Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 12 juli 2019 tot 13 juli 2019

Henry Longfellow, Wole Soyinka, Rien Vroegindeweij, Isaak Babel, Scott Symons, Rebecca Salentin

 

Dolce fa niente

 

 

 2252616-dbb1ba919bdfceec8bebfb8a7cc6efb2.jpg
Parijs na de regen door Andrej Ostapchuk, 2019

 

 

Rain in Summer

How beautiful is the rain!
After the dust and heat,
In the broad and fiery street,
In the narrow lane,
How beautiful is the rain!
How it clatters along the roofs,
Like the tramp of hoofs
How it gushes and struggles out
From the throat of the overflowing spout!
Across the window-pane
It pours and pours;
And swift and wide,
With a muddy tide,
Like a river down the gutter roars
The rain, the welcome rain!
The sick man from his chamber looks
At the twisted brooks;
He can feel the cool
Breath of each little pool;
His fevered brain
Grows calm again,
And he breathes a blessing on the rain.
From the neighboring school
Come the boys,
With more than their wonted noise
And commotion;
And down the wet streets
Sail their mimic fleets,
Till the treacherous pool
Ingulfs them in its whirling
And turbulent ocean.
In the country, on every side,
Where far and wide,
Like a leopard's tawny and spotted hide,
Stretches the plain,
To the dry grass and the drier grain
How welcome is the rain!
In the furrowed land
The toilsome and patient oxen stand;
Lifting the yoke encumbered head,
With their dilated nostrils spread,
They silently inhale
The clover-scented gale,
And the vapors that arise
From the well-watered and smoking soil.
For this rest in the furrow after toil
Their large and lustrous eyes
Seem to thank the Lord,
More than man's spoken word.
Near at hand,
From under the sheltering trees,
The farmer sees
His pastures, and his fields of grain,
As they bend their tops
To the numberless beating drops
Of the incessant rain.
He counts it as no sin
That he sees therein
Only his own thrift and gain.
These, and far more than these,
The Poet sees!
He can behold
Aquarius old
Walking the fenceless fields of air;
And from each ample fold
Of the clouds about him rolled
Scattering everywhere
The showery rain,
As the farmer scatters his grain.
He can behold
Things manifold
That have not yet been wholly told,--
Have not been wholly sung nor said.
For his thought, that never stops,
Follows the water-drops
Down to the graves of the dead,
Down through chasms and gulfs profound,
To the dreary fountain-head
Of lakes and rivers under ground;
And sees them, when the rain is done,
On the bridge of colors seven
Climbing up once more to heaven,
Opposite the setting sun.
Thus the Seer,
With vision clear,
Sees forms appear and disappear,
In the perpetual round of strange,
Mysterious change
From birth to death, from death to birth,
From earth to heaven, from heaven to earth;
Till glimpses more sublime
Of things, unseen before,
Unto his wondering eyes reveal
The Universe, as an immeasurable wheel
Turning forevermore
In the rapid and rushing river of Time.

 

 2252616-f93ef417ef791f5843ac83ee3e380aff.jpg
Henry Longfellow (27 februari 1807 – 24 maart 1882)
Portland, Maine. Wharf Street na de regen. Henry Longfellow werd geboren in Portland

 

 

De Nigeriaanse dichter, schrijver en voorvechter van democratie Akinwande Oluwole “Wole” Soyinka werd geboren op 13 juli 1934 in Abeokuta. Zie ook alle tags voor Wole Soyinka op dit blog.

Uit: Aké. The Years of Childhood

“The bedroom door opened and mother peeped in. Seeing me awake she entered, and was followed in by father. When I asked for Osiki, she gave me a peculiar look and turned to say something to father. I was not too sure, but it sounded as if she wanted father to tell Osiki that killing me was not going to guarantee him my share of iyan. I studied their faces intently as they asked me how I felt, if I had a headache or a fever and if I would like some tea. Neither would touch on the crucial question, so finally I decided to put an end to my suspense. I asked them what they had done with my dansiki.
‘It’s going to be washed,’ mother said, and began to crush a halftablet in a spoon for me to take.
‘What did you do with the blood?’
She stopped, they looked at each other. Father frowned a little and reached forward to place his hand on my forehead. I shook my head anxiously, ignoring the throb of pain this provoked.
‘Have you washed it away?’ I persisted.
Again they looked at each other. Mother seemed about to speak but fell silent as my father raised his hand and sat on the bed, close to my head. Keeping his eyes on me he drew out a long, ‘No-o-o-o-o.’
I sank back in relief. ‘Because, you see, you mustn’t. It wouldn’t matter if I had merely cut my hand or stubbed my toe or something like that – not much blood comes out when that happens. But I saw this one, it was too much. And it comes from my head. So you must squeeze it out and pump it back into my head. That way I can go back to school at once.’
My father nodded agreement, smiling. ‘How did you know that was the right thing to do?’
I looked at him in some surprise, ‘But everybody knows.’
Then he wagged his finger at me, ‘Ah-ha, but what you don’t know is that we have already done it. It’s all back in there, while you were asleep. I used Dipo’s feeding-bottle to pour it back.’
I was satisfied. ‘I’ll be ready for school tomorrow’ I announced.”

 

 2252616-8884dd591268990f2effa78bcaeb7306.jpg
Wole Soyinka (Abeokuta, 13 juli 1934)

 

 

De Nederlandse dichter en (toneel)schrijver Rien Vroegindeweij werd geboren in Middelharnis op 13 juli 1944. Zie ook alle tags voor Rien Vroegindeweij op dit blog.

 

Onweer

Ik hou van de hete zon
die schittert op de rivier
en ik ben gek op de eerste
kou van de winter. Ik hou

van de zon die ondergaat
en zou, als ik de kans kreeg,
ook genieten van een kort
doch hevig bosbrandje. Ik hou

van mijn moeder die oud is
en na een godvruchtig leven
niet weet wat het worden zal,
de hel of de hemel. Ik lijk

op haar omdat mijn dochter
op haar lijkt. Maar ik maak
haar niet bang met het vuur
dat opstijgt rond de zondaars.

Noch vrolijk ik haar op
met het vooruitzicht op hemels
gezang: als zij mijn hand vast
houdt, durf ik voor het raam

te staan, als zij lacht om mijn
oud geloof dat God in de donder
spreekt, praat zij hem na
en zegt: boemdereboemboemboem.

 

 

Dierbaar

Niet de aap maar het paard
lijkt het meest op de mens,
als je 't in de ogen kijkt.

Of sla de boeken erop na,
veldslagen, ontdekkingsreizen,
de melkboer in de straat.

Held van 't wilde Westen,
ruilobject voor koninkrijken,
verlosser van de filosoof.

Hier en daar staat op een plein
in brons een krijgsheer op zijn paard,
- dat zou andersom moeten zijn.

 

 2252616-008d95cd0787770ffe30d7790d20b987.jpg
Rien Vroegindeweij (Middelharnis, 13 juli 1944)

 

 

De Russische schrijver Isaak Emmanuïlovitsj Babel werd geboren in Odessa op 13 juli 1894. Zie ook alle tags voor Isaak Babel op dit blog.

Uit: De geschiedenis van mijn duiventil (Vertaald door Froukje Slofstra)

“In onze winkel zat een klant, een boer, zich besluiteloos het hoofd te krabben. Toen hij mij zag, liet mijn vader de boer achter en hij hoorde gretig, zonder enige scepsis, mijn verhaal aan. Hij riep de bediende om de winkel te sluiten en snelde naar de Sobornaja-straat om een pet met het schoolembleem voor mij te kopen. Mijn arme moeder kon me nauwelijks van die uitzinnige man wegrukken. Mijn moeder zag bleek op dat moment en peilde het lot. Ze aaide over mijn hoofd en duwde me dan weer vol weerzin weg. Ze zei dat de krant de namen publiceerde van de jongens die waren toegelaten tot het gymnasium en dat God ons zou straffen en de mensen ons zouden uitlachen als we voortijdig een schooluniform kochten. Mijn moeder zag bleek, ze peilde het lot in mijn ogen en keek naar me met bitter medelijden, als naar een kreupele, omdat alleen zij wist hoe ongelukkig onze familie was.
Alle mannen van ons geslacht waren te goed van vertrouwen en geneigd tot ondoordachte daden, we hadden nergens geluk in gehad. Mijn grootvader was ooit rabbijn geweest in Belaja Tserkov, hij was wegens godslastering verjaagd en had nog veertig jaar tumultueus en armoedig verder geleefd, vreemde talen gestudeerd, en vanaf zijn tachtigste zijn verstand verloren. Mijn oom Lev, de broer van mijn vader, had aan de jesjiva in Volozjin gestudeerd, was in 1892 weggelopen uit de militaire dienst en had de dochter ontvoerd van een intendant die in het militaire district Kiev diende. Oom Lev had die vrouw meegenomen naar Californië, naar Los Angeles, had haar daar in de steek gelaten en was gestorven in een dubieus huis, tussen negers en Maleiers. Na zijn dood stuurde de Amerikaanse politie ons zijn erfenis uit Los Angeles: een grote hutkoffer, beslagen met bruine ijzeren banden. In die koffer zaten halters, lokken vrouwenhaar, mijn grootvaders talliet, zweepjes met vergulde handgrepen en bloementhee in met goedkope parels versierde kistjes. Van de hele familie waren alleen mijn krankzinnige oom Simon, die in Odessa woonde, mijn vader en ik over. Maar mijn vader was te goed van vertrouwen, hij beledigde de mensen met zijn uitgelaten, idolate onthaal, dat vergaven ze hem niet en ze bedrogen hem. Mijn vader geloofde derhalve dat zijn leven werd geregeerd door een kwade genius, een ondoorgrondelijk wezen dat hem achtervolgde en in niets op hem leek. En dus was ik voor mijn moeder de enige die overbleef van onze hele familie.”

 

 2252616-b22c46d544e5b42d8bc0d05616dfb63d.jpg
Isaak Babel (13 juli 1894 – 27 januari 1940)
De Potjomkintrappen in Odessa

 

 

De Canadese schrijver Scott Symons werd geboren op 13 juli 1933 in Toronto. Zie ook alle tags voor Scott Symons op dit blog.

Uit: Place d’Armes

“To rest a moment ... slowly it focused him ... drew him out again — he heard the thunder of the candles ... and again his eardrums were probed and penetrant — again he lost his male maidenhead ... he reeled, held tight, and then relented ... gave himself to the verity ... and as he did he felt his eyes palped by the entrelacings of the gilt pillars .. and he followed the line of gold, up to the gold florescence under the balcony — to the scallopings of wood frieze ... and he knew that he had to abandon himself to this ... had to give to this — give himself to this. There was no other viable alternative. No other way — not out — but in. No other truth. Everything else was shadow. ... for a moment the veil dropped again — threatened to drop — he tried to make his eye bounce back off the entrelacs ... briefly he succeeded — yet he knew that if the veil did drop, he was lost — that once again he was still-born.... He looked back at the writhings of the gold ... and as his eye turned to them, they shot in, under his guard, before he even knew what had happened ... shot into him, writhing and convulsing — the candles raged in him — again he tried to close down — to shut out this realization ... but now it was too late, gloriously, with absolute finality, too late ... his whole body soared from the pew — followed his eyeballs in with the entrelacings ... the roof lifted and he was adrift absolutely, afloat ... no longer was there any question of details, of itemization — all that had gone now ... he was confounded in utter conjugation with the body of the Church — it was militant in him. He turned — and staggered out ... the Place d'Armes was outrageously alive in him ... detonating everywhere, everything, in a profusion of knowledge ... suddenly every detail was searingly evident — each outline blared in him, and the mass of the square raged in him ... he saw the beaver again ... and as he did heard the thunder of the candles ... his throat swole, his eyes blazed ... ca creve les yeux, Pierre had said — he was right — it stabbed your eyes out ... no in ... stabbed his eyes back in.... He was haemorrhaging now ... could feel the stream of blood blurting from him ... hideously alive.... La Place....The Place ... he could see the Place ... he started to shout ... "La Place ... it's there ... don't you see ... La Place ... Look...." And he started to run toward the statue of Maisonneuve ... and his run became a dance, his whole body vibrant, like the dancers in the nightclub, like the old High Altar by Quevillon in the Church, that was (he knew it now) the same altar as in his dream at home, as sideboard of hospitality, like the commode in the Flesh Market, like the sternum of the Lesser Sphinx ... out into La Place, grasping Holy Host to place it in the very centre of La Place.”

 

 2252616-0c712b5dc1aed1a678622ff6563a2918.jpg
Scott Symons (13 juli 1933 – 23 februari 2009)
Toronto 

 

 

De Duitse schrijfster Rebecca Salentin werd geboren op 13 juli 1979 in Eschweiler. Zie ook alle tags voor Rebecca Salentin op dit blog.

Uit: Hintergrundwissen eines Klavierstimmers

„Die Übelkeit müsse wohl eine Form der Vorahnung gewesen sein. Denn noch nie war das Gewissen so hinterrücks über den Klavierstimmer hergefallen wie an jenem Tag. Jahrelang hatte Kazimierz das Gefühl der Scham mit sich herumgetragen, ohne zu wissen, wofür er sich schämte. In den letzten Tagen hatte er sich eingestanden, dass es die Mitwisserschaft war, die ihm ein Dauergefühl der Scham verursachte, dass ihm davon übel wurde. Dazu war eine Macke, ein Tick gekommen, den er sich selbst nie hatte erklären können: Wo immer er auch ging oder stand, was immer er auch tat, ständig sah der Klavierstimmer sich fallen, ausrutschen, stürzen und seinen Kopf auf Kanten knallen. Er sah sich, wie er sich den Schädel an Klavieren und Flügeln stieß, er sah sich auf Bordsteinkanten stürzen, wo sein Kopf blutig aufschlug. Er sah sich auf Treppen ausrutschen, den Hinterkopf hart auf den Stufen aufprallen, er sah sich gegen die Straßenbahnwagen laufen, deren Elektrizität ihm immer noch Angst einjagte, obwohl sie schon seit einigen Jahren die pferdebetriebene ersetzte, und sah seinen Kopf von der Härte des Aufpralls aus Nacken und Genick reißen. Fuhr er doch einmal mit der Straßenbahn, klammerte er sich mit schwitzigen Handflächen an die Metallstangen, dass es in den Kurven nur so quietschte, damit er nicht bei jeder Station den Halt verlöre und mit dem Kopf gegen Holzbänke, heruntergeklappte Fenster oder andere Passagiere stoße. Tischkanten musste er umklammern, um vor einer Kollision mit ihnen gefeit zu sein. Wenn er abends zu Bett lag und die Termine des nächsten Tages ordnete oder Vergangenes Revue passieren ließ, so sah er sich jedes Mal in dem Moment, in dem er das Wort ergriff, um seine eigene Meinung kundzutun, keine streitende oder rechthaberische, nein, nur seine ganz persönliche Meinung, in dem Moment, wo die Worte aus seinem Mund kamen und die Gesichter sich ihm zuwandten, sah er sich stürzen. Es reichte schon der Gedanke daran, Lieba oder Dawid um ein Brot zu bitten, und er sah seinen Kiefer auf ihre Verkaufstheke krachen, dass seine restlichen Zähne zersplitterten. Nie war eine dieser schmerzvollen Visionen Wirklichkeit geworden, er kannte andere seines Alters, die wirklich stürzten und fielen, er hatte sich jedoch, aus Angst vor dem Sturz, einen langsamen tastenden Gang angewöhnt. Er war immer sehr aufmerksam, besah jeden Schritt seiner Wege genau, schätzte alle Gefahren im Umkreis von einigen Metern mit den Augen ab, bevor er sich ein Gefühl der Entspannung zugestand. An diesem Nachmittag, in Karols Stube, hatte er sich gefragt, ob es die Ereignisse im dwór, zwanzig Jahre zuvor, gewesen waren, die ihm derart den Boden unter den Füßen wegzogen.“

 

 2252616-37a6a9875fcb9d1b44c099c89be16cba.jpg
Rebecca Salentin (Eschweiler, 13 juli 1979)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juli ook mijn blog van 13 juli 2018 en ook mijn blog van 13 juli 2016 en ook mijn blog van 13 juli 2014 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 08:00 Reageer op dit bericht

Kees ‘t Hart, Carla Bogaards, Anousha Nzume, Elias Khoury, Stefan George, Pablo Neruda, Driek van Wissen, Bruno Schulz, Henry David Thoreau

De Nederlandse dichter en schrijver Kees ’t Hart werd op 12 juli 1944 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Kees ’t Hart op dit blog.

Uit: Zwembad

“Ongeveer acht jaar geleden vertelde mijn broer, terwijl we op weg waren naar het zwembad, dat hij een optocht had gezien van een grote groep jonge mannen en vrouwen, vermoedelijk eerstejaars studenten. We liepen tijdens zijn verhaal vlak bij huis, het begon donker te worden. Aan de overkant van de straat duwden een paar jongens een boodschappenwagentje voor zich uit waarin kartonnen dozen waren opgestapeld. Ze hadden met pollepels gezwaaid, vertelde mijn broer, en ze droegen een koksmuts op hun hoofd. Er waren ook een paar niet-verklede studenten bij geweest die waarschijnlijk toezicht hielden. Volgens mijn broer was het een ontgroeningsoptocht, je zag dat de laatste tijd steeds meer, haast alle opleidingen deden aan ontgroeningen. ‘Het valt me mee,’ zei hij, ‘dat ík nog niet ontgroend ben, maar dat komt misschien nog.’
Ik vroeg me af waarom hij dit verhaal vertelde. Er viel op straat niets te zien dat ermee samenhing, er waren een paar jongens met een wagentje, er waren verlichte etalages waarlangs mensen haastig en met afgewende gezichten voortliepen en er klonk nauwelijks aantoonbaar stadsgeluid, dat uit buizen onder het trottoir leek op te stijgen. Misschien hoopte hij dat ik zijn verhaal een geruststellende draai zou geven. Dat het wel meeviel, zo'n ontgroening, dat het minder erg was wanneer iederéén ontgroend werd, dat je bij ontgroeningen in het zwembad hoogstwaarschijnlijk alleen onder luid geschreeuw het water in moest springen. Het zou de andere zwemmers niet eens opvallen. Even overwoog ik van de gelegenheid gebruik te maken over mijn vertrek te beginnen, maar er schoot me niets te binnen. Ik ga er volgende week weer eens vandoor, kon ik zeggen, maar het verband met zijn ontgroeningsverhaal zou onduidelijk zijn. Ik besloot een beter moment af te wachten.
Mijn broer liep in deze tijd stage in het overdekte zwembad van onze stad. Ik hielp hem daarbij. Volgens hem overheersten in het zwembad liederlijkheid en stompzinnigheid. Het geschreeuw van de zwemmers, hoofdzakelijk middelbare scholieren, eerstejaars studenten en asociale bejaarden, schreef hij toe aan opgekropt verdriet, jeugdtrauma's en ongebreidelde kwaadaardigheid die nergens vandaan leek te komen en nog versterkt werd door het zwembadpersoneel, dat niet alleen te stom was om voor de duvel te dansen, maar ook onophoudelijk het plezier van anderen, voor zover dat er nog was, probeerde te bederven. Hij vertelde graag over het in zijn oren mensonterende gedreun van de duikplank, het gejammer van kinderen die hun ouders kwijt waren en de halve en hele vechtpartijen die om de haverklap, meestal tegelijkertijd op verschillende plaatsen, in het zwembad uitbraken. Hij liep in het zwembad rond in een wolk van afgrijzen, die ik probeerde weg te redeneren met het risico dat zijn afgrijzen zich op mij zou richten.”

 2252471-200fa6aa2f7ac33a4f3470efbf991f50.jpg
Kees ’t Hart (Den Haag, 12 juli 1944)

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Carla Bogaards werd geboren in Voorburg op 12 juli 1947. Zie ook alle tags voor Carla Boogaards op dit blog.

Uit: Roes

“Petra is dood. 'Petra is dood', ik zeg het hardop tegen iedereen die het horen wil, een nogal vreemde actie omdat ik op mijn hond na alleen thuis ben. Ik ga op mijn hurken zitten, het is een klein ras, om dit verlies, dat gestapeld wordt op het verlies van mijn zoon, tenminste met één levend wezen te kunnen delen. 'Je kent Petra toch, weet je wel, mijn vriendin, als ze haar hoofd schudde, zo van, nee Isabel, absoluut niet mee eens, dan waaierde haar haar uit, blond, naturel blond, en ze had zachte blanke handen, met sproetjes, daar aaide ze je mee, ze gaat je nooit meer aaien, ze is dood.'
Ik zie haar opeens heel duidelijk voor me, ik bedoel hoe ze op het laatst kon zijn, heftig nee schuddend, haar ronde blauwe ogen kijken boos, ze zegt dat ik een egoïst ben, ze tóétert het gewoon in mijn oren. De eerste keer dat ze het zei, deed het me niks, incasseren is één van mijn sterkste kanten, en verder mag iemand die je je hartsvriendin noemt, rustig dit soort dingen tegen je roepen, je blijft toch wel van haar houden.
Of ze er vaker mee geschermd heeft weet ik niet meer, het heeft blijkbaar niet veel indruk op me gemaakt, anders had ik het wel onthouden, alleen van de laatste keer ik herinner het me, ik gedroeg me als een verdomde egoïst, volgens haar, met dat gedrag riep ik het onheil over me af. Ze zei niet wat, of wanneer, hoezo, dacht ik, welk onheil, alsof ze er meer van wist. Tamelijk abrupt plakte ze er een zinnetje aan vast, namelijk dat dat onheil ook háár zou treffen.
' Zou Petra dit bedoeld hebben, wat denk jij, weet jij het', vraag ik mijn hond, honden hebben bovennatuurlijke gaven, dat heb ik ergens gelezen, ze kunnen in de toekomst kijken; als er al een mysterie school in Petra's woorden, dan zou mijn hond het kunnen ontsluieren. Tevergeefs wacht ik op het kleinste signaal dat ze af zal geven. Omdat ze van die hangende oren heeft, net als Vlaamse reuzen, kan ze, al zou ze willen, nog geen eens haar oren spitsen bij de naam Petra.
Toen ik het bericht kreeg, wilde ik het niet geloven, als er iemand van wie je houdt is gestorven, ontken je het glashard, gewoon blijven ontkennen, dan is het niet waar, al uren zeg ik de mantra op:Petra is dood, maar dat is een leugen.´

 2252471-cb74c7b531479388617cde7106913f41.jpg
Carla Bogaards (Voorburg, 12 juli 1947)

 

 

De Nederlands schrijfster, actrice, columniste, programmamaakster Anna Senga “Anousha” Nzume werd geboren in Moskou op 12 juli 1969. Zie ook alle tags voor Anousha Nzume op dit blog.

Uit: Hallo witte mensen

“Kenmerken die ook nog eens een pijnlijke geschiedenis meedragen en niet 'algemeen' of groepgebonden zijn. Bruine en zwarte mensen hebben niet allemaal dezelfde kleur. Niet hetzelfde haar. Niet dezelfde uitstraling en ook niet hetzelfde lichaam. Daarnaast hoop ik ook echt dat je valt op een persoonlijkheid en niet op een levende paspop. Het is alsof je tegen een vrouw zegt: 'Ik val op je, want je hebt een vagina.' Oké, ehh... bedankt? Ik snap dat het wellicht zo werkt, er is een hele industrie omheen gebouwd, maar het is geen compliment als je op een (fysiek) aspect van een vrouw valt en dat is dat. Dus, mocht dat zo zijn, hou dan je mond erover tegen vrouwen (en ga in therapie!). Zo heb ik ook weleens ruzie gehad met een collega-muzikant die zei dat hij niet op zwarte vrouwen viel. Misschien wil je nu uit ergernis je hoofd tegen je bureau aan bonken, maar blijf er nog even bij. Als je sowieso NIET/NOOIT op 'zwart' valt, scheer je 'ons' allemaal over een (racistische) kam. Kennelijk doet persoonlijkheid, karakter en inhoud er niet toe, of je gelooft niet dat wij die eigenschappen bezitten. Of we bezitten ze wel, maar alleen in clichévorm. Scary... Ik heb ook weleens meegemaakt dat iemand zei dat ik 'de eerste zwarte vrouw' voor diegene was. Heel problematisch en eigenlijk het startsein om zo snel mogelijk weg te rennen van die persoon. Helaas zag ik het vroeger ook als een compliment. Omdat ik zelf ook de beelden, waar ik van kleins af aan mee ben gebombardeerd over mooie zachte blonde haren en onschuldige blauwe ogen had geïnternaliseerd. Alle maatschappelijke vooroordelen over 'het West-Afrikaanse ras' die klakkeloos werden overgenomen door onderwijsinstellingen oftewel belangrijke instituties (ziehier een voorbeeld van institutioneel racisme) had ik ook overgenomen. Ik zie de plaatjes nog voor me uit m'n schoolboek Volkenkunde: vooruitstekende lippen, de onderlip nog meer dan de bovenlip. Vragende uitstraling, lege ogen en kokosmat-achtig haar.
Conclusie
Naast de LINDA. kennen we natuurlijk allemaal het bekende voorbeeld van het tijdschrift Jackie. In het decembernummer van 2011 werden vier modetypes afgebeeld ter inspiratie voor het shoppen voor kinderen: het prinsje, de rockster, de IT-girl, en de 'niggabitch'. 'Ze heb street cred, ze heb een ghetto ass, en ze heb een gouden keeltje. Rihanna, the Bood girl gone bad, is de ultieme niggabitch (...). Maar de Hollandse winters zijn de Jamaicaanse niet, dus kies een kledingstijl waarin je dochter min tien kan weerstaan. Niet de grote zonnebril en de pornohakken, wel de tijgerprint, roze shizzle en alles dat glimt. Nu maar hopen dat ze niemand in mekaar slaat op de crèche.' Ook al regende het meteen kritiek,”

 

 2252471-ef1c88e27f2503cc93e5bc5e9e4fdb43.png
Anousha Nzume (Moskou, 12 juli 1969)

 

 

De Libanese schrijver en criticus Elias Khoury werd geboren op 12 juli 1948 in een Grieks-orthodoxe middle-class familie in de overwegend christelijke wijk Ashrafiyye van Beiroet. Zie ook alle tags voor Elias Khoury op dit blog.

Uit: My name is Adam – Children of the ghetto 1 (Vertaald door Humphrey Davies)

“Six days were enough for my life to turn upside down and put paid to the novel that I’d begun writing.
I’d long dreamed of writing a novel. One novel would be enough to say something no-one had ever said before. I’m the son of a story that has no tongue, and I want to be the one to make it speak; when I found the story, and took up residence in Waddah al-Yaman’s coffer, that damned movie came along and expelled me from the coffer of metaphor which I’d hoped would be the grave of my story and the cave from which it could once more shine forth. The scales fell from my eyes and I saw that I was alone, looking for my shadow, which I had lost. My shadow had disappeared and been erased, and it became my task, before I could write, to find it again, so that I could lean upon it.
The fever was devouring me and I was trying to explain to my young friend, in stumbling English, who I was. I told her everything and watched my life forming into a story before me, and my story was long. Was she listening to me, or could her eyes not see the story because she couldn’t understand what I was saying? She told me my speech had been slurred and that I’d talked without stopping and would jump from one subject to another, beginning in English, then switching into Arabic or into a mixture of Arabic and Hebrew, and drinking a lot of water. She spoke of tears she’d seen in my eyes and said she’d tried the whole time to calm me down.
Odd. I remember things differently. I remember seeing everything clearly and being amazed at what I saw. I could recall everything. I saw the remnants of the people of Lydda living in a ghetto fenced off with wire by the Israelis, and I smelled death. I even saw before me the words in which my mother recounted to me the story of my birth, as though I were remembering them. I recalled everything, and today I sit down to write what I remembered and saw, convinced that memory is too heavy a burden for any to carry and that forgetfulness was brought into being to liberate us from it. From that moment, the weight of my memory began to exhaust me, and I decided to write it, so that I could forget it.
People think that writing is a cure for forgetfulness and the vessel of memory, but they’re wrong. Writing is the form appropriate to forgetfulness, which is why I’ve decided to review my entire project and, instead of killing memory with metaphor as I tried to through my aborted work on a novel about Waddah al-Yaman, I shall transform it, as I write it, into a corpse made out of words. I am not Waddah al-Yaman, I will not die in the coffer, and my beloved is neither Rawda nor Umm al-Banin. True, I did love two women: the first died and my love for the second died in my heart.”

 

 2252471-18be934aa46341b0ccf05010d180bdb1.jpg
Elias Khoury (Beiroet, 12 juli 1948)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Stefan George werd geboren op 12 juli 1868 in Büdesheim. Zie ook alle tags voor Stefan George op dit blog.

 

Die blume die ich mir...

Die blume die ich mir am fenster hege
Verwahrt vorm froste in der grauen scherbe
Betrübt mich nur trotz meiner guten pflege
Und hängt das haupt als ob sie langsam sterbe.

Um ihrer frühern blühenden geschicke
Erinnerung aus meinem sinn zu merzen
Erwähl ich scharfe waffen und ich knicke
Die blasse blume mit dem kranken herzen.

Was soll sie nur zur bitternis mir taugen?
Ich wünschte dass vom fenster sie verschwände . .
Nun heb ich wieder meine leeren augen
Und in die leere nacht die leeren hände.

 

 

Mein garten bedarf nicht luft und nicht wärme

Mein garten bedarf nicht luft und nicht wärme.
Der garten den ich mir selber erbaut
und seiner vögel leblose schwärme
Haben noch nie einen frühling geschaut.

Von kohle die stämme. von kohle die äste
Und düstere felder am düsteren rain.
Der früchte nimmer gebrochene läste
Glänzen wie lava im pinien-hain.

Ein grauer schein aus verborgener höhle
Verrät nicht wann morgen wann abend naht
Und staubige dünste der mandel-öle
Schweben auf beeten und anger und saat.

Wie zeug ich dich aber im heiligtume
– So fragt ich wenn ich es sinnend durchmaß
In kühnen gespinsten der sorge vergaß –
Dunkle große schwarze blume?

 

 

Im Park

Rubinen perlen schmücken die fontänen ·
Zu boden streut sie fürstlich jeder strahl ·
In eines teppichs seidengrünen strähnen

Verbirgt sich ihre unbegrenzte zahl.
Der dichter dem die vögel angstlos nahen
Träumt einsam in dem weiten schattensaal ..

Die jenen wonnetag erwachen sahen
Empfinden heiss von weichem klag berauscht ·
Es schmachtet leib und leib sich zu umfahen.

Der dichter auch der töne lockung lauscht.
Doch heut darf ihre weisung nicht ihn rühren
Weil er mit seinen geistern rede tauscht:

Er hat den griffel der sich sträubt zu führen.

 

2252471-9f9c6b9471e112f2b6917579283d9849.jpg
Stefan George (12 juli 1868 – 4 december 1933)

 

 

De Chileense dichter Pablo Neruda (eig. Ricardo Eliecer Neftalí Reyes Basoalto) werd geboren in Parral op 12 juli 1904. Zie ook alle tags voor Pablo Neruda op dit blog.

Uit: Honderd liefdessonnetten

 

XVI

Ik hou van het beetje aarde dat jij bent,
omdat ik in alle melkwegweiden
geen andere ster heb. Jij weerspiegelt
en verveelvoudigt het heelal

Je grote ogen zijn het licht dat ik bewaar
uit de verslagen sterrenstelsels,
Je huid huivert net als de wegen
die de meteoor bereist in de regen.

Van zoveel maan waren voor mij je heupen,
van alle zon je diepe mond en zijn genot,
van zoveel gloeiend licht, als honing in de schaduw,

je hart geschroeid door lange rode stralen,
en zo bereis ik het vuur van je vorm,
en kus je, kleintje en planeet, duif en geografie.

 

XX

Mijn lelijkerd, kastanje ongekamd,
mijn schoonheid, jij bent prachtig als de wind,
mijn lelijkerd, jouw mond telt voor twee monden,
mijn schoonheid, met je kussen fris als vruchten.

Mijn lelijkerd, met je verborgen borsten
die minuscuul zijn als twee bekers graan.
Ik zag je graag met op de borst twee manen
als torens van jouw soevereiniteit.

Mijn lelijkerd, geen zee levert jouw nagels,
mijn schoonheid, bloem voor bloem en ster voor ster
en golf voor golf, lief, telde ik jouw lichaam:

mijn lelijkerd, want om jouw gouden taille,
mijn schoonheid, om een rimpel in je voorhoofd,
mijn lief, om licht, om donker houd ik van je.

 

LXXXIX

'k Wil als ik sterf jouw handen op mijn ogen:
het licht en 't graan van jouw geliefde handen,
hun frisheid nog eens langs mij voelen strijken:
de zachtheid voelen die mijn leven wendde.

'k Wil dat jij leeft terwijl ik, slapend, wacht,
dat je de wind blijft horen in je oren,
de zee blijft ruiken die ons beiden lief is,
het zand dat wij betraden blijft betreden.

'k Wil dat al wat ik liefheb voort blijft leven,
jou had ik lief, bezong ik boven alles,
blijf jij daarom in bloei, mijn bloeiende,

opdat je wat mijn liefde wil, bereikt,
opdat mijn schaduw door je haren wandelt,
opdat men zo de grond kent van mijn zang.

 

Vertaald door Catharina Blaauwendraad

 

2252471-e4d121b0a00ce88468655eb68f806fcf.jpg
Pablo Neruda (12 juli 1904 – 23 september 1973)
Hier met zijn derde vrouw, Matilde Urrutia

 

 

De Nederlandse dichter Driek van Wissen werd geboren in Groningen op12 juli 1943. Zie ook alle tags voor Driek van Wissen op dit blog.

 

Vakantiebericht

Wij dronken onderweg in Portugal,
per dag tenminste één fles Vinho Verde,
maar meestal twee en doorgaans nog een derde,
want drie is toch zo'n heerlijk rond getal.

En daar wij dan pas werk'lijk dronken werden
werd nummer vier besteld als spoedgeval -
'of is dit nu ons vijfde flesje al?'
bracht een van ons, de tel kwijt, dan te berde.

U raadt het al - daarna kwam nummer zes
en dikwijls is het daarbij niet gebleven;
wij meden bijgelovig nummer zeven
en namen maar meteen een achtste fles.

Ja die vakantie was een groot succes:
in Portugal valt heel wat te beleven.

 

 

Joris

Ik heb vanavond, met de poes op schoot
De onrust uit het beestje weggestreken
Waarbij de goedzak mij heeft aangekeken
Met ogen zo onpeilbaar diep en groot
Dat het mij een moment heeft toegeleken
Als was hij eeuwenlang al deelgenoot
Van het geheim van leven en van dood
En nu dan op het punt stond om te spreken.

Een aandrang, waar hij niet voor is bezweken
Omdat hij langzaamaan de ogen sloot
en nog een lome haal gaf met zijn poot
Als halve aai en onzachtzinnig teken
Dat men hem ooit nadrukkelijk verbood
Het zwijgen rond die zaken te verbreken.

 

 

Europese gedachte

Ons land is rijk, wij hebben niks te klagen.
Dus helpen wij de Griek ook met plezier,
De Portugees, de Spanjaard en de Ier
En wie ons maar om noodhulp komen vragen.

En als wij daarna arm zijn, niet getreurd:
Dan helpen zij ons graag weer op hun beurt.

 

 2252471-a2514584cd4963ee49c38462abeea2d4.jpg
Driek van Wissen (12 juli 1943 – 21 mei 2010)

 

 

De Poolse schrijver, schilder en graficus Bruno Schulz werd geboren op12 juli 1892 in Drohobycz, in Galicië. Zie ook alle tags voor Bruno Schulz op dit blog.

Uit: The street of crocodiles

“A tangled thicket of grasses, weeds, and thistles crackled in the fire of the afternoon. The sleeping garden was resonant with flies. The golden field of stubble shouted in the sun like a tawny cloud of locusts; in the thick rain of fire the crickets screamed; seeds pods exploded softly like grasshoppers.
And over by the fence the sheepskin of grass lifted in a hump, as if the garden had turned over in its sleep, its broad, peasant back rising and falling as it breathed on the stillness of the earth. There the untidy feminine ripeness of August had expanded into enormous, impenetrable clumps of burdocks spreading their sheets of leafy tin, their luxuriant tongues of fleshy greenery. There, those protuberant bur clumps spread themselves, like resting peasant women, half-enveloped in their own swirling skirts. There, the garden offered free of charge the cheapest fruits of wild lilac, the heady aquavit of mint and all kinds of August trash. But on the other side of the fence, behind that jungle of summer in which the stupidity of weeds reigned unchecked, there was a rubbish heap on which thistles grew in wild profusion. No one knew that there, on the refuse dump, the month of August had chosen to hold that year its pagan orgies. There, pushed against the fence and hidden by the elders, stood the bed of the half-wit girl, Touya, as we all called her. On a heap of discarded junk, of old saucepans, abandoned single shoes, and chunks of plaster, stood a bed, painted green, propped up on two bricks where one leg was missing.
The air over the midden, wild with heat, cut through by the lightning of shiny horseflies, driven mad by the sun, crackled as if filled with invisible rattles, exciting one to frenzy.
Touya sits hunched up among the yellow bedding and odd rags, her large head covered by a mop of tangled black hair. Her face works like the bellows of an accordion. Every now and then a sorrowful grimace folds it into a thousand vertical pleats, but astonishment soon straightens it out again, ironing out the folds, revealing the chinks of small eyes and damp gums with yellow teeth under snoutlike, fleshy lips.“

 2252471-8ec235057ea019167be382e4d090cbf1.jpg
Bruno Schulz (12 juli 1892 – 19 november 1942)
Cover van een theaterversie

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en filosoof Henry David Thoreau werd geboren in Concord, Massachusetts op 12 juli 1817. Zie ook alle tags voor Henry David Thoreau op dit blog.

 

The Fisher’s Boy

MY life is like a stroll upon the beach,
As near the ocean’s edge as I can go;
My tardy steps its waves sometimes o’erreach,
Sometimes I stay to let them overflow.

My sole employment is, and scrupulous care,
To place my gains beyond the reach of tides,—
Each smoother pebble, and each shell more rare,
Which Ocean kindly to my hand confides.

I have but few companions on the shore:
They scorn the strand who sail upon the sea;
Yet oft I think the ocean they’ve sailed o’er
Is deeper known upon the strand to me.

The middle sea contains no crimson dulse,
Its deeper waves cast up no pearls to view;
Along the shore my hand is on its pulse,
And I converse with many a shipwrecked crew.

 

 2252471-a43fc16fd20497057c58dfa2d029d265.jpg
Henry David Thoreau (12 juli 1817 – 6 mei 1862)
Het geboortehuis van Henry David Thoreau in Concord, Massachusetts

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e juli ook mijn blog van 12 juli 2016 en ook mijn blog van 12 juli 2015 deel 2.



Geschreven door Romenu om 18:31 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten