Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 4 februari 2025 tot 5 februari 2025

Geert Buelens, William S. Burroughs, Edzard Mik

De Vlaamse dichter, essayist en columnist Geert Buelens werd geboren in Duffel op 5 februari 1971. Zie ook alle tags voor Geert Buelens op dit blog.

 

 

Grootstad (Couleur locale)

Beginnen we de dag als hoerenzoon
invectieven uit een kindermond
zo fris

Wijkbewegingen zijn dan nodig
ruimtes die ons naar lucht doen happen
die er is
die er zou moeten zijn
al die uren waarin
we ons wentelen in wee
en ach als van weleer

Voor onze ogen verkleurt dit gebied
wordt het groter en als vanzelf
komen er gaten in
die we niet hoeven te zien
als ze licht doorlaten
wie we vervolgens aantreffen in de tuin

Plat op de buik
terugvallend als vanouds
geven we mee

We komen van ver
zo komen we er

 

 

Consumptiekansen

Verklaar ik dit
volstrekt ongeschikt
voor nagenoeg iedereen
vergrendelingsangst, verzachtingsvergrijp
polderfossiel
onmatig

zijn de zonden van de markt
geopend voor iedereen
spelen we thuis in op
woonverdunning
verplaatsing

van wat zo nodig is
moet een teken zijn

van onderdrukking
gaat om het inhalen

van wat
om het even is

meeschuifbalancering
opbouwrendement
spelplezier

 

 

uur vier

steeds neigen we naar kilte
naar het ratelen van de stormwind in de luiken
die we open maken met het oog
op een vers perspectief
van op zeer grote hoogte zwijg jij
mij tegemoet
ook dat is een gebaar
dat m
e pas loslaten zal
bij nieuwe maan
steeds dreigt dan de stilte
die het verband vormt dat wij zijn

 

 


Geert Buelens (Duffel, 5 februari 1971)

 

 

De Amerikaanse schrijver William S. Burroughs werd geboren in Saint Louis (Missouri) op 5 februari 1914. Zie ook alle tags voor William S. Burroughs op dit blog.

 

Advies voor jongeren

Mij wordt soms gevraagd of ik een paar woorden van advies heb voor jongeren.
Nou, hier zijn een paar simpele vermaningen voor jong en oud, man en beest.

Bemoei je nooit met een vechtpartij tussen jongens en meisjes.

Pas op voor hoeren die zeggen dat ze geen geld willen. Ammehoela willen ze dat niet.
Wat ze bedoelen is dat ze meer geld willen; sterker nog, dit zijn de duurste hoeren die er zijn.

Als je zaken doet met een religieuze klootzak, laat het dan op papier zetten; zijn woord is geen reet waard, niet met de goede Heer die hem vertelt hoe hij je moet naaien bij de deal.

Als je, nadat je bent blootgesteld aan iemands gezelschap, het gevoel hebt dat je een liter plasma hebt verloren, vermijd dat gezelschap dan. Je hebt dat nodig zoals je pernicieuze anemie nodig hebt.

We horen hier niet graag het woord “vampier”; we proberen ons publieke imago te verbeteren. Een vriendelijk, oomachtig, welwillend imago op te bouwen; “onderlinge afhankelijkheid” is het sleutelwoord — “verlichte onderlinge afhankelijkheid”.

Het leven in al zijn rijke verscheidenheid, neem een beetje, geef een beetje. Echter, door de onverbiddelijke logistiek van het vampierproces nemen ze altijd meer dan ze geven — en waarom zouden ze überhaupt iets nemen?

Vermijd sukkels. Dwazen, noem ik ze. Jullie kennen het type allemaal — hoe goed het ook klinkt, alles waar ze iets mee te maken hebben, loopt uit op een ramp. Problemen voor zichzelf en iedereen die met hen verbonden is.
Een dwaas is slecht nieuws, en dat straalt af — laat het niet op jou afstralen.

Betuig geen medelijden aan de geesteszieken; het is een bodemloze put. Zeg ze resoluut: “Ik word niet betaald om naar dit gezeur te luisteren — jij bent een terminale dwaas!” Anders maken ze je net zo gek als zij zijn.

Vermijd vooral onverbeterlijke criminelen. Zij zijn een speciaal kwaadaardig ras van dwazen.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


William S. Burroughs (5 februari 1914 – 2 augustus 1997)
Portret door Richard Day, 2017

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver Edzard Mik werd geboren in Groningen in 1960. Mik studeerde rechten aan de Universiteit van Groningen, werkte drie jaar als sociaal advocaat, en schreef over cultuur voor Vrij Nederland en NRC Handelsblad. Hij schreef negen romans, waaronder “De Bouwmeester”(1995), Yak (1996), “Schaduwdagen” (1998), “Laatste adem” (2001), “De wachters” (2004) en “Bleke Hemel” (2007). Zijn voorlaatste romans, “Goede tijden” (2011) en “Mont Blanc” (2013) haalden de longlist van de Libris Literatuur Prijs. Met zijn Grieks-Nederlandse vrouw, de componiste Calliope Tsoupaki, werkte hij samen aan drie muziekvoorstellingen, waaronder “Oidipous”. Naast romans schreef hij korte verhalen, libretto’s, scenario’s en essays.

Uit: Damian

“Het is zondagochtend, geen sterveling op straat, en, niet onverwacht, het is gaan waaien. Rafelige flarden jagen langs de hemel, op de balkons wappert wasgoed, een plastic zak roetsjt over bet trottoir, koprolt enkele keren, warrelt op en raakt verstrikt in een struik, bladeren dansen door de lucht, buitelen over het asfalt en vallen neer, worden opgepord en buitelen weer verder, langs de rij auto’s en het bushokje en die stomme opeenvolging van populieren, die hem met hun soepele stammen en zwaaiende takken ineens tegenstaan. Als Damian zijn moeder ergens mee associeert, dan is het wel met harde wind, gure wind, wind die nooit zal luwen en voor altijd door hem heen zal blijven gieren alsof hij uit niets dan herenen gaten bestaat. 0 ja, ze is er dus eigenlijk al, ze kondigt zichzelf daar buiten aan, ze wordt voorafgegaan door de wind die ze zelf is, maar wat kan hij anders doen dan haar binnenlaten als Tess haar komt afzetter, In de verte één, twee lichtjes, een auto die de straat. draait, geen idee welke kleur die van Tess heef , welke kleur en welk merk, zo lang als hij haar ook niet heeft gezien. Vaart mindert de auto niet en verderop slaat hij af, troosteloos genoeg, maar voor het overige niets aan de hand, de straat is alweer leeg, misschien heeft ze uiteindelijk toch ingezien dat ze dat echt niet kan maken, mama bij hem afleveren en zelf weer afreizen alsof bet de gewoonste zaak van de wereld is. Hij kon zijn ogen niet geloven toen ze hem dat appje stuurde, hij werd er zozeer door overvallen dat hij niet eens wist wat hij ervan moest denken, hij belde haar meteen en liet de wachttoon overgaan tot zijn oor gloeide en belde haar nog eens, en nog eens – was ze helemaal gek geworden? Ze nam niet op en moest al van de andere kant van de stad onderweg zijn, alsof ze de Dakar Rally rijdt, piepend remmend, &Zing optrekkend, ronkend gas gevend, door de bochten gierend, maar hopen dat ze geen fietsen voetganger of duif onder de auto krijgt. liet zou hem ook niet moeten verbazen, typisch Tess om koste wat kost baar zin door te drijven. zich geen moment af te vragen of Bianca en hij dat wel zien zitten, mama in huis nemen. Wat ze zich in het hoofd heeft gehaald moet en zal uitgevoerd worden, ze is dwingend, op het tirannieke af. Als kind had ze dat drammerige al, ze kon jengelen tot je er hoorndol van werd, mama verdroeg dat niet en maakte voortdurend ruzie met haar maar papa had een heimelijk ontzag voor dat redeloze fanatisme.”

 


Edzard Mik (Groningen, 1960)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e februari ook mijn blog van 5 februari 2021 en ook mijn blog van 5 februari 2019.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Ben Lerner, Stewart O’Nan

De Amerikaanse dichter, schrijver, essayist en criticus Benjamin S. (Ben) Lerner werd geboren op 4 februari 1979 in Topeka, Kansas. Zie ook alle tags voor Ben Lerner op dit blog.

 

 

The predictability of these rooms

The predictability of these rooms is, in a word, exquisite. These rooms in a word. The moon is predictably exquisite, as is the view of the moon through the word. Nevertheless, we were hoping for less. Less space, less light. We were hoping to pay more, to be made to pay in public. We desire a flat, affected tone. A beware of dog on keep off grass. The glass ceiling is exquisite. Is it made of glass? No, glass.

 

 

Gather your marginals…

“Gather your marginals, Mr. Specific. The end
is nigh. Your vanguard of vanishing points has vanished
in the critical night. We have encountered a theory
of plumage with plumage. We have decentered our ties. You must quit
these Spenglerian Suites, this roomy room, this gloomy Why.
Never again will your elephants shit in the embassy.
Never again will you cruise through Topeka in your sporty two-door coffin.
In memoriam, we will leave the laws you’ve broken broken.”

On vision and modernity in the twentieth century, my mother wrote
“Help me.” On the history of structuralism my father wrote
“Settle down,” On the American Midwest from 1979 to the present, I wrote
“Gather your marginals, Mr. Specific, The end is nigh.”

l wish all difficult poems were profound.
Honk if you wish all difficult poems were profound.

 

 

 

Idle elevators of grain…

Idle elevators of grain. Plenty of parking. Deciduous trees
of the genus Ulmus, known for their arching branches and serrate leaves
with asymmetrical bases, Gunplay in our houses of steak,
houses of pancakes. Dried valerian rhizomes. Bunk weed. Osage.

Deliberately elliptical poetic works reflect a fear of political commitment after
1968.]
A fear of deliberately elliptical poetic works reflects…

Home considered as a System of substitutions: “Plenty of parking.
Deciduous elevators of the genus Gunplay,
known for their arching bases and serrate pancakes
with asymmetrical rhizomes.” The activation of the white space of the page

reflects a fear of the industrialization of print media.
To fear the activation of the white space of the page

is to fear poetry.
Idle elliptical commitment. Deciduous repetition. Plenty of parking.

 

 

Tegenlicht

Het licht dat verandert
het licht dat uitgaat
wanneer je eronderdoor loopt
Het onveilige kruispunt
en de spookfiets
Het licht dat een vlam blijkt te zijn
en de gloeilamp die zo is ontworpen
dat hij flikkert. Natuurlijk
stadslichten, de ketting
van lichten van bruggen, lichten van
vliegtuigen
horen er ook bij, vooral
als ze flitsen of
gedoofd zijn

Fopkaars
die vonkt op de taart, kleine ster
die vonkt, wintergroen
in de mond, de spraak
die bederft, flits
uit de lopen tijdens de jacht op
Victor Serge over de daken
De sneeuw blauw in het licht
en de brandende manuscripten
en Parijs, de stad van
het licht dat verandert
in de mond
die ik graag had gekend

je was een liefhebber van licht
ik zou wat voor je hebben bewaard
Maanlicht op de stoep dat ik
opzij had gezet, in fabrieken
in gevangenissen, natuurlijk
en het brandende Moskou natuurlijk
in de strot liet ik
een licht voor je aan, Victor Serge
in de vorige eeuw, eeuw van de laatste
sigaretten, het licht
dat bederf afgeeft, het koude
licht van het levende
organisme

in de open
zeeën, in Oakland, een paar
oude schilderijen. Omdat het net
als as
wordt verstrooid, dacht ik dat ik kon
zingen
Omdat het herhaaldelijk sterft
in Mexico, zonder een cent
Zonder een cent in Spanje
dacht ik dat ik op foto’s
openhartig met je zou kunnen

spreken
Als ik verschijn heb ik natuurlijk
geen cent, want verschijning is
de laatste uitweg
van licht

Victor Serge
in zijn brieven, in vertaling
Onze liquidatie is voorbereid
en als ze je naam roepen
zijn mijn handen gebonden, is mijn rol beperkt
tot het breken door
glas, tot glas de gelegenheid geven
licht om hoekjes te buigen en om
doorzichtige vleugels, espejitos
heten ze in het Spaans, maar Spanje
was verloren
Spiegeltjes
waarvan de randen

ondoorzichtig zijn
Mag ik gewoon iets zeggen
over hoe alles verloren is
iets vanzelfsprekends over het gevaar
van lichtvervuiling en de noodzaak van donkere
oases, en als Serge kon worden
aangehaald, het voortplanten op constante
snelheid door ondoorzichtige voorwerpen zoals
deze bladzijden, of zou dat zingen
zijn, want net als as
wanneer je eronderdoor loopt
want net als sneeuw
blauwe systemen

 

 

Vertaald door Arthur Wevers

 

 


Ben Lerner (Topeka, 4 februari 1979)

 

 

De Amerikaanse schrijver Stewart O’Nan werd geboren op 4 februari 1961 in Pittsburgh, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Stewart O’Nan op dit blog.

Uit: Ocean State

“My mother’s boyfriends tried to be sweet, but they were strangers. Sometimes they paid our rent and sometimes we split it. When they broke up with my mother—suddenly, drunkenly, their shouting jerking us from sleep—we would have to move again. Like her, we were always rooting for things to work out, far beyond where we should have. Our father was gone, and our mother couldn’t stop wanting to be in love. “I swear this is the last time,” she’d say, dead sober, and a month later she’d bring home another loser. They seemed to be getting younger and scruffier, which Angel thought was a bad sign. My mother didn’t seem to notice. In the beginning, everything was new. She lost weight and kissed us too much and made promises she couldn’t keep. The last had been a deckhand named Wes who brought home lobsters and called her “Care” and took us to Block Island to ride bikes, until one night he smashed her phone when she
tried to call the cops on him. Neither of them was bleeding, so the cops didn’t charge anyone. “You guys are useless,” my mother said. “Yeah,” one of them said, “that’s why we’re here at one in the morning, cause we got nothing better to do.” We were living in the top half of a duplex, and the next morning while Wes was out dragging the Sound, the three of us lugged everything we could carry down the stairs and shoved it in my mother’s car.
The house by the Line & Twine was for sale, but in 2009 no one was going to buy it. My grandmother had worked in accounting with the owners, snowbirds who’d shipped off to Florida long before the Crash. Like most of the houses on River Road, it had been sitting empty for years. There was moss on the shingles and weeds in the gutters.
My grandmother came over to help us clean the kitchen. She brought her rubber gloves. “It’s not the Taj Mahal,” she said.
“It’s fine,” my mother said, as if we wouldn’t be there long.
“Angel Lynn. Quit with the face.”
“I didn’t say anything,” she said, scowling.
“You don’t have to.”
I didn’t say anything. I hardly ever said anything, afraid of making things worse. I watched them like a scorekeeper, silently recording every slight and insult, every failure to be kind. I was thirteen, and like all children, had an overdeveloped sense of justice. I wanted everyone to be happy, despite our actual lives.”

 

 


Stewart O’Nan (Pittsburgh, 4 februari 1961)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e februari ook mijn blog van 4 februari 2019 en eveneens mijn blog van 4 februari 2018 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:46 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten