Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 4 januari 2019 tot 5 januari 2019

Umberto Eco, Joris van Casteren, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, Xu Xiake, Luisa Futoransky, Friedrich Dürrenmatt, Forough Farokhzad, László Krasznahorkai

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: Chronicles of a Liquid Society (Vertaald door Richard Dixon)

“The idea of “liquid” modernity or society comes from Zygmunt Bauman. Those who want to understand the various implications of this concept may find it helpful to read State of Crisis, where Bauman and Carlo Bordoni discuss this and other topics.
The liquid society begins to take shape with the movement known as postmodernism, an umbrella term that brings together a great variety of phenomena, from architecture to philosophy to literature, not always in a coherent fashion. Postmodernism signaled the crisis of “grand narratives,” each of which had claimed that one model of order could be superimposed on the world; it devoted itself to a playful or ironic reconsideration of the past, and was woven in various ways with nihilistic tendencies. But postmodernism, according to Bordoni, is also on the way out. It was temporary in character, we have passed through it without noticing, and it will be studied one day like pre-Romanticism. It served to point out an event that was happening and represented a sort of ferry from modernity to a present that still has no name.
Among the characteristics of this nascent present Bauman includes the crisis facing the state: what freedom do nation-states retain when faced with the power of supranational entities? We are witnessing the disappearance of something that used to ensure that individuals could resolve the various problems of our time in a homogeneous fashion. This crisis has led to a collapse of ideologies, and therefore of political parties, and to a general call for a sharing of values that allowed individuals to feel part of something that understood their needs.
The crisis in the concept of community gives rise to unbridled individualism: people are no longer fellow citizens, but rivals to beware of. This “subjectivism” has threatened the foundations of modernity, has made it fragile, producing a situation with no points of reference, where everything dissolves into a sort of liquidity. The certainty of the law is lost, the judiciary is regarded as an enemy, and the only solutions for individuals who have no points of reference are to make themselves conspicuous at all costs, to treat conspicuousness as a value, and to follow consumerism. Yet this is not a consumerism aimed at the possession of desirable objects that produce satisfaction, but one that immediately makes such objects obsolete. People move from one act of consumption to another in a sort of purposeless bulimia: the new cell phone is no better than the old one, but the old one has to be discarded in order to indulge in this orgy of desire.
The collapse of ideologies and political parties: it has been suggested that political parties have become like taxis taken by vote-controlling mob leaders or Mafia bosses, who choose them casually, according to what is on offer ​— ​politicians can change party allegiance without creating any scandal. It’s not just people: society itself is living in an increasingly precarious condition.”

 

 2205490-07bde6890e658eec05aed12a1b1cf309.jpeg
Umberto Eco (5 januari 1932 – 19 februari 2016)

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Joris van Casteren werd geboren in Rotterdam op 5 januari 1976. Zie ook alle tags voor Joris van Casteren op dit blog.

Uit: Het glas van Casanova

“Op een dinsdag in april rijd ik met de auto naar Hoek van Holland. Naast me zit mijn dochter, die anderhalve week later – het is 2008 – vier zal worden. Achterin liggen mijn gedemonteerde fiets, een fietskar, een sporttas met kleding, slaapzakken en een tentje.
Ik tank bij een benzinepomp langs de a4 en koop een blikje cola. In de auto schud ik het, om een of andere reden, waardoor de cola, bij het openen van het blikje, door de auto spuit. ‘Je moet ook niet schudden met cola,’ zegt mijn dochter, gierend van het lachen. ‘Ik heb geen idee waarom ik dat deed,’ zeg ik.
In Hoek van Holland zet ik met plakkerige handen mijn fiets in elkaar. Met mijn dochter in het zitje en onze bagage, de slaapzakken en het tentje in de kar, fiets ik tussen auto’s, bussen en vrachtwagens de veerboot op.
We eten mosselen, garnalen en zalm in het restaurant als de boot begint te varen. Naast ons dineren twee Britten. ‘I admire your courage,’ zegt een van hen als ik vertel wat het doel van mijn onderneming is.
W.G. Sebald maakte in augustus 1992 een wandeling langs de kust van het graafschap Suffolk. Hij passeerde vergeten badplaatsen waar depressieve mensen in krottige huisjes woonden. De wandeling zou centraal komen te staan inDe ringen van Saturnus (1995), een mengvorm van autobiografie, reportage en geschiedschrijving, dat op mij – ook vanwege de curieuze, mijmerende manier van schrijven, waarbij volstrekt op zichzelf staande verhaallijnen harmonieus vervlochten raken – een verpletterende indruk maakte.
In het eerste deel van De ringen van Saturnus schrijft Sebald over de door hem bewonderde zeventiende-eeuwse Britse arts en schrijver Thomas Browne. Diens werk typeert hij als volgt: ‘Het is alsof je tegelijk door een omgekeerde verrekijker en door een microscoop kijkt.’ Daarmee levert Sebald tevens een volmaakte omschrijving van zijn eigen werk.”

 2205490-b898d771692f296f565d836d11820300.jpg
Joris van Casteren (Rotterdam, 5 januari 1976)

 

 

De Duitser schrijver, criticus en literatuurwetenschapper Paul Ingendaay werd geboren op 5 januari 1961 in Keulen. Zie ook alle tags voor Paul Ingendaay op dit blog.

Uit: Gebrauchsanweisung für Andalusien

“Lange Zeit war Spanien in der Vorstellung seiner Besucher gleichbedeutend mit Andalusien – und Andalusien mit Spanien. Klischee oder Wahrheit, dort wurden ziemlich starke Bilder heraufbeschworen : von Stierkampf, Zigeunern und Flamencofolklore. Von Abenteurern, dunklen Augen und wildem Temperament. Das Stereotyp des Andalusiers ( und der Andalusierin ! ) hat so viele Jahrhunderte hindurch die Phantasien der übrigen Welt beherrscht, dass der moderne spanische Autonomienstaat, von dem Andalusien nur eine von siebzehn Regionen – und nicht einmal die größte – bildet, kaum dagegen ankommt.
Kleine Kostprobe gefällig ? Die jungen andalusischen Frauen, lese ich in einem hundert Jahre alten deutschen Buch, sind » durchweg anmutige Gestalten mit großen, feurigen, von langen, gebogenen Wimpern beschatteten Augen, üppigem schwarzen Haar, zierlichen Händen und Füßen, reizend in ihrer Art, sich zu kleiden und mit Blumen zu schmücken «.
Verzeihen Sie, dass ich mit den Frauen anfange. Vielleicht hätten erst die Gitarrenspieler oder die Messerstecher kommen sollen. Aber es liegt am Thema. Es geht noch weiter. » Wer Gelegenheit hatte, eine spanische Tertulia zu besuchen «, schreibt derselbe Mann, Francisco Fronner, in seinem Buch Land und Leute in Spanien ( 1912 ), » wird von der unnachahmlichen Grazie, dem zwanglosen Benehmen und der ungekünstelten Koketterie der Andalusierinnen entzückt sein. « Vermutlich war der Verfasser Junggeselle und hatte leicht reden. Wir sollten ihn nicht wörtlich nehmen. Doch der Kern stimmt noch heute.
Das sind Äußerlichkeiten, werden Sie einwenden. Das dachte ich zuerst auch. Aber dann las ich mit wachsender Faszination weiter und erfuhr in diesem Buch, aus welchen Elementen sich nach Meinung von Francisco Fronner – nennen wir ihn Don Francisco, wenn wir es ehrerbietig meinen, oder Paco, wenn wir ihn zu unseren Freunden rechnen – der andalusische Charakter zusammensetzt. Und ich bewunderte Don Franciscos heute eher selten anzutreffenden Mut zur Verallgemeinerung.
Denn die hervorstechenden Eigenschaften des andalusischen Charakters, schreibt er, seien folgende : » Sorgloser Leichtsinn, übermütige Fröhlichkeit, Eitelkeit, Putzsucht ( gemeint ist die weibliche Neigung zu aufregenden Kleidern, nicht zum geschrubbten Küchenboden ), Redseligkeit, Prahlsucht, Dünkel, Spottsucht, Neugierde und Leichtgläubigkeit. « Und jetzt kommt’s : » Zu diesen teilweise nicht sehr empfehlenswerten Eigenschaften gesellt sich jedoch ein gutmütiges, leicht versöhnliches Wesen, höfliche Zuvorkommenheit und Dienstfertigkeit gegen Fremde ( Don Francisco spricht hier mit dem Selbstbewusstsein des wohlhabenden deutschen Touristen ), wohl auch uneigennützige Gastfreiheit, ungewöhnliche Liebenswürdigkeit im Umgange, scharfer Verstand, gepaart mit rascher Auffassung, und eine überschwängliche orientalische Phantasie. "

 

 2205490-0b133c6b614db6e49800133897ec23b9.jpg
Paul Ingendaay (Keulen, 5 januari 1961)
Cover

 

 

De Keniase schrijver Ngũgĩ wa Thiong’o werd geboren op 5 januari 1938 in Kamiriithu, Limuru, Kenia. Zie ook alle tags voor Ngũgĩ wa Thiong’o op dit blog.

Uit: Petals of Blood

“It did not matter that for him, all these years, he had acquired very little. Still he felt a lordly proprietorial air to the structure: was the police not the force that guaranteed that stability which alone made possible the unhindered accumulation of wealth? Everybody, even those millionaires that had ganged together under Kamwene Cultural Organization, really owed their position to the force. The police force was truly the maker of modern Kenya, he had always felt. The Karegas and their like should really be deported to Tanzania and China! But it was people like Munira who really disturbed him. How could Munira have repudiated his father's immense property? Could property, wealth, status, religion, plus education not hold a family together? What else could a man want? Inspector Godfrey decided that it was religious fanaticism! Yet from his own experience in the police force, such fanaticism was normally found among the poor. Human beings: they could never be satisfied! And yet there was a way in which Munira was right. This system of capitalism and capitalistic democracy needed moral purity if it was going to survive. The skeletons that he himself had come across in the New Ilmorog could not very well come under the label of moral purity. Of course he had seen similar or near similar things in Nairobi, Mombasa, Malindi, Watamu and other places but he had never before given it much thought because, at least so he supposed now, he had never before come across a Munira who was prepared to murder in the name of moral purity. And it was not Wanja's Sunshine Lodge that Inspector Godfrey was thinking about. It was, for instance, the Utamaduni Cultural Tourist Centre at Ilmorog. Ostensibly it was there to entertain watalii from USA, Japan, West Germany, and other parts of Western Europe. But this only camouflaged other more sinister activities: smuggling of gemstones and ivory plus animal and even human skins. It was a centre for the plunder of the country's natural and human assets. Women, young girls, were being recruited to satisfy any watalii's physical whims. The more promising ones, those who seemed to acquire an air of sophistication with a smattering of English and German were lured to Europe as slave whores from Africa! Inspector Godfrey was in no doubt that this lucrative trade in Black Ivory was done with the knowledge of Nderi wa Riera, the MP for the area, for did he not own the centre? He was in partnership with the proprietor, the man from West Germany. Black Ivory for Export: First-rate Foreign Exchange Earner: but couldn't we do without it, Inspector Godfrey thought, recalling the storm that had burst out when years before a similar trafficking in young flesh had been discovered at Watamu Bay? Maybe he would talk to his superiors about this: maybe he would give them the separate report that he had made.”

 

 2205490-0ae771cd44baee4d71d7138de04f55d0.JPG
Ngũgĩ wa Thiong’o (Kamiriithu, 5 januari 1938)

 

 

De Chinese schrijver Xu Xiake werd geboren op 5 januari 1587 in Jiangyin (provincie Jiangsu). Zie ook alle tags voor Xu Xiake op dit blog.

Uit: Randonnées aux sites sublimes (Vertaald door Jacques Dars)

« A ce moment-là, un épais brouillard tour à tour tombe puis se dissipe, nous rendant, à chacun de ses assauts, invisibles l’un à l’autre ! Tous les sommets du mont en Fleur de Lotus, nous les apercevons, pris pour la plupart dans la brume ; pourtant, chose curieuse, durant l’ascension de la Métropole Céleste, lorsque j’avançais, le brouillard était sur mes talons, et lorsque je le franchissais à droite, il surgissait à gauche. Ici, les pins, droits ou torves, parviennent encore à pousser en désordre, mais les cyprès, eussent-ils des branches de la taille d’un bras, sont sans exception aplatis et collés comme des mousses sur les rochers. A cette altitude, les vents sont d’une rare violence, et les brumes et vapeurs vont et viennent sans se fixer ; quand on baisse les yeux vers tous les sommets, on les voit tantôt surgir en crêtes aiguës aux tons d’émeraude, tantôt sombrer dans un océan argenté ; si l’on porte le regard vers la base des monts, on la trouve, elle, baignée de soleil, nimbée d’une lumière cristalline : un autre monde ! Mais le crépuscule approche ; aussi, pieds en avant, mains vers l’arrière et agrippées au sol, nous laissons-nous, assis, glisser vers le bas ; aux endroits les plus dangereux,  Source Pure me reçoit des mains et des épaules. Les périls franchis, nous descendons jusqu’à une plate-forme montagneuse, alors que la nuit tombe. De là, nous remontons la gorge par des passerelles de bois, et faisons halte au monastère de Manjusri. »

 

 2205490-1ebd1fce90e78cc9205458c233f82c71.jpg
Xu Xiake (5 januari 1587 – 8 maart 1641)

 

 

De Argentijnse dichteres en schrijfster Luisa Futoransky werd geboren op 5 januari 1939 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Luisa Futoransky op dit blog.

 

Vitraux of Exile

All the efficacy of the names
which the imagery laboriously built up to fascinate you
falls silent:
a rich cemetery of ashes
that, now, is your geography.

You learned at the cost of your youth
and most of your innocence
that to be alone in a forsaken suburb of the pampas
or in splendid Samarkand
holds the same dimension of oblivion or tragedy;
that the wind never took pity scattering
stones and the dead, that only the doomed tourists
take each other's photos showing off their glass beads

because to say country is to whisper barely seven letters
and through them the density of secret combinations
gravestones of strangers bearing our name
and pale photos that preserve the echo of your passage
toward love or despair.
It’s also the memory of tiring labors
or maybe some old tune
that retains the first risks of your youth.

A country is your name
and the acid violence with which a word comes
to your defenseless traveler’s mouth.
It’s a map with a river whose source and outlet
curiously unite at the exact spot on earth
that your bones wish to fertilize.

It’s daybreaks, insomnias, salutations, anger,
an arm, a shoulder, diminutives, insults,
farewells, gardens, meetings, tremors,
promises, autumns, rails, challenges,
absolute nouns that allow
no other explanation for its weight in ghosts:
these and not others.

 

Vertaald door Jason Weiss

 

 2205490-b4d3b52a855c67e45ee6c50bad957e9a.jpg
Luisa Futoransky (Buenos Aires, 5 januari 1939)

 

 

De Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt werd geboren op 5 januari 1921 in Konolfingen. Zie ook alle tags voor Friedrich Dürrenmatt op dit blog.

Uit: Das Versprechen

»Der Hausierer hatte auf einem Bürosessel ohne Lehne Platz genommen, Treuler seinen Stuhl an Matthäis alten Schreibtisch gerückt, der ihm als Stütze für seinen linken Arm diente, dazu die Beine übereinandergeschlagen und den Kopf in die linke Hand gelegt. Er rauchte eine Zigarette. Feiler nahm das Protokoll auf. Henzi und ich blieben in der Türe stehen und wurden von dem Hausierer nicht bemerkt, da er uns den Rücken zukehrte.
›Ich habe es nicht getan, Herr Polizeiwachtmeister‹, murmelte der Hausierer.
›Das habe ich auch nicht behauptet. Ich sagte nur, du könntest es getan haben‹, erwiderte Treuler. ›Ob ich recht habe oder nicht, wird sich ja dann feststellen lassen. Beginnen wir von vorn. Du hattest dich also am Waldrande bequem hingelagert?‹
›Jawohl, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Und geschlafen?‹
›Richtig, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Warum? Du wolltest doch nach Mägendorf.‹
›Ich war müde, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Weshalb hast du denn den Briefträger nach dem Polizisten in Mägendorf ausgefragt?‹
›Um mich zu erkundigen, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Was wolltest du wissen?‹
›Mein Patent war nicht erneuert. Da wollte ich wissen, wie es um die polizeilichen Verhältnisse in Mägendorf stünde.‹
›Und wie stand es um die polizeilichen Verhältnisse?‹
›Ich erfuhr, in Mägendorf sei ein Stellvertreter. Da fürchtete ich mich, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Ich bin auch ein Stellvertreter‹, erklärte der Polizist trocken. ›Vor mir fürchtest du dich auch?‹
›Jawohl, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Aus diesem Grunde wolltest du auch nicht mehr ins Dorf?‹
›Jawohl, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Das ist gar keine so üble Version der Geschichte‹, sagte Treuler anerkennend, ›aber vielleicht gibt es noch eine andere Version, die nur den Vorzug hätte, wahr zu sein.‹
›Ich habe die Wahrheit gesagt, Herr Polizeiwachtmeister.‹

 

 2205490-473c7af64f3c96622814d238475ed5d6.jpg
Friedrich Dürrenmatt (5 januari 1921 – 14 december 1990)
Scene uit een toneelbewerking, Düsseldorf, 2017

 

 

De Iraanse dichteres Forough Farokhzad werd geboren op 5 januari 1935 in Teheran. Zie ook alle tags voor Forough Farokhzad op dit blog.

 

Rode wijn danste in de beker

Rode wijn danste in de beker
In zijn blik schittterde de dorst
Mijn lichaam trilde in verrukking
Op het zachte bed van zijn naakte borst

Ik heb gezondigd, een zonde vol genot
Naast een lichaam, bevend zonder woord
O God, ik weet niet wat ik deed
In dit donkere, afgelegen oord.

 

Vertaald door Nafiss Nia en Ronald Bos

 

 

Gezel

De nacht komt
En dan de duisternis
En na de duisternis
Ogen
Handen
En zuchten en zuchten en zuchten...
En het geluid van het water
Dat druppel voor druppel uit de kraan stroomt;
Dan twee rode punten
Van twee aangestoken sigaretten;
Tik tak van de klok
En twee harten
En twee eenzaamheden

 

Vertaald doorAsghar Seyed-Gohrab

 

 2205490-cba2b4f36227fa7b413ad41f9382d08c.jpg
Forough Farokhzad (5 januari 1935 – 13 februari 1967)
Cover

 

 

De Hongaarse schrijver László Krasznahorkai werd geboren op 5 januari 1954 in Gyula. Zie ook alle tags voor László Krasznahorkai op dit blog.

Uit: Seiobo There Below (Vertaald door Ottilie Mulzet)

“Everything around it moves, as if just this one time and one time only, as if the message of Heraclitus has arrived here through some deep current, from the distance of an entire universe, in spite of all the senseless obstacles, because the water moves, it flows, it arrives, and cascades; now and then the silken breeze sways, the mountains quiver in the scourging heat, but this heat itself also moves, trembles, and vibrates in the land, as do the tall scattered grass-islands—the grass, blade by blade in the riverbed; each individual shallow wave, as it falls, tumbles over the low weirs, and then, every inconceivable fleeting element of this subsiding wave, and all the individual glitterings of light flashing on the surface of this fleeting element, this surface suddenly emerging and just as quickly collapsing, with its drops of light dying down, scintillating, and then reeling in all directions, inexpressible in words; clouds are gathering; the restless jarring blue sky high above; the sun is concentrated with horrific strength, yet still indescribable, extending onto the entire momentary creation, maddeningly brilliant, blindingly radiant; the fish and the frogs and the beetles and the tiny reptiles are in the river; the cars and the buses, from the northbound number 3 to the number 32 up to the number 38, inexorably creep along on the steaming asphalt built parallel on both embankments, then the rapidly propelled bicycles below the breakwaters, the men and women strolling next to the river along paths that were built or inscribed, into the dust, and the blocking stones, too, set down artificially and asymmetrically underneath the mass of gliding water: everything is at play or alive, so that things happen, move on, dash along, proceed forward, sink down, rise up, disappear, emerge again, run and flow and rush somewhere, only it, the Ooshirosagi, does not move at all, this enormous snow-white bird, open to attack by all, not concealing its defenselessness; this hunter, it leans forward, its neck folded in an S-form, and it now extends its head and long hard beak out from this S-form, and strains the whole, but at the same time it is strained downwards, its wings pressed tightly against its body, its thin legs searching for a firm point beneath the water's surface, it fixes its gaze on the flowing surface of the water, the surface, yes, while it sees, crystal-clear, what lies beneath this surface, down below in the refractions of light, however rapidly it may arrive, if it does arrive, if it ends up there…”

 

 2205490-242349a9a747378b0adf44c5f1458cd7.jpg
László Krasznahorkai (Gyula, 5 januari 1954)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:20 Reageer op dit bericht

Peter Zingler, Yevgeni Popov, William Snodgrass, Pierre Seghers, Fred Wander, Humbert Wolfe, Stella Gibbons, Terenci Moix

De Duitse schrijver en scenarist Peter Zingler werd geboren op 5 januari 1944 in Chemnitz. Zie ook alle tags voor Peter Zingler op dit blog.

Uit: Vom Tunnel zur Himmelsleiter

„Der Typ, der vor dem Düsseldorfer Flughafen aus dem Taxi stieg, sah nicht aus wie ein Erste Klasse Passagier. Peter Zingler trug Jeans, Sweatshirt, eine kurze schwarze Lederjacke und auf dem Kopf die Batschkapp, unter der seine langen Haare hervorstrubbelten. Auch einen Vollbart hatte der Kerl, der sich nun vorsichtig sichernd umschaute, als fürchte er Ungemach. Für den kalten Januartag war er viel zu dünn angezogen und in seiner kleinen Leinentasche war sicher kein Platz für dicke Wintermäntel. Er betrat das Flughafengebäude, orientierte sich, passierte den Sicherheitscheck und stand dann vor der Passkontrolle. Wer ihn kannte, bemerkte die leichte Nervosität, das Schaben des rechten Fußes, dann die Gewichtsverlagerung auf den linken Fuß, bis der Grenzschutzbeamte den Pass zurückgab. Zingler bedankte sich, ging schnell einige Meter weiter außer Sichtweite, blieb stehen und atmete tief durch! Jetzt schlenderte er gemächlich zu einem Gate, auf dessen Anzeigetafel das Flugziel MONTEGO BAY zu lesen war.
Die erste Hürde hatte Peter Zingler geschafft.
Nun saß er in der Maschine, einer Lockheed TriStar der LTU, die langsam Fahrt aufnahm, so stark beschleunigte, dass der Rumpf zitterte und dann endlich abhob. Peter schaute aus dem Fenster auf Düsseldorf hinunter und lehnte sich entspannt zurück. Erst mal entkommen. Er sah sich in der Maschine um. Zwar war ihm schon am Gate aufgefallen, wie viele alleinreisende Frauen auf den Abflug nach Jamaika warteten, hübsche junge Frauen, alle im besten Studentenalter.“

 

 2205489-b31cb11f7e30fd694047c48cc651f46a.jpg
Peter Zingler (Chemnitz, 5 januari 1944)

 

 

De Russische schrijver Yevgeni Anatoljewitsj Popov werd geboren op 5 januari 1946 in Krasnojarsk, Sibirië. Zie ook alle tags voor Yevgeni Popov op dit blog.

Uit: De sigaar (Vertaald door Karel van het Reve)

“Er was eens een braaf meisje dat bij het station Oejar aan de Oostsiberische spoorweg woonde. Haar pa bleek een behoorlijke schoft en verdween op een keer met onbekende bestemming, en ma was altijd ziek. Ze had zelfs een keer naar het sanatorium ‘Het Sjira-meer’ gemogen. Ze was altijd maar ziek en ging dood, stil en onopgemerkt, bescheiden en pijnloos.
Het meisje begroef haar moeder en zette een kruis met foto op haar graf. Ma keek op de foto of ze leefde. Het meisje treurde een tijdje, nam afscheid van haar in leven gebleven oudtante en ging naar de stad.
En daar loopt ze op straat en opeens ziet ze op een paal geplakt een scheef papiertje:
‘Kamer voor meisje aleen. Op de Prokrovka.’
Ze ging naar het opgegeven adres dat van een gewiekste oude vrouw bleek te zijn van een bochelige constructie. Het mens vroeg drie maanden huur vooruit, en verbood alle bezoek want ze ‘wilde van haar huis geen bordeel maken’. Zelf bedronk de oude zich de eerste avond aan ‘Zonnegave’, liep de moestuin in en begon ruzie te maken met de buurvrouw. Die gooide haar met zonnebloemkoppen. De oude begon te gillen, keerde zich om en deed haar rok omhoog. Een onduldbare belediging, en de buurvrouw wierp zich dan ook in het gevecht, er kwam een politieman proces-verbaal maken.
Het meisje wilde eerst op de financiële crediet-academie, maar het bleek dat er dat jaar geen leerlingen werden aangenomen. Toen kreeg ze een betrekking bij de post, brieven, kranten en postwissels rondbrengen.
Vriendinnen had ze niet. Ze ging een keer dansen in het Polytechnisch Instituut, en daar werd ze gevraagd door een lange, harige. Leek enigszins op zo'n ‘zanger’ die zoet en luid zingt bij electrische instrumenten op een grammofoonplaat van dat merk. Hij heette Vovik. Hij bracht haar thuis, stond en rookte en probeerde onder haar kleren te komen en werd teruggewezen, en de volgende dag kwam hij weer, en de oude vrouw zei:
Je moet die bok niet aanhalen. Ik zie aan zijn smoel dat je met hem de sigaar bent.
Daar denk ik helemaal niet aan, zei het meisje.
Je kunt denken wat je wilt, maar als je hem aanhaalt ben je de sigaar, hield de oude vol.
Maar het meisje geloofde haar niet. Ze gingen dansen, naar de bioscoop, twee keer nam hij haar mee naar huis, waar hij sterk aandrong. Maar de eerste keer werden ze door zijn vader gestoord. Hij rammelde met het deurslot en riep opgewekt de reusachtige woning in:
Vollek! De kostwinner is terug van zijn vergadering en heeft een honger als een paard!”

 

 2205489-9a7743a171def5b0554440f83887d8c4.jpg
Yevgeni Popov (Krasnojarsk, 5 januari 1946)

 

 

De Amerikaanse dichter William De Witt Snodgrass werd geboren op 5 januari 1926 in Wilkinsburg, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor William Snodgrass op dit blog.

 

Nightwatchman's Song
After Heinrich I. F. Biber

I
What’s unseen may not exist—
Or so those secret powers insist
That prowl past nightfall,
Enabled by the brain’s blacklist
To fester out of sight,

So we streak from bad to worse,
Through an expanding universe
And see no evil.
On my rounds like a night nurse
Or sentry on qui vive,

I make, through murkier hours, my way
Where the sun patrolled all day
Toward stone-blind midnight
To poke this flickering flashlamp’s ray
At what’s hushed up and hidden.

Lacking all leave or protocol,
Things, one by one, hear my footfall,
Blank out their faces,
Dodge between trees, find cracks in walls
Or lock down offices.

Still, though scuttling forces flee
Just as far stars recede from me
To outmost boundaries,
I stalk through ruins and debris,
Graveyard and underground.

Led by their helmetlantern’s light
Miners inch through anthracite;
I’m the unblinking mole
That sniffs out what gets lost or might
Slip down the world’s black hole.

 

 2205489-c4b50aad698a8ad9110e526c5bb6b2df.jpg
William Snodgrass (5 januari 1926 – 13 januari 2009)

 

 

De Franse dichter en uitgever Pierre Seghers werd geboren op 5 januari 1906 in Parijs. Zie ook alle tags voor Pierre Seghers op dit blog

 

Le nègre Bungalow

Le nègre Bungalow dans son île flottante
A quatre boules bleues, quatre boules de mer
Quatre étoiles d’or pur et quatre bulles d’air
Un chandelier d’argent dont les chandelles chantent.

Une harpe qu’Eole a touchée. Ses cheveux
Le nègre Bungalow les tisse sur les planches
Sa barque est enchantée sous sa peinture blanche
Il jongle, il joue, les jours qu’il pêche sont des jeux.

Il a deux cocotiers qui donnent des amandes
Un fusil de cristal, une bague de feu
Un grand voile de ciel qu’ il décloue quand il veut
draper d’azur et d’eau ses filles de lavande.

Il tangue sur son île où le voient les poissons,
Il passe, il rit, et les étoiles le préfèrent
Les sept mages postés aux bouches de la mer
L’annoncent : Il viendra… Les constellations

retroussent dans le ciel leurs cheveux de nuages
Andromède et Vénus l’attendent. Le chanteur
va venir, et les galaxies pressent leur coeur
C’est le fait de leur nuit qu’il boit à son passage.

Il s’en vient, il s’en va de L’Arctique au Pégal,
Il souffle le bonheur dans de grandes coquilles
Des sorciers bottés se rongent sous la quille
Et son cheval marin se fait un vrai cheval

Pégase, Bungalow, Icare, Poésie…

 

 2205489-e5a5aec08e96b4f6da435ec3adcdf32d.jpg
Pierre Seghers (5 januari 1906 – 4 november 1987)
Hier in 1942, rechts op de foto, met collegaschrijvers Louis Aragon and Elsa Triolet

 

 

De Oostenrijkse schrijver Fred Wander werd geboren op 5 januari 1917 in Wenen als Fritz Rosenblatt. Zie ook alle tags voor Fred Wander op dit blog.

Uit: Worüber ich schreibe

„Wenn ich sage, mein Thema ist das Überleben – wie überlebt der Mensch in der Katastrophe, dann meine ich das nicht nur physisch, und nicht Menschen in der Gruppe, sondern Einzelgänger meine ich, den nomadischen Typ, den Flüchtling, den Andersartigen und Außenseiter, den Mißachteten und Gehaßten. Denn der Mensch findet sich selbst besser im Unbekannten, als in der Geborgenheit seines Stammes. Und er ist dann besser geeignet, in sich die Menschheit als Ganzes zu erleben. Auch das ist das zentrale Thema: Die Selbstfindung in der Fremde und Anonymität. Und ich habe mein Leben lang nach exemplarischen Beispielen Ausschau gehalten, von Leuten, die fast nichts besitzen, kaum Bedürfnisse haben und doch Freude am Dasein finden. Ich meine nicht Heilige, sondern ganz einfache und manchmal sogar ungeschickte Menschen, die wenig brauchen, um viel zu erleben. Die oft geradezu ekstatisch zu leben verstehen, in einer Freiheit, die nur sie kennen. Deren Lebenskunst in der Mischung der Gegensätze liegt, in der Spannung der Kontraste zwischen äußerster Trauer und dann wieder Lebensfreude, manchmal in überschäumender, wilder Energie – und manchmal in marmorner Ruhe, wenn der Boden wankt. Einige von diesen Leuten habe ich in meinen Erzählungen zu zeichnen versucht.“

 

 2205489-0ae6e5e33618fc906831a0a734a930fe.jpg
Fred Wander (5 januari 1917 – 10 juli 2006)
Cover biografie

 

 

De Engelse dichter Humbert Wolfe werd geboren op 5 januari 1885 in Milaan. Zie ook alle tags voor Humbert Wolfe op dit blog.

 

Give me the wings

Give me the wings, magician! So their tune
Mix with the silver trumpets of the Moon,
And, beyond music mounting, clean outrun
The golden diapason of the sun.
There is a secret that the birds are learning
Where the long lanes in heaven have a turning
And no man yet has followed: therefore these
Laugh hauntingly across our usual seas.
I'll not be mocked by curlews in the sky;
Give me the wings, magician, or I die.

 

 

On Betelgeuse

On Betelgeuse
the gold leaves hang in golden aisles
for twice a hundred million miles,
and twice a hundred million years
they golden hang and nothing stirs,
on Betelgeuse.

Space is a wind that does
not blow on Betelgeuse,
and time - oh time - is a bird,
whose wings have never stirred
the golden avenues of leaves
on Betelgeuse.

On Betelgeuse
there is nothing that joys or grieves
the unstirred multitude of leaves,
nor ghost of evil or good haunts
the gold multitude
on Betelgeuse.

And birth they do not use
nor death on Betelgeuse,
and the God, of whom we are
infinite dust, is there
a single leaf of those
gold leaves on Betelgeuse.

 

 2205489-12ceef4ac468d4501e2347312dabadd4.jpg
Humbert Wolfe (5 januari 1885 – 5 januari 1940)
Borstbeeld in Londen

 

 

De Engelse schrijfster Stella Gibbons werd geboren op 5 januari 1902 in Londen. Zie ook alle tags voor Stella Gibbons op dit blog.

Uit:Cold Comfort Farm

“Mrs Smiling's character was firm and her tastes civilized. Her method of dealing with wayward human nature when it insisted on obtruding its grossness upon her scheme of life was short and effective; she pretended things were not so: and usually, after a time, they were not. Christian Science is perhaps a larger organization, but seldom so successful. 'Of course, if you encourage people to think they're messy, they will be messy,' was one of Mrs Smiling's favourite maxims. Another was, 'Nonsense, Flora. You imagine things.' Yet Mrs Smiling herself was not without the softer graces of imagination. `Well, darling,' said Mrs Smiling - and Flora, who was tall, bent and kissed her cheek - 'will you have tea, or a cocktail?' Flora said that she would have tea. She folded her gloves and put her coat over the back of a chair, and took the tea and a cinnamon wafer. 'Was the funeral awful?' enquired Mrs Smiling. She knew that Mr Poste, that large man who had been serious about games and contemptuous of the arts, was not regretted by his child. Nor was Mrs Poste, who had wished people to live beautiful lives and yet be ladies and gentlemen. Flora replied that it had been horrid. She added that she was bound to say all the older relatives seemed to have enjoyed it no end.
`Did any of them ask you to go and live with them? I meant to warn you about that. Relatives are always wanting you to go and live with them,' said Mrs Smiling. `No. Remember, Mary, I have only a hundred pounds a year now; and I cannot play Bridge.' `Bridge? What is that?' enquired Mrs Smiling, glancing vaguely out of the window at the river. 'What curious ways people have of passing their time, to be sure. I think you are very fortunate, darling, to have got through all those dreadful years at school and college, where you had to play all those games, without getting to like them yourself. How did you manage it?' Flora considered. `Well - first of all, I used to stand quite still and stare at the trees and not think about anything. There were usually some trees about, for most games, you know, are played at in the open air, and even in the winter the trees are still there. But I found that people would bump into me, so I had to give up standing still, and run, like the others. I always ran after the ball because, after all, Mary, the ball is important in a game, isn't it? until I found they didn't like me doing that, because I never got near it or hit it or did whatever you are supposed to do to it.”

 

 2205489-2c8d60044036901b08c08cbc5a3368ed.jpg
Stella Gibbons (5 januari 1902 – 19 december 1989)
Cover

 

 

De Spaanse (Catalaanse) schrijver Terenci Moix werd geboren op 5 januari 1942 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Terenci Moix op dit blog.

Uit: Looking Queer - Terenci Moix

(In: The Hispanic Homograph: Gay Self-representation in Contemporary Spanish Autobiography door Robert Richmond Ellis)

“When Terenci Moix was fourteen years old, he first witnessed an act of civil disobedience. As he was about to purchase a copy of La Van-guardia from a kiosk on the Paralelo of Barcelona, a throng of Catalan dissi-dents suddenly burst down the street, shouting and seizing newspapers. At the time, he was completely unaware of the historical significance of the in-cident, and as the police began to club and arrest the protesters, he felt a pro-found sense of relief. And with good reason too. After all, poor Norma Shearer had been led off to the guillotine by a similar sort of mob in the film Marie Antoinette. According to his autobiographical volumes, El cine de los stibados [The Saturday matinee] and El beso de Peter Pan (The kiss of Peter Pan), Hollywood cinema (and to a lesser degree radio, comics, and film in general) determined his childhood vision of the world and himself and con-stituted him as "la perfecta imagen del jovencito colonizado" (199) [the per-fect image of the colonized little lad]! This cinematic colonization preceded his birth (his mother supposedly went into labor during a screening of Gas-light), fixing the parameters of his alienation as a gay youth while simulta-neously establishing the context for his eventual act of defiance as an openly gay writer and autobiographer. For the young Moix, however, cinema was.”

 

Uit: The Kiss of Peter Pan

“When Peter Pan kissed me in a pergola of the gardens of Never Land, I was afraid that his love might be a one-day flower, and I decided to seize his dagger in order to force him to return to me in moments of danger. But the hero assured me that such a precaution was unnecessary because we would never be parted. By way of confirmation we made cuts in our wrists and mixed our blood and therefore I know that through my veins flows the star dust that only eternal children have.”

 

 2205489-855310a5aab354e7d020700befe80bf8.jpg
Terenci Moix (5 januari 1942 – 2 april 2003)
Cover

Geschreven door Romenu om 13:19 Reageer op dit bericht

Gao Xingjian, Hellmuth Karasek, Emil Zopfi, David Berman, Markus Seidel, Andreas Altmann, Doris Kearns Goodwin, Jacob Grimm, Svend Fleuron

De Chinese schrijver Gao Xingjian werd geboren op 4 januari 1940 in Ganzhou, in de provincie Jiangxi. Zie ook alle tags voor Gao Xingjian op dit blog.

Uit: One Man’s Bible (Vertaald door Mabel Lee)

“While still in China, he had revisited the old city, looking for the old courtyard compound at the back of the bank where his father had once worked. He found only a few cheaply built cement residential buildings that would have been constructed a good number of years earlier. He asked people coming in and out if such a courtyard used to be there, but no one could say for sure. He remembered that at the rear gate of the courtyard, below the stone steps, there was a lake. At Duanwu Festival, his father and his bank colleagues would crowd on the stone steps to watch the dragon-boat race. There was the pounding of big gongs and drums, as dragon boats decorated with colorful streamers came to snatch the red packets hanging from bamboo poles put out the houses around the lake. The red packets, of course, contained money. His third uncle, youngest uncle, and youngest aunt, once took him out on a boat to fish for the two-horned water chestnuts that grew in the lake. He had never been to the opposite side of the lake, but even if he went there and looked back, from that short distance, he would not have recognized this dreamlike memory.
This family had been decimated; it was too gentle and fragile for the times. It was destined to have no progeny. After his grandfather died, his father lost his job as bank manager and the family fell into rapid decline. His second uncle, who was keen on singing Peking Opera, was the only one to work with the new government authorities, and this was on account of his Democratic Personage title. Nevertheless, seven or eight years later he was labeled a rightist. Afterward, he grew sullen, barely spoke, and would doze off as soon as he sat down. Transformed into a listless, wizened old man, he held on for a few years, then quietly died. The members of this big family died of illness, drowned, committed suicide, went insane, or followed their husbands to prison farms and simply passed away, so that the only person left was a bastard like him. There was also his eldest aunt whose black shadow had once engulfed the whole family. She was said to have been alive and well a few years ago, but he had not seen her since that photo was taken. The husband of this aunt was a member of the Nationalist airforce. As ground personnel, he never dropped a bomb but he fled to Taiwan, where he died of some illness a few years later. He did not know how this aunt had managed to get to America, and had not bothered to find out.”

 

 2205253-a6f1f40fa7ab0f930110ad18edf541c5.jpg
Gao Xingjian (Ganzhou, 4 januari 1940)

 

 

De Duitse journalist, schrijver, film- en literair criticus en hoogleraar theaterwetenschap Hellmuth Karasek werd geboren op 4 januari 1934 in Brno, Moravië, Tsjechoslowakije. Zie ook alle tags voor Hellmuth Karasek op dit blog.

Uit: Süßer Vogel Jugend oder Der Abend wirft lange Schatten

„Wer Grillen jagt, 
wird Grillen fangen.
Deutsches Sprichwort
Früher hieß es von den Alten, dass sie »Grillen« haben, »Grillen fangen«, was so viel bedeuten sollte wie Marotten haben, wunderlich werden und versponnen, zu fixen Ideen neigen. Ich bin den Grillen bei einer gründlichen Untersuchung, einem sogenannten »Check-up«, begegnet, bei dem sich Apparate über uns hermachen, die immer genauer, immer bunter, mit immer phantasiereicheren Bildern und Symbolen unser Innerstes nach außen bringen, in teils naturgetreuen, sozusagen in der Körperlandschaft abfotografierten Bildern, teils in Bildern, übersetzt aus Daten vom pulsierenden Pumpen in der Aorta, von der Ausdehnung der Leber, der Füllung der Blase. Ultraschall heißt das. Und die Bilder, die produziert werden, haben die gleiche Entwicklung durchlaufen wie der Film und das Fernsehen: Sie werden immer bunter, können Töne absondern und werden von Computern gesteuert. So habe ich meine Kinder bereits im Mutterleib sehen können, damals noch als primitive schwarz-weiß schraffierte Strichzeichnung, wenn auch bewegt. Und der Arzt fragte: »Wollen Sie wissen, was es wird?« Und wir, die künftige Mutter und ich, haben »Nein« gesagt. Und er hat zu seinem Glück gesagt, er wisse es auch nicht. Zu seinem Glück! Denn wenn er etwas gesehen hätte, hätte er bloß etwas sehen können, was nur ein Junge hat. Logisch! Der Mehrwert! Das Plus! Selbst Tomographen sind Chauvis! Es wurde ein Mädchen. Inzwischen zeichnen die Geräte die Babys in Utero als hinreißende Technicolor-Bilder auf. Der Fortschritt lässt sich auch hier nicht aufhalten. Und das Alter bleibt auch hier hoffnungslos zurück. Eines Tages werde ich traurig sagen: »Ich gehöre noch zu der Generation, die ihre Babys nur unscharf schwarz-weiß im Bauch der Mutter gesehen haben!« Und meine Tochter wird sagen: »Ich habe mein Baby farbig gesehen. Farbig, scharf gestochen. Wie im richtigen Leben!« Alles ist viel genauer. Und so hat die Assistentin mir alles auf dem Bildschirm des Ultraschallgeräts gezeigt, wirklich alles, nachdem sie lange gebraucht hatte, das neue Gerät zu verstehen. Sie musste erst mit ihrer Kollegin telefonieren. Und hat dann immer »Aha« gesagt. »Aha!« und eine Taste bedient. »Aha! Ja so!« – »Ich muss mich entschuldigen«, sagte sie zu mir, »ich war länger im Urlaub, und in der Zeit haben wir einen neuen Sonographen bekommen. Elektronisch!« – Ich sah also blaue und rote Blutströme ums Herz und aus dem Herzen pulsieren, manchmal schaltete die Assistentin auf Momentaufnahme, und das Bild blieb stehen, und mir stockte der Atem unwillkürlich, als wäre mein Herz über den Stillstand so erschrocken, dass es stillestehen wollte. Doch dann, Gott sei Dank, setzte sie das Herz wieder in Gang, ich atmete durch. Sie konnte es auch klopfen lassen. Und dann schlug es laut, regelmäßig, aber schleppend, fast ein wenig schmatzend. Und ich war meinem eigenen Herzen noch nie so fremd gewesen – außer bei einer Gemeinheit, wo ich es auch laut schlagen hörte, wenn auch nicht so laut.“

 

 2205253-96cc7817554c742d58542214fa3fe41d.jpg
Hellmuth Karasek (4 januari 1934 – 29 september 2015)

 

 

De Zwitserse schrijver Emil Zopfi werd geboren op 4 januari 1943 in Wald. Zie ook alle tags voor Emil Zopfi op dit blog.

Uit: Mettmen gibts noch

“Vor Jahren kletterte ich in London im Westway Sports Centre an Betonklötzen mit Kunstgriffen, die im Freien unter einem Autobahnkreisel stehen. Dabei wünschte ich mir sehnlichst, ich wäre in Mettmen, im Klettergarten mit den Felsklötzen aus griffigem, festem Quarzporphyr im Widerstein oberhalb der Mettmenalp. Das erste Mal kam ich mit meinen Eltern nach Mettmen wegen der Heidelbeeren. Es war kurz nach dem Zweiten Weltkrieg, und wir füllten grosse Kessel mit Beeren für Konfitüre. In der Nacht schliefen wir unter kratzenden Wolldecken im Berghaus. Mit unseren eigenen Kindern kamen wir nach Mettmen für die ersten Kletterübungen, und seit Jahren kommen wir immer wieder in den Klettergarten, kaum ist der Schnee weg – und im Herbst, solange die Sonne noch über den Grat scheint. Die Routen kennen wir auswendig, «Nur Fliegen ist schöner», «Chiron», «Zaubertrank» und so weiter.
Heute ist ein wolkenloser Tag, und, oh Wunder, wir sind allein. Suchen den Schatten, denn Schatten gibt es immer irgendwo rund um die 18 haushohen Felsblöcke. Nicht hoch ist das, kann aber auch mal schön steil sein. Der Kletterführer GLclimbs von Ruedi Jenny und Felix Ortlieb verzeichnet über hundert Routen in den Graden 2 bis 8a – viel Schönes im Bereich 5c bis 6c. An Wochenenden im Frühling und Herbst sind die Felsen oft umlagert von Familien mit Oma, Opa, Eltern und Kindern, und alle klettern oder hüten zwischendurch das Baby oder den Hund.
Die Routen hat in jahrelanger harter Arbeit vor allem der Glarner Kletterer und Künstler Felix Ortlieb mit seiner Frau und Freunden perfekt eingerichtet. Alte Rosthaken wurden durch solides Material ersetzt, neue Linien erschlossen. Legendär sind seine von Hand gezeichneten und liebevoll gestalteten Routenbüchlein, die heute Liebhaberobjekte sind. Auch die Topografien in seinem Glarner Kletterführer GLclimbs sind von bestechender Klarheit, für Mettmen genügen Fotos mit farbigen Linien. Ein Foto zeigt den Autor im tiefsten Winter splitternackt an einer mit Eiszapfen gespickten Wand hängen – die Felsen von Mettmen, so vermittelt das Bild, sind eine Welt mit eigenen Gesetzen. Landschaftlich und atmosphärisch ist Mettmen sicher einer der schönsten Klettergärten der Ostschweiz.“

 

 2205253-51e7a7023bf1f19f437b53490c20a8d0.jpg
Emil Zopfi (Wald, 4 januari 1943)

 

 

De Amerikaanse dichter, songwriter en frontman van Silver Jews David Berman werd geboren op 4 januari 1967 in Williamsburg, Virginia. Zie ook alle tags voor David Berman op dit blog.

 

Self-Portrait At 28 (Fragment)

My childhood hasn't made good material either
mostly being a mulch of white minutes
with a few stand out moments,
popping tar bubbles on the driveway in the summer
a certain amount of pride at school
everytime they called it "our sun"
and playing football when the only play
was "go out long" are what stand out now.

If squeezed for more information
I can remember old clock radios
with flipping metal numbers
and an entree called Surf and Turf.

As a way of getting in touch with my origins
every night I set the alarm clock
for the time I was born so that waking up
becomes a historical reenactment and the first thing I do
is take a reading of the day and try to flow with it like
when you're riding a mechanical bull and you strain to learn
the pattern quickly so you don't inadverantly resist it.

 

II two

I can't remember being born
and no one else can remember it either
even the doctor who I met years later
at a cocktail party.
It's one of the little disappointments
that makes you think about getting away
going to Holly Springs or Coral Gables
and taking a room on the square
with a landlady whose hands are scored
by disinfectant, telling the people you meet
that you are from Alaska, and listen
to what they have to say about Alaska
until you have learned much more about Alaska
than you ever will about Holly Springs or Coral Gables.

 

 2205253-fa052bea8658b1cc7379d3f99cdb2d2a.jpg
David Berman (Williamsburg, 4 januari 1967)

 

 

De Duitse schrijver Markus Seidel werd geboren op 4 januari 1969 in Wilhelmshaven. Zie ook alle tags voor Markus Seidel op dit blog.

Uit: Das verschwundene Dorf

„Es war ein schöner Tag, ein Samstag, die Sonne schien und es war ziemlich heiß. Wir hatten bald große Ferien, Sommerferien; Marie und Maya, meine Geschwister, und ich freuten uns schon darauf, denn wir wollten in Frankreich an der Atlantikküste mit unseren Eltern zelten. Maya geht noch in den Kindergarten, Marie in die sechste und ich in die fünfte Klasse. Ich hatte vor Kurzem meinen elften Geburtstag gefeiert, auf der Terrasse hing noch immer das bunte Happy-Birthday-Spruchband von der Party.
Mama schickte uns nach draußen. Papa saß an dem Tag, an dem ich plötzlich verschwand, oben an seinem Schreibtisch und schrieb an seinem Buch. Seit ein paar Wochen schrieb er daran, er ist nämlich Schriftsteller. Nebenher arbeitet er für eine Zeitung und schreibt Artikel. Worüber, weiß ich nicht so genau, aber hin und wieder liest er mir etwas vor. Ich mag es, wie er schreibt. Einmal habe ich ihn auch gefragt, ob er mir nicht etwas aus seinem Buch, an dem er gerade tippt, vorlesen möchte, aber er meinte, das sei nichts für mich, dafür sei ich noch zu klein, aber später, wenn ich älter sei, würde er es mir zum Lesen geben. Das hat er mir jedenfalls versprochen.
Meine Mama ist bei einer Versicherung; was sie da genau macht, weiß ich auch nicht, aber sie hat ziemlich viel zu tun.
Es war also ein Samstag, Mama hatte frei und Papa tippte, wie gesagt, oben an seinem Buch. Wir baten ihn wieder einmal, uns etwas vorzulesen, aber er schüttelte nur den Kopf und erzählte uns eine Geschichte, die er sich in diesem Moment ausdachte. Marie fand die Geschichte langweilig (mir gefiel sie), sie sagte es ihm auch ganz direkt, aber Papa nahm es ihr nicht übel und meinte, dass er sich ganz bestimmt irgendwann auch eine Geschichte ausdenken würde, die ihr gefiele. Dann nahm er sie in den Arm und wirbelte sie durch die Luft, bis Mama lachend meinte, sie würden beide noch einen Drehwurm kriegen, wenn er so weitermacht. Dann wollte auch Maya von ihm herumgewirbelt werden, schließlich auch ich, und am Ende sollte uns natürlich auch Mama durch die Luft drehen.
An dem besagten Tag hatte Mama uns nach draußen geschickt, weil so schönes Wetter war und sie das Mittagessen vorbereiten wollte. Wir malten zuerst ein bisschen mit Kreide auf dem Gehweg, Marie hatte aber bald keine Lust mehr, und schlug dann vor, Verstecken zu spielen. Obwohl sie schon zwölf ist, spielt sie immer noch für ihr Leben gern Verstecken. Ich sollte sie und Maya suchen, Maya war mit ihren vier Jahren noch zu klein, um sich alleine zu verstecken, das hatte uns auch Mama immer wieder gesagt: Einer muss immer bei Maya bleiben.“

 

 2205253-63b0664f485cc25ce6311e6e5dd23fad.jpg
Markus Seidel (Wilhelmshaven, 4 januari 1969)
Wilhelmshaven

 

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Altmann werd geboren in Hainichen (Sachsen) op 4 januari 1963. Zie ook alle tags voor Andreas Altmann op dit blog. Zie ook mijn blog van 8 juni 2009 

 

insel kopf

vergitterte bunkerwände liegen am kopf
der insel gestoßen das meer plätschert dahin
vergangene hände haben einzelne federn
an finger starke drähte gebunden im stein

nach dem sommer werden sie fliegen
hier sieht man teile der wurzeln von unten
ohne zu sterben steil blättert die küste
aus dem sand zeigt eine rostige uhr

sie ist naß ihr vergeht diese zeit später
hab ich den schwan für die federn gefunden
ihm fehlte der kopf nur am körper
war das bild seines schattens zu ändern

 

 

rauschen

nachtfrost hatte die gegend gelöscht,
farben brachen ineinander. du hast mir
geschrieben, wechsle dich aus und den namen
an eine andere tür gesprochen. das holz war hart
für deine weichen lippen. das rauschen
nach dem brand der bäume war noch warm.
du hast mein haar aus deinem mund gerochen.
der kopf war nackt und flüssig deckte sich
die hand im wasser auf und das gesicht
schwamm in den blick zurück. ich schrieb dir
ohne nur ein wort die alten stellen aus.
es war kein brief. es war mein leben.

 

 2205253-e6b409912e2e842329216f26b378dda8.jpg
Andreas Altmann (Hainichen, 4 januari 1963)

 

 

De Amerikaanse schrijfster en biografe Doris Kearns Goodwin werd geboren op 4 januari 1943 in New York. Zie ook alle tags voor Doris Kearns Goodwin op dit blog.

Uit: The Bully Pulpit

“Perhaps most surprising to me in my own process of research was the discovery that Roosevelt's chosen successor in the White House, William Howard Taft, was a far more sympathetic, if flawed, figure than I had realized. Scholarship has long focused on the rift in the relations between the two men during the bitter 1912 election fight, ignoring their career-long, mutually beneficial friendship. Throughout the Roosevelt administration, Taft functioned, in Roosevelt's own estimation, as the central figure in his cabinet. Because it was seen as undignified for a sitting president to campaign on his own behalf, Taft served as the chief surrogate during Roosevelt's 1904 presidential race, the most demanded speaker on the circuit to explain and justify the president's positions. In an era when presidents routinely spent long periods away from Washington, crisscrossing the country on whistle-stop tours or simply vacationing, it was Taft, the secretary of war—not the secretary of state or the vice president—who was considered the "acting President." Asked how things would be managed in his absence, Roosevelt blithely replied: "Oh, things will be all right, I have left Taft sitting on the lid." Long before Taft's 1908 election, Roosevelt had disclosed his passionate wish that Taft be his successor. There was no man in the country, he believed, better suited to be president, no man he trusted more to carry out his legacy of active moral leadership and progressive reform. Yet, left alone at the helm when Roosevelt embarked on a yearlong African expedition, Taft questioned whether he was suited for the office. For all of Taft's admirable qualities and intentions to codify and expand upon Roosevelt's progressive legacy, he ultimately failed as a public leader, a failure that underscores the pivotal importance of the bully pulpit in presidential leadership. From the start of his administration, Taft's relationship with journalists was uneasy. He was never able to seek the counsel they offered or harness the press corps to broadcast a coherent narrative concerning his legislative goals. As a former judge, he assumed that his decisions would speak for themselves. Eventually, he recognized the handicap of his inability to engage the press as his predecessor had done, conceding after he left office that he had been "derelict" in his use of the bully pulpit.”

 

 2205253-92d49be9ccbec9b654357e01d2316c50.jpg
Doris Kearns Goodwin (New York, 4 januari 1943)

 

 

De Duitse jurist, taal- en letterkundige Jacob Ludwig Karl Grimm werd geboren in Hanau op 4 januari 1785. Zie ook alle tags voor Jacob Grimm op dit blog.

Uit: Kinder- und Hausmärchen (Der gute Handel)

„Ein Bauer, der hatte seine Kuh auf den Markt getrieben und für sieben Taler verkauft. Auf dem Heimweg mußte er an einem Teich vorbei, und da hörte er schon von weitem, wie die Frösche riefen "ak, ak, ak, ak." – "Ja," sprach er für sich, "die schreien auch ins Haberfeld hinein: sieben sind's, die ich gelöst habe, keine acht." Als er zu dem Wasser herankam, rief er ihnen zu: "Dummes Vieh, das ihr seid! Wißt ihr's nicht besser? Sieben Taler sind's und keine acht." Die Frösche blieben aber bei ihrem "ak, ak, ak, ak." – "Nun, wenn ihr's nicht glauben wollt, ich kann's euch vorzählen," holte das Geld aus der Tasche und zählte die sieben Taler ab, immer vierundzwanzig Groschen auf einen. Die Frösche aber kehrten sich nicht an seine Rechnung, und riefen abermals: "Ak, ak, ak, ak." – "Ei," rief der Bauer ganz bös, "wollt ihr's besser wissen als ich, so zählt selber," und warf ihnen das Geld miteinander ins Wasser hinein. Er blieb stehen und wollte warten, bis sie fertig wären und ihm das Seinige wiederbrächten, aber die Frösche beharrten auf ihrem Sinn, schrieen immerfort "ak, ak, ak, ak" und warfen auch das Geld nicht wieder heraus. Er wartete noch eine gute Weile, bis der Abend anbrach und er nach Haus mußte. Da schimpfte er die Frösche aus und rief: "Ihr Wasserpatscher, ihr Dickköpfe, ihr Glotzaugen, ein groß Maul habt ihr und könnt schreien, daß einem die Ohren weh tun, aber sieben Taler könnt ihr nicht zählen. Meint ihr, ich wollte dastehen bis ihr fertig wärt?" Damit ging er fort, aber die Frösche riefen noch "ak, ak, ak, ak" hinter ihm her, daß er ganz verdrießlich heimkam.
Über eine Zeit erhandelte er sich wieder eine Kuh, die schlachtete er und machte die Rechnung, wenn er das Fleisch gut verkaufte, könnte er so viel lösen, als die beiden Kühe wert wären, und das Fell hätte er obendrein. Als er nun mit dem Fleisch zu der Stadt kam, war vor dem Tore ein ganzes Rudel Hunde zusammengelaufen, voran ein großer Windhund. Der sprang um das Fleisch, schnupperte und bellte: "Was, was, was, was." Als er gar nicht aufhören wollte, sprach der Bauer zu ihm: "Ja, ich merke wohl, du sagst ›was, was‹, weil du etwas von dem Fleische verlangst, da sollt ich aber schön ankommen, wenn ich dir's geben wollte." Der Hund antwortete nichts als "was, was." – "Willst du's auch nicht wegfressen und für deine Kameraden da gutstehen?" – "Was, was," sprach der Hund. "Nun, wenn du dabei beharrst, so will ich dir's lassen, ich kenne dich wohl und weiß, bei wem du dienst. Aber das sage ich dir, in drei Tagen muß ich mein Geld haben, sonst geht dir's schlimm. Du kannst mir's nur hinausbringen." Darauf lud er das Fleisch ab und kehrte wieder um. Die Hunde machten sich darüber her und bellten laut, "was, was." Der Bauer, der es von weitem hörte, sprach zu sich: "Horch, jetzt verlangen sie alle was, aber der große muß mir einstehen."

 

 2205253-2b297b04b2906a04b365f6f2fd385eac.jpg
Jacob Grimm (4 januari 1785 – 20 september 1863)
Cover

 

 

De Deense schrijver Svend Fleuron werd geboren op 4 januari 1874 op het landgoed Katrinedal bij Keldby. Zie ook alle tags voor Svend Fleuron op dit blog.

Uit: Strix, Die Geschichte eines Uhus (Vertaald door Mathilde Mann)

„Der Schneesturm stiefelt über Wald und Heide, über Wiese und Moor hin, verkittet und löscht aus -- nur die rinnenden Gewässer liegen wie vorher da, grauschwarz und offen. Über die blanken Eisgürtel auf den stillen Mooren, die sich wie ein Keil in den Wald hineintreiben, gleitet das Gestöber in breiter Schlachtordnung dahin, bis es plötzlich aufgewirbelt und in eine Schneeschlange verwandelt wird, die auf dem Schwanz steht. Es dunkelt in der Baumtiefe um Strix herum. Ihre lichtstarken Augen können das Spinnengewebe nicht mehr sehen, das von dem Schlackerwetter fortwährend auf und nieder geschaukelt wird. Immer weniger scharf hebt sich der Eingang da oben zu ihrem Hause ab ... die Nacht, die sie so sehr liebt, naht. Besonnen erklimmt sie die Treppe und sitzt in der Tür und heult: die Erde hat ja die Farbe gewechselt, wie die Bäume die Rinde, die Natur ist verwandelt, ihr alter Bekannter aus dem Wunderland gen Norden, der Winter -- das Weißwetter -- ist gekommen! Mit einem Satz fliegt sie hinaus und hinab in den Schnee, sie badet sich darin, sie tummelt sich darin wie eine Ente im Wasser! -- -- -- Der Schneesturm aber nimmt zu. Sprung auf Sprung wirft sich das Gestöber gegen den Wald. Es wirbelt vom Waldessaum her, es stiebt aus den Wipfeln herab, es ist, als falle der Himmel in weißen kleinen Stückchen nieder, ununterbrochen ... ein Wolfswetter, das drei Tage und drei Nächte anhält! In einem solchen Wetter werden alle Raubtiere reizbar; es wird ihnen schwer, Beute zu finden, und sie haben kein Glück beim Fang. Alle Grasfresser suchen ihr Versteck auf; die zanksüchtigen unter ihnen werden friedlich und die streitbaren fügsam, sie erkennen ihre gemeinsame Ohnmacht und halten sich notgedrungen in Ruhe. Den Raubtieren ergeht es umgekehrt. Das Wetter peitscht sie auf, sie empfinden den Hunger doppelt, die Mordlust wird angespornt, und sie spüren einen eigenartig brennenden Durst nach Blut.
Es ist mitten in der Nacht nach dem dritten Tage. Der Schneesturm hat sich gelegt, und der Wald liegt reifüberpudert und mit großen Schneeklecksen da. Abenteuerlich sieht er aus -- großartig phantastisch erscheint er in der Dunkelheit. Alle Blattknospen in den Windeln, alle Anemonen in der schwarzen Fruchterde, die Puppen, die zu Schmetterlingen werden, die Larven, aus denen sich einstmals beschwingte Insekten entwickeln sollen, sehen ihn -- ohne ihn zu sehen -- im Traume! Ja, es ist, als wenn die Erde, auf der der Wald steht, selbst träumt -- und der Wald in seinem phantastisch weißen Wetterkleide ist der wundervolle Mitwintertraum der Erde!“

 2205253-edb6b5ca5ae2ab87799488ec28e59ba8.jpg
Svend Fleuron (4 januari 1874 – 5 april 1966)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e januari ook mijn blog van 4 januari 2018 en ook mijn blog van 4 januari 2017 en mijn blog van 4 januari 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:20 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten