmm. Big city. Overgrown with weeds, but flowering weeds. On every corner a wrecking crew and something new and crooked going up catty corner to that. Windows missing in every edifice like broken teeth, gritty wind, and a gray high sky full of ravens.
ROY COHN Isaiah.
BELIZE: Prophet birds, Roy. Piles of trash, but lapidary like rubies and obsidian, and diamond-colored cowspit streamers in the wind. And voting booths. And everyone in Balenciaga gowns with red corsages, and big dance palaces full of music and lights and racial impurity and gender confusion. And all the deities are creole, mulatto, brown as the mouths of rivers. Race, taste and history finally overcome. And you ain't there.
ROY COHN: And Heaven?
BELIZE: That was Heaven, Roy.
ROY COHN: The fuck it was!“

 

 2163077-9404f13d3b3ce16756f849146b59013d.jpg
Tony Kushner (New York, 16 juli 1956)
Affiche

 

 

De Engelse schrijfster en historica Anita Brookner werd geboren op 16 juli 1928 in Herne Hill, een voorstad van Londen. Zie ook alle tags voor Anita Brookner op dit blog.

Uit: The Rules of Engagement

“We met, and became friends of a sort, by virtue of the fact that we started school on the same day. Because we had the same Christian name it was decreed that she should choose an alternative. For some reason—largely, I think, because she was influenced by the sort of sunny children’s books available in our milieu—she decided to be known as Betsy. When we met up again, several years later, she was Betsy de Saint-Jorre. Not bad for a girl initially registered as Elizabeth Newton.
How much nicer children were in those days than the adults they have become! Born in 1948, we were well-behaved, incurious, with none of the rebellious features adopted by those who make youthfulness a permanent quest. We went to tea in one another’s houses, sent each other postcards when we went on holiday with our parents, assumed we would know each other all our lives . . . The Sixties took us by surprise: we were unprepared, unready, uncomprehending. That, I now see, was why I married Digby: it was the right, unthinking thing to do. That was why Betsy took it upon herself to have a career, out of despair, perhaps, at not being provided for.
Choice hardly dictated our actions. Yet I suppose we were contented enough. Certainly we knew no better. And now we know too much. Discretion veiled our motives then, and perhaps does so even now, even in an age of multiple communications, of e-mails, text messages, and news bulletins all round the clock. We still rely on narrative, on the considered account. That is how and why I knew Betsy’s story, though I cannot claim to know all of it. There were areas of confusion which it seemed better not to disclose. But she was always painfully honest, rather more so than prudence might advise. That quality made itself felt when we were still children; her desire to explain herself, to be known, was perhaps really a desire to be loved. That too was discernible, and it set her apart. In later life, when I knew her again, that quality was still there, obscured only slightly by the manners she had acquired, and always at odds with her mind, which was exacting. In other circumstances she might have been remarkable. But her hopes had been curtailed, and in the years of her adulthood one sometimes saw this, in the odd distant glance directed towards a window, or the eagerness with which she smiled at any passing child.
Her initial demotion from Elizabeth to Betsy was thought to be justified, given her uncertainty of status. She took it in her stride, thinking it gave her permission to assume an altogether different character, someone more lighthearted, skimming the surface, responding always with a smile.“

 

 2163077-87315fa6e39c7ec0ba8a11e2b12aab33.jpg
Anita Brookner (16 juli 1928 – 10 maart 2016)

 

 

De Duitse schrijver en journalist Jörg Fauser werd geboren op 16 juli 1944 in Bad Schwalbach. Zie ook alle tags voor Jörg Fauser op dit blog.

Uit: Rohstoff

“William S. Burroughs empfing mich nachmittags um drei in seinem spärlich möblierten Apartment in der Duke Street, unweit Piccadilly Circus. Er trug einen schwarzen dreiteiligen Anzug, der mich an die Anzüge meines Großvaters, eines Volksschulrektors, erinnerte, ein weißes Hemd und eine schwarze Krawatte. Ich hatte wieder mal meinen Nadelstreifenanzug an, weißes Hemd, Krawatte. Burroughs war groß und hager und ging leicht gebückt. Er war an den Schläfen weißhaarig, und sein Mund war ein schmaler, blutleerer Strich.
»Kaffee oder Tee?«
»Kaffee.«
»Weiß oder schwarz?«
»Weiß, bitte.«
Wir nahmen jeder eine Tasse Nescafé und setzten uns an einen blankpolierten Tisch. Burroughs saß mit dem Rücken zum Fenster. Er fixierte mich durch seine Brille. Seine Augen waren blau und strahlten die unerschütterliche Autorität eines hohen Richters aus, der jede Art von Korruption kennengelernt hat und dem alle zusammen immer noch zu billig sind.
»Was ist das für eine Zeitschrift, für die Sie arbeiten?«
Ich verlor ein paar Worte über twen. Mein Englisch war ohnehin nicht besonders flüssig, und jetzt fiel mir mein dicker deutscher Akzent unangenehm auf. Burroughs schien er nicht zu stören. Vielleicht hatte er eine perverse Sympathie für die Deutschen.
»Und dieser Artikel, den Sie erwähnten?«
Ich hatte den Auftrag von twen, einen Bericht über harte Drogen zu schreiben. Den Kontakt zu Burroughs hatte Lou Schneider hergestellt. Twen hatte mir den Flug nach London und einen reichlichen Spesenvorschuß bewilligt. Ich war auf dem Weg, und wie. Der rasende Junk-Reporter. Ich
versuchte Burroughs zu erklären, daß ich selbst vier Jahre Junkie gewesen war und in dem Bericht auch über die Möglichkeiten schreiben wollte, von dem Zeug loszukommen. Burroughs hatte es mit Apomorphin geschafft.
Apomorphin war bei uns unbekannt. Deshalb war ich hier. Er machte eine neue Zigarette an. Er rauchte Senior Service ohne Filter. Kette.
»Was für Zeug haben Sie denn genommen?«
»Oh, vor allem Opium.«
»Was – Rohopium? Das haben Sie doch nicht intravenös gefixt?«
»Doch.«
»Junger Mann«, sagte Burroughs mit der Andeutung eines Lächelns, »Sie müssen ja völlig verrückt gewesen sein."

 

 2163077-fc05af2b0ab9137813da7b650a0cff4d.jpg
Jörg Fauser (16 juli 1944 – 17 juli 1987)
Cover 

 

 

De Amerikaanse dichter, sociaal filosoof en cultuurcriticus William Irwin Thompson werd geboren op 16 juli 1938 in Chicago, Illinois. Zie ook alle tags voor William Irwin Thompson op dit blog.

Uit: The Time Falling Bodies Take to Light:

“As the great Gilgamesh polishes his armor and weapons in preparation for the great expedition, he attracts the attention of the goddess of love and war, Ishtar (Manna), and she asks to become his lover. Ishtar displays all her beauty and makes great promises to Gilgamesh, but the hero focuses on his heroic ideal and rejects Ishtar in what amounts to a curse. Here the conflict between male bonding and the companionship of the transcen-dent quest versus sexual love and involvement in the immanence of bodily life comes right out into the open. Gilgamesh recites an entire litany which unfolds all the treacheries of Ishtar; he recites the list of all her past lovers who have come to ruin. When Ishtar hears this she is enraged and mounts to the realm of the sky god, Anu, and demands that the Bull of Heaven be sent to earth to destroy Gilgamesh. Threatening to create famine and raise the dead unless she has her way, Ishtar is able to compel Anu to grant her the demand. Anu relents and sends down the Bull of Heaven (a comet?) to attack Gilgamesh. But the goddess has forgotten that bulls and oxen are the province of man, the domesticator of animals, and so the two cowboys, Gilgamesh and Enkidu, make short work of the Bull. Ishtar is again enraged and mounts the walls of Uruk and cries out: "Woe unto Gilgamesh because he insulted me." When Enkidu hears Ishtar's threat, he tears loose the right thigh of the Bull of Heaven and flings it at her. No doubt, "right thigh" is a euphemism for the genitals of the bull, and by flinging the phallus into the face of the goddess Enkidu is mocking her role as the goddess of love and war and parodying the old rituals of appeasement of the Great Goddess in rites of castration. That we are witnessing the parody of an ancient ritual becomes clearer when Ishtar responds to Enkidu's taunt by setting up the old lament for the torn god.

Ishtar assembled the girl-devotees,
The prostitutes, and the courtesans;
Over the right thigh of the bull of heaven
she set up a lamentation.
But Gilgamesh called the craftsmen, the armorers,
all of them.
The artisans admired the size of the horns .
He brought (them) into the room of his rulership (?)
and hung (them) up (therein).

While the women wail over the severed phallus of the torn god, the craftsmen go to work, and Gilgamesh places the more durable horns in his room, a room that would thus have the appearance of the male bull shrine at catal Hiiyiik. By placing an old ritual in a new context, the men are mocking the old religion in which the women lament the death of Dumuzi; in this new context, the old conservative religion of the women is being mocked in a celebra-tion of male ambition."

 

 2163077-312e6885b311bec3ef9fc0a4e816e87f.jpg
William Irwin Thompson (Chicago, 16 juli 1938)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juli ook mijn vorige blog van vandaag.    

Geschreven door Romenu om 18:17 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten