Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 6 november 2018 tot 7 november 2018

Willy Vlautin, Wim Noordhoek, Albert Helman, Albert Camus, Jan Vercammen, Antonio Skármeta, Pierre Bourgeade, W. S. Rendra, Vladimir Volkoff

De Amerikaanse schrijver, muzikant en songwriter Willy Vlautin werd geboren op 7 november 1967 in Reno, Nevada. Zie ook alle tags voor Willy Vlautin op dit blog.

Uit: Don't Skip Out on Me

“Horace Hopper opened his eyes and looked at the clock: five a.m. The first thought that came to him that morning was his mother, whom he hadn’t seen in nearly three years. Then he thought about how in a little more than a week’s time he’d be alone on a bus heading to Tucson. Awake less than a minute and already there was a pit in his stomach.
He got up and dressed in jeans and a plaid long-sleeve western shirt. He put on his boots and then tried to wake himself. He drank a glass of water and stared at the boxers’ photographs he’d taped to the wall of the camping trailer.
The cutouts were from issues of The Ring magazine and the fighters were Mexican. The largest image was from the fight between Israel Vázquez and Rafael Márquez. It was the third round of their fourth fight, and Vázquez was hitting Márquez with a brutal left hook. To the right of that photo was Rafael Márquez’s brother, the great Juan Manuel Márquez, and to the left of him the legend, Julio César Chávez, wearing a sombrero. Below them was a picture of Horace’s favorite boxer, Érik Morales. To the left of Morales was Juan Díaz, and on that one Horace had written with a black marker: “The Scholar.” Beside The Scholar was Antonio Margarito. A black marker had crossed out his face. “The Cheater.”
He grabbed a worn and frayed notebook from a shelf next to the bed and opened it. The first page read “Log of Bad Dreams,” handwritten with a blue pen. He flipped through a half dozen filled pages until he came to “Getting Left in Tonopah.” Underneath it were thirty-two marks. He added another, making it thirty-three. He then thumbed to the back pages of the notebook, and near the bottom of a nearly full page he put down the date and wrote the same thing he had written the day before and the day before that, “I will be somebody.”

 

 2191101-a866dc0ec147372986798e8ce5fd30fc.jpg
Willy Vlautin (Reno, 7 november 1967)

 

 

De Nederlandse schrijver, radiomaker en journalist Willem Johannes Noordhoek werd geboren in Steenwijk op 7 november 1943. Zie ook alle tags voor Wim Noordhoek op dit blog.

Uit: Alle trams rijden naar de hemel

“In slaap gevallen in de tram was ik. De conducteur maakte me wakker.
Om me heen kijkend bemerkte ik dat ik de enige overgebleven passagier was. Op de tegenoverliggende bank stonden mijn rugzak en plastic tassen. Ik was bijna thuis, twee maanden had ik rondgezworven.
Ik kon altijd bij mijn ouders slapen.
De tram zag eruit als een café, bekleed met gevernist hout. Het verlichte spiegelpaleis stond stil te wachten tussen donkere gebouwen.
Ik kon mezelf onderscheiden, maar in contour, mijn gezicht lag in het donker. Het was een heel oude tram. De gloeilampen, in porseleinen armaturen, brandden op halve sterkte.
Heeft u een slaapadres? vroeg de conducteur en hij keek mij vorsend aan van onder zijn pet.
Ja, zei ik.
De conducteur legde een hand op mijn schouder.
Mijn verantwoordelijkheid, zei de conducteur. U denkt misschien waar bemoeit hij zich mee. Ik ben verantwoordelijk voor mijn passagiers, daarom weet ik graag de bestemmingen.
De tram, het was alleen een motorwagen, reed nu de Torenstraat in. Alleen een enkele etalage wierp hel licht op een stuk trottoir.
Junghans, in den klokkenwinkel, las ik. Verderop onderscheidde ik de uitschroefbare houten schedel in de hoedenwinkel en het bordje uw oude herenhoed weer nieuw. De tram reed hard. Het geluid ketste tegen de gevels. Haltes werden bruusk overgeslagen. Achter de ruiten reden nog oneindig veel trams.
Naar huis, dat willen we allemaal om deze tijd, zei de conducteur. Maar dit is de laatste rit. En je weet hopelijk wat dat betekent. Hierna gaan we alleen nog naar de remise. Je kunt zover mee, als je wilt. Je kunt ook hier ergens afstappen, maar in de stad is alles dicht en treinen gaan er niet meer. We stonden nu stil bij de vaste halte Conradkade.
Ik ken u, zei ik. Van vroeger. Van het eindpunt, het tramhuisje bij Meer en Bos. Mijn ouders wonen daar om de hoek. Kan zijn, zei de conducteur. Wij rijden op verschillende lijnen, het ene eindpunt of het andere maakt ons weinig uit. Je ziet er slecht uit. Wat heb je uitgespookt?
Terwijl hij me aankeek wreef de conducteur steeds de duim van zijn rechterhand tegen zijn wijs- en middelvinger. Oplettend, als luisterde hij naar muziek.
Ik ga bij mijn ouders slapen. Ik kom net terug van vakantie.”

 

 2191101-2a9571d56b23aee0b55ed6254bcd4bba.jpg
Wim Noordhoek (Steenwijk, 7 november 1943)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Albert Helman werd geboren op 7 november 1903 in Paramaribo. Zie ook alle tags voor Albert Helman op dit blog.

Uit:Van pij en burnous

“Water is hier iets heel anders dan in de Noordelijke landen. Werkelijk iets anders. Ik heb dit al, bewonderend, gezien in kleine bergdorpjes van Italië, waar iedere straathoek zijn waterbekken heeft, en ieder pleintje zijn min of meer bouwvallige fontein. In Assisi staat nog een fontein, waarop een oude pauselijke verordening is gebeeldhouwd, dat ieder die zijn goed waschte in het bekken, een boete opliep van één scudo (een oude munt in de pauselijke staten) èn zijn waschgoed verbeurde. In Castelgandolfo is een fonteintje, waar een engeltje zóó speelsch de straaltjes over het mos laat spartelen, dat ik ernstig denk, dat dit onze eenigste erfenis is uit het Verloren Paradijs.
Maar in Rome eerst hoort men de brillante première van deze lyrische klankentuimel, ziet men het steeds herhaalde, snelle waterballet.
* * *

De wandelaar die op een zonnige morgen (welke morgen is hier niet zonnig?) zijn weg neemt op toeval's kompas, zal niet de minste lust in zich voelen, het bonte rumoerige leven van straat en plein te verwisselen voor de koele, àl te ernstige atmospheer van musea en beeldenkabinetten. Hij wandelt langzaam, en weet aan de palmen, die ruischen, de scherpe segmenten van de bladgroencirkels schuivend naar elkander, dat het Zuiden de blijdschap van altijd af bewaart. Hij ziet aan de hooge witheid van huizen, die blokkend neerstaan langs de breede straten de eeuwigoude zon, die statig en kalm de vaste schaduwen uitschuift van hoeken en portieken. Hij ruikt de kruidige geur van mimosa en het zoete aroma van voorjaarsrozen; hij ziet de rappe sprongen van de kinderen, die de springende bal volgen over de scheidslijn van schaduw en licht.
Totdat om de hoek van de straat het heldere zingen van water een doel wordt van zijn kalmen gang. Hij luistert naar het spetteren van water, dat hij blauw vermoedt als een morgenlucht, zóó leerde hem het Zuiden reeds de waarheid van zijn onbesnoeiden droom, en naar het zakkend openploffen van waterkringen op de stabiele stroom van het bekken."

 

 2191101-a3ff73ed539e8b23c1ee713e07b4f11a.jpg
Albert Helman (7 november 1903 – 7 oktober 1996)
Portret door Jan van der Loo, 1976

 

 

De Chileense schrijver Antonio Skármeta werd geboren op 7 november 1940 in Antofagasta. Zie ook alle tags voor Antonio Skármeta op dit blog.

Uit: A Distant Father (Vertaald door John Cullen)

“I devote most of my time to smoking and sharpening my Faber No. 2 pencils. I use them to correct my pupils’ compositions, and if there’s something I don’t like, I rub it out with the eraser on the pencil’s other end and suggest a better phrase. The Remington’s actually a loan from the mayor, who let me have it so that I could make fair copies of my translations. The children’s compositions are quite optimistic. Most of them begin by saying something like, “The day opens with the sun, which spreads its kind fingers over the field,” or “When the cock crows, dawn breaks and the shadows put on yellow robes.” Only Augusto Gutiérrez stands outside the norm. For example, he writes, “The sun’s crowing bursts the cock’s eardrums.” In math he’s a disaster. He’s repeating the previous year, and he’s the only boy in the class with a hint of mustache on his upper lip. He has two sisters. On Sundays I go to the village square, buy some candied peanuts and a Bilz soda, and sit on a stone bench. When the sisters pass close to the bench, they burst into mocking laughter and I turn red. Augusto Gutiérrez has thick eyeglasses and thin lips. He’ll be fifteen next Friday. He walks through the square carrying a volume by Rubén Dario. He knows by heart “The sea is lovely, Margarita, and a subtle scent of orange blossoms rides upon the breeze,” but he’s not so much interested in the Nicaraguan poet’s verses as he is in carrying on a man-to-man conversation with me. He wants to know, he declares, if I’ve been to the whorehouse in Angol and how much it costs to spend a night there with one of the girls. I brush crushed peanuts off my blue trousers and say that such a conversation between a pupil and a teacher is improper. He says that if I don’t want to tell him about life, he’ll ask advice from the priest in the confessional.
He adds that his birthday party next Friday will offer more than just cake and candles; there’s also going to be romantic North American music that people can dance and make out to. His sisters asked him to invite me. Teresa’s seventeen and Elena’s nineteen. I’m twenty-one. Everybody around here is very respectable, and I have no doubt that Teresa and Elena come from a good family, but every time they go to Santiago, they buy dresses with plunging necklines and tight jeans that cling to their hips and squeeze the air out of my lungs.”

 2191101-1173fcdd724ee828b35f72d29cb81678.jpg
Antonio Skármeta (Antofagasta, 7 november 1940) 

 

 

De Franse schrijver en filosoof Albert Camus werd geboren op 7 november 1913 in Mondovi, Algerije. Zie ook alle tags voor Albert Camus op dit blog.

Uit: Mens in opstand (Vertaald door Martine Woudt)

“Er bestaan impulsieve misdaden en beredeneerde misdaden. Het Wetboek van Strafrecht onderscheidt ze, vrij praktisch, met de voorbedachte raad.Wij leven in de tijd van de voorbedachte raad en de perfecte misdaad. Onze misdadigers zijn niet meer die machteloze kinderen die de liefde als excuus aanvoerden. Integendeel, ze zijn volwassen en hun alibi is onweerlegbaar: filosofie kan overal toe dienen, zelfs om moordenaars in rechters te veranderen.
Heathcliff, in Wuthering Heights, zou de hele wereld kunnen vermoorden om Cathy te bezitten, maar het zou niet in hem opkomen die moorden redelijk te noemen, of gerechtvaardigd door een systeem.
Hij zou ze plegen en verder zou zijn overtuiging niet strekken.
Dat veronderstelt liefdeskracht, en karakter. Omdat liefdeskracht zeldzaam is, blijft moord een uitzondering en behoudt hij dus het aanzien van een inbreuk. Maar vanaf het moment dat we ons, bij gebrek aan karakter, haastig een doctrine aanmeten, zodra de misdaad wordt beredeneerd, ontwikkelt deze zich net zo vlot als de rede zelf en neemt hij alle vormen van het syllogisme aan. Hij was eenzaam als de schreeuw, nu wordt hij algemeen als de wetenschap.
Gisteren nog veroordeeld, bepaalt hij vandaag de wet.
We zullen ons daar op deze plaats niet over verontwaardigen.
Het doel van dit essay is andermaal de werkelijkheid van het moment, de beredeneerde misdaad, te accepteren en er juist de rechtvaardigingen van te onderzoeken: het is een poging om mijn tijd te begrijpen.Misschien vindt men dat een tijdperk dat in vijftig jaar tijd zeventig miljoen mensen van hun wortels rukt, onderwerpt of doodt, alleen en vooral moet worden veroordeeld. Toch moet ook dan zijn schuld worden begrepen. In primitieve tijden, toen een tiran ter meerdere eer en glorie van zichzelf hele steden met de grond gelijkmaakte, een slaaf geketend aan de wagen van zijn overwinnaar door feestende steden moest trekken en de vijand voor de ogen van het verzamelde volk voor de wilde dieren werd gegooid, kon het geweten tegenover zulke argeloze misdaden vastberaden zijn, en het oordeel helder.”

 

 2191101-5c1f96166a15f80baec654da3a6dad52.jpg
Albert Camus (7 november 1913 – 4 januari 1960)
Cover

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jan Vercammen werd geboren in Temse op 7 november 1906. Zie ook alle tags voor Jan Vercammen op dit blog.

Uit: Het huis ten einde

 

Van de palen

De palen zijn geheid.
Een tekening op aarde.
Het eerste teken van herkenning voor
mijn dood uit Teheran
vertrokken met een karavaan.

De zomerevening was
een grote poort van de herfst.
Zo verdicht is de tijd.
Mijn weemoed is de zachte rivier
die los van haar oorsprong vliet.
Zovele woorden zijn achtergebleven.
De dorre takken zijn doorweekt.

Ik heb nog altijd schimmen lief
die niet door een engel zijn belicht.
Maar de schaduw van de palen
wordt reeds opgezogen.

Het beloofde bos wordt wilder
dan het ooit verlaten was.

Nu worden de muren gebouwd
om in te krimpen tot een graf.

 

 

Van de bouwers

Zij die de stenen en het hout
hanteren kennen de sterren:
zij scheiden de Poolster niet van
de Grote Beer door
de feilloze lenzen van Palomar
te ontglanzen. Zij
ontwrichten de dauwzuigers niet
zoals zij die worden verblind
door luchtkristallen.

Ze vertellen wel van ganser harte
hoe kikvorsmannen lekken vonden
in onderzeese kabels toen kooplieden
hadden geklaagd over verloren woorden
(achteraf is gebleken dat deze
bij Amerikaans opbod waren verkocht
voor luchtig zwevende roebels).
En over de klimatologen die
met naalden van kompassen
rozen graveren in tegenwinden.

Ze hebben me verzekerd dat ze
geregeld ebbe en vloed aanpassen aan
de omgezette zwaartekracht en
dat veilig verkeer van ionen en
elektronen zorgvuldig is
voorgenomen tussen hart en steen.

Kortom dat voor mijn dood
geen hindernissen te vrezen zijn.
We kunnen dus de weg opgraven
die voor de zondvloed bestond.

 

 2191101-91e88804d8e4e8298e37c3570685e164.jpg
Jan Vercammen (7 november 1906 – 5 augustus 1984)
Portret door Marc Neels, z. j.

 

 

De Franse schrijver, scenarioschrijver, essayist, dichter, journalist en fotograaf Pierre Bourgeade werd geboren in Morlanne op 7 november 1927. Zie ook alle tags voor Pierre Bourgeade op dit blog.

Uit: L'empire des livres

“L'après-midi touchait à sa fin.
Une jeune femme entra nonchalamment dans la librairie.
M. Dufourcq était assis derrière son bureau. Il n'allait pas tarder à fermer boutique. Il avait rangé crayons et stylos, il avait bouclé fichiers et classeurs, il avait fermé ses livres de comptes. Il était assis, là, sans rien faire, ses deux mains posées à plat devant lui. C'étaient d'assez vieilles mains, marquées d'assez récentes tavelures. A l'annulaire de la main gauche, M. Dufourcq portait, superposées, deux alliances d'or terni, la plus large au ras de la paume, la plus étroite mordant la première phalange (où un petit cal rouge sombre s'était, à la longue, formé), ce qui indiquait, selon les usages de la région, qu'il était veuf.
Les mains du libraire étaient vieilles, mais la librairie avait été récemment modernisée. Elle mesurait six mètres sur quatre. Des rayonnages couvraient les murs. Des échelles nickelées, coulissant sur des tringles fixées à hauteur d'homme, permettaient d'accéder aux rangées supérieures. Les livres étaient classés par catégories. De petites pancartes, soigneusement calligraphiées, en écriture anglaise, de la main même du libraire, permettaient au client de trouver sa voie dans cet amoncellement de textes imprimés. « Romans ». « Poésie ». « Théâtre ». « Histoire ». « Sciences humaines ». « Sciences exactes ». « Livres d'art ». « Nouveautés »... La librairie était visiblement ouverte à tous les genres. Certains libraires voient d'un mauvais œil la poésie. D'autres se méfient des romans. M. Dufourcq aimait tous les livres par le seul fait qu'ils étaient des livres, et il avait toujours fait l'impossible pour qu'on trouvât chez lui tout ce qui venait d'être publié. Il était particulièrement épris des nouveautés. Chaque livre récent lui semblait une merveille. Il accordait à ces ouvrages un traitement particulier. Ils étaient exposés au centre de la pièce, sur des présentoirs de bois blanc. Ils y formaient un ensemble coloré. Naguère assez ternes, les livres, par bonheur, étaient aujourd'hui recouverts de brillantes jaquettes plastifiées, qui luisaient sous le feu d'une triple suspension de néon.”

 2191101-2b0861e113b15761cf12630b113573f0.jpg
Pierre Bourgeade (7 november 1927 – 12 maart 2009)
Cover

 

 

De Indonesische dichter en toneelregisseur Wahyu Sulaeman Rendra (eig. Willibrordus Surendra Broto Rendra) werd geboren in Surakarta op 7 november 1935. Zie ook alle tags voor W. S. Rendra op dit blog.

 

Sermon (Fragment)

They roared like animals:
Grrr-grrr-grrr. Hura.
Cha-cha-cha, cha-cha-cha.
They stole window shutters.
They took everything in the church.
The candelabra. The curtains. The carpets.
The silverware. And the statues covered with jewels.
Cha-cha-cha, they sang:
Cha-cha-cha over and over again
They smashed the whole church
Cha-cha-cha
Like wet panting animals
running to-and-fro.
Cha-cha-cha, cha-cha-cha.
Then suddenly the shrill voice of an old woman was heard:
"I am hungry. Hungrry. Hu-u-unggrryyy."
And suddenly everyone felt hungry.
Their eyes burned.
And they kept shouting cha-cha-cha.

"Because we are hungry
let us disperse.
Go home. Everyone stop."

Cha-cha-cha, they said
and their eyes burned.

"Go home.
The mass and the sermon are over."

Cha-cha-cha, they said.
They didn't stop.
They pressed forward.
The church was smashed. And their eyes flashed.

 

Vertaald door Harry Aveling

 

 2191101-690a85a3d249e803725adcad4499974b.jpg
W. S. Rendra (7 november 1935 – 6 augustus 2009)

 

 

De Franse schrijver Vladimir Volkoff werd geboren in Parijs op 7 november 1932. Zie ook alle tags voor Vladimir Volkoff op dit blog.

Uit: Le retournement

“J’en ai pleuré. Je n’ai pas honte.
Il redevint grave, tira sur ta cigarette :
- Bolchevik, cela ne veut pas dire celui qui a la majorité, mais celui qui en veut toujours plus. De majorité et d’autre chose. Quand il atteint B, il vise C, et ainsi de suite. Les imbéciles nous accusent de changer de visage comme eux de chemise ; ils ne comprennent pas que notre visage, c’est précisément cela : le changement. Le bolchak, c’est la grand-route, et le bolchevik, c’est celui qui a enfilé la grand-route. On nous accuse d’opportunisme, c’est accuser le soleil de briller. Quand on avance, le paysage est bien forcé de changer. C’est pour cela que Lénine est le plus grand génie de tous les temps : c’est parce qu’en réalité il n’y a pas de léninisme. Marx est encapsulé dans le marxisme, Engels dans la dialectique ; ils peuvent être dépassés ; Lénine souffle où il veut. Il a écrit Etat et Révolutionn, mais il a aussi organisé la terreur, et il a aussi organisé la NEF. La vérité, c’est qu’il n’y a pas de vérité. C’est difficile à comprendre, c’est quelquefois amer à digérer, mais une fois qu’on a accepté, c’est magnifique. La vérité, c’est ce que je trouve dans mon journal d’aujourd’hui. Celui d’hier ment, toujours. Celui d’au­jourd’hui dit la vérité, toujours. C’est pour cela que la Pravda s’appelle la Pravda. La vérité est notre pain quotidien a nous autres bolcheviks, et de même que vous ne vous nourrissez pas des croûtons d’hier, nous refusons nous aussi le pain perdu de l’histoire. S’il n’y a pas de vérité, nous pouvons poser la nôtre. C’est exprès que je ne dis pas « la mienne ». Le moi existe peine, le nous se fait sentir, le nous, c’est déjà une majoration, c’est déjà un bolchevisme. On a eu tort d’ôter le flot bolchevik de l’étiquette du Parti : cela fait croire à certains que le bolchevisme est une forme de marxisme, alors que c’est le contraire.
« On ne peut devenir bolchevik qu’après avoir enrichi sa mémoire de tous les biens élaborés par l’humanité. » Lénine. La seule vérité, c’est l’addition. Pas ce qu’on ajoute, l’action d’ajouter. Quiconque se soustrait à l’histoire est soustrait de l’histoire. Parce que la seule vérité, c’est l’histoire, cette addition permanente. A chaque nouvel échelon gravi, on se trouve un peu plus grand. C’est cela, être bolchevik : c’est devenir plus grand.”

 2191101-db35a475f7d65d45ce33346762641095.jpg
Vladimir Volkoff (7 november 1932 – 14 september 2005)

 

 

Zie voor meer schrijvers van de 7e november ook mijn blog van 7 november 2017 en ook mijn blog van 7 november 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:12 Reageer op dit bericht

Nelleke Noordervliet, K. Schippers, Colson Whitehead, Michael Cunningham, Robert Musil, Bea Vianen, Bert Vanheste, Chris van Abkoude, Johannes Petrus Hasebroek

De Nederlandse schrijfster Nelleke Noordervliet werd op 6 november 1945 in Rotterdam geboren. Zie ook alle tags voor Nelleke Noordervliet op dit blog.

Uit: Aan het eind van de dag

“Vlagen natte sneeuw dweilen langs de ramen. De vlokken plakken even vast, zakken dan smeltend weg. Een lieve kleuterjuf had me ooit verteld dat dan de engelen huilden, maar dat idee werd er door mijn vader meteen uit geschamperd. Ha! Engelen! Toch zie ik de druppels nog steeds als tranen. We hebben ons goeie goed aan, ook al is eerste kerstdag bestemd voor de huiselijke kring en zullen we niemand zien. Papa draagt een wit overhemd met een donkerblauwe stropdas. Het zit iets te ruim om zijn tengere schouders en doordat het licht gesteven is, lijkt zijn bovenlijf een half opgeblazen ballon. Het wit vraagt aandacht in de deemstere kamer, waar uit spaarzaamheid geen licht mag worden ontstoken tot het echt gaat schemeren; mijn blikken glijden voortdurend naar de helle vlek die hij vormt naast de kachel, waar hij zijn sjekkies rookt met nerveuze geelbruin bevlekte vingertoppen, soms diep rochelt, zijn luchtpijp een mijnschacht, en ongeduldig fronsend de puzzel in de krant probeert op te lossen. Als medewerker van de krant mag hij niet meedoen, maar hij levert in onder valse naam. Nooit wint hij. De uitslag wordt door hem steeds luidkeels betwist.
De tweeling, in ouwelijke bordeauxrode wollen jurkjes met crèmekleurige kanten kraagjes, doet een doventaalspelletje dat ze hebben uitgevonden omdat papa hun eeuwige gekwetter niet verdraagt, en ze begeleiden hun gebaren met het uitstoten van gedempte geluiden, waardoor ze het gevaar lopen alsnog te worden afgeblaft, afhankelijk van de graad van ergernis die hij vandaag zal bereiken. Mama, elegant in een zwarte kokerrok en een roze blouse met volants waaroverheen haar zondagse schort met ruches langs de strikbanden de gelijkenis met een lampenkap compleet maakt, is in de keuken bezig met groentesoep, de enige soep die ze beheerst. Ze zingt een kerstliedje, hoor ik, 'Er is een roos ontsprongen'.
'Blijf je zingen? Dan kan de radio wel uit!' Mijn vaders stem is scherp als het mes waarmee ze prei snijdt. De radio heeft, naar de gids meldt, op dat moment 'religieuze negermuziek'. Abrupt zwijgt ze, zonder commentaar. 'Zet de radio dan maar uit,' zou ik hebben willen zeggen in haar plaats. Maar ja, dan is de boot aan.
Het huis is klein, we horen elkaar altijd; we horen ook de buren, soms allemaal tegelijk in verschillende geluidssoorten en sterkte. Hollende voetstappen van de kinderen Koek boven, harmonium en samenzang links bij de familie Groenendijk, het oefenen op de accordeon van roodharige Rini van Klaveren rechts, de nieuwsberichten op vol volume beneden bij opa Van As, die een Engelse schoondochter heeft, die Grace heet (Krees), net als Grace Kelly.”

 

 2190857-2cde592fe0bd4bfb09d533027b097101.jpg
Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 6 november 1945)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver, essayist en kunstcriticus K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter, werd geboren in Amsterdam op 6 november 1936. Zie ook alle tags voor K. Schippers op dit blog.

 

Naaste omgeving

Je verwijdert je op straat van
waar je niet naar kijkt. Het
liefst wil je iets zien dat
je zelf hebt uitgezocht of toch

iets bewaren van wat je nauw-
keurig omgeeft, zonder je om
te draaien. Een dakrand, een wolk,
wat je vanuit een ooghoek hebt

gezien. Je draait je om. Het
blauw zoekt de grijze hemel.
Het wacht op de jurk van het
meisje dat straks voorbij zal

gaan. De muur is klaar voor de
echo van je voetstap. Dit alles
blijft uit. Scherpte verlaat een
krom geslagen spijker. Dat wel.

Het veranderende omgeeft je zo
teruggetrokken, dat het je ontgaat,
er bijna niet is. Wat ga je doen
als je hier even weg bent.

 

 

Bloemen geuren

Elke bloem heeft een speciale
geur. De roos, tulp, margriet,

narcis, leeuwebekje, heide,
lelietje van dalen, klaproos,

anjer, madeliefjes krokussen,
de korenbloem. Niet allemaal

ruiken ze lekker. Bij voorbeeld
de anjer ruikt niet zo

lekker als de roos. De lelie
van dalen ruikt erg lekker.

Veel en veel lekkerder dan de
anjer. Dus ruik vooral niet

aan de anjer. Dit weten we
dan ook weer. Dag allemaal.

 

 

Repeteertekst

Zie de laatste zin.
Zie de eerste zin.

 

 2190857-74397367988cc71730f539b5b9b8c6bb.jpg
K. Schippers (Amsterdam, 6 november 1936)

 

 

De Amerikaanse schrijver Colson Whitehead werd geboren op 6 november 1969 en groeide op in Manhattan. Zie ook alle tags voor Colson Whitehead op dit blog.

Uit: The Underground Railroad

“Cora’s grandmother knew nothing about the ship’s fate. For the rest of her life she imagined her cousins worked for kind and generous masters up north, engaged in more forgiving trades than her own, weaving or spinning, nothing in the fields. In her stories, Isay and Sidoo and the rest somehow bought their way out of bondage and lived as free men and women in the City of Pennsylvania, a place she had overheard two white men discuss once. These fantasies gave Ajarry comfort when her burdens were such to splinter her into a thousand pieces.
The next time Cora’s grandmother was sold was after a month in the pest house on Sullivan’s Island, once the physicians certified her and the rest of the Nanny’s cargo clear of illness. Another busy day on the Exchange. A big auction always drew a colorful crowd. Traders and procurers from up and down the coast converged on Charleston, checking the merchandise’s eyes and joints and spines, wary of venereal distemper and other afflictions. Onlookers chewed fresh oysters and hot corn as the auctioneers shouted into the air. The slaves stood naked on the platform. There was a bidding war over a group of Ashanti studs, those Africans of renowned industry and musculature, and the foreman of a limestone quarry bought a bunch of pickaninnies in an astounding bargain. Cora’s grandmother saw a little boy among the gawkers eating rock candy and wondered what he was putting in his mouth.
Just before sunset an agent bought her for two hundred and twenty-­six dollars. She would have fetched more but for that season’s glut of young girls. His suit was made of the whitest cloth she had ever seen. Rings set with colored stone flashed on his fingers. When he pinched her breasts to see if she was in flower, the metal was cool on her skin. She was branded, not for the first or last time, and fettered to the rest of the day’s acquisitions. The coffle began their long march south that night, staggering behind the trader’s buggy. The Nanny by that time was en route back to Liverpool, full of sugar and tobacco. There were fewer screams belowdecks.
You would have thought Cora’s grandmother cursed, so many times was she sold and swapped and resold over the next few years. Her owners came to ruin with startling frequency. Her first master got swindled by a man who sold a device that cleaned cotton twice as fast as Whitney’s gin. The diagrams were convincing, but in the end Ajarry was another asset liquidated by order of the magistrate. She went for two hundred and eighteen dollars in a hasty exchange, a drop in price occasioned by the realities of the local market. Another owner expired from dropsy, whereupon his widow held an estate sale to fund a return to her native Europe, where it was clean. Ajarry spent three months as the property of a Welshman who eventually lost her, three other slaves, and two hogs in a game of whist. And so on.”

 

 2190857-72293dce9205d206e5b1e131cd85b012.jpg
Colson Whitehead (New York, 6 november 1969)

 

 

De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham is geboren in Cincinnati, Ohio op 6 november 1952. Zie ook alle tags voor Michael Cunningham op dit blog.

Uit: Specimen Days

"I don't need school. I have Walt's book."
"You know the whole thing, don't you?"
"Oh no. There's much more, it will take me years."
"You must be careful at the works," she said. "You must-" She stopped speaking, though her face didn't change. She continued offering her profile, which was as gravely beautiful as that of a woman on a coin. She continued looking out at the street below, waiting for the heavenly entourage to parade by with Simon up top, the pride of the family, a new prince of the dead.
Lucas said, "You must be careful, too."
"There's nothing for me to be careful about, my dear. For me it's just tomorrow and the next day."
She slipped the locket chain back over her head. The locket vanished into her dress. Lucas wanted to tell her-what? He wanted to tell her that he was inspired and vigilant and recklessly alone, that his body contained his unsteady heart and something else, something he felt but could not describe: porous and spiky, shifting with flecks of thought, with urge and memory; salted with brightness, flickerings of white and green and pale gold, like stars; something that loved stars because it was made of the same substance. He needed to tell her it was impossible, it was unbearable, to be so continually mistaken for a misshapen boy with a walleye and a pumpkin head and a habit of speaking in fits.
He said, "I celebrate myself, and what I assume you shall assume." It was not what he'd hoped to tell her.
She smiled. At least she wasn't angry with him. She said, "I should go now. Will you walk me home?"
"Yes," he said. "Yes."

 

 2190857-4dacce1e188f96364cce525718899dfc.jpg
Michael Cunningham (Cincinnati, 6 november 1952)

 

 

De Oostenrijkse schrijver Robert Musil werd geboren op 6 november 1880 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Robert Musil op dit blog.

Uit: Der Mann ohne Eigenschaften

“Die Straße, in der sich dieser kleine Unglücksfall ereignet hatte, war einer jener langen, gewundenen Verkehrsflüsse, die strahlenförmig am Kern der Stadt entspringen, die äußeren Bezirke durchziehn und in die Vorstädte münden. Sollte ihm das elegante Paar noch eine Weile weiter gefolgt sein, so würde es etwas gesehen haben, das ihm gewiß gefallen hätte. Das war ein teilweise noch erhalten gebliebener Garten aus dem achtzehnten oder gar aus dem siebzehnten Jahrhundert, und wenn man an seinem schmiedeeisernen Gitter vorbeikam, so erblickte man zwischen Bäumen, auf sorgfältig geschorenem Rasen etwas wie ein kurzflügeliges Schlößchen, ein Jagd- oder Liebesschlößchen vergangener Zeiten. Genau gesagt, seine Traggewölbe waren aus dem siebzehnten Jahrhundert, der Park und der Oberstock trugen das Ansehen des achtzehnten Jahrhunderts, die Fassade war im neunzehnten Jahrhundert erneuert und etwas verdorben worden, das Ganze hatte also einen etwas verwackelten Sinn, so wie übereinander photographierte Bilder; aber es war so, daß man unfehlbar stehen blieb und »Ah!« sagte. Und wenn das Weiße, Niedliche, Schöne seine Fenster geöffnet hatte, blickte man in die vornehme Stille der Bücherwände einer Gelehrtenwohnung.
Diese Wohnung und dieses Haus gehörten dem Mann ohne Eigenschaften.
Er stand hinter einem der Fenster, sah durch den zartgrünen Filter der Gartenluft auf die bräunliche Straße und zählte mit der Uhr seit zehn Minuten die Autos, die Wagen, die Trambahnen und die von der Entfernung ausgewaschenen Gesichter der Fußgänger, die das Netz des Blicks mit quirlender Eile füllten; er schätzte die Geschwindigkeiten, die Winkel, die lebendigen Kräfte vorüberbewegter Massen, die das Auge blitzschnell nach sich ziehen, festhalten, loslassen, die während einer Zeit, für die es kein Maß gibt, die Aufmerksamkeit zwingen, sich gegen sie zu stemmen, abzureißen, zum nächsten zu springen und sich diesem nachzuwerfen; kurz, er steckte, nachdem er eine Weile im Kopf gerechnet hatte, lachend die Uhr in die Tasche und stellte fest, daß er Unsinn getrieben habe. – Könnte man die Sprünge der Aufmerksamkeit messen, die Leistungen der Augenmuskeln, die Pendelbewegungen der Seele und alle die Anstrengungen, die ein Mensch vollbringen muß, um sich im Fluß einer Straße aufrecht zu halten, es käme vermutlich – so hatte er gedacht und spielend das Unmögliche zu berechnen versucht – eine Größe heraus, mit der verglichen die Kraft, die Atlas braucht, um die Welt zu stemmen, gering ist, und man könnte ermessen, welche ungeheure Leistung heute schon ein Mensch vollbringt, der gar nichts tut.
Denn der Mann ohne Eigenschaften war augenblicklich ein solcher Mensch.
Und einer der tut?
»Man kann zwei Schlüsse daraus ziehen« sagte er sich.”

 

 2190857-f519ff7090210418cf06d993f91e50c3.jpg
Robert Musil (6 november 1880 – 15 april 1942)
Cover

 

 

De Surinaamse dichteres en schrijfster Bea Vianen werd geboren in Paramaribo op 6 november 1935. Zie ook alle tags voor Bea Vianen op dit blog.

Uit: Het paradijs van Oranje

“Wanneer Sirdjal zich 's ochtends voor de spiegel stond te scheren, zijn tanden poetste, of op het toilet zat, ging hem in gedachten een reeks van gebeurtenissen voorbij, die hem bracht op een vraagstuk dat hem heel erg interesseerde.
Nu, net uit bed, gezeten op het toilet, herinnerde hij zich het gisteravond door de nos gebrachte televisieprogramma over het vaderland. Hij keek zelden naar de televisie - hij had meer belangstelling voor de dingen die hij zelf maakte, de dingen die hij moest afmaken. Bovendien had hij een toestel dat steeds méér kuren kreeg en steeds weer andere afstellingstechnieken van hem eiste. Het was een rot oud kreng, hem aangesmeerd door een zekere firma Brandtjes, in één van die Amsterdamse buurten waar je denkt goedkoper af te zijn dan ergens anders. Hij had er honderdvijftig gulden voor uitgegeven en dat juist in een tijd dat hij nauwelijks geld had om zich in leven te houden. Hij had het in twee termijnen betaald en wat graag, omdat hij toen zo'n enorme behoefte had aan verstrooiing, maar hij was belazerd, men had misbruik gemaakt van zijn technische onkunde.
Klagen was volkomen zinloos - hij moest het ding gewoon wég doen, in het holst van de nacht op straat zetten voor een voddenman, een student, of een knutselend type. Dat hij het nog altijd niet gedaan had, kwam doordat zijn vader hem had ingehamerd nooit iets weg te doen als hij verder wilde komen in de maatschappij. Goed, hij was erin gestonken, zoiets kon je gebeuren. Het toestel kon altijd nog gebruikt worden als een soort bijzettafeltje, voor een paar boeken, een asbak, een pakje sigaretten, een schaartje. Hij had fantasie genoeg en op een avond ging hij zelfs zo ver zijn miskoop te beschouwen als een zeer geslaagde stommiteit. Er was toen een uitzending van ‘Kort Geding’ over de onafhankelijkheid van het vaderland. Vertegenwoordigers van de twee grootste Surinaamse bevolkingsgroepen, de Hindoe-stanen en de creolen, redetwistten met elkaar. Hoewel hij wist dat er weer om de dingen heen gepraat zou worden, was Sirdjal een en al oor. Als een waanzinnige had hij aan het toestel zitten morrelen om vooral Mohan M. niet te kort te doen. Hij was zelfs voornemens geweest hem een brief te schrijven in de trant van:
‘Beste, brave Mohan, je haar zat weer voortreffelijk. Prima, schitterende coupe. Twee ravenzwarte, naar voren toe soepel over elkaar heen geslagen bloembladen à la Raj Kapoor, uit de film Paigam, de Grote Boodschap aan de verdrukte, vertrapte Indiase onderlaag, de chamars.”

 

 2190857-0206f33214f28f1af734ecbbdf83ab13.jpg
Bea Vianen (Paramaribo, 6 november 1935)

 

 

De Vlaamse literatuurwetenschapper en auteur Gilbert (Bert) Vanheste werd geboren in Pervijze op 6 november 1937. Zie ook alle tags voor Bert Vanheste op dit blog.

Uit:Van Kerststal tot kristal. Lucebert verwoordt de verwording

“In Luceberts ‘voorjaar’ lijkt in het begin nog de kinderlijke naoorlogse ‘Cobra’-hoop door te klinken (‘kinderen zingen in de klassen’); in de laatste strofe kunnen we de vernietigende kracht van de atoombom beluisteren (‘verwoed de woede koelt de woede/de mensen verwelken en smelten als toevallige vlokken’). Lijkt, schreef ik spontaan, nu bewust. Het lezen van literatuur als antwoord van de schrijver ook op de maatschappelijke realiteit, maakt de interpretatie niet zonder meer objectiever. Ik kom immers niet verder dan een visie op de Nederlandse samenleving in Luceberts tijd, een selectie van feiten die ik - vanzelfsprekend met de hulp van historici - samenhang en structuur probeer te geven. Maar zelfs als het mogelijk zou zijn een wetenschappelijk verantwoord beeld van de tweede helft van de jaren veertig en van Luceberts positie daarin te verkrijgen, dan nog is het gevaar groot - zoals menige lezer na het voorafgaande al bedacht zal hebben - dat Luceberts woorden te snel en te rechtstreeks gezien worden als lelies door hem opgedregd uit een wereld van ‘slaapwandelaars in een koud circus’.
Om die reden leg ik hierna de lat aanmerkelijk lager. Ik probeer ‘het vlees is woord geworden’ niet te verklaren als antwoord op december 1948, ik streef er slechts naar het gedicht te lezen met in mijn achterhoofd mijn kennis van die naoorlogse tijdgeestwendemaand. Ik vereenzelvig mij met de dichter die volgens hemzelf de werkelijkheid met open fontanel tegemoet treedt: ‘als babies zijn de dichters niet genezen/van een eenzaam zoekend achterhoofd’. Ik ga na of een (mede) literatuursociologische lezing bijdraagt aan een beter inzicht in het gedicht, of een zesde interpretatie iets toevoegt aan de vijf vorige. Als Oegema's Parmentier-essay iets duidelijk heeft gemaakt, is het wel dat de vijf interpretaties licht werpen op het gedicht, maar dat ‘“het vlees is woord geworden” (...) een raadselachtige tekst (blijft), waar het laatste woord nog niet over is gezegd’”.

 

 2190857-630cb5505efb159c438ae8ef5321948c.jpg
Bert Vanheste (6 november 1937 – 23 februari 2007)
Lucebert

 

 

De Nederlandse schrijver Christiaan Frederik (Chris) van Abkoude werd geboren in Rotterdam op 6 november 1880. Zie ook alle tags voor Chris van Abkoude op dit blog.

Uit: Hollandsche jongens

“Het had des nachts weer flink gevoren. Sneeuw lag er weinig of niet, en dat was voor een dag als heden een meevallertje, want worden niet dikwijls de prachtigste ijsbanen door één enkele sneeuwbui bedorven? En al de banen op den Plas bij den theetuin wàren prachtig! Als je er naar keek voelde je dadelijk den lust opkomen om er eens een toertje te maken! En de afsluitboomen, touwen en hekken, waarboven een ontelb're massa vlaggen en vlaggetjes vroolijk in 't frissche morgenkoeltje wapperden, vertelden al, dat de banen vandaag een bijzonder schouwspel te zien zouden geven: een wedstrijd op schaatsen voor jongens!
Om half negen brak het zonnetje door de morgennevelen, en verlichtte de wit-bevroren velden en wegen met een gouden glans. De ijskristalletjes schitterden als vurige diamantjes in het heldere morgenlicht, de mistige dampen trokken op en alles blonk helder-blank in den schoonen wintermorgen.
Zooals gezegd is, de banen zagen er feestelijk uit! Het waren er twéé, door palen en touwen van elkander gescheiden. Iedere baan was juist 250 Meter lang, en zorgvuldig aan weerskanten afgesloten.
In den tuin van het koffiehuis liepen de knechts van den eigenaar met vlaggen en stokken te sjouwen; hier timmerde er een aan den ingang een wapentrofee, ginds werden vlaggetjes aan de hekken gespijkerd, en aan een zijdeur werd een bordje getimmerd, waarop met zwarte letters te lezen stond:
INGANG VOOR DE RIJDERS
WACHTKAMER
Op een tafeltje lagen roode en witte seinvlaggetjes voor de baancontroleurs, die moesten zorgen, dat geen der mededingers zich aan oneerlijkheid schuldig maakte, b.v. door onder de touwen door te kruipen voor het eindpunt, enz. - Het zwakke Oostenwindje deed de vlaggen lustig wapperen, en het scheen wel, alsof er een bijzonder groot feest op handen was.”

 

 2190857-8b6d2b7869fb8e9319bc85dfbd3bc2ff.jpg
Chris van Abkoude (6 november 1880 – 2 januari 1960)

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter en predikant Johannes Petrus Hasebroek werd geboren in Leiden op 6 november 1812. Zie ook alle tags voor Johannes Petrus Hasebroek op dit blog.

 

Aan een jongen vriend, op zijn vijftienden verjaardag.

Verheug u, Jongeling! ten dage van uw jeugd!
Geen ouderlijk gemoed wraakt argelooze vreugd.
Ja, gulle scherts kan vaak den geest weldadig wetten,
Gelijk de Lentewind het jonge gras verfrischt.
Maar wen u te gelijk op d' uitgang streng te letten
Van 't hart dat, onbewaakt, zich zelf zoo ligt vergist.
't Hart, o mijn jonge Vriend! dan vroeg gekeerd naar Boven!
Men zoekt zijn Heiland nooit óf te ijvrig óf te vroeg.
Van dat uw moeder u naar 't heilig doopbad droeg
Ontfingt gy stof en wenk, om biddend Hem te loven.
Wees vrolijk, jongeling! ten dage van uw jeugd.
Maar meng' zich de ernst dier vraag, beslissend voor het leven:
‘Wien hoor ik? wie alleen kan my behoudnis geven?’
By de u van gantscher ziel gegunde levensvreugd.

 

 

In eenen bijbel

By 't openslaan van 't Boek der boeken
Gedenk, o Christen! dag aan dag,
Dat wie dat Woord wil onderzoeken,
Geen eigen licht vertrouwen mag.
Geen menschenwijsheid zou hier baten,
Geen vlijtige arbeid hier volstaan;
Alle eigenwijsheid dient verlaten -
Een ander oog moet opengaan.
Voor dat ge u dan begeeft tot lezen,
Val, Christen! val uw God te voet!
En dat een heilig, heilzaam vreezen
Zich meester maak' van uw gemoed!
Vraag, eer gy verder gaat, een zegen!
Vraag oogen, ooren, en een hart!
En - Jesus zelve kome u tegen
In dit Zijn woord by vreugd en smart

 

 2190857-46d38d19fd427783725f7aee54e187e4.jpg
Johannes Petrus Hasebroek (6 november 1812 – 29 maart 1896)
Borstbeeld door Johan Keller, 1893

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e november ook mijn blog van 6 november 2017 en ook mijn blog van 6 november 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:19 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten