Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Deutscher Buchpreis 2016 voor Bodo Kirchhoff

De Duitse schrijver Bodo Kirchhoff heeft de Deutscher Buchppreis 2016 gewonnen voor zijn novelle “Widerfahrnis”. Kirchhoff beschrijft de gemeenschappelijke spontane autorit naar Sicilië van een gepensioneerde boekhandelaar en een ook al wat oudere schrijfster, die hij toevallig ontmoet. Tijdens de reis leren zij niet alleen leren elkaar beter kennen, maar worden zij ook geconfronteerd met de Europese vluchtelingencrisis, Bodo Kirchhoff werd geboren op 6 juli 1948 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Bodo Kirchhoff op dit blog.

Uit:Widerfahrnis

“Diese Geschichte, die ihm noch immer das Herz zerreißt, wie man sagt, auch wenn er es nicht sagen würde, nur hier ausnahmsweise, womit hätte er sie begonnen? Vielleicht mit den Schritten vor seiner Tür und den Zweifeln, ob das überhaupt Schritte waren oder nur wieder etwas aus einer Unruhe in ihm, seit er nicht mehr das Chaos von anderen verbesserte, bis daraus ein Buch wurde. Also: Waren das Schritte, abends nach neun, wenn hier im Tal schon die Lichter ausgingen, oder war da etwas mit ihm? Und dann käme die Zigarette, die er sich angesteckt hatte; wenn nämlich sein ewiges Metallfeuerzeug aufschnappte, beendete das Geräusch jeden Spuk, auch den von innen. Und mit der Zigarette im Mund holte Reither – genau an der Stelle hätte er den Namen eingeführt – eine Flasche von dem apulischen Roten aus einem Karton im Flur, die vorletzte. Der Wein um diese Stunde, das friedliche Laster, das einen entfernt von der Welt, all ihrem Elend, selbst was vor der eigenen Tür geschieht, muss man nicht wissen.
Ja, das waren Schritte. Als würde dort wer, nachdenklich, auf und ab gehen. Reither holte noch seinen Korkenzieher und kniete sich damit im Wohnzimmer auf den Boden, weil dort erstens der Aschenbecher war und zweitens ein Buch lag, das er am frühen Abend entdeckt hatte.
Aber eigentlich folgte er nur der Gewohnheit, Dinge, in die man sich hineinknien sollte, auch im Knien zu tun, wie noch im letzten Jahr in seinem Kleinstverlag, wenn er Entwürfe für neue Umschläge auf dem Parkett ausgebreitet hatte – auf einem Tisch bekam man keinen Blick für
das Ganze, vom Bildschirm gar nicht zu reden. Und auch eins der wenigen Fotos von sich, die er gelten ließ, zeigt ihn kniend und mit Zigarette im Mund, beobachtet von einer Frau, wobei nur ihre Beine zu sehen sind. Alles an ihm ist zielgerichtet, der zu Boden gestreckte Arm, die
im selben Winkel abwärtszeigende Zigarette, das von der Nase diktierte Profil unter noch dichtem Haar, der Blick auf das eigene Tun, mit dem Daumen etwas anzubringen an einem verrotteten Schild, das er als Umschlagmotiv gewählt hat und an das er noch letzte Hand anlegt, wie an jedes seiner Bücher in über dreißig Jahren, bis damit Schluss war.“

 

 1967012-16e219fd75de3b8508c2984256c79628.jpg
Bodo Kirchhoff (Hamburg, 6 juli 1948)

Geschreven door Romenu om 07:26 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Isabelle Autissier

De Franse schrijfster en zeilster Isabelle Autissier werd geboren op 18 oktober 1956 in Parijs. Op de leeftijd van zes jaar begon Autissier, aangemoedigd door haar vader Jean met zeilen. Op haar twaalfde nam ze de beslissing om alleen rond de wereld te varen, en begon zij met de eerste planning en voorbereiding. In 1978 voltooide zij haar opleiding als ingenieur voor mariene wetenschappen en visserijonderzoek. In 1986 voer zij met het 30 voet (ongeveer 9 meter) lange stalen jacht "Parole" alleen over de Atlantische Oceaan. 1991 lukte het haar in het kader van de 7e BOC Challenge rond de wereld te varen. Bij haar derde deelname aan de regatta Around Alone 1999 kreeg Autissier een ernstig ongeluk en besloot zij nooit meer aan een dergelijke wedstrijd deel te nemen. Isabelle Autissier kreeg ook bekendheid als schrijfster. Na een aantal verhalen, essays, en een opera libretto, “Homo Loquax” publiceerde zij haar eerste roman in 2009, “Seule la mer s'en souviendra”, In december 2009 werd ze verkozen tot voorzitter van de Franse tak van het World Wide Fund for Nature. Sinds 2012, presenteert zij elke zondag op France Inter “Les récits d'Isabelle Autissier”.

Uit: Soudain, seul

« Ils sont partis tôt. la journée promet d'être sublime comme savent parfois l'être ces latitudes tourmentées, le ciel d'un bleu profond, liquide, de cette transparence particulière aux Cinquantièmes Sud. Pas une ride à la surface, Jason, leur bateau, semble en apesanteur sur un tapis d'eau sombre. Les albatros, en panne de vent, pédalent doucement autour de k coque. Ils ont tiré l'annexe bien haut sur k grève et longé l'ancienne base baleinière. Les tôles rouillées, dorées par le soleil, ont un petit air guilleret, mêlant les ocres, les fauves et les roux. Abandonnée des hommes, la station est réinvestie par les bêtes, celles-là mêmes que l'on a si longtemps pourchassées, assommées, éventrées, mises à cuire dans les immenses bouilleurs qui, maintenant, tombent en ruine. Au détour de chaque tas de briques, dans les cabanes écroulées, au milieu d'un fouillis de tuyaux qui ne vont plus nulle part, des groupes de manchots circonspects, des familles d'otaries, des éléphants de mer se prélassent Ils sont restés un bon moment les contempler et c'est tard dans la matinée qu'ils ont commencé à remonter la vallée. « Trois bonnes heures », leur avait dit Hervé, l'une des rares personnes à être jamais venues ici. Sur Pile, dès que l'on s'éloigne de la plaine côtière, on quitte le vert. Le monde devient minéral ; rochers, falakeq, pics couronnés de glaciers. Ils vont d'un bon pas, s'esclaffant comme des collégiens en vadrouille, devant la couleur d'une pierre, la pureté d'un ruisseau. Arrivés au premier ressaut, avant de perdre k mer de vue, ils font une autre pause. C'est si simple, si beau, quasi indicible. La baie encerclée de tombants noirâtres, l'eau qui scintille comme de l'argent brassé sous la légère brise qui se lève, la tache orangée de k vieille station et le bateau, leur brave bateau, qui semble dormir, les ailes repliées, pareil aux albatros du malin. Au large, des mastodontes immobiles, blanc-bleu, luisent dans la lumière. Rien n'est plus paisible qu'un iceberg par temps calme. Le ciel se zèbre d'immenses griffures, nuages sans ombre de haute altitude, que le soleil ourle d'or. Ils restent longtemps fascinés, savourant cette vision. Sans doute un peu trop longtemps. Louise note que ça grisaille dans l'ouest et ses antennes de montagnarde se déplient, en alerte. »

 

 2022888-39171602cd372baa95fad87d684ca8a5.jpg
Isabelle Autissier (Parijs, 18 oktober 1956)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Simon Vestdijk, Pieter Waterdrinker, Georg Büchner, Mark Gatiss, Arthur Miller, Miguel Delibes, Tom Rachman

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

Uit: Terug tot Ina Damman

“De jongens smeekten, beloofden knikkers, - hij zei niets. Maar toen maakte Anton gebruik van een gunstig moment. Juist had hij zich afgevraagd, of Jan Breedevoort, die met zijn donkerroode hanglip in het eerste gelid naast hem stond, altijd Jan Klaassen had geïmiteerd of dat Jan Klaassen nu Jan Breedevoort nadeed, toen achter de poppenkast de acrobate voorbijliep, wiegelend en somber, gevolgd door drie schunnige gasten die het karpet droegen en het centenbakje.
‘Ik ben de dood - van potlood - en ik kom je hale!’
‘Wát, kom je me betale?’ gierde de echte Jan Klaassen, en bluschte meteen zijn eigen overmoed in een schuddende lachbui binnen zijn puntige houten handen. Jan Breedevoort keek beschermend toe.
‘Dat vloekwoord van die meid, hoe was dat nou?’ fluisterde Anton.
Jan Breedevoort loerde om zich heen, zijn mond toeknijpend alsof hij het geheim liever nog een week langer bewaard had, en fluisterde toen terug, met groote, bolle, blauwe schrikoogen:
‘Als je je vreet houdt... Jezus bliksem!’
Maar de jaren gingen voorbij, en Jan Breedevoort, die langzamerhand vond dat het liegen niet genoeg meer opleverde, begon naar een ruimer veld van werkzaamheid uit te zien. Zijn trotsche, pralende onderlip was verdwenen; meer en meer accentueerden zich de strengere lijnen van een gloedvol Romeinsch profiel. En opeens bleek, dat hij zich tot een sportsman aan het ontwikkelen was, hij droeg witte truien! Hij trapte, mepte, sprong, zweefde, kantelde, en, verblijdend gevolg van dit alles: de hoera's van zijn vrienden op kaatsland of voetbalveld stonden hem toe zich eindelijk weer op den bodem der werkelijkheid te plaatsen: geen leugen kwam er meer over zijn lippen. Trouwens, voor zijn heele leven had hij genoeg gelogen. Bij het overgaan op de H.B.S. kwam Kees Vlaming hem te ontvallen, die nog maar in de zesde klas hing, en nu was hij wel genoodzaakt uitsluitend bij de sport steun te zoeken, en bij de oude vleitaal van zijn omarmingen en aanhalige rukjes. Maar ook de Jan Klaassen-imitatie was niet geheel-verloren gegaan: het geoefende oog ontdekte nog steeds een rest van deze pantomime in de wijze waarop Jan Breedevoort niesde. Hij was namelijk de eenige van de heele school (en, wie weet, van heel Lahringen) die dat in zijn zakdoek deed, die hij dan met twee handen vasthield, zijn heele hoofd er indompelend en drie of vier maal op en neer schuddend.”

 

 1966866-a0caf2ce4fdcf5eff662b9c6cf97c956.jpeg
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)
Simon Vestdijk met zijn ouders in 1915

 

 

De Nederlandse schrijver Pieter Waterdrinker (pseudoniem van Pieter Arie Johannes van der Sloot - Waterdrinker is de achternaam van zijn moeder) - werd op 17 oktober 1961 in Haarlem geboren. Zie ook alle tags voor Pieter Waterdrinker op dit blog.

Uit: Poubelle

“‘Als dat sletje met wie de staatssecretaris zijn vrouw bedroog nu eens ouderwets schaamte had gekend, als een betrapte snol in een stomme film, dan was de hele affaire nooit naar buiten gekomen. Maar het kind was bijna een eeuw na de uitvinding van de stomme film geboren; haar maagdelijkheid had ze op haar elfde, zo begreep ik uit de weinige pulp die ik er later over las, geschonken aan een zwarte Cubaan, een vriend van haar gescheiden moeder. Toen ze negentien was en ineens een bijrolletje kreeg in één van de weinige seksschandalen die ons land heeft gekend, was ze al zo rot als een mispel. Maar dat was juist wat de staatssecretaris in haar had aangetrokken: de flirt met de vochtige en diepe afgrond, met ziekte, met de wenkende rafelranden van de dood, die hij dan ook kreeg, zij het slechts in maatschappelijke zin.
Ineens stond daar een vent in de kamer met korte, zwarte krullen. De vitrage voor het raam waardoor hij naar binnen was geslopen bolde door de wind filmachtig op.
De krullenbol was Wessel Stols.
Na deze dramatische wending van wat tot dusver voor haar een routineus potje betaald copuleren was geweest, griste het meisje meteen haar smartphone van het nachtkastje, waarop allerlei pervers lag – gebruikt en ongebruikt.
De twee late veertigers gaapten elkaar even volkomen hulpeloos aan. Stols als een zoutpilaar, Van Dongen met een stuk laken snel zijn absurde naaktheid bedekkend.
‘Ben je hier om me te chanteren?’
Wessel Stols voelde iets gloeien in zijn linkerhandpalm: een splinter van de ladder waarmee hij naar boven was geklommen, met bonkend hart het zwarte vierkant van het slaapkamerraam tegemoet; de ladder die arbeiders tegen de met klimop begroeide muur hadden gezet om het romantisch gewelfde rieten dak te vernieuwen van de villa, waarvan de bewoners op vakantie waren in Chamonix.”

 1966866-ad84bbcb12c21d0741494b5386cb5612.jpg
Pieter Waterdrinker (Haarlem, 17 oktober 1961)

 

 

De Duitse schrijver Georg Büchner werd geboren op 17 oktober 1813 in Goddelau. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Georg Büchner op dit blog.

Uit: Woyzeck

„Die Stadt
Marie mit ihrem Kind am Fenster. Margret. Der Zapfenstreich geht vorbei, der Tambourmajor voran.
MARIE das Kind wippend auf dem Arm: He, Bub! Sa ra ra ra! Hörst? Da kommen Sie!
MARGRET: Was ein Mann, wie ein Baum!
MARIE: Er steht auf seinen Füßen wie ein Löw.
Tambourmajor grüßt.
MARGRET: Ei, was freundliche Auge, Frau Nachbarin! So was is man an ihr nit gewöhnt.
MARIE singt: Soldaten, das sind schöne Bursch ...
MARGRET: Ihre Auge glänze ja noch –
MARIE Und wenn! Trag Sie Ihr Aug zum Jud, und laß Sie sie putze; vielleicht glänze sie noch, daß man sie für zwei Knöpfe verkaufen könnt.
MARGRET: Was, Sie? Sie? Frau Jungfer! Ich bin eine honette Person, aber Sie, es weiß jeder, Sie guckt sieben Paar lederne Hose durch!
MARIE: Luder! – Schlägt das Fenster durch. – Komm, mei Bub! Was die Leute wolle. Bist doch nur ein arm Hurenkind und machst deiner Mutter Freud mit deim unehrlichen Gesicht! Sa! sa! – Singt
Mädel, was fangst Du jetzt an?
Hast ein klein Kind und kein' Mann!
Ei, was frag' ich danach?
Sing' ich die ganze Nacht
heio, popeio, mei Bu, juchhe!
Gibt mir kein Mensch nix dazu.
Es klopft am Fenster.
MARIE: Wer da? Bist du's, Franz? Komm herein!“

 

 1966866-f5557001cfb4d90aa59fabfa7afcb839.jpg
Georg Büchner (17 oktober 1813 - 19 februari 1837)
Poster voor een uitvoering in Reykjavik, 2009

 

 

De Engelse schrijver, acteur en komiek Mark Gatiss werd geboren op 17 oktober 1966 in Sedgefield. Zie ook alle tags voor Mark Gatiss op dit blog.

Uit: The Vesuvius Club

“I handed Supple his soft kid-gloves with as much brusqueness as I could muster. "You don't like it?"
The old fool shrugged. "Just not sure it's terribly like me."
I helped him into his overcoat. "On the contrary, sir, I believe I have caught you."
I smiled what my friends call, naturally enough, the smile of Lucifer.
Ah! London in the summertime! Hellish, as any resident will tell you. Even in those first few innocent years of the new century it smelled of roasting excrement. So it was with 'kerchiefs pressed to mouths that Supple and I entered the dining rooms I had selected. They were alarmingly unfashionable but, in the long light of dusk, the white-panelled plainness could have been called Vermeeresque. Not by me, you understand. A flypaper above the hearth twisted lazily, amber and black like a screw of ear-wax.
This place, I told Supple, was owned and run by a woman called Delilah whose crippled daughter I had once painted as a favour.
"She was not, perhaps, the bonniest thing," I confided as we settled down to eat. "Lost both hands to a wasting disease and had them replaced with wooden ones. And - oh! - her little legs were in horrid iron rings." I shook my head despairingly. "Ought to have been exposed at birth, her father said."
"Nay!" cried Supple.
"Aye! But her dear mother loved the little mite. When I came to paint the portrait I did my best to make little Ida look like an angel. Prophetically enough. Though it turned out she had some pluck."
Supple wiped soup from his pinkish lips. Sentimental old Victorian that he was, a tear sprang to his one good eye. Most probably the Death of Little Nell had been like mother's milk to him.
"Poor Ida," I sighed, picking idly at a chicken leg. "Grabbed from her bath-chair by a gang of dacoits and sold into bondage."

 

 1966866-db34a1db6af78ff63f3a299d896942fc.jpg
Mark Gatiss (Sedgefield.17 oktober 1966)

 

 

De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller werd geboren in New York op 17 oktober 1915. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Arthur Miller op dit blog.

Uit: All My Sons

“CHRIS (a broken whisper): Then ... you did it? [...]
KELLER: What’s the matter with you? What the hell is the matter with you?
CHRIS (quietly, incredibly): How could you do that? How?
KELLER: What’s the matter with you!
CHRIS: Dad ... Dad, you killed twentyone men!
KELLER: What, killed?
CHRIS: You killed them, you murdered them.
KELLER: (as though throwing his whole nature open before Chris): How could I kill anybody?
CHRIS Dad! Dad!
Keller (trying to hush him): I didn’t kill anybody!
CHRIS: Then explain it to me. What did you do? Explain it to me or I’ll tear you to pieces!
KELLER: (horrified at his overwhelming fury): Don’t Chris, Chris don’t ...
CHRIS I want to know what you did, now what did you do? You had a hundred and twenty cracked engine heads, now what did you do? [...]
Keller (their movements now are those of subtle pursuit and escape. Keller keeps a step out of Chris’s range as he talks): You’re a boy, what could I do! I’m in business, a man in business; and hundred and twenty cracked, you’re out of business;you got a process, the process don’t work you’re out of business; you don’t know how to operate, your stuff is no good; they close you up, they tear up the contracts, what the hell’s it for them? You lay forty years into a bus
iness and they knock you out infive minutes, what could I do, let them take forty years, let them take my life away? (His voice cracking) I never thought they’d install them. I swear to God. I thought they’d stop ’em before anybody took off.”

 

 1966866-662c94212b575224520bdee223437244.jpg
Arthur Miller (17 oktober 1915 – 10 februari 2005)
Poster voor de gelijknamige film uit 1948

 

 

De Spaanse schrijver Miguel Delibes werd op 17 oktober 1920 in Valladolid geboren. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Miguel Delibes op dit blog

Uit: Der Ketzer (Vertaald door Lisa Grüneisen)

„Worauf hier und an anderer Stelle im Roman immer wieder angespielt wird bzw. was seinen spezieller politischer Hintergrund ausmacht, läßt sich auch nachprüfen in der bis heute unübertroffenen dreibändigen Geschichte der spanischen Inquisition des Amerikaners Henry Charles Lea, die erstmals 1908 auf deutsch herauskam. Sie ist eine Kriminalgeschichte sui generis. Die bei Lea namentlich genannten Mitglieder der lutherischen Sekte und wie sie aufgedeckt und hingerichtet wurden übernimmt Miguel Delibes.
Die Historie steht fest. Doch Erzählen heißt ja auch immer wieder, exemplarisch von Schicksalen reden, von uns nahegebrachten Menschen. So eingebunden in den geschichtlichen Prozeß, unterscheidet sich der Roman vom einschlägigen Fachbuch oder der rein historischen Darstellung. Beides, Historie und Fiktion, vermag Delibes sehr gekonnt zu verschmelzen. Er dankt am Ende des Romans einer Reihe namentlich genannter Historiker, deren Bücher ihm geholfen haben, eine Epoche des 16. Jahrhunderts zu "rekonstruieren".
Das in drei Teilen sich entwickelnde Geschehen trägt die Überschriften: "Erste Jahre", "Die Häresie", "Der Ketzer". Der Leser wird zunächst mit dem Leben in Valladolid vertraut gemacht am Beispiel der Familie Salcedo.
Der Sohn Cipriano, der spätere Ketzer, wird erst nach zehnjähriger Ehe geboren, seine Mutter stirbt im Kindbett, weshalb der Vater Don Bernardo den Sohn "kleinen Muttermörder" nennt und ihn zeitlebens ablehnt. Daß Cipriano Sacedos Schicksal prädisponiert ist, deutet der Erzähler Delibes mit dem Geburtsdatum an: 31. Oktober 1517, der Tag, da Luther seine 95 Thesen am Tor der Schloßkirche zu Wittenberg anschlug.“

 

 1966866-0cf13d655d5ee534e87ccb0207c62118.jpg
Miguel Delibes (17 oktober 1920 - 12 maart 2010)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Engelse schrijver Tom Rachman werd geboren in Londen in 1974. Zie ook alle tags voor Tom Rachman op dit blog.

Uit:The Imperfectionists

"Mm." He nods at the album. "Bit by bit," he says.
"What's that mean?"
"You're shifting across the hall."
"No."
"You're allowed to."
He hasn't resisted her friendship with Didier, the man across the hall. She is not finished with that part of her life, with sex, as Lloyd is. She is eighteen years younger, a gap that incited him once but that, now he is seventy, separates them like a lake. He blows her a kiss and returns to the window.
The floorboards in the hallway creak. Didier's front door opens and shuts - Eileen doesn't knock over there, just goes in. Lloyd glances at the phone. It has been weeks since he sold an article and he needs money. He dials the paper in Rome.
An intern transfers him to the news editor, Craig Menzies, a balding worrier who decides much of what appears in each edition. No matter the time of day, Menzies is at his desk. The man has nothing in his life but news.
"Good time for a pitch?" Lloyd asks.
"I'm a tad busy, actually. Could you zing me an e-mail?"
"Can't. Problem with my computer." The problem is that he doesn't own one; Lloyd still uses a word processor, vintage 1993. "I can print something and fax it over."
"Tell me by phone. But please, if possible, could you get your computer working?"
"Yes: get computer fixed. Duly noted." He scratches his finger across the notepad, as if to tease out a better idea than the one scrawled there. "You folks interested in a feature on the ortolan? It's this French delicacy, a bird - a sort of finch, I think - that's illegal to sell here. They stick it in a cage, poke out its eyes so it can't tell day from night, then feed it round the clock. When it's full up, they drown it in Cognac and cook it. Mitterrand ate one for his last meal." "Uh-huh," Menzies responds circumspectly. "But sorry, where's the news?"

 

 1966866-78dbc236e17470c315006729cf91be5e.jpg
Tom Rachman (Londen, oktober 1974)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e oktober ook mijn blog van 17 oktober 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:08 Reageer op dit bericht

Günter Grass, Oscar Wilde, Alma Mathijsen, Guðbergur Bergsson, Eugene O’Neill

De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk) op 16 oktober 1927. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Günter Grass op dit blog.

Uit: Der Butt

„Gegen Ende des dritten Jahrtausends vor der Fleischwerdung des Herrn – oder wie ein Computer es ausrechnete, am 3. Mai 2211 vor unserer Zeitrechnung – es soll ein Freitag gewesen sein – an einem jungsteinzeitlichen Tag, bei Ostwind und unter Wolken in losem Verband geschah, was später aus Gründen patriarchaler Selbstherrlichkeit zum Märchen verfälscht wurde; das kränkt meine Ilsebill immer noch.
Jung war ich, aber schon bärtig. Am späten Nachmittag wollte ich meine dreifach verengte Korbreuse einholen, die ich am frühen Morgen, noch vor der ersten Stillzeit, ausgesetzt hatte. (Etwa dort war mein bevorzugter Fangplatz, wo später der beliebte Badeort Heubude mit der Straßenbahn, Linie 9, bequem zu erreichen war.) Meiner Zeichenkunst wegen wurde ich von Aua fürsorglich durch Nachstillen außer der Reihe bevorzugt. Deswegen sagte mein erster Gedanke, als ich den Butt in der Aalreuse sah: Den bringe ich Aua. Den soll sie, nach ihrer Art, mit feuchten Lattichblättern umlegen und in heißer Asche garen.
Da sprach der Butt.
Ich bin nicht sicher, ob mich seine schiefmäulige Ansprache mehr erstaunt hat als die platte Tatsache, einen breitgelagerten Butt in einer Aalreuse gefangen zu haben. Jedenfalls habe ich auf die Worte »Guten Tag, mein Sohn!« nicht mit der Frage nach seinem erstaunlichen Sprechvermögen geantwortet. Vielmehr wollte ich wissen, was ihn, den Plattfisch, bewegt haben mochte, sich durch alle drei Verengungen in eine Reuse zu zwängen.
Der Butt gab Auskunft. Von Anfang an belehrend, mit allwissender Überlegenheit und deshalb, trotz seiner kategorischen Punktumsätze, geschwätzig näselnd, professoral, wie von der Kanzel herab abkanzelnd oder penetrant väterlich: Er habe mit mir ins Gespräch kommen wollen. Nicht etwa dumme (oder sagte er damals schon) weibliche Neugierde sei sein Antrieb gewesen, sondern ein wohlbedachter Entschluß aus männlichem Willen. Schließlich gebe es einige über den jungsteinzeitlichen Horizont weisende Erkenntnisse, die er, der wissende Butt, mir, dem dumpfen, durch totale Weiberfürsorge kindlich gehaltenen Mann und Fischer vermitteln wollte. Vorsorglich habe er das baltische Küstenplatt zu sprechen gelernt. Viele Worte mache man hierzulande ja nicht. Ein armseliges, nur die Notdurft beendendes Gemaule. In relativ kurzer Zeit habe er sich den alles breitschlagenden Zungenschlag eingeübt. Schon könne er »Pomuchel« und »Ludrichkait« sagen. An Sprachschwierigkeiten werde der Dialog gewiß nicht scheitern. Doch auf Dauer empfinde auch er das Weidengeflecht als eng.“

 

 1966402-4d1442025f64e9ecaa0c0ea80eec44eb.jpg
Günter Grass (16 oktober 1927 – 13 april 2015)
Het beeld “Butt im Griff“ van Günter Grass in de tuin van het Grass-Haus in Lübeck

 

 

De Iers-Engelse schrijver Oscar Wilde werd geboren op 16 oktober 1854 in Dublin. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Oscar Wilde op dit blog.

 

Ballad of Reading Gaol – II (Fragment)

So still it lay that every day
Crawled like a weed-clogged wave:
And we forgot the bitter lot
That waits for fool and knave,
Till once, as we tramped in from work,
We passed an open grave.

With yawning mouth the yellow hole
Gaped for a living thing;
The very mud cried out for blood
To the thirsty asphalte ring:
And we knew that ere one dawn grew fair
Some prisoner had to swing.

Right in we went, with soul intent
On Death and Dread and Doom:
The hangman, with his little bag,
Went shuffling through the gloom
And each man trembled as he crept
Into his numbered tomb.

That night the empty corridors
Were full of forms of Fear,
And up and down the iron town
Stole feet we could not hear,
And through the bars that hide the stars
White faces seemed to peer.

He lay as one who lies and dreams
In a pleasant meadow-land,
The watcher watched him as he slept,
And could not understand
How one could sleep so sweet a sleep
With a hangman close at hand?

But there is no sleep when men must weep
Who never yet have wept:
So we—the fool, the fraud, the knave—
That endless vigil kept,
And through each brain on hands of pain
Another’s terror crept.

 

 1966402-a12308191e60f99e85949b07c10ed39d.jpg
Oscar Wilde (16 oktober 1854 – 30 november 1900)
Portret door June Ponte, 2013

 

 

De Nederlands schrijfster en journaliste Alma Mathijsen werd geboren in Amsterdam op 16 oktober 1984. Zie ook alle tags voor Alma Mathijsen op dit blog.

Uit: Waar de schrijver zijn eerste zin bedenkt

“Ze noemden me huilebalk. Mijn hele basisschooltijd lang heb ik gehuild. Vanaf de eerste dag dat mijn moeder me wegbracht en ik met bezwete handjes tegen het raam aanstond, kijkend naar mijn moeder die me verliet. Elke dag opnieuw geloofde ik dat ze niet terug zou komen. In groep vijf verplaatsten de huilbuien zich naar de les. Ik sloeg mijn handen onder tafel samen, biddend opdat mijn meester mij geen vraag over de slag van Napoleon zou stellen. Hij deed het toch. Ik greep mijn boek vast en schoof het langzaam voor mijn hoofd, waarachter ik zachtjes begonnen te huilen.
Selexys gaat dood. Afgelopen donderdag vroeg het overkoepelende bedrijf uitstel van betaling aan. Een vriend wees me op email die hij als klant kreeg van Selexys: “Ongetwijfeld heeft u intussen gehoord dat Selexyz uitstel van betaling heeft aangevraagd … Tot nader bericht, verandert er voor u niets.” Hij leest geen kranten en heeft geen tv, hij voelde zich alsof zijn stervende oma zelf maar even de telefoon opnam om hem te bellen wat er aan de hand was. De nood is hoog, voor het einde van de maand moeten winkelhuren en lonen worden betaald, dat geld is er niet. Hoe het verder gaat is onduidelijk. Wel weet ik dat ik ergens achter een boek ga huilen omdat dat zou betekenen dat de mooiste boekhandel van Nederland zou verdwijnen. Dat is de Selexys in Maastricht, die zich gevestigd heeft in een kerk. Zelfs de boekenweek waarin honderduizenden mensen de boekhandel binnendrongen om het gratis geschenk te krijgen, kon Selexys, die al langer in zwaar weer verkeert, niet redden. De hele boekenbranche heeft een dalende omzet van 10 procent. Waarom nu juist Selexys daar het zwaarst onder lijdt, is lastig vast te stellen. De werknemers houden zich teveel met boeken bezig in plaats van met de boekhouding, concludeert radio 1.”

 

 1966402-253ff03d5e4e3e1075392a0ad07d488f.jpg
Alma Mathijsen (Amsterdam, 16 oktober 1984)

 

 

De IJslandse schrijver Guðbergur Bergsson werd geboren op 16 oktober 1932 in Grindavik. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Guðbergur Bergsson op dit blog.

Uit: Deuil (Vertaald door Eric Boury)

« Je ne dors jamais. Je ne veille pas non plus. Je me vois, allongé dans mon lit, quelque part entre le sommeil et la veille.
L'eau chuchote dans la bouilloire.
Lorsqu'il se réveille le matin, il demeure un moment immobile. Avant de se coucher, au petit matin, il se met des boules Quies dans les oreilles et avale un somnifère.
Son regard reste rivé au plafond, presque comme s'il était mort.
Bientôt, ses yeux se mettent à vaciller. Il tend alors une main vers la table de chevet, se cogne au réveil et regarde le cadran. Puis le revoilà gagné par la torpeur. Bientôt, il s'anime à nouveau et promène ses yeux dans la pièce. Il consulte le réveil, sans savoir si le jour s'est enfin levé ou si c'est encore la nuit.
Ses yeux vacillent.
Comme il n'ôte pas les boules Quies de ses oreilles, il n'entend aucun bruit.
Ce qu'il voit est l'environnement dans lequel il vit depuis des dizaines d'années et, malgré cela, il ignore où il se trouve. Il lui faut longtemps pour le comprendre. Comprendre qu'en réalité, cela n'a aucune importance. Son unique perception se résume à cela : il est vide. Il ne ressent plus la faim. Il se sent vide à l'intérieur, en proie à un malaise d'origine imprécise. Tout se confond en apathie, somnolence et silence. En dépit de son épuisement, il n'a pas envie de mourir. Il souffre d'un entêtement à vivre qui tient plus de l'habitude que d'un véritable désir.
Il a la bouche sèche, mais ne trouve pas le verre d'eau à côté du réveil sur la table de nuit. Il oublie alors le verre comme sa soif. Puis il rote : "Voilà, il est libéré." Son esprit est traversé par quelque chose qui ne constitue pas précisément une pensée. Vient ensuite une autre impression : "Il doit se libérer d'un second poids."

 

 1966402-a4444911e9b1463dc41bf2418a41b7f2.jpg
Guðbergur Bergsson (Grindavik, 16 oktober 1932)

 

 

De Amerikaanse schrijver Eugene Gladstone O’Neill werd op 16 oktober 1888 in New York City geboren. Zie en ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Eugene O’Neill op dit blog.

Uit: The Iceman Cometh

“ROCKY--(winks at Larry) Aw, Harry, me and Chuck was on'y kiddin'.
HOPE--(more drowsily) I'll fire both of you. Bejees, if you think you can play me for an easy mark, you've come to the wrong house. No one ever played Harry Hope for a sucker!
ROCKY--(to Larry) No one but everybody.
HOPE--(his eyes shut again--mutters) Least you could do—keep things quiet--(He falls asleep.)
WILLIE--(pleadingly) Give me a drink, Rocky. Harry said it was all right. God, I need a drink.
ROCKY--Den grab it. It's right under your nose.
WILLIE--(avidly) Thanks. (He takes the bottle with both twitching hands and tilts it to his lips and gulps down the whiskey in big swallows.)
ROCKY--(sharply) When! When! (He grabs the bottle.) I didn't say, take a bath! (showing the bottle to Larry--indignantly) Jees, look! He's killed a half pint or more! (He turns on Willie
angrily, but Willie has closed his eyes and is sitting quietly, shuddering, waiting for the effect.)
LARRY--(with a pitying glance) Leave him be, the poor devil. A half pint of that dynamite in one swig will fix him for a while—if it doesn't kill him.
ROCKY--(shrugs his shoulders and sits down again) Aw right by me. It ain't my booze. (Behind him, in the chair at left of the middle table, Joe Mott, the Negro, has been waking up.)
JOE--(his eyes blinking sleepily) Whose booze? Gimme some. I don't care whose. Where's Hickey? Ain't he come yet? What time's it, Rocky?
ROCKY--Gettin' near time to open up. Time you begun to sweep up in the bar."

 

 1966402-2a36ce462873390f1d5c655bda2bf030.jpg
Eugene O’Neill (16 oktober 1888 – 27 november 1953)
Scene uit een opvoering in New York, 2015


 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 10:30 Reageer op dit bericht

Dino Buzzati, Gerold Späth, Albrecht von Haller, Gottfried Kölwel, Gustaaf Peek

De Italiaanse schrijver Dino Buzzati werd geboren op 16 oktober 1906 in San Pellegrino. Zie ook alle tags voor Dino Buzzati op dit blog en ook mijn blog van 16 oktober 2009 en ook mijn blog van 16 oktober 2010

Uit: Die Tatarenwüste (Vertaald door Percy Eckstein en Wendla Lipsius)

„Nach seiner Ernennung zum Offizier verließ Giovanni Drogo an einem Morgen im September die Stadt, um sich nach der Festung Bastiani, seinem ersten Bestimmungsort, zu begeben.
Es war noch finster, als er sich wecken ließ und zum erstenmal seine Leutnantsuniform anlegte. Als er fertig war, betrachtete er sich beim Schein einer Petroleumlampe im Spiegel, doch die erhoffte fröhliche Laune wollte sich nicht einstellen. Im Haus war alles still, nur aus dem Zimmer nebenan drangen leise Geräusche zu ihm herüber: Giovannis Mutter stand soeben auf, um ihn zu verabschieden.
Das also war der Tag, den er seit Jahren herbeisehnte, der Beginn seines wirklichen Lebens! Er gedachte der freudlosen Zeiten auf der Militärakademie. Er erinnerte sich der trübseligen Abende, die er über seinen Büchern verbracht hatte, während unten auf der Straße freie und wohl auch glückliche Menschen vorübergingen, er sah sich von neuem in winterlich-eisigen Schlafsälen erwachen, auf denen der Alpdruck zahlloser Strafen lastete, und er dachte daran, mit welcher Ungeduld er die Tage gezählt hatte, einen nach dem anderen – diese Tage, die nie zu enden schienen.
Jetzt war er endlich Offizier, jetzt brauchte er sich nicht länger mit Büchern abzuquälen, brauchte nicht mehr vor der Stimme des Feldwebels zu zittern. Das alles war vorbei. Jene Tage, die ihm so hassenswert erschienen waren, hatten sich selbst für immer aufgezehrt, waren zu Monaten und Jahren geworden, die niemals wiederkehren würden. Ja, er war jetzt Offizier und würde Geld haben, und vielleicht würden ihm die Blicke schöner Frauen folgen.“

 

1966400-28eaa5f494a9ec1bdf8dd0b36e6a5941.jpg 
Dino Buzzati (16 oktober 1906 – 28 januari 1972)
Postzegel n.a.v. de 100e geboortedag in 2006

 

 

De Zwitserse schrijver Gerold Späth werd geboren op 16 oktober 1939 in Rapperswil. Zie ook alle tags voor Gerold Späth op dit blog en ook mijn blog van 16 oktober 2010

Uit: Unschlecht

„Nicht ich, Zünd übertreibt, wenn er schreibt, die Stadt habe insgesamt zwanzigtausend Einwohner, und die Hälfte, zehntausend, befände sich im Städtischen Irrenhaus. Er macht gern eingängige Sprüche, kommt sich gern schlau vor, mein Freund Zünd.
Dreifach übertreibt er:
Erstens ist unsere Stadt keine richtige Stadt, nur eine kleine Stadt, ein übriggebliebenes Habsburger Städtlein. Alte Urkunden prahlen zwar von einer ,Festen Freien Hehren Stat’, aber schon früher ist viel geschriftet worden, und diese alten Urkunden sind meist voll Fliegendreck.
Zweitens übertreibt er die Einwohnerzahl. Wie viele es ohne die Fremden und andern Wandervögel sind, steht vielleicht an einem weit hergeholten Stichtag, sonst aber nie genau fest. In unserer Gegend wird unplanmäßig gestorben und geboren, der See bringt Unruhe in die Statistik: da ersäuft der eine im Sommer sang- und klanglos, möchte zwar schreien, strengt sich an, will Laut geben, kann aber nicht, japst nur, schluckt, verliert dabei sich und seine galoppierenden Sinne. Säuft ab; das ist eine Art Tradition: einer mehr geht unter die Fische, derweil ein anderer sich und seine Strandbadnixe im Schatten unterm Gebüsch zehn Schritt vom Ufer beglückt.
Mein Freund hat dreimal übertrieben, denn drittens hat unser Städtlein kein Städtisches Irrenhaus, nichts dergleichen. Braucht es nicht. Haben wir nicht nötig.
Zum Spaß von Zünds schiefer Rechnung ausgehend, kämen Sie und ich zum gleichen Schluß: daß nämlich die eine Hälfte unserer Einwohnerschaft, die irre, nur mangels geeigneter Behausung frei herumlaufe, sich gleicher Freizügigkeit erfreue wie die andere, die nicht irre Abteilung. Aber, sehen Sie, jetzt irren auch wir, und zwar weil eben Verrückte und Nichtverrückte nie gesondert wurden. Man sieht es den Häusern nicht an, in welchen Topf ihre Bewohner gehören; darum hält jeder die andern für das, was sie seiner Meinung nach sind: Löli, Galöri, Spinner, beschissen und verteufelt. Alle haben viel Spielraum für ihre freie Meinung, und das Patente dabei ist, daß jeder getrost verrückt sein kann, es gibt sicher noch Verrücktere. Bei uns ist sozusagen alles möglich, allein schon die Lage und das Wetter machen ziemlich viel aus. Wenn einer verhunzt werden soll – ich rede aus Erfahrung, möchte mich auch heute noch oder erst recht als Rapperswiler bezeichnen –, sind immer ein paar Aufmöbler zur Hand.“

 

 1966400-e122e5d5548a41b1c52ac931ea6e2b0a.jpg
Gerold Späth (Rapperswil, 16 oktober 1939)

 

 

De Zwitserse dichter, arts, en natuurwetenschapper Albrecht von Haller werd geboren in Bern op 16 oktober 1708. Zie ook alle tags voor Albrecht von Haller op dit blog en ook mijn blog van 16 oktober 2009 en ook mijn blog van 16 oktober 2010

 

Der Hahn, die Tauben und der Geier

Einige Tauben suchten sich an etwas Korn zu sättigen. Ein Haushahn kam dazu, brauchte Gewalt und vertrieb die Tauben. Im ersten Verdruß über das erlittene Unrecht sahen sie einen Geier, der eben über dem Hofe schwebte, und riefen ihn an, sie zu rächen. Der Geier kam, zerriß den Hahn und bald darauf die Tauben, die sich über den Tod ihres Feindes freueten.

Ihr Staaten, die so leicht ein schlechter Nutz entzweit,
Die ihr als einzeln schwach, und stark, wann einig, seid,
O lernt bei diesem Bild die kleine Rache meiden
Und lieber den Verlust als Unterdrückung leiden.
Die Fabel malt euch vor, was allemal geschah;
Bleibt einig oder bebt; der Geier ist schon da!

 

 

Aus der Tugend fließt der wahre Friede,

Aus der Tugend fließt der wahre Friede,
Wollust ekelt, Reichtum macht uns müde,
Kronen drücken, Ehre blend't nicht immer,
Tugend fehlt nimmer.

 

 

Der Fuchs und die Trauben

Ein Fuchs, der auf die Beute gieng,
Traf einen Weinstock an, der, voll von falben Trauben,
Um einen hohen Ulmbaum hieng;
Sie schienen gut genug; die Kunst war, abzuklauben.
Er schlich sich hin und her, den Zugang auszuspähn;
Umsonst, es war zu hoch, kein Sprung war abzusehn.
Der Schalk dacht in sich selbst: ich muß mich nicht beschämen;
Er sprach und macht dabei ein hämisches Gesicht:
»Was soll ich mir viel Mühe nehmen,
Sie sind ja saur und taugen nicht!«

So gehts der Wissenschaft. Verachtung geht für Müh.
Wer sie nicht hat, der tadelt sie.

 

 1966400-f8caad8a0dde873bf19bc66c0c1707a7.jpg
Albrecht von Haller (16 oktober 1708 – 12 december 1777)
Portret door Johann Rudolf Huber, 1736

 

 

De Duitse dichter en schrijver Gottfried Kölwel werd geboren op 16 oktober 1889 in Beratzhausen. Zie ook alle tags voor Gottfried Kölwel op dit blog en ook mijn blog van 16 oktober 2009 en ook mijn blog van 16 oktober 2010

 

Vor dem Schneefall

Im späten abendlichen Raum
veratmet herbstlich Haus an Haus,
als löschte mit dem grauen Saum
ihr letztes warmes Leben aus.

Der Kirchturm, der sich mächtig glaubt,
ein Trotz aus wetterfestem Stein,
duckt schon das kuppelige Haupt
und schrumpft zum grauen Schemen ein.

Wie selbst der abendblaue Wald
die Seide ablegt und verstummt
und sich, vom Ahnen überwallt,
in graue Pelze dicht vermummt.

Die nackten Birken aber stehn
angstdünn im Raum des Nebelsees
und wittern schauernd schon das Wehn
und schwer die Last des ersten Schnees.

 

 1966400-b3f1146fcd8e405ac3c8e93067f35b73.jpg
Gottfried Kölwel (16 oktober 1889 – 21 maart 1958)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Gustaaf Peek werd geboren in Haarlem in 1975. Peek studeerde Engelse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit Leiden. Zie ook alle tags voor Gustaaf Peek op dit blog.

Uit: Godin, held

“Een breedgeschouderde vrouw liep als enige naar voren. Zwart kant over zijde, betraande wangen en een brekende lach. Ze legde een hand op het fineer, maakte aaiende gebaren ter hoogte van het gezicht.
Ze kuste de palm van haar hand, die ze daarna plat op de kist legde. Bij de uitgang leek niemand op haar te wachten.
Soms liepen diensten uit en wachtten de schoonmakers in de bijkeuken van de koffiekamer. De nieuweling, een jongen van zestien, deed de deur op een kier en keek de gang in. Er was niemand en ze verzamelden hun spullen en begonnen aan hun werk.
In de grote zaal stond nog een kist. Ze gingen eromheen staan. De jongen werd eropuit gestuurd om hulp te halen, maar hij kwam alleen terug, ze waren de enigen in het gebouw. Iemand had een fles bij zich en die ging rond en iedereen dronk, ook de vrouwen, en ze proostten in de richting van de kist. Daarna stapelden ze de stoelen en trapten ze de stofzuigers wakker.
Later zou de jongen zeggen dat het door de drank kwam, de flessen die iemand ergens in het gebouw was vergeten, en de blijdschap na de laatste klus van de dag, maar na het werk reden ze de kist het gebouw uit. Ze wisten niet of het een man of vrouw was die erin lag, maar een dode verdiende een laatste tocht. Ze zongen, ieder in een andere taal, door het geraas van de auto’s reikten de klanken niet ver, het was hun eigen feest.
De kromme wilgen in de berm werden een erehaag en iedereen voelde de opwinding en vrijheid van een optocht. Ze wisselden van plaats bij de kist en leken te dansen en de jongen hoopte dat het altijd zo was.”

 

 1966400-d0397d3d380bbb6723c0b84bc9746330.jpg
Gustaaf Peek (Haarlem, 1975)

Geschreven door Romenu om 10:22 Reageer op dit bericht

A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog en alle tags voor van der Heijden op dt blog.

Uit: Kwaadschiks

“Er is geen geluid bij. Het scherm toont afwisselend een kleine boot met een lijkkist aan boord en een zwarte rouwkoets die zich, getrokken door een vierspan, over het pad langs de rivier beweegt. Het vaartuig wordt gefilmd vanaf de wal, het rijtuig vanaf de scheepsvloer, allebei door een lichte nevel en vervagende rietpluimen heen. Close-up koetsier: hij draagt een zwarte mantel en een driekantige steek omlijst met rafelige franje. Over de paarden zijn lila dekkleden gelegd, die op de ogen en de neusgaten na ook hun hoofden omhullen, als bij een middeleeuws toernooi.
Het camerastandpunt aan boord verandert enigszins, zodat nu de doodskist op de voorgrond in z’n geheel te zien is. Er ligt een Nederlandse vlag overheen, met op de witte baan een bloemstuk van rode rozen en blauwe linten. De lens richt zich weer op, en kijkt dan recht in het binnenste van de lijkkoets: leeg nog.
‘Beetje audio erbij?’ stelt Quispel zijn cliënt voor. ‘Ik mis het klossen van die knollen.’
Over het morsige tafelblad heen reikend steekt de advocaat zijn hand naar de muis uit, maar cliënt, die zich voortdurend al in bochten heeft zitten wringen om niets van het scherm te hoeven zien, schudt heftig het hoofd: ‘Alsjeblieft, Ernst, doe me ’n lol.’
Met zijn onderarmen steunend op de rug van een stoel blijft Quispel het filmverslag volgen. Linksonder in beeld geven witte computercijfers de datum en het tijdstip, tot op rennende tienden van seconden precies, maar hij hoeft zijn Rolex niet te raadplegen om te weten dat de opnames live zijn. Het bootje richt de steven naar de aanlegsteiger, waarbij het een moment dwars op de stroom ligt. Het cameraoog glijdt omhoog langs de open poort, en onthult de naam van de begraafplaats, in gietijzeren krulkapitalen:

commervlugt

Voordat de rechercheurs, De Knegt en Van Baars, de verhoorkamer verlieten, kreeg cliënt na aandringen van zijn advocaat toestemming om een sigaret op te steken. (De Knegt had met heel zijn rossige drift nog geprotesteerd: ‘Sinds begin deze maand geldt er een rookverbod voor de horeca... en dan zullen wij er hier even een doorgepaft hol van laten maken’ – maar de buikige Van Baars, de veronderstelde good cop van de twee, deed het met een sussend gebaar af: ‘Een saffie maakt hem misschien wat spraakzamer.’)”

 

 1966174-52dcc950766a14753dff1951369ee73c.jpg
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

 

 

De Duitse schrijver Heinz Helle werd geboren op 15 oktober 1978 in München. Zie ook alle tags voor Heinz Helle op dit blog.

Uit: Eigentlich müssten wir tanzen

„Am nächsten Tag ist es dunkler, und ein Nieselregen beginnt, der unmerklich dichter und dichter wird, es scheint, dass keine Tropfen auf uns und den schwarzen Teer und den unter unseren Füßen knirschenden Rollsplit fallen, sondern feine, durchgängige Linien, wie aus Tausenden nicht richtig zugedrehten Wasserhähnen. Es ist die Art von Regen, dessen Intensität man erst spürt, wenn man bereits völlig durchnässt ist, und auf einmal bleibt man stehen, sieht an sich herunter und dann in den Himmel und schüttelt ungläubig den Kopf.
Wir verlassen die Straße. Wir gehen durch Brachland, überqueren einige leicht ansteigende Hügelketten, Felder und andere freie Flächen, deren Nutzung nicht auszumachen ist. Vor uns ein flacher, riesiger Block. Wir gehen näher heran. Es dauert länger, als wir dachten, er ist weiter weg, als wir dachten, er ist viel, viel größer, als wir dachten. Die Außenwände sind über zehn Meter hoch und durchbrochen von rostigen Stahlschiebetüren und eingeschlagenem Glas. Es gibt Schornsteine. Vielleicht war das früher mal eine Fabrik. Als wir entlang des schmucklosen, kantigen Quaders einen Weg in ihn hinein suchen, wird der Regen noch stärker, und das Prasseln der Tropfen auf dem Dach des Gebäudes klingt blechern und hell, es wird lauter und weniger brüchig, und irgendwann singt die ganze Halle einen einzigen hohen Ton.
Wir finden ein Wir finden einen Türrahmen, die Tür fehlt. Wir gehen hinein, einer nach dem anderen, und seltsamerweise ist der Ton des Regens auf dem Dach im Inneren kaum mehr zu hören. Wir befinden uns in einer großen, leeren Halle, Scherben liegen herum, kleine verlassene Feuerstellen, der Geruch von altem Öl und Flecken von tief in den Beton gesickerten Substanzen, die Montagegräben erzählen davon, dass hier einmal an Autos oder Landmaschinen gearbeitet wurde.“

 

 1966174-3b134f260f584d777dec13c78c3175d3.jpg
Heinz Helle (München, 15 oktober 1978)

 

 

De Franstalige Algerijnse schrijver Boualem Sansal werd geboren op 15 oktober 1949 in El Teniente-Had. Zie ook alle tags voor Boualem Sansal op dit blog.

Uit: 2084 : La fin du monde

« Ils venaient de loin, des quatre coins du pays, à pied, déguenillés et fiévreux, dans des conditions souvent périlleuses; il y avait du merveilleux, du sordide et du criminel dans leurs récits sibyllins, d’autant plus troublants qu’ils les disaient à voix basse, s’interrompant au premier bruit pour loucher par-dessus leurs épaules. Comme tout un chacun, pèlerins et malades ne manquaient jamais d’être attentifs, dans la crainte d’être surpris par les surveillants, peut-être les terribles V, et dénoncés comme makoufs, propagandistes de la Grande Mécréance, secte mille fois honnie. Ati aimait le contact de ces voyageurs au long cours, le recherchait, ils avaient amassé tant d’histoires et de découvertes au cours de leurs pérégrinations. Le pays était si vaste et si totalement inconnu qu’on aurait voulu se perdre dans ses mystères.
Les pèlerins étaient les seules personnes autorisées à y circuler, non pas librement mais selon des calendriers précis, par des chemins balisés qu’ils ne pouvaient quitter, jalonnés de haltes plantées au milieu de nulle part, des plateaux arides, des steppes sans fin, des fonds de canyons, des lieux-dits sans âme, où ils étaient comptés, divisés en groupes comme les armées en campagne qui bivouaquent autour de mille feux de camp dans l’attente d’un ordre de rassemblement et de départ. Les pauses duraient si longtemps parfois que les pénitents s’enracinaient dans d’immenses bidonvilles et se comportaient comme des réfugiés oubliés, ne sachant plus trop ce qui la veille nourrissait leurs rêves. Dans le provisoire qui dure, il y a une leçon : l’important n’est plus le but mais la halte, fût-elle précaire, elle offre repos et sécurité, et ce faisant elle dit l’intelligence pratique de l’Appareil et l’affection du Délégué pour son peuple. Des soldats apathiques et des commissaires de la foi tourmentés et vifs comme des suricates se relayaient le long des routes, en des points névralgiques, pour regarder passer les pèlerins, avec l’idée de les surveiller."

 

 1966174-78456c21524cff45031c69b7bb3fb578.jpg
Boualem Sansal (El Teniente-Had, 15 oktober 1949)

 

 

De Duitse dichter, filosoof, filoloog en schrijver Friedrich Nietzsche werd geboren op 15 oktober 1844 in Röcken ten zuidwesten van Leipzig. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Friedrich Nietzsche op dit blog.

 

Baum im Herbste

Was habt ihr plumpen Tölpel mich gerüttelt
Als ich in seliger Blindheit stand:
Nie hat ein Schreck grausamer mich geschüttelt
-- Mein Traum, mein goldner Traum entschwand!

Nashörner ihr mit Elephanten-Rüsseln
Macht man nicht höflich erst: Klopf! Klopf?
Vor Schrecken warf ich euch die Schüsseln
Goldreifer Früchte -- an den Kopf.

 

Verzweiflung

Von Ferne tönt der Glockenschlag,
Die Nacht, sie rauscht so dumpf daher.
Ich weiß nicht, was ich tuen mag;
Mein Freud' ist aus, mein Herz ist schwer.

Die Stunden fliehn gespenstisch still,
Fern tönt der Welt Gewühl, Gebraus.
Ich weiß nicht, was ich tuen will:
Mein Herz ist schwer, mein' Freud' ist aus.

So dumpf die Nacht, so schauervoll
Des Mondes bleiches Leichenlicht.
Ich weiß nicht, was ich tuen soll...
Wild rast der Sturm, ich hör' ihn nicht.

Ich hab' nicht Rast, ich hab' nicht Ruh,
Ich wandle stumm zum Strand hinaus,
Den Wogen zu, dem Grabe zu...
Mein Herz ist schwer, mein Freud' ist aus.

 

Venedig

An der Brücke stand
jüngst ich in brauner Nacht.
Fernher kam Gesang;
goldener Tropfen quoll's
über die zitternde Fläche weg.
Gondeln, Lichter, Musik -
trunken schwamm's in die Dämmrung hinaus ...

Meine Seele, ein Saitenspiel,
sang sich, unsichtbar berührt,
heimlich ein Gondellied dazu,
zitternd vor bunter Seligkeit.
- Hörte ihr jemand zu?

 

 1966174-e70ce39e964e2f274382563678274e31.jpg
Friedrich Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900)
Beeld door Arnold Kramer, Weimar 1898

 

 

De Russische dichter en schrijver Michail Joerjevitsj Lermontov werd geboren op 15 oktober 1814 in Moskou. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michail Lermontov op dit blog.

 

To The Clouds

Clouds--ye eternal wanderers in hunting grounds of air,
High o'er the verdant Steppes, wide through the blue of heaven--
Coursing fraternal,--say, must ye exiled as I
From the beloved North to the far South be driven?

O tell me, were ye outlawed thus by Fate's behest?
Drives ye forth open hate, or secret grudge flee ye?
Follows ye unappeased an evil-doer's curse?
Are ye pursued by poisonous words of calumny?

Ah no! Only from the unfruitful earth ye fly;
Free are your sufferings, your blessedness is free,
Ye know not wretchedness that holds us here in chains,
Know not the joy of home or exile's misery!

 

 

Like An Evil Spirit

Like an evil spirit hast thou
Shocked my heart from out its rest,
If thou'lt take it quite away now--
Thou wilt win my healing blest!

My heart thy temple evermore!
Thy face,--the altar's Godhead sign!
Not heaven's grace,--thy smiles, restore,
Grant absolution, joy divine!

 

       

Heaven And The Stars

Brilliant heavens of evening,
Distant stars clearly shining,
Bright as the rapture of childhood,
O why dare I send you nevermore greeting--
Stars, who are shining as clear as my joy?
What is thy sorrow?
Mortals make question.
This is my sorrow;
The heavens and the stars are--heaven and stars ever,
I am alas! but a perishing man!
Forever mortal
Envies his neighbor;
I envy rather
Ye in your freedom, ye stars ever radiant,
And only would be in your places!

 

1966174-4facace1301306878062872deacf6156.jpg
Michail Lermontov (15 oktober 1814 - 27 juli 1841)
Cover biografie

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 12:57 Reageer op dit bericht

Italo Calvino, Tessa de Loo, P.G. Wodehouse, Mario Puzo, Vergilius, Kees Beekmans

De Italiaanse schrijver Italo Calvino werd geboren in Santiago de las Vegas op Cuba op 15 oktober 1923. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Italo Calvino op dit blog.

Uit:Invisible Cities (Vertaald door William Weaver)

"And these innovations do not disturb your city's astral rhythm?" I asked.
"Our city and the sky correspond so perfectly, " they answered, "that any change in Andria involves some novelty among the stars." The astronomers, after each change takes place in Andria, peer into their telescopes and report a nova's explosion, or a remote point in the firmament's change of color from orange to yellow, the expansion of a nebula, the bending of a spiral of the Milky Way. Each change implies a sequence of other changes, in Andria as among the stars: the city and the sky never remain the same.
As for the character of Andria's inhabitants, two virtues are worth mentioning: self-confidence and prudence. Convinced that every innovation in the city influences the sky's pattern, before taking any decision they calculate the risks and advantages for themselves and for the city and for all worlds.
If you choose to believe me, good. Now I will tell how Octavia, the spider-web city, is made. There is a precipice between two steep mountains: the city is over the void, bound to the two crests with ropes and chains and catwalks. You walk on the little wooden ties, careful not to set your foot in the open spaces, or you cling to the hempen strands. Below there is nothing for hundreds and hundreds of feet: a few clouds glide past; farther down you can glimpse the chasm's bed.
This is the foundation of the city: a net which serves as passage and as support. All the rest, instead of rising up, is hung below: rope ladders, hammocks, houses made like sacks, clothes hangers, terraces like gondolas, skins of water, gas jets, spits, baskets on strings, dumb-waiters, showers, trapezes and rings for children's games, cable cars, chandeliers, pots with trailing plants.
Suspended over the abyss, the life of Octavia's inhabitants is less uncertain than in other cities. They know the net will last only so long. "

 

 1966170-68a262f8ce67716690c8f7aab78879cd.jpg
Italo Calvino (15 oktober 1923 - 19 november 1985)

 

 

De Nederlandse schrijfster Tessa de Loo (pseudoniem van Tineke Duyvené de Wit) werd op 15 oktober 1946 in Bussum geboren. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Tessa de Loo op dit blog.

Uit: The Twins (Vertaald door Ruth Levitt)

“Goodness me, what is this, a morgue?'
Lotte Goudriaan woke with a start from a pleasant doze with a sense of numbness: to be old and yet not to feel your body. Through her eyelashes she followed the rotund figure, naked like herself under a dressing gown of innocuous pale blue, closing the door noisily behind her. The woman waddled with evident distaste into the dim resting room, between two rows of empty beds, up to the one where Lotte was lying—her body between the pristine sheets an old, long-drawn-out history of ill-health. Instinctively, she slid deeper into the bed. The language the woman had made her inappropriate remark in was German. German! What was a German doing here, in Spa, where every square, every public garden, had a monument with lists of the fallen of two world wars carved in stone? Her own country was swarming with health resorts. Why Spa? Lotte closed her eyes and tried to ignore the woman by forcing herself to concentrate on the cooing of the doves that gathered, out of sight behind wrinkled white silk blinds, on the eaves and in the courtyards of the Thermal Institute. But the German's every movement was a provocation in sound. Quite audibly she pulled back the sheets on a bed directly opposite Lotte's. She stretched herself out on it, yawned and sighed pointedly; even when she finally lay still and seemed to surrender to the prescribed quiet, the silence she produced was painful on the ears. Lotte swallowed. A feeling of tension was crawling up from her stomach to her throat; a mental queasiness that had also come over her the previous day when she sat, up to herchin, in a peat bath.
While she had succumbed to the heat of the sour peat that relaxed her stiff joints, an old nursery rhyme, hummed in an elderly woman's unsteady mezzo, floated into the room through a crack in the door from a neighboring bathroom. This song, which penetrated her awareness for the first time in seventy years, released a vague mixture of anxiety and irritation—feelings an aged patient ought to guard against in a peat bath at forty degrees Celsius. A heart attack was lurking in the brown sludge, between the lumps and granules and half-decayed twigs that drifted about."

 

 1966170-cd8418968c1c0f460c64a32a283c0ef7.jpg
Tessa de Loo (Bussum, 15 oktober 1946)
Cover

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Grenville Wodehouse werd geboren op 15 oktober 1881 in Guildford. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voorP.G. Wodehouse op dit blog.

Uit:Leave It To Jeeves

“Jeeves--my man, you know--is really a most extraordinary chap. So capable. Honestly, I shouldn't know what to do without him. On broader lines he's like those chappies who sit peering sadly over the marble battlements at the Pennsylvania Station in the place marked "Inquiries." You know the Johnnies I mean. You go up to them and say: "When's the next train for Melonsquashville, Tennessee?" and they reply, without stopping to think, "Two-forty-three, track ten, change at San Francisco." And they're right every time. Well, Jeeves gives you just the same impression of omniscience.
As an instance of what I mean, I remember meeting Monty Byng in Bond Street one morning, looking the last word in a grey check suit, and I felt I should never be happy till I had one like it. I dug the address of the tailors out of him, and had them working on the thing inside the hour.
"Jeeves," I said that evening. "I'm getting a check suit like that one of Mr. Byng's."
"Injudicious, sir," he said firmly. "It will not become you."
"What absolute rot! It's the soundest thing I've struck for years."
"Unsuitable for you, sir."
Well, the long and the short of it was that the confounded thing came home, and I put it on, and when I caught sight of myself in the glass I nearly swooned. Jeeves was perfectly right. I looked a cross between a music-hall comedian and a cheap bookie. Yet Monty had looked fine in absolutely the same stuff. These things are just Life's mysteries, and that's all there is to it.
We have hundreds more books for your enjoyment. Read them all!
But it isn't only that Jeeves's judgment about clothes is infallible, though, of course, that's really the main thing. The man knows everything. There was the matter of that tip on the "Lincolnshire." I forget now how I got it, but it had the aspect of being the real, red-hot tabasco."Jeeves," I said, for I'm fond of the man, and like to do him a good turn when I can, "if you want to make a bit of money have something on Wonderchild for the 'Lincolnshire.'"

 

 1966170-cefdaf36a3aa0c7d33d580cabe16fddf.jpg
P.G. Wodehouse (15 oktober 1881 – 14 februari 1975)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Mario Puzo werd geboren in New York op 15 oktober 1920. Zie ook alle tags voor Mario Puzo op dit blog en ook mijn blog van 15 oktober 2009 en ook mijn blog van 15 oktober 2010

Uit: The Last Don

“He saw Pippi was not happy, that he must give reasons. "Your wife, Nalene, cannot live in the atmosphere of the Family, she cannot be accepted by them. You must build you life away from us." Which was all true, but the Don had another reason. Pippi was the great hero general of the Clericuzio Family, and if continued to be "Mayor" of the Bronx Enclave, he would be too powerful for the sons of the Don when the Don no longer lived.
"You will be my Bruglione in the West," he told Pippi. "You will become rich. But there is important work to do."
He handed Pippi the deed to a house in Las Vegas and the ownership of a thriving collection agency. The Don then turned to his youngest son, Vincent, a man of twenty-five. He was the shortest of the children, but built like a stone door. He was spare in speech, and he had a soft heart. He had learned all the classic peasant Italian dishes at his mother's knee, and it was he who had wept so bitterly at his mother's dying young.
The Don smiled at him. "I am about to decide your destiny," he said, "and set you on your true path. You will open the finest restaurant in New York. Spare no expense. I want you to show the French what real food is all about." Pippi and the other sons laughed, even Vincent smiled. The Don smiled at him. "You will go to the best cooking school in Europe for a year."
Vincent, though pleased, growled, "What can they teach me?"
The Don gave him a stern look. "Your pastries could be better," he said. "But the main purpose is to learn the finances of running such an enterprise. Who knows, someday you may own a chain of restaurants. Giorgio will give you the money."
The Don turned finally to Petie. Petie was the second and the most cheerful of his sons. He was affable, at twenty-six no more than a boy, but the Don knew he was a throwback to the Sicilian Clericuzio."

 

 1966170-3eca71186ff6b01175337bd141b6730b.jpg
Mario Puzo (15 oktober 1920 – 2 juli 1999)
Cover DVD

 

De biografische data zijn onzeker en berusten op verhalen en legenden, maar de internationale internet encyclopedie Wikipedia geeft 15 oktober 70 v. Chr. als geboortedatum van Publius Vergilius Maro. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voorVergilius op dit blog.

Uit: Het boerenbedrijf (Georgica, fragment)

De bijen

Over de honing,gave van des hemels
dauwen,
een nieuw lied.
- Schenk,Maecenas,ook
dit werk uw aandacht.

Hier ligt te kijk een kleine wereld en
haar wonderen:
aanvoerders onversaagd,een ganse staat,
- zijn volken,
zijn levenswijze,driften en strijd wil
ik ontvouwen.

Klein is het arbeidsveld,niet klein
zijn roem,als gunstig
de goden willen zijn,Apollo hoort mijn
vragen.

Begin met voor de bijenstand een plek
te zoeken
buiten de wind (beladen komen zij waar
wind staat
de korf niet in) en waar geen schaap,
geen bokje stoeiend
trapt op de bloemen,of een koe die
loopt te grazen
de dauw afschudt en poten op het jonge
gras zet.

Geen schubbig hagedisje,scherp
getekend,hoort bij
de voorraadplaats;geen vogels ook,de
bijenwolf of
de zwaluw,'t keeltje bloedbevlekt door
Procne's wandaad,
- want dat zijn grote rovers,die liefst
ook het bijtje
snappen in hun vlucht:goed voer voor
hun vraatzuchtig broedsel.

 

Vertaald door Ida Gerhardt

 

 1966170-2f57b7558766280ab95196c3e3199e47.jpg
Vergilius (15 oktober 70 v. Chr. - 21 september 19 voor Chr.)
Vergilius op een mozaïek (detail) uit de 3e eeuw, Tunis, Nationaal Museum Bardo

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Kees Beekmans werd geboren in 1961. Zie ook alle tags voor Kees Beekmans op dit blog en ook mijn blog van 15 oktober 2010.

Uit: Tussen hoofddoek en string

“Dat soort opmerkingen vindt Brahim leuk en ik vind het leuk om Brahim te zien lachen, zijn plezier is zo echt. Maar waarom, vraag ik, wil je eigenlijk met haar stoppen, het is toch een leuke meid? En wat ik ervan gezien heb, hebben ze het toch niet slecht samen? Op dat moment realiseer ik me dat ik eigenlijk niets van hun relatie weet. Hoe vaak ze afspreken, waar ze dat doen, of ze wel eens bij elkaar over de vloer zijn geweest, dus elkaars ouders kennen, of ze seks hebben en zo ja waar want thuis kan dat niet en beiden wonen nog thuis – nee, ik weet helemaal niet hoe dat hier gaat, niet getrouwd zijn maar een relatie hebben. Brahim valt stil. Ik vraag maar gewoon of hij wel eens met haar naar bed is geweest. Hij begint weer te lachen – ook uit verlegenheid nu – en dan vertelt hij me eerlijk dat ze wel seks hebben maar dat ze niet met elkaar naar bed gaan, ‘dus geen penetratie,’ verduidelijkt hij, ‘maar verder doen we alles.’ Hij vertelt me zelfs, in de termen van de geneeskundestudent, dat ze ‘de penis en de vagina tegen elkaar aan wrijven’ – en zo gedetailleerd had het voor mij nu ook weer niet gehoeven, op dit moment merk ik weer hoe jong Brahim nog is, wat onhandig nog. Een en ander speelt zich af in een bertoesj. Een bertoesj, vertelt Brahim me, fungeert als toevluchtsoord voor hen die nog bij hun ouders wonen en geen privacy hebben. Ik begrijp dat het probleem in Marokko vergelijkbaar is met dat in andere mediterrane landen waar kinderen bij hun ouders blijven wonen totdat ze trouwen. In ItaliÎ is het de auto die dienstdoet als lustoord, wie in Italie is geweest of Italiaanse films heeft gezien kent het wel, die kleine fiatjes op parkeerplaatsen die in het holst van de nacht met beslagen raampjes op hun wielen staan te schudden. En als ik me niet vergis is in Frankrijk de garáonniere nog altijd courant, de vrijgezellenkamer. In Marokko heet het een bertoesj. Later zal Brahim me er nog eens mee naartoe nemen, en het eerste woord dan in me opkomt is rattenhol.”

 

 1966170-d4d3e9957ec6e1e69ad9e4dc0c52bb8c.jpg
Kees Beekmans (1961)
Cover

Geschreven door Romenu om 12:55 Reageer op dit bericht

Alfred Neumann

De Duitse schrijver Alfred Neumann werd geboren op 15 oktober 1895 in Lautenburg als zoon van een joodse houtindustrieel en bracht zijn jeugd door in Berlijn, Rostock en Franstalig Zwitserland. Vanaf 1913 studeerde hij kunstgeschiedenis en na WO I promoveerde hij. In München werkte hij eerst als lector bij een uitgeverij, van 1918 tot 1920 als dramaturg van de Kammerspiele en als freelance schrijver. Neumann emigreerde in 1933, woonde tot 1938 in Fiesole, toen in Nice en vanaf 1941 in Los Angeles, waar hij Amerikaans staatsburger werd. In 1949 keerde hij terug naar Europa en vestigde zich in Florence. De vroege novelle “Lehrer Taussig” is nog schatplichtig aan het expressionisme, maar al gauw kwam hij in de verleiding om het beeldende ruimtegevoel van de barok stilistisch om te zetten in de taal van de kunst. Het historische onderwerp, waar hij zich op richtte bood hem altijd een gelegenheid om de diepten van de menselijke ziel te verkennen. De schelmenroman “Narrenspiegel” gaat over het avontuurlijke leven van de eeuwig failliete hertog vab Liegnitz Heinrich, die ooit het Hugenotleger aanvoerde en bijna koning van Polen werd. De roman “Der Patriot” speelt zich af voor de historische achtergrond van de moord op tsaar Paul I en werd in 1928 succesvol verfilmd met Emil Jannings in de hoofdrol. Tijdens zijn tijd in Californië schreef hij de roman “Der Pakt” over de Amerikaanse kolonel William Walker, die in de 19de eeuw tot president van Nicaragua werd gekozen, maar het land in een dictatuur veranderde.

 Uit: Strange Conquest (Der Pakt, vertaald door Ransom T. Taylor)

“They pushed through the roadblock and ran along the houses in two columns without losing a single man. They received fire, but it was irregular, inaccurate, and seemingly hesitant. Two men were lost at the next roadblock and here it became apparent that the enemy took poor aim, fired too high, and couldn’t face a frontal attack, especially when the attackers yelled. The Falange got through.
But then there was yelling behind them in their own tongue, terrible in its agony. Now they knew that one of the two who had gone down before the roadblock had not been dead, but would be soon. They wanted to go back.
“Keep going!” roared Kewen, brandishing his pistol.
They got a few paces further, then drew fire from every window, and behind them the road block closed like a cattle gate.
“Keep going!” Kewen yelled, and they snarled at him like angry dogs. He dropped his pistol, stunned by their mutiny.
They crawled into the two nearest houses on their right and left and, roaring with rage, cleaned them of five snipers each. They cleaned them out with their bayonets.
They didn’t budge from those holes. Five of them now lay outside, between the two houses, and two lay back by the roadblock. That made seven. Jonny Felice lay in the outskirts of the town. That made eight. In Tola under the rattling coconuts lay Crocker. That made nine.
Achilles Kewen was still around. He popped back and forth between the two houses, made speeches, insulted the troops, wasted his luxuriant stock of Kentucky curses on them. They didn”t budge from their holes. Every time he skipped across the street, he was fired on, and finally it got too much for him, or he lost his head. He planted himself in the middle of the street and yelled: “You yellow bastards! You yellow bastards!” He yelled it only twice. Then he ripped his mouth wide open as for a huge laugh, and only when he pitched forward did anyone see the hole in his forehead. Now there were ten gone.”

 

 2076262-46b132925febf3866c07f31a99cb03e0.jpg
Alfred Neumann (15 oktober 1895 - 3 oktober 1952)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Riekus Waskowsky

De Nederlandse dichter Hendericus Mattheus (Riekus) Waskowsky werd geboren in Rotterdam op 15 oktober 1932. Eén van zijn overgrootvaders was een Poolse vuurtorenwachter die in het midden van de negentiende eeuw aan de Nederlandse kusten terechtkwam; hij bracht de naam Waskowsky naar Nederland. Riekus kampte met een zwakke gezondheid: astmatische aanleg. Hij las al vroeg alles wat los en vast zat, Na de oorlog doorliep Riekus eerst de Mulo en vervolgens de Hogere Burger School. Hierna bezorgde zijn vader hem een baantje in de BP-raffinaderij bij de Rotterdamse haven. Na zijn werk in de fabriek bracht hij anderhalf jaar door in militaire dienst, en pas daarna begaf hij zich naar Amsterdam om sociale psychologie te studeren. In dit vak behaalde hij midden jaren vijftig zijn kandidaatsexamen, daarnaast volgde hij colleges in politieke wetenschappen en filosofie. In 1964 werden er voor het eerst gedichten gepubliceerd in een ‘officieel’ literair tijdschrift, “Vandaag”. Waskowsky’s naam als dichter raakte langzaam gevestigd. In 1968 kreeg hij de Alice van Nahuys-prijs voor zijn debuut “Tant pis pour le clown”. In 1968 verscheen zijn tweede bundel “Slechts de namen der grote drinkers leven voort” opnieuw waren de kritieken overwegend positief. Behalve met het schrijven van eigen werk hield hij zich ook bezig met het vertalen van het werk van anderen. Uit het Spaans vertaalde hij onder andere gedichten van Pablo Neruda. Hij vertaalde ook “Zwart kwaad” van Evelyn Waugh. Riekus Waskowsky was onder meer bevriend met Jules Deelder, aan wie hij het gedicht Op de sien opdroeg, en met Gerrit Komrij en J.P. Guépin.

 

Archeoloog

Hij is niet gelukkig nu langzaam
na jaren voorbereiding zijn handen
de bedolven stad bevrijden.

Kranten en vakbladen
zullen over zijn vondsten juichen -
maar hij is niet gelukkig.

Oude vormen van wanhoop, de resten van het leven
dat hij aarzelend blootlegt, vullen zijn hart.

1200 jaar voor Christus sterft hij dan
bij de verwoesting van Mycene.

 

 

‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen...’

Het is dezelfde verwarring, Trutje - na alle
opwinding en rook heb ik mij uitgestrekt op

de vloer - ondanks de vrienden in lachkick.
‘Hoe voel je je nou?’ vragen ze en ‘Mm’ zeg ik

met moeite en dan springt een aankomend magier
op (kompleet met blikken kruis en plastic

doodshoofd) en buldert: ‘Luister, o aarde
luister, de laatste geheimen zijn nu ontsluierd’.

Maar wat weten de vrienden in godsnaam van de
vrienden? Er zijn momenten waarop er een zoete

rook van begrip in deze bouwvallige woning
kringelt... A perfect understanding - zoals toen

je knipoogde op het ogenblik dat ik mij in je
gruwelijk amuseerde... Maar het is dezelfde

verwarring - onverbiddelijk komt het moment
waarop je je afvraagt of de vrienden wel een ik

zijn (het is nooit gegeven, je kan het hoogstens
veronderstellen naar analogie van jezelf).

Toen de rook was opgetrokken, Trutje, kwamen
de tranen waarmee je terugging naar je man.

 

 2059065-e861a48a52881fc33a12434449914a99.gif
Riekus Waskowsky (15 oktober 1932 - 14 april 1977)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

E. E. Cummings, Maarten van der Graaff, Péter Nádas, Katha Pollitt, Daniël Rovers, Katherine Mansfield, Margarete Susman, Stefan Żeromski

De Amerikaanse dichter en schrijver Edward Estlin Cummings werd geboren in Cambridge, Massachusetts op 14 oktober 1894. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor E. E. Cummings op dit blog.

 

My Love

my love
thy hair is one kingdom
  the king whereof is darkness
thy forehead is a flight of flowers

thy head is a quick forest
  filled with sleeping birds
thy breasts are swarms of white bees
  upon the bough of thy body
thy body to me is April
in whose armpits is the approach of spring

thy thighs are white horses yoked to a chariot
  of kings
they are the striking of a good minstrel
between them is always a pleasant song

my love
thy head is a casket
  of the cool jewel of thy mind
the hair of thy head is one warrior
  innocent of defeat
thy hair upon thy shoulders is an army
  with victory and with trumpets

thy legs are the trees of dreaming
whose fruit is the very eatage of forgetfulness

thy lips are satraps in scarlet
  in whose kiss is the combinings of kings
thy wrists
are holy
  which are the keepers of the keys of thy blood
thy feet upon thy ankles are flowers in vases
  of silver

in thy beauty is the dilemma of flutes

  thy eyes are the betrayal
of bells comprehended through incense

 

 

Who Knows If The Moon’s

who knows if the moon’s
a baloon,coming out of a keen city
in the sky—filled with pretty people?
(and if you and i should

get into it,if they
should take me and take you into their baloon,
why then
we’d go up higher with all the pretty people

than houses and steeples and clouds:
go sailing
away and away sailing into a keen
city which nobody’s ever visited,where

always
            it’s
                   Spring)and everyone’s
in love and flowers pick themselves

 

 1965950-d438fb9cc1bfb0a28bb7f65be5c7f53d.jpg
E. E. Cummings (14 oktober 1894 - 3 september 1962)
Zelfportret 1958 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Maarten van der Graaff werd geboren op 14 oktober 1987 in Dirksland. Zie ook alle tags voor Maarten van der Graaf op dit blog.

 

De grote verscheidenheid

Van minuut tot minuut zou er niets van mij overblijven.
Een wandeling met aan weerskanten bedwelmende aspecten leerde mij dit.
Ik brak een angst aan die hier op had gewacht.
Het aanbreken van een angst na jaren van plompe,
aromatische stilte is niet niks, maar ook zeker geen spektakel.
De extremiteit ervan wordt binnensmonds ervaren.
Ik zou het je willen toefluisteren, maar moet mijn systemen
in acht nemen.

De locaties waar wij kwamen waren motoren van een sadistisch raadsel.
Een raadsel dat door sadisten was bedacht, maar ook een eigen sadisme bezat,
dat er niet door de makers was ingelegd.
Toen wij ons afgrijzen lieten blijken wees men ons op
de grote verscheidenheid.
Wij moesten toch toegeven dat de grote verscheidenheid indrukwekkend was
en ongeëvenaard. Wij zagen ons genoodzaakt hierin te overnachten.
Na vier nachten besloten wij te vluchten. Na vier nachten reden wij,
met gedoofde koplampen, de bedwelmende aspecten in.
Het was stil, wij leken niet te worden opgemerkt. Voor ons was geen plaats
en geen omgeving om een plaats in te hebben.
De locaties stelden ons voor vragen.
Bevonden wij ons op de graden van de grote verscheidenheid
of waren wij buiten zicht?
Wij sliepen dag na dag in zonder dit te weten.

 

 1965950-291fb88ca5db9bd75c4d5743bed85cd8.jpg
Maarten van der Graaff (Dirksland, 14 oktober 1987)

 

 

De Hongaarse schrijver Péter Nádas werd geboren op 14 oktober 1942 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Péter Nádas op dit blog.

Uit: Parallel Stories (Vertaald door Imre Goldstein) 

“In that memorable year when the famous Berlin wall came down, a corpse was discovered in the Tiergarten not far from the graying marble statue of Queen Louise. This happened a few days before Christmas.
The corpse was that of a well-groomed man of about fifty, and everything he wore or had on him appeared to be of better quality.
At first glance a gentleman of some consequence, a banker or a senior manager. Snow was falling slowly, but it was not very cold, so the flakes melted on the paths of the park; only the blades of grass retained a white edge. The investigators did everything by the book and, because of the weather conditions, worked quickly. They closed off the area and proceeding clockwise in a narrowing spiral course searched it thoroughly so they could record and secure all existing clues. Behind an improvised screen of black plastic sheets, they carefully undressed the corpse but found no signs indicating suicide.
A young man who ran in the park every dawn had discovered the body. He was the only one the investigators could question. It had been completely dark when he set out, and he ran almost every day on the same path at the same time.
Had it not been so, had not everything been routine and habit, had not every stone and shadow been engraved in his mind's eye, he most probably would not have discovered the body. The light of distant streetlamps barely reached this far. The reason he noticed the body, lying on and half dangling off a bench, was, he explained excitedly to the policemen, because on the dark coat the snow had not melted at all. And as he was running at a steady pace, he related a bit too loudly, the whiteness flashed into his eyes from the side.
While he was talking, several men busied themselves inside the roped-off area. They were working, one might say, in ideal conditions; there was not a soul in the park besides them, no nosy curiosity seekers. Using a flashbulb, one of the men photographed something on the bare, wet ground that two forensic technicians had already labeled with a number.”

 

 1965950-8ba52a7fb91cbad8d28a543210a76b1f.jpg
Péter Nádas (Boedapest,14 oktober 1942)

 

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Katha Pollit op dit blog.

 

Two Cats

It's better to be a cat than to be a human.
Not because of their much-noted grace and beauty—
their beauty wins them no added pleasure, grace is
only a cat's way

of getting without fuss from one place to another—
but because they see things as they are. Cats never mistake a
saucer of milk for a declaration of passion
or the crook of your knees for

a permanent address. Observing two cats on a sunporch,
you might think of them as a pair of Florentine bravoes
awaiting through slitted eyes the least lapse of attention—
then slash! the stiletto

or alternately as a long-married couple, who hardly
notice each other but find it somehow a comfort
sharing the couch, the evening news, the cocoa.
Both these ideas

are wrong. Two cats together are like two strangers
cast up by different storms on the same desert island
who manage to guard, despite the utter absence
of privacy, chocolate,

useful domestic articles, reading material,
their separate solitudes. They would not dream of
telling each other their dreams, or the plots of old movies,
or inventing a bookful

of coconut recipes. Where we would long ago have
frantically shredded our underwear into signal
flags and be dancing obscenely about on the shore in
a desperate frenzy,

they merely shift on their haunches, calm as two stoics
weighing the probable odds of the soul's immortality,
as if to say, if a ship should happen along we'll
be rescued. If not, not.

 

 1965950-a817b3eac9aff8d9d71348434b3f3f4a.jpg
Katha Pollitt (New York,14 oktober 1949)

 

De Nederlandse schrijver Daniël Rovers werd geboren in Zelhem op 14 oktober 1975. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voot Daniël Rovers op dit blog.

Uit:Walter

“Peeters was een man van weinig woorden in de tijd die voorafging aan zijn eerste preek. Snel trok hij priesterhemd en kazuifel over de toog aan, en gebaarde ongeduldig – ‘spoit-u!’ – dat de jongens zijn voorbeeld moesten volgen.
Walter hield het witte gewaad voor zich uit en rook er aan. Lichter en tegelijk ouder werd je ervan. Achter de deur zwol het geroezemoes aan. Peeters hief zijn hand en wees naar de klok, nog één minuut en het zou acht uur zijn. Een minuut duurt zestig tellen, een tel één vingerknip. Peeters streek een lucifer af en liet de wierookkorrels in het koperen scheepje op twee plaatsen ontbranden, en gaf het Zeger in handen; Walter nam de belstok van de tafel. De jongens rechtten hun rug. Niet wandelen maar schrijden, statig als de koningen van Jeruzalem.
Peeters opende de deur en ging voorop. Walter volgde, al wilden zijn knieën niet. Een hart kan zo groot worden dat het in de keel gaat kloppen. Rustig adem blijven halen en dan stap voor stap verder gaan.
Gedrieën liepen ze naar het altaar. Het lichtgroene kazuifel, met stiksels van gouddraad, had Peeters in Parijs laten maken voor zijn vijfentwintigjarig priesterjubileum. Aan de binnenzijde was een rechthoekig stuk stof genaaid, met daarin geborduurd de naam van de fabriek, frères esselinx, paris. Peeters glom als een koe die zojuist heeft gekalfd. In Parijs leefden zo veel mensen dat sommigen er onder een brug moesten slapen.
Wierook maakte de lucht kruidig en mistig, zoals het in de hemel was. De parochianen zaten geknield in de banken, en van sommigen stond de mond open, alsof ze in het land der blinden verbleven, en een lange slaapwandeling hen naar de kerk had gebracht. Peeters maakte een kruisteken bij het bereiken van het altaar. Het gewicht van de belstok rustte in Walters rechterhand; nu moest hij een eerste maal op de plavuizen vloer stampen.”

 1965950-058c7a1bd47669b4deff1289e591a8d9.jpg
Daniël Rovers (Zelhem, 14 oktober 1975)

 

 

De Nieuw-Zeelandse schrijfster Katherine Mansfield werd geboren op 14 oktober 1888 in Wellington. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Katherine Mansfield op dit blog.

Uit: The Journey To Bruges

“I knew you'd be doin' that,” he said, airily. “I nearly come and stop you. I seen you from' ere.”
I dropped into a smoking compartment with four young men, two of whom were saying good-bye to a pale youth with a cane. “Well, good-bye, old chap. It's frightfully good of you to have come down. I knew you. I knew the same old slouch. Now, look here, when we come back we'll have a night of it. What? Ripping of you to have come, old man.” This from an enthusiast, who lit a cigar as the train swung out, turned to his companion and said, “Frightfully nice chap, but—lord—what a bore!” His companion, who was dressed entirely in mole, even unto his socks and hair, smiled gently. I think his brain must have been the same colour: he proved so gentle and sympathetic a listener. In the opposite corner to me sat a beautiful young Frenchman with curly hair and a watch-chain from which dangled a silver fish, a ring, a silver shoe, and a medal. He stared out of the window the whole time, faintly twitching his nose. Of the remaining member there was nothing to be seen from behind his luggage but a pair of tan shoes and a copy of The Snark's Summer Annual.
“Look here, old man,” said the Enthusiast, “I want to change all our places. You know those arrangements you've made—I want to cut them out altogether. Do you mind?”
“No,” said the Mole, faintly. “But why?”
“Well, I was thinking it over in bed last night, and I'm hanged if I can see the good of us paying fifteen bob if we don't want to. You see what I mean?” The Mole took off his pince-nez and breathed on them. “Now I don't want to unsettle you,” went on the Enthusiast, “because, after all, it's your party—you asked me. I wouldn't upset it for anything, but—there you are—you see—what?”
Suggested the Mole: “I'm afraid people will be down on me for taking you abroad.”
Straightway the other told him how sought after he had been. From far and near, people who were full up for the entire month of August had written and begged for him. He wrung the Mole's heart by enumerating those longing homes and vacant chairs dotted all over England, until the Mole deliberated between crying and going to sleep. He chose the latter.”

 1965950-665f6fe34619c2f06c91aca2ddd6984d.jpg
Katherine Mansfield (14 oktober 1888 – 9 januari 1923)
Cover

 

De Duitse dichteres, schrijfster en filosofe Margarete Susman werd geboren op 14 oktober 1872 in Hamburg. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Margarete Susman op dit blog.

 

Johannisnacht

Blaue Johannisnacht
Lass uns über die Hügel gehn
Neunerlei Blumen zu brechen,
Kraut und Nesseln lassen wir stehn -
Wer will uns den Segen sprechen
Ehe der Tag erwacht?
Blaue ]ohannisnacht
Lass uns über die Hügel gehen -
Vielleicht dort hinten im Weiten
Werden wir leuchten sehn
Seliger, hlühender Zeiten
Tiefgeträumte Pracht. -
Blaue ]ohannisnacht
Lass uns über die Hügel gehn
Neunerlei Blumen deuten
Neun der Monde gläubig und schön,
Neun der zittetnd gefreuten -
Bis sich die Augen erschliessen
Die wie Blumen entspriesen,
Augen, aus denen die Zukunft lacht.
Blaue Johannisnacht.

 

 

Südlicher Mittag

Du Tal, das tief der Sonne Zeichen trägt.
Dich schliessen brennend klare Hügellketten
Hier mögen der versiegten Ströme Betten
Erinn’rung einzig da Geliebten retten:
Die Form, darein er flutend sie geprägt.

Vielleicht zu dieser Stunde eine Rast -
Der stumme weisse Mittag naht dem Tale,
Ein Zauber ruht in seiner klaren Schale;
Ein Schläfemdes entzittert jedem Strahle,
Des Lichtes Leben starrt zu heissem Glast.

Das Auge sinkt - zunächst dem Licht verwandt,
Doch leis und scheu umkreist mich noch das Leben:
Ich sehe halb der Falter stilles Schweben,
Der Hügelketten sanft verschlungnes Heben,
Die Riesenähren nah in goldnem Brand.

Der Blumen Lieberwillen füllt den Raum;
Ihn führt der Wind auf seiner seidnen Schwinge,
Ihm werden Boten matte Schmetterlinge
- Das wirre Abenteuer aller Dinge
Befällt mich wie ein grenzenloser Traum.

 

 1965950-6cf2f152fe6e23cb98ec80e97ae70490.jpg
Margarete Susman (14 oktober 1872 - 16 januari 1966)

 

 

De Poolse schrijver Stefan Żeromski werd geboren op 14 oktober 1864 in Strawczyn in de buurt van Kielce. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Stefan Żeromski op dit blog.

Uit: The Faithful River (Vertaald door Bill Johnston)

"Which of you will dare to say that he’ll defeat those who come here in the night to torment innocent people like us? And if you can’t defeat them, which of you dared to unleash the savagery that they brought here in their souls from the cruel snows? Do you have in yourselves a strength that is equal to their savagery and is capable of crushing that evil?"
Olbromski [a leading figure in the uprising] was silent. She gave a sob and went on with her accusations: "The Russian soldiers burn down manor houses and kill the wounded on the battlefields. The farmers tie up the insurgents—"
He interrupted her in a different, hard voice: "You prefer their savagery to wounds and death? That savagery will reign over you for all time!"
"It already does, in spite of all the wounds."
"The Polish tribe has found itself between millstones of destruction: the Germans and Moscow. It must either become a millstone itself or be ground up as fodder for the other two. There is no other choice. Any further discussion is superfluous."
"What can we believe in? What can we live by?"
(…)

In those few days Salomea and Józef Odrowąż’s mother grew so close together that they became as one person. They communicated with each other by thoughts; above all, the feelings of each were an open book for the other. What for anyone else was only a word, a name, was for them the entire world. One understood the other’s emotions, could recognize them when they were merely referred to, could see them for what they were, and could move about them as if they were a land in another world, filled with hills, flower-covered valleys, cliffs, and deathly ravines. While the injured man slept, they sat in each other’s arms and recounted their impressions and their memories. A thousand times over Salomea divulged all the vicissitudes of the young man’s stay at the manor, all the stages of his sufferings, the mishaps, sorrows, and joys. For the mother it was all so fascinating and perpetually of interest that Salomea had to repeat it over and again.”

 

1965950-d080e201c5d0db14fc1a51eab01fcf6a.jpg
Stefan Żeromski (14 oktober 1864 - 20 november 1925)
DVD-cover voor de film “Wierna rzeka” (Engels: The Faithful River) uit 1983

Geschreven door Romenu om 18:18 Reageer op dit bericht

Philip Winkler

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver Philip Winkler werd in 1986 geboren in Neustadt am Rübenberge en groeide op in Hagenburg bij Hannover. Winkler studeerde Creatief Schrijven en Culturele Journalistiek aan de Universiteit van Hildesheim. Hij verbleef enige tijd in het buitenland: Kosovo, Albanië, Servië en Japan. Hij publiceerde in verschillende bloemlezingen en Bella Triste en ontving in 2008 de Joseph Heinrich Colbin Prijs voor het korte verhaal “Sommertage” en in 2015 voor fragmenten uit “Hool” de Retzhof Prijs voor jonge literatuur van Literaturhaus Graz. Zijn debuutroman “Hool” werd al voor de publicatie door critici geprezen en belandde op de shortlist voor de Deutsche Buchpreis. Winkler woont tegenwoordig in Leipzig.

Uit: Hool

“Ich wärme meinen neuen Zahnschutz in der Hand an. Wende ihn mit den Fingern und presse ihn etwas zusammen. So mache ich es vor jedem Kampf. Das Gelmaterial bleibt stabil, gibt nur wenig nach. Das ist ein Top-Ding.
Was Besseres kann man nicht bekommen. Individuell vom Zahntechniker hergestellt. Keines dieser Billoteile aus Massenproduktion, die man nach zwei Wochen gleich wieder in die Tonne kloppen kann, weil dir die Kanten ins Zahnfleisch schneiden. Oder weil man wegen der beschissenen Passform und dem chemischen Kunststoffgeruch andauernd einen Würgreiz kriegt. Bis auf Jojo mit seinem mageren
Hausmeistergehalt haben wir inzwischen fast alle so einen Zahnschutz. Kai, der immer den feinsten Shit haben muss.
Ulf. Der kann das mal locker aus der Portokasse zahlen. Tomek, Töller. Und einige unserer Jungs, die entsprechende Jobs haben. Onkel Axel sowieso. Der hat den Zahntechniker vor ein paar Jahren aufgetan. Hat sich auf Kontaktsportarten spezialisiert und versorgt Kampfsportler in ganz Deutschland. Wie man hört, sollen auch welche von den Frankfurtern zu dem gehen und einige Jungs aus dem Osten. Aus Dresden und Halle, die Zwickauer. Müssen bestimmt ihren Monatssatz Hartz IV dafür hinblättern, denke ich und fahre die durchgestanzten Atemlöcher mit der Fingerspitze ab.
»Ey, Heiko!« Kai stößt mich in die Seite. »Handy klingelt.« Das Discounterhandy brummt zwischen uns auf dem Sitz. Mit zittrigen Fingern greife ich danach. Mein Onkel beobachtet mich im Seitenspiegel. Ich drücke auf die Taste mit dem grünen Hörer.
»Wo seid ihr? Wir warten«, kommt die Stimme von dem Kölner, mit dem ich das Match vereinbart habe, aus der Muschel. Ich kurble die Scheibe runter, um besser rausschauen zu können, suche nach irgendwelchen Anhaltspunkten.
»Sind bei Olpe von der B 55 ab. Müssten gleich da sein.«
»In der Wüste lang. Zweiten Kreisel rechts raus. Am Bratzkopf durch bis kurz hinterm Ortsausgang. Links kommt der Wald. Könnt ihr nich’ verfehlen.«
Bevor er auflegt, erinnere ich ihn noch mal an die Abmachung. Fünfzehn Mann auf jeder Seite. Dann lege ich auf.”

 

 1969285-ec9e2c7e31a1a2d93a7e8221453c2174.jpg
Philip Winkler (Neustadt am Rübenberge, 1986)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Colin Channer, Herman Franke, Sebastian Fitzek, Richard Howard, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie, Frank Witzel

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Colin Channer op dit blog.

Uit: The Girl with the Golden Shoes

“So while the others ran, she hid behind the almond tree and watched in fearful fascination as the creature loomed.
It wasn’t until the mask had been removed that Estrella, who’d never been to school or traveled much on her tiny island, understood that what she thought had been a monster was a human being—a scuba diver in a rubber suit.
She stepped out from behind the tree and walked toward him in her old blue frock with eyelet lace around the hem, hips moving widely underneath the faded fabric, giving insight to the marvel of her shape. She was tall and big-boned with mannish shoulders and a long face with sharp cheeks. Her eyes were bright and slanted, and although her skin was darker than a Coke, she had a length of wavy hair.
“What are you wearing?” she asked in English, which she rarely had the need to use, since everyone around her spoke Sancoche.
“It lets me breathe beneath the water.”
They talked for several minutes, during which he explained some of his duties; then he disappeared below the surf.
In Sancoche, her native dialect, Estrella kept repeating as the ripples disappeared, “I never even thought to dream of seeing a thing like that.”

 

 1965630-27fc32b37f965c121fea8f1ac0c75260.jpg
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Franke op dit blog.

Uit: De ziel van Nederland

“Dat was anders toen ik die openingszin van mijn eerste roman schreef. Ik deed onderzoek en gaf les aan de universiteit. Ik had wetenschappelijke artikelen en boeken geschreven, onder meer over de doodstraf, die later in dit verhaal nog ter sprake zal komen. In de lente van dat jaar was ik – met hooggeleerde oppositie en ‘hora est’ en al – als sociologisch geschoold criminoloog gepromoveerd op Twee eeuwen gevangen, een bijna duizend bladzijden dik proefschrift over de geschiedenis van de gevangenisstraf vanaf het einde van de achttiende eeuw. Ik wist bij het tikken van die openingszin dus goed wat wetenschappelijk betogen is. En ik besefte tot in mijn vingertoppen dat Nisbet ongelijk had met zijn gelijkschakeling van kunst en wetenschap. Mijn gezicht paste zich aan bij dit besef. Ik kreeg een januskop.
Dat proefschrift van mij wemelt van de noten, 2129 welgeteld, en de bibliografie telt honderden titels. Ik wist dus ook wat het is om echt research te doen. Ik had me voor dat proefschrift zelfs, als een echte schrijver, zal ik maar zeggen, een nacht laten opsluiten in een negentiende-eeuwse cel van drie bij vier meter. Maar qua wetenschappelijk onderzoek stelde dat niets voor, zoals ook mijn research in Berlijn ten tijde van de Wiedervereinigung in 1989 wetenschappelijk geen waarde had, maar mijn eerste roman had ik zonder dat verblijf niet kunnen schrijven. Alles wat ik zag, las en hoorde, filterde ik door de zeef van een verhaal dat ik hoopte te kunnen vertellen. Dat mag als je schrijver bent, maar wetenschappers die met zo’n vooringenomen houding hun onderzoek verrichten deugen niet, wat beslist niet wil zeggen dat ze niet bestaan.
Tussen wetenschappelijk onderzoek en schrijversresearch zit een wereld van verschil. Wetenschappelijke onderzoekers willen weten welke antwoorden de waarneembare werkelijkheid geeft op vragen die zij gesteld hebben. Zij willen verzinsels scheiden van de objectieve werkelijkheid, wat zelden lukt, maar het gaat om de intentie. Als zij schrijven, willen ze hun lezers op basis van hun onderzoek met hun redeneringen overtuigen van de juistheid van hun kennis. Zij zijn uit op bewijzen. Kortom: zij betogen, ook als hun betoog in feite vol fictie zit.”

 

 1965630-3754d556d77584ba192d275672d42ee3.jpg
Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)

 

 

De Duitse schrijver en journalist Sebastian David Fitzek werd geboren op 13 oktober 1971 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Sebastian Fitzek op dit blog.

Uit: Das Paket

„Als Emma die Tür zum Schlafzimmer ihrer Eltern öffnete, ahnte sie nicht, dass sie dies zum letzten Mal tun würde. Nie wieder würde sie sich, mit einem Stoffelefanten bewaffnet, nachts um halb eins an ihre Mutter kuscheln, vorsichtig bemüht, Papa beim Ins-Bett-Krabbeln nicht aufzuwecken, der im Traum mit den Füßen strampelte, zusammenhanglose Worte murmelte oder mit den Zähnen knirschte.
Heute strampelte, murmelte oder knirschte er nicht. Heute wimmerte er nur.
»Papa?«
Emma tapste von der Dunkelheit des Flurs ins Schlafzimmer. Das Licht des Vollmonds, der über Berlin in diesen Frühlingsnächten wie eine Mitternachtssonne thronte, fiel mit einem quecksilbrigen Schimmer durch die zugezogenen Gardinen.
Mit zusammengekniffenen Augen, über denen Emmas Pony wie ein kastanienbrauner Vorhang hing, konnte sie die Umgebung erahnen: die Rattantruhe am Fußende, die gläsernen Nachttische, die das ausladende Bett flankierten, den Schrank mit den Schiebetüren, in dem sie sich früher manchmal versteckt hatte.
Bis Arthur in ihr Leben trat und ihr das Versteckspielen verleidete.
»Papa?«, flüsterte Emma und tastete nach dem nackten Fuß ihres Vaters, der unter der Bettdecke hervorstach.
Sie selbst trug nur eine einzelne Socke, und auch die hing ihr kaum noch an den Zehen. Die andere hatte sie im Schlaf verloren, irgendwo auf dem Weg vom Einhorn-Glitzerschloss zum Tal der silbergrauen Flugspinne, die ihr im Traum manchmal Angst einjagte.
Aber nicht so viel Angst, wie ich sie vor Arthur habe.
Obwohl der ihr immer wieder versicherte, er wäre nicht böse. Aber konnte sie ihm vertrauen?"

 

 1965630-8e1fa02d048d5fbe65f9ef2f9852bcaf.jpg
Sebastian Fitzek (Berlijn, 13 oktober 1971)

 

 

De Amerikaanse dichter, literair criticus, essayist en vertaler Richard Joseph Howard werd geboren op 13 oktober 1929 in Cleveland, Ohio. Zie ook alle tags voor Richard Howard op dit blog.

 

Another Translator

The first one just happened to be there, a little like
Everest or the General’s nose
(remarkable eminences, both)
and also happened to be me, a daunted witness
of that weird Parisian ritual of the Sixties,
a de Gaulle press conference, summoned
since I was in Paris at the time
and had been his (or one of his) paraphrasts of prose
concerned with what the General preferred to call (un-
translatably) la chose allemande.

The occasion was particularly rare because
Mme de Gaulle was at his side and
(even rarer) willing to answer
questions, provided of course such inquiries observed
the mandates of Presidential privacy. Of course.
But after several anodine
approximations ofpolitesse
on the part of the Fourth Estate, a Herald- Tribune
reporter brought proceedings to a heart-stopping halt:
“What do you regard, Mme de Gaulle,

as the chief significance of life?” And with a sad smile,
after a moment, Yvonne de Gaulle
(whose life had after all included
the death of a soldier son in that same German Thing)
flabbergastcd us all by speaking three syllables:
“A penis.” And with an interval
of no more than five seconds, a hand
(with perhaps military promptitude) descended
on her shoulder: “I believe the English word you mean,
ma chén'e, is pronounced “Hap-pi-ness.”

 

 1965630-0a7a57ba902363299fe8132149c7bc05.jpg
Richard Howard (Cleveland, 13 oktober 1929)

 

 

De Albanese dichter Migjeni (eigen. Millosh Gjergj Nikolla) werd geboren op 13 oktober 1911 in Shkodra. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Migjeni op dit blog.

 

Poem Of Poverty (Fragment)

Poverty, brothers, is a mouthful that's hard to swallow,
A bite that sticks in your throat and leaves you in sorrow,
When you watch the pale faces and rheumy eyes
Observing you like ghosts and holding out thin hands;
Behind you they lie, stretched out
Their whole lives through, until the moment of death.
Above them in the air, as if in disdain,
Crosses and stony minarets pierce the sky,
Prophets and saints in many colours radiate splendour.
And poverty feels betrayed.

Poverty carries its own vile imprint,
It is hideous, repulsive, disgusting.
The brow that bears it, the eyes that express it,
The lips that try in vain to hide it
Are the offspring of ignorance, the victims of disdain,
The filthy scraps flung from the table
At which for centuries
Some pitiless, insatiable dog has fed.
Poverty has no good fortune, only rags,
The tattered banners of a hope
Shattered by broken promises.

Poverty wallows in debauchery.
In dark corners, together with dogs, rats, cats,
On mouldy, stinking, filthy mattresses,
Naked breasts exposed, sallow dirty bodies,
With feelings overwhelmed by bestial desire,
They bite, devour, suck, kiss the sullied lips,
And in unbridled lust the thirst is quenched,
The craving stilled, and self-consciousness lost.
Here is the source of the imbeciles, the servants and the beggars
Who will tomorrow be born to fill the streets.

 1965630-52163bcb9a837324809dd47552c03b03.jpg
Migjeni (13 oktober 1911 – 26 augustus 1938)
Cover

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Arna Wendell Bontemps werd geboren op 13 oktober 1902 in Alexandria in Louisiana. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Arna Wendell Bontemps op dit blog.

Uit: Popo and Fifina (Samen met Langston Hughes)

“From the rear of their tiny caravan, Popo could see the members of his family stretched along the road, one after another, like a line of ducks. First was Papa Jean himself, a big powerful black man with the back torn out of his shirt.
He wore a broad turned-up straw hat and a pair of soiled white trousers; but, like all peasants of Haiti, he was barefooted. He walked proudly, and there was a happy bounce in his step as he led his little family toward the town of his dreams.
Next came Mamma Anna with the baby, Pensia, swinging from her side as Haitian babies do.
Mamma Anna was also barefootcd, and she wore a simple peasant dress and a bright peasant headcloth of red and green. She was a strong woman with high glossy cheek bones. She followed her husband stcp for step in the dusty road. The two loaded burros came next. They were shaggy animals, and their heads were lowered as they trudged along. Great bright- winged flies rode on their flanks and buzzed around their heads.
Fifina, Popo’s ten-year-old sister, walked so close behind the second burro that she could reach out her hand and smack him on the flanks if he stopped to nibble grass on the roadside. She wore a little blue dress that reached her knees.
But Popo, who walked behind her, was only eight, and all he wore was a shirt that didn’t even reach his waist. At home he wouldn’t have been wearing this; but when a person is making a long journey to an important town like Cape Haiti, he has to dress up a little. So Popo had worn his Sunday clothes. And Sunday c1othes for black peasant boys in Haiti usually consist of nothing more than the single shirt Popo was wearing to town.
Like all dressed-up people, Popo was proud of himself this afternoon. He was proud also to be going to town to live by the ocean and to see new wonders.”

 

1965630-0a63320cf3c08bebd412a236671d75cd.jpg
Arna Wendell Bontemps (13 oktober 1902 – 4 juni 1973)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Conrad Richter werd geboren op 13 oktober 1890 in Pine Grove, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Conrad Richter op dit blog.

Uit: The Light in the Forest

„The day his father told him, the boy made up his mind. Never would he give up his Indian life. Never! When no one saw him, he crept away from the village. From an old campfire, he blackened his face. Up above Pockhapockink, which means the stream between two hills, he had once found a hollow tree. Now he hid himself in it. He thought only he knew the existence of that tree and was dismayed when his father tracked him to it. It was humiliating to be taken back with his blackened face and tied up in his father's cabin like some prisoner to be burned at the stake. When his father led him out next morning, he knew everybody watched: his mother and sisters, the townspeople, his uncle and aunt, his cousins and his favorite cousin, Half Arrow, with whom he had ever fished, hunted and played. Seldom had they been separated even for a single day.
All morning on the path with his father, crazy thoughts ran like squirrels in the boy's head. Never before had he know his father to be in the wrong. Could it be that he was in the right now? Had he unknowingly left a little white blood in the boy's veins and was it for this that he must be returned? Then they came in sight of the ugly log redoubts and pale tents of the white army, and the boy felt sure there was in his body not a drop of blood that knew these things. At the sight and smells of the white man, strong aversion and loathing came over him.
He tried with all his young strength to get away. His father had to hold him hard. In the end he dragged him twisting and yelling over the ground to the council house of the whites and threw him on the leaves that had been spread around.”

 

 1965630-0e00eaeb225890c809f31d6392e82a47.jpg
Conrad Richter (13 oktober 1890 – 30 oktober 1968)
Scene uit de film "The Light in the Forest" uit 1958

 

 

De Britse romanschrijfster en gewezen politica Edwina Currie werd geboren in Liverpool op 13 oktober 1946.Zie ook alle tags voor Edwina Currie op dit blog en ook mijn blog van 13 oktober 2010.

Uit: Diaries

“Tower House, Friday, April 25, 5.50pm
The Lichfield session was brilliant: Patrick told wonderful stories about Princess Margaret (his cousin) and other notables. My favourite was about how he tried to buy a piece of land on Mustique, adjacent to hers.
The negotiations were long and ultimately unsuccessful. Following the last two-hour session with solicitors, Patrick gave up.
As he left, he heard Margaret say to Sir Michael Farrar, her solicitor, ‘You see, Sir Michael, Patrick comes from the side of the family without the Jewish blood."


1965630-8b0764a7895f11c9b4c0fd7161068a29.jpg

Edwina Currie (Liverpool, 13 oktober 1946)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver en muzikant. Frank Witzel werd geboren in 1955 in Wiesbaden. Zie ook alle tags voor Frank Witzel op dit blog.

Uit: Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch depressiven Teenager im Sommer 1969

„Vorsichtig schauen wir auf die Straße. Die Bullen sind nirgendwo zu sehen. Los, schnell! Wir laufen die Weihergasse nach links runter und biegen rechts in die Feldstraße ein, dann zum Bahndamm und wieder rechts Richtung Schrott Wiedemann. Wir müssen uns trennen, sagt Claudia. Ja, sage ich, wenn ich um sieben nicht daheim bin, krieg ich sowieso Ärger. Ich muss erst um acht da sein, sagt Bernd. Am besten wir sehen uns ein paar Tage nicht. Wir nicken. Und wenn die Bullen bei einem vorbeikommen, dann sofort die anderen anrufen. Aber, was sollen wir sagen? Einfach sagen, es geht um die Mathe Hausaufgabe vom Montag. Mathe Hausaufgabe Montag, okay. Dann weiß jeder Bescheid. Ansonsten Samstag um vier an der Lohmühle. Ich muss Samstag zur Beichte, kommt nicht außerdem Beat-Club? Dann um halb sechs, okay?
Am Abend um zwanzig nach acht im Schlafanzug in der Tür zum Fernsehzimmer beim Gute-Nacht-Sagen versuche ich, einen Blick auf den Fernseher zu erhaschen, sehe verwackelte Aufnahmen von rennenden Männern auf nassen Straßen und bekomme wieder Angst. Nein, das waren wir nicht. Aber sie schienen die Suche noch nicht aufgegeben zu haben. Es kommt ein Phantombild mit Bleistift gezeichnet, aber zum Glück sind die Haare viel länger, weil ich erst letzte Woche wieder zum Frisör musste und sie mir zur Zeit noch nicht mal mehr über die Ohren gehen. Aber der vorgeschobene Unterkiefer, das könnte ich schon sein. Und dann das nächste Bild. Eine Frau diesmal. Nein, auch nicht Claudia. Claudia sieht ganz anders aus, da stimmt aber auch gar nichts, sie hat ganz andere Augen, und die Lippen sind auch nicht so schmal.
Dann wird etwas von einem Bekennerbrief erzählt, aber wir haben uns zu nichts bekannt. Noch nie, also auch vorher nicht. Einmal haben wir was zusammen geschrieben, aber nicht abgeschickt und außerdem gleich verbrannt, also, ich habs mitge-nommen und auf dem Heimweg durch den Henkellpark, als gerade niemand kam, angezündet und auf den Kiesweg geworfen und dann noch, als es ganz verbrannt war, die Rußflocken auseinandergetreten.“

 

1965630-0716e31d7f952fdd83177d91920bc81f.jpg
Frank Witzel (Wiesbaden, 1955)

Geschreven door Romenu om 17:18 Reageer op dit bericht

Nobelprijs voor Literatuur 2016 voor Bob Dylan

Nobelprijs voor Literatuur 2016 voor Bob Dylan

 

De Nobelprijs voor de Literatuur is dit jaar toegekend aan de Amerikaanse zanger, songwriter en dichter Bob Dylan. Bob Dylan werd geboren als Robert Allen Zimmerman op 24 mei 1941 in Duluth, Minnesota. Zie ook alle tags voor Bob Dylan op dit blog

 

Mr. Tambourine Man

Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
I'm not sleepy and there is no place I'm going to
Hey !
Mr Tambourine Man, play a song for me
In the jingle jangle morning I'll come followin' you.
Though I know that evenin's empire has returned into sand
Vanished from my hand
Left me blindly here to stand but still not sleeping
My weariness amazes me, I'm branded on my feet
I have no one to meet
And the ancient empty street's too dead for dreaming.

Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
I'm not sleepy and there is no place I'm going to
Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
In the jingle jangle morning I'll come followin' you.

Take me on a trip upon your magic swirlin' ship
My senses have been stripped, my hands can't feel to grip
My toes too numb to step, wait only for my boot heels
To be wanderin'
I'm ready to go anywhere, I'm ready for to fade
Into my own parade, cast your dancing spell my way
I promise to go under it.

Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
I'm not sleepy and there is no place I'm going to
Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
In the jingle jangle morning I'll come followin' you.

Though you might hear laughin', spinnin' swingin' madly across the sun
It's not aimed at anyone, it's just escapin' on the run
And but for the sky there are no fences facin'
And if you hear vague traces of skippin' reels of rhyme
To your tambourine in time, it's just a ragged clown behind
I wouldn't pay it any mind, it's just a shadow you're
Seein' that he's chasing.

Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
I'm not sleepy and there is no place I'm going to
Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
In the jingle jangle morning I'll come followin' you.

Then take me disappearin' through the smoke rings of my mind
Down the foggy ruins of time, far past the frozen leaves
The haunted, frightened trees, out to the windy beach
Far from the twisted reach of crazy sorrow
Yes, to dance beneath the diamond sky with one hand waving free
Silhouetted by the sea, circled by the circus sands
With all memory and fate driven deep beneath the waves
Let me forget about today until tomorrow.

Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
I'm not sleepy and there is no place I'm going to
Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
In the jingle jangle morning I'll come followin' you.

 

 1965626-37db00596db1a46d9f661a4936d4cefb.jpg
Bob Dylan (Duluth, 24 mei 1941)

 

 






Geschreven door Romenu om 16:53 Reageer op dit bericht

In Memoriam Dario Fo

 

In Memoriam Dario Fo

De Italiaanse schrijver, regisseur en acteur Dario Fo die in 1997 de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg, is op 90-jarige leeftijd overleden. Dat meldt de Italiaanse regering. Dario Fo werd geboren in Leggiuno-Sangiamo op 24 maart 1926. Zie ook alle tags voor Dario Fo op dit blog.

Uit: Mistero Buffo (Mary at the Cross, vertaald door Ed Emery)

“SOLDIER: I told you before, lady! there is only one way to make him happy: kill him at once. If you want to hurry it up and take that lance leaning over there, we soldiers will pretend not to see, and you must run up under the cross and stick the point into him with all your strength, stick the lance right into his belly, right in, and then, in a moment, you will see Christ die. [The Madonna faints] What's the matter? Why did she faint? I never even touched her!
MAN: Lay her out... do it gently... and give her room to breathe...
WOMAN: Let's have something to cover her with... she's shivering with the cold...
OTHER MAN: I left my cloak at home...
MAN: Move aside there... Help me to lay her out...
OTHER MAN: And now be quiet and let her recover.
MARY: [As if in a dream] Who are you, up there, young man, I sem to know you. What is it that you want from me?
WOMAN: She's talking in her sleep, she's confused... she's having visions...
GABRIEL: I am Gabriel, the Anel of the Lord. I am he, oh Virgin, the herald of your solitary and delicate love.
MARY: Go spread your wings, Gabriel. return to the radiant joys of Heaven, for there is nothing for you on this vile earth, in this tormented world. Go, so that you do not soil your wings, with their feathers coloured in gentle colours... Don't you see the mud... and the blood... dung and filth...? It's like a sewer... Go, so that your delicate ears are not burst asunder with this desperate crying, the pleading and weeping that arises on all sides. Go, so that you do not sear your bright eyes looking at sores and scabs and boils and flies and worms creeping forth from torn bodies of the dead.
You are not used to this, because in Paradise you have no wailing and lamentation, or wars, or prisons, or men hanged, or women raped. In Paradise there is no hunger, no starvation, nobody sweating with work, wearing themselves to the bone, no children without smiles, no women out of their mids with grief, nobody who suffers to pay the price of original sin. Go, Gabriel, go, Gabriel.
GABRIEL: Grief-stricken woman, whom suffering has struck even in her belly, now I understand clearly... Now that this torment has seized you, seeing the young Lord God nailed up... at this moment, I too understand, just like you...
MARY: You understand, just like me, just lik me? Gabriel, did you bear my son in your swelling belly? Did you bite you lip so as not to scream with pain while giving birth to him? Did you feed him? Did you give him the milk from your breast, Gabriel? Did ou suffer when he was sick with fever, when he was down with measles, and did you stay up all night comforting him when he was crying with his first teeth? No, Gabriel? Well, if you didn't go through all that, then you cannot speak of sharing my grief at this moment...
GABRIEL: You're right, Mary... Forgive my presumption. I said it because my heart is breaking within me. I who thought that I was above all suffering. But I come to remind you that it is just this, your song, this lament without a voice, this plaint without sobs, this, your sacrifice, and the sacrifice of your son, which will tear apart the heavens, and which will enable men for the first time to enter Paradise!”

 

 1965576-f3b560c75315a687597d6918d404767c.jpg
Dario Fo (24 maart 1926 – 13 oktober 2016)

Geschreven door Romenu om 12:33 Reageer op dit bericht

Jeet Thayil

De Indiase dichter, schrijver, librettist en muzikant Jeet Thayil werd geboren op 13 oktober 1959 in Kerala als zoon van de auteur en redacteur TJS George, die op verschillende plaatsen in India, in Hong Kong en New York heeft gewerkt. Thayil werd vooral in het buitenland opgeleid. Hij behaalde een Master in Fine Arts aan het Sarah Lawrence College (New York), en hij heeft beurzen prijzen gekregen van o.a. de New York Foundation for the Arts, de Zwitserse Raad voor de Kunsten, de British Council en de Rockefeller Foundation. Zijn eerste roman, Narcopolis (2011) speelt grotendeels in Bombay in de jaren '70 en '80, en vertelt de geheime geschiedenis van de stad, toen opium plaats maakte voor de nieuwe goedkope heroïne. Thayil is redacteur van het “Bloodaxe Book of Contemporary Indian Poets” (2008), “60 Indian Poets”, (2008) en een verzameling van essays “Divided Time: India and the End of Diaspora” (2006) en van een bloemlezing van Indische poëzie (2015). Ook schreef hij het libretto voor de opera “Babur in Londen”, in opdracht van de Britse Opera Group met muziek van de in Zurich gevestigde Britse componist Edward Rushton. De wereldpremière van de opera vond plaats in Zwitserland in 2012, gevolgd door reizen naar het Verenigd Koninkrijk (Londen en Oxford) en India. De kern van het werk is een verkenning van de complexiteit van geloof en multiculturalisme in het hedendaagse Groot-Brittannië. Thayil is ook bekend als een performance dichter en alsmuzikant. Als songwriter en gitarist is hij de ene helft van het hedendaagse muziek project Sridhar / Thayil. In 2012 kreeg hij voor de dichtbundel “These Errors are Correct” de Sahitya Akademi Award voor Engels. Zijn roman stond op de short list voor de Man Booker Prize 2012 en de Hindu Literary Prize (2013).

 

The Penitent

I'm back where my life and I parted ways.
I'm talking to the coffeemaker, to the face
towels folded by the sink, to the air
conditioner that conspires with my enemies. Even now,
in the midst of my extremity my eyes are dry,
and if I jump repeatedly against the window
I can tell myself I'm being lifted by a great joy -
until the glass smites my face and I cry out
your old name. The room is empty, lonely
as a still life, but the water stains speak
with your voice, Honor me, honor everything.

 

 

To Baudelaire

I am over you at last, in Mexico City,
in a white space high above the street,
my hands steady, the walls unmoving.
It's warm here, and safe, and even in winter
the rain is benign. Some mornings I let
the sounds of the plaza - a fruit seller,
a boy acrobat, a woman selling
impossible fictions - pile up in a corner
of the room. I'm not saying I'm happy
but I am healthy and my money's my own.
Sometimes when I walk in the market
past the chickens and the pig smoke,
I think of you - your big talk and wolf's heart,
your Bonaparte hair and eyes of Poe.
I don't miss you. I don't miss you when
I open a window and light fills the room
like water pouring into a paper cup,
or when I see a woman's white dress shine
like new coins and I know I could follow
my feet to the river and let my life go
away from me. At times like this,
if I catch myself talking to you,
I'm always surprised at the words I hear
of regret and dumb boyish devotion.

 

 

 2004124-5dd21d1c4127098336176f6f326a37cb.jpg
Jeet Thayil (Kerala, 13 oktober 1959)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Eugenio Montale, Stefaan van den Bremt, Robert Fitzgerald, Paul Engle, Ann Petry, Louis Hemon, Paula von Preradović

De Vlaamse dichter en essayist Stefaan van den Bremt werd geboren in Aalst op 12 oktober 1941. Zie ook mijn blog van 12 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Stefaan van den Bremt op dit blog.

 

In Newtons boomgaard

Ik wacht tot de appel niet ver
van de boom valt of de zwaarte
ontstijgt. De appel is rood
en hardstelig; hij hecht aan
zijn tak, zwelt welbehaaglijk.

Ik heb tijd zat. De appel
weet niet dat de zwaarte
kracht, wet is, dat de tak
zijn dracht moe wordt.
Het is herfst: appeltijd.

De appel doet of ik ver
van de boom of lucht ben
voor hem. De appel bloost
van opwinding. Zou hij
vallen? Wordt het dit keer

zweven?

 

 

Schaduw en licht

1
Wat avondjapons onthulden
deed kroonluchters lachen of huilen.
Wat ochtendjurken verrieden
was wat vroeg daglicht verdroeg.
Maar al wat op bloesjesdag
rakelings aan je voorbijging!
Nee, niet aan je voorbij, het bleef
een lente lang als een schaduw
van bloeiende meisjes bij.


2
Een lente lang als een schaduw
van breekbare benen die lengen
en rakelings blijven opdagen.
Wat ochtend koeltjes onthulde
als straatlantarens uithuilen.
Wat avond luchtig verried –
al wat geen daglicht kan velen
en in de schaduw wil schuilen
en één schaduw wil strelen

 

 1965356-a73cf38172647ab76b163fdd02d51361.gif
Stefaan van den Bremt (Aalst, 12 oktober 1941)

 

 

De Italiaanse dichter Eugenio Montale werd geboren in Genua op 12 oktober 1896. Zie ook mijn blog van 12 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Eugenio Montale op dit blog.

 

Mittagsstunde

Verlorener Zikade
schwaches Sistrum im Wind,
kaum ertönt schon verklungen
im trägen Dunst.

Aus der Tiefe verzweigt
in uns sich die geheime
Vene; mühsam
hält sich unsre Welt.

Ein Zeichen deiner Hand:
da flimmern in der fahlen Luft
zersetzt die Spuren,
die die Leere nicht verschluckt.

Zu nichts wird dann auch Gebärde,
jede Stimme schweigt,
zu seiner Mündung steigt
hinab das kahle Leben.

 

 

Auf einen ungeschriebenen Brief

Um wimmelnder Tagesfrühen, um weniger
Fäden willen, darin der Knäuel des Lebens
sich verfängt und wieder löst
in Stunden und in Jahre, springen heut die
Delphinenpaare mit den Jungen? Oh, laß mich nichts
hören von dir, laß fliehen mich vor dem Schimmer
deiner Wimpern. Sehr andres ist auf der Erde.

Vergehen und wiederkommen: beides ist schwer.
Es zögert die rote Esse der Nacht,
lang säumt der Abend, das Gebet
ist Qual, und noch ist zwischen den ragenden
Felsen zu dir nicht gelangt die Flasche vom Meer.
Leer bricht sich die Woge

an der Spitze, in Finisterre.

 

 

Lob unserer Zeit

Nicht genug des Guten kann man sagen
von der Wichtigkeit der Welt
(der unsren, mein’ ich),
wohl der einzigen,
in der mit Kunst man töten
und Werke doch der Kunst erschaffen kann,
bestimmt für eines Morgens Dauer –
auch wenn der Morgen aus Jahrtausenden
und mehr besteht. Nein, man kann sie nie
genugsam preisen. Eile freilich
scheint geboten, denn es könnte
die Stunde nicht mehr ferne sein,
da sie im Übermaße sich wird aufgeblasen haben,
wie ein gewisser Frosch in der bekannten Fabel.

 

Vertaald door Herbert Frenzel

 

 1965356-7c5fca7ba59cce56d35184c13c12e48a.jpg
Eugenio Montale (12 oktober 1896 - 12 september 1981)
Portret door Ottone Rosai, 1941

 

 

De Amerikaanse dichter, criticus en vertaler Robert Stuart Fitzgerald werd geboren op 12 oktober 1910 in Springfield, Illinois. Zie ook mijn blog van 12 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Robert Fitzgerald op dit blog.

 

Counselors (Fragment)

For his retreat
The priest lifts up the monstrance, muttering
Abstracted Latin to the tinkle behind him.
Presently they will bawl the Stabat Mater.
And all those years at seminary, reading
St. Basil and Jerome, girding his cassock
For handball in the gritty cement courtyard
Under the swooping smoke of the powerhouse;
And ordination when the folks from Chicago
Wept before the bishop. Mortify
The flesh. Think on thy last end. Pray
The Holy Mother of God in her infinite mercy,
And Him who rests in the dark chapel always,
Where the wick burns in wax, a cuddling flame:
Deduced by Thomas from the tip of heaven.

Or should I tumble to the recumbent
Confessional, and the scientist of distress?
For any child the terror in the night,
The hating eyes by day may be
Death’s cunning orchestration: they prepare
The servant’s cry at last, absolute and lonely.
See this easy gentleman in tweeds,
Deepchested, a swimmer to the farthest light,
Diagnostician of the subaqueous
Faces of dreams: with patience like a lover
He must all day sustain his authority,
Must not be bored, merciful or amused.

Or the anatomist and healer of bones?
Trepanner, skilled in suturing, the masked
And sterile hero in the cone of light;
There the sweet ether cone must be inhaled
With one, two pulses of the fiery spiral
Singing into timeless speed or quiet:
A mound under a sheet, a square of pale
Mortal flesh incised in a seeping line,
Spreading its lips for pretty butchery.

 

 1965356-a7d4ca81b0ecbad59bf433c3dc1efcac.jpg
Robert Fitzgerald (12 oktober 1910 – 16 januari 1985)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Paul Engle werd geboren op 12 oktober 1908 in Cedar Rapids. Zie ook alle tags voor Paul Engle op dit blog en ook mijn blog van 12 oktober 2010.

 

Twenty Below

Twenty below, I said, and closed the door,
A drop of five degrees and going down.
It makes a tautened drum-hide of the floor,
Brittle as leaves each building in the town.
I wonder what would happen to us here
If that hard wind of winter never stopped,
No man again could watch the night grow clear,
The blue thermometer forever dropped.

I hope, you answered, for so cruel a storm
To freeze remoteness from our lives too cold.
Then we could learn, huddled all close, how warm
The hearts of men who live alone too much,
And once, before our death, admit the old
Need of a human nearness, need of touch.

 

 

American Child III

1.
EACH morning she looks up and breathes the sky
And marvels again that night and day are varied.
Breathing, she does not wonder at what cry
of woman, crow or bell that wind has carried.
Each day is an astonishment of breath
She warms by the nourished blood, yet unaware
That all the dark astonishment of death
Is merely the lung emptied of mere air.

She breathes that insubstantial element
That turns to substance: body, nerve and pain.
Yet there are days of absolute content
When all her laughter is a hollow house
Raised against sorrow and the raving rain
While she lives in it like a patient mouse.

 

 1965356-6401b6e374cb6ca55f94a8c18730d9b0.jpg
Paul Engle (12 oktober 1908 – 25 maart 1991)
In 1941

 

De Amerkaanse schrijfster Ann Petry werd geboren op 12 oktober 1908 in Old Saybrook, Connecticut. Zie ook alle tags voor Ann Petry op dit blog en ook mijn blog van 12 oktober 2010.

Uit: The Street

“It was like the Chandlers and their friends in Connecticut, who looked at her and didn't see her, but saw instead a wench with no morals who WOuld be easy to come by. The reporter saw a dead Negro who had attempted to hold up a store, and so he couldn't really see what the man lying on the sidewalk looked like. He couldn't see the ragged shoes, the thin, starved body. He saw, instead, the picture he already had in his mind: a huge, brawny, blustering, ignorant, criminally disposed black man who had run amok with a knife on a spring afternoon in Harlem and who had. in turn been knifed.
She had gone past ‘the bakery shop again the next afternoon. The windows had been smashed, the front door had apparently been broken in, because it was boarded up. There were messages chalked on the sidewalk in front of the store. They all said the same thing: “White man, don’t come back.’ She was surprised to see that there were men still standing around, on the nearest corners, across the street.
Their faces were turned toward the store. They weren’t talking. They were just standing with their hands in their pockets - waiting.
Two police cars with their engines running were drawn up in front of the store. There were two cops right in front of the door, swinging nightSticks. She walked past, thinking that it was like a war that hadn’t got off to a Start yet, though bOth sides were piling up ammunition and reserves and were now wait- in g for anything, any little excuse, a geSture, a word, a sudden loud noise - and poufl it would start.
Lutie moved uneasily on the bed. She pulled the robe more tightly around her. All of these streets were filled with violence, she thought. You turned a corner, walked through a block, and you came on it suddenly, unexpectedly.
Or it was later in the spring that she took Bub to Roundtree Hospital. There was a cold, driving rain and she had hesitated about going out in it. But Bub had fallen on the sidewalk and cut his knee. She had come home from work to find him sitting disconsolately in Pop's kitchen. It was a deep, nasty cut, so she took him to the emergency room at Roundtree in order to find out just how bad it was.”

 

 1965356-37300be74be865d33b27ec0f1d06b948.jpg
Ann Petry (12 oktober 1908 – 28 april 1997)
Hier met haar dochtertje Liz, rond 1940 

 

 

De Franse schrijver Louis Hemon werd geboren op 12 oktober 1880 in Brest in Bretagne. Zie ook alle tags voor Louis Hemon op dit blog en eveneens mijn blog van 12 oktober 2010.

Uit: Maria Chapdelaine

“Un grand éclat de rire lui répondit.
- On les connaît, les cochons de la grand-race à Hormidas. Gros comme des rats, et vifs comme des écureux pour sauter les clôtures.
- Vingt-cinq cents! cria un jeune homme par dérision.
- Cinquante cents!
- Une piastre!
- Ne fais pas le fou, Jean. Ta femme ne te laissera pas payer une piastre pour ce cochon-là.
Jean s'obstina.
- Une piastre. Je ne m'en dédis pas.
Hormidas Bérubé fit une grimace de mépris et attendit d'autres enchères; mais il ne vint que des quolibets et des rires.
Pendant ce temps les femmes avaient commencé à sortir de l'église à leur tour. Jeunes ou vieilles, jolies ou laides, elles étaient presque toutes bien vêtues en des pelisses de fourrure ou des manteaux de drap épais; car pour cette fête unique de leur vie qu'était la messe du dimanche elles avaient abandonné leurs blouses de grosse toile et les jupons en laine du pays, et un étranger se fût étonné de les trouver presque élégantes au coeur de ce pays sauvage, si typiquement françaises parmi les grands bois désolés et la neige, et aussi bien mises à coup sûr, ces paysannes, que la plupart des jeunes bourgeoises des provinces de France.
Cléophas Pesant attendit Louisa Tremblay, qui était seule, et ils s'en allèrent ensemble vers les maisons, le long du trottoir de planches. D'autres se contentèrent d'échanger avec les jeunes filles, au passage, des propos plaisants, les tutoyant du tutoiement facile du pays de Québec, et aussi parce qu'ils avaient presque tous grandi ensemble."

 

 1965356-4667da05e0dd4f0782da78b0034b2d18.JPG
Louis Hemon (12 oktober 1880 - 8 juli 1913)
Affiche

 

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Paula von Preradović werd geboren op 12 oktober 1887 in Wenen. Zie ook alle tags voor Paula von Preradović op dit blog.

Uit: Die Königslegende

„Immer  wenn du königlich und heldisch verfuhrst. Da du auf euren Schiffen die Narenta hinunter segeltest, da man dich krönte, da dein Knabe geboren wurde. Da war ich dir nahe, aber du sahst mich nicht …. Mich sieht nur, wer geprüft und schmerzerfahren ist"
„Warst du auch in der Schlacht an meiner Seite?"
„In der Schlacht floh ich dich, denn du warst der Unterlegene".
„Warum hast du mir nicht geholfen. Warum hast du das Unglück nicht abgewendet?"
„Wir Vilen stärken und vermehren das Glück der Glücklichen. Unglück abzuwenden sind wir nicht gesandt".
(…)

„Warum sagst du – böser Menschen? Weil sie anders wollten als du? Du hast erstrebt und getan, was gegen die wahren Zeichen der Zeit war. Sieh, Slavatz, ich bin unseres heiligen Vaters Benedikt von Nursia demütiger Sohn. Aber sollte man mich eines Tages doch noch auf den Thron rufen, so würde ich folgen, denn ich bin der legitime Erbe. Nicht aus Lust und Ehrsucht würde ich folgen, sondern aus Pflicht. Und dann würde ich mit Gottes Hilfe versuchen, den heiligen Willen und Brauch des Volkes, seine tiefe und wilde Liebe zu den eigenen uralten Wurzeln mit der neuen großen Ordnung zu versöhnen, die im Abendland herrscht und die auch das kroatische Volk einbeziehen will.
Wir sind keine Morgenländer. Unsere Berge und unsere Küsten blicken nach Abend. Wir gehören zur abendländischen Christenheit, dem Basileus sind wir viel zu fern."
Und schließlich endet Stjepan mit der Conclusio, dass "unser Volk fest in der eigenen Erde wurzeln, aber nach Westen schauen muss".

 

 1965356-2b97e706094f979b74b6f98573230e8e.jpg
Paula von Preradović (12 oktober 1887 – 25 mei 1951)
Wenen

Geschreven door Romenu om 18:16 Reageer op dit bericht

Daniel Falb, Conrad Ferdinand Meyer, Han Resink, Gertrud von Le Fort, François Mauriac, Christoph Peters, Pierre Jean Jouve

De Duitse dichter en schrijver Daniel Falb werd geboren op 11 oktober 1977 in Kassel. Zie ook alle tags voor Daniel Falb op dit blog.

 

auf dem werksgelände leben

auf dem werksgelände leben. die in sich zurück laufende quelle....... das herz zahlt
die leber.

says the infant, ich werde sehr bald sterben.... bringe die stets wieder aufstehenden
clowns in den boden ein.

....dieses individuum sei eine herde, die, indem sie weiterzog, auf anderen körpern
zu grasen begann. die nach dem schneeballsystem arbeitenden gesellschafter.  

wieviele mahlzeiten kannst du heute abend einnehmen........ ohne von den eigenen
fortschritten erdrückt zu werden. die hochbegabten unter den opfern.

landschaften aus erwartung,......... einsehbar wie ein vorgarten. wir erkennen darin
den waldbrand, darunter das grundwasser.

ihr leuchten ist ihre didaktik........... das nähere regelt ein bundesgesetz. wie häufig
kannst du heute abend schlafen gehen. a thousand years.

 

register beim amtsgericht

register beim amtsgericht, ein voller Spielplatz an geräuschen fliegt aus ihm auf, unleugbar stimmlich, dringt an mein ohr. die leiblich-geistige organpersönlichkeit entfaltet nun ganz ihr geschäftiges brausen, einzel-, doppelzimmer und eine lizenzierte begrüßung: im dasein.

........ franchise, der nehmer liegt in ihrem core, der lizenzierte prozess der herstellung eines
gemachten bettes, bei ibis in beuteln zusammengedrängter staub, mein blick an die decke der transaktionen, an welche der gefiederte seelenwagen stößt: es sind wohl tausend stromentnahmen, tausend verworrene signaturen. ich tanze im liegen, dreifacher tupftritt tupftritt tupftritt, lizenziertes chassé. unter meinen fußen bildet sich ein wegesystem, der rennsteig, über den ich, chassé, zu meinem recht kommen werde, pflichten zu haben.

 

1965040-d5ff843914e043f2fcff1a507911cdef.jpg
Daniel Falb (Kassel, 11 oktober 1977)

 

 

De Zwitserse dichter en schrijver Conrad Ferdinand Meyer werd geboren in Zürich op 11 oktober 1825. Zie ook mijn blog van 11 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Conrad Ferdinand Meyer op dit blog.

 

Unter den Sternen

Wer in der Sonne kämpft, ein Sohn der Erde,
Und feurig geisselt das Gespann der Pferde,
Wer brünstig ringt nach eines Zieles Ferne,
Von Staub umwölkt – wie glaubte der die Sterne?

Doch das Gespann erlahmt, die Pfade dunkeln,
Die ewgen Lichter fangen an zu funkeln,
Die heiligen Gesetze werden sichtbar.
Das Kampfgeschrei verstummt. Der Tag ist richtbar.

 

 

Mein Jahr

Nicht vom letzten Schlittengleise
Bis zum neuen Flockentraum
Zähl ich auf der Lebensreise
Den erfüllten Jahresraum.

Nicht vom ersten frischen Singen,
Das im Wald geboren ist,
Bis die Zweige wieder klingen,
Dauert mir die Jahresfrist.

Von der Kelter nicht zur Kelter
Dreht sich mir des Jahres Schwung,
Nein, in Flammen werd ich älter
Und in Flammen wieder jung.

Von dem ersten Blitze heuer,
Der aus dunkler Wolke sprang,
Bis zu neuem Himmelsfeuer
Rechn ich meinen Jahresgang.

 

 

Abendwolke

So stille ruht im Hafen
Das tiefe Wasser dort,
Die Ruder sind entschlafen,
Die Schifflein sind im Port.

Nur oben in dem Äther
Der lauen Maiennacht
Dort segelt noch ein später
Friedfertger Ferge sacht.

Die Barke still und dunkel
Fährt hin in Dämmerschein
Und leisem Sterngefunkel
Am Himmel und hinein.

 

 1965040-6d467e5357e04ae2fa3fca30a54a42d4.png
Conrad Ferdinand Meyer (11 oktober 1825 - 28 november 1898)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Christoph Peters werd geboren op 11 oktober 1966 in Kalkar. Zie ook alle tags voor Christoph Peters op dit blog en ook mijn blog van 11 oktober 2009 en ook mijn blog van 11 oktober 2010.

Uit: Kommen und gehen

Schlimm dies Jahr", sagte Karl, "die Kirschen aber noch schlimmer."
Ich überlegte, warum Ria, Grete und ich später aßen, und fand keinen Grund.
"Willst du noch Suppe?"
"Ja."
"Ich hab auch dicke Bohnen gekocht."
"Dann lieber nicht."
Dicke Bohnen mit Mettwurst waren Karls Leibgericht. Nach der dritten Portion sagte er: "Danke, ich platz gleich" und pflügte weiter bis vier, da kam er zu Kaffee und Kuchen herein, obwohl Mist an seinem Ärmel klebte. Um sieben machte Ria ihm Schinkenbrote mit Gurke, hartem Ei und reichlich Butter. Neben der Bierflasche lag in einem Umschlag Geld.
"Als Ria und ich so alt waren wie du", sagte Karl, "mußten wir bei Hochwasser mit dem Kahn zur Schule."
Ich nickte.
"Sonst zu Fuß", sagte Ria, "jeden Morgen eine halbe Stunde in Holzschuhen."
"Ihr in Holzschuhen, wir nicht."
"Stimmt. Ihr hattet richtige Schuhe."
"Ria und ich sind immer zusammen gegangen."
"Nicht immer."
"Aber meistens."
"Und erst war Messe."
Danach lud er seinen Pflug auf den Anhänger und fuhr nach Hause. Den Umschlag ließ er liegen.
Nachdem Karl gefahren war, redeten Ria und Grete kein Wort miteinander. Auch am nächsten Tag nicht. Ihr Schweigen dauerte eine volle Woche, was jedoch nicht ungewöhnlich war. Daß es in Zusammenhang mit Karls Besuchen stand, ist mir aber erst sehr viel später klargeworden. Als Kind nahm ich an, daß Ria Karl gern hatte, während Grete ihn eben nicht mochte, so wie ich Tante Josy nicht leiden konnte, die mein Bruder über alles liebte.“

 

1965040-4e2d1b2d21a23a959e315b553e3bffc2.png
Christoph Peters (Kalkar, 11 oktober 1966)

 

 

De Nederlands / Indonesisch dichter, essayist en geleerde.Gertrudes Johannes (Han) Resink werd geboren in Jogjakarta op 11 oktober 1911. Zie ook alle tags voor Han Resink op dit blog en ook mijn blog van 11 oktober 2010.

 

Hanomans afscheid

Hert heb nog ééns met deze aap erbarmen,
wie je een lievelingsnaam uit een groot
epos gaf toen hij je dierlijke charme,
een blanke huid en donkere haren bood.
En haal, lief wild, mij nog ééns in je armen
en geef je ééns nog in je dijen bloot
en laat je mond nog ééns mijn mond verwarmen
mijn schaam zich ééns nog warmen in je schoot.

Maar neen, je kunt alleen zo bij mij zijn:
je haargolf in de slag van een kwatrijn;
je huid in de opperhuid van een sonnet;
je gang in wat lichtvoetige gedichten
en dan je blik, diep, letterlijk gebed
in het oogwit, dat elk woord stil komt omlichten.

Kwatrijn

Uw vers zij als het balinese beeld,
dat - uit de geest langs het gevoel gespeeld -
uw tederheid zo hard ontglijdt, dat het
uw hand veredelt en uw hart vereelt.

 1965040-ada8779dd2127ebcb7604f5a53849040.gif
Han Resink (11 oktober 1911 – 4 september 1997)
 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Gertrud von Le Fort werd geboren in Minden op 11 oktober 1876. Zie ook mijn blog van 11 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Gertrud von Le Fort op dit blog.

 

Heimweg zur Kirche

I
Ich bin ein Reis aus entwurzeltem Stamm, aber dein Schatten liegt auf meinen Wipfeln wie Hochwaldschatten.

Ich bin eine Schwalbe, die im Herbste nicht heimfand, aber deine Stimme ist wie das Rauschen von Flügeln.

Dein Name tönt mich an wie der Name eines Sternes.

An allen Ufern meiner Augen ist kein Bild, das dir gleichkäme:

Du bist wie eine blühende Säule unter lauter totem Schutt.

Du bist wie ein edler Pokal unter eitlen Scherben!

Könige müssen vor dir verwelken und Heerscharen er blassen, denn ihrer aller
Bruder ist der Wind, aber deine Brüder sind Felsen.

Wer vermöchte zu sprechen, wie du sprichst? Wer müsste nicht am Zorn des
Höchsten vergehen?

Du hebst dein Haupt bis an den Himmel, und dein Scheitel wird nicht versengt,

Du schreitest bis zum Rande der Hölle nieder, und deine Füsse bleiben unversehrt!

Du bekennst Ewigkeit, und deine Seele erschrickt nicht.

Du gebietest Gewissheit, und deine Lippen werden nicht stumm:

Wahrlich, es müssen Wolken von Engeln über dir lagern, und Gewitter von Cherubinen müssen dich decken,

Denn du grünst in deinem Vermessen wie eine Palme in der Wüste, und deine Kinder sind wie ein Feld voller Ähren!

 

 1965040-58c42abd93fe75a34dd9424f98a6e921.jpg
Gertrud von Le Fort (11 oktober 1876 - 1 november 1971)
In 1935 

 

 

De Franse schrijver François Mauriac werd op 11 oktober 1885 geboren in Bordeaux. Zie ook mijn blog van 11 oktober 2010. en eveneens alle tags voor François Mauriac op dit blog.

Uit: A Gide Remembrance (Gide: A Collection of Critical Essays, samengesteld door David Littlejohn)

“This was why his Catholic friends saw him as the apostle of Lucifer. Was it by mere chance that he lived at the center of a furious spiritual battle? The conversion of Jammes and of Dupouey which led to Henri Gheon's return to God, followed by that of Jean de Menasce, of Jacques Copeau, of Charles Du Bos, the exchange of letters with Claudel...There can be no doubt about it, Gide lived in a whirlpool of Grace accepted, Grace repulsed. There were moments when even he seemed to yield, as when he wrote the ardent pages of Numquid et tu. But it was never long before he pulled himself together, and went off, striding down his own especial road, wrapped in his great cloak, with a terrible look of happiness on his face, valuing his joy above all else, that joy when he soon ceased to distinguish from pleasure.
A constant concern in matters of culture and of outward appearance, a perpetual effort, marvelously rewarded, to ennoble his particular type, his easy, distinguished, aristocratic carriage, preserved him from having to play the role of helot, which he left to other, lesser writers who came after him. We must have been living in a strangely unobservant age, ignorant of, or incurious about, contemporary trends, for the award to Andre Gide of the Nobel Prize not to have provoked a movement of amazement, even of terror throughout the world.
Gide's destiny has always seemed to me to have been shot through with the supernatural ... like that of other men, you will say, but that I deny.
For the most part, other men are just sinners, "poor sinners." Gide was not a poor sinner but a strange pilot, towering above a generation dedicated to "curious and gloomy errors," and holding the wheel in a powerful grasp.
What of his work? It is among the most significant of our time. This is not the place to study the influence of his critical thinking, which was embodied in La Nouvelle Revue Francaise, and the establishment of the true values which it set up. For me, Les Nourritures terrestres, L'Immoraliste, Amyntas can never wholly lose the charm with which the fervour of my twentieth year endowed them. But Gide, like Jean-Jacques and Chateaubriand, was one of those writers whose lives are a great deal more interesting than their works. "

1965040-c0e0dc7362a951c9106390d8f5224984.jpg
François Mauriac (11 oktober 1885 - 1 september 1970)

 

 

De Franse dichter en schrijver Pierre Jean Jouve werd geboren op 11 oktober 1887 in Arras. Zie ook alle tags voor Pierre Jean Jouve op dit blog en ook mijn blog van 11 oktober 2008 en ook mijn blog van 11 oktober 2009.

 

Au grand nombre (Fragment uit: Poème contre le grand crime)

(Te voilà dans le crime jusqu’aux yeux; le crime emplit la terre et l’esprit; le crime est dieu;
Tiens-toi ferme au milieu de la houle et ferme les yeux sur les morts,
Sur ceux-là qui sont véritablement tes morts;
Que le crime soit toujours plus grand, que le peuple soit toujours plus malade,
Que le crime soit implacable -comme une peste ou le glissement d’un mont;
Qu’il détruise en dix années l’ouvrage de centaines d’années,
Et puisses-tu sauver tes os, ô gouvernant, dans la tourmente!)
À vous tous,
Je ne vous jette pas une pierre de haine;
Je vous contemple avec des yeux clairs, car le doute n’est pas pour mon coeur un étranger;
J’attire sur vous tous une lumière inhabituelle.
J’ai de vous tristesse et humanité -quand bien même vous me haïriez,
-Et vous me haïssez, je le sais,
Je marcherai demain en tête des victimes.

Ô vous tous,
Je sens que si je ne vous aime point -par quelque voie détournée,
Il me manque le plus précieux;
La vie me manque et n’est-ce pas le plus précieux?
Je sens que si je ne fonde pas, sur vous aussi,
La grande cité des divins compagnons,
La grande cité du monde ne sera jamais fondée.
Et le malheur, et l’esclavage, et la mort continueront comme par le passé.

 

 1965040-af20f9ff5c4241e9c6e8d14978f9749d.jpg
Pierre Jean Jouve (11 oktober 1887 – 8 januari 1976)
The Battle of Vimy Ridge door Richard Jack, ca. 1918

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e oktober ook mijn blog van 11 oktober 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:04 Reageer op dit bericht

Menno Wigman, Ferdinand Bordewijk, Jonathan Littell, Harold Pinter, Boeli van Leeuwen, R. K. Narayan, Eugen Egner

De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Menno Wigman op dit blog

 

Afscheid van mijn lichaam

Waarom, mijn lichaam, was je mij zo weinig waard?
Waarom bleef ik zo koppig tronen in mijn hoofd
en woonde ik mezelf zo hevig uit?

O ja, ik hield van wijn, van zwaar doorrookte feesten,
lucide kaders en oneindig gulle lakens.
Zo leefde ik verlicht mijn tijd aan stukken.

Nu lig ik op een zaal, mijn hart, die logge spier,
verlaat me, laf als een gedicht laat het me staan
en voor het eind van deze avond zakt de dood
mijn longen in.

De zon was mij nooit opgevallen als hij niet
steeds onderging. Geen lucht, geen flonkering, geen hoop.
Waarom, mijn lichaam, heb ik nooit in je geloofd?

 

 

Rien ne va plus

'Ik wou dat ik nooit een gedicht had gezien'
Slauerhoff

Je zult maar zestien zijn en lelijk. Jij bent het.
Maar je wilt dichter worden, melkt de woorden van
Rimbaud en Baudelaire en slurpt je moeders soep
onder vijandig licht. En 's avonds op je kamer
zit je je ouders tegen de vlakte te schrijven,
je dicht en heerst in het geniep over het leven,
een lelijk joch met een duivel tussen zijn dijen
dat ooit de mooiste meisjes zal berijden –
ja en je hand die nu zo woest papier bekrast
houdt op een dag een vlammend boekwerk vast.
Je naam in druk, de schoonheid van een vrouw: het komt,
het komt. Je bent een dichter nu en haast elk meisje
trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk.
Je leeft. Leeft niet. Schuilt steeds verscheurd in een gedicht
en haalt pas adem als je gure schoonheid ziet.
En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.

 

 1964773-af07071f979209fff5f802a30c1d09db.jpg
Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

 

 

De Amerikaanse schrijver Jonathan Littell werd geboren in New York op 10 oktober 1967. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Jonathan Littell op dit blog.

Uit:Syrian Notebooks (Vertaald door Charlotte Mandell)

‘The Free Syrian Army (FSA), made up mostly of Army and secret services deserters disgusted by the repression, still believed its primary mission was defensive, to protect the opposition neighborhoods and the demonstrations from the regime snipers and the feared shabbiha (mafia thugs, mainly Alawite in Homs, formed into militias at the service of the al-Assad family). The Syrian citizen-journalists, like those that helped, guided, and protected us during our stay, still believed that the constant flow of atrocity videos they risked their lives every day to film and upload on YouTube would change the course of things, would shock Western consciousnesses and precipitate strong action against the regime. The people still believed that song, dance, slogans, and prayer were stronger than fear and bullets. They were wrong, of course, and their illusions would soon drown in a river of blood.
America, traumatized by two useless and disastrous wars to the point of forgetting its own founding myth – that of a people rising against tyranny with their hunting guns, helped only by indomitable spirit and idealism – stood back and watched, petrified. Europe, weakened by economic crisis and self-doubt, followed suit, while the regime’s friends, Russia and Iran, occupied every inch of the political space thus made available. And geopolitics is always written with the blood of the people. The day after I left Homs, on February 3, a series of mortar shells targeted the neighborhood of al-Khalidiya, where I had spent so much time, killing over 140 civilians. As Talal Derki, the Syrian director and narrator of the magnificent documentary Return to Homs, comments at that point in his film, this mass murder was the turn of the revolution: “The dream of a revolution with songs and peaceful protests ended.”
I have already described, in the epilogue I wrote a few months after my stay in Homs, the events that followed: the Army’s total destruction and occupation of the “free neighborhood” of Baba ‘Amr, and the beginning of the bitter siege of the opposition neighborhoods in the center. This siege, which leveled large parts of the city, lasted over two years: finally, in May 2014, the exhausted and starved survivors brokered a deal, and were allowed to evacuate the city alive, abandoning the empty ruins to the triumphant regime. This event was hardly noticed in the West; others were captivating our attention.”

 

 1964773-b034605d605fc1503a5977c26cc5ba39.jpg
Jonathan Littell (New York, 10 oktober 1967)

 

 

De Nederlandse schrijver Ferdinand Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Ferdinand Bordewijk op dit blog.

Uit: De vogelverschrikker vlucht voor de vogels

“Men kent die keldertjes welke in de oude stadskern van Amsterdam liggen, enigszins als kleine bloemen, verspreid in een grote drijfschaal. Ze bezitten werkelijk iets bloemachtigs, ze zijn gezellig zoals kleine bloemen zijn. 's Avonds is het er het fleurigst. Er wordt weinig gedronken, meer gerookt, en het meest gezwetst, vooral door jonge kunstenaars. Het zijn dan ook eigenlijk dingetjes voor de jonkheid, en ik ben al de vijftig gepasseerd. Maar ik ben ook ongetrouwd, en dan maakt mijn beroep het wenselijk in bepaalde kunstenaarskringen te verkeren. Ik ben namelijk verslaggever van Het Sein voor plastiek en dans, teken met de initialen J.G., en heet voluit Jan Grams. Nog één bizonderheid: ik ben emotioneel, al bezit ik genoeg zelftucht om er anderen niet mee te hinderen. Het komt ook wel in mijn vak te pas, en ik durf verklaren dat ik daardoor gunstig afsteek bij collega's die zo verstompt zijn geraakt dat ze geen hand zouden uitsteken als een ontsnapte krankzinnige voor hun ogen de Nachtwacht met een kleermakersschaar in tweeën ging knippen. Bij mij is het juist het omgekeerde. Ik raak nog gauwer ontroerd dan in mijn jeugd, en ik moet mij dus meer dan vroeger onder appèl houden.
Mijn oude schoolvriend de zenuwarts is allerminst emotioneel, alleen nieuwsgierig. Hij heeft wat geld, geen enkele patiënt, een lange, asblonde, echt dromerige baard waar hij achter aanloopt alsof hij een slaapwandelaar aan een touwtje heeft, en die hem voorgaat al die keldertjes in. Maar achter zijn baard is hijzelf goed wakker. Hij zwijgt, luistert, en doet zijn best om zich te amuseren. Hij leent nooit, nog geen cent, ook niet aan zijn schoolvriend; hij bewijst zijn genegenheid door andere attenties, waarvan ik er thans een vertellen ga.
Hij had in zijn oren geknoopt dat ik graag eens met ten Bas kennis zou maken, en op een winteravond kwam hij me waarschuwen dat, als ik ten Bas wilde ontmoeten, ik me naar zeker keldertje diende te haasten. Wij gingen dus dadelijk op stap.”

 

 1964773-75f6822f586d34a77e106f7b185ff5f6.jpg
Ferdinand Bordewijk (10 oktober 1884 – 28 april 1965)
Borstbeeld in De Passage in Den Haag 

 

 

De Britse schrijver Harold Pinter werd geboren op 10 oktober 1930 in Londen. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Harold Pinter op dit blog.

Uit:No Man's Land

“Act 1
HIRST: What was he drinking?
SPOONER: Pernod.
Pause
I was impressed, more or less at that point, by an intuition that he possessed a measure of serenity the like of which I had never encountered.
HIRST: What did he say?
SPOONER stares at him.
SPOONER: You expect me to remember what he said?
HIRST: No.
Pause
SPOONER: What he said…all those years ago…is neither here nor there. It was not what he said but possibly the way he sat which has remained with me all my life and has, I am quite sure, made me what I am.
Pause
And I met you at the same pub tonight, although at a different table.
Pause
And I wonder at you, now, as once I wondered at him. But I wilI wonder at you tomorrow, I wonder, as I still wonder at him today?
HIRST: I cannot say.
SPOONER: It cannot be said.”

 

 1964773-5475b32b9fc784f8b4cc56de3bff4105.jpg
Harold Pinter (10 oktober 1930 – 24 december 2008)
Scene uit een opvoering in Sydney, 2011

 

 

De Antilliaanse (Curaçaose) schrijver Willem Cornelis Jacobus (Boeli) van Leeuwen werd geboren op 10 oktober 1922 op Curaçao. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Boeli van Leeuwen op dit blog.

Uit: A Stranger on Earth (Vertaald door Olga E. Roger en Joesph O. Aimone)

“When Maria-Teresa was expecting her first child she became exceptionally ugly; it was as if her body wanted to evidence the knowledge that the child in her womb was conceived without love. Her ankles swelled, and blue veins shot up her calves; below her slender collarbones, her overfull breasts became almost obscene. On her grimy blouse, stains were always visible, from mother's milk dripping superfluously from her breasts. A dull, slightly moronic expression appeared on her face, as one sometimes sees on working class women who are pregnant. She was sick as a dog during the nine months and terribly depressed. However, when the hour of her delivery neared, her eyes became large and clear, and she walked, curiously virginal, behind her enormous belly to the delivery room, where the physician awaited her. She was aware of every sound in the hospital: the cry of a newborn baby, the murmur of the waves against the Rif, and the laughter of blacks in the seedy bar adjoining Casa-Blanca.
Her contractions came with growing speed, and when the pain became so intense that she saw the light on the ceiling explode into a thousand stars, she murmured between clenched jaws, "Dios mio, make this child happier than I have been. Hold Your hand over his head. Protect my child." And for the first time in years, she cried her heart out as she used to do when she would find her father in a sleazy bar and put him to bed. When the child was brought to her by the nurse shortly afterwards, she had a terrible fright, for, in a horrible flash, she saw the hands of a drunk who some weeks ago had drowned between the pontoons of the bridge; the fingers of the baby were also that wet and wrinkled, white with soft nails.
When she returned home from the hospital, and Janchi, clumsily and moved, took the child from her, a rigid resistance in her melted, and that night she gave herself to him with a triumphant cry. But he was completely inhibited because she smelled of mother's milk. He perceived their union as almost incestuous, and her shaven genitals made him fearful: he knew that his son had only recently emerged from that cavity.”

 1964773-a827ba25a0ffba03d4e149274082a6f4.jpg
Boeli van Leeuwen (10 oktober 1922 – 28 november 2007)
Bronzen beeld van Cornelis Zitman, deel van de Premio Boeli van Leeuwen

 

 

De Indiase schrijver Rasipuran Krishnaswami Narayan werd geboren op 10 oktober 1906 in Madras. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009 en ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor R. K. Narayan op dit blog.

Uit: A Tiger for Malgudi

“My story begins with an aged tiger lying in its cage ruminating on its past, beginning with its cubhood and wild days in the jungle, and later life in captivity as a circus star. It attains freedom when it breaks loose from a film-shooting camp and wanders into the town. The terror-stricken public attempts to get it shot but an ascetic who appears on the scene protects and adopts it as a companion.
'Who is he? Where is he from?' are naturally the questions that occur to everyone. But whenever he is asked 'Who are you?' he just says, 'What I am trying to find out.' This sounds like a mere metaphysical quibble, but it is a plain, literal answer to the question. When one is seized with a passion to understand one's self, one has to leave behind all normal life and habitual modes of thought. One becomes an ascetic; the terms sannyasi, sadhu, yogi, or swamiji indicate more or less the same state.
A sannyasi is one who renounces everything and undergoes a complete change of personality. Why one would become a sannyasi is not easily answered - a personal tragedy or frustration, a deeply compelling philosophy of life, or a flash of illumination may drive one to seek a change.
Whatever the cause, when one becomes a sannyasi, one obliterates one's past. A sannyasi is to be taken as he is at the moment. You can never ask a sannyasi about his earlier life. He will never refer to it. It would be a crass, inconsiderate act even to ask a sannyasi his name. He assumes a new name, bearing no mark of his ancestry or class, but indicative of some general beatitude. He has freed himself from all possessions and human ties. Among certain sects, the man will even perform his own funeral ritualistically before becoming a sannyasi.
A sannyasi is a wanderer living on alms, never rooted to any place except when he seeks the seclusion of a cave or forest at some stage for prolonged meditation. »

 

 1964773-433cec4e65b7ef23ca69010e5e15aa65.jpg
R. K. Narayan (10 oktober 1906 – 13 mei 2001)

 

 

De Duitse schrijver, tekenaar en musicus Eugen Egner werd geboren op 10 oktober 1951 in Ingelfingen. Zie ook alle tags voor Eugen Egner op dit blog en ook mijn blog van 10 oktober 2010 en ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit:Aus dem Tagebuch eines Trinkers

„20.02.
ich warf alles nach jedem. ruhe erlangt durch insel-samos.
27.02.
wegen henriette in der "schimpansenbar". verbrüderungsszenen im keller, whisky aus schuhen, zuletzt wieder so eine dreiste person rittlings auf mir. nach heimischer badewanne gesehnt (eierlikör-oberkörper-einreibung), später des nachts urethrale schikane.
01.03.
perfekter tag. spät abends habe ich mir noch ein käsebrot geschmiert und mich draufgesetzt. viel wein.
10.03.
obsession beschlossen: ins treppenhaus schleichen und das entblößte gesäß an die wohnungstür gegenüber drücken. der vergilbte lack muß angenehm kühl sein. wann werd ich es zum ersten mal tun?
11.03.
obsession ist scheiße. anläßlich eiliger flucht vor der nachbarin vom eigenen schlafrock zu fall gebracht. liegengeblieben, totgestellt. tiefe scham, später massives trinken.
19.03.
nachgedacht über die worte eines freundes: "die sonne müßte nachts scheinen, am tage ist es doch sowieso hell." wieder geweint. rum.
04.04.
allein im haus. vorsichtig bällchen in alle zimmer geworfen. keine reaktion. - hastig betrunken, übergeben (5x).“

 

 1964773-8edb48bf4a59bbdd092a7b848f2e93b7.jpg
Eugen Egner (Ingelfingen, 10 oktober 1951)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e oktober ook mijn blog van 10 oktober 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:26 Reageer op dit bericht

Herman Brusselmans, Tadeusz Różewicz, Mário de Andrade, Colin Clark, Victor Klemperer, Marína Tsvetájeva

De Vlaamse schrijver Herman Brusselmans werd geboren in Hamme op 9 oktober 1957. Zie ook mijn blog van 9 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Brusselmans op dit blog.

Uit: De fouten

“Primo, en dat zei ik al, heette m'n vader Gust en niet Maurice. Het was onze overbuurman die Maurice heette en van z’n achternaam niet Brusselmans maar Van Riet. Secundo‚ m’n vader was veehandelaar.Hij had wel professor in de geschiedenis van de Oude Tijden willen worden. naar werd het niet. Omdat hij maar tot z'n dertiende jaar naar school ging. Vanaf dat levensjaar moest hij z‘n eigen vader, Jef Brusselmans, bijstaan in de veehandel die Jef had in Grembergen. Mensen uit die klasse gingen niet langer dan tot hun dertiende of veertiende iaar naar school. Overbuunnan Maurice Van Riet, die nog ouder was dan Jef Brusselmans, was maar tot z’n tiende jaar naar school geweest, waarna hij door z’n ouders naar een aspergelmer gestuurd werd, om daar voor twintig cent per uur de hele dag asperges ofwel te planten ofwel te rooien. Ook hij had gerust professor in de geschiedenis van de Oude Tijden kunnen worden, en als Maurice bij ons op bezoek was zaten hij en m’n vader bij de winterse gloeiende kachel vaak te praten over geschiedkundige onderwerpen. Dan zei Maurice: ‘De Romeinen waren een taai volk, en stonden aan de wieg van vele uitvindingen die ook in deze tijd nog hun nut bewijzen.’
‘Ja, dat weet ik,’ zei m’n vader, ‘zo zijn ze de uitvinders van de fietsbel.’
‘Dat klopt, Gust,’ zei Maurice, ‘maar omdat de fiets nog niet uitgevonden was konden de Romeinen met de fietsbel aanvankelijk weinig uitvreten.’
‘Toen begonnen ze er voor de gein mee te voetballen,’zei m’n vader, ‘en zo konden de blinden er ook mee spelen‚ want als er op de bel getrapt werd klingelde hij en zo wisten de blinden maar de hal was en sc
Michel en Maurice rookte een pijp. In de biografie van Huyghe heet Maurice verkeerdelijk Roger en is hij een niet-roker. De broer van Maurice heette Roger, maar was net als Maurice wel degelijk een roker, in zijn geval Cogetama-sigaren.”

 

 1964367-0855fc8ab4e0c3db156ee593a38253a5.jpg
Herman Brusselmans (Hamme, 9 oktober 1957)

 

 

De Poolse dichter en schrijver Tadeusz Różewicz werd geboren in Radomsko op 9 oktober 1921. Zie ook mijn blog van 9 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Tadeusz Różewicz op dit blog.

 

Leave Us

Forget us
forget our generation
live like humans
forget us

we envied
plants and stones
we evied dogs

I'd rather be a rat
I told her then

I'd rather not be
I'd rather sleep
and wake when war is over
she said her eyes shut

Forget us
don't enquire about our youth
leave us


 

To the Heart

I watched
an expert cook
he would thrust his hand
into the windpipe
pushing it through
into the sheep's
inside
and there in the quick
would grasp the heart
his fingers closing
round the heart
would rip out the heart
with one pull
yes
he certainly was an expert

 

Vertaald door Adam Czerniawski

 

 1964367-1dde0e7b40f40d237862b92ba0e2f14e.jpg
Tadeusz Różewicz (9 oktober 1921 – 24 april 2014)

 

 

De Braziliaanse dichter en schrijver Mário de Andrade werd op 9 oktober 1893 in São Paulo in Brazilië geboren. Zie ook mijn blog van 9 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Mário de Andrade op dit blog.

Uit: Poemas Of The Woman Friend

III
Now it is April, oh my sweet friend,
You leaned over me, like the truth,
I tried to turn and I fixed my face to your body.

We mastered ourselves and put everything in its place.
The sky resumed its position over the earth,
The orange trees all stood up
And in them we made the first sabiá sing.

But the landscape soon went away
Slamming the door, terribly scandalized.

 

 

Mother

Mothers have existed,
And this is quite a problem.
For, so they say, one´s mother
Upsets all sorts of things;
´Tis true she takes on her
Our sins and our mistakes
And it would be much better
If there weren´t any mothers.

However that may be,
When one is finding life
Most difficult, most live,
There´s no one like a mother.
For putting up with us,
Letting us hide our face
In her familiar lap.
"What is the matter, son?"
Of course she knows all right
And yet she asks her question
Pretending she doesn´t know.
Who tell her all sorts of lies,
Which she affects to believe,
And so your sorrow becomes
A mystery between you two.
Do you not see that no lover
Nor other woman alive
Ever sill understand
The truth that we confess
Behind the screen of lies!
Really only a mother…
Really only that lady
Who even while she is holding
Her son´s hot, angry face
Lovingly to her breast,
Pressing against her body,
While smelling his personal odour
Yet still remains a virgin
As does her son as well…
O virgins, give yourselves,
That you may have the right
To that virginity
Which only mothers have!

 

 1964367-ba0cb291d2cfc1f7ef1512da53b19898.jpg
Mário de Andrade (9 oktober 1893 – 25 februari 1945)
Portret door Anita Malfatti, 1921-22

 

 

De Britse schrijver en filmmaker Colin Clark werd geboren op 9 oktober 1932 in Londen. Zie ook alle tags voor Colin Clark op dit blog.

Uit: My Week With Marilyn

“MONDAY 17 SEPTEMBER
‘Marilyn? It’s me. Are you awake?’ Silence.
‘Marilyn. Wake up. It’s Colin. I’ve come to see if you’re all right.’ Silence.
I’d been called to Marilyn’s house by Roger and her assistant. They were worried she’d taken too many pills when she wouldn’t answer the door or respond. I decided there was nothing for it but to climb through the bedroom window.
‘I’m so sorry, Marilyn, I just wanted to make sure you were OK.’
‘Hi, Colin. I thought you’d come. Get in with me.’
‘Marilyn, everyone in the house is very worried, they thought you might be ill.’
I remembered Roger outside the locked bedroom door. ‘What’s going on? Is Miss Monroe all right?’ he whispered.
‘Marilyn’s fine, she’s just asleep. Tell everyone to go to bed. I’ll stay with her and sleep on the sofa. Marilyn’s asked me to stay so I’ll stay.’
By the time I got back to the bed Marilyn was asleep. I suddenly felt very tired myself. Certainly I could not take advantage of a sleeping Marilyn Monroe but half of her huge bed was empty and my eyelids were beginning to droop. Slowly, I lay down on the satin sheets, and fell fast asleep.”


1964367-0c2740e4da1eee292b3750e8a6d5b6af.jpg

Colin Clark (9 oktober 1932-17 december 2002)
Dougray Scott en Michelle Williams als Arthur Miller en Marilyn Monroe
in de film My Week With Marilyn uit 2011

 

 

De Joods-Duitse filoloog en schrijver Victor Klemperer werd geboren in Landsberg an der Warthe (tegenwoordig Gorzów Wielkopolski) op 9 oktober 1881. Zie ook alle tags voor Victor Klemperer op dit blog en ook mijn blog van 9 oktober 2010

Uit: Ich will Zeugnis ablegen bis zum letzten, Tagebücher 1933-1945

„Einen hübschen Abend verlebten wir am 14. 2. bei Köhlers, den "anständigen".
Er wollte nachträglich feiern, daß er Studienassessor geworden, und wollte mir seine Dankbarkeit erweisen. Wir wurden sehr stark unter ausgezeichneten Fruchtsekt gesetzt.
Vor vierzehn Tagen traf ich am Bismarckplatz Wengler, und es fiel mir auf, daß sein Mund verzerrt war und hing. Gleich darauf erhielt ich Nachricht von seiner Erkrankung. Ein "kleiner" Schlaganfall. Der Mann ist Mitte vierzig. Im gleichen Alter starb sein Vater. Ererbte Sklerose oder Folge einer Syphilis. Ich besuchte ihn am letzten Sonnabend. Er war beweglich, sprach, machte guten Eindruck. (Im Liegen.) Aber er ist doch gezeichnet. Tod rings um mich. Die junge Frau Kühn hat einen schweren Herzanfall gehabt, der sechzigjährige Breit eine schwere Herzschwäche. Der Todesgedanke läßt mich keine Stunde mehr aus seinen Krallen.
Am Nachmittag des 4. Februar besuchten wir, in seiner winzigen Werkstatt, den Mann der schönen Maria, den Harfenbauer Kube. Er hat, mit primitiven Mitteln, in monatelanger Arbeit eine ganze Konzertharfe gebaut und zeigte uns das ungemeine Kunstwerk in allen Einzelheiten.
Es stand in den Zeitungen, daß Baeumler als Kandidat für das preußische Kultusministerium unter Hitler genannt wurde. (Neben Krieck!) In einer Abteilungssitzung benahm er sich, als sei er schon Minister. Man beriet die Rettung des schwer bedrohten Pädagogischen Instituts. Die Deutschnationalen wollen die akademische Ausbildung der Lehrer abschaffen. "Sie überschätzenden Einfluß der Deutschnationalen in der Koalition", sagte Baeumler - Politik überall und überall Rechtsterror.“

 

 1964367-dcf9c2beab630041ea981f833dc779bc.jpg
Victor Klemperer (9 oktober 1881 - 11 februari 1960)
Cover

 

 

De Russische dichteres en schrijfster Marina Tsvetájeva werd geboren op 9 oktober 1892 in Moskou. Zie ook alle tags voor Marína Tsvetájeva op dit blog en ook mijn blog van 9 oktober 2010

Uit:Briefwisseling. Marina Tsvetajeva & Rainer Maria Rilke, 1926 (Vertaald door Ronald Bos)

« St. Gilles-sur-Vie, 9 mei 1926
Rainer Maria Rilke!
Mag ik u zo noemen? U, de belichaamde poëzie, moet toch weten dat uw naam alleen al - een gedicht is. Rainer Maria, dat klinkt kerkelijk - en kinderlijk - en ridderlijk. Uw naam rijmt niet met de tijd - komt van vroeger of later - van oudsher. Uw naam heeft het gewild, en u heeft de naam gekozen. (Onze namen kiezen we zelf, wat komt - dat volgt).
Uw doop was de proloog tot uw geheel, en de priester die u doopte, wist werkelijk niet wat hij deed.
U bent niet mijn liefste dichter (‘liefste’ - graad), u bent een natuurverschijning, die niet de mijne kan zijn en waar men niet van houdt, maar bestaat, of (nog te weinig!) het belichaamde vijfde element: de dichtkunst zelf, of (nog te weinig) dat waaruit het dichten ontstaat en dat groter is dan u (U).
Het gaat niet om de mens Rilke (mens: waartoe we gedwongen zijn!), om de geest Rilke, die nog groter is dan de dichter en die eigenlijk voor mij Rilke heet - de Rilke van overmorgen.
U moet zichzelf door/met mijn ogen zien: uw grootsheid door uw grootsheid, zoals ik u zie: uw grootsheid - door de hele afstand.
Wat kan na u een dichter nog doen? Een meester (zoals bijv. Goethe) overwint men, maar u overwinnen - betekent (zou betekenen) de dichtkunst overwinnen. Een dichter is hij die het leven overwint (overwinnen moet).
U bent een onmogelijke opgave voor toekomstige dichters. De dichter die na u komt, moet u zijn, dat betekent dat u nog een keer geboren moet worden.
U geeft de woorden hun eerste betekenis, en de dingen hun eerste woorden (waarden). B.v als u indrukwekkend zegt, zegt u in druk wekkend, zoals het bedoeld was bij het ontstaan. (Nu is ‘indrukwekkend’ alleen een hol uitroepteken.)
In het Russisch had ik dit alles duidelijker gezegd, maar ik wil u niet de moeite laten doen zich in te lezen, ik wil liever de moeite nemen me in te schrijven.”

 

 1964367-ed4018a034630a0e44a390c459450c29.jpg
Marína Tsvetájeva (9 oktober 1892 – 31 augustus 1941)
Cover Duitse uitgave

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 10:55 Reageer op dit bericht

Léopold Senghor, Ivo Andrić, Jens Bjørneboe, Holger Drachmann, Johannes Theodor Baargeld, Christian Reuter

De Senegalese schrijver Léopold Senghor werd geboren op 9 oktober 1906 in het plaatsje Joal aan de Atlantische kust, zo'n 70 kilometer van de Senegalese hoofdstad Dakar. Zie ook mijn blog van 9 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Léopold Senghor op dit blog.

 

In Memoriam

Today is Sunday.
I fear the crowd of my fellows with such faces of stone.
From my glass tower filled with headaches and impatient Ancestors,
I contemplate the roofs and hilltops in the mist.
In the stillness—somber, naked chimneys.
Below them my dead are asleep and my dreams turn to ashes.
All my dreams, blood running freely down the streets
And mixing with blood from the butcher shops.
From this observatory like the outskirts of town
I contemplate my dreams lost along the streets,
Crouched at the foot of the hills like the guides of my race
On the rivers of the Gambia and the Saloum
And now on the Seine at the foot of these hills.
Let me remember my dead!
Yesterday was All Saints’ Day, the solemn anniversary of the Sun,
And I had no dead to honor in any cemetery.
O Forefathers! You who have always refused to die,
Who knew how to resist Death from the Sine to the Seine,
And now in the fragile veins of my indomitable blood,
Guard my dreams as you did your thin-legged migrant sons!
O Ancestors! Defend the roofs of Paris in this dominical fog,
The roofs that protect my dead.
Let me leave this tower so dangerously secure
And descend to the streets, joining my brothers
Who have blue eyes and hard hands.


Vertaald door Melvin Dixon

 

 1964358-b57f55ee269ed6fc9697a98b8129c777.jpg
Léopold Sédar Senghor (9 oktober 1906 - 20 december 2001)

 

 

De Servisch-Kroatische schrijver Ivo Andrić werd geboren op 9 oktober 1892 in het dorpje Dolac in de buurt van Travnik, Bosnië. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 9 oktober 2006 en ook mijn blog van 9 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Ivo Andrić op dit blog.

Uit: The Pasha's Concubine (Vertaald door Joseph Hitrec e.a.)

“In the beginning, after they had just brought her from Travnik, she felt utterly lost. Physical pain took complete hold of her; and it was only when this pain, after the first few nights, began to fade that there arose in her mind, like a torment, a vague yet dark and nagging thought of sin and shame. She was afraid of the Pasha, she loathed that Jewess of his, Sarah, and shied away from daylight and from people. She could not sleep, yet even in her dreams felt herself damned.
Nevertheless, she gradually came to terms with Sarah, who was taciturn and good and who did her work and helped in everything with a kind of melancholy friendliness. Getting accustomed to the Pasha and his caresses was harder; even after the initial pain and fear had faded, she accepted those numbly, in childlike bewilderment. But after a while she began to get used to them. She grew especially fond of the smell of his skin. It was seldom that she could look into those unusually steady eyes without a certain timidity, or into that face with its dreadful patch of blight on the left cheek and its dark drooping mustache that was always a little damp and quivered when he spoke like tufted grass in a dark forest pond. But the waftings that his body sent out attracted her more and more, they thrilled and delighted her; and she inhaled them for hours with her eyes closed, her head resting on his chest or in the palm of his hand.
The anguish came back to haunt her only at night when, as it often happened, he sent her to sleep alone. She would then wake up several times with a clear realization-such as can only come in the dark-of what and who she was now, and with a mouth choked with sobs she would press her face between the quilt and the pillows and stammer:
"Turk...!"

 

1964358-7711d7d7d9a2afb7e26fa45c4cce1790.jpg
Ivo Andrić (9 oktober 1892 – 13 maart 1975)

 

 

De Noorse schrijver, schilder en essayist Jens Bjørneboe werd geboren op 9 oktober 1920 in Kristiansand. Zie ook alle tags voor Jens Bjørneboe op dit blog en ook mijn blog van 9 oktober 2010

Uit:The Sharks (Vertaald door Esther Greenleaf Muerer)

“It is deeps such as these that we have beneath our keel after putting out to sea from the Philippines: the world of mystery, of the fathomless, the irrational. If the ocean surface, in savagery and rebellion, in calm and storm, resembles human feelings—that sea on which we sail our little ships of reason and consciousness, in the violent but known world of the emotions — then the great deeps, the ocean's dark abysses, resemble the human heart's unknown, never-visited worlds: the inscrutable, inaccessible, night-dark, soundless underworld of the soul.”
(…)

“Of course I'd been long enough on land to know earthly love, and it had always ended in a battle, in each wanting to be the stronger, the superior in the relation. It is commonly called 'the battle of the sexes,' but I don't know if that is the right term. In truth it's a question of a power struggle, of a battle not to lose oneself, to maintain one's sovereignty — one's property rights. Only the very strong can live with no fear of losing their autonomy. Still, this is the precondition for loving: not to want power — not to want to own someone.
There can be talk of love only when one gives up one's self-assertion, when one lays down arms and capitulates fully. When one no longer defends oneself. Love is the absolute yielding, the total surrender – unconditionally. It knows no reservations, no defense. Love creates no need to be the strongest; it knows no lust for power, no personality struggle. Love is pure devotion, absolute self-surrender. Only one who is strong enough not to fear losing his personality can love. To love, one must be able to forsake oneself, to make the other free. And it is this which we're not strong enough to do.”

 

 1964358-f4c731b88c2b3880cf44619ce98efbc8.jpg
Jens Bjørneboe (9 oktober 1920 – 9 mei 1976)

 

 

De Deense dichter en schrijver Holger Drachmann werd geboren op 9 oktober 1846 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Holger Drachmann op dit blog en ook mijn blog van 9 oktober 2010

Uit: Er starb und wurde begraben (Vertaald door Otto Hauser)

„Als Ivar eines Tages unten am Strande stand und den großen neuen Dregg und die vierzig Faden lange Kette aus dem Boote ziehen sollte, geschah es, daß er mit einem Mal ausließ und sich hinten an die Lende griff.
»Was gibt's?« fragte Andreas, sein Mithelfer.
»Ich zog 'n bischen scharf,« sagte Ivar und schnappte nach Luft.
Dann gingen sie wieder dran mit den vierzig Faden.
Das, meinten einige, sei die allererste Ursache von Ivar Asmussens langer und schmerzvoller Krankheit gewesen. Denn »Alles, was bös ist, beginnt mit einem Stich in der Seite«.
Andere sagten, das sei ein Geschnack, ein Fischermann komme so oft dazu, sich zu übernehmen, und viel ärger; sie müßten da alle als Krüppel herumlaufen. Nein, es müsse ihn eher jemand angesehen haben (d.h. mit dem bösen Blick).
Man ist abergläubisch unter den Fischern.
Endlich gab es noch die letzte Erklärung. Es stamme, sagte man, von jenem Februartag, wo beide, Ivar und Andreas, im Boot übersegelt worden waren, eine halbe Meile von Land. Es verging eine ganze Stunde, bevor man kam und sie herauszog, und das Wasser war natürlich kalt. Ivar war ein abgehärteter Bursch und wollte nicht die Kleider wechseln, sobald sie hereingekommen waren, – und da wollte Andreas auch nicht. Als dann das Frühjahr kam, nahm bei Ivar das Stechen im Rücken zu, während Andreas nichts fehlte. Sie hatten beide gleich lange im Wasser gelegen und waren beide gleich naß gewesen; – was sollte man von einem Teufelszeug halten, das sich dem einen in den Rücken setzte und dem andern rein nirgends hin? Nein, es war einfach ein Geschwatz –, oder auch war's der böse Blick. Aber krank war er.“

 

 1964358-8e1a581b4123f72233957b39e121ca5e.jpg
Holger Drachmann (9 oktober 1846 – 14 januari 1908)
Portret door Kim Larsen, 2002

 

 

De Duitse dichter, schrijver, schilder en graficus Johannes Theodor Baargeld werd geboren op 9 oktober 1892 in Stettin. Zie ook alle tags voor Johannes Theodor Baargeld op dit blog en ook mijn blog van 8 oktober 2009 en ook mijn blog van 9 oktober 2010

 

Kommestibel, Dörrgemüse

Kommestibel, Dörrgemüse
Habeas Strunk und Gedrüse
Aber niemals geht er aus
Solch ein Haus!

Bibane Cactis Azaleen
Dörrgemüse Poprobäen
Nur der kleine Hanns verstäen
Wie sie wähen.

Doch nun ist der Tag gekommen
Guttaperchatränen kommen
War ich doch nie angekommen
Und jetzt eben erst gekommen.

 

 

Du blickst befremdet auf die alten Spuren

Du blickst befremdet auf die alten Spuren
wo Du des immer Neuen Grund
gewähnt, und dich erschreckt der Fund,
und wieder blickst du auf den jungen Schnee der Fluren.

Doch du begreifst nicht, daß vor Jahresstund
du dich am selben Wegkreuz maßest,
und daß du schier ein Jahr vergaßest
und wie so stark sein könne ein zerbrochner Bund.

 

 1964358-e111cebfbccb0cc553c1005ec99fe8af.jpg
Johannes Theodor Baargeld (9 oktober 1982 – 18 augustus 1927)
Johannes Theodor Baargeld: Typische Vertikalklitterung als Darstellung des Dada Baargeld, 1920

 

 

De Duitse schrijver Christian Reuter werd geboren op 9 oktober 1665 in Kütten bei Halle. Zie ook alle tags voor Christian Reuter op dit blog en ook mijn blog van 9 oktober 2010

Uit:Schelmuffskys Warhafftige Curiöse und sehr gefährliche Reisebeschreibung zu Wasser und zu Lande

„Da ich nun von ihr das Wort Ratte nennen hörete, war es der Tebel hohlmer nicht anders, als wenn iemand ein Scheermesser nehm und führe mir damit unter meiner Zunge weg, daß ich hierauf alsobald ein erschreckliches Auweh! an zu reden fing. Hatte meine Frau Mutter nun zuvor nicht »Eine Ratte! Eine Ratte!« geschrien, so schrie sie hernachmals wohl über hundert mal »Eine Ratte! Eine Ratte!«, denn sie meinte nicht anders, es nistelte eine Ratte bey ihr unten zu ihren Füssen. Ich war aber her und kroch sehr artig an meine Frau Mutter hinauf, guckte bey ihr oben zum Decke-Bette heraus und sagte: »Frau Mutter, Sie fürchte sich nur nicht! Ich bin keine Ratte, sondern ihr lieber Sohn; daß ich aber so frühzeitig bin auf die Welt gekommen, hat solches eine Ratte verursachet.« Als dieses meine Frau Mutter hörete, Ey sapperment! wie war sie froh, daß ich so unvermuthet war auf die Welt gekommen, daß sie gantz nichts davon gewust hatte. Wie sie mich dasselbe mal zu hertzte und zu leckte, das will ich der Tebel hohlmer wohl keinen Menschen sagen.
Indem sie sich nun so mit mir eine gute Weile in ihren Armen gehätschelt hatte, stund sie mit mir auf, zog mir ein weiß Hembde an und ruffte die Mieth-Leute in gantzen Hauße zusammen, welche mich alle mit einander höchst verwundernd ansahen und wusten nicht, was sie aus mir machen solten, weil ich schon so artig schwatzen kunte. Herr Gerge, meiner Frau Mutter damaliger Praeceptor, meinte, ich wäre gar von den bösen Geiste besessen, denn sonst könte es unmöglich von rechten Dingen mit mir zugehen, und er wolte denselben bald von mir austreiben! Lieff hierauf eiligst in seine Studier-Stube und brachte ein groß Buch unter den Arme geschleppt, damit wolte er den bösen Geist nun von mir treiben. Er machte in die Stube einen grossen Kreiß mit Kreide, schrieb ein hauffen Cauder-Welsche Buchstaben hinein und machte hinter und vor sich ein Creutze, trat hernachmals in den Kreiß hinein und fing folgendes an zu reden:

Hocus pocus Schwartz und Weiß
Fahre stracks auf mein Geheiß
Schuri muri aus den Knaben;
Weils Herr Gerge so will haben.“

 

 1964358-2d3e479858b4fe81253f3d6686c65a6c.jpg
Christian Reuter (9 oktober 1665 - ? 1712)
Cover

Geschreven door Romenu om 10:39 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten