Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 7 juli 2019 tot 8 juli 2019

Micha Hamel, Maria van Daalen, María Cecilia Barbetta, Peter Orlovsky, Walter Hasenclever, Richard Aldington, Jean Ray, Jean de La Fontaine, Julius Mosen

De Nederlandse dichter, componist en dirigent Micha Hamel werd geboren in Amsterdam op 8 juli 1970. Zie ook alle tags voor Micha Hamel op dit blog.

 

Meer over vaders dood...

Meer over vaders dood.
Ik vertelde het op mijn werk. De secretaresses mompelden,
slordig verwarde handen afvegend aan de kokerrok. Gebruikelijk
drentelen, pulken, wegkijken,
en dan ineens vieze koffie gaan halen.

Een ogenblik later plant ik mij neer en leg mijn handen op het
koele formica,
het bekertje middenin.
Twee Russen, korte beentjes, zwijgzame violisten van de eerste stoel
op wier kinderhand het riet was neergekomen bij elke onzuivere
noot,
- en nu dus met die worstenvingers viool kunnen spelen -

ze rezen voor me op als bomen, ze huilden
zulke dikke tranen achter plusbrillen.
Een dubbele omhelzing van hout, en langs hen heen
zag ik wegrijdend de slee over de taiga,
de bloemen, de troost, de geruisloze mens

 

 

In Paradisum

Ook anorexia-meisjes hebben hun nut
bijvoorbeeld voor de schoorvoetende
verliefdheid van knapen die het nog niet
op lichamelijkheid kunnen laten
aankomen en verlangen naar een on-
bezoedelde omarming met een echt levend
tijdschriftmeisje of ganzig ballerinaatje
uit het corps dat gedwee haar spiertjes
rolt en in wonderland de narcis danst.

Een vermeend meisje, een wolk, een kind onaangetast
door vaders boze tengels, maar vooral intact
gelaten door zichzelf, borstloze bewoonster van
virtueel Arcadië die ostentatief weigert
over haar lichaam te beschikken, als zeide zij
ik ben een stil doorschijnend diepzeevisje in jouw aquarium
breng je mij omhoog ben ik een koud prulletje in je hand
een kinderlijkje, een zakje orgaanvlees op het strand.

Lofwaardig is haar streven want hoezeer
is vergeestelijking niet bezongen
door de beeldhouwer die strijdt tegen steen
door de flagellant die het vlees pijnigt en veracht.

Modebeeld dank u voor de jonkies die glad
van hormoonstoornissen onverplicht door mijn luchtruim
kruisen als engelen op een fresco
met een zeepbel achter hun hoofd.

Proef de zuiverheid van deze ootmoedige liefde
waarin seks en geweld niet langs de decoder kunnen.

Zie in gedachten de geloken ogen van Maria,
de kinderbeentjes van het nichtje dat op schoot kruipt,
de eenvoudig afgewerkte randjes van een wit hema-slipje.

Breng dit samen in een beeld
Heb geen bijgedachten
Neem afstand
Mijmer over de kindertijd
Roep op de golvende ontroering van de eerste geziene spleet.

Het is een lief restje rosbief in de hoek van de koelkast
Het is een gebitsloos mondje op de witte tegels van het slachthuis

(Trouwens, ook Fellini had angst voor de kut)

 

 2251410-91f25b29bf167687918b5a566a9d024e.jpg
Micha Hamel (Amsterdam, 8 juli 1970)

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Maria van Daalen werd geboren op 8 juli 1950 in Voorburg. Zie ook alle tags voor Maria van Daalen op dit blog.

Uit: Carissimo Angelo

“Nunziata, 26 maart, A.D.
Niets heb ik meer gedaan, vanmorgen, sinds je bent weggegaan. Ik heb alleen maar in bed gelegen en gestaard naar het stukje lucht dat nog net zichtbaar is in het dakraam. Langzaam veranderde het van kleur: een grijze nevel, een gouden moment, een blauwe hemel. Zoals je ogen. Maar die zijn helemaal niet blauw, die zijn bruin, bijna zwart. Glanzend als je haren en net zo donker. Weet je dat die wel rood lijken, krullend rood. Gistermiddag. We lagen in een baan zonlicht die precies op het bed stond, je hoofd lag op mijn buik, ik voelde je tong langs de rand van dat beetje zwarte krulhaar dat ik heb en ik zei je naam even heel zachtjes en je keek met een ruk op - in die beweging kleurde je haar dieprood, het stond als een aureool uit om je hoofd en je ogen, in de schaduw, leken nog zwarter... ‘Saluto, Maria,’ zei je. Je mondhoeken, die altijd iets opgetrokken staan, tegelijk spottend en glimlachend, trokken nog iets hoger zonder dat je lippen uit elkaar gingen - terwijl ik toch duidelijkje tong had gevoeld. Voordat je hoofd weer in de kom van mijn heupbeenderen lag voelde ik je vinger, die ruimte maakte, die je voorzichtig ronddraaide over de lichte bolling na het begin van de opening. Als vanzelf gingen mijn knieën wijd uiteen en mijn hoofd trok kreunend achterover.
Ik lees; hij komt binnen. Ik schrijf; en het begint te waaien. In een brief aan hem noteer ik ook altijd wat voor weer het is, alsof ik het zelf gemaakt heb. Op mijn stemming heeft het geen invloed. Ik stel mij zijn ogen voor, wat voor weer het dáár is, achter die zwarte pupillen; ik stel mij zijn lange spitse vingers voor. Elke ervan begint als een vinger en loopt uit in een vingertop zo smal als een gedachte, als bidden met opgeheven handen. Zó uit een Giotto gestapt; ik mis de gouden achtergrond, telkens als ik hem zie.
In het blauw van de hemel zag ik het groen van de rivier. Herinner je je dat we over een smalle brug gingen, die aan weerskanten verdween in de wilgen en in zo hoog riet (dacht ik) dat het mij overschaduwde; maar jij zei dat het bamboe was. We stonden middenop stil en leunden over de brug; onder ons waren kleine forellen die zich steeds op dezelfde plaats hielden, tegen de stroom in, met een klap van hun kleine staarten.
De dag nadat je was weggegaan liep ik nog een keer dezelfde wandeling; aan het begin van de brug stond ik stil en staarde over de volle lengte naar de wuivende bamboe. Een vogeltje vliegt aan over de brug, het heeft iets in zijn bek dat felgekleurd is, ik kijk en voor mijn voeten valt een helderrode kers.”

 

2251410-b8b01932d3d289fd77573b7d75545810.jpg
Maria van Daalen (Voorburg, 8 juli 1950)

 

 

De Duitstalige schrijfster María Cecilia Barbetta werd geboren op 8 juli 1972 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor María Cecilia Barbetta op dit blog.

Uit: Nachtleuchten

„Nun steckte sie den Kopf durch den Türrahmen des elterlichen Gemachs und musste die Augen zusammenkneifen. Sie wurde von der hereinfallenden Sonne geblendet, die den Raum überfl utete und alles darin in eine beißende Helligkeit tauchte. Teresa blinzelte, dabei wechselten Hell und Dunkel so oft, bis ihre Augen sich an die Lichtfülle gewöhnten und nicht länger schmerzten. Die Mutter hatte den Rücken mit einem Kissen gestützt; um sie herum erstreckten sich geheimnisvolle Stoffl andschaften, schattige und goldene Bahnen liefen in abgelegene Gefi lde aus, dazwischen warfen sich Falten auf, es waren ihrer so viele wie bei einem kostbaren Umhang. Wie eine Erscheinung kam die Mutter der Tochter vor, wie die wohltätige weiße Madonna in der Grotte, wo die Quelle des Lichts nur sie sein kann, die strahlende Mutter, die einen über die Entfernung ruft und zu der man pilgert, weil sie Wärme und Trost spendet, weil man sich seiner Fehltritte schämt und um Verzeihung bitten möchte. Die Mutter lächelt gütig und winkt die Tochter zu sich heran. In solchen Augenblicken geschehen Wunder, denn durch dieses unmissverständliche Zeichen vergisst die Tochter die Beschwerden und Strapazen des Weges, die nächtlichen Stunden der Trennung, das Wachen an der Schwelle der Kindheit, das Bangen um die Mutter, die erdrückende Ungewissheit im Herzen und den Alb in den Träumen, den unerträglichen Durst mitten in der Nacht, das Aufstehen und sich Vorantasten im Halbdunkeln, das Aufhorchen in der Nähe des Badezimmers, das Aussetzen des Atems und das Lauschen an der Tür, die eiskalten Kacheln, die nackten Füße wie Mondsicheln und die aufkommende Reue, denn heute erinnerte Teresas Mutter mit ihrem off enen Gesicht und ihren zurückgesteckten schwarzen Haaren an die Santísima Virgen del Monte, an die Heilige Jungfrau auf dem Berge, oder auch an die wunderschöne Virgen del Cerro, Unsere liebe Frau am Hügel, vor der die Pilger gern hinknien, um die am Wegesrand gepfl ückten Blumen abzulegen und mit ihnen die ganze Müdigkeit und die Sorgen. Der Platz des Vaters war leer und sein Pyjama zusammengeknüllt. Die Tochter stieg auf das Ehebett, um auf Augenhöhe mit dem Gemälde der Heiligen Familie sich Sankt Christophorus anzuvertrauen, einen Fuß zwischen die langgestreckten Beine der Mutter zu setzen und mit dem nächsten Schritt die andere Seite zu erreichen. Während der Überquerung wanderten die Blicke der Mutter über das Nachthemd der Tochter.“

 

 2251410-2100d23ac063d678b25b56f0e2e1994f.jpg
María Cecilia Barbetta (Buenos Aires, 8 juli 1972)

 

 

De Amerikaanse dichter Peter Orlovsky werd geboren in New York op 8 juli 1933. Zie ook alle tags voor Peter Orlovsky op dit blog.

Uit: My Dear Boy: Gay Love Letters Through the Centuries

“PETER ORLOVSKY TO ALLEN GINSBERG

{New York]
April 22, 58
Dear Allen:
. . . Hi Allen – hay-ho doll – come on over and blow me you sexy ass of yours under the sheets that I feel all the time – right there between my hands – I miss the shoe shine you'd give my cock! – God – you know I've layd nobody since we last made it together – God for all I know my cock may be getting rusty like a dusty kings crown in dewy dungen – I'm sick of all this crying – the world is never going to end all this sadness – I'm going to marry good woman & grow my own love army . . .

[New York]
June 23, '60
Dear Allen with dark Indian Death Eyes:
. . . I also thought, Yesterday, that you (in yr last letter said our Peyote High scared you when I laffed) feel I do harm to myself if we seperated & you get married (children) or I get mad at you & so I think now what ever we do (weather I turn into cockerroch cralling along 1st Ave coblestones & get Xed by truck) (both get married or just you) (as you fell in love with John Weiners or bring back new boy friend from Lima as you want to go away alone by yr self to india hill cave – or sit on my cock & talk it over & lay down & do it again, as you get married & I take care of yr baby while you blink in Jungle Storms or open the door & say "Now Peter you just cant stay around & do notheing all the time" – or be happey to each other at important times – maybe I am yr Child & you dont know it Allen – Alen I love you, Allen, Please Allen give me a sapey (sap) kiss – . . .
     Write me more if you want I sail yr heart
         Love from 33 st. P.O. Peter
             by by now”

 

 2251410-a32d72086ea5caf8f2d86df212c0d265.jpg
Peter Orlovsky (8 juli 1933 – 30 mei 2010)

 

 

De expressionistische Duitse schrijver en dichter Walter Hasenclever werd op 8 juli 1890 in Aken geboren. Zie ook alle tags voor Walter Hasenclever op dit blog.

Uit: Der Bankier und der Dichter. Ein Gespräch über Dichtung

„Der Dichter: Ich gebe Ihnen ohne weiteres zu, daß das Ansehen der Lyrik im Publikum seit einiger Zeit gesunken ist. Ich mache dafür niemand anders als die Dichter selber verantwortlich! Weder die Raserei im Kosmischen, noch die Wut im Metaphysischen (lassen Sie mich schweigen von den Marktweibern in der Lyrik), hat uns reicher gemacht. Die Dichter, unsere Vorfahren, haben allzuviel besessen. Wir müssen wieder zu dem Mythos zurückkehren, wo der Dichter Gottes ärmstes, aber auch liebstes Kind ist.
Der Bankier: Entschuldigen Sie, wenn ich realer bin: wir erleben vor uns das Schauspiel der Aeroplane und Luftathleten. Vielleicht kann uns, während wir reden, eine Maschine von oben auf den Kopf fallen. Das wäre vor 10 Jahren noch nicht möglich gewesen. Weshalb sollte der Dichter nicht dieser Katastrophe zuvorkommen und das sagen, was schließlich für alle modern ist?
Der Dichter: Sie vergessen, daß dies bereits geschah! Die Lyrik, von der Sie sprechen, ist dagewesen. Wir kennen den Rhythmus der Maschinengewehre und können Verse bauen, mit denen man Tunnels sprengt. All das scheint mir nicht mehr aktuell; es ist wichtiger, gegen die Zeit zu sein, indem man ihr eine Distanz zu sich gewinnt, als für sie zu sein und ihre Bedürfnisse in Kunstfertigkeit zu erheben. Sie müssen bedenken, daß der Dichter immer das Zukünftige ist, das heißt jene Existenz, die im Grunde Raum- und Zeitlosigkeit bedeutet und nur durch ihre Erscheinung wirklich wird.
Der Bankier: Doch geben Sie zu, daß Sie die Welt brauchen, in der Sie leben und zum Dichten verurteilt sind! Sie sind abhängig in Ihrer Seele von der motorischen Sensation dieses Tages, ebenso wie von den finanziellen Operationen, mit denen ich über Ihrem Dasein wache.
Der Dichter: Pardon – Sie irren! Ich muß Ihnen mit Ihren eigenen Worten begegnen: Sie erkennen die Form eines Gedichtes an, aber Sie leugnen seine Bestimmung. Die gleichen Grenzen setze ich Ihrer Wirkung: ich brauche die Fülle des Tages und der Nacht, die Sie mir dauernd gestalten; ich gleite durch den Strom elektrischer Transparente und durch die Kabeldrähte der Ozeane – aber ich lehne die Bürgerlichkeit dieser Sphäre ab, sobald sie Kunst wird.“

 

 2251410-528136be9b42ee49b56d2cac3b68e029.jpg
Walter Hasenclever (8 juli 1890 – 21 juni 1940)
In 1916

 

 

De Engelse schrijver en dichter Richard Aldington werd geboren op 8 juli 1892 in Portsmouth. Zie ook alle tags voor Richard Aldington op dit blog.

 

Le Maudit

Women’s tears are but water;
The tears of men are blood.

He sits alone in the firelight
And on either side drifts by
Sleep, like a torrent whirling,
Profound, wrinkled and dumb.

Circuitously, stealthily,
Dawn occupies the city;
As if the seasons knew of his grief
Spring has suddenly changed into snow

Disaster and sorrow
Have made him their pet;
He cannot escape their accursed embraces.
For all his dodgings
Memory will lacerate him.

What good does it do to wander
Nights hours through city streets?
Only that in poor places
He can be with common men
And receive their unspoken
Instinctive sympathy.

What has life done for him?
He stands alone in the darkness
Like a sentry never relieved,
Looking over a barren space,
Awaiting the tardy finish.

 

 2251410-49454326bc7e271d309e246f4af5d540.jpg
Richard Aldington (8 juli 1892 – 27 juli 1962)
Cover

 

 

De Frans- en Nederlandstalige Belgische schrijver Jean Ray (bekendste pseudoniem van Raymond de Kremer) werd geboren op 8 juli 1887 in Gent. Zie ook alle tags voor Jean Ray op dit blog.

Uit: Saint-Judas-de-la-Nuit

« La petite ville », aimait répéter Mgr Ducroire. Il est heureux que Benoît Picard, l'auteur de cette comédie pleine de charmante gaieté, ait échappé aux horreurs de l'an Quatre-vingt-treize, sinon cette ceuvrette n'aurait pas été écrite. Et c'est ainsi que la ville m'est apparue quand je la vis, la première fois, du haut de cette colline. Depuis... » Ce souvenir s'achevait à chaque fois en un soupir. Depuis, la petite ville avait perdu de son charme ; la colline n'était plus qu'une affreuse butte en proie aux avoines folles ; et le palais épiscopal, où Mgr Ducroire achevait sa sainte carrière, finissait la sienne en une ruine mangée par toutes les pluies et les vents de l'espace. Bien avant que le bon Benoît Picard eût décrit sa douce vision, la petite ville s'appelait La-Roche-sur-Orgette, en raison d'un pan de rocher et du nom de la rivière caressant ses remparts. Elle était devenue plus tard La-Ruche-sur-Orgette, à cause d'un fragment de blason ornant le coin d'une de ses portes, et où un archéologue local avait cru découvrir une ruche entourée d'un essaim de mouches à miel. C'était d'ailleurs sans importance ; Mgr Ducroire continuait à l'appeler « la-petite-ville » et, le plus souvent « ma-petite-ville », au mépris de quelques vilains noms qu'elle devait à ses habitants. L'abbé Capade, le secrétaire de Monseigneur, la nommait pour sa part « nichet du diable », sans qu'on pût savoir pourquoi. Un nichet est un oeuf factice que l'on met dans un nid pour que les poules y aillent pondre. Alors ?... Il y avait bien des choses auxquelles l'abbé Capade aurait pu fournir de rationnelles explications, mais il se taisait à ce sujet. Personne d'ailleurs ne lui en demandait.
Ce jour de fin mars, donc jour printanier, une pluie mêlée de petits grêlons battait les vitres, et un vent aux sautes capricieuses apportait de brusques vagues de froid. — C'est un vent mauvais, dit l'abbé Capade. Nos amis des Six-Tourelles le nomment « goule de mer » et ce n'est pas mal trouvé. — Ah ! les Six-Tourelles..., murmura Mgr Ducroire. Ils se tenaient dans la sombre mais chaude cuisine du palais, car on gelait dans les autres pièces du vaste bâtiment, et l'heure du dîner était proche. Frère Adelin, le cuisinier, activait le feu à grands coups de tisonnier et, de temps à autre, faisait basculer la porte du four d'où s'envolait une bonne odeur de rôti. — Ce n'est pas une odeur de carême, fit observer l'abbé Capade. — Profiteroles, grommela Adelin. — Et leurs béatilles ? demanda, non sans un peu d'anxiété, Mgr Ducroire. — Sarcelles, répondit le frère cuisinier. Un dernier présent des Six-Tourelles. — Chair maigre, approuva l'abbé Capade. Les profiteroles sont des petits pains sans mie, cuits au four gai et garnis de béatilles, qui sont de viandes fines richement épicées, ou de poisson aux jours maigres. — Un dernier présent des Six-Tourelles, soupira l'évêque. Frère Adelin a raison en ce disant. Son secrétaire haussa les épaules. — L'abbaye des Six-Tourelles, bien digne aux siècles derniers, s'en allait pierre par pierre. En grande partie sur vos instances,"

 

 2251410-ce5cc13b9b2aea064a14f1b7d6b5db6a.jpg
Jean Ray (8 juli 1887 – 17 september 1964)
Cover

 

 

De Franse dichter en schrijver Jean de La Fontaine werd op 8 juli 1621 geboren in Château-Thierry in Champagne. Zie ook alle tags voor Jean de La Fontaine op dit blog.

Uit: De twee duiven (Vertaald door Martinus Nijhoff)

Twee duiven hielden van elkander;
De één hield het in huis niet uit:
Dol als hij werd nam hij 't besluit
Op reis te gaan - Toen sprak de ander:
Beseft ge wel wanneer ge heengaat
Dat gij uw kameraad alleen laat?
Eenzaamheid is het zwaarst verdriet;
Voor u niet, egoïst! O mocht slechts een verschiet
Van last op reis, moeite en gevaren
Uw overmoed wat doen bedaren.
En dan, als maar de dagen reeds wat zachter waren!
Waarom zo'n haast gemaakt? wacht toch de zomer af:
Daar straks nog kraste een Raaf van een ras vogelgraf.
Geen blad beweegt of 'k zie de vreselijkste keerzij,
Een valk, een vangnet - Ach, zeg ik, als 't reegnen gaat,
Heeft hij 't naar wens, mijn kameraad,
Eten, een bed, en wat dies meer zij? -
Zo teedre taal verlamde schier
Het hart van den avonturier,
Toch kreeg de reislust in zijn ongedurig wezen
Ten slotte de overhand - Hij sprak: staak uw getreur.
Hoogstens een dag of drie en mijn hart is genezen:
Dan keer ik huiswaarts en verhaal in kleur en geur
Mijn vriend wat mij is overkomen.
Wat zal hij lachen! wie een reis heeft ondernomen
Kan veel vertellen thuis: 't relaas dat ik ga doen,
Wat zal u 't een genoegen geven!
Ik zeg: 'k was daar en daar; en dat gebeurde toen;
Ge zult geloven mee te leven.
Zo sprak hij. Diep bedroefd zeiden ze elkaar adieu.
De reiziger snelt heen. Maar zie, een wolk verduistert
De vlakte en dwingt de Duif te schuilen voor een bui.

 

 2251410-727714890b4b3a431c8b1738d57ecfed.jpg
Jean de La Fontaine (8 juli 1621 – 13 april 1695)
De twee duiven, illustratie door Jean-Baptiste Oudry

 

 

De Duitse dichter en schrijver Julius Mosen (eig. Julius Moses) werd geboren op 8 juli 1803 in Marieney in het Vogtland. Zie ook alle tags voor Julius Mosen op dit blog.

 

Könnt´ ich verwehen...

Könnt´ ich verwehen,
zu Nebel vergehen,
zerfließen in Luft;
ich hielt´voll Erbarmen
die Welt in den Armen.
So mit dem Herzen
voll Liebe und Schmerzen
verglüh´ich allein
und sinke in Flammen
und Asche zusammen.

 

 

Sehnsucht


Wär´ich der Regen,
ich wollte mich leben
der Erde ans Herz;
wie sollte sie blühen
und jauchzen und glühen.

Wär´ich die Sonne,
ich sög´mich vor Wonne
ins dampfende Meer;
wie sollt´es da rauschen
und Küsse tauschen!

 

 2251410-687334de419b57dd3d41e37e48cb3cf4.jpg
Julius Mosen (8 juli 1803 – 10 oktober 1867)
Borstbeeld in Plauen

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e juli ook mijn blog van 8 juli 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:23 Reageer op dit bericht

Ivo Victoria, Lion Feuchtwanger, Vladimir Majakovski, Clemens Haipl, Miroslav Krleza, János Székely

De Vlaamse schrijver Ivo Victoria (pseudoniem van Hans van Rompaey) werd op 7 juli 1971 geboren in Edegem (Antwerpen). Zie ook alle tags voor Ivo Victoria op dit blog.

Uit: Billie & Seb

“Het ziekenhuis lag een heel eind uit de kust, waar de landtong op zijn breedst was. De snelweg die vanuit het binnenland naar deze uithoek voerde hield precies ter hoogte van de vijf donkere torens waaruit het gebouw bestond op te bestaan en ging over in een magere asfaltbaan die zich verder door het ijzingwekkend vlakke landschap sleepte en uiteindelijk in Gaspel aankwam.
Vier van de vijf torens stonden twee bij twee, als de punten van een vierkant, en de vijfde stond daar pal voor, alsof hij de formatie aanvoerde. Billie, een veertienjarig meisje van Aziatische oorsprong, lag op de zevende verdieping van die vijfde toren, in een kamer aan de westkant. Het licht schemerde rustgevend. Regelmatige curves in groen, rood en blauw liepen over een monitor die naast haar bed op een roltafel stond, tevens de uitvalbasis van een wirwar aan plastic slangetjes die waren verbonden met een infuus of een zuurstofmasker, of zich anderszins vertakten en haar lichaam binnendrongen. Haar huid, die in betere tijden gloeiend bruin kon glanzen in de zon, leek van een vaalgele, gestolde olie te zijn gemaakt. Haar neusvleugels trilden onmerkbaar, haar oogleden waren roerloos.
‘Hoi, ik ben Billie, een geest.’ Dat waren de eerste woorden die ze tegen Seb had gezegd. Ze zag hem op een ochtend, op het schoolplein. Hij stond alleen, en zijn ogen volgden iets in de lucht wat voor andere leerlingen verborgen bleef. Een magere jongen die ziek oogde maar niet op een zielige manier. Een zieke uit overtuiging. Een dikke bos zwart haar lag wanordelijk over zijn hoofd gedrapeerd, alsof hij net uit bed kwam na een lange, droomloze slaap, en zijn huid was van een intense bleekheid die Billie deed vermoeden dat alle bloed en energie zich diep in hem hadden teruggetrokken en daar vol vuur om zijn hart heen dansten en klotsten omdat ze het nut er niet van inzagen zich op andere plekken in zijn lichaam op te houden, laat staan zijn vel te kleuren.
De wolken snelden voorbij, de zon ging uit en aan en deed zijn gezicht oplichten en uitdoven en Billie liep naar hem toe en zei: ‘Hoi, ik ben Billie, een geest. Wat ben jij?’
‘Ik ben Seb,’ zei Seb.
‘Maar wát ben je?’ vroeg ze.
‘Seb,’ had hij opnieuw gezegd. ‘Gewoon Seb.’
Daarna hadden ze samen een paar volstrekt vanzelfsprekende weken doorgebracht. Vaak trokken ze naar Billies huis, en spendeerden uren stuiterend op de trampoline in de tuin. Of ze sprongen op de fiets en zwierven door de wijde omgeving, zoals jongelingen in Gaspel van oudsher deden. Ze banjerden door de eindeloze weiden, hingen rond bij de leegstaande boerderij van Urbain of ze zwierven door de goud bloeiende gaspeldoornvelden, tot aan de rotsen en de zee. Billie meende iets in Seb te herkennen; als vierjarige was ze in Gaspel gearriveerd, geadopteerd door mensen die jarenlang vruchteloos hadden geprobeerd kinderen te krijgen.”

 

 2251110-0caf06fcb1b950a308e72b1f26bb1b1a.jpg
Ivo Victoria (Edegem, 7 juli 1971)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Lion Feuchtwanger werd geboren in München op 7 juli 1884. Zie ook alle tags voor Lion Feuchtwanger op dit blog.

Uit: Die Jüdin von Toledo

„Manche Juden aber blieben im moslemischen Spanien und bekannten sich zum Islam. Sie wollten auf diese Art ihr Vermögen retten und später, unter günstigeren Umständen, in die Fremde gehen und sich wieder zum alten Glauben bekennen. Allein die Heimat war süß, das Leben in dem holden Lande Andalüs war süß, sie zögerten die Ausreise hinaus. Und als nach dem Tode des Kalifen Jussuf ein weniger strenger Fürst zur Herrschaft kam, zögerten sie weiter. Und schließlich dachten sie nicht mehr an Auswanderung. Zwar blieb allen Ungläubigen der Aufenthalt im Andalüs verboten; aber es genügte als Glaubensbeweis, sich zuweilen in der Moschee zu zeigen und fünfmal täglich das Bekenntnis zu sprechen: Allah ist Gott und Mohammed sein Prophet. Heimlich konnten die früheren Juden ihre Bräuche weiter üben, und es gab in dem judenfreien Andalüs versteckte jüdische Bethäuser. Sie wußten indes, diese heimlichen Juden, daß ihre Heimlichkeit vielen bekannt war und daß ihre Ketzerei, brach ein neuer Krieg aus, ans Licht kommen mußte. Sie wußten, wenn ein neuer Heiliger Krieg ausbrach, waren sie verloren. Und wenn sie, wie ihr Gesetz es ihnen vorschrieb, alltäglich um die Erhaltung des Friedens beteten, taten sie es nicht nur mit den Lippen.
Als Ibrahim sich auf den Stufen der verfallenen Fontäne des innersten Hofes niederließ, spürte er seine Müdigkeit. Er war nun eine volle Stunde lang in diesem baufälligen Hause herumgegangen. Und er hatte doch wahrhaftig keine Zeit zu verlieren. Volle zehn Tage war er jetzt in Toledo, die Räte des Königs drängten mit Recht auf Bescheid, ob er nun die Generalpacht der Steuern übernahm oder nicht. Der Kaufmann Ibrahim aus dem moslemischen Königreich Sevilla hatte mehrmals mit christlichen Fürsten Spaniens Geschäfte getätigt, aber ein so ungeheures Unternehmen hatte er noch niemals angepackt. Es stand seit Jahren schlecht um die Finanzen des Königreichs Kastilien, und seitdem gar König Alfonso - das war nun fünfzehn Monate her - seinen leichtsinnigen Feldzug gegen Sevilla verloren hatte, war seine Wirtschaft vollends verfahren. Don Alfonso brauchte Geld, viel Geld, und sofort. Der Kaufmann Ibrahim von Sevilla war reich.“

 

 2251110-59cebf5f0d638e1302ae93261fb39d74.jpg
Lion Feuchtwanger (7 juli 1884 – 21 december 1958)
Cover

 

 

De Russische dichter Vladimir Majakovski werd op 7 juli 1893 in Baghdati, Imereti, Georgië, geboren. Zie ook alle tags voor alle tags voor Vladimir Majakovski op dit blog.

 

A Cloud In Trousers – Part I (Fragment)

I feel
my "I"
is much too small for me.
Stubbornly a body pushes out of me.

Hello!
Who's speaking?
Mamma?
Mamma!
Your son is gloriously ill!
Mamma!
His heart is on fire.
Tell his sisters, Lyuda and Olya,
he has no nook to hide in.

Each word,
each joke,
which his scorching mouth spews,
jumps like a naked prostitute
from a burning brothel.

People sniff
the smell of burnt flesh!
A brigade of men drive up.
A glittering brigade.
In bright helmets.
But no jackboots here!
Tell the firemen
to climb lovingly when a heart's on fire.
Leave it to me.
I'll pump barrels of tears from my eyes.
I'll brace myself against my ribs.
I'll leap out! Out! Out!
They've collapsed.
You can't leap out of a heart!

From the cracks of the lips
upon a smouldering face
a cinder of a kiss rises to leap.

Mamma!
I cannot sing.
In the heart's chapel the choir loft catches fire!

The scorched figurines of words and numbers
scurry from the skull
like children from a flaming building.
Thus fear,
in its effort to grasp at the sky,
lifted high
the flaming arms of the Lusitania.

Into the calm of the apartment
where people quake,
a hundred-eye blaze bursts from the docks.
Moan
into the centuries,
if you can, a last scream: I'm on fire!

 

 

Vertaald door Max Hayward en George Reavy

 

 2251110-3642ee9e2ae8b7dbc3a77523165f45ef.jpg
Vladimir Majakovski (7 juli 1893 – 14 april 1930)

 

 

De Oostenrijkse schrijver, cabaretier, tekenaar en muziekproducent Clemens Haipl werd geboren op 7 juli 1969 in Wenen. Zie ook alle tags voor Clemens Haipl op dit blog.

Uit: Ich scheiss mich an (Ganz Normal)

„Ich habe einmal in Amerika gelebt. Das tun an sich viele Menschen, die meisten davon sind aber Amerikaner und erwähnen das deswegen nicht extra. Ich nicht, darum erwähne ich es schon. Jedenfalls war eines der ersten Gastgeschenke, die ich nach meiner Ankunft im schönen Ohio erhalten habe, ein Ansteckbutton mit der Aufschrift „Why be normal?“ Die Menschen werden schon gewusst haben, warum sie den ausgerechnet mir geschenkt haben, und ich habe ihn ein Jahr lang mit Stolz getragen. Er war bei mir, als sich an der Kreuzung ein paar Rednecks einbremsten und in meine Richtung „What’s wrong with you, faggot?“ riefen (in etwa: „Was ist los mit dir, Homosexueller?“). Sie taten das, weil ich – für amerikanische Midwest-Verhältnisse eher unüblich – schwarz gefärbte, in den Mund hängende Haare und ca. sieben, acht silberne Ohrringe trug. Und der Button war auch bei mir, als mich die Highschoolblonde entgeistert ansah, „You’re so different!“ stammelte und mir hernach ihre Zunge in den Hals steckte.
Will sagen: Normal sein hat Vorteile, nicht normal sein aber auch. Es ist letztlich auch völlig irrelevant und ich habe überhaupt keine Lust auf Diskussionen mit oder über Menschen, die von sich selber behaupten, dass sie „total verrückt“ seien oder – noch schlimmer – dass „alle ihre Freunde finden, dass sie völlig crazy seien und irgendwas mit Kabarett machen sollten“. Wenn Sie solche oder ähnliche Ansammlungen von Vokalen und Konsonanten vernehmen, greifen Sie getrost zur Flasche. Sie können jeden erdenklichen Trost gebrauchen und haben mein vollstes Verständnis.
„Ich bin echt nicht normal“, „Ihr müsstet einmal bei uns in der Firma vorbeischaun, das ist Comedy pur“, „Was soll ich machen, ich bin halt eine Lachwurze“ und Ähnliches gelten übrigens auch. Was für ein Desaster …“

 

 2251110-a436e7c0c6f21d0583bed0bcfb420b43.jpg
Clemens Haipl (Wenen, 7 juli 1969)

 

 

De Kroatische schrijver Miroslav Krleza werd geboren op 7 juli 1893 in Zagreb. Zie ook alle tags voor Miroslav Krleza op dit blog.

Uit: On The Edge Of reason (Vertaald door Zora Depolo)

“Our domestic, autochthonous, so to speak national and racial top-hatted man, homo cylindriacus, who, as a rule, is at the head of some man-established institution, thinks of himself, in the glamour of his civic dignity, as follows: On behalf of the seven thousand doctors of all sorts, I stand at the head of my own branch of learning as its most outstanding representative, the most worthy of respect. Every word I have uttered up to this day has been right and proper in my highly learned dissertations, printed by our honorable academy. I am the chairman of twenty-three societies. In fact, the fairy guarding the cradle of every newborn infant predicted that I should be a patron and lawyer, honorary chairman and president, initiator, ideologist, funeral orator and speaker at unveiling ceremonies, and eventually have a bronze statue of myself erected in one of our parks. In the shadow of my top hat I have enjoyed the dignity of one whose name appears in our *Who’s Who *followed by four full lines of the titles and subtitles of my civil-service functions. I am a man who, on principle, has lived my orderly and honorable life within my income, without debts, without moral, civic, or other stain, without political suspicion, as an irreproachable patriot, as open as a tradesman’s books, accessible for inspection at any time, polite, composed, clear, helpful, a model both to myself and to my fellow citizens, a model citizen and toiler, a good husband who has never slept with anybody except his own wife, whom he promptly, during the first night of a happy marriage, made the mother of a future learned doctor and future chairman or future wearer of a top hat, for the Lord commanded: Be born, learned doctors, and beget future learned doctors, for that is why the universe was created, i.e., that we, wearers of top hats, might multiply.

Human intelligence today is but nervous restlessness, or rather neurasthenic fussing amid the postdiluvian conditions of reality. We neurotic individuals are surrounded by dullards, landlords, owners of soda-water factories, honorable citizens and petit-bourgeois folk wearing bowlers and felt hats as they attend one another’s funerals. Our top-hatted man is a model patriot, a member of the central committee of such and such a party, a city alderman, a town councilor, a factory owner, a benefactor and public worker who gives expression to his clever ideas in his party organ. His speech is allegorical. He protests publicly against motor transportation, yet lacks the true citizen’s courage to revolt against military parades. After the whole globe has been in flames, after who-knows-how-many-dozen European cities have been devastated in the thunderstorm that has shaken Europe like an old piece of torn newspaper, and after the whole of Asia has been plunged into bloodshed, plaque, fire, ruin, and catastrophe like a blasted stone-quarry, our *homo cylindriacus *protests against the use of ‘‘motor transport.’’

 

 2251110-19726f513f9d2e20e439a703d5c41ba7.jpg
Miroslav Krleza (7 juli 1893 – 29 december 1981)

 

 

De Hongaarse schrijver en draaiboekaureur János Székely werd geboren op 7 juli 1901 in Boedapest. Zie ook alle tags voor János Székely op dit blog.

Uit: Verlockung (Vertaald door Ita Szent-Iványi)

„Wir kommen auf das flache Land, ein kleines Dorf, wie klein, sollte die Hauptperson erst feststellen, als sie vierzehn Jahre später zum ersten Mal diese Ansammlung meist ärmlicher Hütten verläßt. Geboren wurde dieser Béla so um die 1912, man kann nicht gerade sagen, daß es ein Wunschkind war, Anna, die Mutter, damals selbst noch kaum erwachsen, sah den Vater des kommenden Knaben am Abend eines dieser schwülen Sommertage, an dem ein großes Sommerfest stattfand, zum ersten, am darauffolgenden, noch frühen Morgen zum letzten Mal… alle Versuche, sich des werdenden Lebens zu entledigen fruchteten nichts, und letztlich kam der Junge zur Welt und kurz darauf zu Tante Rozika, welche selbst ein bemerkenswertes Schicksal hatte…
Sie nämlich verkaufte früher Liebe gegen Geld und als sie merkte, daß sie in ein Alter kam, in dem sie für das gleiche Geld mehr an Liebe verkaufen musste, schulte sie um auf Hebamme, um mit diesem Wissen jedoch Engel zu machen. So waren die Zeiten. Später nahm sie dann die Bankerte auf, an denen es nicht mangelte, verköstigte sie nach der Höhe des Pflegegeldes, das ihr unglücklichen Mütter, die sich in Budapest oder sonstwo als Amme, als Dienstmädchen, als Magd verdingen mussten, schickten. Da Bélas Mutter stets im Rückstand war, litt der Knabe genauso stets an Hunger. Aber Hunger macht nicht nur erfinderisch, er macht auch Diebe: Béla blieb nichts anderes übrig, als stehlen zu lernen wie ein Rabe. Das Problem lag eher darin, daß es nicht viel zu stehlen gab. Als Sechsjähriger tat sich ihm eine andere Art des Geldverdienens auf: er machte eine Karriere als Miet-Schläger, soll heißen, er verprügelte im Auftrag Schwächerer deren Feinde….
Um die Schulpflicht kümmert sich Tante Rozika wenig, zumindest bei Béla . Nach einen sehr heftigen Streit mit dessen Mutter musste sich der Junge sein Essen durch Arbeit selbst verdienen, für solche Fisematenten wie Schule blieb keine Zeit – und überhaupt, wofür sollte sie bei so einem gut sein?
Doch Belá war äußerst neidisch auf die Kameraden, die von der Schule erzählten und als er lange Zeit später hörte, daß eigentlich Schulpflicht bestünde, ging er selbst zum Lehrer und bat untertänigst darum, in die Schule gehen zu dürfen, er würde das Schulgeld auch gerne abarbeiten….
Der Lehrer, sowohl Trunkenbold und Wüstling als auch ein genialer Pädagoge, redete ein ernstes Wort mit Tante Rozika, fortan durfte Béla in die Schule. Nach der Schule arbeitete er wie früher und nachts schlich er sich mit den Schulbüchern auf den Abtritt, um im Schutz von Dunkelheit und Gestank zu lernen. Ehrgeiz war ihm eigen und er wurde zum besten Schüler der kleinen Schule.“

 

 2251110-aab227a38d708d53f98229e9bfbcc0f1.jpg
János Székely (7 juli 1901 – 16 december 1958) 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e juli ook mijn vorige blog van vandaag.



Geschreven door Romenu om 13:23 Reageer op dit bericht

Reinhard Baumgart, Jeff VanderMeer, Kuno Bärenbold, Ludwig Ganghofer, Joseph Winckler

De Duitse schrijver, essayist en literatuurcriticus Reinhard Baumgart werd geboren op 7 juli 1929 in Breslau. Zie ook alle tags voor Reinhard Baumgart op dit blog.

Uit: Damals, ein Leben in Deutschland

„Das war im späten Frühjahr 1939, der Führer hatte schon sein und unser Österreich und auch das Sudetenland zurückgeholt ins Reich, und so stand ich neunjährig vor dieser Großvatergrube auf dem Friedhof von Fürstenau und trauerte weniger um ihn als für ihn: er tat mir leid, so leid, weil er unsere nun anbrechende große Zeit nicht mehr miterleben durfte, die mir als Heilmittel gegen seine Greisentrauer erschien. Nie sonst in meiner Kinderzeit bin ich von einem so theatralischen National- und Trauergefühl überwältigt worden. Wie gut, hörten wir später immer wieder, daß die feine, alte, aber eben schon etwas »seltsam« gewordene Familie der Mutter aufgefrischt worden war mit einer Zufuhr von gesundem Blut, so sagte man damals und meinte die Vitalität der sich im Dunkel der Unterschicht verlierenden Vaterfamilie. Aber wir Enkel pilgerten mit Andacht und Sehnsucht immer noch zum Gut Fürstenau, als dort schon der Nachfolger des Großvaters wirtschaftete, man führte uns in die dämmrigen Ställe, in den traurig geschrumpften Park, und dann saßen wir beklommen bei dünner Limonade im dunkel getäfelten Speisesaal, wo immer noch ein Diener servierte. Aber nicht mehr mit weißen Handschuhen, sagte meine Mutter auf dem Rückweg, und sie hätten damals an die tausend Schafe gehabt und nicht bloß dreioder vierhundert wie jetzt. Der alte Kutscher Mirke war immer noch im Dienst und durfte mich auf ein riesiges Reitpferd heben. Na ja, sie haben nur noch zwei, sagte meine Mutter, und Mirke setzte auch keinen Zylinder mehr auf, als er uns zurück zum Bahnhof kutschierte, und eine Gesellschafterin hatten sie auch nicht mehr, nur noch eine Kinderfrau, aber das war längst nicht mehr ihre Anna. Nur drüben auf Schloß Borganie, das wirklich »auf« einem Hügel mit seinen acht Renaissancegiebeln über der Landschaft thronte, schien alles noch beim alten, da empfing uns noch die Großmutter Scheller, meine Urgroßmutter, aufrecht, wie aufgebahrt im Lehnstuhl, als hätte der Tod sie dort vergessen, und ließ mir mit stummem Wink ein Riesenglas Buttermilch bringen, ganz frisch und schrecklich, aber aus Angst und Ehrfurcht vor der uralten Frau im Lehnstuhl begann ich es langsam, folgsam, würgend leer zu trinken.“

 

 2251107-40ddea94d2ab2fd62cb4e9cfe578da29.jpg
Reinhard Baumgart (7 juli 1929 – 2 juli 2003)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Jeffrey Scott VanderMeer werd geboren op 7 juli 1968 in Belfont, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Jeff VanderMeer op dit blog.

Uit: Finch

“Just in time, sir?” Finch looked to the side, away from the liquid eyes with the green pupils and yellow where there should be white. “I came as soon as I got the message.”
“Where’s Gray?”
“Gray couldn’t come. He’s busy.”
Gray was sick, but didn’t seem to know from what. Finch knew from what, but didn’t want to.
“What’s the situation?”
Heretic smiled: rows and rows of needle lines set into a face a little like a squished-in shark’s snout. Finch couldn’t tell if the needle lines were gills or teeth, but they seemed to flutter and breathe a little. Gray said he’d seen tiny creatures in there, once.
Each time, a new nightmare. Another encounter to haunt his sleep. When he slept.
“Two dead bodies,” Heretic said.
“Two bodies?”
“One and a half, technically,” the Partial said, from behind Finch.
Heretic laughed. Finch ignored the comment.
“Do we know if the victims lived in the apartment?” Finch asked.
“No, they didn’t,” the Partial said.
Finch turned briefly to stare at the Partial, then back to Heretic.
Heretic stared at the Partial and he shut up, began to creep around the living room taking pictures with his eye.
“No one lived here,” Heretic said. “According to the photo records, no one has lived here for over a year.”
“Interesting,” Finch said. It didn’t interest him at all. All that interested him was that the Partial felt comfortable enough to answer a question meant for Heretic.
The curtains had faded from the sun. Tears in the sofa like knife wounds. The vase looked like someone had started a small fire inside it. Stage props for two deaths.
Was it significant that the window was open? For some reason he didn’t want to ask if one of them had opened it. Fresh air came in through the window. Just a hint of the marsh smell of the bay.”

 

 2251107-c3bfa88358f1f2b06bd489fe09a3e453.jpg
Jeff VanderMeer (Belfont, 7 juli 1968)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Kuno Bärenbold werd geboren op 7 juli 1946 in Pfullendorf. Zie ook alle tags voor Kuno Bärenbold op dit blog.

UIt: Endlich daheim

 „Johannes, Archivbote der Landesbildstelle, ein stiller und höf-licher Zeitgenosse, verwandelt sich seelenruhig in einen Taub-stummen, wenn die netten Kolleginnen wieder mal per Flur-funk über ihn tuscheln. Der überzeugte Veganer und Liebhaber klassischer Musik kümmert sich grundsätzlich nicht darum, was andere Menschen über seine äußere Erscheinung denken. Großen Kummer bereitet ihm nur die ausfransende Perücke, welche er versehentlich mit aggressivem Tönungsshampoo gewaschen hat. Ansonsten kleidet sich Johannes, wie es ihm gefällt; sei es im Dienst, beim Einkaufsbummel durch den Bio-laden oder zum Konzertbesuch wie an diesem Februarabend. Eigentlich ist's daheim gemütlicher, im Schaukelstuhl, mit einem Fläschchen 99er Chateau Latour neben sich und Mo-zarts Serenata notturna auf dem Plattenteller. Einige Augenbli-cke zaudert Johannes, was auf seine schon chronische Unent-schlossenheit zurückzuführen ist. Andererseits ist er neugierig auf das Benefiz-Konzert, zu dem die örtlichen Vertreter der Weltreligionen aus dem Islam, dem Juden- und Christentum eingeladen haben. Aufmerksam liest Johannes im Faltblatt das Vorwort des Kulturdezernenten: „Die täglichen Meldungen von gewaltsamen Übergriffen auf Menschen anderer Nationalität und Hautfarbe ermahnen uns, dass wir die Forderung der sozialen Kompetenz nicht aus den Augen verlieren dürfen. Fehlen Mitgefühl, Respekt und das Verstehen für unsere Mitmenschen, manifestiert sich Gewalt in jeglicher Form. Dies gilt es zu verhindern. Der Kultur kommt hierbei die Bedeutung zu, Wege aus der Gewalt zu einem fried-lichen Miteinander aufzuzeigen, einen Beitrag zu diesem bri-santen Thema zu leisten." Damit ist Johannes einverstanden, allerdings findet er, dass man es weniger geschwollen ausdrücken kann. Nach der ge-wohnten Katzenwäsche zieht er sich um. Seine Ausgehgarnitur bleibt stets dieselbe: bequeme Wanderschuhe, die bewährte wollene Jogginghose mit reißfesten Hosenträgern, darüber das blau-weiß gestreifte Flanellhemd mit aufgekrempelten Ärmeln. In der Armbeuge trägt er leger eine grüne Winterweste, die ihm Erika zum Abschied geschenkt hat. Von ihr trennte er sich friedlich nach unüberbrückbaren Differenzen in Mode-und Ernährungsfragen. Mächtig stolz ist Johannes auf seinen Wuschelbart, dessen buschige Kinnausläufer er je nach Lust und Laune zu einem kunstvollen Zopf zusammendreht, der dann locker verspielt vor ihm her baumelt. Nicht selten geschieht es, dass ihn die Kin-der vom nahen Spielplatz deswegen kichernd mit „Hallo Niko-laus!" begrüßen.“

 

 2251107-d2a9b5a11ec75d4d36a85b59bc47c0a4.jpg
Kuno Bärenbold (7 juli 1946 – 6 mei 2008)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Ludwig Albert Ganghofer werd op 7 juli 1855 geboren in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Ludwig Ganghofer op dit blog.

Uit: Der Dorfapostel

“Helle Mittagssonne überflimmerte die beschneiten Berge und das weiße Tal. Kaum ein Schatten in der Landschaft; alles in stille, leuchtende Sonne getaucht. Und alles weiß. Man sah von den Dächern keines; sie unterschieden sich im Schnee nicht mehr von den getünchten Mauern der Häuser und von der weißen Erde. Man sah den Kirchturm nicht; er war im Weiß verschwunden; nur die runden Luken seiner Glockenstube hingen wie große dunkle Augen in der Luft, und sein grünes, spitz aufgezogenes Dach, auf dessen steilen Kupferplatten der Schnee nicht haften konnte, schien unter dem Himmel zu schweben, als wär's die sichtbare Haube eines Riesen, der unsichtbar inmitten des weißen Tales stand.
Wie kalt die Nächte noch immer waren, das sah man an den großgeblätterten Kristallen, die überall im Nachtfrost aus der Schneedecke hervorgeblüht waren, als hätte auch der eisige Winter seine Blumen. Die glitzerten mit kaltem Schimmer über allem Grund; doch in den reinen, stillen Lüften, deren blaue Wunderglocke sich wolkenlos über die weißen Berge spannte, und in der linden Sonne der Mittagsstunden spürte man schon eine leise Ahnung des Frühlings, welcher kommen wollte.
Manchmal fielen kleine Schneeklumpen von den Bäumen nieder, immer wieder klang das den Bach bedeckende Eis, und an den verschneiten Hecken flogen die winzigen Schopfmeisen aus und ein.
»Die merken halt auch schon, daß die gute Zeit nimmer weit is!«
So schien der Waldhofer-Roman zu denken, als er auf der Straße stehenblieb, um lächelnd eine Weile das Spiel der kleinen Vögel zu betrachten, die sich der Sonne freuten und dabei im Schnee der Straße ihre Flügel badeten.
Ein junger Bursch, kräftig und schlank gewachsen. Und mit heißem Blut in den Adern. Trotz der Winterkälte trug er die Joppe an der Brust weit offen, als gäb es für ihn kein Frieren. Ein männlich hübsches Gesicht, noch gebräunt vom Sommer her, Kinn und Wangen mit Sorgfalt rasiert, ein braunes Bärtchen über den Lippen aufgezwirbelt, und ruhige, dunkelglänzende Augen. Ein wenig aus der Stirn geschoben saß ein leichtes Hütl mit weißen Adlerflaumen über dem kurz geschnittenen Braunhaar. An Romans ganzem Wesen war etwas von städtischem Schliff.“

 2251107-5af020ba9c8814d236f508de80064503.jpg
Ludwig Ganghofer (7 juli 1855 – 24 juli 1920)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Alfred Josef Werner Winckler werd op 7 juli 1881 in Bentlage bij Rheine geboren. Zie ook alle tags voor Josef Winckler op dit blog.

Uit: Der chiliastische Pilgerzug

„Ein Korps rodelnder Schnelläufer stob wie eine Koppel flinker Berberhunde, nur mit eisenbeschlagenen rasselnden Sandalen bekleidet, Schellen überm Haupte schwingend, in Wolken Stau-bes und brüllte durch Städte und Hütten: „Der reiche König kommt! Der reichste König kommt! Der allerreichste König kommt!" Und lagen an den Wassertrögen auf dem Bauch, soffen und stoben weiter in die Ferne. Da putzten die Leute zwar ungläubig und gar sehr noch zwei-felnd hinter den Türen ihre Nasen und traten hervor, neugierig sich zurufend: was geschehen sei? Und stedcten die Hälse bald wieder ein. Plötzlich schwoll bei offenem Himmel wie unsichtbares Ge-witter heranwandernder Donner. Trommelpauker auf Renntier-häuten mit Eschenschlägeln, die in rollenden Salven ein tiefes Getöse vollführten, und dazwischen Bläser mit langohrig ge-krümmten Instrumenten und dardistanischen Pfeifen, die sämt-lich auf den gleichen orgelnden Ton gestimmt waren. Und auch diese backenblähende Vorhut schwand in wirbelnder Wolke Staub vorbei. Es mochten siebenhundert Dromedarreiter sein. Dies beseitigte allerdings schon mehr der Zweifel, daß Außer-ordentliches bevorstehen müsse, und also hatten sich viele Be-wohner doch zusammengestellt und besprachen mit benomme-nen Stimmen das seltsame Ereignis. Die Stechpalmen an der Straße sirrten und fiederten in der sonnigen Stille. Der Mohn auf den Feldern duftete betäubend. Dic Hirse stand in Reife. Wanderer kamen und wußten von nichts. Sie ließen sich jedoch bewirten mit Dattelwein und Durrabrot und versprachen, Auffälliges sofort zu melden. Selbst die Kinder hatten ihre Spiele nun wieder aufgenommen, alle ärgerten sich, abermals verspottet zu sein von der Laune irgend-eines aberwitzigen Moguls, der im Lande tollen Mummenscherz treibe, seine grause Langeweile zu betäuben und die Ahnungs-losen naszuführen. Stunde auf Stunde verrann. Das Tagwerk neigte sich. Und wer nicht so arm war, daß er kein Warten scheute in seiner zweck-losen Einsamkeit, war auch längst wieder gegangen. Aber siehe, da humpelten in Lumpen scheußliche Weiber und schrillten: „Unser Wohltäter sei gepriesen! Harret seiner Gnade!" Und krochen vorüber.“

 

 2251107-266d8e6a8d308fe6d58401a6b78811f7.jpg
Josef Winckler (7 juli 1881 – 29 januari 1966)

Geschreven door Romenu om 13:23 Reageer op dit bericht

Nothing To Do (James Ephraim McGirt)

 

Bij de vierde zondag na Pinksteren

 

 

 2251106-80b12f48a17ce56cdb9b933f3ebb5a5c.jpg
Jezus zendt de tweeënzeventig uit door James Tissot, ca. 1896

 

 

Nothing To Do

The fields are white,
The laborers are few;
Yet say the idle,
There’s nothing to do.

Jails are crowded,
In Sunday Schools few;
We still complain
There’s nothing to do.

Drunkards are dying,
Your sons, it is true;
Mothers’ arms folded,
With nothing to do.

Heathens are dying,
Their blood falls on you;
How can you people
Find nothing to do?

 

 

 2251106-b68c1a01d4dae9c388ffb7068f9d62cb.jpg
James Ephraim McGirt (1874 – 3 juni 1930)
De Asbury Methodist Church in Robeson County, de geboorteplaats van James Ephraim McGirt

 

 

Zie voor de schrijvers van de 7e juli ook mijn twee volgende blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:22 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten