Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Jacqueline van der Waals, Ingeborg Bachmann

De Nederlandse dichteres Jacqueline Elisabeth van der Waals werd geboren op 26 juni 1868 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Jacqueline van der Waals op dit blog.

 

 

‘k Vraag niet, of mij de eindeloze vreugde wacht

‘k Vraag niet, of mij de eindeloze vreugde wacht
Van een volmaakte dag,
Maar, of ik eenmaal in de stille nacht
Voor eeuwig slapen mag.
Mijn lusteloosheid
Schijnt bewusteloosheid,
Genoeg genot;
En eeuwig leven schijnt mij eeuw’ge rusteloosheid….
Leer Gij ’t mij beter, God!

 

 

Heimwee

Ik voel mij als een kindje,
Dat ’s zomers buiten logeert,
En alles heeft, wat haar hartje,
Haar kinderhart begeert.

De lieve, rijke gastvrouw
Geeft uit haar overvloed
Het kindje daaglijks bloemen
En vruchten, rijp en zoet.

Ze geeft haar kostbaar speelgoed,
Daar speelt het kindje mee,
Vertelt haar mooie sprookjes
Van reus en toverfee.

Zoo weet mijn gastvrouw, het Leven,
Die rijke, milde vrouw,
Steeds nieuwe vreugd te bedenken,
Opdat ik genieten zou.

Maar ondanks al die liefde
Verheugt zich ’t kindje niet,
Men hoort haar ’s avonds snikken
Met bitter, bang verdriet.

Vergeef haar, vriendelijk Leven,
Dat ze u niet beter dankt,
Maar hoe kan een kind genieten,
Wanneer het naar huis verlangt?

 

 

Het Geitenweitje

Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje
Bij de grote geit.
Geiteke, wat moet je
Met je fijne snoetje,
Dat zo klaaglijk schreit?

Met je bleke bekje?
Geiteke wat rek je,
Trek je aan het touw?
Snuffelende aan mijn mouwen…
Met je lief vertrouwen
In zo’n vreemde vrouw!

In mijn handen stop je
Nu je jonge kopje:
Zeg, wat moet ik doen? …
Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje,
Als een wittigheidje
In het prille groen.

 

Jacqueline van der Waals (26 juni 1868 – 29 april 1922)
Portret door Gerdien van Delft-Rebel, z.j

 

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ingeborg Bachmann werd geboren op 25 juni 1926 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Ingeborg Bachmann op dit blog.

 

 

Mijn vogel

Wat ook gebeurt: de verwoeste wereld
zinkt in de schemering weg,
de bossen houden een slaapdrank voor haar klaar,
en van de toren, door de wachter verlaten,
kijken rustig en gestaag de ogen van de uil naar beneden.

Wat ook gebeurt: jij kent je tijd,
mijn vogel, neemt je sluier
en vliegt door de mist naar me toe.

Wij spieden in de dampkring, die door gespuis is bewoond.
Jij volgt mijn wenk, schiet naar buiten
in een werveling van veren en vel –

Mijn ijsgrijze schoudergenoot, mijn wapen,
getooid met die pen, mijn enige wapen!
Mijn enige opsmuk: sluier en pen van jou.

Ook al brandt mijn huid
in de naaldendans onder de boom
en verleidt de heuphoge struik
mij met kruidige bladeren –
als mijn lokken kronkelen van het vuur,
golven en hunkeren naar vocht,
valt het gruis van de sterren
toch precies op mijn haar.

Als ik, in een helm van rook,
weer weet wat gebeurt,
mijn vogel, mijn nachtelijke steun,
als het vuur in mij brandt in de nacht,
knettert ’t in het donker bestand
en ik sla de vonk uit mij.

Als het vuur in mij blijft
en van mij houdt,
tot het hars uit de stammen komt,
op de wonden druppelt en warm
zich met de aarde vermengt,
(en al roof je ook ’s nachts mijn hart leeg,
mijn vogel van geloof en mijn vogel van trouw!)
doemt de wachttoren op
waar jij, tot kalmte gekomen,
in heerlijke rust neerstrijkt –
wat ook gebeurt.

 

 

Vertaald door Paul Beers

 

Ingeborg Bachmann (25 juni 1926 – 17 oktober 1973)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juni ook mijn blog van 26 juni 2023 en ook mijn blog van 26 juni 2020 en eveneens mijn blog van 26 juni 2019 en ook mijn blog van 26 juni 2018 en ook mijn blog van 26 juni 2017 en eveneens mijn blog van 26 juni 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:05 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Jakub Małecki, Ingeborg Bachmann

De Poolse schrijver en vertaler Jakub Małecki werd geboren op 25 juni 1982 in Kolo, Polen. Zie ook alle tags voor Jakub Malecki op dit blog.

Uit: Aangrenzende kleuren (Vertaald door Karol Lesman)

“Ze zat in een oude bruine stoel naar haar rechterhand te kijken en wist zeker dat er in dit huis meer mensen moesten zijn. Die gedachte kwam soms bij haar op. Later verdween die weer, verdrongen door een andere – bijvoorbeeld dat ze moest gaan ontbijten. Het gebeurde ook weleens, en wel vaker, dat er zich in haar hoofd een alleen haar bekende vlakke en oneindige weide uitstrekte, waarop verleden noch toekomst bestonden, gebeurtenissen noch mensen, alleen zij, naamloos, zonder leeftijd, zittend in het midden. Elke dag had ze twee of drie uren waarin alles op zijn plaats stond. Gewoonlijk vanaf het midden van de dag tot aan de warme maaltijd, en soms ook nog na de warme maaltijd. Ze herinnerde zich dan alles en iedereen, ze wist hoeveel mensen er in dit huis woonden en hoeveel er vroeger hadden gewoond. Krystian, dacht ze bijvoorbeeld. Mijn zoon heet Krystian. Ze noteerde zijn naam op een stuk pakpapier, op de eerste bladzijde van een boek dat ze van de plank had gepakt, soms op de tafel, om later geen wagen te hoeven stellen. Maar als dat Later dan naderbij kwam, en daarmee haar slechtere uren, snapte ze niets van haar krabbels, dan hadden die geen betekenis voor haar. Dan wachtte ze tot er weer een betere tijd kwam, tot ze opnieuw Aniela zou zijn, en niet alleen die afgestompte, zwijgende onbeweeglijkheid. Haar man heette Iwo en zat voor het grootste deel van de dag naar hetzelfde raam te kijken als zij. Gedrongen, mollig, comfortabel aangepast aan zijn stoel, baande hij zich aan haar zijde een weg door de opeenvolgende minuten. Ze ademden. Ze schraapten hun keel. Hij zuchtte, waarbij hij eventjes van houding veranderde, terwijl zij om de zoveel tijd overeind kwam, naar de kast liep, iets rechtzette, iets een centimeter de ene of een centimeter de andere kant op schoof, waarna ze naar haar plaats terugkeerde. Een door takken doorsneden strook zonlicht gleed van rechts naar links over hun benen, als iets levends. Ze gingen naar beneden voor de maaltijden, die hun schoondochter voor hen bereidde, en Iwo sprak elke keer bij het opstaan vier woorden: “Hartstikke lekker, Regina. Bedankt”. Ze keerden terug naar boven, naar hun twee ruime vertrekken op de omgebouwde zolderverdieping, gingen in hun stoelen zitten en vingen hun onderbroken strijd aan met de tijd. Zo nu en dan schonk hij ’s avonds een glaasje cognac voor hen in en dan zwaaide zij met een brede glimlach, alsof ze nog nooit van haar leven iemand zoiets geks had zien doen. Ze gaven commentaar op de weersveranderingen en deelden hun woede als de etenstijden zonder vooraankondiging naar de ene dan wel de andere kant van een tijdspanne werden verschoven. ’s Zondags trokken ze erop uit naar de kerk. Ze liepen langzaam, bogen naar de mensen, spraken met niemand. Bij thuiskomst vertelde zij hem wie ze had gezien, wie een nieuwe jas had gekocht en wie er in de mis niet bij was geweest, volkomen alsof Iwo haar niet had vergezeld bij dit uitje, alsof hij dat alles niet zelf had gezien.”

 

Jakub Małecki (Kolo, 25 juni 1982)

 

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ingeborg Bachmann werd geboren op 25 juni 1926 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Ingeborg Bachmann op dit blog.

 

 

Een soort verlies

Samen gedeeld: seizoenen, boeken, muziek.
De sleutels, de theekopjes, de broodmand, lakens en een bed.
Een uitzet van woorden, gebaren – meegebracht, gebruikt, verbruikt.
De huisregels gevolgd. Gezegd. Gedaan. En steeds de hand gereikt.

Ik werd verliefd op winters, een Weens septet en zomers.
Op landkaarten, een bergdorp, een strand en een bed.
Hield data in ere, verklaarde beloften voor onverbrekelijk,
verafgoodde een Iets en was vroom voor een Niets

(de opgevouwen krant, de koude as, het blaadje met een notitie),
onbevreesd in het geloof, want dit bed was de kerk.

Uit de blik op het meer ontstond mijn onuitputtelijk schilderen.
Vanaf het balkon kon ik de volkeren, mijn buren, groeten.
Bij het haardvuur, in veiligheid, had mijn haar zijn diepste kleur.
Het bellen aan de deur was het alarm voor mijn vreugde.

Niet jou heb ik verloren,
maar de wereld.

 

 

Vertaald door Paul Beers en Isolde Quadflieg

 

 

Ingeborg Bachmann (25 juni 1926 – 17 oktober 1973)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e juni ook mijn blog van 25 juni 2023 en ook mijn blog van 25 juni 2020 en eveneens mijn blog van 25 juni 2019 en ook mijn blog van 25 juni 2018 en ook mijn blog van 25 juni 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 15:47 Reageer op dit bericht

Wilfred Smit, Yves Bonnefoy

De Nederlandse dichter Wilfred Smit werd geboren in Soerabaja (Java, Nederlands Indië) op 24 juni 1933. Zie ook alle tags voor Wilfred Smit op dit blog.

 

 

Dies irae

Maak voor vandaag uw lievelingen
op de eerste rij niet wijzer, juf,
zie toe op de verwarring bij
het twee aan twee naar buiten gaan.

ge moogt hen vuriger dan anders
tegenkussen, maar bid dat hun
tenminste blijft bespaard u aan te zien
in de zelen van een bokkewagen,
met het schaamhaar meer dan zichtbaar
even voor ge als een bezem brandt,

want het stapelt in de hemel
kandelaar op kandelaar
en de winden, valbijlen in hun nest,
hangen nog maar met een lint bijeen.

 

 

Carthago ’s ochtends

Dolfijnen doken nog naar de zon.
de nacht die aquaducten
over beide heenspon,
haven en voorstad, laat los.
de krijtallee bij dageraad
is zo verstild en rose,
als wist ze dat verbanning staat
op ’t strooien van geruchten.
men kleppert het elkaar,
halfslapend nog, vanonder
ebbenhouten muiltjes toe:
Aeneas op een vlonder
teruggekeerd, het zwerven moe!

 

 

Vallende ster

Misschien word je een kermiskind
met lampjes inplaats van ogen,
misschien een schuitje aan het rad
ook in donker voortbewogen;
doe maar of je prins neon bent
die van z’n moeder gemogen
had, maar niet kon, van trappen viel
– de hardste blauwe en de hoge.

 

 

Wilfred Smit (24 juni 1933 -13 augustus 1972)

 

 

De Franse dichter, schrijver en vertaler Yves Bonnefoy werd in Tours geboren op 24 juni 1923. Zie ook alle tags voor Yves Bonnefoy op dit blog.

 

 

De dialoog van Angst en Verlangen

I

Vaak stel ik me, boven me,
Een gezicht uit een offer-ritus voor, waarvan de stralen
Als de voren van een bewerkte akker zijn.
De lippen en de ogen glimlachen,
Het voorhoofd is dof, vermoeiend en vaag gerucht van zee.
Ik zeg ertegen: Wees mijn kracht, en zijn licht neemt in sterkte toe,
Het heerst over een oorlogsgebied in de schemering
En een hele rivier die door zijn bochten
Deze veroverde vruchtbaar gemaakte aarde geruststelt.

En ik verwonder me er dan over dat deze tijd
En deze moeite ervoor nodig waren. Want de vruchten
Heersten al aan de boom. En de zon
Verlichtte al het avondland.
Ik kijk naar de hoogvlakten waar ik kan leven,
Die hand die een andere rotsachtige hand vasthoudt,
Die ademhaling van afwezigheid die
Een onaffe herfstakker omploegt.

 

 

Vertaald door Hans Tentije

 

 

Yves Bonnefoy (24 juni 1923 – 1 juli 2016)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juni ook mijn blog van 24 juni 2023 en ook mijn blog van 24 juni 2020 en eveneens mijn blog van 24 juni 2019 en ook mijn blog van 24 juni 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:38 Reageer op dit bericht

David Leavitt, Anna Achmatova

De Amerikaanse schrijver David Leavitt werd geboren in Pittsburgh op 23 juni 1961. Zie ook alle tags voor David Leavitt op dit blog.

Uit: In de Maremma – een boerderij in Toscane (Met co-auteur Mark Mitchell en vertaald door Mireille Vroege)

“Het afbranden van een tweeduizend jaar oude olijfboom was niet alleen een daad van vandalisme, maar ook van moord. In een stad waar olie van levensbelang is, werd deze geweldige moederboom niet alleen als bron van bestaan beschouwd, maar ook als een kracht van het goede.
Toen Pina ons olie aanbood die van de vruchten van de olivone was gemaakt, namen we die met een bijna mystieke verwondering aan, niet omdat de olie anders smaakte dan welke andere olie van hier uit de buurt ook, maar omdat hij van de olivone kwam, die nog voor Christus geboren was.
Tegenwoordig proberen we ons te troosten met de wetenschap dat al onze eigen bomen de potentie hebben om tot een olivone uit te groeien. Momenteel hebben we er achtendertig, en dat is net genoeg voor een jaar lang olie voor twee hongerige mensen en een hond. Omdat we nu inwoners van Toscane zijn, plukken we de vruchten met de hand, op het moment dat het groen net zwarte vlekken begint te krijgen.
Daarom is Toscaanse olijfolie terecht zo beroemd; Umbriërs en Apuliërs wachten tot de vruchten van de boom vallen, en dan vergaren ze ze pas, waardoor je een veel zuurrijkere olie krijgt. Vervolgens pakken we de olijven in plastic kratten en brengen we ze naar een van de twee frantoii in Semproniano, degene die gevestigd is in een pakhuis achter de landbouwcoöperatie (consorzio agrario).
In de ruimte waar je na binnenkomst doorheen moet, staan tonnen met olijven te wachten om gewogen en geperst te worden, hele bergen, hetzij in kratten, hetzij in jutezakken waar al een beetje vocht doorheen sijpelt. Meestal staat er buiten een vrachtwagen geparkeerd, met daarin de gigantische oogst van een van de grotere aziende, duizend kilo, waarnaast onze vijf kratjes nogal mager ogen.
Toch laten we ze door de frantoiano wegen, en hij zegt op hoeveel olie we recht hebben, waarbij hij als basis voor zijn berekeningen een mysterieuze formule gebruikt die niet alleen van de hoeveelheid olijven uitgaat, maar ook van hun oliegehalte in vergelijking met andere jaren – gemiddeld ongeveer twintig procent van het gewicht van de vruchten.
We knikken dat we met zijn condities akkoord gaan. Vervolgens neemt hij onze olijven en gooit ze bij de andere op de hoop, want over het algemeen worden alleen heel grote oogsten afzonderlijk geperst; bij kleine oogsten worden de olijven van verschillende families door elkaar gegooid, hetgeen betekent dat je nooit echt kunt zeggen: ‘Dit is mijn olie’, hoewel iedereen dat natuurlijk wel doet.”

 

David Leavitt (Pittsburgh, 23 juni 1961)
Leavitt en Mark Mitchell (links)

 

 

De Russische dichteres Anna Achmatova werd geboren in Bolshoi Fontan bij Odessa, 23 juni 1889. Zie ook alle tags voor Anna Achmatova op dit blog.

 

Gebed

Geef mij bittere jaren van ziekte,
Van steunen, slapeloosheid, koorts,
Neem mijn kind van mij af, mijn vriend,
Mijn geheime talent voor het vers –
Zo bid ik in jouw liturgie
Na zoveel gekwelde dagen,
Opdat de donderwolk boven Rusland
Opgaat in een krans van zon.

 

 

Vertaald door Kristien Warmenhoven.

 

 

Anna Achmatova ( 23 juni 1889 – 5 maart 1966)
Borstbeeld van Anna Achmatova in Taormina, Italië

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juni ook mijn blog van 23 juli 2020 en eveneens mijn blog van 23 juni 2019 en ook mijn blog van 23 juni 2018 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:46 Reageer op dit bericht

Jaap Robben, Anne Carson

De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Jaap Robben werd geboren in Oosterhout op 22 juni 1984. Zie ook alle tags voor Jaap Robben op dit blog.

Uit: Schemerleven

“Het lukt me niet goed om aan iets anders te denken. Steeds zie ik de witte voeten van Louis voor me. Hoe ze onder de foliedeken uitsteken. Zo onbeschermd. Zijn pantoffels verloren in de verwarring en de paniek. Zijn voeten, zo kwetsbaar terwijl hij de ambulance in wordt geschoven.
Dit matras is me veel te zacht, van de plastic hoes eromheen wordt mijn rug klam. Op mijn zij kan ik niet inslapen. Ik denk sowieso niet dat ik hier ooit kan slapen. Ik tuur in het donker. Tobias is vergeten om de stekker van mijn wekkerradio in het stopcontact te steken. De nieuwe televisie heeft hij wel voor me aangesloten en ingesteld. Het rode lampje kan ik zonder bril zien. Aan de deur naar het aangrenzende badkamertje hangt een grijze vlek. Het is de tuniek voor morgen. Die droeg ik ook bij de uitvaart. Ik werk mezelf omhoog. Warme anijsmelk. Ergens moet het snoer met het knippertje van mijn bedlamp hangen, maar ik kan het niet vinden. Ik tast over het nachtkastje, behoedzaam om er niks vanaf te stoten. Ik voel het boekje met sudoku’s, mijn gehoorapparaatjes, tik met mijn trouwring tegen het glaasje water. Daar is mijn bril. Ik vouw de pootjes open en zet hem op. Het knippertje van mijn bedlamp is dichterbij dan ik dacht. Mijn vertrouwde spullen in deze vreemde kamer schrikken van het plotse licht. De spijkertjes in de muur zijn nog leeg. Van Louis mocht ik ’s nachts nooit zelf anijsmelk maken. Omdat ik daarvoor alleen de trap af moest naar de keuken. En hem wilde ik het niet vragen, omdat hij dan speciaal voor mij op moest staan. Nu laat ik mijn benen over de rand van het bed glijden. `Er is hier geen trap waar ik vanaf kan vallen,’ mompel ik tegen mezelf. Het lukt me niet om tegen Louis te blijven praten. Langs de openstaande harmonicadeur schuifel ik naar het woonkamertje met de kitchenette. Ben ik anijsblokjes tegengekomen toen Nadine en ik vanmiddag de kastjes inrichtten? Zij mocht niets zwaars sjouwen van Tobias vanwege haar zwangere buik. Die blokjes liggen waarschijnlijk nog thuis in de keukenla. Ons huis dat nu zo stil is en halfleeg. Ik noemde Nadine trouwens vandaag per ongeluk weer Sabine. Dat was de vorige vriendin van Tobias. Ik denk dat Nadine het niet gehoord heeft. Nadine, Nadine, Nadine. Louis en ik waren ervan uitgegaan dat Tobias geen kinderwens had. Tijdens Sabine was hij daar heel stellig over geweest. Dit jaar is hij achtenveertig geworden, dus we hadden er niet meer op gerekend. En toen verscheen hij met Nadine en die is een stuk jonger. Louis was ontroerd en dolgelukkig toen ze het kwamen vertellen. En ik natuurlijk ook. Ik was ook heel gelukkig voor hen. Louis had hen omhelsd en bij elk een kus op het voorhoofd gedrukt. “Dit is nog eens een cadeau”.

 

Jaap Robben (Oosterhout, 22 juni 1984)

 

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

Uit: Autobiografie van rood

6 Ideeën

Uiteindelijk leerde Geryon schrijven.

Van zijn moeders vriendin Maria kreeg hij een prachtig schrift uit Japan
met een fluorescerende kaft.
Op de kaft schreef hij Autobiografie. In het schrift een lijst van feiten.

Totaal Van Bekende Feiten
Over Geryon
Geryon was een monster alles aan hem was rood. Geryon woonde
op een eiland in de Atlantische Oceaan dat Waar het Rood Is heette.
Geryons moeder was een rivier die Rode Vreugde heette en zeewaarts
stroomde Geryons vader was goud. Er wordt gezegd dat Geryon
zes handen zes voeten en ook wel eens dat hij vleugels had.
Geryon was rood net als zijn ongewone rode kudde. Op een dag
kwam Herakles en doodde Geryon en stal het vee.

Hij liet Vragen en Antwoorden volgen op Feiten.

VRAGEN Waarom doodde Herakles Geryon?

  1. Gewoon gewelddadig.
  2. Moest wel het was een van zijn Werken (10de).
  3. Het idee dat Geryon de Dood was anders zou hij eeuwig kunnen leven.

TOT SLOT
Geryon had een klein rood hondje Herakles doodde dat ook.

Het Idéé hoe komt hij erop, zei de juf. Het was Ouderdag. Zijn moeder
en juf zaten naast elkaar in een piepkleine bank.

Geryon keek hoe zijn moeder een sliertje tabak van haar tong afplukte en vroeg:
Schrijft hij nooit een goede afloop?
Geryon zweeg.
Toen hief hij zijn hand op en maakte voorzichtig het opstel los uit de
hand van de juf.
En ging achter in de klas in zijn eigen bank zitten en pakte een potlood.

Nieuw Slot
De prachtige rode winden bleven overal op de wereld hand in hand
doorgaan met waaien.

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e juni ook mijn blog van 22 juni 2020 en eveneens mijn blog van 22 juni 2019 en ook mijn blog van 22 juni 2018 en ook mijn blog van 22 juni 2014 deel 1.

Geschreven door Romenu om 15:14 Reageer op dit bericht

Anne Carson

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

Uit: Autobiography of Red: a novel in verse

VII. Change

Somehow Geryon made it to adolescence.
                _

Then he met Herakles and the kingdoms of his life all shifted down a few notches.
They were two superior eels
at the bottom of the tank and they recognized each other like italics.
Geryon was going into the Bus Depot
one Friday night about three a.m. to get change to call home. Herakles stepped off
the bus from New Mexico and Geryon
came fast around the corner of the platform and there it was one of those moments
that is the opposite of blindness.
The world poured back and forth between their eyes once or twice. Other people
wishing to disembark the bus from New Mexico
were jamming up behind Herakles who had stopped on the bottom step
with his suitcase in one hand
trying to tuck in his shirt with the other. Do you have change for a dollar?
Geryon heard Geryon say.
No. Herakles stared straight at Geryon. But I’ll give you a quarter for free.
Why would you do that?
I believe in being gracious. Some hours later they were down
at the railroad tracks
standing close together by the switch lights. The huge night moved overhead
scattering drops of itself.
You’re cold, said Herakles suddenly, your hands are cold. Here.
He put Geryon’s hands inside his shirt.

 

 

TANGO XIX. AND KNEELING AT THE EDGE OF THE TRANSPARENT SEA I SHALL SHAPE FOR MYSELF A NEW HEART FROM SALT AND MUD

A wife is in the grip of being.
Easy to say Why not give up on this?
But let’s suppose your husband and a certain dark woman
like to meet at a bar in early afternoon.
Love is not conditional.
Living is very conditional.
The wife positions herself in an enclosed verandah across the street.
Watches the dark woman
reach out to touch his temple as if filtering something onto it.
Watches him
bend slightly towards the woman then back. They are both serious.
Their seriousness wracks her.
People who can be serious together, it goes deep.
They have a bottle of mineral water on the table between them
and two glasses.
No inebriants necessary!
When did he develop
this puritan new taste?
A cold ship

moves out of harbor somewhere way inside the wife
and slides off towards the flat grey horizon,

not a bird not a breath in sight.

 

 

Uit: Autobiografie van rood

4 Dinsdag

Dinsdagen waren het fijnst.

’s Winters gingen zijn broer en zijn vader om de dinsdag naar de ijshockeytraining.
Geryon at dan alleen met zijn moeder.
Terwijl de avond aan wal ging lachten ze breed naar elkaar. Deden zelfs in de kamers
waar ze niet waren het licht aan.
Geryons moeder maakte hun lievelingseten klaar: perziken uit blik en toast
in lange repen om mee te dopen.
Bendes boter op de toast zodat op het perziksap een olievlekje kwam bovendrijven.
Ze namen hun dienblad mee naar de kamer.
Geryons moeder zat op het tapijt met haar sigaretten, tijdschriften en de telefoon.

Geryon was naast haar onder de lamp aan het werk.
Hij plakte een sigaret aan een tomaat. Niet aan je lip pulken Geryon anders groeit het
nooit dicht. Ze draaide een nummer en
blies intussen de rook uit haar neus. Maria? Met mij kun je vrij praten? Wat zei hij?

….
Zomaar?
….
De rotzak
….
Wát vrijheid nalatigheid is het
….
Een soort verslaafde
….
Ik gooide die nietsnut eruit
….
Doe niet zo melodramatisch – ze drukte de peuk krachtig uit – neem lekker een bad
….
Ik weet dat het geen zin meer heeft lieverd
….
Geryon? prima hij werkt hier vlakbij aan zijn autobiografie
….
Nee het is een beeldhouwwerk hij kan nog niet schrijven
….
O van alles wat hij buiten op straat vindt Geryon vindt van alles en nog wat
hè Geryon?
Ze knipoogde naar hem over de hoorn. Hij knipoogde met twee ogen terug
en ging weer aan het werk.
Hij had in haar tas knisperpapiertjes gevonden en die verscheurd om haar van te maken
en plakte het haar nu op de tomaat.
Buiten kwam een zwarte januariwind plettend omlaag van de top van de lucht
en bonkte tegen de ramen.
De lamp vlamde op. Het is prachtig Geryon, zei ze en legde de hoorn op de haak.
Het is een prachtig beeldhouwwerk.
Ze legde haar hand op zijn kleine lichtende schedel en keek peinzend naar de tomaat.
En bukte zich en kuste hem één keer op beide ogen
pakte toen haar perziken op van het blad en gaf hem de kom met de zijne.
Misschien dat je de volgende keer
een ééndollarbiljet voor het haar kunt gebruiken in plaats van een tientje, zei ze
en ze begonnen te eten.

 

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juni ook mijn blog van 21 juni 2020 en eveneens mijn blog van 21 juni 2019 en ook mijn blog van 21 juni 2014 deel 1, en deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 14:53 Reageer op dit bericht

Solstice (Tess Taylor), Vikram Seth, Mohamed Mbougar Sarr, Anne Carson

 

 

The June light sun door Rob van Hoek, z.j.

 

 

Solstice

How again today our patron star
whose ancient vista is the long view

turns its wide brightness now and here:
Below, we loll outdoors, sing & make fire.

We build no henge
but after our swim, linger

by the pond. Dapples flicker
pine trunks by the water.

Buzz & hum & wing & song combine.
Light builds a monument to its passing.

Frogs content themselves in bullish chirps,
hoopskirt blossoms

on thimbleberries fall, peeper toads
hop, lazy—

            Apex. The throaty world sings ripen.
Our grove slips past the sun’s long kiss.

We dress.
We head home in other starlight. 

Our earthly time is sweetening from this.

 

 

Tess Taylor (El Cerrito, 24 oktober 1977)
El Cerrito

 

 

De Indische dichter en schrijver Vikram Seth werd geboren op 20 juni 1952 in Kolkata. Zie ook alle tags voor Vikram Seth op dit blog.

Uit: De geschikte jongen (Vertaald door Christien Jonkheer en Babet Mossel)

“Ook jij gaat trouwen met een jongen die ik heb uitgezocht”, zei Rupa Mehra vastberaden tegen haar jongste dochter. Lata hield zich doof voor het moederlijk machtsvertoon door om zich heen te kijken in de grote, met lampen verlichte tuin van Prem Nivas. De bruiloftsgasten stonden bijeen op het gazon. “Hmm”, zei ze. Dat ontstemde Rupa Mehra nog meer. “Ik weet wat dat turun van jou betekent, jongedame, en je moet goed begrijpen dat ik in deze kwestie geen hmm tolereer. Ik weet heus wat het beste is. Ik doe het allemaal voor jullie bestwil. Denk je soms dat ik het zo makkelijk vind om alles voor mijn vier kinderen te moeten regelen zonder Zijn hulp?” Haar neus liep rood aan bij de gedachte aan haar echtgenoot, die op dat moment, daar was ze van overtuigd, ergens daarboven welwillend in hun vreugde deelde. Mevrouw Mehra geloofde natuurlijk in reïncarnatie, maar op bijzonder geëmotioneerde momenten stelde ze zich voor dat wijlen Raghubir Mehra nog voortleefde in de gedaante waarin ze hem bij zijn leven had gekend: de robuuste, vrolijke gedaante van de jonge veertiger, voordat hij door te hard werken midden in de Tweede Wereldoorlog die hartaanval had gekregen. Acht jaar geleden, acht jaar, bedacht Rupa Mehra diepbedroefd. Lata sloeg haar arm goedmoedig maar niet bepaald bezorgd om haar moeders schouder en zei: “Kom nou, Ma, op de trouwdag van Savita mag u niet huilen: Als Hij er nog was, had ik mijn eigen bruidssari kunnen aantrekken, die van patola-zijde met goudweefsel”, verzuchtte Rupa Mehra. “Maar die is te overdadig voor een weduwe”. “Ma!” zei Lata, geërgerd omdat haar moeder steevast munt sloeg uit elke situatie die zich voor haar sentimenten leende. “Iedereen kijkt naar u. Ze willen u feliciteren, en als ze u zo zien huilen, snappen ze er niks meer van”. Verscheidene gasten maakten inderdaad een namasté voor mevrouw Mehra en lachten haar vriendelijk toe; de fine fleur van Brahmpur, zag ze tot haar voldoening. “Dan zien ze het maar!” zei mevrouw Mehra obstinaat, en haastig bette ze haar ogen met een naar eau de cologne geurend zakdoekje. “Ze denken toch dat het van blijdschap is omdat Savita trouwt. Alles wat ik doe, doe ik voor jullie, en niemand is me dankbaar. Nu heb ik zo’n prima jongen voor Savita uitgezocht, en toch loopt iedereen alleen maar te klagen”. Lata bedacht dat de zachtaardige, lichtgetinte, mooie Savita zelf als enige van de vier broers en zusters niet over de keus had geklaagd. “Hij is aan de magere kant, Ma”, zei Lata wat tactloos. Dat was nog zacht uitgedrukt. Pran Kapoor, die straks haar zwager zou zijn, was vel over been — een donkergetinte sliert, en astmatisch bovendien. “Mager? Wat zegt dat nou? Iedereen wil tegenwoordig mager zijn. Zelfs ik heb de hele dag moeten vasten, terwijl dat niet goed is voor mijn suiker. En als Savita niet klaagt, hoort iedereen blij met hem te zijn. Arun en Varun zeuren altijd; waarom hebben ze dan niet zelf een jongen voor hun zusje uitgezocht? Pran is een goeie, fatsoenlijke, beschaafde khatri-jongen”.

 

 

Vikram Seth (Kolkata, 20 juni 1952)

 

 

De Franstalige Senegaleseschrijver Mohamed Mbougar Sarr werd geboren in Dakar op 20 juni 1990. Zie ook alle tags voor Mohamed Mbougar Sarr op dit blog.

Uit: Een echte man (Vertaald door Jelle Noorman)

“Heb je dat filmpje gezien dat sinds een paar dagen rondgaat?” Helemaal in de roes van mijn orgasme wilde ik gaan slapen. Dat kon ik vergeten. In deze wereld klinkt er altijd wel een stem die je met de beste bedoelingen iets verschrikkelijks wil aandoen: je ontnuchteren. Ze gaf niet op: ‘Het staat op bijna alle telefoons in het land. Naar het schijnt was het zelfs even te zien op een tv-zender voordat het werd weggedraaid…’ Geen keus: ik moest wel terugkeren naar de ruimte van mijn slaapkamer, waar het rook naar zweetoksels en sigaretten, maar die vooral gevuld was met een geur die alle andere verstikte, de nadrukkelijke geur van seks, van haar seks. Dat unieke reukmerk zou ik uit duizenden hebben herkend, die geur van haar seks na de liefde, de geur van volle zee, die leek te ontsnappen aan een wierookvat uit het paradijs… De schemering greep om zich heen. Het was te laat om nog een idee te hebben van de tijd. Nacht. Toch wilden luide stemmen buiten van geen wijken weten: het wanordelijke koor van volk dat, vermoeid of niet, de lust tot slapen allang was vergaan. Ze praatten, als dat het woord is voor die zinnen zonder kop of staart, die onvoltooide monologen, die onverstaanbare fluisteringen, die schelle kreten, die onwaarschijnlijke opmerkingen, die geniale onomatopeeën, die zeikerige nachtpreken, die treurige liefdesverklaringen, die obscene krachttermen. Praten? Nee, zo kon je het echt niet noemen: ze lieten hun zinnen als moddervette sauzen uit hun mond druipen, in één lange stroom, ook al sloegen ze nergens op, zolang ze er maar uit vloeiden, zolang ze maar dat ene afwendden waar ze als de dood voor waren: de stilte, de verschrikkelijke stilte die elk van hen zou hebben gedwongen zichzelf te zien zoals hij werkelijk was. Ze dronken thee en legden een kaartje, ze dompelden zich onder in verveling en apathie, maar zogenaamd met stijl, met die hypocriete elegantie die onmacht het aanzien verleende van een keuze waarvoor enkelen plechtstatig het woord waardigheid gebruikten. M’n reet. In elke zin, elk gebaar legden ze het volle gewicht van hun bestaan, dat niets woog. De weegschaal van hun lot gaf geen krimp. De wijzer bleef op nul, het grote niets. Het allerergste was nog dat deze doodsstrijd zich niet afspeelde op een prachtig podium dat recht deed aan wat er op het spel stond; nee, dit alles geschiedde in de ultieme anonimiteit van stoffige, smerige, in duisternis verzonken straten. Maar goed ook, want als ze elkaar hadden kunnen zien, zouden ze zich collectief van het  leven hebben beroofd. Het was zo al treurig genoeg. Ze wachtten. God alleen wist waarop. Op Godot. Op de barbaren. Op de Tataren. Op de Syrten. Op het moment dat de wilde dieren gingen stemmen. God alleen wist op wie. Elke keer dat een van hen lachte, had ik het gevoel dat hij iets de lucht in schoot, een noodsignaal dat daar boven als een lichtkogel uiteenspatte.

 

 

Mohamed Mbougar Sarr (Dakar, 20 juni 1990)

 

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

TANGO XIV. ALS JE ER MET JE HAND OVER STRIJKT OM DE GROOTTE TE SCHATTEN DENK JE EERST DAT HET STEEN IS DAN INKT OF ZWART WATER WAAR DE HAND WEGZAKT DAN EEN SCHAAL ELDERS WAARUIT JE GEEN HAND TERUGTREKT

Ik heb niet gewonnen vandaag. Maar wie weet win ik morgen.
Zei hij dan bij zichzelf terwijl hij de trappen afliep.
Toen won hij.

Maar goed ook want in de rook van de kamer bleek hij
zijn grootvaders boerderij in te zetten (die niet zijn eigendom was)
en veertigduizend dollar aan contanten (die wel).

Om het haar meteen te vertellen liep hij kletsvoetend over de stoep naar de
dichtstbijzijnde telefoon terwijl ‘s ochtends-vijf-uurregen op zijn nek kletterde.
Hallo.

Haar stem klonk ingebroken. Waar was je vannacht.
Schrik snijdt in zijn adem.
O nee

hij hoort haar nu nog een pijl uit de kleine pijlkoker kiezen en
in haar stem stijgt de woede rechtstandig als bomen omhoog en houdt
zijn hart overeind.

Alleen als ik bij jou wakker word voel ik me zuiver zegt hij ineens.
De gewoonteverleiding komt van beneden.
De hellekoning

schrijft met één vinger haar initialen als verschroeide voorwerpen op de ruit.
Zo glanst en zingt bij beproeving
het motto van een echtgenoot.

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juni ook mijn blog van 20 juni 2020 en eveneens mijn blog van 20 juni 2019 en ook mijn blog van 20 juni 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

In Memoriam Jan Cremer

In Memoriam Jan Cremer

De Nederlandse schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremer is woensdagochtend op 84-jarige leeftijd overleden. Dat meldt uitgeverij De Bezige Bij. Volgens zijn uitgever was de auteur bezig met een nieuwe roman. Of die nog uitgebracht gaat worden, is onduidelijk. Jan Cremer werd geboren in Enschede op 20 april 1940. Zie ook alle tags voor Jan Cremer op dit blog.

Uit: Ik Jan Cremer

“Af en toe ’s nachts schieten flarden van mijn jeugd door de duisternis. Dan zie ik weer Fabrieksstad met zijn brave wantrouwige bewoners, de harde werkers, de stinkende boeren, de loerende burgers, de vinnige wijven en de stiekeme kindertjes met de snottebellen. En de taal! Als ik die mummelende, wantrouwige, boerse, platte, onuitgesproken klinkende taal hoor, ruik ik weer de mest, de kippen, de koeiestront, de melkfabrieken, en de vlagen roetige rook uit de tientallen gigantische fabriekspijpen. Ik en mijn moeder woonden er enkele jaren tijdens de oorlog. Van mijn vader weet ik niet meer dan dat het een onbevreesde en onvervaarde avonturier was, oorlogscorrespondent en ontdekkingsreiziger. Hij was een van de eersten die Egypte, Klein-Azië, Perzië, Soudan-Francaise, de Balkan, de steppen, woestijnen en poesta’s in trok, te voet, per fiets of per trein en daar dan maandenlang tussen de autochtone bevolking leefde, er boeken over schreef (die nooit zijn uitgegeven omdat na de oorlog alle grenzen zijn veranderd) en te gast is geweest bij sjeiks, koningen en premiers op de halve wereldbol. Hij was Boogschutter, bijna twee meter groot en twee keer getrouwd geweest. Mijn moeder heeft hij meegenomen van een reisje naar de Balkan, zij werd zijn derde vrouw. Hij bleef drie maanden lang weg zonder iets van zich te laten horen. Hij deed de boodschappen omdat mijn moeder de taal niet sprak, en dan kreeg ze tien weken later een kaartje uit Albanië met de beste wensen, en dat ie gauw weer terug kwam. Het enige wat Senior naliet was een grote zeemanskist vol met foto’s uit alle delen van de wereld. Later mocht ik op zondagen als ik thuis was, na eerst m’n handen te hebben gewassen, de hele middag naar de foto’s en platen uit de kist kijken; mijn moeder luisterde dan naar het belcantoprogramma. Hij was een van de eerste niet-Spaanse stierenvechters. In de kist lagen tientallen met de hand gekleurde foto’s van torero’s, aan hem opgedragen. Van hem persoonlijk bestaan er twee foto’s: op de ene zit hij met een groepje naakte negers in de top van een kokospalm met een hakmes te zwaaien naar de fotograaf. De foto is zeer klein en bovendien nog tegen de zon in genomen, dus niet erg duidelijk. De tweede mocht ik vroeger nooit zien, later enkele tellen en tot slot heb ik hem gepikt. Daar staat hij tussen een groepje naakte negerinnen, vrolijk lachend met een brede grijns en zijn armen amicaal om de naakte vrouwen. Als een reus staat hij daar, en wat een grote tepels hebben die wijven. Zijn devies was: ‘liever honderd gulden schuld dan vijf minuten verdriet,’ (hij is dan ook met tienduizend piek schuld gestorven) en verder weet ik dat hij voor niemand uit de weg ging, altijd een grote bek had, direct met zijn vuisten klaar stond, niemand boven zich duldde, mijn moeder sloeg en mij een keer wilde wurgen, toen ik nog een baby was en huilde. De buurt moest mij ontzetten (in ’n deken wilde hij me smoren, de schoft, vertelde mijn moeder) en dat was voor hem weer ’n reden om enkele maanden op pad te gaan. Toen ik twee was kwam een verpleegster uit het ziekenhuis mijn moeder halen omdat mijn vader aan het sterven was (hij lag er al een week, was neergestoken bij een vechtpartij met een paar boeren in zijn stamkroeg, maar wilde niemand zien). M’n moeder had hem  willen bezoeken maar werd niet toegelaten.”

 

Jan Cremer (20 april 1940 – 19 juni 2024)

Geschreven door Romenu om 17:23 Reageer op dit bericht

Salman Rushdie, Anne Carson

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: Knife: Meditations After an Attempted Murder

“At a quarter to eleven on August 12, 2022, on a sunny Friday morning in upstate New York, I was attacked and almost killed by a young man with a knife just after I came out on stage at the amphitheater in Chautauqua to talk about the importance of keeping writers safe from harm.
I was with Henry Reese, co-creator, along with his wife, Diane Samuels, of the City of Asylum Pittsburgh project, which offers refuge to a number of writers whose safety is at risk in their own countries. This was the story Henry and I were at Chautauqua to tell: the creation in America of safe spaces for writers from elsewhere, and my involvement in that project’s beginnings. It was scheduled as part of a week of events at the Chautauqua Institution titled “More Than Shelter: Redefining the American Home.” We never had that conversation. As I was about to discover, on that day the amphitheater was not a safe space for me. I can still see the moment in slow motion. My eyes follow the running man as he leaps out of the audience and approaches me, I see each step of his headlong run. I watch myself coming to my feet and turning toward him. (I continue to face him. I never turn my back on him. There are no injuries on my back.) I raise my left hand in self-defense. He plunges the knife into it. After that there are many blows, to my neck, to my chest, to my eye, everywhere. I feel my legs give way, and I fall.
Thursday, August 11, had been my last innocent evening. Henry, Diane, and I had strolled without a care through the grounds of the Institution and had a pleasant dinner at 2 Ames, a restaurant on the corner of the green park area called Bestor Plaza. We reminisced about the talk I’d given eighteen years earlier in Pittsburgh about my part in creating the International Cities of Refuge Network. Henry and Diane were at the talk and were inspired to make Pittsburgh an asylum city, too. They began by funding one small house and sponsoring a Chinese poet, Huang Xiang, who strikingly covered the exterior walls of his new home with a poem in large white-painted Chinese letters. Gradually, Henry and Diane expanded the project until they had a whole street of asylum houses, Sampsonia Way, on the city’s North Side. I was happy to be in Chautauqua to celebrate their achievement.”

 

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

TANGO XII. HIER WORDT FATSOENLIJK ZAKEN GEDAAN DAN LOPEN WE NU DOOR DE GANG NAAR DE ZWARTE KAMER WAAR IK HET ECHTE GELD VERDIEN

U wilt weten hoe het er vanuit het oogpunt van de echtgenoot voorstond –
we lopen achterom,
daar staat de vrouw
ze grijpt zich vast aan haar ellebogen en staat tegenover de man.
Niet die tranen zegt hij, niet weer tranen. Maar ze komen nochtans.
Ze kijkt naar hem.
Het spijt me zegt hij. Geloof je me.
Ze kijkt.
Ik heb je nooit willen kwetsen.
Ze kijkt.
De banaliteit. Het is net Oscar Wilde. Zeg iets!
Ik geloof

dat daar je taxi is zei ze.
Hij keek naar beneden, naar de straat. Ze had gelijk. Het stak hem:
de pathos van haar gespitst luisteren.
Daar stond ze dan iemand met persoonlijke trekjes,
een hart, leven dat op weg in haar klopt.
Hij geeft een teken aan de chauffeur: vijf minuten.
Haar tranen zijn opgehouden.
Wat zal ze doen als ik weg ben? vraagt hij zich af. Haar avond. Het snoerde zijn adem af.
Haar onbekende avond.
Tja zei hij.
Weet je begon ze.
Wat.

Als ik je kon doden zou ik erna net zo iemand als jij moeten scheppen.
Waarom.
Om het aan te vertellen.
Perfectie bleef even als windstilte op een meer op hen rusten.
Pijn in rust.
Schoonheid neemt geen rust.
De man raakte de slaap van zijn vrouw aan
en draaide zich om
en rende
de
trap
af.

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950

 

 

Zie voor de schrijvers van de 19e juni ook mijn blog van 19 juni 2022 en ook mijn blog van 19 juni 2020 en eveneens mijn blog van 19 juni 2019 en ook mijn blog van 19 juni 2018.

Geschreven door Romenu om 17:12 Reageer op dit bericht

Marije Langelaar, Karin Fellner

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

 

Optellen

Tellen de dagen dat het zin heeft, dat hij honger
heeft, thuisblijft, zijn jas vergeet, meegaat,
stilzwijgt, zijn veters strikt, dooreet,
moddergooit, wazig is, opstandig, bloedend,
doodmager, projectielig.

Leggen onze gevoelens daaromtrent in
doordringende kleuren op tafel, heldergeel,
jammerzwart, gekoesterd bruin, levend rood, mul
groen, bruin in draden, in frommels, in klonten, in
scheuren.

Nodigen rook, wolken, elektriciteit, gevoelens,
angsten, aura uit in bewaarpot.
Sluiten.

Gaan ernstig kijken.
Tellen de tabellen en kleuren op. Uitkomst is een weiland
om het even waar omstreeks een uur of tien
met een vlieger die hard trekt.

 

 

Nu
ontpoppen de zaden
vangt het barre ochtendlicht de handen

De kale schuur
legt zijn muren voor ons neer

Nu – godswonder rommelt de donder

helle stralen belichten een langzaam toneel

de donkere stier die zijn lief ontkleedt
en paart in een uithoek

dienstplichtig wapperen de vaandels
gedempt vallen vruchten in het zand

Nauwelijks hoorbaar was de dag gegaan
laatste verstommende kreten

 

 

Vertrek

Wanneer ik in een duistere plek in mijzelf
en de wereld op haar achterste tandwiel
begint het wapperen.

Het leven doet ons pijn
het is een mossige scherpte
glijden het strand in, snijden het water open.

Het ongemak wolft zich door de straat.

Woede slakt uit het woonhuis.
Mijn man in zijn pijnlijkste lichaam.

Schiet nog eenmaal het zaad het lichaam in, mist,
raakt het bed.
We houden onze nek vast.
Zoveel van vastigheid overschat we treffen elkaar
binnenshuis.
Hij heeft een meisje met lange benen mee.
Ik draag een man met regenlaarzen aan.
Het licht als een scherf in onze nek.

Ik moet weg, ik zeg het hem.
Hij maakt een afwijzende beweging.
Het stuiptrekken, het missend grijpen
in onze ogen is geen ontmoeting
geen vallen
enkel een wond waarbinnen ons kind.

 

Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

 

De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

 

Deze kleine vrouw zit in het loof
van haar gedachten en schommelt

zonder onderwerp is zij slechts
lindebollen een boom
paddenstoelen buiten gebruik

ziet met gesloten oogleden:
van mij en van jouw is een schild
van veren het blaast

de korrels in de borst weg
het stenen pantser bestrijkt
zij met luchtdraden nu

is niets meer bijzonder
platanen langs de snelweg tegen
het raam gesmeerde vlieg,

gerafeld als distelkoppen,
het knettert: neuronaal

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2020 en eveneens mijn blog van 18 juni 2019 en ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 15:17 Reageer op dit bericht

Peter Rosei, Ron Padgett

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Von hier nach dort

„REISEPASS, WASCHZEUG, GELD: Ich hatte alles beisammen. Ordentlich lagen die Dinge vor mir. Da weinte ich. Ich legte mich auf das Bett und weinte. Dann lag ich eine Weile reglos. Wieder wollte diese Traurigkeit über mich kommen, doch ich widerstand. Das Unglück ist schön. Ich sah einen großen Felsen; er fiel zum Meer hin ab. Ich stand auf dem Felsen und winkte. Ich war glücklich. Ich versuchte zu fliegen, und es gelang. jetzt kramte ich aus dem Kasten ein paar Hemden hervor, einen Pullover, Tennisschuhe. Manchmal zeigt man Dingen gegenüber eine Zuneigung, die man sich selbst stets versagen würde. Es ist schön, so zu hantieren. Ich mag das gern. Während ich zusammenpackte, klopfte es an der Tür. Eine Frau guckte herein und fragte, ob ich nicht zufällig ihre Brille im Flur oder auf der Treppe aufgelesen hätte. Als ich verneinte, sah ich, wie bekümmert die Frau war. Sie nickte nur und schloss dann die Tür. Ich hörte noch, wie sie nebenan klopfte. Gegen Mittag verließ ich das Bahia, es regnete ein wenig, ich stand auf der Straße und sagte: So! – als ob das etwas bedeutet hätte. Ziemlich rasch fuhr ich aus der Stadt hinaus. Über den Hügeln, die die Stadt im Westen einfassen und deren Anblick mir so vertraut war, sah ich einen Regenbogen stehen. Schön und deutlich in all seinen Farben stand er gegen den Hintergrund. Auf den Hügeln waren Windräder, die sich drehten. Wein wuchs dort. Einmal erhob sich eine Wolke von Vögeln aus einem Rebberg und spielte in der Luft. Ganz golden war die Luft über den Rebbergen, die braun waren. Die Sonne wartete, halb versteckt von den Wolken.
Eine dieser Satellitensiedlungen, halb städtisch, halb in Felder und öde Flächen hineinverloren: Vor einem Italienerlokal machte ich halt. Ich stellte mich gleich an die Theke und bestellte Spaghetti. Die Fliegen, die herumkrochen, waren wie betrunken vom Küchendunst. Dem Koch rann der Schweiß unter seiner weißen Mütze hervor. Mit dem Schöpfer fasste er in den
Kessel, hob die Nudeln aus dem brodelnden Wasser. Dann spritzte er Tomatensoße über die Nudeln, die eingeringelt in dem Plastikteller lagen, warf Reibkäse darüber und stellte mir den Teller hin. Ich esse gerne Spaghetti, ich esse sie jeden Tag. Der Koch nahm dann eine Handvoll aus der Masse des Teiges, der auf dem Brett war. Und während er den Teig geschickt zu einem Fladen auswalzte und -zog, sank die Masse des Teiges auf dem Brett fast unmerklich zusammen, blähte sich wieder, und zuletzt konnte man kaum noch die Stelle erkennen, an der der Koch in den Teig gegriffen hatte. Es waren nur wenige Leute in dem Lokal, so dass die Kellner, wenn nichts zu tun war, müßig an der Theke lehnten und miteinander plauderten. Einer von ihnen tanzte zu der Schlagermusik, die aus dem Automaten kam. Ancora tu.”

 

 

Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.

 

 

Overleversschuld

Hij is heel gemakkelijk te krijgen.
Blijf gewoon leven en je zult zien
dat je er steeds meer van krijgt.
Je kunt hem houden of doorgeven,
maar het is een goed idee om een klein deel te bewaren
voor die avonden waarop je je zo goed voelt
dat je vergeet dat je een mens bent. Sjouw hem dan naar boven
en zweef vanaf het plafond naar beneden,
dat bedekt is met sterren die gloeien in het donker
met als enig doel mooi te zijn voor jou,
en terwijl je wegzinkt, vervaagt hun schoonheid en dooft uit —
Ik bedoel, zij vliegt uit de dichtstbijzijnde deur of het raam,
het is een windvlaag die de haren op je onderarmen doet rijzen.
Waten je armen maar groen, dan had je wellicht twee kleine gazons!
Maar je armen zijn er gewoon en je bent kaput.
Het is sowieso allemaal jouw schuld, en dat is altijd zo geweest —
het vriendelijke woord dat je wilde zeggen, maar je deed het niet,
de verschrikkelijke achteruitgang van het menselijk fatsoen, de opwarming van de aarde,
thermonucleaire nachtmerries, je eigen kleine lafheid,
jouw stomme idee dat je eeuwig zou leven —
allemaal tua culpa. John Phillip Sousa
heeft de sousafoon uitgevonden, wat ook jouw schuld is.
De tonen klinken als monsterlijke ricochets.

Maar als je wakker wordt, lijkt je lichaam
redelijk goed te passen, zoals een maatpak,
en je ziet er niet zo slecht uit in de spiegel.
Hallo daar, kerel! Oude kerel, jonge kerel, wat maakt het uit?
Wie het ook was die zich gisteravond schuldig voelde,
naar de hel met hem. Dat was toen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juni ook mijn blog van 17 juni 2020 en eveneens mijn blog van 17 juni 2019 en ook mijn blog van 17 juni 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 15:01 Reageer op dit bericht

Vader (Anton Korteweg), Joël Dicker, Maylis de Kerangal, Silke Scheuermann, Frans Roumen

 

 

Vader en zoon door Lutz Baar, 1976

 

 

Vader

Als hij groot is, koop ik een auto
Kan hij die ’s zaterdags wassen.
En een gazon. Dat moet hij dan maaien.

Oude vrouwtjes jaag ik de straat op.
Kan hij die helpen oversteken.
Knaapjes het wakke ijs. Die moet hij
redden met levensgevaar.

Eenmaal toch moet ik het meemaken dat ik
goedkeurend hem op de schouder kan kloppen.
diep in de ogen kijk, verlegen mompel:
‘Jongen, je vader is trots op je.’

 

Anton Korteweg (Zevenbergen, 31 januari 1944)
Zevenbergen, mark

 

 

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: Het mysterie van kamer 622 (Vertaald door Manik Sarkar)

“Toen ik aan het begin van de zomer van 2°18 naar het Palace de Verbier ging, een prestigieus hotel in de Zwitserse Alpen, kon ik onmogelijk vermoeden dat ik mijn vakantie zou wijden aan het oplossen van een moord die daar jaren geleden was gepleegd. De vakantie was bedoeld om mij een welkome afleiding te gunnen na twee kleine rampen die in mijn leven hadden plaatsgehad. Maar voordat ik jullie vertel wat er die zomer gebeurde, moet ik eerst nog even terugkomen op datgene wat aan deze hele geschiedenis ten grondslag ligt: de dood van mijn uitgever, Bernard de Fallois. Bernard de Fallois is de man aan wie ik alles verschuldigd ben. Mijn succes en mijn faam heb ik aan hem te danken. Ze noemden me De schrijver en dat komt door hem. Dankzij hem word ik gelezen. Toen ik hem ontmoette, was mijn werk nog niet eens uitgegeven: hij maakte van mij een schrijver die over de hele wereld werd gelezen. Bernard was, onder het uiterlijk van een elegante patriarch, een van de meest vooraanstaande figuren uit de Franse uitgeverswereld. Voor mij was hij een leermeester, en ook, ondanks de bijna zestig jaar die we scheelden, een goede vriend. Bernard stierf in januari 2018, in zijn tweeënnegentigste levensjaar, en ik reageerde op zijn dood zoals iedere schrijver dat zou doen: door een boek voor hem te schrijven. Ik stortte me erop met hart en ziel, opgesloten in de werkkamer van mijn appartement in de Geneefse wijk Champel, aan de avenue Alfred-Bertrand 13. Zoals altijd wanneer ik schreef, was de enige menselijke aanwezigheid die ik verdroeg die van mijn assistente Denise. Zij was de goede fee die over me waakte. Steevast goedgehumeurd hield ze mijn agenda bij, schiftte en sorteerde ze de lezerspost, herlas en corrigeerde ze wat ik had geschreven. Verder vulde ze mijn ijskast aan en zorgde ze ervoor dat ik nooit zonder koffie zat. Ten slotte vervulde ze de functie van scheepsarts wanneer ze aanmonsterde op mijn werkkamer, alsof ze na een eindeloze oversteek aan boord van een schip kwam, en me gezondheidsadviezen gaf. `Naar buiten!’ commandeerde ze op vriendelijke toon. ‘Ga maar wandelen in het park, je hoofd luchten. Je zit hier al uren opgesloten!’ `Ik heb vanochtend al hardgelopen,’ zei ik. `Je moet zorgen dat je hersenen regelmatig zuurstof krijgen!’ drong ze aan. Het was een haast dagelijks ritueel: ik bleef koppig weigeren en ging alleen even op het balkon staan. Ik vulde mijn longen met een paar teugen frisse februarilucht, dan wierp ik haar uitdagend een geamuseerde blik toe en stak een sigaret op. Ze protesteerde en zei: “Als je maar weet dat ik je asbak niet leeggooi, Joël. Dan besef je tenminste dat je rookt.”

 

Joël Dicker (Genève, 16 juni 1985)

 

 

De Franse schrijfster Maylis de Kerangal werd geboren op geboren 16 juni 1967 in Toulon. Zie ook alle tags voor Maylis de Kerangal op dit blog.

Uit: De levenden herstellen (Vertaald door Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos)

“DIE NACHT DUS remde er een busje op een verlaten parkeerterrein, kwam scheef tot stilstand, de voordeuren sloegen dicht en een zijdeur schoof open, er kwamen drie gestalten tevoorschijn, drie schimmen die afstaken tegen het duister en bevangen waren door de kou — februari en ijskoud, natteneuzenweer, slapen met je kleren aan —, jongens kennelijk, die hun jasje tot de kin dichtritsten, hun muts tot hun wimpers afrolden, de vlezige bovenkant van hun oren onder hun fleece vest schoven, en blazend in hun bol gevouwen handen poolshoogte gingen nemen bij de zee, die op dat uur louter geluid was, geluid en duisternis. Jongens, ja, nu kon je het zien. Achter het muurtje dat het parkeerterrein van het strand scheidde, stonden ze op een rijtje te trappelen en diep adem te halen — pijnlijke neusgaten door de instroom van jodium en kou — en ze peilden die duistere vlakte waar tempo niet bestaat buiten het lawaai van exploderende golven, dat tumult dat aanzwelt tijdens het uiteindelijke neerstorten, ze tuurden naar wat daar dreunend voor hen lag, dat krankzinnige gebulder waar niets was om de blik op te richten, niets, behalve misschien de wittige schuimrand, miljarden tegen elkaar geslingerde atomen in een fosforescerende halo, en de drie jongens, verdoofd door de winter toen ze uit de bus stapten, bedwelmd door het donker boven zee, vermanden zich nu, stelden hun ogen en oren in, taxeerden wat hun te wachten stond, de swell, maten de deining op het oor, schatten de hoeveelheid brekers, de diepte, en herinnerden zich dat op volle zee gevormde golven zich altijd sneller voortbewogen dan de snelste boten. Prima, bromde een van de drie jongens bedaard, het wordt een mooie sessie, de andere twee glimlachten, waarna ze gedrieën terugliepen, traag, met hun zolen over de grond schrapend en om hun as draaiend, tijgers, ze keken op en tuurden in de duisternis voorbij het   stadje, de nog dichte duisternis achter de kliffen, en toen keek degene die had gesproken op zijn horloge, nog een kwartiertje, jongens, en ze klommen terug in de bus om te wachten op de dageraad aan zee. Christophe Alba, Johan Rocher en hij, Simon Limbres. Terwijl de wekkers afgingen schoven ze hun laken weg en stapten uit bed voor een sessie waar ze kort voor middernacht per sms toe hadden besloten, een sessie bij halftij zoals er een paar per jaar voorkomen: ruwe zee, regelmatige deining, zwakke wind en geen hond ter plaatse. Jeans, jasje, ze glipten naar buiten zonder iets te eten of te drinken, niet eens een glas melk, een handje muesli, zelfs geen stuk brood, posteerden zich beneden voor de flat (Simon) of voor de poort van hun vrijstaande huis (Johan), en wachtten op het busje, dat ook stipt op tijd was (Chris), en terwijl ze normaal ondanks moederlijke vermaningen op zondag nooit vóór de middag opstonden, terwijl ze dan naar verluidt alleen maar konden pendelen tussen de bank in de zitkamer en de stoel in hun slaapkamer, één slappe hap, stonden ze nu om zes uur ’s ochtends te popelen, met losse veters en een stinkadem — “

 

Maylis de Kerangal (Toulon, 16 juni 1967)

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Paardenbloem

Wat houd ik van de wind;
hij kamt grassen en schuurt stenen glad,
leidt mijn zaden,
hij is er altijd,
soms sterker, soms zwakker.
Als ik de wind met jullie vergelijk,
zoals jullie alles vergelijken,
komen jullie er slecht af.

Hij heeft nooit geprobeerd mij een naam te geven
zoals jullie. En toch: ik geef de voorkeur aan hem.
In zijn onstoffelijke aanwezigheid is hij
mijn vader en heer. Zijn manier,
om mij aan te raken, doelbewust, zonder het valse
gevoel de regen te brengen, geuren.
Hij laat me vergeten hoe kleinzielig
de wereld is die mij onkruid noemt.

Verbazingwekkend dat jullie de eindjes aan elkaar knopen,
geheel zonder bezittingen, zonder eigen plek op de grond.
Bovendien zijn jullie zwaar,
Als beladen met tienduizend bloemen.
Dat jullie volgens je eigen regels leven,
kan ik slecht vermoeden.
Wat ben ik blij dat ik geen wetten ken,
die zoveel vernietiging brengen, zoveel leed.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

Klassiek
voor Arno

Ik heb een handdoek om mij heen geslagen
die nog naar hem ruikt en zo is hij hier
en heel dicht bij me, gunt me het plezier
wat liefde van zijn geur liet, op te dragen.

Hij douchte zich en als om mij te plagen
had hij de celdeur schijnbaar op een kier
gezet. Nu luister ik naar een klavier-
concert, om – Brahms – mijn hartslag te verlagen.

Niet dat zijn naakte lichaam in mij lust
schiep ooit, of toch wel ooit, maar nooit voor lang en
ofschoon geen hartstocht ons dat toch verbood,

maar met die innige, volmaakte rust,
waarmee hij me kust, op mond kust en op wangen,
raakt hij een leven, dieper dan de dood.

 

Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957)
In the Locker Room door Bruce Sargeant, z. j.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2019 en ook mijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Silke Scheuermann, Olivier Guez

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

 

VERWANDELTE WEIDE

Mein Halt im Boden war beinah
vergessen Ich beugte
mich tief Spöttisch
inspizierte der Sturm
den Widerstand meiner Zweige
begann dann ernsthaft
den Kampf

Es war etwas am Wind das Gedanken freisetzte
hindurch strich sie ausdünnte
und etwas das mich ans Sterben erinnerte
mir singend verriet das hier sei keine
Welt im Gleichgewicht
Es werde mal dieser Mal jener
Platz nach nicht genauer bekannten Befehlen
geräumt – leisen Befehlen
gegeben in Stille Wo

ich stand fand
ich meine Angst wieder
Sie leistete allen erdenklichen Widerstand
Wollte sich nicht
auf ein Anderswo richten Noch
war sie Kontrolleur
Lange noch? Letztlich
war sie doch nur
Anfängerin
machte in Wolken

Ich sah überall um mich Wagen
mit schwarzen Scheiben als gäbe es
nicht weit von mir
ein unheimliches
Unternehmen das
ständig wuchs
wie Holzhandel wachsen und
Fäulnis Was genau

würde es sein das ich
als erstes losließ? Den Schmerz
der mich weniger brauchte als ich ihn?

Ich würde so leicht werden
als schwebte ich über den Jahren
ein schwarzes Zeichen
so hoch gewachsen dass es
nicht mehr lesbar war

 

 

ES WAR WOMÖGLICH OPHELIAS LIEBLINGSQUALLE

Sie kam vom Ostwind angeschwemmt
Formlos Wenig mehr als die Frage
nach dem was da war bevor das Meer nach ihr trat
und wir seine Verbündeten
sie mit den Fußspitzen kitzelten

Ophelias Liebe zum Beispiel All die wilden
Spiele mit der See Das gewagte
Herumgeschubse von Schwimmern
als Strafe dass sie
dermaßen schlecht im Sichvorstellen warn
wer sonst noch lebte und zuckte
Nicht so nachgemacht wie die Wasserfrau
in den Schaukästen saß

Wir etwa: Kein Seestück an das wir uns erinnerten
kein Rocksaum mit blauen Muschelketten besetzt und doch –
gibt es uns hier Heute So sicher wie auf Papier
und nicht auf irgendeiner Insel draußen auf der
niemand uns kennt oder erwartet und ernst nehmen will
die beiden Fremden die auf den Boden starren
die Qualle ansehn und denken Die Welt

 

 

VAN DE WILG DIE VERANDERDE

Mijn houvast in de grond was bijna
vergeten Ik boog
diep voorover Spottend
inspecteerde de storm
de weerstand van mijn takken
ging vervolgens serieus
de strijd aan

Er was iets in de wind wat gedachten losmaakte
er doorheen streek ze uitdunde
en iets wat me aan sterven herinnerde
mij zingend verried dat dat hier geen
wereld in evenwicht is
dat nu deze dan die
plek op niet nader bekende bevelen
ontruimd wordt – gedempte bevelen
gegeven in stilte Waar

ik stond vond
ik mijn angst terug
Die verzette zich uit alle macht
Wilde zich niet
op een elders richten Nu
was hij nog controleur
Nog lang? Tenslotte
was hij toch maar
beginneling
deed in wolken

Ik zag overal om mij heen wagens
met zwarte ruiten alsof er
niet ver van mij vandaan
een onheilspellende
onderneming was die
gestaag groeide
zoals houthandels groeien en
verrotting Wat precies

zou het zijn wat ik
als eerste losliet? De pijn
die mij minder nodig had dan ik hem?

Ik zou zo licht worden
alsof ik boven de jaren zweefde
een zwart teken
zo in de hoogte geschoten dat het
niet meer leesbaar was

 

Vertaald door Monique de Waal

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

 

De Franse schrijver,  essayist en journalist Olivier Guez werd geboren op 15 juni 1974 in Straatsburg. Zie ook alle tags voor Olivier Guez op dit blog.

Uit: Grand Tour Europa (Vertaald door Katelijne de Vuyst)

“Het is absurd, suïcidaal haast. Sinds de jaren 1950 bouwen we aan een monumentale constructie, maar we vergeten de fundamenten ervan te verstevigen. We bouwen om beurten, zonder de bewoners met elkaar in contact te brengen; we zien het cement over het hoofd, de verstandhouding die ervoor moet zorgen dat we samen kunnen leven en dromen: de cultuur. En we voorzien niet in de middelen om ons te identificeren met het spannende avontuur van de Europese integratie. Alsof we opzettelijk vanaf de zijlijn blijven toekijken. De wijken van de Europese instellingen in Brussel, Luxemburg en Straatsburg zien er glad, functioneel en luguber uit. Niemand gaat er op zondag wandelen. In de Brusselse Wetstraat werd een beeldhouwwerk opgericht, Stepping Forward. Vanaf zijn voetstuk zet een slaapwandelaar een stap in het ijle: bloedstollende symboliek. En onze bankbriefjes… In plaats van het gezicht van Dante, Goethe, Mozart of Victor Hugo, in plaats van Toscaanse of Beierse landschappen of een Griekse tempel heeft men er kunstmatige computerbeelden van bruggen en bogen op gezet. Zijn we dan bang van onszelf, onze geschiedenis, onze identiteit? Of zijn we te lui om die te definiëren en ervoor uit te komen? Een Chinees die een reis maakt in onze contreien zou dat niettemin moeiteloos kunnen doen. Zelfs een Amerikaan uit het Middenwesten zou erin slagen het Europese erfgoed in grote lijnen te herkennen. Als de toeristen in het zuiden van Europa rondkuieren, kunnen ze met hun eigen ogen de Grieks-Romeinse invloeden vaststellen, of het Saraceense stempel in Andalusië en de Balkan. Overal, van het noorden tot het zuiden en van het oosten tot het westen, kunnen ze kerken en kloosters, kathedralen en basilieken bewonderen. In het jaar i000 was Europa christelijk en hadden alle Europese vorsten, met uitzondering van de Litouwse heersers, zich tot het christendom bekeerd. Een gids zou vertellen dat Europa tot aan de grote slachtpartijen van de toste eeuw het uitverkoren land was van de Joden, en dat het continent vorm heeft gekregen op basis van supranationale ideeën.”

 

Olivier Guez (Straatsburg, 15 juni  1974)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2021 en eveneens mijn blog van 15 juni 2019 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 15:22 Reageer op dit bericht

Alex Boogers, Silke Scheuermann

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit: Alle dingen zijn schitterend

“De laatste jaren heb ik geen verhaal gehoord dat me niet al eens eerder was verteld. Elk gesprek was een herhaling van een ander gesprek. Elke nieuwe gebeurtenis leek zich al eens te hebben afgespeeld, op een ander moment, met andere gezichten en namen. Misschien lag het aan mij. Voordat ik vanochtend van huis vertrok zei Taij: “Jij bent, pap, ik heb het paard verplaatst naar C4.” “Vanavond, als ik weer thuis ben, goed?” “Nee, nu, papa!” “Je moet zo naar school.” “Het is bijna vakantie, we doen geen belangrijke dingen meer. De juf zegt dat dit de pretuurtjes zijn.” “Zegt ze dat, pretuurtjes? Gaat het er zo aan toe tegenwoordig? Ik had geen pretuurtjes vroeger.” Ik aaide hem over zijn hoofd, ritste mijn groene winterjack dicht en gaf hem een kus. “Pretuurtjes,” zei ik, met een lichte verbazing in mijn stem. “Vergeet je snoepjes niet in te nemen.” Hij ging met zijn hand door zijn blonde haar, alsof hij mijn aanraking ongedaan wilde maken. Hij was tien, een overdreven liefkozing werd al snel als iets kinderachtigs gezien. De lokken vielen onmiddellijk weer voor zijn gezicht “Dat zijn geen snoepjes, pap!”
Een half uur later sta ik op een parkeerterrein bij het kleine winkelcentrum, vlak bij Albert Heijn, want daar hebben ze mooie, had Stephanie gezegd. De motor draait. De verwarming staat aan. Buiten wachten mannen met bomberjacks en verkleumde gezichten op klanten. Ik toets het nummer van Bleeker in en druk de telefoon tegen mijn oor. “Hallo?” De vertrouwde stem van Bleeker, haastig, nerveus als altijd, alsof hij in een migrantenwijk in Gouda, Den Haag of Rotterdam met een bord om zijn nek loopt waarop staat:
MOSLIMS OPROTTEN! “Bleeker.” “Arthur? Waar ben je? Kom je nog hierheen? Wacht… Ja, ik ben er. Vijf minuutjes, ik moet zo een vergadering in. Lukt dat?” Ik zeg: “Ik moet een boom oppikken en ik heb nog een interview om uit te tikken. Maar luister -” “Wacht, Art, iemand zegt hier iets – wat?” De mannen bij het plein slepen de kerstbomen aan hun netten uit de verroeste container. Ze staan er al een week en doen me denken aan visserlieden op de Beringzee die in de vrieskou de kooien met degenkrabben binnenhalen, hopend op een vangst die het seizoen veiligstelt. Mannen met een ongeschoren gezicht, verkleumde handen, een kleine wollen muts op, en een opgebrand shaggie in de mondhoek. Ze houden elkaar warm met verhalen over Feyenoord. Ze grijnzen en stoten wolkjes rook naar buiten.”

 

Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Uraniavlinder

Wat was ons doel; we waren voortdurend ’s nachts
met vertraging onderweg destijds, toen de discotheken ons nog
hun liefde iets te luid verklaarden en ons dat niet opviel,
omdat we ons in het centrum van de straling bevonden; het was toen
altijd klaarlichte dag, wij voortdurend met onze lichamen
in de weer, die oneindig veel sterker waren dan verwacht,
pretentieus, mooi; de droom loste op in de tijd;
we waren beschikbaar voor elkaar. Wij wilden vergeten,
wilden de vloek van onze afkomst vergeten. Hoe de
priester het bloed dronk, de zondagen ons vlees roosterden,
vader barbecuede, terwijl moeder het brood brak. In de tuin
rijpten tomaten, wij groeiden op, vlinders
op natuurlijke bloemen. Maar dan: de wereld op zijn kop,
nieuwe natuurervaringen. Licht flikkerde, stenen werden gerookt.
Welk doel, ik herinner mij het niet, en waarom geloofden
wij toen alles bereikt hebben? Omdat wij in de
steden altijd door licht gestuurd werden, door
autokoplampen, reclameborden, glitters
reflecterende winkelcentra? Omdat we
dode insecten van de vloer raapten in lichte appartementen,
afscheid namen van vrienden die het hadden over vermoeidheid?
Ze zeiden dat ze op de rand van uitputting balanceerden,
kregen er niet eens applaus voor. Welk doel toch,
vandaag zie ik vreemde mannen door de straten snellen,
weet niet waarheen, en jij bent een van hen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2021 en ook mijn blog van 13 juni 2020 en eveneens mijn blog van 13 juni 2019 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:42 Reageer op dit bericht

Thomas Heerma van Voss, Christoph Meckel

De Nederlandse schrijver Thomas Heerma van Voss werd geboren in Amsterdam op 13 juni 1990. Zie ook alle tags voor Thomas Heerma van Voss op dit blog.

Uit: Omwegen

“Vlak voor mijn vriendin besloot dat ze niet langer mijn vriendin was, ging ik met haar familie een week wandelen in de Ardennen. Van tevoren had ik speciale schoenen gekocht, waterdicht en met dikke zolen. De verkoper zei: ‘Deze kunnen niet stuk. Hier ga je de rest van je leven profijt van hebben.’
Thuis had ik de schoenen alvast ingelopen, dat had mijn vader aangeraden. Zoals hij me ook jaren terug, rond mijn achttiende, adviseerde om met leren schoenen zo snel mogelijk in plassen regen te stappen. ‘Wij hebben enorm brede voeten, dan moet je zulke trucjes toepassen. Om te wennen.’
In aanloop naar mijn wandelvakantie gaf hij me een plattegrond van de Ardennen mee. Ik wist al dat ik hem niet zou bekijken en toch had ik de kaart in mijn rugzak gestoken, die verder gevuld was met een waterfles, antimuggencrème, blarenpleisters, een opschrijfboekje en kleren natuurlijk, vooral T-shirts, omdat ik verwachtte dat ik de komende dagen veel zou zweten.
Zuid-België in de ochtend. Bushaltes waarvan je niet direct kon zien of ze nog in gebruik waren. Kerken met daaromheen een bakkertje en een begraafplaats, losstaande huizen die leken te twijfelen bij welk gehucht ze hoorden. Het weinige leven dat hier was speelde zich af achter rolluiken of in een van de imposante bossen, die met glooiende weilanden en middeleeuwse bruggetjes aan elkaar waren verbonden.
Verkeer was er nauwelijks, we moesten alleen vaart minderen voor groepjes wielrenners. Een paard in sukkeldraf. Twee tractoren. Als we nog even doorreden over deze weg zouden we in Frankrijk belanden, maar in plaats daarvan parkeerde mijn schoonvader zijn minibusje vlak bij Bouillon. Camping Halliru. We gingen er niet slapen, alleen de auto zou hier achterblijven, op dit afgelegen grind en beschut door een rij bomen, het was allemaal van tevoren uitgedacht.
Mijn schoonfamilie hield van deze streek. De ouders hadden er een huisje waar ik inmiddels twee kersten had doorgebracht en alle vijf waren ze gewend aan wandelvakanties. Vorige zomer nog trokken ze met zijn vijven door de Italiaanse bergen, en heel geroutineerd controleerden ze nu hun bagage. Mijn schoonzusje ging na of ze genoeg mueslirepen bij zich had. Mijn vriendin benutte het moment om haar rugzak alsnog, overvallen door een plotse haast die ik niet begreep, opnieuw in te delen. Zoals gebruikelijk trok mijn schoonbroer intussen de meeste aandacht, met zijn fladderige overhemd, zijn sandalen, het ongewassen haar dat tot aan zijn middel kwam, en met de gitaar die hij als voornaamste bagage had meegenomen en waarvan hij nu kort de snaren beroerde.”

 

Thomas Heerma van Voss (Amsterdam, 13 juni 1990)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Hotel voor slaapwandelaars

Komen slapend overal vandaan,
mijn huis is een altijd donker verblijf
voor dwaallichtjagers, mummies, winterdieren
en voor de slapeloze handelaars die op de glinsterende
boulevard van de Maanlicht Hotels
vermoeidheid uit hun hoorn des overvloeds verkopen.

Over een windstille viaductspoorweg trekken jullie
met vrachters en wagons in een slaapkonvooi
van het licht naar het donker, de tunnels
van de schemering ertussen houden jullie niet lang op.

Uiteindelijk kloppen jullie op mijn deur en smeken
met een stem verstikt door dromen, met zieke vleugels
en gescheurde schoenen om een ontwaken
uit je wereldreis door de verlaten
nachtmerrieachtige nacht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (Berlijn, 12 juni 1935)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2021 en ook mijn blog van 13 juni 2020 en eveneens mijn blog van 13 juni 2019 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:14 Reageer op dit bericht

Christoph Meckel

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

Uit: Eine Tür aus Glas, weit offen

„Die Tür aus Glas ist im Sommer offen, auch nachts und im Regen, und wenn ich in die Gemeinde fahre, um Post zu holen und Brot zu kaufen. In meiner Abwesenheit tritt niemand ein. Es ist nicht dasselbe, wenn ich zu Hause bin.
In der offenen Tür tauchen Leute auf (sie erscheinen im Winter hinter Glas), vertraute und unbekannte, erwünschte und falsche, Gesichter und Mäntel im Gegenlicht, ein Uhrenhändler im Wagen aus Marseille, ein Nachbar, der Honig bringt, um erzählen zu können, ein vom Bergweg abgeirrter Tourist. Ein Lavendelbauer kommt an Erntetagen und bittet um Hilfe. Der Gemeindediener liest die Wasser-uhr und trinkt etwas Wein. Es kommen Zigeuner, die Körbe verkaufen, und es kommen zwei Damen der christlichen Redseligkeit, sie bieten Broschüren und Bibeln an. Eine Viper rutschte, als ich im Zeichnen war, grau und langsam über die Schwelle, krümmte sich an den Wänden entlang und verschwand hinter Büchern. Jahrelang bewegte sich, nachts um elf, eine Kröte hangabwärts durch das Licht. Der Marder (er scheint mein Marder zu sein) trug die Kopf- und die Schwanzhälfte eines zerlegten Gecko nacheinander an der Tür vorbei. Der Kater des Nachbarn erscheint mit einer Maus. Junge Vögel fliegen ins Zimmer, prallen ans Fenster und stürzen ab, verwirrt, betäubt, mit gebrochenen Flügeln.
Elstern schwirren laut vorbei, randalierende Diebe der Vogelwelt, verschlagen und frech wie alte Füchse, und schaffen beiseite, was Licht fängt: Kupferteile, Scherben, Silberpapier. Eine Brille, lang verschwunden, wurde nach Jahren im Bach entdeckt.
Es ist ein Raum, in dem gearbeitet wird. Vor der Tür steht ein alter Tilleul, er trägt zu allem bei, was mir möglich ist. Die Türe öffnet sich in dichtes Laub (im Winter in kahles Geäst), ich atme und schlafe im Baum, in Geräusch und Schatten des Baums, in seinem Duft. Die Wurzeln wachsen unter das Fundament, die Äste berühren das Dach und scheuern im Wind an den Ziegeln. Der Baum muss
gelichtet werden, ich schneide die Äste. Er filtert Hitze, Licht und Wind, lässt den Regen erzählen, wirft bewegliche Schatten auf Gras und Mauern, grünen Schatten auf Tisch und Gläser, Sonnenflecken auf das Papier. Vögel durchfliegen ihn ohne Geräusch, Bienen halten sich auf, im Schatten brummend. Im ausgehöhlten Stamm ein Nest von Hornissen, das ich nachts mit Zement verschloss.
Hinter dem Baum geht das Grasland hangaufwärts nach Süden. Unter Weißdorngestrüpp verfällt eine Mauer, die Lavendelfeld und Wiesen trennte. Wiesen und Feld sind verbraucht, voll Kraut und Dornen, das Gras ist üppig, aber verfilzt und wertlos, saftig im Frühling, im Sommer verdorrt, das Land vor Augen wird an den Hundstagen grau. Grau sind Bergrücken, Gräser und Steine, grün wie grau ist das staubige Laub.“

 

 

Half oktober

Heeft de herfstmaan een slaapmuts op,
vergeet hij afscheid te nemen van de vlier,
de wind trekt gouden handschoenen aan,
om de laatste bladeren van de acacia
in zijn dagboek te leggen;
het eerste sneeuwvlokje aarzelt nog,
het laat zich op mijn schouder vallen.
De regen meent het goed met mij,
Hij wandelt op het dak van de wereld
In onhoorbare pantoffels.
Maar Onze Lieve Heer heeft zevenmijlslaarzen aan
en gaat voorbij aan de jaren waarin ik leef.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e juni ook mijn blog van 12 juni 2020 en eveneens mijn blog van 12 juni 2019 en ook mijn blog van 12 juni 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:35 Reageer op dit bericht

Sophie van der Stap, Christoph Meckel

De Nederlandse schrijfster Sophie van der Stap werd geboren in Amsterdam op 11 juni 1983. Zie ook alle tags voor Sophie van der Stap op dit blog.

Uit: Een blauwe vlinder zegt gedag

“27 maart 2007. Slechts een datum, maar ook zoveel meer dan dat. Die dag reed ik weg van huis. De opeenvolging van pijnlijke herinneringen ging te snel om van me af te schudden. Zelfs niet voor een dag, een minuut, of een moment. Ik reed met een omweg door Duitsland naar Spanje, maar algauw bleek Spanje niet groot en ver genoeg. De kilometers gingen hard, bijna net zo hard als mijn gedachten. Mijn hoofd stond bol van de woorden, de spiegels vol van de vrachtwagens, maar de weg voor mij was leeg. Blank. En vooral: vrij. 240.638, las ik op de display. Slechts de laatste 638 kilometers waren van mij. Ik reed weg van Amsterdam, van alles wat mijn leven beheerste en bepaalde, op weg naar een nieuwe, lege dag, die, in gedachten, alleen ingevuld kon worden in Spanje. Maar helaas kun je eenzaamheid niet vullen, daar ben ik inmiddels wel achter. Het was de eenzaamheid die mij vulde. Het leven bepaalde meer voor mij dan ik voor mijn leven. De rollenwisseling die hieraan vooraf was gegaan heb ik machteloos moeten toestaan, steeds verder weg rakend van mijn eigen speelterrein, de zijlijn op. Misschien dat het wel altijd zo geweest is. Misschien dat het gewoon zo is. Misschien dat mijn geloof in maakbaarheid meer weg heeft van dromen dan van wakker zijn. Dat weet ik niet. Hoe het ook zij, mijn ongeloof in grenzen knaagde als een bezetene aan mijn geloof in mogelijkheden. De acceptatie dat het leven van meer toevalligheden en omstandigheden aan elkaar hangt dan ik me ooit heb voorgenomen te accepteren, kroop grillig als een naaktslak bij me naar binnen. Het was oorlog binnen mijn eigen filosofie en het geschil had ik zelf op te lossen. Enerzijds volgde ik de paden van een droom, anderzijds vertrok ik uit een eerdere droom, die ik los moest zien te vlechten van mijn toekomst. Met het afsterven van Chantal en het inkrimpen van mijn hart, raakte ik meer en meer verstikt in de leegte, die als een koude deken om me heen was geslagen.
De werkelijkheid verschuift en verwachtingen schuiven mee. Ze passen zich stilletjes aan de nieuwe straatstenen aan, die ik twee jaar geleden op een winderige ochtend in januari voor het eerst bewandelde. Vanaf die ochtend was alles anders. Het is moeilijk te bevatten wat er met je gebeurt als op jonge leeftijd de weg vooruit ophoudt te bestaan. Je kunt niet meer dromen en je durft niet meer te dromen zonder de pijn te voelen van de eenzaamheid die niet in te vullen blijkt.”

 

Sophie van der Stap (Amsterdam, 11 juni 1983)

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Vogel

DE VOGEL IS HET TEGENOVERGESTELDE VAN ALLES –
Maar niet het tegenovergestelde van lucht en hemel
zij zijn het paleis en de danszaal van de vogelvolken.

Tot het einde van de nacht een kauw,
die in de laatste sneeuw van de maartochtend roept,
Het zou een ekster kunnen zijn, het zilveren kettinkje van Stella
in de snavel, waar laat je het. Hij is niet
het tegenovergestelde van het licht, de zee, de zomer,
van stormen uit negentig richtingen van het nadir.

Hij is de zwarte wouw en heeft geen vijanden.
Mijn vogel, maar hij kent mij niet.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e juni ook mijn blog van 11 juni 2021 en ook mijn blog van 11 juni 2020 en eveneens mijn blog van 11 juni 2019 en ook mijn blog van 11 juni 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:37 Reageer op dit bericht

Louis Couperus, Christoph Meckel

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: De stille kracht

“De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindeboomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van hare tragische tint, in een vagen hemel op. Een doodsche stilte spande alom als een sluier van zwijgen, of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid, in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moê van den zonneblakenden dag der Oostmoesson. De huizen, zonder geluid, doken weg, doodstil, in het loover van hunne tuinen, met de regelmatig opblankende rissen der groote gekalkte bloempotten. Hier en daar werd een licht al ontstoken. Plotseling blafte een hond, en antwoordde een andere hond en verscheurde de donsende stilte in lange, ruwe flarden; de nijdige hondekelen, heesch, ademloos, schor vijandig; plotseling ook zwegen zij stil.
Aan het einde der Lange Laan lag diep in zijn voortuin het Rezidentie-huis. Laag, dadelijk in den nacht der waringinboomen, zigzagde het zijne pannendaken, het eene achter het andere, naar de schaduw van den achtertuin toe, met een primitieve lijn van dakteekening, over iedere galerij een dak, over iedere kamer een dak, tot éene lange daksilhouet. Vóor echter, rezen de witte zuilen der voorgalerij, met de witte zuilen der portiek, hoog blank en aanzienlijk op, met breede tusschenruimten, met groote openheid van ontvangst, met eene uitbreiding van indrukwekkend paleisportaal. Door de open deuren verschoot de middengalerij vaag naar achteren toe, met een enkel licht opgeglimd.
Een oppasser ontstak de lantarens ter zij van het huis. Halfcirkels van groote, witte potten met rozen en chrysanten, met palmen en caladiums, bogen links en rechts wijd voor het huis naar ter zijde uit. Een breede grindlaan vormde den oprit tot in de witgezuilde portiek; dan strekte zich uit een wijd dor gazon, met potten omgeven, en, in het midden op een gemetseld voetstuk, een monumentale vaaspot, met een groote latania.”

 

Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Borstbeeld van Couperus in Den Haag (detail)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

 Slapeloos

Omdat het zandmannetje zijn zak verloor,
zal ik dit millennium slapeloos zijn,
Ik zal de gescheurde sandalen van de boze repareren
waarmee hij over gedempte tapijten loopt.

Voor het feit dat zijn sombere bloemen,
zijn wilde lachen mij opvrolijkt,
voor het feit dat zijn hel mij slaap belooft,
warme, bruine, rokende slaap,
wil ik hem mijn dood als fooi geven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (Berlijn, 12 juni 1935)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e juni ook mijn blog van 10 juni 2023 en ook mijn blog van 10 juni 2021 en ook mijn blog van 10 juni 2020 en eveneens mijn blog van 10 juni 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 15:54 Reageer op dit bericht

Maarten Doorman, Marie Howe

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

 

Populieren

Populieren
van oude kranten gemaakte
stijve regenwuivers,
hun wintertakken
kreukels zonder schaduw,
populieren
nog eerder geknakt
dan omgehakt, op papier
alleen levend
sluiten ze
zonder mee te tellen
hoogstens ergens
een veldje af
na het spelen.
Populieren
niet in staat zelfs
in hun kalme regens
nog iets voor te stellen,
door de bomen
eens bos te zijn.

Maar ’s zomers soms
langs een kanaal
of op een flinke akker
in rijen geplant
nemen ze je ertussen,
krijgen ze klein

 

 

Luik / Rue des Ramons

Tegen de helling word je een optocht
in jezelf, de huizen
leunen hoe laag ook als gewelf
op je schouders, vogels
komen niet hoger dan hun open kooi
in het kozijn.
De erewacht van woningen
ontbeert veerkracht tot het eind
en valt hogerop uiteen
in een carrosseriebedrijf en een tuin
achter een hekje uit een tijd voorbij.
Schuin houdt dit op en schijnbaar
gaat deze hang open
door uit te lopen op iets anders
door de dwang opzij te kruipen
of het hoofd tegen de lucht te stompen.
Ook rugwaarts ontsnap ik niet
uit dit verkrompen randgebied.

 

 

Île d’amour

Kom er maar eens op,
het ziet uit op alle kanten
die je niet op kunt. Het kan niet
op – met lucht op water
tekenen ze zich af, de golven
opposanten van een strand
zonder afstand tot het land
alsof het zand niets anders
dan zichzelf omgaf – kom
er maar eens af.

 

Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Marie Howe werd geboren in 1950 in Rochester, New York. Zie ook alle tags voor Marie Howe op dit blog.

 

 

Wat de stilte zei

Geloof je nog steeds in grenzen?
Vogels vliegen op boven je kaarten en muren, en dat is altijd zo geweest.
Je hebt misschien wel eens gezien hoe de rook van je eigen vuur
reisde op de wind die je niet kon zien
zwevend over de vallei
en omhoog en over de heuvels en over de volgende vallei en de volgende heuvel.

Heb je de dieren niet horen huilen en zingen?
Of de stilte gehoord van de dieren die niet langer zongen?
Nu weet je wat het is om bang te zijn.
Je denkt dat dit een droom is? Het is geen
droom. Denk je dat dit een theoretische vraag is?
Waar hou je meer van dan van wat je denkt dat jouw unieke leven is?
Het water wordt helderder. De zwanen vestigen zich daar en dobberen er.

Ben jij bereid om weer je plek in het bos in te nemen? leem en schors te worden
een vallend blad te zijn. vanaf grote hoogte. om de worm te zijn die het blad eet
en de vogel die de worm eet? Kijk naar de lucht: ben je
bereid om weer de lucht te zijn?

Je denkt dat deze les
te moeilijk voor je is. Je wilt dat de time-out eindigt. Je wil
naar de film gaan zoals voorheen, met je vrienden samenzitten en eten.
Het kan nu eindigen, maar niet op de manier zoals jij je voorstelt Je kent
de geest die al zo lang tegen je praat – de geest die
alles kan verklaren? Luister niet.

Je was ooit een staatsburger van een land genaamd Ik Weet Het Niet.
Herinner je je de brandende boot die je daar naartoe bracht? Klim erin.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Marie Howe (Rochester, 1950)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juni ook mijn blog van 9 juni 2020 en eveneens mijn blog van 9 juni 2019 en ook mijn blog van 9 juni 2018 deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:02 Reageer op dit bericht

Marguerite Yourcenar, Nino Haratischwili, Marie Howe

De Belgisch-Amerikaanse, Franstalige schrijfster Marguerite Yourcenar werd geboren in Brussel op 8 juni 1903. Zie ook alle tags voor Marguerite Yourcenar op dit blog.

Uit: Memoirs of Hadrian (Vertaald door Grace Frick, in samenwerking met de schrijfster)

“In spite of the legends surrounding me, I have cared little for youth, and for my own youth least of all. This much vaunted portion of existence, considered dispassionately, seems to me often a formless, opaque, and unpolished period, both fragile and unstable. Needless to say I have found a certain number of exquisite exceptions to the rule, and two or three were admirable; of these, Mark, you yourself will have been the most pure. As for me, I was at twenty much what I am today, but not consistently so. Not everything in me was bad, but it could have been : the good or the better parts served to support the worse. I look back with shame on my ignorance of the world, which I thought that I knew, and on my impatience, and on a kind of frivolous ambition and gross avidity which I then had. Must the truth be told ? In the midst of the studious life of Athens, where all pleasures, too, received their due, I regretted not Rome itself but the atmosphere of the place where the business of the world is continually done and undone, where are heard the pulleys and gears in the machine of governmental power. The reign of Domitian was drawing to a close; my cousin Trajan, who had covered himself with glory on the Rhine frontier, ranked now as a popular hero; the Spanish tribe was gaining hold in Rome. Compared with that world of immediate action, the beloved Greek province seemed to me to be slumbering in a haze of ideas seldom stirred by change, and the political passivity of the Hellenes appeared a somewhat spiritless form of renunciation. My appetite for power, and for money (which is often with us a first form of power) was undeniable, as was the craving for glory (to give that beautiful and impassioned name to what is merely our itch to hear ourselves spoken of). There was mingled confusedly with these desires the feeling that Rome, though inferior in many things, was at least superior in its demand that its citizens should take part in public affairs, those citizens at least who were of senatorial or equestrian rank. I had reached the point where I felt that the most ordinary debate on such a subject as importation of Egyptian wheat would have taught me more about government than would the entire Republic of Plato.
Even a few years earlier, as a young Roman broken to military discipline, I could see that I had a better understanding than my professors of what it meant to be a Spartan soldier, or an athlete of Pindar’s time. I left the mellow light of Athens for the city where men wrapped and hooded in heavy togas battle against February winds, where luxury and debauch are barren of charm, but where the slightest decision taken affects the fate of some quarter of the world. There a young and eager
provincial, not wholly obtuse but pursuing at first only vulgar ambitions, was little by little to lose such aspirations in the act of fulfilling them; he was to learn to contend both with men and with things, to command, and what is perhaps in the end slightly less futile, to serve.”

 

Marguerite Yourcenar (8 juni 1903 – 17 december 1987)

 

 

De Georgische schrijfster en regisseuse Nino Haratischwili werd geboren op 8 juni 1983 in Tbilisi. Zie ook alle tags voor Nino Haratischwili op dit blog.

Uit: De kat en de generaal (Vertaald door Elly Schippers en Jantsje Post) 

“Ze keek naar de lucht. Door het dichte wolkendek zag ze een akelig felle cirkel. Ze had het gevoel dat ze dwars door het verblindende wit de gloeiende botten zou kunnen zien, als ze maar lang genoeg bleef turen, als ze het maar verdroeg dat haar netvlies vlam vatte. Maar ze wendde haar blik af, de lucht was in een paar seconden betrokken en de wolken dreven de mist de bergkloof in.
Weer die minachtende blikken toen ze het marktplein op liep, ze werd achtervolgd door gefluister. Ook de kleverige gele hagedissenblikken van de oude vrouwen brandden op haar huid. Ze waren vast weer over haar aan het roddelen omdat ze zonder hoofddoek door het dorp liep.
De mist pakte zich razendsnel samen boven de kloof. Zwaar en stil was hij de dorpen binnengekropen en met zijn onverzadigbare muil had hij alles en iedereen opgeslokt. Je moest je geweldig inspannen om een hand voor ogen te kunnen zien.
De mist en de vochtige kou maakten de mensen gespannener, prikkelbaarder, de toch al ijzige sfeer in het dorp was om te snijden. De vrouwen slopen op kousenvoeten rond en deden stilletjes hun dagelijks werk, terwijl de mannen zich met een ernstig en geheimzinnig gezicht in groepjes terugtrokken in de achterkamertjes.
De winter zou hier binnenkort even meedogenloos als altijd aanbreken. De bewoners wapenden zich en stelden zich in op de koude, heldere nachten en de ijzige ochtendwinden. Maar er hing nog iets anders in de lucht, nee, het lag op de loer, ze kon het niet onder woorden brengen, ze kende deze sfeer niet, ze wist alleen dat die niet veel goeds voorspelde. In tegenstelling tot alle anderen wilde
ze zich echter niet door zorgen en angsten laten verlammen. Ze wilde zich net als andere jaren verheugen op de eerste sneeuw. Ze wilde met de kleine Asma sneeuwballengevechten houden en sleetjerijden – ondanks het gejeremieer van haar moeder dat zulk gedrag niet gepast was voor een jonge vrouw van haar leeftijd. Ze wilde het geknerp onder haar voeten voelen, de witte dekentjes van de dunne mosgroene sparrentakken schudden en lachen om niets, gewoon zomaar, zoals ze altijd had gedaan.”

 

Nino Haratischwili (Tbilisi, 8 juni 1983)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Marie Howe werd geboren in 1950 in Rochester, New York. Zie ook alle tags voor Marie Howe op dit blog.

 

Slecht weer

Wat maakt het uit dat deze koude juni aanbreekt, nog een bord
op de keukenvloer, rinkelend onder de tafelpoten.
Dus is de lange bezem nodig, een keer extra bukken.
Het moet er onderuit. Als de zon terugkomt. Als de regen stopt.

Maar er klopt iets niet. Iets klopt er niet.
De wasmachine loopt vast en zoemt te luid. De mezen
vallen uit de bomen. Er zit een zwaluw vast in de schoorsteen.
Het kleinste ramlammetje eet niet. De dagen gaan voorbij.

Juni is te koud. De spinnen die in de spanten huizen
dreigen het nest te overspoelen, Ze kunnen niet snel genoeg gegeten worden.
De moeder, buiten zichzelf, heeft dit slechts één keer eerder zien gebeuren,
de eitjes gehuld in een gaas.

Er komen geen brieven. De kleine tinnen vlag is neergelaten. Het huis kruipt
verder van de weg. Het gras rijst op in de regen. De zeisen
roesten en snijden niet. De messen piepen en zuchten, niets
te doen. Wij sluiten de portiekdeuren, maar elke avond

gaan ze een klein stukje open. We horen het vanuit de slaapkamer,
een zacht kraken. Er is niemand. De kou ligt in de wei,
waar de schapen goedgelovig en stoer en stom zijn, maar
het ramlam wil niet eten. Zijn moeder is het al vergeten.

De ramen blijven niet dicht. Zelfs de kleine spijkers
die we erin rammen, zitten ’s ochtends los en de schermen klapperen
een beetje in de zachte koude wind. Van onder de dekens,
zie ik hoe je door het huis beweegt en de kapotte dingen repareert:

de bureaulamp, de broodrooster, de radio die nog steeds niet wil praten.
De rode duiven hebben al een week niet gelegd. Er is niets wat we kunnen doen.
Niets. Het zou tien jaar geleden kunnen zijn. Ik zou kunnen dromen.
Dit zou de afgelopen winter geheel van voren af aan kunnen zijn

met het opgestapelde hout en de sneeuw die van kilometers ver aanstormt.
Ook de bomen leunden een beetje raar en de kat
was dagenlang verdwenen. Niets zou maken dat zij terugkwam.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Marie Howe (Rochester, 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e juni ook mijn blog van 8 juni 2020 en eveneens mijn blog van 8 juni 2019 en ook mijn blog van 8 juni 2018 en eveneens mijn blog van 8 juni 2017.

Geschreven door Romenu om 15:01 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten