Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 26 december 2018 tot 27 december 2018

Bernard Wesseling, Édouard Nabe, Wendy Coakley-Thompson, Louis de Bourbon, Mariella Mehr, Markus Werner, Malin Schwerdtfeger, Louis Bromfield, Carl Zuckmayer

De Nederlandse dichter en schrijver Bernard Wesseling werd geboren in Amsterdam op 27 december 1978. Zie ook alle tags voor Bernard Wesseling op dit blog.

Uit: Gezelschapsjongen

“Ik betrapte haar op de uitvaart. Na veel vijven en zessen was ik toch gekomen. `Om de grond aan te stampen,' had ik tegen de taxichauffeur, een prater, gezegd. Bij een rotonde aan de rand van de stad was ik uitgestapt. Begonnen de laan uit te wandelen die leidde naar de begraafplaats. Veel te laat, maar zonder haast. Toen viel zij me op, onder een van de platanen stond ze, ertegenaan gedrukt, omgeven door schaduw. Ze was bezig door de split van haar jurk een geblindeerd been omhoog te brengen en krabde haar enkel door de panty. Ik geef toe, het gebaar dreigde even mijn medelijden te wekken.
De parasiet had schoonheid. Net als de rest van haar soort, zei ik bij mezelf. Nee, van een cultus was ze — de cultus van de huisvredebreuk. Vrouwen met onheilige dagboeken die bij het openslaan in vlammen zouden uitbarsten. Monddood, maar springlevend in testamenten. Achter de valse sluier die ze droeg, wist ik nu zeker dat haar mondhoek ironie spelde.
Ik had de drang om haar aanwezigheid vast te leggen als bewijslast. Wettelijk gezien was ze niet in overtreding. Een chantagemiddel dan misschien of beter: aan de digitale schandpaal met haar. Ik verborg me achter een heg vol kwetterende mussen. Fouilleerde mezelf, vond mijn telefoon, maakte een kijkgat tussen de bladeren. Sloot het scherm over haar persoon, als een net. Terwijl verderop de stoet zo'n beetje richting aula begon uit te waaieren (waartussen ook mijn moeder, geflankeerd door twee dragers), duwde ze zich van de boombast af. Geboren op hakken, liep ze zonder moeite over het grind. Wat evenmin verboden was: haar nu te schaduwen, te kijken waar ze ons heen zou leiden. Daarom besloot ik mezelf van andere verplichtingen te ontslaan. Dat was nog niet eerder vertoond. Ik was vooral braaf geweest. Na de middelbare school had ik kunstgeschiedenis gedaan, was afgestudeerd op oosterse kalligrafie, ik verzin het niet (mijn verwekker, de Grote Etymoloog, had zich nog laten ontvallen of ik niet liever wat `waardevaste kennis' wilde opdoen), en voor ik er erg in had stond ik voor een collegezaal. Jongste docent van de universiteit. Van mijn eenendertigste tot mijn zesendertigste — voorbij in een vloek en een zucht.
Volgens de statuten was het lente. Ik smoorde in een zwart overhemd, de stropdas had ik in mijn zak gestoken. Ik bleef haar met gemak bij, verkoos het hoogpolige gras, verschanste me om de andere boom, al schuurden de broekspijpen van mijn pantalon bij het kruis zodat ik een bijna fluitend geluid voortbracht, en gedwongen was zo'n twintig meter afstand te houden. Ik volgde haar de laan uit, terwijl ze de zindering in liep aan het eind van de weg. Even stonden we stil nog — zij als alert wild, dat ergens van ophoort — alsof we overwogen toch een scène te maken, onze motieven onderzochten, ons verbeten en de kloof tussen doen en laten groeide, of om te luisteren naar een verdacht geluid, naar het koningsdrama van mijn ademhaling, waarna we verder liepen, merkbaar sneller.
Na laan, rotonde en twee straten met huizenrijen ontglipte ze me door een banketbakker binnen te stappen.”

 

 2203540-98561bfdd9469ea038a969ed79fc00dc.jpg
Bernard Wesseling (Amsterdam, 27 december 1978)

 

 

De Franse dichter, schrijver, schilder en musicus Marc-Édouard Nabe (eig. Alain Zannini) werd geboren in Marseille op 27 december 1958. Zie ook alle tags voor Marc-Edouard Nabe op dit blog.

Uit:Morceaux choisis

« Je n’en suis pas, mais j’y étais ! À la grande parade des tantes, à la sarabande des goudous, à la bamboula des pédales ! Plus aucun mot n’est péjoratif, aujourd’hui c’est « homosexuel » qui blesse les sensibilités. Quand votre femme vous fait la gueule, rien de tel qu’un bon bain d’homosexualité ! Dès Jussieu, je me suis laissé pénétrer par la longue chenille bavante et bariolée. C’est fou ce qu’un hétéro ne passe pas inaperçu. Les gays ont bien compris la différence. Eux, ils aiment les femmes, moi j’en ai besoin…
Les chars, ce sont de lourds camions turbo 2300. Chacun fait la pub d’une discothèque ou d’un bar homo. Par dizaines dessus, ils se trémoussent tous sous une techno de tous les diables. D’ailleurs, en voici un : Mephisto antillais, torse nu, aux ailes rouges, avec une fourche et de petites cornes, il fait lascif : il se croit en enfer. L’enfer, c’est pas ça. La Gay Pride ? C’est la boîte de nuit en plein jour. Boum ! Boum ! Boum ! Danser, c’est parfait pour ne pas penser.
Non, p. 239 – 24/06/96
…………………..

Balancer un à un les numéros de son Journal d’un écrivain n’a pas empêché Dostoïevski d’écrire Les Frères Karamazov ! Il s’agit de dire non pas ce qu’on a à dire (tout le monde s’en fout), mais ce qu’il fallait dire. Devant chaque événement, il n’y a pas trente-six choses à dire comme essaie de vous le faire croire le journalisme pluraliste, il n’y en a qu’une, et toutes les formes sont à la disposition de celui qui veut bien s’en charger.
Non, p. 247 – 02/97 »

 

 2203540-c822413375befb2d515b0e6b3c8b7dc1.jpeg
Marc-Édouard Nabe (Marseille, 27 december 1958)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Wendy Coakley-Thompson werd geboren op 27 december 1966 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Wendy Coakley-Thompson op dit blog.

Uit: What You Won’t Do for Love

“He sighed. “Chaney, I’m tired, and my head hurts,” he said. “I don’t have time for the sugar coating. I like you. We have a lot in common. Even my dad likes you. But this age thing with you is like pushing a rock up a hill.”
“So, I’m the one with the problem… again.”
He shrugged. “Well, yeah.”
This was too much. She had to get away, think this through like the level-headed older woman that she was. “I’ve said my piece,” she announced. “I’m going home.”
He threw up his hands. “Wha…?”
She headed towards the stairs like a caged bird. “I’m going home.”
He was behind her like a shot. “Wait!” he commanded.
She turned around to face him, her face practically in his chest. “What?!”
He took her hand in his. She looked down and saw the cuts and bruises on his knuckles. “Wait,” he pleaded.
She looked up into that face was mere inches from hers. Her heart squeezed in her chest. He wrapped his arms around her and held her close. A contented sigh rumbled from his chest to hers. He felt so good, so hard, so close. Slowly, she relaxed into him, opening the fists she’d made and pressing her hands against his broad back. Let it go, girl…”

 

 2203540-312e6885b311bec3ef9fc0a4e816e87f.jpg
Wendy Coakley-Thompson (New York, 27 december 1966)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Louis de Bourbon werd geboren in Renkum op 27 december 1908. Zie ook alle tags voor Louis de Bourbon op dit blog.

Uit: Twaalf maal Azië (De man met den hoed)

“Tijd van groote ontroeringen, de jeugd! Waar ging ik heen en waar kwam ik vandaan, met dien trein, waarin ik hem voor het eerst ontmoette?
Ik had een week gelogeerd in het noorden des lands, bij een vriend, op een vorstelijk buiten met gazons en een vijver en bosschen. In die gastvrije woning had ik de eerste schuchtere en onschuldige jeugdliefde beleefd, die mijn gansche wezen vervulde. Mijn hart zong en mijn hart weende, in één rythme met het treurige zingen der wielen. Ik keerde terug naar de kostschool, die in mijn herinnering ligt als een oase, de groote, koele, grazige vlakte, omgeven door de gevaarlijke bergen van het leven, die ik spoedig beklimmen zou. Drie maanden scheidden mij van het groote examen, dat de drempel zou zijn naar een nieuw leven, waarnaar ik verlangde en waarvoor ik vreesde. Met den weemoed om het afscheid van mijn vriend en zijn zuster vermengde zich reeds de weemoed om het afscheid van mijn jeugd, van dat tehuis der groote en vrome ontroeringen. Van deze gevoelens vervuld zat ik in den hoek van mijn coupé en staarde droefgeestig naar de wegglijdende landschappen. Dan nam ik uit mijn binnenzak het boekje met moeilijke Latijnsche woorden, waarvan ik mij te pas en te onpas bediende. Altijd en overal droeg ik het bij mij. Zelfs tijdens de wekelijksche oefeningen, die ik bijwoonde als vrijwilliger bij den Kaderlandstorm lag het geborgen in mijn broodzak! En als ik de wacht had betrokken in de hoofdweerstandsstrook en mijn posten had uitgezet of als de ransels waren afgehangen en rust langs den weg werd gehouden, als ik wachtte op mijn beurt bij het schijfschieten, dan kwam het onoogelijke grijze boekje te voorschijn, en begon ik de reeksen opnieuw te lezen, voor de tiende, twintigste, honderdste maal. Al lang kende ik al de woorden van buiten, maar het gaf mij een zedelijke kracht, het verhoogde mijn zelfvertrouwen, het was mij een troost en een voldoening van eerzucht in dien schuchteren tastenden tijd, dat het jongen-zijn verleden en het man-zijn nog toekomst is, het telkens weer vast te stellen, dat niet één enkel woordje mijn geheugen ontgleden was.
Aan het vijfde rijtje was ik bezig, toen hij binnentrad. En opeens was het leven in de coupé veranderd. Het oudere heertje, dat tot dan toe had zitten sluimeren in de lentezon, het meisje, opgesmukt en frivool, dat verdiept was geweest in een goedkoop romannetje, de oudere dame, die recht voor zich uit staarde en naar niemand keek, ikzelf, wij allen schoten in een andere houding. Het was of wij uit een droom werden opgewekt, waarin wij, ieder voor zich, waren gedompeld geweest, om nu, onder zijn leiding, een gemeenschappelijk leven te beginnen, alsof een gemeenzaam doel, een gemeenzame geestdrift ons bezielden. Zijn binnenkomen was als een alarm, als een verkwikkende zeewind, als een meesleepend volkslied, opwindend en verleidelijk. Hij was een berg. Een demi-saison hing los en breed om zijn geweldige lichaam en wij allen keken recht omhoog, toen hij daar eensklaps tusschen ons stond, midden in de coupé, het hoofd boven het bagagenet uit.”

 

 2203540-995c166889b8de449e7ebcbc9d17d32b.jpg
Louis de Bourbon (27 december 1908 – 8 januari 1975)
Illustratie uit “Twaalf maal Azië”

 

 

De Zwitserse dichteres en schrijfster Mariella Mehr werd geboren op 27 december 1947 in Zürich. Zie ook alle tags voor Mariella Mehr op dit blog.

Uit: Widerworte

„Das war es doch immer. Die Suche nach einem verlorenen Land. Die Liebe. Diese verschissene Jugend, immer ausgenützt, verraten, bestochen, verloren. Lügen, Sadismus, das hämische Lachen der Stärkeren. Liebe, unnützer Zeitvertreib, schlecht genug, Heimkinder zu ernähren. Tagsüber war man hart, zerstümmelte in massloser Wut das wenig Menschliche. Nachts dann, wie Embryos zusammengerollt, in fremden Tüchern vollzog sich eine andere Welt. Schlafsäle, alles Embryosüchtige in den Betten. Blaues Nachtlicht (Auge des Gerechten, richtend), jeder Atemzug eine kargbemessene Zärtlichkeit an den fremden Embryo nebenan. Nacht; das waren tastende Hände in der Dunkelheit, Nachtfaltergedanken, in eine unmenschliche Leere hinausgeträumte Sehnsüchte, schreiende Kindergebete, Eis, Eisberge, Bewusstlosigkeit. Nacht; das war grosses Niemandsland der Kinder. Auch wir waren liebenswert. Doch wir wollten nicht leben. Nacht, das war auch die Metallstimme der Wächterin. Zitternd warteten wir auf den Ruf, und alle Embryos krochen in ihre eigenen Fremdbetten zurück. Es gab nur Einzelkinder – wir waren keine Familie! Die Nächte in diesen Räumen, diese verfluchten Nächte der Überflüssigen. Luzern 1950. Kinderheim am Waldrand. Hauseigener Park, Hühnerhof, Schwestern vom Seraphischen Liebeswerk. Die Treppe vor dem Haus, ein Kindermatterhorn, riesig in der Erinnerung, unüberwindbar. Nicht hinuntersteigen auf die Strasse der Menschen, wo es Kinder gab und Spielbälle, Eltern und starke Jungen. Nicht hinuntersteigen, Gefahr am untersten Treppenabsatz. Dort stand eine Frau, die ein hübsches Kind wollte.“

 

 2203540-11b883a99eda800d9a38ede0efee1dfd.jpg
Mariella Mehr (Zürich, 27 december 1947)

 

 

De Zwitserse schrijver Markus Werner werd geboren op 27 december 1944 in Eschlikon (Kanton Thurgau). Zie ook alle tags voor Markus Werner op dit blog.

Uit: Der ägyptische Heinrich

„Nach Tell-el-Kebir erreichten wir bald die östliche Flanke des Deltas, linkerhand der Straße erstreckte sich fruchtbar das biblische Land Gosen und rechterhand ein kilometerlanger und rauchender Müllgürtel, in dem zerlumpte Menschen nach Nützlichem wühlten und der die Provinzhauptstadt Zagazig ankündigte, wo Heinrich, bevor er Postdirektor von Ismailiya wurde, zuletzt noch gewohnt hatte und wo Catherine mit Georg, dem jüngsten der drei Söhne, niederkam. Trotzdem stieg ich, schockiert von Zagazigs Häßlichkeit, nicht aus. Ich hätte es getan und Georgs Enkel von Zagazig aus eine Karte geschickt, wenn mir die Existenz dieses Enkels damals schon bekannt gewesen wäre. Aber man hatte mir auf dem Zivilstandsamt Zürich nur die Namen und Lebensdaten von Heinrichs und Catherines Söhnen ausgehändigt, nicht aber die Namen und Daten von deren Nachkommen, da diese in blutsverwandtschaftlicher Hinsicht nur einen sogenannten Seitenzweig bildeten. Um an den Seitenzweig heranzukommen, bedurfte es einer Bewilligung der Direktion des Innern, und die letztere hatte mir auf mein sofortiges und diesbezügliches Gesuch hin noch ein geeignetes Identifikationspapier abverlangt und mir orientierungshalber mitgeteilt, daß die Gebühr fünfzig Franken betrage und die Bewilligung zur Einsichtnahme in den Seitenzweig nur soweit erteilt werden könne, als es sich nicht um lebende Personen handelt. — Hätte mich die Bewilligung noch vor meiner Abreise nach Kairo erreicht, so hätte ich mir und der Schweizer Botschaft die Suche nach möglichen Bluntschlis in Ägypten ersparen können, und hätte das Zivilstandsamt, das mir nach meiner Heimkehr die benötigten Auszüge aus dem Familienregister ausgefertigt hat, darin versehentlich nicht auch eine lebende Person aufgeführt, so würde ich bis heute glauben, daß Heinrichs Geschlecht im Mannesstamm erloschen sei. — Georg, der Frühverstorbene, hat ja, wie schon einmal berichtet, fünf Kinder hinterlassen, die seine französische Frau dann von Kairo nach Zürich ins Waisenhaus brachte, und eines davon, das jüngste mit Namen Jean Baptiste, ist später Konditor geworden und hat einen Sohn gezeugt, bei dem es sich um die lebende Person handelt, die man mir hatte vorenthalten wollen und die ich in Ägypten nicht hätte finden können, da sie in Zürich wohnt, wo wir inzwischen ein Glas getrunken haben im Gedenken an den gemeinsamen Ahnen. Keine Karte also aus Zagazig an meinen Verwandten und Weiterfahrt Richtung Tanta im Herzen des Deltas, links und rechts grüne Felder, topfeben alles, monoton und ohne den erhofften Reiz. Bei Mit-Ghamr Überquerung des Damietta-Nilarms und eine halbe Stunde danach Einfahrt und kurze Pause in Tanta, von dem mir nur ein einziges Bild geblieben ist.“

 

 2203540-f41c2c9a6f49cb5929a8b39462926fdd.jpg
Markus Werner (27 december 1944 – 3 juli 2016)
Cover

 

 

De Duitse schrijfster Malin Schwerdtfeger werd geboren op 27 december 1972 in Bremen. Zie ook mijn blog van 27 december 2008. Zie ook alle tags voor Malin Schwerdtfeger op dit blog.

Uit: Asiatische Massage

„Ich widmete den Schnitt in meinem Kinn dem asiatischen Mädchen, das mich so früh am Morgen verlassen hatte. An ihrem nassen T-Shirt, das mir um den Hals hing, wischte ich den Rasierer ab. Ein riesiges Comic-T-Shirt hatte ich am Hals, dank Benno, der mir ein ungewöhnlich großes und fettes asiatisches Mädchen ausgesucht hatte, ein Mädchen mit Tschuktschenwangen, mit Schenkeln, so fett wie Robbenleiber, eine Kamtschatkaschönheit, ein Eskimomädchen mit Öl in den Augen und Tran im Blut und mit einem einsilbigen Namen. Langsam, laut und gründlich war sie gewesen, und als eine Meisterin des Daliegens hatte Benno sie mir angekündigt. Der gelbe Talg des Mädchens bedeckte mich noch immer, und auf dem Laken ließ er sich zu kleinen gelben Spindeln reiben.
Erst hatte Aga dort gelegen, in dem neuen weißen Bett, als es noch sauber gewesen war, und ich hatte viel vorgehabt mit Aga, hatte sie einwickeln wollen in dieses Laken, hatte sie wie einen Sack Muscheln herumtragen und ihr alles zeigen wollen, das neue Telefon, das neue Sofa, das frisch gestimmte Klavier und die vielen Siebe in der Küche. Aber als Aga gegangen war in der Nacht, hatte sie es noch eiliger gehabt als das asiatische Mädchen am Morgen.
Ich hatte auf Aga gewartet, erst ein Jahr, dann einen Tag. Den Tag, an dem Aga wiederkommen sollte, hatte ich als ein Punkt auf den klebrigen Wabenkoordinaten der Wartefalle von Tegel verbracht, den ganzen Tag, Aga hatte mir ihre Ankunftszeit nicht verraten wollen, und ihre Mutter ging seit einer Woche nicht ans Telefon. Ich wusste nicht einmal, mit welcher Fluggesellschaft Aga flog, wo sie hatte umsteigen müssen, ich konnte nur darauf warten, dass mein Mädchen endlich wiederkäme aus Amerika. Den ganzen Tag lang ließ ich blauschwarze Menschenwolken über mich hinwegrasen, und als am Abend endlich Aga vor mich hingehagelt wurde, kam ihre Mutter und schnappte sie mir weg.
"Nichts mit dir zu tun", sagte Agas Mutter, als sie den Arm um Aga legte, "Aga muss sich jetzt ausruhen."
Mein Telefon klingelte, und Benno fragte: "Hast du sie?", denn Benno wartete vor der Ankunftshalle darauf, mich und Aga nach Hause zu fahren, und ich musste nein sagen, obwohl Aga ja vor mir stand, fremd, glatt, braun an Armen und Beinen zwar, aber doch Aga. Ich musste nein sagen, obwohl ich das Gesicht unter dieser Institution eines Scheitels hätte anfassen können.“

 

 2203540-6b552076522a5d7c24bac7f7701dabb9.jpg
Malin Schwerdtfeger (Bremen, 27 december 1972)

 

 

De Amerikaanse schrijver Louis Bromfield werd geboren op 27. Dezember 1896 in Mansfield, Ohio. Zie ook alle tags voor Louis Bromfield op dit blog.

Uit: The Rains Came

“Even the jackals and the vultures had to be out early to fall upon the dead, upon man and donkey, sacred cow and pariah dog alike, if they were to survive. If you rose early in the morning to ride out of the city into the open country you would see here and there, over the whole brown plain, small writhing quarreling black masses of life devouring the dead. They were vultures. If you set out even half an hour later they would be gone and in their places you would find only little piles of white bones picked clean, all that was left of a cow or a donkey or sometimes of a man.
Beyond the maze of his lazy thought he listened to John the Baptist's simple melody. It was an improvisation which went on endlessly, and to Ransome's Western ear it was always the same. So far as he could discover it was the sole means of release for John's soul the music and the arranging of the marigolds and the blue lilies which were all that was left of the garden so late in the year. John had no girl, or if he had one he saw her in secret dubious ways. His whole life was his master's life his master's tea when he wakened, his master's breakfast, luncheon and dinner, his master's shirts and socks, his jodhpurs and his shorts, his brandy and his cigars. He was a Christian boy, a Catholic from Pondicherry who spoke French more easily than Hindustani or the Gujerati native to Ranchipur a curious French which, softened and rounded by his tongue, he made somehow into an Indian language, unfitting it for use in salons, dressmaking establishments and diplomacy. His proper name was Jean Batiste, but to Ransome he was always John the Baptist* The Prophet, he sometimes thought, with his skinny body nourished on wild locusts and honey, must have looked like this skinny miniature servant.”

 

 2203540-1ef126be7747d7cf96765e6d5a982cd5.jpg
Louis Bromfield (27 december 1896 – 18 maart 1956)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Carl Zuckmayer werd op 27 december 1896 geboren in Nackenheim am Rhein. Zie ook alle tags voor Carl Zuckmayer op dit blog.

Uit: Des Teufels General

„Reserviertes Zimmer in OTTOS Restaurant. Solide ›altdeutsche‹ Einrichtung. In der Mitte ein festlich gedeckter Büfetttisch, zur Selbstbedienung für etwa fünfzehn Personen. Im Hintergrund, durch geraffte Portieren halb verdeckt, eine ›gemütliche‹ Ecke, mit Rauchtischchen, Klubsesseln, Likör- und Zigarrenservice. Wenn der Vorhang aufgeht, brennt noch die volle elektrische Deckenbeleuchtung, aber FRANÇOIS und HERR DETLEV, die an die Tischdekoration letzte Hand anlegen, Flaschen entkorken und Aperitifgläser füllen, beginnen eine Menge großer Kerzen in silbernen Tisch- und Wandleuchtern anzuzünden und drehen später das grelle Hauptlicht ab. Alle Fenster sind mit dicken schwarzen Vorhängen verhüllt. Ein Ventilator summt leise.
DETLEV Wie spät?
FRANÇOIS Minuit moins le quart.
DETLEV Wird ne lange Nacht geben.
FRANÇOIS Ça y est. Dicke Marie, pour nous.
DETLEV Wenn Harras mal wieder richtig auffahren lässt – Mensch – das ist noch alte Schule. Da bleibt kein Auge trocken.
FRANÇOIS Que fais-tu donc? Pas de Porto, pour Harras. Il va commencer avec un Armagnac. Double. Donne-moi le grand verre.
DETLEV Woher weißt du, Sibylle?
FRANÇOIS Je le connais. Il vient de la Reichskanzlei – d'une réception officielle d'Etat. Alors – il lui faut plus fort que du Porto. C'est logique. N'est-ce pas?
DETLEV Stimmt wie ne Bassgeige. Wenn er seinem Führer ins Auge geschaut hat, dann braucht er ne innere Spülung.
FRANÇOIS (mit einem Blick über die kalten Platten) Dieu merci, que nous avons des pays occupés. C'est le confort du patron. On ne mange que des fruits... les fruits de la victoire. Voilà: Les hors-d'œuvres – de Norvège. Le homard – d'Ostende. Le gibier – de Pologne. Le fromage – de Hollande. Le beurre – du Danemark. Et les légumes – d'Italie. Pas de caviar – de Moscou... “

 

 2203540-16d483ae14a06f72a6d3fd1d40488742.jpg
Carl Zuckmayer (27 december 1896 – 18 januari 1977)
Scene uit een opvoering in Kiel, 2008

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e december ook mijn blog van 27 december 2017 en ook mijn blog van 27 december 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 20:36 Reageer op dit bericht

Troostlied voor wie met Kerst alleen is (Willem Wilmink)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 

 

 2203291-0a2c4a07706bda31d9f5572b043a59f1.jpg
Kerstmis door Nemakin Aleksandr, 2010

 

 

Troostlied voor wie met Kerst alleen is

Wees niet zo bang voor kerst.
Het zijn twee dagen,
dat is niet meer dan achtenveertig uur.
En uren, het ene vlug, het andere trager,
uren vervliegen op den duur.

Raak niet verloren in herinneringen,
wees toch een beetje wijzer deze keer.
Zing maar 'Stille nacht' als je kunt zingen,
want stil zal het zijn, die nachten. Zeer.

Zing in jezelf: 'De witte vlokken zweven.'
Terwijl de regen langs de pannen ruist.
Het kind is niet in Bethlehem gebleven:
Het is naar Golgotha verhuisd.

Gedenk de dieren op de schalen en borden,
die zitten meer dan jij in de puree.
Eten is beter dan gegeten worden
ook in de glans van Lucas 2.

Zeg 'nee' als mensen je te eten vragen,
want in een andermans gelukkige gezin
daar is de kerstboom enkel te verdragen
met een uitslaande brand erin.

Wees niet zo bang voor Kerst.
Het zijn twee dagen.

 

 

 2203291-585302ded8d54c30313078c20add5c75.jpg
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)
Kerstsfeer in Enschede, de geboorteplaats van Willem Wilmink

 

 

Zie voor de schrijvers van de 26e december ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:29 Reageer op dit bericht

David Sedaris, Elizabeth Kostova, Nigel Cliff, Henry Miller, Rainer Malkowski, Mani Beckmann, Alejo Carpentier

De Amerikaanse schrijver David Sedaris werd geboren in Binghamton, New York, op 26 december 1956. Zie ook alle tags voor David Sedaris op dit blog.

Uit: Calypso

“Though there's an industry built on telling you otherwise, there are few real joys to middle age. The only perk I can see is that, with luck, you'll acquire a guest room. Some people get one by default when their kids leave home, and others, like me, eventually trade up and land a bigger house. "Follow me," I now say. The room I lead our visitors to has not been hastily rearranged to accommodate them. It does not double as an office or weaving nook but exists for only one purpose. I have furnished it with a bed rather than a fold-out sofa, and against one wall, just like in a hotel, I've placed a luggage rack. The best feature, though, is its private bathroom.
"If you prefer a shower to a tub, I can put you upstairs in the second guest room," I say. "There's a luggage rack up there as well." I hear these words coming from my puppet-lined mouth and shiver with middle-aged satisfaction. Yes, my hair is gray and thinning. Yes, the washer on my penis has worn out, leaving me to dribble urine long after I've zipped my trousers back up. But I have two guest rooms.
The consequence is that if you live in Europe, they attract guests—lots of them. People spend a fortune on their plane tickets from the United States. By the time they arrive they're broke and tired and would probably sleep in our car if we offered it. In Normandy, where we used to have a country place, any visitors were put up in the attic, which doubled as Hugh's studio and smelled of oil paint and decaying mice. It had a rustic cathedral ceiling but no heat, meaning it was usually either too cold or too hot. That house had only one bathroom, wedged between the kitchen and our bedroom. Guests were denied the privacy a person sometimes needs on the toilet, so twice a day I'd take Hugh to the front door and shout behind us, as if this were normal behavior, "We're going out for exactly twenty minutes. Does anyone need anything from the side of the road?"
That was another problem with Normandy: there was nothing for our company to do except sit around. Our village had no businesses in it and the walk to the nearest village that did was not terribly pleasant. This is not to say that our visitors didn't enjoy themselves—just that it took a certain kind of person, outdoorsy and self-motivating. In West Sussex, where we currently live, having company is a bit easier. Within a ten-mile radius of our house, there's a quaint little town with a castle in it and an equally charming one with thirty-seven antique stores. There are chalk-speckled hills one can hike up, and bike trails. It's a fifteen-minute drive to the beach and an easy walk to the nearest pub.”


 2203285-b52b748d799d3625a42278e26cbf73bb.jpg
David Sedaris (Binghamton, 26 december 1956)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Elizabeth Kostova werd geboren op 26 december 1964 in New London, Connecticut. Zie ook alle tags voor Elizabeth Kostova op dit blog.

Uit:The Shadow Land

“From her plane window, Alexandra had seen a city cradled in mountains and flanked by towering apartment buildings like tombstones. Stepping off the plane with her new camera in her hand, she’d breathed unfamiliar air—­coal and diesel and then a gust that smelled of plowed earth. She had walked across the tarmac and onto the airport bus, observed shiny new customs booths and their taciturn officials, the exotic stamp in her passport. Her taxi had looped around the edges of Sofia and into the heart of the city—­a longer route than necessary, she now suspected—­brushing past outdoor café tables and lampposts that bore political placards or signs for sex shops. From the taxi window, she’d photographed ancient Fords and Opels, new Audis with tinted gangster windows, large slow buses, and trolleys like clanking Megalosauruses that threw sparks from their iron rails. To her amazement, she’d seen that the center of the city was paved with yellow cobblestones.
But the driver had somehow misunderstood her request and dropped her here, at Hotel Forest, not at the hostel she’d booked weeks earlier. Alexandra hadn’t understood the situation, either, until he was gone and she had mounted the steps of the hotel to get a closer look. Now she was alone, more thoroughly than she had ever been in her twenty-­six years. In the middle of the city, in the middle of a history about which she had no real idea, among people who went purposefully up and down the steps of the hotel, she stood wondering whether to descend and try to get another taxi. She doubted she could afford the glass and cement monolith that loomed at her back, with its tinted windows, its crow-­like clients in dark suits hustling in and out or smoking on the steps. One thing seemed certain: she was in the wrong place.
Alexandra might have stood this way long minutes more, but suddenly the doors slid open just behind her and she turned to see three people coming out of the hotel. One of them was a white-­haired man in a wheelchair clutching several travel bags against his suit jacket.”

 

 2203285-58e0ca42cd036e3f506148a4aa814173.jpg
Elizabeth Kostova (New London, 26 december 1964)

 

 

De Britse schrijver, historicus, biograaf, criticus en vertaler Nigel Cliff werd geboren op 26 december 1969 in Manchester. Zie ook alle tags voor Nigel Cliff op dit blog.

Uit: Moscow Nights

“RILDIA BEE O'Bryan Cliburn's proudest day was the day her son was born. She was thirty-seven and had been married to Harvey Lavan Clibum for eleven childless years. He was two years younger, a native of Mississippi whom she had met at an evening prayer meeting soon after breaking an engagement to a dentist. When she went to him one day in 1933 and said, "Sug, I think we're going to have a little baby," it seemed a miracle to them both. The following July 12 he came to her bedside at Tri-State Sanitarium in Shreveport, Louisiana— room 322, the number part of their personal liturgy—and smiled. "Babe," he said in his laconic drawl, "we have a little boy, and this is our family." The smiles dimmed when they differed over what to name the child—he wanted his son to have his name; she was not minded to raise a Junior—before harmony was restored with a compro-mise. The birth certificate duly recorded the debut of "Harvey Lavan (Van) Clibum," but Rildia Bee made sure the child was never called anything but Van. Her second-proudest day was the day she met Sergei Rach-maninoff. It was two years earlier, and she was on a committee of musically minded ladies who had invited the Russian to Shreveport. The Clibums had moved to the city after her father, William Carey O'Bryan, who was mayor of McGregor, Texas, as well as a judge, state legislator, and newspaperman, convinced his son-in-law to make a career in oil. At the time, Harvey was a railroad station agent, but since his dream of being a doctor had been dashed in the Great War, and one thing was as good as an-other, he gamely signed up as a roving crude oil purchasing agent. Rildia Bee's dream was to be a concert pianist, and she had indeed been on the brink of a career when her parents pulled her back from the unseemly business of performing in public. Since her mother, Sirrildia, had been a semiprofessional ac-tress—the only kind in those parts—that seemed a little unfair, but perhaps it was not, because Sirrildia refashioned herself into that primmest of creatures, a local historian, and the family was trying to put its stage days behind it. Rildia Bee dutifully de-moted herself to teaching piano, which was why she was on the Shreveport concert committee and came to tend personally to Rachmaninoff. Backstage at the big new Art Deco Municipal Auditorium, she had little to do except hand the famous Russian a glass of or-ange juice or water, and she never got to tell him that, pianisti-cally speaking, they were almost family. When she was a student at the Cincinnati conservatory, Rildia Bee had one day attended a recital by the famed pianist Arthur Friedheim, who despite his Germanic name was born to an aristocratic family in St. Peters-burg when it was the Imperial Russian capital. Mesmerized, she followed him to New York, where she became one of his best students at the Institute of Musical Art, a forerunner to the Mil-liard School. Friedheim had studied with the fiery Anton Rubinstein, the founder of the St. Petersburg Conservatory, before he balked at Rubinstein's chaotic teaching style and defected to the superstar Hungarian Franz Liszt, becoming Liszt's foremost pupil and, later, his secretary. Rachmaninoff counted Rubinstein as his greatest pianistic inspiration, and in his playing markedly resembled Friedheim, who had died less than a month earlier, leaving Rachmaninoff the greatest living exponent of the school of pianism that Rildia Bee adored.”

 

 2203285-089392e463e17b70061fafb133897150.jpg
Nigel Cliff (Manchester, 26 december 1969)

 

 

De Amerikaanse schrijver Henry Miller werd geboren op 26 december 1891 In New York. Zie ook alle tags voor Henry Miller op dit blog.

Uit: The Colossus of Maroussi

“We awoke early and hired a car to take us to Epidaurus. The day began in sublime peace. It was my first real glimpse of the Peloponnesus. It was not a glimpse either, but a vista opening upon a hushed still world such as man will one day inherit when he ceases to indulge in murder and thievery. I wonder how it is that no painter has ever given us the magic of this idyllic landscape. Is it too undramatic, too idyllic? Is the light too ethereal to be captured by the brush? This I can say, and perhaps it will discourage the over-enthusiastic artist: there is no trace of ugliness here, either in line, color, form, feature or sentiment. It is sheer perfection, as in Mozart's music. Indeed, I venture to say that there is more of Mozart here than anywhere else in the world. The road to Epidaurus is like the road to creation. One stops searching. One grows silent, stilled by the hush of mysterious beginnings. If one could speak one would become melodious. There is nothing to be seized or treasured or cornered off here: there is only a breaking down of the walls which lock the spirit in. The landscape does not recede, it installs itself in the open places of the heart; it crowds in, accumulates, dispossesses. You are no longer riding through something—call it Nature, if you will —but participating in a rout, a rout of the forces of greed, malevolence, envy, selfishness, spite, intolerance, pride, arrogance, cunning, duplicity and so on. It is the morning of the first day of the great peace, the peace of the heart, which comes with surrender. I never knew the meaning of peace until I arrived at Epidaurus. Like everybody I had used the word all my life, without once realizing that I was using a counterfeit. Peace is not the opposite of war any more than death is the opposite of life. The poverty of language, which is to say the poverty of man's imagination or the poverty of his inner life, has created an ambivalence which is absolutely false. I am talking of course of the peace which passeth all understanding. There is no other kind. The peace which most of us know is merely a cessation of hostilities, a truce, an interregnum, a lull, a respite, which is negative. The peace of the heart is positive and invincible, demanding no conditions, requiring no protection. It just is. If it is a victory it is a peculiar one because it is based entirely on surrender, a voluntary surrender, to be sure. There is no mystery in my mind as to the nature of the cures which were wrought at this great therapeutic center of the ancient world. Here the healer himself was healed, first and most important step in the development of the art, which is not medical but religious. Second, the patient was healed before ever he received the cure. The great physicians have always spoken of Nature as being the great healer.”

 

 2203285-662c94212b575224520bdee223437244.jpg
Henry Miller (26 december 1891 – 7 juni 1980)
Hier aankomend op Schiphol in 1959

 

 

De Duitse dichter Rainer Malkowski werd geboren op 26 december 1939 in Berlijn-Tempelhof. Zie ook alle tags voor Rainer Malkowski op dit blog.

 

Die Gerechtigkeit des Meeres

Kein Element,
in dem man billig
Spuren hinterläßt.

Das bewegte Wasser
hinter dem Heck
bewahrt der glücklichen Fahrt
kein Gedächtnis.

Nur die Gescheiterten
dürfen
noch ein paar Jahrhunderte
ihre Geschichten erzählen −
jedem, der sie hören will
und zu den zerbrochenen
Schiffen
hinabsteigt auf den mythischen
Grund.

 

 

Im Jahr X

Hinter ihnen die Nacht.
Vor ihnen ein Raum,
bis an die Decke gefüllt
mit erfundenem Licht.
Sie halten die Scheibe besetzt
und rühren sich nicht.
Winzige, flugfähige Stifte.
Nur ihre Fühler sind in Bewegung −
Sicheln
von symmetrischer Anmut −,
während jetzt im Radio
das Zeitzeichen ertönt: im Jahr X
nach der Ursuppe.
Ein sprechendes Wesen
wird vorgestellt
und hält einen Vortrag
über den Tod
ferner Sterne.

 

 2203285-7200e5a35966c2735cff73dc90cdb0d0.jpg
Rainer Malkowski (26 december 1939 – 1 september 2003)

 

 

De Duitse schrijver Mani Beckmann (pseudoniem Tom Finnek) werd geboren op 26 december 1965 in Alstätte/Westfalen. Zie ook alle tags voor Mani Beckmann op dit blog.

Uit: Sodom und Gomera

„Das Taxi hielt, Micki zahlte die 2.500 Peseten (er tat dies wortlos), und Sandy forderte von mir die Hälfte des Fahrpreises, indem sie sagte: »Fifty-fi fty, ganz reell!« Als sie m einen fragenden Blick sah, fügte sie achselzuckend hinzu: »Wir sind zwei Parteien: du und wir. Also jeder die Hälfte.« Kopfschüttelnd gab ich ihr 1.500 Peseten und war etwas erstaunt, als sie sie einsteckte, ohne Anstalten zu machen, mir den Rest herauszugeben. Wieder sah sie mein Stirnrunzeln und meinte in vorwurfsvollem Ton: »Bisch du etwa ’n Pfennigfuchser?« Ich lächelte nachsichtig und verneinte ihre Frage. »Siehscht?«, fragte Sandy. »Da vorn isch auch schon die Fähre, wo nach San Sebaschtián fährt.« »San Sebastián?« »Des isch die Hauptstadt von Gomera. Und der Hafen. Das Valle isch auf der anderen Seite der Insel.« Auch während der gut einstündigen und erstaunlich schaukelfreien Schiff fahrt mit der »Ferry Gomera« gelang es mir nicht, den Redeschwall meiner neuen Bekannten zu bremsen oder auf eine andere Person (zum Beispiel ihren apathisch schweigenden Freund) zu lenken. Sie erzählte vermeintlich ulkige Anekdoten von vergangenen Urlaubstrips (sie reiste zum vierten Mal »ins Valle«), schwärmte von dem mojo bei Maria (eine Art Soße oder Dip, angeblich eine kulinarische Spezialität auf der Insel), dozierte über die »Guanchen«, die geheimnisumwitterten Ureinwohner der Kanaren, und berichtete von der so genannten Schweinebucht und den Freaks und Späthippies, die dort direkt am Wasser in Höhlen lebten, sich von Joints und freier Liebe ernährten und denen sich Sandy und Micki (selbstredend) auf der Stelle anschließen wollten.“

 

 2203285-2b9f2b865b0fd821293c351bdd4e094d.jpg
Mani Beckmann (Alstätte, 26 december 1965)
Cover

 

 

De Cubaanse schrijver, essayist en musicoloog Alejo Carpentier werd geboren in Havana op 26 december 1904. Zie ook alle tags voor Alejo Carpentier op dit blog.

Uit:The Kingdom of This World (Vertaald door Harriet de Onís)

“All of this became particularly evident to me during my stay in Haiti, where I found myself in daily contact with something we could call the marvelous real . I was treading earth where thousands of men, eager for liberty, believed in Mackandal's lycanthropic powers, to the point that their collective faith produced a miracle on the day of his execution. I already knew the prodigious story of Bouckman, (21) the Jamaican initiate. I had been in the citadel of La Ferriere, a structure without architectonic precedents, portended only in Piranesi's Imaginary Prisons. I had breathed the atmosphere created by Henri Christophe, a monarch of incredible undertakings, much more surprising than all the cruel kings invented by the surrealists, who were very fond of imaginary tyrannies, never having suffered through one.

I found the marvelous real with every step. But I also realized that the presence and vitality of the marvelous real was not a privilege unique to Haiti but the patrimony of all the Americas, where we have not yet established an inventory of our cosmogonies. The marvelous real is found at each step in the lives of the men who inscribed dates on the history of the Continent and who left behind names still borne by the living: from the seekers after the Fountain of Youth or the Golden City of Manoa to certain early rebels or modern heroes of our wars of independence, those of such mythological stature as Colonel Juana Azurduy. It has always seemed significant to me that as recently as 1780 some perfectly sane Spaniards from Angostura set out in search of El Dorado, and that, during the French Revolution-- long live Reason and the Supreme Being!--Francisco Menendez, from Compostela, traversed Patagonia hunting for the Enchanted City of the Caesars. Looking at the matter in another way, we see that while in western Europe folk-dancing has lost all its magical evocative power, it is rare that a collective dance in the Americas does not embody a profound ritual meaning that creates around it an entire initiatory process: such are the santeria dances in Cuba or the prodigious African version of the Corpus feast, which may still be seen in the town of San Francisco de Yare in Venezuela.”

 

 2203285-86e93f9a53cb95fbd97ecd0671fd2a03.jpg
Alejo Carpentier (26 december 1904 – 24 april 1980)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e december ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:28 Reageer op dit bericht

Jean Toomer, Hans Brinkmann, Willy Corsari, Alfred Huggenberger, René Bazin, Julien Benda

De Amerikaanse dichter en schrijver Jean Toomer werd geboren op 26 december 1894 in Washington, D.C. Zie ook alle tags voor Jean Toomer op dit blog.

 

Seventh Street

        Money burns the pocket, pocket hurts,
        Bootleggers in silken shirts,
        Ballooned, zooming Cadillacs,
        Whizzing, whizzing down the street-car tracks.

Seventh Street is a bastard of Prohibition and the War. A crude-boned, soft-skinned wedge of nigger life breathing its loafer air, jazz songs and love, thrusting unconscious rhythms, black reddish blood into the white and whitewashed wood of Washington. Stale soggy wood of Washington. Wedges rust in soggy wood. . . Split it! In two! Again! Shred it! . . the sun. Wedges are brilliant in the sun; ribbons of wet wood dry and blow away. Black reddish blood. Pouring for crude-boned soft-skinned life, who set you flowing? Blood suckers of the War would spin in a frenzy of dizziness if they drank your blood. Prohibition would put a stop to it. Who set you flowing? White and whitewash disappear in blood. Who set you flowing? Flowing down the smooth asphalt of Seventh Street, in shanties, brick office buildings, theaters, drug stores, restaurants, and cabarets? Eddying on the corners? Swirling like a blood-red smoke up where the buzzards fly in heaven? God would not dare to suck black red blood. A Nigger God! He would duck his head in shame and call for the Judgement Day. Who set you flowing?


       Money burns the pocket, pocket hurts,
       Bootleggers in silken shirts,
       Ballooned, zooming Cadillacs,
       Whizzing, whizzing down the street-car tracks.

 

 2203281-bb6a2dae78476128a7a49eabd445c672.jpeg
Jean Toomer (26 december 1894 – 30 maart 1967)
Washington in de Kersttijd

 

 

De Duitse dichter, schrijver en criticus Hans Brinkmann werd geboren op 26 december 1956 in Freiberg in Sachsen. Zie ook alle tags voor Hans Brinkmann op dit blog.

 

Rummel

Wir machen den ganzen Rummel mit.
Jeden Tag sind wir hier.
Riesenräder überrollen uns,
auf den Karussells drehen wir durch.
Wie die Schweine und Kleeblätter
haben wir meist kein Glück. Die Schiessbuden
laden uns ein, aufeinander zu feuern,
ehe wir in die Bierzelte laufen,
wo unsre Köpfe im Schaum verschwinden.
Lachend stehen die Rittmeister
an den Kassen der Hippodrome.
Pass doch auf, Junge, wo du hintrittst!
Wie du dich wunderst, lassen sie dich
dafür bezahlen. Nichts ist umsonst.

 

 2203281-a7b44c6a3a51f6caaedf85807b781794.jpg
Hans Brinkmann (Freiberg, 26 december 1956)
Meertalige uitgave bij Brinkmanns 60e verjaardag

 

 

De Nederlandse schrijfster Willy Corsari (pseudoniem van Wilhelmina Angela Douwes-Schmidt) werd geboren in Sint-Pieters-Jette, Brussel, op 26 december 1897. Zie ook alle tags voor Willy Corsari op dit blog.

Uit: De man zonder uniform

“Joop is een goeie jongen, maar hij heeft nu zijn werk als Griffier— en erg amusant kon ik 'em nooit vinden. Zou je me niet willen wegbrengen en dan een dagje blijven? Tante zou het 700 prettig vinden. Maar je kunt Joop niet erg verdragen, geloof ik... wel?" Hij haalt de schouders op, glimlachend. „In mijn vak leer je iedereen verdragen!" „Je bent eigenlijk haatdragend," zegt ze. „Sinds die ge-schiedenis met dat katje, kon jc hem nooit meer goed lijden... weet je nog? Ik herinner me nog je gezicht, toen je me dat vertelde op een Zaterdagmiddag, dat je naar huis kwam! En daarbij geloof ik, dat Joop er vrijwel onschuldig aan was. [let zijn die ellendige boetekinkels geweest, die het arme diertje hebben doodgemarteld. Joop deed waarschijnlijk alleen mee uit lafheid." „0, niet eens! Hij was mans genoeg om er op te slaan of om weg te kopen... maar hij wou niet anders zijn dan de anderejongens. Dat vond ik juist het misselijke van die geschiedenis. Met die anderen ben ik gauw genoeg weer goeie vrienden geweest, maar hem heb ik eigenlijk nooit meer kunnen uitstaan... dat erken ik. Overigens geloof ik niet, dat hij het gemerkt heeft... of liet begreep." „Hij deed het niet uit echte wreedheid, dat is tenminste een excuus", zegt ze, „'t is eigenlijk een lobbes." „Een excuus?" Hij kijkt haar aan, verwonderd. „Vind jc dat nu werkelijk? Merkwaardig... ik zou het beter hebben kunnen verdragen, als hij het uit wreedheid had gedaan. En een lobbes... het zijn dit goeiige, met de stroom mee-drijvende sullen, die in oorlogstijd de gruwelijkste dingen uithalen... Zie. je, die andere jongens waren wreed, simpel-weg. Dat zijn kinderen veel, bewust, rif onbewust. Wreed-heid hoeft ieder mensch in zich... dat is het oer-dier. Ik natuur zelf is wreed, de dieren zijn het onderling... Het is een woord... een fictie. Een of andere hysterische oude vrijster gilt: „o, die winde kat!" als het beest een vogel opeet. Slaan kan een uiting van hartstocht zijn en kussen een uiting van wreedheid... Er bestaan menschen, die mij wreed zuilen vinden, omdat ik ontelbare malen bij proef-dieren kanker heb verwekt. Ik hou van dieren, maar ik hou mėėr van de mensen.”

 

 2203281-614e0379e6e02c922b9263c775646793.jpg
Willy Corsari (26 december 1897 – 11 mei 1998)
Cover Franse uitgave

 

 

De Zwitserse dichter en schrijver Alfred Huggenberger werd geboren op 26 december 1867 in Bewangen nabij Bertschikon. Zie ook alle tags voor Alfred Huggenberger op dit blog.

 

Früher Herbst

Nun muss der Sommer scheiden;
Der Tag kam früh, der Tag kam bald.
Der erste Reif liegt auf den Weiden,
Das Schweigen wandelt durch den Wald.

Die alten Tannen träumen
Von Sang und Sonnenherrlichkeit.
Ein Wort klingt zitternd in den Räumen:
Wo ist denn deine Sommerszeit ?

Ich muss mich bang besinnen –
Gar kurz ist doch ein Lebensjahr!
So vieles gibt’s noch zu gewinnen,
So wenig Träume wurden wahr!

Der Reif liegt auf den Weiden,
Das Schweigen wandelt durch den Tann’.
Froh sah ich manchen Sommer scheiden –
Heut’ kommt mich leis’ ein Trauern an.

 

 

Kleines Reich

Die reife Wiese ist ein Wald,
Die Hälmchen sind die Stämme schlank.
Dazwischen regt sich's mannigfalt:
Die kluge Emse baut und schafft,
Und Käferlein spazieren,
Sie tragen Röckchen bunt und blank.

Sie krabbeln auf die Dolden hoch,
Dann heim, als gält' es, nie zu ruhn:
«Frau Grille – ei, ihr kennt mich noch?»
Die müssiggängert vor der Tür
Und singt ihr altes Liedchen:
«Zirp, zirp! Heut weiss ich nichts zu tun!»

Ein Grashalm zittert neben mir,
Ein Mücklein schwingt sich drauf geschwind
Aus kühlverstecktem Nachtquartier.
«Was willst du, grosses Menschenkind?
Du wirst wohl kaum ergründen,
Was jedes von uns summt und sinnt!»

 

 2203281-a5d53b91af3762acfd3907f2846d9eec.jpg
Alfred Huggenberger (26 december 1867 – 14 februari 1960) 

 

 

De Franse schrijver René Bazin werd geboren op 26 december 1853 in Angers. Zie ook alle tags voor René Bazin op dit blog.

Uit: Les Noëllet

“Les femmes mangèrent debout, ça et là, suivant l'usage, causant peu, écoutant ce que disaient les hommes du travail de la journée et de celui du lendemain, par phrases courtes, sentencieuses, coupées de silences qu'imposait la faim vorace. Un air de prospérité marquait cette ferme et cette famille. Les parents étaient sains, les enfants d'allègre venue. Le domestique lui-même, robuste et sérieux, attestait le point d'honneur du maître. Le plat de terre brune, plein de lard aux choux, le saladier à fleurs bleues que surmontait un dôme de laitues fraîches, n'avaient pas une écornure. Tous les meubles luisaient. Dans les étables, d'où arrivait par moments le roulement des chaînes à travers le bois des crèches, il y avait les animaux les mieux nourris de la contrée, des vaches laitières dont le beurre faisait prime sur le marché de Beaupréau, six boeufs, superbes à voir quand ils labouraient ensemble, la vieille Huasse et son poulain, et des porcs et des bandes de poules et de canards, sans parler du bouc, animal solennel, réputé indispensable à la santé des troupeaux. Pour faire vivre tout ce monde, bêtes et gens, vingt-cinq hectares de terre cultivés suivant une tradition un peu routinière, mais avec beaucoup de soin : car Julien Noellet est chez lui, à la Genivière ; c'est son bien, sa propriété, le fruit des efforts de plusieurs générations d'ancêtres. Oh ! tous ces disparus, tous ces passants obscurs de la vie, qui dorment à présent leur dernier sommeil dans les cimetières voisins, comme ils l'avaient souhaitée, l'indépendance de la propriété, comme, pour l'acquérir, ils avaient travaillé, peiné, épargné ! De ferme en ferme, dans leur lent pèlerinage à travers les Mauges, sous des maîtres différents, une même pensée les avait suivis. Quand ils rentraient, le soir, l'échine tordue par la fatigue, au coin de leur feu, dans la demi-obscurité qui leur économisait une chandelle de résine, ils voyaient, par delà la mort qu'ils sentaient venir, une maison blanche, éclairée, une maison à soi où quelque arrière-petit-fils régnerait en souverain. Leur misère se consolait avec la joie de cet autre, en qui se réaliserait l'ambition de toute une race. Ils mouraient : l'épargne grandissait aux mains de l'aîné, plus ou moins lentement, selon les années et le hasard des récoltes, jamais touchée, jamais engagée. Un mariage avait tout à coup doublé l'avoir, et, avec l'argent caché dans un pot de grès, avec le prix d'une petite closerie qu'il possédait sur la paroisse de Villeneuve, avec la dot de sa femme, le père de Julien Noellet avait acheté la métairie de la Genivière, vendue dans un moment de gêne par les anciens propriétaires du domaine de la Landehue. »

 

 2203281-c1c60918fa7a81f98b494ad5d00b247e.jpg
René Bazin (26 december 1853 – 19 juli 1932)

 

 

De Franse schrijver en filosoof Julien Benda werd geboren op 26 december 1867 in Parijs. Zie ook alle tags voor Julien Benda op dit blog.

Uit: The Treason of the Intellectuals (Vertaald door Richard Aldington)

“It will be seen that I entirely dissociate myself from those who want the "clerk" to govern the world, and who wish with Renan for the "reign of the philosophers"; for it seems to me that human affairs can only adopt the religions of the true "clerk" under penalty of becoming divine, i.e. of perishing as human. This has been clearly seen by all lovers of the divine who did not desire the destruction of what is human. This is marvelously expressed by one of them when he makes Jesus say so profoundly to His disciple: "My son, I must not give you a clear idea of your substance ... for if you saw clearly what you are, you could no longer remain so closely united to your body. You would no longer watch over the preservation of your life."But though I think it a bad thing that the "clerk's" religion should possess the lay world, I think it still more to be dreaded that it should not be preached to the layman at all, and that he should thus be allowed to yield to his practical passions without the least shame or the least, even hypocritical, desire to raise himself however slightly above them. "There are a few just men who prevent me from sleeping"—that was what the realist said of the teachers of old. Nietzsche, Barres, and Sorel do not prevent any realist from sleeping; on the contrary. This is the novelty I want to point out, which to me seems so serious. It seems to me serious that a humanity, which is more than ever obsessed by the passions of the world, should receive from its spiritual leaders the command: "Remain faithful to the earth." Is this adoption of "integral realism" by the human species permanent, or merely temporary? Are we, as some people think, witnessing the beginning of a new Middle Ages (and one far more barbarous than the former, for though it practiced realism, it did not extol realism), from which, however, will arise a new Renaissance, a new return to the religion of distinterestedness?”

 

 2203281-3c1d93fb3e49fab23a1ccd5f9570d2be.jpg
Julien Benda (26 december 1867 – 7 juni 1956)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e december ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:28 Reageer op dit bericht

Thomas Gray, Jean Galtier-Boissière, Ernst Moritz Arndt, Johann Gaudenz von Salis-Seewis, E. D. E. N. Southworth, Jean-François de Saint-Lambert

De Engelse dichter en geleerde Thomas Gray werd geboren op 26 december 1716 in Londen. Zie ook alle tags voor Thomas Gray op dit blog.

 

The Bard

II.3.
"Fill high the sparkling bowl,
The rich repast prepare;
Reft of a crown, he yet may share the feast.
Close by the regal chair
Fell Thirst and Famine scowl
A baleful smile upon their baffled guest.
Heard ye the din of battle bray,
Lance to lance, and horse to horse?
Long years of havoc urge their destin'd course
And thro' the kindred squadrons mow their way.
Ye towers of Julius, London's lasting shame,
With many a foul and midnight murther fed,
Revere his consort's faith, his father's fame,
And spare the meek usurper's holy head.
Above, below, the rose of snow,
Twined with her blushing foe, we spread:
The bristled Boar in infant-gore
Wallows beneath the thorny shade.
Now, brothers, bending o'er th' accursed loom
Stamp we our vengeance deep, and ratify his doom.

 

III.1.
"Edward, lo! to sudden fate
(Weave we the woof. The thread is spun)
Half of thy heart we consecrate.
(The web is wove. The work is done.)'
Stay, oh stay! nor thus forlorn
Leave me unbless'd, unpitied, here to mourn!
In yon bright track, that fires the western skies!
They melt, they vanish from my eyes.
But oh! what solemn scenes on Snowdon's height
Descending slow their glitt'ring skirts unroll?
Visions of glory, spare my aching sight,
Ye unborn Ages, crowd not on my soul!
No more our long-lost Arthur we bewail.
All-hail, ye genuine kings, Britannia's issue, hail!

 

 2203277-aa28746f4b272a971b7d2b41d6e1e9cc.JPG
Thomas Gray (26 december 1716 – 30 juli 1771)
Gedenkplaat in Londen

 

 

De Franse schrijver, polemist en journalist Jean Galtier-Boissière werd geboren op 26 december 1891 in Parijs. Zie ook alle tags voor Jean Galtier-Boissière op dit blog.

Uit: Un hiver à Souchez

« Il me parle parfois de sa vie d'avant la guerre : elle lui apparaît comme un rêve indistinct. Je crois qu'il ne se rappelle plus très bien comment une femme est faite. Cependant il est allé une fois en permission, en remontant de seize jours de tranchées dans un secteur terrible.
A Paris, tandis qu'il se rendait d'une gare à l'autre, une dame a dit comme ça : " Oh ! ce qu'il est sale, celui-là ! Il y en a qui doivent le faire exprès ! ".
Au pays, il a fait ripaille. Comme il ne racontait rien, les gens disaient : " Il n'a pas dû être bien exposé, il n'a même pas la croix de guerre ! "
Il est revenu au front sans trop de peine, n'ayant pas eu le temps de reprendre des habitudes, et c'est plutôt au milieu des gens de l'arrière qu'il se sentait dépaysé.
(…)

C'est au début de 1915 que j'entendis parler pour la première fois de fraternisations. Au fond des abris on racontait que dans le secteur du fort de Brimont, entre Reims et Berry-au-Bac, la dernière nuit de Noël, fantassins français et allemands étaient sortis en masse des tranchées et s'étaient jetés dans les bras les uns des autres. Le commandement était affolé et il fallut, des deux côtés, la menace d'ordonner à l'artillerie de tirer dans le tas, pour faire réintégrer leurs tranchées aux adversaires un instant réconciliés."

 

 2203277-171f379cd29b4d569adde25d6512f22f.jpg
Jean Galtier-Boissière (26 december 1891 – 22 januari 1966) 
Un hiver à Souchez – illustratie door Jean Galtier-Boissière

 

 

De Duitse dichter en schrijver Ernst Moritz Arndt werd op 26 december 1769 in Groß-Schoritz geboren op het eiland Rügen. Zie ook alle tags voor Ernst Moritz Arndt op dit blog.

 

Freude
1797

Freundlich leuchten die Sonne, Mond und Sterne,
Freundlich schimmert das Blumenkleid der Erde,
Mächtig brauset das Meer mit seinen Wellen
Furchtbar und lieblich.

Droben kreiset in Sonnenglut der Adler,
Drunten sumset der Käfer und die Biene,
Aus den Büschen klingen der Nachtigallen
Zärtliche Lieder.

Ja du bist schön und golden, Mutter Erde,
Schön in deinen rosigen Abendlocken,
Duftig in deines Erwachens Silberschimmer,
Bräutlich und züchtig.

Lustig hüpfest du hin im Weltentanze,
Alle deine Kinder am warmen Herzen,
Wandelst freudig dahin in deiner Sonne
Funkelndem Reigen.

Lustig sei und leuchtend des Menschen Stirne!
Nur dem Fröhlichen blüht der Baum des Lebens,
Dem Unschuldigen rinnt der Born der Jugend
Auch noch im Alter.

 

 2203277-7783d234fd53fa4f0375a5fe087c7732.jpg
Ernst Moritz Arndt (26 december 1769 – 29 januari 1860)
Groß Schoritz

 

 

De Zwitserse dichter en schrijver Freiherr Johann Gaudenz von Salis-Seewis werd geboren op 26 december 1762 op slot Bothmar bei Malans. Zie ook alle tags voor Johann Gaudenz von Salis-Seewis op dit blog.

 

Lied zu singen bei einer Wasserfahrt

Wir ruhen vom Wasser gewiegt,
Im Kreise vertraulich und enge;
Durch Eintracht wie Blumengehänge
Verknüpft und in Reihen gefügt:
Uns sondert von lästiger Menge
Die Flut, die den Nachen umschmiegt.

So gleiten, im Raume vereint,
Wir auf der Vergänglichkeit Wellen,
Wo Freunde sich innig gesellen
Zum Freunde, der redlich es meint!
Getrost, weil die dunkelsten Stellen
Ein Glanz aus der Höhe bescheint.

Ach! trüg’ uns die fährliche Flut
Des Lebens so friedlich und leise!
O drohte nie Trennung dem Kreise,
Der sorglos um Zukunft hier ruht!
O nähm’ uns am Ziele der Reise
Elysiums Busen in Hut!

Verhallen mag unser Gesang,
Wie Flötenhauch schwinden das Leben;
Mit Jubel und Seufzern verschweben
Des Daseyns zerfließender Klang!
Der Geist wird verklärt sich erheben,
Wenn Lethe sein Fahrzeug verschlang.

 

 2203277-9f72a8488ec2e9c306c42a650e1b8de1.jpg
Johann Gaudenz von Salis-Seewis (26 december 1762 – 29 januari 1834)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijfster Emma Dorothy Eliza Nevitte Southworth werd geboren op 26 december 1819 in Washington, D.C. Zie ook alle tags voor E. D. E. N. Southworth op dit blog.

Uit: The Hidden Hand

“On his left hand stood his cozy bedstead, with its warm crimson curtains festooned back, revealing the luxurious swell of the full feather bed and pillows, with their snow-white linen and lamb's-wool blankets, inviting repose. Between this bedstead and the corner of the fireplace stood Old Hurricane's ancient body servant Wool, engaged in warming a crimson cloth nightcap.
"Fools!" muttered Old Hurricane, over his punch–"jacks! they'll all get the pleurisy except those that get drunk! Did they all go, Wool?"
"Ebery man, 'oman and chile, sar!–'cept 'tis me and coachman, sar!"
"More fools they! And I shouldn't wonder if you, you old scarecrow, didn't want to go too!"
"No, Marse–"
"I know better, sir! Don't contradict me! Well, as soon as I'm in bed, and that won't be long now, you may go–so that you get back in time to wait on me to-morrow morning."
"Thanky, marse."
"Hold your tongue! You're as big a fool as the rest.
"I take this," said Old Hurricane, as he sipped his punch and smacked his lips– "I take this to be the very quintessence of human enjoyment–sitting here in my soft, warm chair before the fire, toasting my legs, sipping my punch, listening on the one hand to the storm without and glancing on the other hand at my comfortable bed waiting there to receive my sleepy head. If there is anything better than this in this world I wish somebody would let me know it."
"It's all werry comformable indeed, marse," said the obsequious Wool.
"I wonder, now, if there is anything on the face of the earth that would tempt me to leave my cozy fireside and go abroad to-night? I wonder how large a promise of pleasure or profit or glory it would take now?"
"Much as ebber Congress itse'f could give, if it give you a penance for all your sarvins," suggested Wool.
"Yes, and more; for I wouldn't leave my home comforts to-night to insure not only the pension but the thanks of Congress!" said the old man, replenishing his glass with steaming punch and drinking it off leisurely.
The clock struck eleven. The old man again replenished his glass, and, while sipping its contents, said:
"You may fill the warming-pan and warm my bed, Wool. The fumes of this fragrant punch are beginning to rise to my head and make me sleepy."

 

 2203277-a7e876f8d20f5d8756ae827ec4cffb7b.jpg
E. D. E. N. Southworth (26 december 1819 – 30 juni 1899)
Cover

 

 

De Franse dichter, schrijver en filosoof Jean-François de Saint-Lambert werd geboren op 26 december 1716 in Nancy. Zie ook alle tags voor Jean-François de Saint-Lambert op dit blog.

 

L’Hiver (Fragment)

Les tyrans des forêts par la faim dévorés,
Impatiens du meurtre et de sang altérés,
Quittent pendant la nuit les bois et les montagnes:
Ils courent en fureur à travers les campagnes ;
lls osent s'élancer sur l'homme épouvanté :
Ce roi de l'univers , sa grâce et sa fierté ,
Ce front oit de son rang la noblesse est empreinte,
Ne leur inspire plus le respect et la crainte.
Ces monstres affamés cherchent dans les tombeaux
Des essemens poudreux ou d'horribles lambeaux.
On entend quelquefois des cris lents et funèbres,
Des hurlemens affreux rouler dans les ténèbres,
Et se mêler dans l'air aux tristes sifflemens
Qui partent d'un vieux dôme ébranlé par les vents :
Ces funestes concerts que les monts réfléchissent,
Semblent être l'écho des mânes qui gémissent.
Le lâche qui poursuit l'innocent opprimé ,
L'ingrat qui blesse un coeur dont il était aimé ,
Le perfide assassin , le monstre sanguinaire ,
Qui plongea le couteau dans le sein de son frère,
Croit voir eu ce moment les spectres des enfers,
Et leurs lugubres jeux couvrir les champs déserts:
Leurs longs gémisse mens, leurs clameurs lamen tables
Retentissent dans l' ombre au fond des coeurs coupables.
Ah ! si l'ami des lois, le juste est sans remords,
S'il n'entend point les cris des démons ou des morts,
Il déplore , il ressent ces iléaux innombrables
Qu'accumule l'Hiver sur nos jours misérables.


O toi ! qui fis nos sens , toi qui formas nos meurs,
Ou rends-nous moins sensible , ou suspens tes rigueurs,
Dieu ;qu i dispose tout, Dieu, dont les mains fécondes
Ont tiré du néant les soleils et les mondes,
Ne pouvais-tu de l'homme écarter les douleurs?
Glacé par les frimas, brûlé par les chaleurs,
Jeté par la nature à travers les orages,
Sur des bords ennemis, dans des déserts sauvages,
Abandonné sans force au choc des élémens,
Le martyr de ses sens et de ses sentirnens,
De chagrins en chagrins conduit par l'espérance,
Il passe dans les pleurs son moment d'existence,
Et se traîne accablé sous le poids de ses maux,
Sur un monde en ruine, à travers les tombeaux.

 

 2203277-19c2938b1342d8e44de8ff43bd9aec2a.jpg
Jean-François de Saint-Lambert (26 december 1716 – 9 februari 1803)
Anoniem portret

Geschreven door Romenu om 13:24 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten