Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 15 mei 2024 tot 16 mei 2024

Paul Gellings, Adrienne Rich

De Nederlandse dichter en vertaler Paul Johann Gellings werd geboren in Amsterdam op 16 mei 1953. Zie ook alle tags voor Paul Gellings op dit blog.

 

Betovering

Er zit een zwarte kat voor het raam
en kijkt in mijn huis.
’s Nachts schrik ik wakker
van de roep in mijn droom.

Ze kijkt me strak aan. Mijn vingers
betasten het glas. Als ze kon lachen
lachte ze vertederd om mijn hulpeloosheid,
nu knikt ze en sluit bedachtzaam haar ogen.

Zal ik naar buiten gaan om haar
voorzichtig te strelen? Of blijf ik binnen
met vragen gemener dan nagels? Ik val
weer in slaap: zwart wordt châtain

en onder mijn kus verschijnt aarzelend
een glimlach, verandert zij
in een vrouw.

 

 

Narcissen

Deze bloemen heb ik lief, want ze zijn
te vroeg geboren, wiegen sierlijk,
en glinsterend in storm en regen

zoekt elk voor zich het grasveld af wanneer
ik uit de ramen kijk. Ik zie ze onder
grijze luchten – dichte toekomst met

varkenshaar dik opgebracht, ziekte woedt en
hagel slaat, het wordt avond, nacht, maar zij
zijn sterker, sterven in hun eigen tijd.

Zelfs in sneeuw zichzelf trouw, witte kelken,
harten geel – evenbeeld van zon die ze

nu toelacht, zich dan afwendt,
afwezig of vol trots. Ik hoef niet meer
naar buiten om te zien: voor altijd staan
ze in de spiegel van dit vensterglas.

 

De bomen in het Luxembourg

De bomen in het Luxembourg waren antiek,
groene, roestbruine luchters. De zon die
van dof goud was scheen op de gevels, golfde
in de ruiten aan de overkant, nam vorstelijke
vormen aan in de diplomatenwijk:
balustrades, torens – allemaal oude zon.
Ook de tinteling die deed denken aan
een verre lente was verjaard.
De hemel helder met de drukte van de avond,
ook nog volle maan. Het Luxembourg rook
naar vanille, en het werd ’s nachts weer
koud, maar met iets van oude warmte.
Een vertrouwde zomer was in iedere droom.

In de morgen geur van vruchten. De bus
reed mij langs de gevels, vele eeuwen
gingen dagelijks voorbij, voor wie wilde
lagen de bladeren als schilfers
van een zieke huid over een terras.
Zo was ik, ik wilde wel, maar de zon
staat stil bij het beschrijven
van een ansichtkaart.

 

Paul Gellings (Amsterdam, 16 mei 1953)

 

 

De Amerikaanse dichteres Adrienne Rich werd 16 mei 1929 geboren te Baltimore. Zie ook alle tags voor Adrienne Rich op dit blog.

 

 

Eénentwintig liefdesgedichten

IX

Je zwijgen vandaag is een vijver waar verdronken dingen leven
die ik druipend naar het licht gebracht wil zien.
Niet mijn gezicht zie ik daar, maar andere gezichten,
ja, jouw gezicht, maar uit een andere tijd.
Wat daar ook verloren is gegaan: we hebben het allebei nodig-
een horloge van oud goud, een half uitgewiste koortsgrafiek
een sleutel…Zelfs het slib en de kiezels van de bodem
verdienen hun glimp van herkenning. Ik ben bang voor dit zwijgen,
dit sprakeloze leven. Ik wacht
op wind die dit strakgespannen water behoedzaam
even opwaait, en mij laat zien
wat ik voor jou kan doen, jij die het onzegbare
zo vaak voor anderen uitspreekbaar hebt gemaakt, en zelfs voor mij.

 

Vertaald door Maaike Meijer

 

Adrienne Rich (16 mei 1929 – 27 maart 2012)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e mei ook mijn blog van 16 mei 2019 en ook mijn blog van 16 mei 2018.

Geschreven door Romenu om 17:08 Reageer op dit bericht

Judith Hermann, Michael Lentz

De Duitse schrijfster Judith Hermann werd geboren op 15 mei 1970 in Berlijn-Tempelhof. Zie ook alle tags voor Judith Hermann op dit blog.

Uit: Wir hätten uns alles gesagt

“Am Stundenende der Ablauf rückwärts – ich war aufgestanden, hatte meine Jacke wieder angezogen, dabei verlegen aus dem Fenster gesehen, er war vor mir her durch den Flur gegangen, hatte mir die Tür aufgemacht, wir hatten uns die Hand gegeben, er hatte die Tür hinter mir geschlossen; es war ein Wunder, dass ich mir sein Gesicht, seine Gestalt und Erscheinung überhaupt halbwegs eingeprägt hatte. Im Spätkauf war ich schneller als er – ich erkannte ihn zuerst, oder: Ich begriff zuerst, und ich war wach genug, um die Situation bemerkenswert zu finden und nicht zu erkennen zu geben, dass ich sie bemerkenswert fand. Ich begrüßte Dr. Dreehüs höflich und überrascht und stellte ihn und G. einander vor, was amüsant war, weil beide voneinander wussten; G. war in den Erzählungen der Analysestunden aufgetaucht und hatte sich seinerseits einiges über die Analysestunden anhören müssen. Das ist G. Das ist also G. G., das ist nun kurz vor Feierabend und zu guter Letzt tatsächlich Dr. Dreehüs, mein Analytiker.
Mein alter Analytiker. Wir verbeugten uns alle drei ansatzweise voreinander, ich habe in meiner Erinnerung an diesen Moment bedauerlicherweise den arabischen Besitzer aus den Augen verloren, seinen Blick auf uns, auf Dr. Dreehüs, der ein Stammkunde zu sein schien und sich bisher vielleicht nicht als Analytiker zu erkennen gegeben hatte, und wie auch immer: Ich nutzte die eigenartige Gelegenheit und bat Dr. Dreehüs um zwei Zigaretten. Wir traten vor den Späti. Wechselten ein paar Sätze, wie geht’s, gut, danke, und wie geht es Ihnen, während er elegant die Zigaretten aus dem Softpack klopfte, sie uns anbot und freundlicherweise kein Wort darüber verlor, dass ich mir das Rauchen in den Analysejahren doch eigentlich abgewöhnt hatte. Er gab sich überhaupt ungezwungen, wohingegen ich nun doch Mühe hatte, eine Fassung zu wahren. Ich wollte mir alles auf einmal einprägen, Gesten und Ausdruck, seinen etwas extravaganten Anzug, die Art, uns Feuer zu geben, zu lächeln und lässig auf Abstand zu bleiben; ich hatte angenommen, Dr. Dreehüs gäbe es nicht. Er sei eine Art spezieller Motte, die sich für die Weile einer Analysestunde zu einer Person materialisieren und nach dem Ende der Stunde zu Staub zerfallen würde, um sich zwei Tage später wieder zu erneuern. Ich hatte mir über das Leben von Dr. Dreehüs außerhalb seiner Praxis selbstverständlich schwer den Kopf zerbrochen und war zu dem Schluss gekommen, er habe keines, was unter anderem damit zu tun hatte, dass er mir als astreiner Analytiker außer seiner Anwesenheit, seinen etwas geckenhaften Hemden, gebügelten Hosen, der Inneneinrichtung seines Praxiszimmers und ab und an einem wie zufällig auf dem Tisch liegenden Buches niemals auch nur das kleinste Detail aus seinem Dasein verraten hatte.”

 

Judith Hermann (Berlijn-Tempelhof, 15 mei 1970)

 

 

De Duitse dichter, schrijver, literatuurwetenschapper en musicus Michael Lentz werd geboren in Düren op 15 mei 1964. Zie ook alle tags voor Michael Lentz op dit blog.

 

ik tril en merk
ik ben verliefd
dat gaat voorbij als honger
die niet gestild wordt
die men overslaat op weg naar het heilig voedsel
een schreeuwende boom in het zomermoede veld
bladerloos zonder grondcontact
en toch zo ontzettend mooi
de verheven kroon leidt af van
wat werkelijk is
op het gras sloeg de bliksem in
de stam staat gespleten
nu weet ik niet waar naartoe

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 

Michael Lentz (Düren, 15 mei 1964)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e mei ook  mijn blog van 15 mei 2022 en ook mijn blog van 15 mei 2021 en eveneens  mijn blog van 15 mei 2019 en ook mijn blog van 15 mei 2018 en ook mijn blog van 15 mei 2017 en ook mijn blog van 15 mei 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 15:33 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten