Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 27 mei 2019 tot 28 mei 2019

Ad Zuiderent, Leo Pleysier, Adriaan Bontebal, Guntram Vesper, Frank Schätzing, Maeve Binchy, Ian Fleming, Sjoerd Leiker, Vladislav Chodasevitsj

De Nederlandse dichter en criticus Ad Zuiderent werd geboren in ’s-Gravendeel op 28 mei 1944. Zie ook alle tags voor Ad Zuiderent op dit blog.

 

Sequens 1

...die zal zijn vader en moeder verlaten,
die zal familie en vrienden verlaten,
zijn vrouw en kinderen verlaten, door hen
verlaten worden, die zal bij de pakken
neerzitten tot hij ook die kan verlaten
die zal zijn zintuigen verlaten en zijn
ledematen, zal zijn organen verlaten,
zijn geslachtelijkheid, zijn cellen,
die zal zichzelf te niet doende
zijn nalatenschap verlaten en de
nalatenschap zal verlaten, vergeten,
verdwijnen, oplossen, los van het zijne
taken, verenigd met celloos, orgaanloos,
geslachtloos, ledeloos, zintuigloos
gezang van laat laat laat verlaten -
die zal met het hoofd in de handen
niet weten welke liefsten hij verliet.

 

 

Sequens 2

...die zal zijn cellen zoeken en zijn
organen, zal zijn geslachtelijkheid zoeken,
zijn ledematen, zijn zintuigen, die zal
naar de pakken zoeken waarbij bij zat,
hij zal kruipen waar hij niet gaan kan,
daar zal hij door hen gezocht vrouw en kinderen
zoeken, zal hij familie en vrienden zoeken,
zijn vaderen moeder, die zal zichzelf hervindende
op zoek gaan naar eigenschappen en de
eigenschappen zullen zoeken, bedenken,
opduiken, uitbreiden, vast aan het zijne
raken, verlost van zintuigloos, ledeloos,
geslachtloos, orgaanloos, celloos gemompel
van laat laat laat het zoeken toch na
die zal met het hoofd in de wolken
weer weten welke liefsten hij zocht.

 

 2241740-a8557923bc3dc19c15a2b664c151850b.jpg
Ad Zuiderent (’s-Gravendeel, 28 mei 1944)

 

 

De Belgische schrijver Leo Pleysier werd geboren in Rijkevorsel op 28 mei 1945. Zie ook alle tags voor Leo Pleysier op dit blog.

Uit: De weg naar Kralingen

“Uit het ochtendnieuws vernemen dat de Belgische Petroleumfederatie nog maar eens een prijsverhoging aankondigt voor volgende week: huisbrand gaat voortaan 10,30 BF per liter kosten, de prijs van de benzine wordt opgetrokken tot 23,60 BF. Niet voor niets dus dat het begrip ‘sprokkelmaand’ hier in het dorp sedert enige tijd weer letterlijk wordt genomen en zelfs wordt uitgebreid. Zie maar: heel de winter lang en ook nu nog kan men in de omliggende bossen het janken horen van de motorzagen, het kletsen van bijlen in de takken, het over en weer rijden van tractors die de boomstammen het bos uit sleuren, of die met hoogopgestapelde ladingen weer huistoe rijden. Overwinteren blijkt plotseling weer problematisch te worden. Lijfsbehoud blijkt ineens ook weer te maken hebben met beschutting tegen de vrieskoude. En wat de temperaturen betreft: de vreemde mogendheid die het mocht gemunt hebben op dit landje doet er goed aan zijn invasiestrategie nog eens te bekijken in het licht van wat alhier in de winter van het voorbije jaar bleek. De wissels van de Belgische Spoorwegen functioneren niet meer vanaf het ogenblik dat het kwik onder de 10o C daalt. Ideaal tijdstip dus om met een militair treinkonvooi in één ruk tot vlak voor de poorten van het Nato Hoofdkwartier te Evere of tot aan de voet van het EEG-complex te Brussel door te stomen.
Door het raam de kinderen zien die blauw van de kou op hun fietsjes naar school toe rijden. Als zij verdwenen zijn, valt op hoe de beweging over de weg die naar het dorp voert plotseling in rust omslaat. Wie zijn woonst nu nog niet verlaten heeft, vertrekt vandaag niet meer. Die blijft alleen achter in huis en weet zich voor de rest van de dag enkel nog vaag verbonden met hier en daar een jonge moeder die baby's oppast, met huisvrouwen die alweer lang begonnen zijn met opruimen en schoonmaken, met werklozen die door de keuken lopen drentelen in afwachting van het ogenblik waarop zij naar het stempellokaal moeten, met hier en daar een bedlegerige zieke die heeft afgebeld op zijn werk, met ouwelui op rustpensioen.”

 

 2241740-4c8354ee02671d7f1a01b24b85198673.jpg
Leo Pleysier (Rijkevorsel, 28 mei 1945)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Adriaan Bontebal werd als Aad van Rijn op 28 mei 1952 in Leidschendam geboren. Zie ook alle tags voor Adriaan Bontebal op dit blog.

Uit: Tot hier en niet verder (Het eerste avondmaal)

“Met enkele collega's moest ik een voordracht verzorgen in een jongerencentrum te Zoetermeer. Het pad van een schrijver gaat bepaald niet over rozen. Men dacht ons te verwennen; juist op die dag werd het eethuisje van die tent geopend en ons viel de eer te beurt om als voorproevers van het dorp te fungeren. Daar moet je echt mij voor hebben: je kan net zo goed een generaal vragen de verslaggeving van een vredesdemonstratie te doen. IJzeren Heinig kweet ik me van mijn taak. Laat ik het erop houden, dat het eetbaar was en niet eens vegetarisch. Vaak zie je in dat soort tenten een interne tegenstelling: aan de ene kant gezondheidsfanatisme in de eethoek, terwijl men aan de andere kant de begroting van het totale centrum sluitend probeert te krijgen door de bezoekers te pushen zoveel mogelijk bier en wijn te zuipen. Na afloop van de maaltijd kwam de 'chef' aan onze tafel: een zenuwachtige inboorlinge, de moeder van een medewerker. 'Bent u één van de dichters van vanavond?' vroeg ze mij. Ik beging de stommiteit om dat, uit een soort misplaatste trots, toe te geven. Ze vertelde me dat ze ter completering van de inrichting graag een spreuk aan de muur wilde hebben en of ik die maar even kon verzinnen. De dichter als tekstverwerker in de meest letterlijke zin van het woord.. Om depri van te worden, maar ik ben de rotste niet, nou ja, niet altijd, dus ik dacht een ogenblik na en schreef: 'Hier smaken bonen keer op keer Zoeter en naar meer.' Ik begreep hem zelf niet zo goed, maar het rijmde en zij was in de wolken. Ik had er eigenlijk meteen alweer spijt van. Ieder zijn vak en ik kan het ontwerpen van wandtegeltjes beter overlaten aan Toon Hermans of Nel Benschop. En stroop om monden smeren is ook al geen dagelijkse hobby van me. Daarom schreef ik, toen zij weer terug naar de keuken was, een volgende spreuk voor haar om de zaak weer in evenwicht te brengen. Ik had graag haar gezicht gezien toen zij bij het afruimen een servetje tegenkwam met daarop de tekst:
'Toch is het hier een zwijnenstal.
Was getekend: Bontebal.'

 

 2241740-abf34a572dd0b4dcf681d421daec6a75.jpg
Adriaan Bontebal (28 mei 1952 – 11 februari 2012)

 

 

De Duitse schrijver Guntram Vesper werd geboren op 28 mei 1941 in Frohburg. Zie ook alle tags voor Guntram Vesper op dit blog.

Uit: Nördlich der Liebe und südlich des Hasses

„Meistens wird lautes Jammern unterdrückt, damit der Tote nicht wider aufgeschrien werde. Der Herr ist tot. Dann geht jemand durch die Ställe mit demselben Ruf, um das Vich zu wecken. Das Kinn wird aufgebunden, auch durch ein Rasenstück gestützt. Der Tote soll kein Nachzeh-rer werden. Nach der Waschung muß das Wasser an einem Ort vergraben werden, wo niemand darübergehen kann. Be-vor jedoch der Tote in einen Sarg gelegt wird, hebt man ihn vom Bett auf eine Bank oder ein Brett in der Wohnstube. Das Brett wird später an eine sumpfige Wegstelle oder über einen Bach gelegt. Es mahnt vielleicht doch. Zwei ganze oder halbe Nächte wird die Leiche verwacht, um den Toten durch Scherze zu unterhalten. Auch werden diese Nächte zu Stell-dichein und ausgelassenen Pfänderspielen genutzt. Kinder berühren, küssen, beißen die nackte große Zehe des Toten. Bleibt er geschmeidig, so folgt ihm bald ein anderer Haus-bewohner. Auf alle Fälle schütte man dem Zug einen Topf Wasser nach. Die nächstverwandten Männer legen die Hüte nicht ab. Öfter wird die Leiche im offenen Sarg begraben, das Gesicht von einem kleinen Brett verdeckt. Einige Orte kennen sogar den Gemeinsarg, aus dem die Leiche genom-men wird, um auf einer Bohle in das Grab gelassen zu wer-den. Nacheinander, immer aus anderer Sicht, tragen die Angehörigen der Gemeinde die Biografie des Verstorbenen klagend vor. Die Dämmerung ist für Fehlgeburten und Selbstmörder. Abgerissene und abgenommene Gliedmaßen kommen beiseite, bis sie Platz in einem Sarg finden. War der Tote verschuldet, so hat die 'Witwe ihren Gürtel ins Grab zu geben. Anschließendes Essen heißt nicht selten: das Fell versaufen. Je schneller einer vergessen werden muß, desto prächtiger soll das Begräbnis sein. Deshalb werden selbst im Stall lische und Bänke aufgestellt. Ehrenplätze für Pfarrer, Arzt, Hebamme, Kirchendiener, Bürgermeister, Totengrä-ber, Schreiner, die Verwandten der Leiche. Alkohol verleitet zu Schlägereien. Die folgende Nacht verbringen die Haus-bewohner am Tisch sitzend. Es dürfen nur einsilbige Wörter gesprochen, nur unumstößliche Wahrheiten verkündet wer-den. Zu allen Zeiten hat es den Herrn und den Knecht gege-ben. Gut und schlecht. Arm und reich. Hoch und tief. Rechts und links. Vorschrift bleibt Vorschrift.“

 

 2241740-5b478704f8427769cad5066e7d04e772.jpg
Guntram Vesper (Frohburg, 28 mei 1941)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Frank Schätzing werd geboren in Keulen op 28 mei 1957. Zie ook alle tags voor Frank Schätzing op dit blog.

Uit: Breaking News

„Die Vorstellung beginnt von Hagen Besitz zu ergreifen, dass sie ihm genau einen der Säcke verpasst haben, unter denen sich die Entführten an den Szenarien ihres Sterbens abgearbeitet haben. Als seien nicht Hunderte solcher Säcke im Umlauf, Tausende. Wer stellt sowas eigentlichher, denkt er. Gibt es einen Versandhandel für Geiselnehmer? – Aktionswochen, jetzt zugreifen! Kapuze, blickdicht, in S, M oder L, exzellente Qualität, ein Jahr Garantie, sofort lieferbar. Dazu Fußfesseln ›Dadullah‹ mit geräuscharmem Klickverschluss. Nie wieder Knotenmachen, wenn’s schnell gehen muss, klick, und die Fessel sitzt. Bei Abnahme von zehn Sets gibt es den Folterkasten ›Fromme Taten‹ als Gratisgeschenkdazu,alsozögernSienicht!RufenSiejetztan,verschlüsselt unter – Degas. Keller. Bakhtari. Seit Husain ihm eröffnet hat, den Aufenthaltsort der drei Entwicklungshelfer zu kennen, die seit anderthalb Monaten vermisst werden, denkt Hagen an nichts anderes. Zwei Mitarbeiter einer deutschen Hilfsorganisation und ihr einheimischer Fahrer, auf dem Weg nach Qowngowrat im nördlichen Kunduz­Delta verschollen, wohin sie mit einerWagenladungMedikamenteundInfusionslösungenaufgebrochen waren. Nie angekommen. Zuletzt gesehen in der Gegend um Aqli Bur, einem Kaff, das zwischen Reisfeldern und Melonenplantagen in eine Hügelkette gekrümelt liegt, keine zehn Kilometer von Kunduz­Stadt entfernt. Das Übliche. Lehmbauten, Strohdächer, Ziegen, winkende Kinder. Dort sind sie verschwunden. DreiTagespäterinformiertdieOrganisation–HealAfghanistan,ein Name, dem das Odium der Selbstüberschätzung anhaftet – das Auswärtige Amt und gibt eine Pressemeldung heraus. Der Faktengehalt geht gegen null. Es gibt kein Bekennervideo, keine Forderung.“

 

 2241740-5b30aebef31cc6662a73f9c37aab95f5.jpg
Frank Schätzing (Keulen, 28 mei 1957)

 

 

De Ierse schrijfster en columniste Maeve Binchy werd geboren op 28 mei 1940 in Dalkey. Zie ook alle tags voor Maeve Binchy op dit blog.

Uit: Minding Frankie

“Yes, but she wants a hairdo.”
“You mean she trusts us again?” Sometimes life was extraordinary.
“No, I don’t think she was ever here before. . . .” He looked bewildered.
“And your interest in all this, Father?”
“I am Brian Flynn and I am acting chaplain at St. Brigid’s Hospital at the moment, while the real chaplain is in Rome on a pilgrimage. Apart from being asked to bring in cigarettes and drink for the patients, this is the only serious request I’ve had.”
“You want me to go and do someone’s hair in hospital?”
“She’s seriously ill. She’s dying. I thought she needed a senior person to talk to. Not, of course, that you look very senior. You’re only a girl yourself,” the priest said.
“God, weren’t you a sad loss to the women of Ireland when you went for the priesthood,” Katie said. “Give me her details and I’ll bring my magic bag of tricks in to see her.”
“Thank you so much. I have it all written out here.” Father Flynn handed her a note.
A middle-aged woman approached the desk. She had glasses on the tip of her nose and an anxious expression.
“I gather you teach people the tricks of hairdressing,” she said.
“Yes, or more the art of hairdressing, as we like to call it,” Katie said.
“I have a cousin coming home from America for a few weeks. She mentioned that in America there are places where you could get your hair done for near to nothing cost if you were letting people practice on you.”
“Well, we do have a students’ night on Tuesdays; people bring in their own towels and we give them a style. They usually contribute five euros to a charity.”
“Tonight is Tuesday!” the woman cried triumphantly.
“So it is,” Katie said through gritted teeth.
“So, could I book myself in? I’m Josie Lynch.”
“Great, Mrs. Lynch—see you after seven o’clock,” Katie said, writing down the name. Her eyes met the priest’s. There was sympathy and understanding there.
It wasn’t all champagne and glitter running your own hairdressing salon.”

 

 2241740-871232e0f9953aa2c0edca6239062b93.jpg
Maeve Binchy (28 mei 1940 – 30 juli 2012)
Hier bij een portret door Maeve McCarthy in 2015

 

 

De Britse schrijver Ian Fleming werd geboren op 28 mei 1908 in Londen. Zie ook alle tags voor Ian Fleming op dit blog.

Uit: Thunderball

“Would you like to know what I think of you?' She smiled. 'Every woman likes to hear about herself. Tell me, but make it sound true, otherwise I shall stop listening.' `I think you're a young girl, younger than you pretend to be, younger than you dress. I think you were carefully brought up, in a red-carpet sort of way, and then the red carpet was suddenly jerked away from under your feet and you were thrown more or less into the street. So you picked yourself up and started to work your way back to the red carpet you had got used to. You were probably fairly ruthless about it. You had to be. You only had a woman's weapons and you probably used them pretty coolly. I expect you used your body. It would be a wonderful asset. But in using it to get what you wanted, your sensibilities had to be put aside. I don't expect they're very far underground. They certainly haven't atrophied. They've just lost their voice because you wouldn't listen to them. You couldn't afford to listen to them if you were to get back on that red carpet and have the things you wanted. And now you've got the things.' Bond touched the hand that lay on the banquette between them. 'And perhaps you've almost had enough of them.' He laughed. 'But I mustn't get too serious. Not about the smaller things. You know all about them, but just for the record, you're beautiful, sexy, provocative, independent, self-willed, quick-tempered, and cruel.' She looked at him thoughtfully. 'There's nothing very clever about all that. I told you most of it. You know something about Italian women. But why do you say I'm cruel?' `If I was gambling and I took a knock like Largo did and I had my woman, a woman, sitting near me watching and she didn't give me one word of comfort or encouragement I would say she was being cruel. Men don't like failing in front of their women.' She said impatiently, 'I've had to sit there too often and watch him show off. I wanted you to win. I cannot pretend. You didn't mention my only virtue. It's honesty. I love to the hilt and I hate to the hilt. At the present time, with Emilio, I am half way. Where we were lovers, we are now good friends who understand each other. When I told you he was my guardian, I was telling a white lie. I am his kept woman. I am a bird in a gilded cage. I am fed up with my cage and tired of my bargain.'

 

 2241740-1cf78cf9b465ba70d9474a39143b778e.jpg
Ian Fleming (28 mei 1908 – 12 augustus 1964)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter Sjoerd Leiker werd geboren in Drachten op 28 mei 1914. Zie ook alle tags voor Sjoerd Leiker op dit blog.

Uit: Kind van het elysium

“Het bruine Pierke heeft tot dezen stond geen lang verhaal van zijn leven. Het ventje is nu vijf jaar oud.
Vijf jaar geleden werd hij geboren in een klein huis met een bladeren dak. Daar dichtbij stond een palmboom, roerloos in den zengenden zon van Nederlandsch Oost-Indië. Met dezen naam was zeer in het bijzonder zijn vader verbonden. Zijn vader was fuselier van het Indisch leger. Zijn moeder was een bruine vrouw, een Javaansche. Hij heeft haar oogen, heur blauwzwarte haren en haar tengere gestalte als een onvervreemdbaar erfdeel meegekregen naar dit koude land: Nederland, Friesland.
De vader van het bruine Pierke kreeg groot verlof. Hij mocht in Friesland of ook in Indië zijn pensioen gaan beuren en behoefde er niet dát voor te doen. Geen slag. Hij kon tot aan zijn dood toe de lijn trekken.
Hij kwam te wonen in het huis met het bladeren dak en zag gaarne vanuit de schaduw hoe de kinders zich vermeiden in het heete zand. Maar toen hij daar zoo zat en al in geen maand gehoorzaamd had aan eenig bevel, geeft acht, linksom en rechtsom, werd hij peinzend en treurig. Hij schreef een brief naar zijn moeder, om wie hij eigenlijk nooit gegeven had en die zelf blij was, dat hij met zijn ongedurigheid onder de knoet van het leger zat. Nu schreef hij sentimenteel over het leven, dat hem murw gemaakt had, over zijn jammerlijke fouten van vroeger, over zijn goede hoedanigheden van thans en over zijn pensioen. Hij schreef niet over zijn vrouw, de bruine vrouw, en evenmin over zijn kinderen. Hij zou zoo graag weer bij zijn moeder de beenen om de kachel strekken, wat pijpje rooken, zooals vader vroeger deed en eens weer met wanten aan door een kouden wintermorgen stappen. En schaatsen...... Neen, daar kwam hij niet aan toe. Dat was haast te mooi om aan te denken. Hij kon wel schreien van heimwee.”

 

 2241740-6a39213da9e55742ab00c7e873810a51.jpg
Sjoerd Leiker (28 mei 1914 – 15 december 1988)

 

 

De Russische schrijver en dichter Vladislav Felitsianovitsj Chodasevitsj werd geboren in Moskou op 28 mei 1885. Zie ook alle tags voor Vladislav Chodasevitsj op dit blog.

 

Ondeugd en dood

Ondeugd en dood! Wat een verleiding gloeit,
en hoeveel wellust ademt er in een klein woord!
De ondeugd en de dood steken met eendere angel,
en alleen hij ontkomt aan hun gesels
die het geheimzinnige woord op het hart bewaart -
de troostende sleutel van een ander bestaan.

 

 

Ineens werden vanuit de wolken

Ineens werden vanuit de wolken
het tafeltje en de koude thee verguld.
Kalm aan, winters hemellichaam,
val niet achter het zwarte bos!

Laat nog wat glanzen in blozende pracht,
nog wat krassen met de vlijtige pen.
In zijn bedrijvig knersen leeft
heel de zucht over mijn bestaan.

Met een trillende, stekelige stroom
rent hij van de gesplitste punt -
en op het brede blad sta ik dan
afgespiegeld... nee, niet ik:

slechts een hoekige kromme,
het vluchtige profiel van die hoogten,
waar, opgaand en neervallend,
mijn geest lijdt en leeft.

 

 

Vertaald door Jan Paul Hinrichs

 

 2241740-66f5ae391b7a3fd66f95b8d054de9b42.jpg
Vladislav Chodasevitsj (28 mei 1885 – 14 juni 1939)
Rond 1915

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e mei ook mijn blog van 28 mei 2017 deel 2 en ook mijn blog van 28 mei 2016.

Geschreven door Romenu om 18:28 Reageer op dit bericht

Meg Wolitzer

De Amerikaanse schrijfster Meg Wolitzer werd geboren op 28 mei 1959 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Meg Wolitzer op dit blog.

Uit: The Wife

“He looked over at me suddenly, watched my face, and said, "What's the matter? You look a little . . . something." "No. It's nothing," I told him. "Nothing worth talking about now, anyway," and he accepted this as a good-enough answer, returning to his plate of Tollhouse cookies, a small belch puffing his cheeks out froglike, briefly. It was difficult to disturb this man; he had everything he could possibly ever need. He was Joseph Castleman, one of those men who own the world. You know the type I mean: those advertisements for themselves, those sleepwalking giants, roaming the earth and knocking over other men, women, furniture, villages. Why should they care? They own everything, the seas and mountains, the quivering volcanoes, the dainty, ruffling rivers. There are many varieties of this kind of man: Joe was the writer version, a short, wound-up, slack-bellied novelist who almost never slept, who loved to consume ninny cheeses and whiskey and wine, all of which he used as a vessel to carry the pills that kept his blood lipids from congealing like yesterday's pan drippings, who was as entertaining as anyone I have ever known, who had no idea of how to take care of himself or anyone else, and who derived much of his style from The Dylan Thomas Handbook of Personal Hygiene and Etiquette. There he sat beside me on Finnair flight 702, and whenever the brunette brought him something, he took it from her, every single cookie and smokehouse-treated nut and pair of spongy, throwaway slippers and steaming washcloth rolled Torah-tight. If that luscious cookie-woman had stripped to her waist and offered him one of her breasts, mashing the nipple into his mouth with the assured authority of a La Leche commandant, he would have taken it, no questions asked. As a rule, the men who own the world are hyperactively sex-ual, though not necessarily with their wives. Back in the 1960s, Joe and I leaped into beds all the time, occasionally even during a lull at cocktail parties, barricading someone's bedroom door and then climbing a mountain of coats. People would come banging, wanting their coats back, and we'd laugh and shush each other and try to zip up and tuck in before letting them enter. We hadn't had that in a long time, though if you'd seen us here on this airplane heading for Finland, you'd have assumed we were content, that we still touched each other's sluggish body parts at night. "Listen, you want an extra pillow?" he asked me. "No, I hate those doll pillows," I said. "Oh, and don't forget to stretch your legs like Dr. Krentz said."

 

 2241951-eecb505550f321eead5c5d398bc1886a.jpg
Meg Wolitzer (New York, 28 mei 1959)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Linda Pastan, Niels ’t Hooft, Jan Blokker, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth, Max Brod

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

 

Something About The Trees

I remember what my father told me:
There is an age when you are most yourself.
He was just past fifty then,
Was it something about the trees that make him speak?

There is an age when you are most yourself.
I know more than I did once.
Was it something about the trees that make him speak?
Only a single leaf had turned so far.

I know more than I did once.
I used to think he'd always be the surgeon.
Only a single leaf had turned so far,
Even his body kept its secrets.

I used to think he'd always be the surgeon,
My mother was the perfect surgeon's wife.
Even his body kept its secrets.
I thought they both would live forever.

My mother was the perfect surgeon's wife,
I can still see her face at thirty.
I thought they both would live forever.
I thought I'd always be their child.

I can still see her face at thirty.
When will I be most myself?
I thought I'd always be their child.
In my sleep it's never winter.

When will I be most myself?
I remember what my father told me.
In my sleep it's never winter.
He was just past fifty then.

 

 

What We Want

What we want
is never simple.
We move among the things
we thought we wanted:
a face, a room, an open book
and these things bear our names--
now they want us.
But what we want appears
in dreams, wearing disguises.
We fall past,
holding out our arms
and in the morning
our arms ache.
We don't remember the dream,
but the dream remembers us.
It is there all day
as an animal is there
under the table,
as the stars are there
even in full sun.

 

 

Vermilion

Pierre Bonnard would enter
the museum with a tube of paint
in his pocket and a sable brush.
Then violating the sanctity
of one of his own frames
he'd add a stroke of vermilion
to the skin of a flower.
Just so I stopped you
at the door this morning
and licking my index finger, removed
an invisible crumb
from your vermilion mouth. As if
at the ritual moment of departure
I had to show you still belonged to me.
As if revision were
the purest form of love.

 

 2241361-6f2c9930614f53525ece8ec3b6c6b3d9.jpg
Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist, blogger en gamedeskundige Niels ’t Hooft werd geboren in Leiderdorp op 27 mei 1980. Zie ook alle tags voor Niels ‘t Hooft op dit blog.

Uit: De verdwijners

“De vorige keer dat ze haar ouders om hulp had gevraagd, was dat uitgelopen op een drama. Inmiddels wilde ze niet alleen Isobel opsporen, maar waren er nieuwe problemen ontstaan door de afwezigheid van haar zusje: Marthes psychologiestudie was uitgelopen, en haar spaargeld was opgegaan aan de huur van het gezamenlijke zolderappartement, dat ze nu in haar eentje bewoonde. 'We hebben jou en Isobel tot jullie achttiende gespekt,' hadden ze gezegd. `We hebben een fortuin in jullie opleidingen gestoken. Wat verwacht je in vredesnaam nog meer van ons? We hebben Isobel steeds onderdak geboden na haar zelfmoordpogingen en haar psycholoog betaald. Wij vinden het een opluchting dat ze rust heeft gevonden in Amerika. Ben jij daar dan niet blij mee?' Er was iets losgeschoten in Marthes hoofd. Ze was zeldzaam kwaad geworden en gaan schreeuwen. Haar ouders hadden haar hoofdschuddend het huis uit gezet. Dit waren mensen die hun hond beter begrepen dan hun bloedeigen dochter. Het stinkbeest. Ook nu gebeurde aanvankelijk waarvoor ze had gevreesd. Het gesprek ging er in eerste instantie over hoe zwaar zij het hadden, twee ploeterende Hollanders die de last van de wereld op hun schouders droegen. Over hun moeizame relatie en de bijbehorende therapie. Over de perikelen in het ziekenhuis, haar moeder was arts, en over de krimp in de 1T -sector, haar vader was reorganisatiemanager. Maar gaandeweg was de toon veranderd, of misschien had Marthe met een ander oor geluisterd. `Laat me even uitpraten,' had haar moeder gezegd. 'Hoe het filmpje ook is gemaakt, waar in de wereld ze zich ook bevindt, Isobel wil ons vertellen dat we ons geen zorgen moeten maken. Je vader en ik hebben ons bij die boodschap neergelegd, en misschien moet jij dat ook doen. Isobel zal altijd onze dochter zijn, tot het bittere eind heeft zij een plekje in ons hart. Daar verandert dit niets aan. Ze zal ook altijd jouw zusje zijn. Juist daarom zou je verder moeten gaan met je eigen leven.' Haar vader was naar de kast in de voorkamer gelopen. 'Kijk eens,' zei hij. Hij pakte een Google-bril uit zijn postvakje. Marthe zag dat het een nieuw model was, met een buffelhoornen montuur waarin de techniek nu onzichtbaar was verwerkt. 'De bril legt beelden op de wereld om me heen. Extra informatie, ontzettend handig. Hij laat me bijvoorbeeld zien wat de route naar de supermarkt is, en wat jouw hobby's zijn.' `Dat weet ik toch allang,' had Marthe gezegd. Haar vader zette de bril op en tikte met zijn wijsvinger tegen de zijkant. 'Je moeder en ik hebben oude beelden van Isobel laten bewerken. Homevideo's, dat soort dingen. Haar beeltenis is vrijstaand gemaakt en reageert realistisch op de omgeving.' Er verscheen een glimlach op zijn gezicht. Marthe beet op haar onderlip. 'Nu is ze altijd bij ons, als we dat willen.' Marthe zag haar vaders ogen vochtig worden. 'Wil je ook?' zei hij. 'Ze heeft nu het spijkerjasje aan dat ze kreeg op haar vijftiende verjaardag.'

 

 2241361-a8df53bda1e628013a1bcaa0238791dc.jpg
Niels ’t Hooft (Leiderdorp, 27 mei 1980)

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Jan Blokker werd geboren in Amsterdam op 27 mei 1927. Zie ook alle tags voor Jan Blokker op dit blog.

Uit: Séjour

“De vrouw zette haastig de boodschappentas naast zich neer en knielde. Tien roodgelakte nagels rustten op de smalle handruggen. Ze schraapte haar keel, keek vluchtig naar de priester en viel in: ... que vous nous voyez, que vous nous entendez, que vous connaissez toutes nos pensées, tous nos désirs, les mouvements les plus secrets de nos coeurs... Ze merkte niet, dat haar tas omviel; ze zou evenmin gemerkt hebben, dat ik naast haar schoof. Maar ik schoof niet naast haar. Ik zat in de nachttrein uit Parijs, die net Aurillac had gepasseerd, waar het daagde. We stegen, het bergland van Cantal in. Ik vertelde het meisje tegenover me, dat in Brives was ingestapt, van de mensen die ik in onze coupé had ontmoet sinds ik Parijs verliet, de vorige avond. Een reis als een destillatie, een gefractionneerde. Ze scheen vaag te begrijpen hoe complimenteus mijn relaas voor haar was. Ik noemde de naam Chateauroux, die ze kende. In het holst van de nacht was de trein er binnengelopen. Er waren uit mijn coupé drie mensen gestapt, ik bleef alleen over. Ik had het gevoel dat daarna de trein voor mij alleen reed, maar er moeten nog andere mensen in gezeten hebben. Toch was de destillatie niet voltooid: uit de laatste fractie was damp, gezuiverde damp overgebleven, die condenseerde in Brives van waar het meisje naar Murat reisde, waar de vrouw haar morgengebed zei.
We passeerden een dorp: Polminhac. In de ijle morgen van het hoogland hoorde ik een lichte, hoge stem: ‘J'ai un papillon dans ma main ...’ De woorden vormden een melodie, een concert desnoods. De zwevende klank van het ‘main’ bleef in de coupé hangen, nauwelijks vermengd met het harde ratelen van de spoorwagens.
- Bent u hier voor het eerst? vroeg het meisje.
Ik knikte en zag haar wegvallen in gedachten, in een ernstig pogen, zich de omgeving, die haar zeer bekend moest zijn, als nieuw voor te stellen. Zij keek naar buiten. Tegen de steile berghellingen tornden de hoge sparren tot ze de strijd om hun evenwicht verloren en zich moesten vernederen tot struiken en stronken tenslotte. Het meisje zag ze, nieuw en bekend. Ze dacht waarschijnlijk aan de burons en hoorde het melodieuze bellen van de koeien, dat ik nog niet kende. Of aan een bergtocht, een beklimming. Hier wordt hoog boven de aarde bemind.
- Komt u van Parijs? vroeg ze.
- Van nog veel verder, zei ik.
Ze lachte alsof ze het niet geloofde. Daarna moest ze niezen. Ze hief hoog haar hoofd op en ik zag twee neusgaten, sierlijk-kleine olijfbladen.”

 

 2241361-85fb4b98f33cfb1bcd0ca13cc69abb34.jpg
Jan Blokker (27 mei 1927 – 6 juli 2010)
In 1966

 

 

De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd geboren in Courbevoie op 27 mei 1894. Zie ook alle tags voor Louis-Ferdinand Céline op dit blog.

Uit: Journey to the End of the Night (Vertaald door Ralph Mannheim)

“Suddenly our street widened, like a crevasse opening out into a bright clearing. Up ahead of us we saw a great pool of sea-green light, wedged between hordes of monstrous buildings. And in the middle of the clearing stood a rather countrified-looking house, surrounded by woebegone lawns.
I asked several people in the crowd what this edifice was, but most of them pretended not to hear me. They couldn't spare the time. But one young fellow right next to me was kind enough to tell me it was City Hall, adding that it was an ancient monument dating back to colonial times, ever so historical... so they'd left it there... The fringes of this oasis formed a kind of park with benches, where you could sit comfortably enough and look at the building. When I got there, there was hardly anything else to see.
I waited more than an hour in the same place, and then toward noon, from the half-light, from the shuffling, discontinuous, dismal crowd, there erupted a sudden avalanche of absolutely and undeniably beautiful women.
What a discovery! What an America! What ecstasy! I thought of Lola... Her promises had not deceived me! It was true.
I had come to the heart of my pilgrimage. And if my appetite hadn't kept calling itself to my attention, that would have struck me as one of those moments of supernatural aesthetic revelation. If I'd been a little more comfortable and confident, the incessant beauties I was discovering might have ravished me from my base human condition. In short, all I needed was a sandwich to make me believe in miracles. But how I needed that sandwich!
And yet, what supple grace! What incredible delicacy of form and feature! What inspired harmonies! What perilous nuances! Triumphant where the danger is greatest! Every conceivable promise of face and figure fulfilled! Those blondes! Those brunettes! Those Titian redheads! And more and more kept coming! Maybe, I thought, this is Greece starting all over again. Looks like I got here just in time.
What made those apparitions all the more divine in my eyes was that they seemed totally unaware of my existence as I sat on a bench close by, slap-happy, drooling with erotico-mystical admiration and quinine, but also, I have to admit, with hunger. If it were possible for a man to jump out of his skin, I'd have done it then, once and for all. There was nothing to hold me back.
Those unlikely midinettes could have wafted me away, sublimated me; a gesture, a word would have sufficed, and in that moment I'd have been transported, all of me, into the world of dreams. But I suppose they had other fish to fry.”

 

2241361-08467304787782219a16418312f6e329.jpg
Louis-Ferdinand Céline (27 mei 1894 – 1 juli 1961)

 

 

De Belgische Franstalige schrijver Georges Eekhoud werd in Antwerpen geboren op 27 mei 1854. Zie ook alle tags voor Georges Eekhoud op dit blog.

Uit: Kees Doorik (Vertaald door August Peeters)

“Nelis Cramp was veel te slim, om niet te begrijpen, wat al voordeelen die openbare liefdadigheid opleveren kon, vooral voor een wroeter en een gierigaard als hij. Als 't maar voor den scharbij was, deed hij voor niemand onder, en, zoo hij van den beginne af van dit middel geen gebruik gemaakt had om nog maar toe te potten, dan was het slechts, dat er hem nog een greintje eigenliefde overschoot.
Wat zouden de benijders en rondbrievers van Dinghelaar wel niet gezegd hebben, indien Nelis Cramp, de welgezette grondeigenaar van de Wit-Hoef, zijn toevlucht niet meer nam tot de eerlijke diensten van een struischen kerel der streek, om de zwakke armen van een stadskind uit te buiten. Wat een gebabbel! En wat zouden ze af te keuren vinden!
Nochtans, na al de leegloopers en stakkers van 't omliggende in dienst gehad te hebben, - hij kon er geen enkelen houden, want ze lieten 't allen bij hem staan, nog méer uitgehongerd dan ze binnen gekomen waren, tenminst als de pachter ze zelf nog niet doorzond, daar hij het karig loon en de harde korst brood nóg te veel betaald vond voor hun zwoegen - besloot hij, al moest zijn schrokkigheid hem het laatst aanzien in de streek kosten, zoo'n verstooteling van 't ‘Gesticht’ in te nemen. De duivel hale hem, zoo hij 't niet deed!
Niet alleen zou Nelis hem doen wroeten gelijk een volwassene, maar op den koop toe zou hij het kostgeld, dat die goede, liefdadige lieden uit de stad hem uitbetaalden, nog in den zak steken.
Kees zag dikwijls Cramp terug in den geest, gelijk hij was dien heuglijken dag, op zijn vijf en vijftigste jaar: aamborstig en ineengedrogen, met afgebrokkelde, zwarte tanden, galachtig, het vel zoo verfrommeld als een mispel; met leepoogen, een grijnzende lip, en een als weggedrukten platneus. Peper- en zoutachtige, pikkige haarklissen plakten op zijn slapen, en in de groote, behaarde ooren, die hem wijd van het hoofd stonden, droeg hij zilveren ringskens, als behoedmiddel voor 't gezicht.
Hij onderbrak slechts zijn opwerpingen betreffende het smeeg uitzicht van den wees, om een trek te doen aan zijn korte, zabberig en doorgerookte steenen pijp - met een dekseltje van koperdraad, dat aan den steel bevestigd was -, of om groenige fluimen in 't zandbakje te spuwen. Onder zijn borstelige, tot een helm samenlooepnde wenkbrauwen schenen zijn grijze oogen te slapen, onbetrouwbaar, gelijk de stilstaande moerassen in de griendlanden.
De bestuurder drong nog eens aan:
- Hij kan al lezen! Hij is zoo zacht als een lammeken en gehoorzaam gelijk 'nen hond. Toe, wat geeft ge voor '

2241361-4cb47a5b2f7cdfc03c64ac921e90dfa4.jpg
Georges Eekhoud (27 mei 1854 – 29 mei 1927)

 

 

De Duits-Iraanse dichter en schrijver Said werd geboren op 27 mei 1947 in Teheran. Zie ook alle tags voor Said op dit blog.

Uit: Der lange Arm der Mullahs

„20. Juni 1981

Heute ist Said Sultanpur zusammen mit acht anderen hingerichtet worden. Er wurde bei seiner Hochzeit verhaftet und jetzt wegen Devisenschmuggels exekutiert.
Er war Dichter, Dramatiker, Schauspieler und Regisseur. Hier eine Geschichte von Said Sultanpur, der auch schon zu Zeiten des Schahs wiederholt im Gefängnis saß. Diese Geschichte erzählte er unmittelbar nach dem Sturz des Schahs bei einer Dichterlesung in Teheran: „1976 übersetzte ich ein Stück von Maxim Gorki, Die Parasi-ten, fand einen Intendanten, der bereit war, das Stück unter meiner Regie in seinem Theater aufzuführen, und fand auch die Schauspieler, die ich brauchte. Dann trug ich das Manuskript zur Zensurbehörde des SAVAK. Auf dem Manuskript standen vorschriftsmäßig der Name des Autors Maxim Gorki, mein Name als Übersetzer, der Name des Theaterintendanten und die Namen der Schauspieler. Ich bat also offiziell um die Genehmigung, das Stück auffüh-ren zu dürfen. Man nahm mir das Manuskript ab, schrieb meine Adresse auf und teilte mir mit, ich werde von der Be-hörde hören. Nach einigen Wochen erhielt ich einen Brief vom SAVAK, in dem man mich aufforderte, an einem bestimmten Tag vorstel-lig zu werden. Weiter unten stand deutlich und von Hand un-terstrichen: ,Der Autor des Stücks ist unbedingt mitzubringen.' Der SAVAK wollte 1976 Maxim Gorki sehen." Sultanpur hat all das mit- und überlebt. Dann wurde er vom Regime Chomeinis hingerichtet, während wir noch darüber witzelten, ob er in seiner Hoch-zeitsnacht nichts Besseres zu tun gehabt hätte, als Devisenschmuggel zu betreiben.
Herbst 1981
Puran wurde hingerichtet. Sie war eine schöne Frau, großgewachsen, charakterfest, intelligent und wortgewandt. Als sie hingerichtet wurde, war sie vielleicht 29 Jahre alt. Wir waren gute Freunde, hatten aber nie ein erotisches Verhältnis.“

 

 2241361-d5b6372a7689a94fde31b32d01eb8b1f.jpg
Said (Teheran, 27 mei 1947)

 

 

De Amerikaanse schrijver John Cheever werd geboren op 27 mei 1912 in Quincy, Massachusetts. Zie ook alle tags voor John Cheever op dit blog.

Uit: The Journals of John Cheever

"Prolly want a crackeer." Woke tired and took the 7:44. The river blanketed with a mist. The voices overheard. "Well, then she boiled it and then she broiled it." He raised his face and drew over it a beatific look as if he were tasting last night's dinner again. "Well, we've got one of those electric rotisseries." "Oh, New York's nothing like Chicago; nothing like it." On Twenty-third Street I read a sign: "DON'T LOSE YOUR LOVED ONE BECAUSE OF UGLY FAT." There was a window full of crucifixes made out of plastic. The surface of the city is paradoxical. For a mind cast in paradox it is reassuring to find this surface. Thinking again, in the dentist's chair, that I am like a prisoner who is trying to escape from jail by the wrong route. For all one knows, that door may stand open, although I continue to dig a tunnel with a teaspoon. Oh, I think, if I could only taste a little success. But don't I approach it by deepening the pit in which I stand? Mary in the morning, asleep, looking like the girl I fell in love with. Her round arms lie outside the covers. Her brown hair is loose. The abiding quality of seriousness and pureness.In the dark hour you cannot call on goods and chattels to save you, or old ski trails or the paths to streams. You must find something greater. And the mind in which the forces of contumely and destruction seem greater than the forces of creativity. Creativity is there, but it seems, in relation to the forces of destruction, like the nipple on a balloon. So, made up of so much destruction and with such a slender knowledge of love he appears poorly as a husband, son, and lover—masked in a rag of a smile and a striped tie and a few faint observations. Oh so deeply rooted in this mind are the needs and the habits of prayer. Having triumphantly separated himself from the foolishness of religion, he goes by the church—he hears the bells in the morning—in the churlish and unhappy frame of mind of a man who has been excommunicated. He feels the lash of expulsion. And oh this poor mind, casting desperately around a room for some detail that will give it form and meaning, seizes always on an ashtray heaped with butts or a crooked stocking, a tear in the rug. And then he sees the sky! the poignant blue, the line of darkness rising like a lid; the perfect clearness of line and color that means that a northwest wind has scoured the overcast and blown it out to sea. So his mind wanders between the ashtray and the twilight while most of the known world lies somewhere in between. He worries, he worries about his mustache, his old navy raincoat, his weight, his hair, his teeth, the stiffness in his left knee, and if his anxiety ever transcends this it is to worry about a nation of paltry men, conceived in his image and likeness—or, if he is a world federalist, to worry about a world. Why has the sweetness gone? It would all come back with a new car or a bonus or a little of the recognition that he deserves for his hard work.”

 

 2241361-c9b35f4581dc61d39c74bf779fbd0661.jpg
John Cheever (27 mei 1912 – 18 juni 1982)
Portret door Henry Koerner, 1964

 

 

De Amerikaanse schrijver John Barth werd geboren op 27 mei 1930 in Cambridge, Maryland. Zie ook alle tags voor John Barth op dit blog.

Uit:Where Three Roads Meet

“Not to mention what one learned from him in the classroom, as one's junior instructor in Literature & Philosophy I & II, about Homer and Virgil (and Sappho and Petronius and Catullus), Plato and Aristotle (and the Gnostics and the Kabbalists), Dante and Chaucer and Boccaccio (and Scheherazade and Somadeva, Poggio and Aretino and Rabelais), and other classics on (and off) one's freshman/sophomore syllabus, up to and including James Joyce's Ulysses (and Finnegans Wake) ...
"And trivia, class, as you may have heard, comes from Latin trivium: literally, a place where three roads intersect-as in Sophocles?-but by extension any public square where people swap idle gossip." The Trivium was also (he went on) the medieval division of the seven liberal arts into Grammar, Logic, and Rhetoric-not to be confused with Cambridge University's tripos, which was a different story altogether: "Okay?"
If you say so, Teach. And so indeed Al said, back then back there, in class and out-all which curricular and extracurricular input Will Chase eagerly "downloaded," as one might put it three decades later, his own background having been a different story indeed from Alfred Baumann's: Depression-era child of minimally schooled though by no means unintelligent small-town storekeepers in the state's least affluent county; graduate of a wartime local public school system so strapped for funds and faculty that its eleventh grade was perforce one's senior year, whence nearly none of the seventeen-year-old diplomates "went off" to college- especially if they'd been lucky enough to escape military service and thus unlucky enough to have no GI Bill to subsidize a higher education that, as a group, they weren't competitive for admission to anyhow. A few of the girls managed nursing school, secretarial school, or the nearby teachers college; most became store clerks, telephone operators, beauticians, or/and young housewives and mothers. Most of the boys found jobs in local offices and retail stores or became tradesmen, farmers, or crab-and-oyster watermen like their dads before them. A few enlisted in the peacetime military.
And a handful shrug-shoulderedly took the application exam one spring afternoon for "senatorial" scholarships (whereof every Annapolis legislator was allotted a few to award and then to renew or redistribute annually) to various colleges and universities in the Old Line State. Having so done, the applicants proceeded to their summer employment fully expecting that at season's end it would become their real employment: their life's work.
Which, however, in Will Chase's case and that of a few others in his (all-white) graduating class, it did not. Since junior high school-or "upper elementary," as sixth and seventh grades were called in that abbreviated system-the lad had made an avid, if noisy, hobby of jazz percussion, and with comparably amateur-but-dedicated classmates on piano, trombone, and alto saxophone had formed a combo to play weekend dances at the local yacht and country club.”

 

 2241361-abcd1fa22f0e5668061d349c6f246228.jpg
John Barth (Cambridge, 27 mei 1930)

 

 

De Tsjechisch-Israëlische dichter, schrijver, criticus en componist Max Brod werd geboren in Praag op 27 mei 1884. Zie ook alle tags voor Max Brod op dit blog.

Uit: Lord Byron kommt aus der Mode

„„AUGUSTA: Eine alberne Geschichte.
BYRON: Erzähle.
AUGUSTA: Sie ist ziemlich unanständig.
BYRON: Bitte.
AUGUSTA: Nein.
BYRON: Bitte.
AUGUSTA: Niemals. Ich sag's nicht.
BYRON: Du mußt. AUGUSTA: Müssen?
BYRON: Mein altes Mittel. Aus Aberdeen.
AUGUSTA: Was denn?
BYRON: Weißt du's nicht mehr? Ich drücke dir die Hand blau —
AUGUSTA (ist schon vorhin zurückgewichen): Das wirst du nicht.
BYRON: Wer hindert mich. (Verfolgt sie erst um den kleinen, dann um den großen Tisch herum) AUGUSTA: Weil du mich nicht fängst!
BYRON (ereilt sie): Und doch! (Ihre Hand an sich reißend —plötzlich ernst) Es ist meine Hand. Ich kann dir nichts tun. — Und Augen, Mund — alles wie bei mir, als sähe ich hinab, zurück, ins Rätsel meiner Zeugung. (Er streicht ihr über Haar und Wangen) Unseres gemeinsamen Vaters Kopf. AUGUSTA (ihre Hand losmachend): Er war gewalttätig wie du.
BYRON (wieder heftiger): Jetzt erzähle deine Geschichte.
AUGUSTA: Ich will nicht.
BYRON: Du weißt: schon als Kind hat es mich verrückt gemacht, wenn du ein Geheimnis vor mir hattest. (Pause)“

 

 2241361-02e7bb79b647c2aeb641df4d1c1d3b21.jpg
Max Brod (27 mei 1884 – 20 december 1968)
Hier echts met regisseurs van het Habimah theater in Tel Aviv

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e mei ook mijn blog van 27 mei 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten