Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 17 april 2019 tot 18 april 2019

Gethsemane (Richard Dehmel)

 

Bij Witte Donderdag

 

 

 2231798-e6aa3212698dfc5fb7030cecf311a77d.jpg
De gevangenneming van Christus door Caravaggio, ca. 1602

 

 

Gethsemane

Lautlos steht der starre Hain der Palmen,
tiefe Schatten schaun aus Busch und Halmen,
ihre blauen Thränen weint die Nacht.
Nur von dumpfen Menschenlauten schauert
der verstummte starre Hain, und schauert;
einsam stöhnt und stöhnt und trauert
auf den Knien ein Mann in Betteltracht.

Höre, höre, Geist der Wahrheit,
meinen Zwiespalt, meine dunkle Schuld:
der ich wandelte in Kampf und Starrheit,
Liebe lehrt' ich und Geduld.
Ach! ein Baum, der Licht gab, wollt' ich leben,
übermächtig der Natur;
nur mein Glaube war mir Leben.
Ach, sie sahn nicht auf mein Streben,
sahn die That, des Baumes Schatten nur.

Uebermenschlich hab' ich mich vermessen,
und sie haben fromm gemeint:
Ich, ich lebte selbstvergessen.
Einer, Er nur – Judas! Freund!
warum willst du mich verraten?!
O zertrennte mich doch mein Gebet,
daß ich zwiefach lebte Wort und Thaten,
Menschen menschlich irrend zu beraten,
auch dem Zweifel ein Prophet!

Und zum Mond die Arme wild gebreitet
und die Augen in die Nacht geweitet,
läßt er seine dunkeln Blicke irr'n.
Und er sieht die Schaaren seiner Qualen,
durch das Dickicht brechen bleiche Stralen,
und sie bohren ihm die fahlen
Dolche gierig in die glühende Stirn.

Wehe, wehe, Geist der Liebe:
voller Reinheit schwebst du klar und hoch,
doch dein Pfad ist Nacht und kalt und trübe,
und mich kettete die Erde doch!
Schwerter stieß ich in die weichsten Herzen:
Allen wollt' ich liebend glühn,
aber meiner Mutter mach' ich Schmerzen
und mit sehnsuchtwundem Herzen
weint um mich die Magdalenerin.

Nackt und bloß, und nur ein Menschensohn,
wollt' ich trösten all mein arm Geschlecht;
doch im Mitleid glimmt die Rache schon,
auch der Reichste hat auf Liebe Recht!
Judas, Judas, kommst du mich zu richten?
ist Entsagung, ist Gewalt mein Loos?
Muß denn diese Welt sich erst vernichten,
um das Reich des Friedens aufzurichten?
Freiheit, lebst du im Gewissen blos?!

Und verzagt aufs Antlitz hingezwungen,
spürt er heftiger die Anfechtungen,
seine zarte Stirne trieft von Schweiß.
Und er fühlt wie Blut die großen Tropfen
von den Schläfen in die Gräser tropfen,
seine brennenden Pulse klopfen
an die Erde hart und laut und heiß.

Geist des Lebens: Klarheit, Klarheit!
wird denn Sieg um Opfer nur gewährt?
Sieh, es kommt der Jünger Meiner Wahrheit:
hier der Todesbecher, hier das Schwert!
Selig, meiner Inbrunst mich zu töten,
eine Lebensleuchte wollt' ich stehn,
aber jetzt in Todesnöten
sieh mich zittern, sieh mich beten:
laß den Kelch an mir vorübergehn!

Allzu willig war mein Fleisch dem Geist!
weh: entbrächen meines Glaubens Gluten.
Sollen Tausend um mich Einen bluten?
Wer nach Meinem Wandel lebt, verwaist.
Nein, ich fühl es: nicht wie Ich will, Vater,
dunkler Geist, der alle Seelen speist,
allen Fleisches Schöpfer und Berater,
Du des Lebens, Du des Todes Vater,
Deiner Hand befehl ich meinen Geist!

Und er horcht, und sieht die Nacht erglühen,
starrer stehn die Bäume, Fackeln sprühen
auf, und dumpfe Menschenlaute nahn.
Und verzückt den Seherblick gehoben,
steht und hört er seine Häscher toben,
und ein Lächeln schluchzt nach Oben:
Judas, komm! ich schreite nur voran –

 

 

 2231798-295b3c3aab0cb9a9057c67902b838053.jpg
Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)
Dehmel-monument in Hermsdorf, de geboorteplaats van Richard Dehmel

 

 

Zie voor de schrijvers van de 18e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:27 Reageer op dit bericht

Wam de Moor, Roos van Rijswijk, Hanane Aad, Bas Belleman, Clara Eggink, Kathy Acker, Joy Davidman, Henry Kendall, Katharina Schwanbeck

De Nederlandse schrijver, dichter, neerlandicus en literatuurcriticus Willem Anton Marie (Wam) de Moor werd geboren in Zevenaar op 18 april 1936. Zie ook alle tags voor Wam de Moor op dit blog.

Uit: Tussen het Derde Straatje en Fifth Avenue

“Reeds in de wintermaanden van 1943, toen ik zinnetje voor zinnetje de avonturen van Puk en Muk spelde, daagde bij mij het besef dat er een oceaan lag tussen het Derde Straatje achter Luilekkerland en de Fifth Avenue van New York. Waar mijn kleine helden ook heen reisden, naar China, Afrika, Drakenland of de maan, ze ontmoetten monsters, reuzen, salamanders en mandarijnen, maar nooit zoveel gekken als daar overzee, in het land van de Italiaanse immigrant Bedotti. Mijn onbestemde afkeer werd minder vaag, toen ik in de herfst die volgde kennis maakte met het fenomeen van de Yankee die in Nijmegen kwam passagieren. Deze onderscheidde zich van de bij ons ingekwartierde Tommie door een vrijheid van bewegen die mijn vader ertoe bracht om mijn geslachtsrijpe zusters binnen te houden en elk tegenaanbod in de vorm van in een der omliggende gemeenten gestolen cognac, zilveren bestek of corned beef, met klem af te wijzen. Er waren sedert dien niet alleen veel Amerikanen, maar ze waren ook brutaal. En toen nog wat later, in het kader van het Marshallplan, uit Albany, een stad ergens aan de oostkust, grote klerenpakketten bezorgd werden, waaruit losse flodderjurken en lange onderbroeken met poepsplitten te voorschijn kwamen, was ik er zeker van: Amerikanen waren gekker dan wij. Het wantrouwen was gewekt en ik ben er nooit meer vanaf gekomen. Ze hebben ook alles gedaan, in Korea, later in Vietnam en in Chili, om mijn vooroordelen te voeden. Vandaar dat Portnoy's Complaint zomin als Myra Breckinridge en Fear of Flying op een welwillende ontvangst konden rekenen. Maar ik noem daar dan wel meteen drie romans die ik typisch Amerikaans vind.
De problematiek die Anbeek oproept, kent naar mijn mening vier aspecten: ten eerste het verschil tussen de Amerikaanse en de Nederlandse literatuur, hier beperkt tot de hedendaagse literatuur; ten tweede de verschillende verwachtingspatronen van Amerikaanse studenten en Nederlandse lezers; ten derde de concrete situatie van onze literatuur op het tijdstip dat de bestsellers Een vlucht regenwulpen en Opwaaiende zomerjurken verschenen; en ten laatste het functioneren van de literaire kritiek.
Mijn kennis van de moderne Amerikaanse literatuur gaat niet verder dan ik lezend in Janssens' standaardwerk als overzicht verwerken kan en wat ik haphazard in twee decennia van de bekendsten - Kerouac, Vidal, Roth, Bellow, Kosinski, Malamud, Purdy, Nabokov, Styron, Kesey, Cheever en Jong - heb gelezen. Het zal niemand moeite kosten om intuïtief vast te stellen dat deze schrijvers geen Engelsen maar Amerikanen zijn, zoals Cortázar, Donoso, Borges, Marquez en Trevisan als Zuidamerikanen ervaren worden en Boon, Claus, Gijsen en Walschap als Vlamingen, niet-Nederlanders.“

 

 2231794-eb3ed6ca7ea5d60d5d40919d8ae341a7.jpg
Wam de Moor (18 april 1936 – 12 januari 2015)
In 1979

 

 

De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk werd geboren in Amsterdam op 18 april 1985. Zie ook alle tags voor Roos van Rijswijk op dit blog.

Uit: Onheilig

“Als je stervende mensen begeleidt moet je soms over je principes heen stappen, moet ze gedacht hebben, en ze schoof die van haar op-zij om te doen alsof ze vond dat ik een nobel mens ge-weest ben. Wat heeft het voor zin een halfdode de les te lezen? Het schrijven is vervreemdend, of eigenlijk voor-al het teruglezen, alsof ik brieven lees van een ander, iemand die sterft — brieven zonder aanhef, aan nie-mand geschreven. Aan wie kan ik schrijven?
De halfdoden. Er zijn praatgroepen voor mensen die met één been in het graf staan, zodat ze samen naar hun einde toe kunnen schemeren. Dat zijn de men-sen die in de supermarkt een doos eieren pakken en denken aan de levens die er met eieren verloren gaan. of aan hoe ze vroeger eieren zochten in de tuin van hun ouders. Het zijn mensen met een vroeger dat opeens zonovergoten is, maar vol gemiste kansen. Ik schemer liever alleen. Als ik in de supermarkt sta denk ik wel: het is vreemd dat het niet aan me te zien is. Maar wat als het wél aan me te zien was?
Leendert liet zijn handen hangen, in een ervan zat mijn pakje nog. Hij keek me aan en zag niets bijzon-ders en toen keek hij achter me, naar de steile smalle trap waar er nog twee van zijn voor je mijn huis be-reikt. Boven ons rolden de kinderen van de buren over de grond, achter Leendert rammelden fietsen langs. Ik heb Leendert, die me sinds mensenheugenis mijn pakjes brengt, en Jacoba, die me laat schrijven. Leendert omhelsde me met het spul nog steeds in zijn hand en ik moet geritseld hebben als een bos dro-ge takken. Zijn ogen spiegelden en zijn verbeten kop werd verbetener en daarna zei hij: kut met peren, kan-kerzooi. Hij sloeg zijn hand voor zijn mond. Ja, zei ik, kanker. De stipjes in mijn lichaam trilden van plezier, ze horen nog steeds niet bij mij, terwijl ik ze zelf aanmaak.”

 

 2231794-a1c2f54959ff37a5aefdde2fa4c83f0c.jpg
Roos van Rijswijk (Amsterdam, 18 april 1985)

 

 

De Libanese dichteres, journaliste en vertaalster Hanane Aad werd geboren op 18 april 1965 in Beiroet. Zie ook alle tags voor Hanane Aad op dit blog.

 

Self-Sacrifice

My face broke long ago.
For ages I lived without my face,
could not cry,
because my eyes were broken too.
Mirrors grew dumb,
locked their worlds away.
My face shattered,
the universe quaked,
my face shattered
and my heart heard the steps of the frost approaching
but refused to resist.
It said: break me, as you did the face,
but spray me like rays of love
where coldness, darkness and flagellation prevail.
Plant my remains in the desert
then the miracle will come to pass,
plant my remains in the desert
then the sand will bear lilies and jasmine.
Sprinkle my blood around the edges of the wound
and through my wounds I will become balsam.

 

 

The Tools of Patience

I place a necklace of poetry
around the neck of the moment,
and flee the limitations of time.
Aboard the enigmatic horizon
I clothe the mind with light.
I cast the lava of suspicion
into the flaming furnace.
Employing the tools of patience
I tame the heat of the deserts,
employing the philosophy of generosity
I attain laurels of riches.
and at the peak of death nihilism.
I embrace the miracle of survival.

 

Vertaald door de dichteres en John Wilmot

 

 2231794-f9c4c2d2f26a0a9a0676983a2cc75d72.jpg
Hanane Aad (Beiroet, 18 april 1965)

 

 

De Nederlandse dichter en vertaler Bas Belleman werd in Alkmaar geboren “op een heldere ochtend in april” (Rottend Staal) van het jaar 1978. Zie ook alle tags voor Bas Belleman op dit blog.

 

Baviaan antwoordt

Ik weet niet wat er hier te lachen of te huiveren valt

Wel weet ik wie mijn hok verschoont

Darwin hing de slingers aan mijn dak,
knipte de confetti die ik strooi.
Kinderen leren: daar stammen wij van af.
Maar zij zijn vrij en ik zit in een kooi.
Zelfs mijn botten zijn tralies.

Waar u vandaan komt? Van huis.

Waar u heen gaat? Naar huis.

En ik zit hier op mijn rooie reet
mijn bloed rond te pompen.

 

 2231794-6ddcc11b16706ac4e9c1c043fe2bff00.jpg
Bas Belleman (Alkmaar, april 1978)

 

 

De Nederlands dichteres en schrijfster Clara Eggink werd geboren in Utrecht op 18 april 1906. Zie ook alle tags voor Clara Eggink op dit blog.

 

Nixe

Mijn hart is koel, mijn lijf is koud.
Het water is mij meer vertrouwd
Dan al uw groene wegen.

Een streeling en een warme hand
Binden mij toch niet aan dit land.
Ik ga de stroomen tegen.

Ik duik bij dag en drijf bij nacht.
Mijn zingen is een waterklacht:
Geluk alleen verzwegen.

Ik leef naar zee, mijn dood wordt schuim.
Ik zweef dan een met 't waterruim
En daal eens neer als regen.

 

 

Geluk en hart

Geluk en hart zijn niet te binden.
Het hart wil vangen en behouden.
Geluk is damp en bij vertrouwde
Dingen is het toch niet te vinden.

Geluk is plotseling en snel.
Het hart is taai en wil volharden
Wanneer die tijdelijke wel,
Na eene hooge straal, verstarde.

Het hart blijft zwaar en dorstig achter.
Het zoekt in weer gesloten steenen
Het water eens door zon beschenen.
't Geluk is in een wolk verdwenen.

 

 2231794-29a9a10082a9b64d0779aad03818be26.jpg
Clara Eggink (18 april 1906 – 3 maart 1991)

 

 

De Amerikaanse schrijfster, essayiste en feministe Kathy Acker werd op 18 april 1947 in New York geboren als Karen Alexander. Zie ook alle tags voor Kathy Acker op dit blog.

 

To Slave trader

Are you really crazy, doesn’t you my love mean anything to?
Do you think I'm than icy more frigid Illyria?
To you so valuable, whoever she is, does that girl seem
That without me controlled by the winds to go you want?
You hear can the raging of oceans under bridges,
brave? on hard cold floor how to sleep you can know?
you, delicate and scared, survive chills and frosts
you can, not used to the slightest snow?
Let winter's be double the length of solstice
let be dead ‘cause of late the sailors Pleiades
let no your from the Tyrrhenian be freed ropes muck
let not unfriendly my throw away winds pleas!

But, let there be no double winter dead winds,
if you on a speeding carry away the waves ship
from me prisoned on this empty and allow shore
you horror with clenched to threaten wrist.

But whatever happens whatever I, horror, you owe,
I hope Galatea brings you luck
may be sailed-by Ceraunian cliffs by oar felicitous
let in Oricos with calmness.
Me no one will take away from you
but I, life, in front of your house bitter puss will keep screaming
and not I may fail ever sailor to ask passing-by,
‘Tell me, in what port in prison my boy is?’
and I will cry, ‘It’s possible on Atracian he's set down shores
or it's possible in Hylaeia, he my future is.’

 

 2231794-61af1764fc16958501bdbe517ed2650f.jpg
Kathy Acker (18 april 1947 – 30 november 1997)

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Joy Davidman werd geboren op 18 april 1915 in New York. Zie ook alle tags voor Joy Davidman op dit blog.

 

Prayer before Daybreak

I have loved some ghost or other all my years.
Dead men, their kisses and their fading eyes
dim in the house of memory; glimmers
in twilight air, no more. They were not there
to say no to me when I wanted them,
so it was safe to love them.
And dead gods,
blind eyes in plaster in the safe museum,
the broken hands without the thunderbolt
and the lost mouths that could not laugh at prayers
I did not make to them.
And a worse ghost,
the thin unearthly shadow of tomorrow
scudding ahead of my realities,
that since it never could be overtaken
could never disappoint me.
Dear shadows,
images of bare branches on the snow
already melting; images
of dwindled sun in the shadows of eclipse
running like ghosts of snakes along the ground
while the moon’s shadow passes. Ghosts of ghosts,
the twittering echoes of the strengthless dead
who do no harm.

Only the terrible Now
I dared not love. Not the word made flesh,
not the Incarnation bearing a sword
to strike me to the heart; not that which is,
but is not I. Not God,
or sun, or blood, or anything real
that when I spoke it could not say no to me.

For I have loved my own ghost all these years
till there is nothing to say yes to me;
till there is only vast and lightless nothing
and in the heart of it not even I.

O Love, let shadows flee;
O live sun, living God, incarnate sword
of edged reality, let me be hurt,
but let me be alive enough to die.

 

 2231794-4ac2df26034c2abddf1adf27998b8c3f.jpg
Joy Davidman (18 april 1915 – 13 juli 1960)
Cover biografie

 

 

De Australische dichter Henry Kendall werd geboren op 18 april 1839 in Milton. Zie ook alle tags voor Henry Kendall op dit blog.

Uit: The Austral Months

 

January

The first fair month! In singing Summer's sphere
She glows, the eldest daughter of the year.
All light, all warmth, all passion, breaths of myrrh,
And subtle hints of rose-lands, come with her.
She is the warm, live month of lustre — she
Makes glad the land and lulls the strong, sad sea.
The highest hope comes with her. In her face
Of pure, clear colour lives exalted grace;
Her speech is beauty, and her radiant eyes
Are eloquent with splendid prophecies.

 

 

February

The bright-haired, blue-eyed last of Summer. Lo,
Her clear song lives in all the winds that blow;
The upland torrent and the lowland rill,
The stream of valley and the spring of hill,
The pools that slumber and the brooks that run
Where dense the leaves are, green the light of sun,
Take all her grace of voice and colour. She,
With rich warm vine-blood splashed from heel to knee,
Comes radiant through the yellow woodlands. Far
And near her sweet gifts shine like star by star.
She is the true Demeter. Life of root
Glows under her in gardens flushed with fruit;
She fills the fields with strength and passion — makes
A fire of lustre on the lawn-ringed lakes;
Her beauty awes the great wild sea; the height
Of grey magnificence takes strange delight
And softens at her presence, at the dear
Sweet face whose memory beams through all the year.

 

 2231794-491785e0dae092221c8fb2baf807acfe.jpg
Henry Kendall (18 april 1839 – 1 augustus 1882)
Cover

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse schrijfster Katharina Schwanbeck werd geboren in 1979 in Rostock. Zie ook alle tags voor Katharina Schwanbeck op dit blog.

Uit: Der Krebs in den Köpfen

„Du besuchst deine Freundin in Hamburg. Du willst fliehen, weil du mal wieder Kummer hast, ausgerechnet jetzt, denkst du. Sie schleppt dich hierhin und dorthin, überall ist es laut und schick. Zu schick für deine momentane Gefühlslage. Dein Gesicht entwickelt Hitzepickel, deine Haare hängen in klebrigen Strähnen auf die Schultern. Egal ist dir das noch lange nicht.
Abends geht ihr in eine Bar, du kannst den Namen nicht aussprechen und läßt es lieber gleich. Ihr sitzt auf weißen, eckigen Lederpolstermöbeln, werdet beschienen von schummerigen Designerlampen, bestellt übertrieben teure Cocktails und vor euch sitzen die beiden größten Trottel des Abends: Lutz und Jens. Deine Freundin kennt sie aus dem Büro und meint, dass es doch lustig sein könnte.
Lutz und Jens sind über fünfunddreißig, sie tragen auffallend neutrale Klamotten. Na klar. Sie erzählen nicht viel und stochern statt dessen in ihren Caipis rum. Langweilig, denkst du und deine Freundin stößt dich mit dem Bein unter dem Tisch an.
Wo wohnst du, fragst du, weil du höflich bist. Uhlenhorst, sagt Jens. Aha, sagst du und denkst, langweilig!
Später knutscht deine Freundin noch mit Jens vor der Tür. Du stehst auf der Straße, drehst mit den Augen und denkst, dass das doch alles nicht wahr sein kann. Du kommst dir vor wie bestellt und nicht abgeholt. Eine halbe Stunde später wankt ihr nach Hause. Deine Freundin kichert und sie bekommt alle zwei Minuten eine Sms von Jens, der ganz heiß gelaufen zu sein scheint und anfragt, ob sie sich nicht noch treffen wollen, ohne dich, versteht sich.
Du verstehst das alles nicht und denkst, dem ist der Sommer in den Kopf gestiegen. Deine Freundin lacht und sagt: der Trottel hat wenigstens die Getränke bezahlt. Meine nicht, sagst du und stellst dir vor, wie Jens verliebt im Bus nach Uhlenhorst sitzt.“

 

 2231794-1095618c8d2f8067b1cec14c57681955.jpg
Katharina Schwanbeck (Rostock, 1979)
Rostock, Neuer Markt

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e april ook mijn blog van 18 april 2017 en ook mijn blog van 18 april 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:19 Reageer op dit bericht

Joop Visser

De Nederlandse liedjeszanger en tekstdichter Joop Visser werd op 18 april 1938 geboren in Utrecht als Jacob Herman Frederik Fischer. Sinds 1976 treedt hij op onder de naam Joop Visser. Fischer is de zoon van Henri Fischer, antropoloog en hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Na zijn middelbareschooltijd op het Montessori Lyceum Herman Jordan begon hij in 1957 zijn studie aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hij schreef toen liedjes die hij voor medestudenten speelde. Het noodlijdende platenlabel SGI vroeg hem zijn nummers voor het label op te nemen. Fischer gaf hier in 1960 gehoor aan. De twee 45-toerenplaatjes van Fischer werden aanvankelijk alleen rechtstreeks in de studentenwereld verkocht, maar door het grote succes raakte al gauw ook de commerciële platenhandel geïnteresseerd en werden Fischers platen overal in het land verkocht. In het oude repertoire van de zanger zitten diverse Nederlandse klassiekers: “Het ei”, “De monniken”, “Om je geld”, “Jan Soldaat”. De thema's die Fischer bezong, waren gevarieerd. In een liedje zoals Sprookje – half gezongen, half parlando – liet hij verschillende personages op een bijzondere manier tot leven komen. En zo volgden ook enkele protestsongs. Rond 1964 nam de populariteit van Fischer ongekende proporties aan. Vanaf dat moment verdween de zanger ondergronds. Geruchten deden de ronde dat hij zelfmoord had gepleegd. In werkelijkheid was hij eerst in Utrecht gaan studeren, om vervolgens naar het buitenland te gaan om te werken voor de voedsel- en landbouworganisatie van de VN, de FAO. In de jaren 1970 werkte Fischer als opbouwwerker bij de Streekraad Oost-Groningen, met name in het Oldambt. In 1973 promoveerde hij in Utrecht bij professor Groenman op zijn studie over vijf huis-aan-huisbladen in dit werkgebied. In 1976 bracht EMI een plaat uit van een zekere 'Joop Visser'. Hoewel de platenmaatschappij ontkende, werd de stem door velen herkend als die van Jaap Fischer. Sinds 2004 vormt Visser een duo met Jessica van Noord. Voor hun lied “De Schemering” kregen zij de door Jan Rot ingestelde Okapi Liedprijs. Sinds juni 2013 treedt het duo Joop & Jessica, na een afscheidstournee langs 32 theaters, niet meer op in het openbaar. Visser heeft een drietal boeken uitgegeven: 'De Olifant en de Muis', 'De Grote Schilderijenroof' en 'Toekomst en Zekerheid: gids voor jonge mensen'.

 

De Monniken

Daar woonden twee monniken Hans en Joop
in een klooster op een heuvel
Ze sleten hun tijd, en dat was een hoop
met sigaren, wijn en gekeuvel

Ze kletsten over Jeruzalem
en loofden de heer met Psalmen
En zo kon je Hans' eerst en Joops tweede stem
in de omtrek horen galmen

Of ze gingen ze naar het dorp benee
om daar de Heer te loven
En dan stemden ze op de KVP
en dan gingen ze weer naar boven

Er klopte daar een meisje aan
dat hebben ze opgenomen
Want ze misten bij het zingen een goeie sopraan
Daar ze zelf niet zo hoog konden komen

Zij waste hun kleren het witgoed en bont,
zij maakte hen nieuwe sandalen
In het klooster ging de wijnfles rond
en in het dorp de roddelverhalen

Het meisje begreep dit en is weggegaan
na een afscheid met veel tranen
Joop gaf haar een hand, wat ie nooit had gedaan
En Hans voor de reis wat bananen

En 's avonds zongen ze in duet
een lied dat sneed door je merg en
Het meisje hoorde dat nog net
en antwoordde over de bergen

Maar toen kwam er een man uit het dorp op de fiets
en sprak "Zo kunnen we het niet laten!
Dat meisje moet terug anders hebben we niets
zo beneden om over te praten!"

En nu zingen ze weer met z'n drieën in koor
en wast ze weer hun kleren
En ze krijgen d'r zelfs subsidie voor,
want Gods kinderen zijn rare peren.

 

 2233653-1bd8104e79412a43a208ff6ec89a9d4e.jpg
Joop Visser (Utrecht, 18 april 1938)
Cover

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Antoon Coolen, Vincent Corjanus, Nick Hornby, Ida Boy-Ed, David Wagner, Thornton Wilder, Helen Meier, Karen Blixen, R.J. Pineiro

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook alle tags voor Antoon Coolen op dit blog.

Uit: De goede moordenaar

“De dorpelingen waren daarbij, zij hebben de vervloeking van den onschuldige toen hij onder de galg stond aangehoord, door de tijden heen is dat van geslacht op geslacht overgeleverd. Waar de galg gestaan heeft, daar wijd omtrent is een dorre zandvlakte, ge kunt gaan kijken. Er groeit daar niets. Het zand stuift en stuift. De vlakte is gegolfd, gekringeld, mee kleine terpjes door den wind in den loop der tijden gevormd.
Zoo leefden wij hier. De kluizenaar bouwde zijn huis. Op een stukske grond een bietje buiten het dorp, aan eenen viersprong van wegen stonden twee hooge canada's en twee hooge wilgen zoo mee zijn vieren bijeen in den trouw der jaren en in hunne standvastigheid. Door hun kruinen woeien alle winden, en in de stormen beefden en sidderden hun stammen van de geweldige innerlijke aandoening. Misschien had den kluizenaar daar wel eens op gelet en het schoon gevonden in zijn gemoed. Ge kondt van den kluizenaar geen hoogte krijgen. Niemand wist, wie hij was of waar hij vandaan kwam. Hij liep rond in zijn broek van turksch leer, op zijn klompen en in zijn gestriept boezeroen. Hij had eenen ringbaard. Hij was daar onder de wilgen en de canadeesche populieren aan den viersprong van wegen aan het metselen gegaan. Hij had eiges het graafwerk gedaan en de fondamenten gemetseld. Hij opperde eiges, mengde de kalk, hij plaatste de steenen op elkander en bouwde en beklom den steiger. Zijn materiaal betaalde hij mee contant geld. Waar had hij het geld vandaan? Waar was hij zelf vandaan, den kluizenaar? In den tijd dat hij dit huis bouwde, 's avonds als het donker worde, dan was hij voor diejen dag afgewerkt, dan trok hij heen. Hij ging de kanten van het oude Pastoorsbosch uit, een woest en dicht bosch aan de grens van de Schinkelsche hei. Daar was hij ook uitgekomen. Daar was hij uit gekropen. Als een boschdier aanzagen ze hem. Misschien was hij een nazaat van een der schepenen, die den onschuldige hadden laten ophangen. Misschien was hij een nazaat van den verborgen en onbekend gebleven moordenaar, die gezwegen had toen een ander voor hem opgehangen worde.D'r worde wel eens gezeed, dat de kluizenaar van de kanten van de Badaf of van Oss vandaan was, zijn voorvaderen hadden misschien in de vrijstad geleefd. Daaromtrent had men geen zekerheid. Hij zee nooit een woord. Hij liep altijd mee zijnen kop gebogen, zijn oogen waren star naar den grond gericht. Hij metselde zijn huis. Hij zette er de gebinten van deur en ramen in. Hij zette er een dak op en legde eiges de pannen. Toen mochten de regenbuien komen en de stormen, de kluizenaar had een huis. Hij had een dak boven het hoofd. Hij timmerde planken in de gebinten voor de ramen. Hij timmerde planken aaneen, voor zooveel als een deur, daar maakte hij in het midden een gat in.”

 

 2231643-f31d7366434a5b48e2356ddbc90aeeb0.jpg
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter Vincent Daniel Corjanus werd geboren op 17 april 1995 in Zwolle. Zie ook alle tags voor Vincent Corjanus op dit blog.

 

Op zolder

De foto`s aan de wand zijn verdwenen.
Eén voor één
weggehaald.
Herinneringen aan vriendschappen,
avonden van wijn en liefde.
De kamer is
leger dan ooit tevoren.
Hier hebben we gelachen,
gevreeën,
voor het eerst de liefde omarmd.
Alles had een reden,
de wijnvlek in het vloerkleed,
de pennenstrepen op de muur.
Ik kan ze weer zien,
de foto`s aan de wand zijn verdwenen.

 

 

Wonder

Vaar loopt een wonder
Zo mooi
Ze schittert mest in de menigte
Een ster die net boven de grond zweeft

Ze zal nooit vallen
Ik mag geen wens doen

 

 2231643-df34da36b22a3ebc1f95a8527bd7cf37.jpg
Vincent Corjanus (Zwolle, 17 april 1995)
Cover

 

 

De Engelse schrijver Nick Hornby werd geboren op 17 april 1957 in Redhill. Zie ook alle tags voor Nick Hornby op dit blog.

Uit: Juliet, Naked

“They had flown from England to Minneapolis to look at a toilet.
The simple truth of this only struck Annie when they were actually inside it: apart from the graffiti on the walls, some of which made some kind of reference to the toilet's importance in musical history, it was dank, dark, smelly and entirely unremarkable. Americans were very good at making the most of their heritage, but there wasn't much even they could do here.
"Have you got the camera, Annie?" said Duncan.
"Yes. But what do you want a picture of?"
"Just, you know . . . "
"No."
"Well . . . the toilet."
"What, the . . . What do you call those things?"
"The urinals. Yeah."
"Do you want to be in it?"
"Shall I pretend to have a pee?"
"If you want."
So Duncan stood in front of the middle of the three urinals, his hands placed convincingly in front of him, and smiled back over his shoulder at Annie.
"Got it?"
"I'm not sure the flash worked."
"One more. Be silly to come all the way here and not get a good one."
This time Duncan stood just inside one of the stalls, with the door open. The light was better there, for some reason. Annie took as good a picture of a man in a toilet as one could reasonably expect. When Duncan moved, she could see that this toilet, like just about every other one she'd ever seen in a rock club, was blocked.
"Come on," said Annie. "He didn't even want me in here."
This was true. The guy behind the bar had initially suspected that they were looking for a place where they could shoot up, or perhaps have sex. Eventually, and hurtfully, the barman had clearly decided that they were capable of doing neither thing.”

 

 2231643-a8186adbb16c7a2c2390707b8fb47f8c.jpg
Nick Hornby (Redhill, 17 april 1957) 
Poster voor de gelijknamige film uit 2018 

 

 

De Duitse schrijfster Ida Boy-Ed werd geboren op 17 april 1852 in Bergedorf (Hamburg). Zie ook alle tags voor Ida Boy-Ed op dit blog.

Uit: Thomas Mann: Betrachtungen eines Unpolitischen

„Es gereicht mir zur Genugtuung, daß auch ich in meinem Aufsatz über die Münchener Oper (April, in Velhagen & Klasings Monatsheften) es ebenfalls aussprach, daß das politische Leben bedrohlich für unsere Kultur werden kann, ich zitierte Nietzsche: »Notwendig gerät ein Volk von der unbedingten Geltung der politischen Triebe aus in die Bahn äußerster Verweltlichung usw.« Thomas Mann sagt: »Ich bekenne mich tief überzeugt, daß das deutsche Volk die politische Demokratie niemals wird lieben können«, er ist sicher, »daß der vielverschriene ›Obrigkeitsstaat‹ die dem deutschen Volk angemessene, zukömmliche und von ihm im Grunde gewollte Staatsform ist und bleibt. Dieser Überzeugung Ausdruck zu geben, dazu gehört heute ein gewisser Mut. Trotzdem wird damit nicht nur nicht dem deutschen Volke irgendwelche Geringschätzung im geistigen oder sittlichen Sinn ausgedrückt – das Gegenteil ist die Meinung –, sondern auch sein Wille zur Macht und Erdengröße (welcher weniger ein Wille als ein Schicksal und eine Weltnotwendigkeit ist) bleibt dadurch in seiner Rechtmäßigkeit und seinen Aussichten völlig unangefochten.« Hier ist einzufügen, daß der Dichter, wenn er von der Demokratie spricht, vor allem die westlichen Auswüchse ihrer scharfsinnig darlegt; denn der auf Lärm, Geste, Pathos eingestellte französische Radikalismus ist ihm tief zuwider. Er zitiert Bogumil Goltz: »Der Deutsche ist ein Charaktermensch, schon um dessentwillen, weil er, verglichen mit den Individuen anderer Nationen, eine Person, ein Genie, ein Gemütsmensch, ein Original, weil er kein Figurant, kein soziales oder politisches Tier im Sinne der Franzosen ist.« Und aus sich selber sagt er, daß seinen Ohren nicht entgehe, wie sehr das gute und biedere Wort »Volksstaat« sich nach Klang und Sinn von dem Wort »Demokratie« mit seinen humbughaften Nebengeräuschen unterscheidet.
Es hat sich der Dichter eine gegnerische Gestalt geschaffen, die er den »Zivilisationsliteraten« nennt. Wie er denn in diesem Werk und innerhalb seines Gedankenganges mit den Worten »Literat« und »literarisch« etwas Welsches, Romanisches, von Grund aus Undeutsches (im Gegensatz zur reinen Kunst) meint. Für die Spielarten dieser Gestalt hat er köstliche Bezeichnungen gefunden: Fortschrittsopernsänger, Freiheitsgestikulator, Rhetor-Bourgeois. Man kann sich nicht der Erkenntnis verschließen, daß Thomas Mann sich in dieser Gestalt mit seinem Bruder Heinrich auseinandersetzt, dem ganz und gar französisch oder vielmehr international Gerichteten, dem überzeugten Nachbar von Gabriele d'Annunzios »geilem Ästhetizismus«."

 

 2231643-ac5e8ff4836aad8a30ff2a3aa708a433.jpg
Ida Boy-Ed (17 april 1852 – 13 mei 1928)

 

 

De Duitse schrijver David Wagner werd geboren op 17 april 1971 in Andernach. Zie ook alle tags voor David Wagner op dit blog.

Uit: Drüben und drüben (Samen met Jochen Schmidt)

„Mir war schon damals klar, wie teuer diese Eisenbahn war, ein Waggon kostete über fünfzig Mark, aber anscheinend waren wir so reich, war ich ein verwöhntes Kind? konnten meine Eltern sich das leisten.
Mein Vater ließ mich mit meiner Eisenbahn allein, ich baute und baute, er baute nicht mit. Die größere der beiden Dampflokomotiven konnte aus dem Schornstein qualmen, ich musste bloß Dampföl einfüllen. Ich liebte den Kranwagen, die Kupplungen und die Rücklichter der Lokomotive.
Die Eisenbahn auf-, um- und wieder abzubauen war das eigentliche Spiel, Gleisbauarbeiten, immer wieder neue Strecken planen und errichten. Das andere wichtige Eisenbahnspiel hieß «Zugunglück»: Die Lok und ihre Wagen entgleisen lassen, etwas auf die Schienen legen und den Unfall herbeispielen, die LGB hielt das aus, ich konnte sie im Garten über die Wiese fahren lassen, der Rasen wurde zur Prärie. Indianerüberfälle, ein Bandit entführt den Zug, er möchte das Gold aus dem Güterwagen rauben, das Gold hatte ich selbst hergestellt: kleine weiße Kieselsteine, mit Goldfarbe angepinselt. Es sollten Nuggets sein.
Die Westernstadt baute ich am einen, die Ritterburg am anderen Ende der Strecke auf. Später geel mir das nicht mehr, Ritterburgen und Ritter in Rüstungen passten nicht zu Eisenbahnen, in der Ritterzeit hatte es doch noch keine Eisenbahnen gegeben. Andererseits: Fuhr die Eisenbahn am Rhein nicht auch an Ritterburgen vorbei?
Die Westernstadt, die im Größenverhältnis so gut zur LGB passte, bestand aus fünf oder sechs Häusern, es gab ein zweistöckiges Hotel, einen Saloon mit Schwingtüren, eine Post und ein Gebäude, in dem der Sheriff sein Büro hatte und das gleichzeitig ein Gefängnis war. Die aus schmalen, dunkel gebeizten Rundhölzchen und Sperrholz zusammengeleimte Stadt wirkte nie echter und überzeugender als in dem Augenblick, als ich sie beim größten und zugleich letzten
Indianerangriff im Garten Feuer fangen und vollständig abbrennen ließ.“

 

 2231643-52bd75ef36d94f0a1f81af5be0ffc346.jpg
David Wagner (Andernach, 17 april 1971)

 

 

De Amerikaanse schrijver Thornton Niven Wilder werd geboren op 17 april 1897 in Madison, Wisconsin. Zie ook alle tags voor Thornton Wilder op dit blog

Uit: The Angel That Troubled the Waters

“Another invalid wakes suddenly out of a nightmare,calling:“The Angel! The Angel has come. I am cured.”He flings himself into the pool, splashing his compan-ions...
THE MISTAKEN INVALID (He sees the NEWCOMER beside him and turns on himplaintively)...Aie! You have no right to be here...You are able towalk about...You come here only at great intervals, and itmay be that by some unlucky chance you might be thefirst one to see the sign. You would rush into the waterand a cure would be wasted. You are yourself a physi-cian...Go back to your work and leave these miracles tous who need them.
THE NEWCOMERMy work grows faint. Heal me, long-expected Love; healme that I may continue. Renewal, release; let me beginagain without this fault that bears me down.
THE ANGEL(Kneels down on the lowest step and meditatively holdshis finger poised above the shuddering water.)
THE NEWCOMERCome, long-expected Love.
THE ANGEL (Without turning makes himself apparent to the NEW-COMER and addresses him.) Draw back physician, this moment is not for you.
THE NEWCOMERAngelic visitor, I pray thee, listen to my prayer.
THE ANGELHealing is not for you.
THE NEWCOMERSurely, surely, the angels are wise. Surely, O, Prince, youare not deceived by my apparent wholeness. Your eyescan see the nets in which my wings are caught; the sininto which all my endeavors sink half-performed cannotbe concealed from you.
THE ANGELI know.
THE NEWCOMERIt is no shame to boast to an Angel of what I might yet doin Love’s service were I but freed from this bondage. Oh,in such an hour was I born, and doubly fearful to me is theflaw in my heart...
THE ANGEL(Stands for a moment in silence.)Without your wound where would your power be? It isyour very remorse that makes your low voice tremble intothe hearts of men. The very angels themselves cannotpersuade the wretched and blundering children on earthas can one human being broken on the wheels of living. InLove’s service only the wounded soldiers can serve. Drawback.”

 

 2231643-4a6c9b2341a203731c168cf7d7391160.jpg
Thornton Wilder (17 april 1897 – 7 december 1975))
Titelpagina uit “The Angel That Troubled the Waters”

 

 

De Zwitserse schrijfster Helen Meier werd geboren op 17 april 1929 in Mels, Kanton St. Gallen. Zie ook alle tags voor Helen Meier op dit blog.

Uit: Die Agonie des Schmetterlings (Tälchen)

„Hören Sie denn nicht, wie es rauscht, rauscht, rauscht, rauschend zieht es vorbei, nicht zu fassen, nicht darzustellen, es ist zu schnell, steht keinen Augenblick still, damit es zu betrachten sei, es rauscht, rauscht, rauscht, manchmal spritzt uns ein kleiner Spritzer entgegen, ich kann ihn abwischen, wenn ich Glück habe, die Feuchtigkeit klebt eine Weile an meiner Hand, mit der ich übers Gesicht fahre, schnell, schnell, ich rieche die Feuchtigkeit, lecke daran, sonst ist sie verdunstet, weg. Also wir zwei, wir zwei sind da auf der Landstrasse gewandert, das schwangere Mädchen und ich, langsam, sie kann nicht mehr schnell gehen, ulkig muss das ja sein, so etwas im Bauch wachsen zu fühlen, ohnmächtig, etwas, was nie mehr loszubringen sein wird, nie mehr; wenn sie es inwendig losgekriegt, hängt es ihr aussen an, klebriger Säugling, tapsender schenkelgreifender kleiner Affe, später Jüngling, Mann, ewig nach der Mutter greifend, wenn nicht laut, so im Geheimen; also man denkt ja schon nicht daran, wenn man, rasend und blind, so einem Wesen die Beine auseinanderdrückt. Wir gehen langsam, über uns ein Himmel, ich betrachte ihn selten, den Himmel, bei einem Typ wie mir geht sonst genug im Kopf herum, ich hab genug zu tun, auf die Strasse zu schauen, doch dieser da drängt sich einem förmlich auf, gewollt oder ungewollt, wie sexuelle Phantasien, vielleicht auch nur, weil es sonst nichts Bemerkenswertes in dem Tälchen zu sehen gibt, ein Tälchen wie eine grüne Mausefalle, links und rechts kleine Hügel, waldbedeckt, in der Mitte die geteerte Strasse, neuerbaut vom Militär, das am Ende des Tales, dort, wo die Falle zuklappt, unterirdische Waffenlager baut, auch Lebensmittel sollen in Stollen gelagert werden; ob jemand noch Lebensmittel braucht, wenn es geknallt hat, ist diesen Idioten gleichgültig, also dieser Himmel mit geheimer Absicht, natürlich nicht unbefleckt, sonnige Himmel interessieren niemanden, mit Vorder- und Hintergrund voll von Seltsamkeiten, Wolkengebilden, Drachen, Dämonen, schwärzlichen, grauen, weissen, mit blauen gutmütigen Gestaden, an denen sich diese Gebilde tummeln, angestrahlt von einem Hintergrundlicht, das sie düster zu uns herunterwerfen, und natürlich weht ein Wind, ohne Wind ist ja nichts bemerkenswert, ins Haar greifend, sich still haltend, in den Wald zurückhuschend, wiederkommend, dem Mädchen den Bauch modellierend. Wir zwei sind auf der Strasse gewandert, sie mit dem Hühnchenschritt der Schwangeren, von meinem Schritt ist nichts zu sagen, ich bin schon viel gelaufen, das Mädchen wird in der Kantine arbeiten, sie kochen dort für sechzig Männer, rauhe Männer, wilde, lärmige, Pioniere, Baumänner, Stollenmänner, mit Dreck an den Stiefeln, Stollenstaub an den Hoden, Schweissbächen im Brustgestrüpp, Männer, die das Fressen unter den Tisch schmeissen, gekochte Kartoffeln, die sie nicht mögen, das Mädchen wird dort arbeiten, gemüserüstend auf einem Hocker sitzen, wann immer es kann, um die Beine zu schonen, eigentlich ein hässliches Ding mit dem schiefen Kopf, den schwarzen Haaren, dem scheuen Lächeln, das hervorschiesst wie junge Natter. Dann wieder denk ich, es ist das schönste Ding auf Erden, mit dem harten Bauch, den Schwabbelbrüsten, den violetten Warzen und den starken weissen Zähnen, denen ich noch allerhand beibringen möchte.“

 

 2231643-c316190d4349b8da7ce4f303e562f467.jpg
Helen Meier (Mels, 17 april 1929)

 

 

De Deense schrijfster Karen Blixen (eig. barones von Blixen-Finecke) werd geboren op 17 april 1885 te Rungsted. Zie ook alle tags voor Karen Blixen op dit blog.

Uit: Last Tales (The Cardinal’s Last Tale, onder pseudoniem Isak Dinesen)

"Madame," said the Cardinal after a long pause, "I am not in the habit of talking about myself, and your demand makes me feel a little shy. But I do not want to see you go away—and maybe we two shall never meet again—without having granted you your last request. And indeed," he added, "I am beginning to take an interest in your question. Allow me, then, in order to save my modesty, to answer you in the classic manner, and to tell you a story. "Take a seat, Madame. The story may be somewhat intricate, and I myself may be a somewhat slow raconteur." Without a word more the lady sat down in the big armchair indicated to her. The library in which the two found themselves was cool and high up; the noises of the street only reached the talker and the listener like the carefree murmur of a calm sea.
A girl of fifteen, the Cardinal began, with rich gifts of heart and mind, and magnificently innocent, was given away in marriage to a brusque and bigoted nobleman three times her age, who took a wife to have his name live on. A son was born to them, but the child was delicate and had but one eye. The doctors, who found a reason for the sad misfortune in the mother's young age, advised her husband to allow a few years to pass before the birth of another child. Not without some bitterness, the gentleman decided to follow their advice, and in his own mind fixed the period of waiting at three years. So as not to expose his inexperienced wife, during these three years, to the temptations of a worldly life, he took up residence in a palatial villa of his, overlooking beautiful, lonely mountain scenery, and engaged an old, impoverished but proud-hearted maiden aunt as dame de compagnie. And so as not to have the daily anxiety for a feeble, threatened being affect the Princess' youthful vitality, he put his son out to nurse with a tenant family on another estate. Possibly Prince Pompilio, who generally had firm faith in his own judgment, ought not this once to have yielded so easily to the old doctors' opinion. His young wife had accepted her circumstances in life, her marriage and her husband, her palazzo and her coach, the admiration of a brilliant society, and in the end her frail little son, exactly as in former days she had accepted the dolls and the rosaries presented to her, the regulations of the convent school, and her own transformation from child into schoolgirl, and from schoolgirl into maiden. Even the separation from her child she had suffered in the same way, as the ordinance of higher powers. During her pregnancy, while she had been watched over and petted by all who surrounded her, she had come to see herself as a fragile, precious vessel, within which a rare seed had been laid down to germinate, and at the end of the term it had been her husband's old name to which she had given birth.”

 

 2231643-716356e46e3876cf9a932052cdba0669.jpg
Karen Blixen (17 april 1885 – 7 september 1962)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver R.J. Pineiro werd geboren op 17 april 1961 in Havana. Zie ook alle tags voor R. J. Pineiro op dit blog.

Uit: Ashes of Victory

« TAIWAN STRAIT, SEPTEMBER 22, 1958
BASTARDS.You BASTARDS! Lieutenant Deng Xiangsui of the People's Liberation Army Air Force tightened his grip on the control column of his MiG-17F "Fresco" as he glared in disbelief at the distant aerial battle marring the clear skies beyond his cockpit's windscreen. The shoreline of mainland China rushed by ten thousand feet beneath the swept-wing interceptor, replaced by coastal waters as the newly minted pilot advanced the throttle fully forward with his left hand. How can this be happening to—? The kick of the new VK-1F engine's afterburner slammed him into his seat as he gasped beneath his oxygen mask. Deng had practiced going into burner in a simulator but never in an actual MiG. Fuel simply cost too much. Now, though, that expensive fuel flowed freely, injected into the exhaust nozzle by the revolutionary engine and doubling his rate of climb, rocketing the Fresco through eighteen thousand feet in thirty seconds. Struggling to stay ahead of the nimble jet, Deng reduced throttle and eased the control column forward and to the right while pushing right rudder to roll. The MiG entered an inverted dive.
Gathering airspeed, he dropped over one of the several F-86 Sabres from Taiwan's air force that were decimating the MiGs with a new type of air-to-air missile. For years, the People's Republic of China and the Republic of China had engaged in intermittent battle over the Taiwan Strait as China sought to prevent Taiwanese expansion to the island of Kinmen and the nearby Matsu archipelago. The United States had stepped in to assist the Taiwanese with weapons and personnel. Chinese coastal radar stations had detected the ROC aircraft patrolling the waters near the international line and had dispatched a squadron of the PLAAF's finest out of nearby Fuzhou Air Base to tail the Taiwanese fighters. But the Sabres had surprised the MiGs by suddenly engaging their weapons, killing nearly all of them in under five minutes. That had prompted a second wave of PLAAF fighters to enter the fray, only to find themselves facing the same fate. Deng, along with the rest of the rookies, formed the third and last wave until reinforcements could arrive from Zhangzhou and Wenzhou. Deng frowned, recalling the parting words of his commander: "Hold the line at all cost. Protect the homeland."

 

 2231643-f86defa250d9d5d75809eda406ac4549.jpg
R.J. Pineiro (Havana, 17 april 1961)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e april ook mijn blog van 17 april 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:15 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten