Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 9 juli 2019 tot 10 juli 2019

Marcel Proust, Erik Jan Harmens, Alice Munro, J.C. Noordstar, Hermann Burger, Salvador Espriu, Gerhard L. Durlacher, Jürgen Becker, Nicolás Guillén

De Franse schrijver Marcel Proust werd geboren in Auteuil op 10 juli 1871. Zie ook alle tags voor Marcel Proust op dit blog.

Uit: À la recherche du temps perdu. Du côté de chez Swann

"Et je restais avec mon oncle jusqu'à ce que son valet de chambre vînt lui demander, de la part du cocher, pour quelle heure celui-ci devait atteler. Mon oncle se plongeait alors dans une méditation qu'aurait craint de troubler d'un seul mouvement son valet de chambre émerveillé, et dont il attendait avec curiosité le résultat, toujours identique. Enfin, après une hésitation suprême, mon oncle prononçait infailliblement ces mots: "Deux heures et quart", que le valet de chambre répétait avec
étonnement, mais sans discuter: "Deux heures et quart? bien...je vais le dire..."
A cette époque j'avais l'amour du théâtre, amour platonique, car mes parents ne m'avaient encore jamais permis d'y aller, et je me représentais d'une façon si peu exacte les plaisirs qu'on y goûtait que je n'étais pas éloigné de croire que chaque spectateur regardait comme dans un stéréoscope un décor qui n'était que pour lui, quoique semblable au millier d'autres que regardait, chacun pour soi, le reste des spectateurs.
Tous les matins je courais jusqu'à la colonne Moriss pour voir les spectacles qu'elle annonçait. Rien
n'était plus désintéressé et plus heureux que les rêves offerts à mon imagination par chaque pièce
annoncée et qui étaient conditionnés à la fois par les images inséparables des mots qui en composaient le titre et aussi de la couleur des affiches encore humides et boursouflées de colle sur lesquelles il se détachait. Si ce n'est une de ces oeuvres étranges comme le Testament de César Girodot et OEdipe-Roi lesquelles s'inscrivaient, non sur l'affiche verte de l'Opéra-Comique, mais sur l'affiche lie de vin de la Comédie-Française, rien ne me paraissait plus différent de l'aigrette étincelante et blanche des Diamants de la Couronne que le satin lisse et mystérieux du Domino Noir, et, mes parents m'ayant dit que quand j'irais pour la première fois au théâtre j'aurais à choisir entre ces deux pièces, cherchant à approfondir successivement le titre de l'une et le titre de l'autre, puisque c'était tout ce que je connaissais d'elles, pour tâcher de saisir en chacun le plaisir qu'il me promettait et de le comparer à celui que recélait l'autre, j'arrivais à me représenter avec tant de force, d'une part une pièce éblouissante et fière, de l'autre une pièce douce et veloutée, que j'étais aussi incapable de décider laquelle aurait ma préférence, que si, pour le dessert, on m'avait donné à opter encore du riz à l'Impératrice et de la crème au chocolat.
Toutes mes conversations avec mes camarades portaient sur ces acteurs dont l'art, bien qu'il me fût
encore inconnu, était la première forme, entre toutes celles qu'il revêt, sous laquelle se laissait pressentir par moi, l'Art. Entre la manière que l'un ou l'autre avait de débiter, de nuancer une tirade, les différences les plus minimes me semblaient avoir une importance incalculable. Et, d'après ce que l'on m'avait dit d'eux, je les classais par ordre de talent, dans des listes que je me récitais toute la journée: et qui avaient fini par durcir dans mon cerveau et par le gêner de leur inamovibilité."

 

 2251949-ca79622911317f7d758c6017d5f21ded.jpg
Marcel Proust (10 juli 1871 – 18 november 1922)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter Erik Jan Harmens werd op 10 juli 1970 geboren in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Erik Jan Harmens op dit blog.

 

Femke

er komt geen fust meer uit mijn handen
ben getapt wordt was
sta mij toe dit glas niet te betikken
ik rook niet meer en jaag de vlam in een pijp

kijk mij blazen als een scout
ik dis het enfyseem de embolie
wil ik dood nee maar ik jaag de vlam in een pijp
loop weg met de trucker in mij
en sta je erop voor op weblog of partij

ik ben geen milde curry jaag de vlam in een pijp
meer heb ik niet op mijn checklijst
als ik straks de bloedproppen ophoest
beschrijf ik het zinken de duwer
en de bodem van het bad

als ik straks de bloedproppen ophoest
en geen curry meer mag smak jij het dan
tik op het glas en speech

algeheel onvermogen
haal mij door dit showbizzslijk
nagel mij aan de hoogste zendmast

mijn liefste spuwend in de stadsbus na een nacht ballantines
is hou je bek de prachtigste je moest haar eens zien na het
strekken

zij is het bericht in de rubriek kort nieuws dat iedere knipselaar
over het hoofd ziet maar ik niet

de lucht betrekt als een gezicht
vader hou je ogen dicht

het kalf is dood
we noemen het femke
het zal niet grazen

 

 

Zomertijd

de stenen zijn geworpen maar het doel is niet bereikt
we zijn niets opgeschoten de heilssoldaat zwijgt
hij ziet op in het duister ontwaart een lief klein kind
zijn alter ego tilt haar op neemt haar mee de diepte in

wie o wie begrijpt
waar dit al toe leidt
een vijand blijkt een vriend
vanaf de maan gezien

zandloper ik heb je lief je verdeelt de dag in vierentwintig
chaos is de dood in de pot maar waar is God
zijn brievenbus is naar de kloten zijn telefoon is afgesloten
mag ik even overgeven zo wil ik niet meer verder leven

en de wereld lijdt
gilt het uit van pijn
de lichten doven uit
als je je ogen sluit

wie o wie begrijpt
waar dit al toe leidt
een vijand blijkt een vriend
vanaf de maan gezien

ik heb mijn rugzak afgeworpen de inhoud was allang bedorven
mijn kamer is mijn wereld en ik heb geen geld maar wat telt
wat telt is liefde zonder woorden een kind vanuit het niets geboren
de brief ongeopend want je weet dat ze 't meent

het is zomertijd
de klok gaat een uur vooruit
en vreet mij op met haar en huid
de lichten doven uit

 

 2251949-2fb0a3d8e091c721c26ae510bd11e051.jpg
Erik Jan Harmens (Harderwijk, 10 juli 1970)

 

 

De Canadese schrijfster Alice Munro werd geboren op 10 juli 1931 in Wingham, Ontario. Zie ook alle tags voor Alice Munro op dit blog.

Uit: Friend of My Youth

“I used to dream about my mother, and though the details in the dream varied, the surprise in it was always the same. The dream stopped, I suppose because it was too transparent in its hopefulness, too easy in Its forgiveness. In the dream I would be the age I really was, living the life I was really living, and I would discover that my mother was still alive. (The fact is, she died when I was in my early twenties and she in her early fifties.) Sometimes I would find myself in ow old kitchen, where my mother would be rolling out piecrust on the table, or washing the dishes in the battered cream-colored dishpan with the red rim. But other times I would run into her on the street, in places where I would never have expected to see her. She might be walking through a handsome hotel lobby, or lining up in an airport. She would be looking quite well—not exactly youthful, nor entirely untouched by the paralyzing disease that held her in its grip for a decade or more before her death, but so much better than I remembered that I would be astonished. Oh, I just have this little tremor in my arm, she would say, and a little stiffness up this side of my face. It is a nuisance but I get around. I recovered then what in waking life I had lost—my mother's liveliness of face and voice before her throat muscles stiffened and a woeful, impersonal mask fastened itself over her features. How could I have forgotten this I would think in the dream—the casual humor she had, not ironic but merry, the lightness and impatience and confidence! I would say that I was sorry I hadn't been to see her in such a long time—meaning not that I felt guilty but that I was sorry I had kept a bugbear in my mind, instead of this reality—and the strangest, kindest thing of all to me was her matter-of-fact reply. Oh, well, she said, better late than never. I was sure I'd see you someday.
When my Mother was a young woman with a soft, mischievous face and shiny, opaque silk stockings on her plump legs (I have seen a photograph of her, with her pupils), she went to teach at a one-room school, called Grieves School, in the Ottawa Valley. The school was on a corner of the farm that belonged to the Grieves family—a very good farm (or that country. Well-drained fields with none of the Precambrian rock shouldering through the soil, a little willow-edged river running alongside, a sugar bush, log barns, and a large,unornamented house whose wooden walls had never been painted but had been left to weather. And when wood weathers in the Ottawa Valley, my mother said, I do not know why this is, but it never turns gray, it turns black. There must be something in the air, she said. She often spoke of the Ottawa Valley, which was her home—she had grown up about twenty miles away from Grieves School—in a dogmatic, mystified way, emphasizing things about it that distinguished it from any other place on earth. Houses turn black, maple syrup has a taste no maple syrup produced elsewhere can equal, bears amble within sight of farmhouses. Of course I was disappointed when I finally got ro see this place.”

 

 2251949-d18df39a8a91c0594765afcf9f60da6b.jpg
Alice Munro (Wingham, 10 juli 1931)

 

 

De Nederlands dichter en rechtsgeleerde J.C. Noordstar (pseudoniem van Arnold Jan Pieter Tammes) werd geboren in Groningen op 10 juli 1907. Zie ook alle tags voor J. C. Noordstar op dit blog.

 

De Bollenkweker (Fragment)
Een idylle

's Zondagsmorgens,
als een stralende zon de wereld doet leven
en lachen
en de duinen doet blinken,
gaat Hendrik naar het kerkje
dat open tussen de velden ligt.
De nieuwe tram gaat erlangs
en giert in de bocht van de stoffige weg.
Hij heeft een donker zondags pak aan
en een stijf helderwit overhemd,
maar geen boord,
en met grote, rustige, stevige passen
stapt hij op de kerk toe.
Daarginder tussen de velden ziet ge z'n woning.
Verschillende dorpsgenoten wandelen evenals hij ter kerke.
En links en rechts van de weg liggen de bollenvelden.
Wat is het land fris met z'n zeewind,
met z'n wolken, z'n water, z'n kleuren, z'n zon!
De dominee - zwart - preekt, bidt en laat zingen.
Maar intussen komen de auto's opdagen
uit Hollands blijde steden en buitenplaatsen, de bomenrijke...
Allerlei nieuwe merkjes, soepellopend,
zilveren bumpers voor en achter
(maar natuurlijk ook goedkoop're).

Suivent 8 lignes prèsque totalement illisibles.

De bloemen,
de bloemen, links en rechts tussen de dorpen en bomen,
tot aan de voet der duinen.
Eén toet'rende en schel claxonnerende ketting.

Intussen is dominee klaar; men
zingt nog een laatste lied uit het psalmboek en
de kerkdeur gaat open en een donkere schare
verspreidt zich over het lachende landschap.

 

 2251949-1dbbb00c264a4ef43270426e3f73f298.jpg
J.C. Noordstar (10 juli 1907 – 21 augustus 1987)
Ansichtkaart uit 1907 met de Oosterstraat in Groningen

 

 

De Zwitserse dichter en schrijver Hermann Burger werd op 10 juli 1942 in Burg (Kanton Aargau) geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Burger op dit blog.

Uit: Der Orchesterdiener

„Nichtsdestotrotz bin ich, nachdem ich mir Rostnägel aller Zweifelsgrößen im Schädel krumm geschlagen habe, zur gerade durch Urfers Schicksal gestärkten Überzeugung gelangt, daß man der edlen Tonkunst auch als Mißbegabter fronbar sein könne, mit kraftstrotzenden Pleuelarmen und behaarter Brust. Die Sekundärbehaarung von Flötisten, Cellisten undsoweiter, nehme ich an, Urfer, ist eine höchst minime. Sehen Sie, so unersetzbar er in Ihren Augen, durch die Brille der Generalmusikdirektorenwürde betrachtet, erscheinen mag, worauf die einen ganzen Konzertwinter dauernde Berufungskrise schließen läßt – und seine Insubtstituierbarkeit wird durch die Legendenbildung nach seinem Tod in a-moll auf das wirkungsvollste flankiert – , Urfer war eben doch nicht der ideale Schlußmann für die städtische Philharmonie, weil er zeitlebens ein verhinderter Musikus blieb. Alle seine Orchesterdienerhandreichungen waren im Grunde ein Symphonieren mit untauglichen Mitteln. Der Hammer wurde in seiner Hand zum Paukenschläger, wenn er einen Notenständer verstellte, tat er es con brio, gab man ihm den Auftrag, im Archiv nach einem verschollenen Klavierauszug zu forschen, beantwortete er ihn mit einem Mordent-Hüpfer. Was Urfer während seiner ganzen Orchesterdienerkarriere hinter der Bühne leistete, war nichts Geringeres einerseits, nichts Unbrauchbareres andererseits als dies, daß er als symphonischer Abwart die Musikweltliteratur und alle denkbaren Werkinterpretationen in eine Partitur der Servilität übersetzte. Ich weiß nicht, ob ich mich für ein Bewerbungsschreiben wahlwirksam genug ausdrücke, Herr Generalmusikdirektor. Urfer wurde zum Beispiel von Philharmonikern nie geduzt, so wie man ja eine Wagneroper, etwas Tristan und Isolde, oder, wenn Ihnen dieses Exempel lieber ist, Die Meistersinger, auch nicht tutoyiert. Man setzt sich nicht hin und sagt, jetzt intonieren wir dich mal, zum Werk. Urfer wußte bei aller Dienstbeflissenheit dem Ensemble und selbst Detmar von Hohenlohe eine Art Respekt abzutrotzen, wie man ich nur einem Opus oder einem veritablen Urheber entgegenbringt. Und als er im zweiten Satz von Mendelssohn-Bartholdys Schottischer über den Rand eines Kontrabaßkoffers kippte, wurde nicht nur eine wandelnde Stimmgabel, wurde vielmehr ein musikalischer Kosmos, dessen symphonische Filiale vorne auf der Bühne erklang, begraben. Diese Urfersche Totalität im untertänigen Verkörpern dessen, was Musik sein kann – die Begabung war gewissermaßen seine Livree – , will ich nicht schmälern, ich sage nur, indem ich, mit der Wucht einer nahezu verfehlten Existenz, den Namen Schramm ins Gespräch werfe, daß sie nicht zum Erfolg führte, unter Erfolg vorläufig, für den Hausgebrauch der Ambrosiahalle verstanden, daß der Orchesterdiener eine Philharmonie, so wie sie der Dirigent in himmlische Sphären hebt, erdet. Schram grapscht nicht einfach dreist nach der Ernennung, er bringt, wenn auch nicht Musikalität im angeborenen Sinn, immerhin als Qualifikation eine ganz präzise Vorstellung mit, wie er in der Hierarchie einer Gesellschaft wie der Ambrosiahallengesellschaft einzugliedern ist: er gehört, der taube Vierschrot, auf die Nachtseite der Kunst.“

 

 2251949-4815728d35cc9510fa5e2fc4f16203d0.jpg
Hermann Burger (10 juli 1942 – 28 februari 1989)
Cover

 

 

De Spaanse (Catalaanse) schrijver en dichter Salvador Espriu i Castelló werd geboren op 10 juli 1913 in Santa Coloma de Farners. Zie ook alle tags voor Salvador Espriu op dit blog.

 

Buit verzekerd

Voetstappen van de jager.
Hij nadert. Ik voel het
elke najaarsdag.

Aarzelend dronk ik
van deze fontein
bevroren water. Daarna
keek ik naar omhoog.

Er vlogen valken
boven de zekerheid
van mijn dood.

 

 

Begraafplaats van Sinera

I
Over de wegen daalt
de zonnewagen, langs
de heuvels met venkel en wijn
die ik nooit meer vergeet.
Ooit ga ik zelf langs de groene
cipressen, de erewacht roerloos
boven de zwijgende zee.


II
Wat een bescheiden land
hier rondom de begraafplaats!
De zee vlakbij, Sinera,
heuvels met sparren, wijn,
stoffige straten. Laat
een wolk het met zijn schaduw
nog eens tot leven brengen.
Dagen oproepen traag,
die voor altijd voorbij zijn.

 

 

Vertaald door Kees Bakker

 

 2251949-afdd7125c6fc0efa1043a8d8e5451a3d.jpg
Salvador Espriu (10 juli 1913 – 22 februari 1985)
Op een postzegel

 

 

De Nederlandse schrijver Gerhard L. Durlacher werd geboren in Baden-Baden op 10 juli 1928. Zie ook alle tags voor Gerhard L. Durlacher op dit blog.

Uit: Het begin van een reis

“Westerbork, 3 oktober 1942, dag van ontzetting. Twaalfduizend mannen, vrouwen en kinderen, zittend, liggend, hangend op gebuilde koffers en rugzakken. Grauw en bezweet. Tranen vastgelopen in het stof van ongeschoren wangen. Roepen van voornamen, achternamen, plaatsnamen. Ruzies om een decimeter plaats, een slok water, een lepel voedsel. Mensen in slangen en kluwens voor de soepgamellen. Groene, gele, blauwe emaillen etensbakken als lampions in de handen der wachtenden.
Duizenden zoeken naar vrouw en kind, naar barak en slaapplaats, naar water en voedsel, naar wasplaats en latrine. Barakken van bruin, naar teer stinkend, hout, volgestouwd met wankele ijzeren stellages: driehoog-bedden van hoekijzer, ijzerband en lamme veren. Mensen wringend tussen de spijlen, verhit gesticulerend over de verdeling van twee bedden over zes slapers of ongelukkig zittend op de rand omdat alles in elkaar gezakt is door overbelasting. Hutspot in de etensbak, zonder zout, ui of vlees, maar wel schillen en zand. Dorst, stof en waterschaarste.
Telkens weer nieuw-aangekomenen die de ruimte verkleinen. Dom, omdat ze nog niet weten: naar welke barak, naar welke kraan. De kennisvoorsprong van twee uur vermindert het gevoel van onzekerheid.
Mijn ouders op zoek naar bekenden, om uit collectief niet-weten schijnzekerheden te bouwen. Speurend naar de koffers die langs de spoorlijn, kilometers voor de kampingang, achtergebleven waren bij mannen in overalls met petten op en banden om de linkerarm.
Ik, angstig wachter bij de rugzakken, bevangen door fantasieën van verlatenheid in een woud van mensen. Een richtingloze ijsschots, los van verleden en toekomst. Hoe kwam ik hier, op dit godvergeten punt in tijd en ruimte?
Een etmaal tevoren was mijn navelstreng met de tijd doorgesneden. Schrik en verbijstering waren minder groot dan ik me de weken en maanden daaraan voorafgaand had voorgesteld. De arrestatie verliep anders, rustiger. Als een soort dreigende maar onafwendbare natuurramp.
Het was vrij licht buiten. Niet later dan een uur of vijf in de middag, een uur waarop je denkt: ‘vandaag komen ze niet meer’. Maar ze kwamen: één van de Grünen met twee Nederlandse politiemannen. Over het grint hadden we ze horen aanknersen, ze hoefden maar kort te bellen. Er was al iemand aan de deur, mijn moeder, geloof ik, want waarom zou je een goede voordeur laten intrappen?”

 

 2251949-9afa08839cb1e6c6d61dab1f42e78859.jpg
Gerhard L. Durlacher (10 juli 1928 – 2 juli 1996)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Jürgen Becker werd op 10 juli 1932 in Keulen geboren. Zie ook alle tags voor JÜrgen Becker op dit blog.

 

Winterbild 45

Die Straßenbahn fährt noch ... so erzählt es
das Bild, und die Schatten dokumentieren, von irgendwo
kommt Sonne her.
                             Es sind keine Schatten; es sind
im dünnen Schnee leergebrannte Flächen.
                                                                   Der Wind kommt
von Osten; er schiebt die Planwagen vor sich her, draußen
auf der klirrenden Chaussee. Die Deichseln knarren;
der Eisklumpen Milch im schaukelnden Eimer.
                                                                       Die Straßenbahn
steht; sie wartet, und die Kämpfe gehen weiter
hinter der Endstation.
                                   Im Schnee bleibt stecken
die Gegenoffensive.
                                Kiefernwälder, Artillerie. Es ist nicht
der Wind, der heranheult über die Hügel.
                                                                  Für Hügel
die Landkartenzeichen, die nichts sagen
über den Eisstau, Flucht und Frontverlauf.
                                                                   Schlittenspuren
gehen bis zum unteren Rand des Bildes, wo
der Schneemann hervorschaut mit Augen aus Koks.

 

 

Reiseland

Westfälische Hügel, der Breisgau dann Dresden ... keine Woche
für Ansichtskarten und ausgeruhte Residenzen; Blätterfall, tief
hängender Himmel zwischen Elbe und Rhein.

Termingeschiebe, kein Abschied für länger; was suchst du
im Süden? Ich dachte im Speisewagen an meinen Vater
und wie er reiste in den Dreißiger Jahren ... Excelsior,
Majestic. Der Junge am Fenster versteht nicht, was
die Erwachsenen sagen: Marienborn, damals die Zone –

Zwischen Zaunresten leeres Gelände; zwei Krähen flattern
um einen stehengebliebenen Turm. Die Hand
in der Herzgegend, der Griff nach dem Paß; es gibt
Gewohnheiten, die der Zug mitbefördert. Sorglose
Reisende lassen die Zeitungen liegen.

Schau hinaus. Die Nähe der Landschaft, die du
wiedergewinnen kannst. Eine Chance, die im Stundentakt
sich wiederholt. Hongkong geht langsam verloren.

 

 2251949-28a1fe717d67c669ff32061d6ee8e815.jpg
Jürgen Becker (Keulen, 10 juli 1932)

 

 

De Cubaanse dichter Nicolás Guillén werd geboren in Camagüey op 10 juli 1902. Zie ook alle tags voor Nicolás Guillén op dit blog.

 

I Don'T Know Why You Think

I don't know why you think,
soldier, that I hate you,
if we are the same thing,
me,
you.

You are poor, so am I;
I'm from below, so are you;
where have you got it from,
soldier, that I hate you?

It hurts me that sometimes
you forget who I am;
heck, if I am you,
it's the same that you are me.

But not for that reason I
have to dislike you;
if we are the same thing,
me,
you,
I don't know why you think,
soldier, that I hate you.

Soon we'll see ourselves, me and you,
together on the same street,
shoulder to shoulder, you and I,
with hate from neither me nor you.
but knowing you and me,
where we go, you and I...
I don't know why you think,
solider, that I hate you!

 

 2251949-f83cc563014d88244bb47c498a91c5f4.jpg
Nicolás Guillén (10 juli 1902 – 16 juli 1989)
Op een postzegel

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e juli ook mijn blog van 10 juli 2011 deel 2 en eveneens deel 3.

 

Geschreven door Romenu om 18:27 Reageer op dit bericht

Gerard Walschap, Tim Hofman, Willem M. Roggeman, Hans Arnfrid Astel, June Jordan, John Heath-Stubbs, Mervyn Peake, Jan Neruda, Peter Märthesheimer

De Vlaamse schrijver Gerard Walschap werd geboren op 9 juli 1898 in Londerzeel. Zie ook alle tags voor Gerard Walschap op dit blog.

Uit: Een mens van goeden wil

“Zijn strijd heeft Thijs op den ouderdom van acht jaren ingezet. Met een kat. Hij zat op een vroegen zomerdag met zijn rug tegen den steenput in de schaduw van een vlier fluitjes te snijden. De lucht was korenblauw, het dak rood, de muur wit, met groene deur en blinden, de grond ervoor zwart van de sinteltjes, alles helder, rustig, vredig en Thijs dacht: ik ben blij. De kat zat al meer dan een half uur slapend te loeren op den rand van het lage dak; een halve meter onder haar had vader het kanariekooitje aan den muur gehangen. Opeens viel ze met de kooi naar beneden, het kanarievogeltje vloog gek van hier naar daar. Thijs zag de kat het kleine gele diertje bij den kop door de tralies trekken. Ze verdween er mee. Al zijn bloed stond stil, hij werd vlak in het hart gestoken, de rand van den steenput verkilde in zijn rug tot een klomp ijs. Hij stond op, met looden beenen; hij hijgde diep alsof hij aan de lucht die er was opeens niet meer genoeg had. Staande kon hij zich ook niet geduren. Hij ging en wist niet waarheen. Onbewust koos hij de richting van den beemd waar zijn vader wissen aan 't snijden was. Maar hij kon over de gracht niet, waar hij honderden keeren over gesprongen was. Hij volgde ze tot waar zij in de beek vloeit. Daar bleef hij zitten, moe, door een last gedrukt en hij dacht: ik heb pijn.
's Avonds kookt moeder botermelk en bakt aardappelen met wat ajuin in zoete lies. Thijs at en sprak niet, al hadden de anderen het over den kanarievogel. Hij beet zelfs op de botermelk. Voor zijn oogen lag de kat achter de stoof te pinkoogen. Na den maaltijd gaan broer en zuster nog wat buiten spelen, vader gaat gehurkt naast den dorpel zitten fluiten, moeder ruimt de tafel af en wascht het gerief. Maar Thijs zocht in vaders' werkschuurtje den zwaarsten hamer, zette zich op zijn knieën achter de kat, haalde zijn zwaai met twee handen en haar kop deed krak. Zij schoot weg om buiten onder den vlier te sterven en nu eindelijk kon de kleine Thijs schreien, de beklemming loste, zijne gerechtigheid was geschied.
Van buiten riep vader wie de kat doodgeslagen had, binnen riep moeder: Onze Thijs. Ze lachte, vader floot voort, floot alleen maar iets rapper.
Moeder lachte altijd. Haar klein huisje was onderhouden en proper. Zeteltjes, vogelkooitjes, een hoos over de hesp aan 't plafond, een standerd voor drie bloempotten, alles door den man gevlochten uit gekleurde wijmen, maakten het vriendelijk en gezellig. Haar man was stil, goed en sterk, haar kinderen waren schoon en ferm, twee jongens, een meisje.”

 

 2251717-5e053f964293b25a64c81f468bff948e.jpg
Gerard Walschap (9 juli 1898 – 25 oktober 1989)
Cover soundtrack van de gelijknamige dramaserie uit 1973-74

 

 

De Nederlandse presentator, blogger, journalist, dichter en columnist Tim Hofman werd geboren in Vlaardingen op 9 juli 1988. Zie ook alle tags voor Tim Hofman op dit blog.

 

Aftrekkelijk

Ik val al dagen in slaap met
papier naast mijn bed;
soms leeg of beschreven
maar meestal bevlekt.

Dat worden geen woorden
Maar het zaad dat er staat
Trekt wat ongeboren
Is af van de daad.

 

 

Tijdelijk

Gelukkig stierf hij
op de laatste dag
van zijn leven.

Elk ietsje eerde
rwas zonde geweest,
al was het maar
heel even.

 

 2251717-b24df3d1ce080af61bb285a37b349577.jpg
Tim Hofman (Vlaardingen, 9 juli 1988)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Willem Maurits Roggeman werd geboren in Brussel op 9 juli 1935. Zie ook alle tags voor Willem M. Roggeman op dit blog.

 

Regen

Ik geloof niet in de werkelijkheid.
Ik geloof in mijn droom:
dat alles eenmaal leven moet,
ook de stenen, de huizen,
de aarde aan mijn schoenen.
Ik geloof dat ook de regen
eens zal ademhalen
en verliefd worden.
Daarom streel ik de regen.
Daarom sla ik de zon.

 

 

Het mechanisme van de inspiratie

Met toevallig gekozen woorden
schrijft hij een gedicht
dat handelt over een droom
waarin hij zelf optreedt
als de glorieuze uitvinder
van een vreemde machine
die dromen voortbrengt
waarin hij voorkomt
schrijvend aan een gedicht
waarin hij
met toevallig gekozen woorden
handelt over een droom
waarin hij zelf optreedt
als de glorieuze uitvinder
van een vreemde machine
die dromen voortbrengt
waarin hij voortkomt
schrijvend aan een gedicht
met toevallig gekozen woorden.

 

 2251717-c1be9fc794180bdeffbb20fffa38fb93.jpg
Willem M. Roggeman (Brussel, 9 juli 1935)

 

 

De Duitse dichter Hans Arnfrid Astel werd geboren in München op 9 juli 1933. Zie ook alle tags voor Hans Arnfrid Astel op dit blog.

 

Schizophren

Du bist eine ehrliche Haut.
Ich glaub dir kein Wort.
Du redest verrücktes Zeug
aus Angst,
ich könnte dich anfassen.
Du stellst nie Fragen.
Hast du einen Wortschatz?

 

 

Schliesskorb

Triefend vor Häßlichkeit, Ungestalt, Abgestalt
Auge, verweilst du, wo? auf dem alten,
aus reinen Weiden geflochtenen Korb.
Mit Blindheit Geschlagene flochten die Ruten.

Unansehnlich, triefend, häßlich auch sie,
Auge, du hast sie gesehn, blaukittlig,
blöd und dunkel in ihrer Werkstatt,
trüb, von schimmelnden Nächsten hergeliebt.

Als Knaben ließ meine Mutter mich kaufen
bei Blinden diesen Schließkorb, beisammenzuhalten
meine sieben Sachen auf den Schul- und Irrwegen.

Liebste Augenweide meines Zimmers ist er nun,
ein Flechtwerk, ein Staat aus innig Umschlungenen.
Wie Rinde von Ruten ist Blindheit abgestreift.

 

 

Schmetterlinge

Franz von Assisi predigte den Tieren.
Er lehrte sie mit seinem Zeigefinger
die Frömmigkeit von Menschen seinesgleichen,
wie Orpheus einst den Tieren vorgesungen.
Da flog ein Falter ihm auf seinen Finger.
So, meine Seele, sing ich von den Blüten,
ich rede zu den Menschen von den Tieren.
Als ich längst schweige, fliegt vor meinem Mund
dein Schmetterling auf meine Zungenspitze.

 

 2251717-3cde3cfcb061bc5ad99be5a260a1a47c.jpg
Hans Arnfrid Astel (München, 9 juli 1933)

 

 

De Afro-Amerikaanse schrijfster, dichteres en politiek activiste June Jordan werd geboren op 9 juli 1936 in New York. Zie ook alle tags voor June Jordan op dit blog.

 

Nobody riding the roads today

Nobody riding the roads today
But I hear the living rush
far away from my heart
Nobody meeting on the streets
But I rage from the crowded
overtones of emptiness
Nobody sleeping in my bed
But I breathe like windows
broken by emergencies
Nobody laughing anymore
But I see the world split
and twisted up like open stone
Nobody riding the roads today
But I hear the living rush
far away from my heart

 

 

Poem About Process And Progress
for Haruko

Hey Baby you betta
hurry it up!
Because
since you went totally
off
I seen a full moon
I seen a half moon
I seen a quarter moon
I seen no moon whatsoever!

I seen a equinox
I seen a solstice
I seen Mars and Venus on a line
I seen a mess a fickle stars
and lately
I seen this new kind a luva
on an' off the telephone
who like to talk to me
all the time

real nice

 

 

For Alice Walker (A Summertime Tanka)

Redwood grove and war
You and me talking Congo
gender grief and ash

I say, 'God! It's all so huge'
You say, 'These sweet trees: This tree'

 

 2251717-2f4f98ec54387c9b6f6e680056e23547.jpg
June Jordan (9 juli 1936 – 14 juni 2002)

 

 

De Engelse dichter John Heath-Stubbs werd geboren op 9 juli 1918 in Londen. Zie ook alle tags voor John Heath-Stubbs op dit blog.

 

Not Being Oedipus

Not being Oedipus he did not question the Sphinx,
Nor allow it to question him. He thought it expedient
To make triends and try to influence it.
In this he entirely succeeded,

And continued his journey to Thebes.The abominable thing
Now tame as a kitten (though he was not unaware
That its destructive claws were merely sheathed)
Lolloped along beside him —

To the consternation of the Reception Committee.
It posed a nice problem: he had certainly overcome
But not destroyed the creature — was he or was he not
Entitled to the hand of the Princess

Dowager Jocasta? Not being Oedipus
He saw it as a problem too. For frankly he was not
By natural instinct at all attracted to her.
The question was soon solved —

Solved itself, you might say; for while they argued
The hungry Sphinx, which had not been fed all day,
Sneaked off unobserved, penetrated the royal apartments,
And softly consumed the lady.

So he ascended the important throne of Cadmus,
Beginning a distinguished and uneventful reign.
Celibate, he had nothing to fear from ambitious sons;
Although he was lonely at nights,

With only the Sphinx, curled up upon his eiderdown.
Its body exuded a sort of unearthly warmth
(Though in fact cold-blooded) but its capacity
For affection was strictly limited.

Granted, after his death it was inconsolable,
And froze into its own stone effigy Upon his tomb.
But this was self-love, really —
It felt it had failed in its mission.

While Thebes, by common consent of the people, adopted
His extremely liberal and reasonable constitution,
Which should have enshrined his name — but not being Oedipus,
It vanished from history, as from legend.

 

 2251717-20c9ee1d9a3f939d0400d6f3a20a5a31.jpg
John Heath-Stubbs (9 juli 1918 – 26 december 2006)
Portret door Peter Edwards, 1988-89

 

 

De Engelse schrijver, tekenaar, illustrator en dichter Mervyn Peake werd geboren op 9 juli 1911 in Lushan (Kuling) in Jiangxi, een province in centraal China. Zie ook alle tags voor Mervin Peake op dit blog.

Uit: Gormenghast

“This hall that ran along the top story of the north wing was presided over by the curator, Rottcodd, who, as no one ever visited the room, slept during most of his life in the hammock he had erected at the far end. For all his dozing, he had never been known to relinquish the feather duster from his grasp; the duster with which he would perform one of the only two regular tasks that appeared to be necessary in that long and silent hall, namely to flick the dust from the Bright Carvings.
Entering at seven o'clock, winter and summer, year in and year out, Rottcodd would disengage himself of his jacket and draw over his head a long, grey overall which descended shapelessly to his ankles. Having flicked at the first carving on his right, Rottcodd would move mechanically down the long phalanx of colour, stopping for a moment before each carving, his eyes running up and down it and all over it, and his head wobbling knowingly on his neck, before he introduced his feather duster.
One humid afternoon, a visitor did arrive to disturb Rottcodd as he lay deeply hammocked, for his siesta was broken by a rattling of the door handle which was apparently performed in lieu of the more popular practice of knocking at the panels. The sound echoed down the long room and then settled in the fine dust on the boarded floor. The sunlight squeezed itself between the thin cracks in the blind. Even on a hot, stifling, unhealthy afternoon such as this, the blinds were down and the candlelight filled the room with an incongruous radiance. At the sound of the door handle being rattled Rottcodd sat up suddenly. The thin bands of moted light edging their way through the shutters barred his dark head with the brilliance of the other world. As he lowered himself over the hammock, it wobbled on his shoulders, and his eyes darted up and down the door returning again after their rapid and precipitous journey to the agitations of the door handle. Gripping his feather duster in his right hand, Rottcodd began to advance down the bright avenue, his feet giving rise at each step to little clouds of dust. When he at least reached the door the handle had cease to vibrate. Lowering himself suddenly to his knees he placed his head and the vagaries of his left eye (which was for ever trying to dash up and down the vertical surface of the door), he was able by dint of concentration to observe, within three inches of his keyholed eye, an eye which was not his, being not only of a different colour to his own iron marble, but being, which is more convincing, on the other side of the door. This third eye which was going through the same performance as the one belonging to Rottcodd, belonged to Flay, the taciturn servant of Sepulchrave, Earl of Gormenghast.”

 

 2251717-3a2a7e385655a78d5a3c543189ffbe86.jpg
Mervyn Peake (9 juli 1911 – 17 november 1968)
Cover

 

 

De Tsjechische schrijver en dichter Jan (Nepomuk) Neruda werd op 9 juli 1834 geboren in Praag. Zie ook alle tags voor Jan Neruda op dit blog.

Uit: Die Hunde von Konstantinopel (Reisebilder, vertaald door Christa Rothmeier)

„Er legte den Rechnungsbetrag auf die Untertasse und ging fort; die Kellnerin nahm nicht einmal Notiz von ihm und sammelte bei Gelegenheit das Geld ein. In den Münchner Cafés bedienen ausschließlich Frauen, und der Kaffee wird auf französische Art erst am Tisch aus großen Kannen eingegossen. Ja, bezüglich der Tracht muß ich noch eine Eigenheit erwähnen. Einen Zylinder tragen hier als besonders markantes Kleidungsstück nur die Schornsteinfeger. Die schwarzen, rußigen Gestalten mit der Leiter über der Schulter und dem Seidenkamin auf dem Kopf sehen sehr gut aus. Soldaten sind ausnahmslos mit Zeug aus blauem Tuch bekleidet. Allerdings konnte ich in ihrer weniger geschmackvollen Aufmachung keinerlei größeren praktischen Nutzen als bei uns entdecken. Das Waffenvolk ist durchweg jung; kaum gedrillt, wird es beurlaubt. Leibesübung ist beim Militär ein wichtiger Gegenstand. Schicker ist nur die Leibwache, besteht aber überwiegend aus grauhaarigen, alten Leuten. Den Polizeidienst versieht die Gendarmerie, die auf der Straße jeden sehr wachsam mustert und einen Verdächtigen augenblicklich nach Ausweisen fragt. »Spitzl« heißt man hier nur ein gerades Kipfel, mit oder ohne Salz.
*
Sowohl beim bayerischen Landbewohner als auch beim Städter zeigt sich Wohlstand. Ersterer versteht es, auch wenn er unfruchtbaren Boden besitzt, durch ständigen Fleiß und Gebrauch verschiedenster Mittel trotzdem viel aus ihm herauszuholen. Dörfer sind hier sehr selten, und ein Bahnpassagier erblickt erst dann eines, wenn er in Böhmen schon das sechste gesehen hätte. Ein starker Handel existiert in München nicht, die Eisenbahnen verdienen hauptsächlich am Transportgut. An den ankommenden Ausländern profitieren aber die Münchner viel. Und was sie hinzuverdienen, verstehen sie mit Ererbtem zu verbinden und zu erhalten.“

 

 2251717-e4d121b0a00ce88468655eb68f806fcf.jpg
Jan Neruda (9 juli 1834 – 22 augustus 1891)
München, het populaire terras “Tambosi” bij de Hofgarten

 

 

De Duitse schrijver, draaiboekauteur en producent Peter Märthesheimer werd geboren op 9 juli 1937 in Kiel. Zie ook alle tags voor Peter Märthesheimer op dit blog.

Uit: Das forschende Kind

„Das ist gut, sagte Fassbinder, darüber machen wir unseren ersten Film. Und zu dem Werkzeugmacher von Ford, der uns bei der Entwicklung der Drehbücher beraten sollte, sagte er: "Also, da will einer beispielsweise was Gutes, und er schafft es auch, und dann stellt sich heraus, dass es für seine Kollegen was Schlechtes war. Was hat der Mann falsch gemacht? Nun, sagt der Werkzeugmacher, vielleicht hätte er sich vorher mit seinen Kollegen besprechen sollen. Eben, sagt Fassbinder zufrieden, und da er es nun nicht getan hat, muss er daraus fürs nächste Mal lernen. Und genau so einen Fall brauchen wir, und dann hätten wir den ersten Film auch schon zusammen. Er hatte dem Werkzeugmacher nicht gesagt, dass er einen Film über die Notwendigkeit solidarischen Handelns machen wollte. Er hatte auch nicht gesagt, dass er den gewünschten Fall aus der Wirklichkeit nur als Versatzstück für die Wirklichkeit gebrauchen würde, weil es ihm eigentlich nur darum ging, eine bestimmte Haltung zu zeigen, die die Menschen gegenüber der Wirklichkeit einnehmen könnten: den unverbrüchlichen Glauben nämlich, dass sie selbst die Kraft haben, den Lauf der Dinge zu bestimmen, anstatt sich ihm verzagt zu unterwerfen. Die Kritiker haben diese Filme dann kritisiert, weil die Arbeiter in den Filmen nicht so aussahen, wie in der Wirklichkeit, und die Filme von Christian Ziewer gelobt, in denen die Arbeiter ihren Vorstellungen entsprachen. Der einzige, der Fassbinder verteidigt hat, war Christian Ziewer.
*
Alle wichtigen Figuren in Fassbinder-Filmen scheinen mit der Identität, die sie nun einmal haben, nicht einverstanden zu sein, sträuben sich nicht nur gegen die Situation, in der sie sind, sondern auf eine merkwürdige Weise immer auch gegen sich selbst - als ob sie aus ihrer eigenen Haut herauswollten, als ob sie sich nach etwas sehnten, das sie auch sein könnten, ohne doch vorher vorab zu wissen, was das denn wäre: etwas leichtes, schwebendes, wolkenhaftes jedenfalls, kann man der eindringlichen Aura dieser Figuren entnehmen, fernab von der Schwermut, die sie in ihrem konkreten Leben wie ein Gefängnis umgibt, der Traum von einer Utopie, die keiner beim Namen zu nennen weiß, die einen aber auf eine verzweifelte Weise mit Hoffnung erfüllt.
Fassbinders Utopie hatte radikal naive, fast biblisch vereinfachte Züge: in einer künftigen Gesellschaft, die so sicher kommen würde wie ein Tag dem anderen folgt, würden die Menschen frei miteinander umgehen können, frei von Armut und Not, frei von Unterdrückung und Bevormundung, frei vor allem von jeder Art von Angst.“

 

 2251717-c02c2ec1f005c82a2a497f1afcb617ae.jpg
Peter Märthesheimer (9 juli 1937 – 18 juni 2004)
Rainer Werner Fassbinder

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juli ook mijn blog van 9 juli 2018 en ook mijn blog van 9 juli 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:28 Reageer op dit bericht

Georg-Büchner-Preis voor Lukas Bärfuss

 

Georg-Büchner-Preis voor Lukas Bärfuss

 

De Zwitserse schrijver en dramaturg Lukas Bärfuss krijgt de Georg-Büchner-Preis 2019.Lukas Bärfuss werd geboren op 30 december 1971 in Thun. Zie ook alle tags voor Lukas Bärfuss op dit blog.

Uit: Hagard

„Seit viel zu langer Zeit versuche ich, Philips Geschichte zu verstehen. Ich will das Geheimnis lüften,
das in ihr verborgen ist. Ein ums andere Mal bin ich gescheitert und konnte das Rätsel jener Bilder nicht entschlüsseln, die mich heimsuchen, Bilder der Grausamkeit und der Komik, wie in jeder Erzählung, in der das Begehren auf den Tod trifft.
Ich weiß alles, und ich begreife nichts. Ich kenne die Abfolge der Ereignisse. Ich weiß, wie die Geschichte anfängt, ich kenne den Tag und ich kenne den Ort: Es ist der Brezelstand vor dem Warenhaus beim Bellevue. Ich weiß, wann sie ihr Ende findet, nämlich sechsunddreißig Stunden später, am frühen Donnerstagmorgen des dreizehnten März auf einem Balkon irgendwo in der Vorstadt. Auch die Ereignisse, die dazwischen liegen, sind geklärt: die Sache mit dem Pelz, die erste kalte Nacht im Wagen, die fehlende Börse, die Elster, der verlorene Schuh, der tote japanische
Mathematiker – all dies liegt offen zu Tage. Die Umstände aber, die Bedingungen, die jene Ereignisse
ermöglicht haben, bleiben verborgen. Und je gründlicher ich die Einzelheiten kläre, umso schemenhafter wird die Welt, in der sich die Geschichte ereignete. Man könnte denken, es gehe mir wie jenem, den die Redensart beschreibt; doch der Wald, darauf bestehe ich, ist eine reine Behauptung, ein abstraktes System, das in der Wirklichkeit nicht zu finden ist. Der Wald zerfällt in lauter Bäume, genau wie der Himmel in Planeten zerfällt, in Sterne und Meteore.
Nach meinen vergeblichen Versuchen, einen Zusammenhang in den Bildern zu finden, bin ich zum
Schluss gekommen, dass es weniger diese Geschichte als solche ist, die ich nicht verstehe, und es vielmehr darum geht, meine Verstrickung zu erklären, herauszufinden, was sie mir sagen wollen, diese Erscheinungen, die mich berücken, verzaubern und einige Male an den Rand des Wahnsinns geführt haben. Meine Existenz hängt an dieser Geschichte, so rede ich mir ein, und gleichzeitig weiß ich, wie lächerlich ich bin und dass ich nichts zu fürchten habe, dass ich die Ereignisse jener Märztage ruhen lassen könnte und mir nichts geschehen würde, ich mein Leben weiterführen könnte wie bisher. Tatsächlich wäre ich gerettet, wenn ich eingestehen könnte, an Philips Geschichte gescheitert
zu sein. Sie ist zu groß für mich – obwohl sie ganz einfach erscheint. Es ist, als ob ich bei jedem
Versuch etwas vergessen würde, eine Einzelheit, die unerlässlich ist, als ob ich ein Zeichen verlöre, das mich auf die richtige Spur führt. Ich weiß, wie oft ich es geschworen und mich damit belogen habe wie ein Trinker, der sich mit dem letzten Glas betrügt. Ich bin ein Spieler knapp vor dem Bankrott, der ein letztes Mal die Karten geben lässt – einen Versuch will ich noch wagen, einmal noch werde ich die Ereignisse auferstehen lassen, einmal noch, und dann soll es damit sein Bewenden haben.“

 

 2251712-48882f4871982266df9203bfe4157993.jpg
Lukas Bärfuss (Thun, 30 december 1971)

Geschreven door Romenu om 15:33 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten