Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Griet Op de Beeck, Dorothy Parker

De Vlaamse schrijfster en columniste Griet Op de Beeck werd geboren in Turnhout op 22 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Griet Op de Beeck op dit blog.

Uit: Het beste wat we hebben

“Hij had er drieënveertig jaar over gedaan om erachter te komen, maar hij was niet gemaakt om zich schrap te zetten. Lucas trok zijn schouders naar achter en ontspande ze weer. Hij hees de mouwen van zijn colbert zo ver mogelijk omhoog en krabde aan beide onderarmen. Behalve de rode strepen die zijn nagels achterlieten zag hij nog steeds niks ongewoons, en toch was de jeuk om gek van te worden. ‘Diep in- en uitademen,’ hij zei het hardop tegen zichzelf, nadrukkelijk: ‘In en weer uit.’ Eenentachtig meter hoog, had hij gelezen. De brug stond hier al langer dan Lucas bestond, en sindsdien waren er elk jaar gemiddeld veertienenhalf mensen afgesprongen. Hij wilde de rekensom niet maken. Hij boog zich over de brede reling en staarde de diepte in. Het duizelde hem, hij klemde zich vast aan het ruwe beton, maar hij bleef kijken. Een straat, water en een spoorweg, stilstaande auto’s, bomen in alle kleuren groen, daken van huizen, slordig naast elkaar geplakt, gevels met ramen en deuren, allemaal dicht, een weg die een verte tegemoet draaide, een wandelaar met een hond, alles in miniatuur, alsof het niet echt was, niet meedeed met het leven hierboven. De immense diepte zoog en verpletterde. Hij kwam behoedzaam overeind, zette een stap achteruit en staarde naar de wolken, almaar rusteloos in beweging, alsof ze probeerden de lucht te ontvluchten. ‘In en uit, in en uit.’ Lucas probeerde zijn stem zo kalm mogelijk te laten klinken. Hij wist eigenlijk niet hoe hij hier was beland. Hij was in zijn auto gestapt, dat wist hij nog, en terwijl hij naar zijn gordel reikte, besefte hij dat hij nog steeds zijn toga droeg. Hij stapte weer uit en trok het onding gejaagd over zijn hoofd, hij bleef met een elleboog haken aan een mouw, hij hoorde iets scheuren en vloekte. Hij zwierde het zwarte gewaad op de achterbank en trok zijn colbert aan. Hij vond het potsierlijk, telkens die verkleedpartij, hij vermoedde dat hij met die mening een stevige minderheid vertegenwoordigde onder zijn collega’s. Hij ging weer in zijn auto zitten. Hij schuurde met zijn onderarmen over het stuur. Hij hoorde de bode aan komen lopen: ‘Edelachtbare?! Edelachtbare, wat…?!’ Lucas deed alsof hij het niet hoorde. De sleutel in het contact, gas geven, niet nadenken, rijden, de parkeergarage uit. En nu stond hij hier, op deze vreemde brug. Hij ging met zijn handen door zijn haar, voelde de vingertoppen langs zijn schedel. De hoofdpijn viel amper te verdragen, alsof ze met wetboeken tegen zijn slapen sloegen. Lucas’ telefoon trilde in zijn binnenzak. Maar hij wilde niemand horen nu, of hij was niet in staat om te praten met wie ook, dat was het misschien eerder. Hij wist het niet.”

 

 


Griet Op de Beeck (Turnhout, 22 augustus 1973)

 

 

De Amerikaanse dichteres en critica Dorothy Parker werd geboren in New York op 22 augustus 1893. Zie ook alle tags voor Dorothy Parker op dit blog.

 

Een heel kort lied

Ooit liet mij een man, ik was pril en echt,
In m’n eigen sop gaarkoken –
Eerst had hij, en dat was heel slecht,
Mijn broze hart gebroken.

Liefde is doem en ongeluk,
Daar moet je je voor bergen.
Ooit brak ik ’t hart van een ander stuk,
En dat was nog veel erger

 

Vertaald door Peter Verstegen

 


Dorothy Parker (22 augustus 1893 – 7 juni 1967)
In 1928

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e augustus ook mijn blog van 22 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 22 augustus 2019 en ook mijn blog van 22 augustus 2016 en ook mijn blog van 22 augustus 2015 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:30 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

X. J. Kennedy, Charles Reznikoff

De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedy werd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929. Zie ook alle tags voor X. J. Kennedy op dit blog.

 

 

Famous Poems Abbreviated

1

Of man’s first disobedience and its fruit
Scripture has told. No need to follow suit.

2

Once upon a midnight dreary,
Blue and lonesome, missed my dearie.
Would I find her? Any hope?
Quoth the raven six times, “Nope.”

3

Whoosh! – hear the Sea of Faith’s withdrawing roar?
So, baby, let’s make love tonight, not war.

4

Who will go drive with Fergus now?
You lazy cocks and cunts,
I thought I’d ask you anyhow.
Well don’t all speak at once.

5

Whose woods these are I think I know.
Shall I just sack out in the snow
And freeze? Naaaa, guess I’d better go.

 

 

Blues for Oedipus

Oracle figured
You’d come a cropper,
Kingdom-killin
Mammyjammin
Poppa-bopper!

Gods dished you the shit
Like you deserves—
Now your eyeballs
Danglin
From they optic nerves.

 


X. J.. Kennedy (Dover, 21 augustus 1929)

 

 

De Amerikaanse dichter Charles Reznikoff werd op 30 augustus 1894 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Charles Reznikoff op dit blog.

 

Davids Schild

Toen spraken de profeten: Onze God is niet van klei,
die we in onze zadeltassen dragen;
die gegoten wordt van zilver of fijn goud,
een kalf dat in onze huizen staat met blinde ogen, onbuigzame knieën;

Wie is de Koning van de Glorie?
Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid;
wij dalen af in de duisternis van het graf,
maar alle lichten van de hemel zijn van Hem.

De rook van uw offers is afschuwelijk, spreekt de HEER.
Ik haat uw vieringen, uw feesten en uw vasten;
vereer Mij in rechtvaardigheid;
vereer Mij in goedheid voor de armen en de zwakken,
in gerechtigheid voor de wees, de weduwe, de vreemdeling onder u,
en in gerechtigheid voor hem die zijn loon uit uw hand neemt;
want Ik ben de God van het Recht, Ik ben de God van de Rechtvaardigheid.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e augustus ook mijn blog van 21 augustus 2024 en ook mijn blog van 21 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 21 augustus 2019 en ook mijn blog van 21 augustus 2016 en ook mijn blog van 21 augustus 2016 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:26 Reageer op dit bericht

Anneke Brassinga, Aubrey Beardsley

De Nederlandse dichteres, schrijfster en vertaalster Anneke Brassinga werd geboren in Schaarsbergen op 20 augustus 1948. Zie ook alle tags voor Anneke Brassinga op dit blog.

 

 

De rivier en het knuffeldier

De rivier houdt van je.
De rivier houdt eindeloos veel van je.
De rivier zal alles van je slikken,

een en al blinde liefe zal ze zijn.
De rivier houdt van jou zoveel
als van ieder ander. In haar armen

mag je liggen, schoon zal ze
je likken tot het bot.
Van wie ze houdt, het laat haar koud.

Maar wat je altijd meedroeg al die tijd,
het knuffeldier zo zacht zo dwingend
met zijn domme trouwe knoopjes

die oog hebben voor niets dan voor jou,
het hopeloos met hart en ziel verslingerd
wollig wezen dat van jou is, bij geen ander

ooit nog die versleten warmte vindt –
hem moet je achterlaten en verraden
als je de lonkende rivier ingaat.

 

 

Envoi

Ik wil u aan mijn voeten leggen.
Knielende kameel
met zachte mond uw droefenis
besnuffelend –
kom berg u in mijn zand.
Des wereld wildernis wil ik
verzoenen, lippen drenkende
kameel vol bulten zijn,
wonden en builen dragend
van de reis door brem en kuilen.
Reikt het tot zwerk, dit zachte oog
dat sap weent van dorst?
Rijst er een horizon als ik u
mijzelf reik, versmachtend?
Fata morgana, dorst naar ons.

 

 

Appels van Cézanne

Dat zijn pas gloeilampen,
oogst in de hand van vuur
die penseelt. Er is geen schil.

Rusten ze? Het blad ligt scheef.
Ze houden zich aan schaduw stil.
Een bloem zweeft door de muur.

 

 


Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948)

 

 

De Engelse dichter, schrijver en illustrator Aubrey Vincent Beardsley werd geboren op 21 augustus 1872 in Brighton. Zie ook alle tags voor Aubrey Bewardsley op dit blog.

 

 

Kappersballade

Dit is ’t verhaal van Carrousel,
De kapper van Meridian Street,
Wiens schaar-en-kam-en-scheermesspel
Elk spraakloos van aanbidding liet.

Van Prins, Vorstin en heel het hof
Schikte slechts hij de lokkentooi
En aan zíjn zorg mat men de lof
Voor schonen van divers allooi.

Steeds stremden koets en cabriolet
De route naar de puikcoiffeur;
Als bijen bij een blij boeket
Dromden de dandy’s aan zijn deur.

Los krullend bracht zijn meesterhand
Esprit aan in de saaiste facie;
Godinnen uit oud Griekenland
Schonk hij een nieuwe praal en gratie.

Poeders, parfums, kleurstoffen fijn,
Odeuren, zalven zonderling,
Vergaten dat zij kostbaar zijn
En straalden van bewondering.

Zo vlug ging hem het krullen af,
Bijna te spreken leek zijn tang;
Het scheermes was een toverstaf
Met feeling voor de teerste wang.

Toch kende hij geen hoovaardij,
Hij viel zo door zijn eenvoud op!
Zijn dagtaak slechts beminde hij
En nu en dan een schouder klop.

Hij leende met gelijk respect
Probleem èn kleinigheid het oor;
En niemand zei: die kapper trekt
Een van de beide sexen voor.

Hoe kwam het dan, een zomerdag,
Bij ’t kappen van een koningskind,
Dat men hem tergend lijzig zag
Werken, talmend en treuzelend?

’t Princesje was een wildebras
Van dertien jaar zo ongeveer,
Dat mooi en lief en aardig was –
Een lentebloem bij zonnig weer.

Haar gouden haar viel lang en glad
Terneer langs ogen vol van pret;
Zij was lyrisch en lief, als had
Schubert haar op muziek gezet.

Driemaal sneed Carrousel een lok,
Drie keer maakte hij ’t ongedaan;
Tweemaal schroeide de tang haar rok,
Tweemaal stootte hij lomp haar aan.

Zijn vingers werden stroef en dik,
De ivoren kam kreeg eigen macht;
Iets vaags versluierde zijn blik,
Dat vreemd de vloer tot wank’len bracht.

Hij leunde op zijn kapcommode;
Zijn vingers friemelden, hij wist
Zich zo bespottelijk als een bode
Die een banaal bericht opdist.

Hij greep de 4711,
Brak in zijn handen ’t flesseglas;
Hij voelde zich alsof hij zèlf
Een Koning, sterk en eenzaam was.

’t Princesje gaf een kleine kreet,
Carrousel’s snee was scherp en diep;
Stil ging hij – een droom die vergleed,
Waarna de slaper verdersliep.

Toen hij ’t vertrek voldaan verliet,
Gnuifde hij om ’t gelukte spel.
Men hing hem in Meridian Street,
U bidt vergeefs voor Carrousel. 

 

Vertaald door D. J. Spinalta

 


Aubrey Beardsley (21 augustus 1872 – 16 maart 1898)
Zelfportret, 1892

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e augustus ook mijn blog van 20 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 20 augustus 2019 en ook mijn blog van 20 augustus 2017 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:57 Reageer op dit bericht

Maria Luise Weissmann

De Duitse dichteres Maria Luise Weissmann  werd geboren op 20 augustus 1899 in Schweinfurt. Weissmann was het oudste kind van Karl Weissmann, docent aan een middelbareschool, en zijn vrouw Klara. Ze genoot een beschermde jeugd, eerst in Schweinfurt en vanaf 1909 in Hof, waar haar vader naartoe was overgeplaatst. Tijdens WO I verhuisde ze naar Neurenberg, waar haar eerste werken (sommige onder het pseudoniem M. Wels) in 1918 in de krant Fränkischer Kurier verschenen. Daar raakte ze bevriend met Georg Britting, in wiens tijdschrift Die Sichel vier van haar gedichten werden gepubliceerd, en werd ze secretaris van de Neurenbergse Literaire Vereniging. Tijdens een lezing in juni 1918 ontmoette ze de auteur en uitgever Heinrich F. S. Bachmair, met wie ze vier jaar later zou trouwen. In 1919 verhuisde Weissmann naar München, waar ze samen met haar neef Wilhelm von Schramm werkte in de pas opgerichte boekhandel Die Bücherkiste. Ze sloot zich aan bij de Münchense Vereniging voor Boeddhistisch Leven en werkte bij de uitgeverij Oskar Schloß in Neubiberg, die aan de vereniging was gelieerd. Ze werd ook lid van de literaire revolutionaire groep Das junge Franken (Jong Franken), die in 1919 in Neurenberg was opgericht. In de daaropvolgende jaren publiceerde ze gedichten in verschillende tijdschriften, waaronder Die Sichel, Der Weg, Der Anbruch en Die Flöte. Bachmair was actief aan de linkerzijde van de Radenrepubliek München en werd na de val ervan veroordeeld tot gevangenisstraf. Hij werd in juli 1920 vrijgelaten en Weissmann verhuisde naar Pasing om bij hem te zijn, waar ze in juni 1922 met hem trouwde. In de daaropvolgende jaren woonde het paar afwisselend in Pasing, München en Dresden. Haar eerste dichtbundel, “Das frühe Fest”, werd in 1922 gepubliceerd.

 

Das frühe Fest

Du bist die silberne Weide am Bach.
Schatten der Wolke Du schwimmend.
Du gehst über die mondenen Wege.
Die Städte-Straßen kennen Dich.
Tiere spürten Deiner Fährte all.

Nun suchen Waller, steile, Dich gebetvoll.
Da rot mein Fuß ging – Deine Ferne brannte! –
Liebend erkannten sich die Wandernden.

 

Abenteuer

Nun hat der weite Weg mich ganz verloren,
Wie floh mich Anfang, Ende und die Mitte!
Ich bin in einem tiefen Kreis geboren,
Ich höre meine leichten Schritte
In einem fernen Lande widerhallen,
Ich höre meine leisen Worte
In eine dunkle Stille niederfallen,
Ich schreite durch viel fremde Orte,
Fühl mich gehalten, stille, wie zu Haus,
Und muß doch gehn, und gehe wie für immer,
Und schau nach meiner Rückkehr lächelnd aus –
Ich weiß so viel: Ich kenne schon das Zimmer,
Der blauen Ampel süß gestilltes Licht,
Ich hörte schon vor tausend Jahren diese Stimme,
Wie sie mir zitternd das Willkommen spricht.

 


Maria Luise Weissmann (20 augustus 1899 – 7 november 1929)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Jonathan Coe, Li-Young Lee

De Engelse schrijver Jonathan Coe werd geboren op 19 augustus 1961 in Birmingham. Zie ook alle tags voor Jonathan Coe op dit blog.

Uit: De Rotters Club ( Vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema)

“Op een heldere, blauwzwarte sterrenavond in het jaar 2003 zaten twee jonge mensen in de grote stad Berlijn aan een tafeltje in een restaurant. Hun namen waren Sophie en Patrick. Deze twee mensen hadden elkaar tot die dag nooit ontmoet. Sophie was in Berlijn met haar moeder en Patrick was er met zijn vader. De moeder van Sophie en de vader van Patrick hadden elkaar ooit, langgeleden, heel vluchtig gekend. De vader van Patrick was zelfs heel even verliefd geweest op de moeder van Sophie, in de tijd dat ze nog op school zaten. Maar het was twintig jaar geleden dat ze voor het laatst een paar woorden met elkaar hadden gewisseld. ‘Waar denk je dat ze naartoe zijn?’ vroeg Sophie. ‘Naar een of andere disco, denk ik. Lekker aan het housen.’ ‘Dat meen je toch niet?’ ‘Natuurlijk niet. Mijn vader is zijn hele leven nog nooit in een disco geweest. De laatste plaat die hij heeft gekocht was van Barclay James Harvest.’ ‘Van wie?’ ‘Dat bedoel ik.’ Sophie en Patrick keken hoe het enorme, helder verlichte gevaarte van glas en beton, het nieuwe Rijksdaggebouw, in zicht kwam. Het restaurant dat ze hadden uitgezocht, boven in de televisietoren die uitrees boven de Alexanderplatz, draaide sneller rond dan ze allebei verwacht hadden. Blijkbaar was het in de jaren zestig zo ontworpen, om de superioriteit van de Oost-Duitse technologie aan te tonen. ‘Hoe gaat het nu met je moeder?’ vroeg Patrick. ‘Is ze weer wat opgeknapt?’ ‘0, het stelde niet zoveel voor. We zijn naar het hotel teruggegaan en ze is een poosje gaan liggen. Daarna voelde ze zich weer kiplekker. Een paar uur later zijn we zelfs gaan winkelen. Zo ben ik aan deze rok gekomen.’ ‘Hij staat je prachtig.’ ‘Hoe dan ook, ik ben blij dat het gebeurd is, want anders had had je vader haar nooit herkend.’ ‘Dat is waar.’
‘En dan hadden wij hier ook niet gezeten, hè? Het is vast voorbestemd. Of zoiets.’ Het was een vreemde situatie waarin ze waren beland. Er leek spontaan een zekere vertrouwelijkheid te zijn opgebloeid tussen hun ouders, ook al hadden ze elkaar een hele tijd niet gezien. Ze hadden zich met een soort vreugdevolle opluchting in het weerzien gestort, alsof deze toevallige ontmoeting in een Berlijnse tearoom op de een of andere manier de tussenliggende decennia zou kunnen uitwissen, het verdriet van hun voorbijgaan zou kunnen wegnemen. Zodoende zaten Sophie en Patrick nu in een andere, ongemakkelijker vorm van vertrouwelijkheid wat stuntelig tegenover elkaar.”

 


Jonathan Coe (Birmingham, 19 augustus 1961)

 

 

De Amerikaanse dichter Li-Young Lee werd geboren op 19 augustus 1957 in Jakarta, Indonesië. Zie ook alle tags voor Li-Young Lee op dit blog.

 

Van bloesems

Van bloesems komt
deze bruine papieren zak perziken
die we kochten van de vreugde
bij de bocht in de weg waar we afsloegen naar
de borden met Perziken erop.

Van beladen takken, van handen,
van zoete kameraadschap in de bakken,
komt nectar langs de kant van de weg, sappige
perziken die we verslinden, met stoffige schil en al,
komt het vertrouwde zomerstof, stof dat we eten.

O, om wat we liefhebben in ons op te nemen,
om een boomgaard in ons te dragen, niet alleen
de schil te eten, maar ook de schaduw,
niet alleen de suiker, maar ook de dagen, het fruit
in onze handen te houden, het te aanbidden en dan in
de ronde vreugde van perzik te bijten.

Er zijn dagen dat we leven
alsof de dood nergens
op de achtergrond is; van vreugde
naar vreugde naar vreugde, van vleugel naar vleugel,
van bloesem naar bloesem naar
onmogelijke bloesem, naar zoete onmogelijke bloesem.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Li-Young Lee (Jakarta, 19 augustus 1957)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e augustus ook mijn blog van 19 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 19 augustus 2019 en ook mijn blog van 19 augustus 2017 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:02 Reageer op dit bericht

Caroline Emcke, Ted Hughes

De Duitse schrijfster en journaliste Caroline Emcke werd geboren op 18 augustus 1967 in Mülheim an der Ruhr. Zie ook alle tags voor Caroline Emcke op dit blog.

Uit: Journal. Tagebuch in Zeiten der Pandemie

„Meine Füße gingen lieber aus der Zeit. Morgens beim Aufwachen schon, wenn die Luft, die durch das offene Fenster heranzieht, noch eiskalt ist und hilft, die Verwirrung über das Wachsein zu vertreiben. Was ist der Takt der Zeit? Was der richtige Rhythmus? Gehen meine Füße mit der rastlosen Zeit oder aus ihr heraus? Es wird unklarer jeden Tag, den wir in diesem Modus der Pandemie leben, denn sie hat ihre eigene Zeitlichkeit, Zeit, das ist die Währung, in der die Modelle der Virologen Hoffnung und Not quantifizieren, Zeit, die wir hier, in der Mitte Europas, nur haben, weil andere sie nicht hatten, Zeit, in der uns die Bilder aus China schon erreichten und die wir lange verstreichen ließen, als ginge uns das nichts an, ignorante Zeit, jetzt bedauerte Zeit, verlorene Zeit, Zeit, in der wir, die wir seit Jahren über die Globalisierung kritisch oder unkritisch nachdenken, so getan haben, als gäbe es sie nicht, als sei eine Krankheit in China eine Krankheit in China, als stürben sie dort anders als hier, als seien es andere Körper, andere Lungen (ist es das, was wir gedacht haben? Oder haben wir gar nicht gedacht?), als gäbe es das noch: geschlossene Räume, als gäbe es sie nicht: wechselseitige Verwundbarkeit, als wäre es nicht das, was uns human macht. Was haben wir denn gedacht? Jetzt rückt sie vor, die Epidemie, Region für Region, und erteilt eine Lektion in Demut. »Tanze, Rosetta, tanze, dass die Zeit mit dem Takt Deiner niedlichen Füße geht« – »Meine Füße gingen lieber aus der Zeit«, heute Morgen ist mir so, nach all den Tagen und Wochen der nervösen Dringlichkeit, mit der jede neue Nachricht, jede Statistik, jede Kurve, jede Grafik im allzu eiligen Rhythmus nachvollzogen wird, heute wollen die Füße aus der Zeit. Wann war das letzte Mal, dass ich morgens den ersten Tee vor den Neuinfektionsraten hatte? Wann habe ich das letzte Mal morgens erst Musik vor den Nachrichten gehört? Wann habe ich zuletzt das Langsame dem Schnellen vorgezogen? Wie wäre es, die Reihenfolge umzukehren: erst Bach zu hören, erst das Ewige in sich einziehen zu lassen, erst sich zu wappnen, und dann Krankheit und Not auf sich einprasseln zu lassen, erst dann sich diesem Tempo zu ergeben, das nicht einmal unrealistisch, nicht aufgeregt, sondern realistisch und angemessen ist. Seit Abend gilt die veränderte Kontaktbeschränkung, Spazierengehen allein oder zu zweit ist noch erlaubt, das klingt weniger existentiell als es ist, anders gesagt: es ist noch erlaubt, raus zu gehen und sich zu beruhigen, sich zu besprechen, sich zu versorgen, sich zu loten, es ist noch erlaubt, auszubrechen aus der Wohnung, die schon zu eng ist, wenn die Kinder in der Schule und die Eltern bei der Arbeit sind und in der nun alle aufeinander hocken, es gibt noch ein Draußen, es ist noch erlaubt, sich zu retten vor der Melancholie, der Einsamkeit und den Ängsten, die viele in der Isolation befallen, es ist noch erlaubt zu fliehen, vor den Schlägen, der Misshandlung, der Gewalt, die vielen in der eigenen Beziehung drohen.“

 

 


Caroline Emcke (Mülheim an der Ruhr, 18 augustus 1967)

 

 

De Engelse dichter en schrijver Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Ted Hughes op dit blog.

 

 

De rivier in maart

Nu is de rivier rijk, maar laag haar stem.
Het is Hare Machtige Majesteit de zee
Die incognito door de dorpen reist.

En nu is de rivier arm. Geen lied, alleen een schriel, krankzinnig gefluister.
De winterse vloed heeft haar geruïneerd. Ze hurkt
Tussen bemodderde oevers, bevingert haar vodden en afval.

En dan is de rivier weer rijk. Een diep koor.
Zij is de torenhoge wolken die de hemel bestormen,
Die op weg zijn naar hun vakantie aan zee.

Nu is de rivier weer arm. Al haar botten steken uit haar vel.
Door een droge pruik van verbleekt drijfhout tuurt ze
Beschaamd uit haar krotten van stokken.

De rivier is weer rijk en verzamelt sjaals en mineralen.
De regen brengt weelde, maar zij neemt negenennegentig procent
En laat de velden slechts één procent om te overleven

En nu is ze weer arm. En is ze oostenwindziek.
Ze schuilt in hoeken en gaten. De koperkleurige zon zorgt haar hoofdpijn.
Ze heeft al haar vissen verloren. En ze rilt.

Maar dan is ze opnieuw rijk. Ze bekijkt haar landerijen.
Een leger boterbloemen stroomt uit haar plooien, ze gloeit, kan zich niet verschuilen.
Een zalm, een zeug van stevig zilver,

Zwelt aan om haar te beloeren.

 

 

Vertaald door Peter Nijmeijer

 

 


Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e augustus ook mijn blog van 18 augustus 2024 en ook mijn blog van 18 augustus 2018 en ook mijn blog van 18 augustus 2017 en ook mijn blog van 18 augustus 2016 en ook mijn blog van 18 augustus 2013 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:06 Reageer op dit bericht

Jonathan Franzen, Ted Hughes

De Amerikaanse schrijver en essayist Jonathan Franzen werd geboren op 17 augustus 1959 in Western Springs, Illinois. Zie ook alle tags voor Jonathan Franzen op dit blog.

Uit: De 27ste stad (Vertaald door W. A. Dorsman-Vos)

“Begin juni kondigde William O’Connell, hoofd van de politie van St. Louis, aan dat hij de dienst wilde verlaten. De raad van politiecommissarissen passeerde de kandidaten van de gevestigde politieke partijen in de stad, de zwarte gemeenschap, de pers, de vereniging van officieren en de gouverneur van Missouri en koos voor een periode van vijf jaar een vrouw tot hoofd van de politie, een vrouw die verbonden was geweest aan de politie in Bombay, in India. De stad was ontzet, maar de vrouw — een zekere S. Jammu — aanvaardde de post voor iemand haar kon tegenhouden. Dat was op 1 augustus. Op 4 augustus haalde het Aziatische subcontinent opnieuw de plaatselijke bladen toen de meest begeerde vrijgezel in St. Louis een prinses uit Bombay trouwde. De bruidegom was Sidney Hammaker, voorzitter van de Hammaker-brouwerij, het vlaggenschip van de plaatselijke industrie. Van de bruid werd verteld dat ze gigantisch rijk was. Krantenverslagen van het huwelijk bevestigden het gerucht dat ze een diamanten hanger bezat die voor II miljoen dollar was verzekerd, en dat ze een staf van achttien man personeel bij zich had voor de villa van de Hammakers in Ladue, een van de randgemeenten van St. Louis. Het vuurwerk dat ter ere van de bruiloft werd afgestoken veroorzaakte een asregen op gazons meer dan een kilometer in de omtrek. Een week later begonnen ze op te vallen. Een Indiaas gezin van tien personen werd waargenomen op een vluchtheuvel in een blok oostelijk van het Cervantes-congrescentrum. De vrouwen in sari, de mannen in een donker westers pak, en kinderen in sportbroekjes en T-shirt. En allemaal met een uitdrukking van ingehouden ergernis. Begin september hoorden dergelijke taferelen al bij het leven van alledag in de stad. Men zag Indiers schijnbaar doelloos lanterfanten op het viaduct tussen Dillard Boulevard en het stadscentrum. Men zag hen bezig dekens uit te spreiden op het parkeerplein van het museum en hun warme maaltje te koken op een primus; men zag hen kaartspelen op het trottoir voor de bowlinghal, of te koop staande huizen bezichtigen in Kirkwood of Sunset Hills of in de weer met fototoestellen bij het Amtrak-station in het centrum, of in groepjes rond een opgeklapte motorkap van een Delta 88 die het op de Forest Park Parkway had opgegeven. De kinderen gedroegen zich zo te zien altijd voorbeeldig. In het vroege najaar viel ook het bezoek aan de stad van een andere, meer vertrouwde figuur uit het Oosten, in de persoon van de Gesluierde Profeet uit Khorassan. Een groepje zakenlieden had in de negentiende eeuw de profeet uit hun mouw geschud om te helpen bij het bijeenbrengen van geld voor liefdadige doeleinden.

 


Jonathan Franzen (Western Springs, 17 augustus 1959)

 

 

De Engelse dichter en schrijver Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Ted Hughes op dit blog.

 

Kraai overlegt

‘Nou,’ zei Kraai, ‘Wat eerst?’
God, uitgeput van het scheppen, snurkte.
‘Welke kant op?’ zei Kraai, ‘Welke kant eerst?’
De schouder van God was de berg waar Kraai op zat.
‘Kom,’ zei Kraai, ‘Laten we de situatie bespreken.’
God lag, met open mond, een groot karkas.

Kraai scheurde een mondvol af en slikte.

‘Zal dit teken zich verbreiden tot vertering
Bij verhoor voorbij begrijpen?’

(Dat was het eerste geintje.)

Toch, het is waar, voelde hij zich ineens veel sterker.

Kraai, de hiërofant, kromde zich, ondoordringbaar.

Halfverlicht. Sprakeloos.

(Ontzet.)

 

 

Vertaald door Daan Doesborgh

 


Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e augustus ook mijn blog van 17 augustus 2021 en ook mijn blog van 17 augustus 2019 en ook mijn blog van 17 augustus 2016 en ook mijn blog van 17 augustus 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:32 Reageer op dit bericht

Miriam Van hee, Charles Bukowski

De Vlaamse dichteres en slaviste Miriam Van hee werd geboren in Gent op 16 augustus 1952. Zie ook alle tags voor Miriam Van hee op dit blog.

 

 

Les doux plaisirs de l’automne

zacht en met onnodige
treurigheid hebben wij met velen
het landschap gekleurd
met kamers gespeeld

hoe lang nog staat
enkel het verdriet te wachten in de morgen –
niet hij wiens naam ik niet
onthouden heb, onthoudbaar zijn enkel
de straten welke we nooit samen
bewandeld hebben rue du jardin
rue d’Angleterre rue
de la petite gare

niet hij wiens lippen
zuiver waren als van
een prins?

 

 

Everzwijnen in januari

je zocht een pad in het ongewisse
bij elke bocht keek je om, waar
je was, je gooide een steen
en het stoof in de struiken:
vijf kleine gestreepte coureurs
en hun moeder renden als gekken
je blikveld uit

je stelde je voor hoe je ’s avonds
zou bellen om hun te vragen
hoe het ze verder die dag was vergaan
om hen gerust te stellen, de jacht
was voorbij, het nageslacht veilig,
de wereld had weer
aan zichzelf genoeg 

 

 

Mei op de A75

de geur van bloeiende brem
deed mij aan moskou denken
zo rook de luchthaven, de metro
of waren het de voetpaden
na zo’n stortbui die niemand
ooit heeft afgehouden
van zijn zoektocht naar wat
voorbij of niet bereikbaar is

alleen heel even wordt men
in beslag genomen door
iets anders en zoekt
wat onderbroken was opnieuw
bijeen te brengen, behoedzaam
en vertraagd rond de waterplassen
heen een pad te maken

zo schrijf ik niet om te zeggen
dat ik dit heb gedaan of daar
ben geweest maar mijn bestaan
bijeen te brengen

 

 


Miriam Van hee (Gent, 16 augustus 1952)

 

 

De Amerikaanse dichter en fictieschrijver Charles Bukowski werd geboren op 16 augustus 1920 in Andernach, Duitsland. Zie ook alle tags voor Charles Bukowski op dit blog.

 

 

Het lachende hart

Jouw leven is jouw leven.
Laat het niet neer geknuppeld worden
in vochtige onderwerping.
Waak. Er zijn uitwegen.
Ergens is er licht.
Het mag dan wel niet veel licht zijn
maar het verslaat de duisternis.
Waak.
De goden zullen je kansen bieden,
ken ze, neem ze.
De dood kun je niet verslaan.
Maar je kunt dood
in het leven verslaan.
En hoe vaker je leert dit te doen
des te meer licht er zal zijn, soms.
Jouw leven is jouw leven.
Ken het terwijl je het beleeft.
Je bent wonderbaarlijk.
De goden wachten je op
om zich te verheugen
in jou.

 

 

Vertaald door Manu Bruynseraede

 

 


Charles Bukowski (16 augustus 1920 – 9 maart 1994)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e augustus ook mijn blog van 16 augustus 2019 en ook mijn blog van 16 augustus 2016 en ook mijn blog van 16 augustus 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:36 Reageer op dit bericht

Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter

De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Guillaume van der Graft op dit blog.

 

 

IJsselkade

De deventer Onder de Linden
daar schrijdt het water langs,
hoogzwanger in de winter
en in de zomer slank.

Maar ’s zomers groeien de bomen
tot hun manlijke kracht,
Mozesnazaten, zonen
van Aäron op wacht.

Op wacht over de tuinen
dichtbij de waterkant,
want het water mag dan verdwijnen,
het houdt met alles verband:

met de parmantige boten
en met de overzij
en met de vastbesloten
bruggen en met mij.

De bomen met ruisende kleren
als bladgroene pastoors
willen mij bekeren
van mijn diepwaterkoorts.

 

 

DE AVOND WORDT langs de Amstel
tot het hart van de stad
voortgeplant, in de bochten
staan de zwaarmoedige
tolgaarders van de bomen
maar zij vragen steeds minder
het is duidelijk dat
zij overgelopen zijn
over het water gelopen
naar de avond die open
en bloot in de ramen spiegelt
Door de verlaten lucht
rept zich een vogel
als een blad uit een oud telefoonboek
dat niet meer gebruikt kan worden
omdat men de namen niet meer kent
Ik weet niet wat ik doen moet
weggaan of blijven
Ik leef alleen aan den lijve
mijn hoofd loopt om van bloed

 

 

Geen hymne voorradig

het beste is nog niet geschreven
het ligt te wachten in de taal
zoals de doden overwinteren
zoals nog niet geboren kinderen
achter een dunne eierschaal
half werkelijkheid, half tijd

plotseling zullen ze leven
als God gaat zingen
de zevende dag

 


Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)
Guillaume van der Graft en de bronzen buste die Dennis J. Coenraad in 2008 van hem maakte.

 

 

De Amerikaanse dichteres Mary Jo Salter werd geboren op 15 augustus 1954 in Grand Rapids, Michigan. Zie ook alle tags voor Mary Jo Salter op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

 

Ontdekking

6:48 uur ’s ochtends, en loodzware
grapjes over wat voor helden
we zijn dat we op dit uur opstaan.
Stil. De branding en de rennende strandlopers.
T minus tien en tellen, de zon
komt op boven Canaveral,
een gezwollen koraal, een kleur
helder als cameralicht. We worden ver-
blind door een flits:

geschoten vanaf het onzichtbare
lanceerplatform, en dus uit het niets,
een pijl met vlammenpunt – nee, een vliegende
pen in brand, de inkt een rookpluim
die, zelfs tijdens het omhoog
zoemen, zo vreemd solide blijft
als de gevlochten staart van een tornado,
en daar blijft hangen zoals bliksem zou doen
als hij zijn eigen donder kon stelen.

—Die, wanneer hij binnen dondert,
eronder of erin een miljoen
vuurpijlen laat ontploffen, een sensatie
van verre knallen en vlammen in een vertraagde
reactie, die in vervagende golven
op het strand neerkomen als de laatste glinstering van de shuttle
de oogschaduw groet van onze handen ontvangt:
het gigantische punt van alle ophef, binnenkort
kleiner dan een ster.

Pas nu wordt een gestaag, laag
gesputter boven ons, een grasmaaier
die een hoekje van de hemel afsnijdt,
hoorbaar. Kijk, het is een dubbeldekker! —
een lang geplande, grappige ode van een piloot
aan de altijd gedateerde baan van het wonder
en de jeuk van bij nader inzien. Ik sla
op mijn enkel, gebeten door een zandmug:
wat de lokale bevolking knutten noemt.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Mary Jo Salter (Grand Rapids, 15 augustus 1954)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e augustus ook mijn blog van 15 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2019 en ook mijn blog van 15 augustus 2016 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2015 deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:49 Reageer op dit bericht

Robert Macfarlane

De Britse schrijver Robert Macfarlane werd geboren op 15 August 1976 in Halam, Nottinghamshire.  Macfarlane is internationaal bekend om zijn werk over natuur, mensen en plaatsen. Zijn bestsellers zijn onder andere “Underland”, “Landmarks”, “The Old Ways”, “The Wild Places” en “Mountains of the Mind”, evenals het prozagedicht “Ness”. Zijn werk is in meer dan dertig talen vertaald, heeft wereldwijd prijzen gewonnen en is veelvuldig bewerkt voor film, muziek, theater, radio en dans. Hij heeft ook opera’s, toneelstukken en films geschreven, waaronder “River and Mountain”, beide verteld door Willem Dafoe. Hij heeft nauw samengewerkt met kunstenaars zoals Olafur Eliasson en Stanley Donwood, en samen met kunstenaar Jackie Morris creëerde hij de internationaal bestverkochte boeken over natuurpoëzie en kunst, “The Lost Words” en “The Lost Spells”. Als tekstschrijver en performer schreef hij albums en liedjes met muzikanten als Cosmo Sheldrake, Karine Polwart en Johnny Flynn, met wie hij twee albums uitbracht: “Lost In The Cedar Wood” (2021) en “The Moon Also Rises” (2023). In 2017 kende de American Academy of Arts and Letters hem de E.M. Forster Prize for Literature toe en in 2022 was hij in Toronto de eerste winnaar van de Weston International Award voor een oeuvre op het gebied van non-fictie. Robert Macfarlane is Fellow van Emmanuel College.

Uit: De laatste wildernis (Vertaald door Nico Groen)

“De wind wakkerde aan en dus ging ik naar het bos. Het ligt ten zuiden van de stad, op anderhalve kilometer van mijn huis: een klein, naamloos stuk beukenbos, dat een lage heuvel bekroont. 1k ging er te voet heen, eerst door straten die me naar de rand van de stad leidden, vervolgens over paden tangs akkers, tussen meidoorn- en hazelaarhagen door. Er kibbelden roeken in de lucht boven de bomen. De hemel was van een helder, koel blauw, dat aan de rand vervaagde tot de kleur van melk. Al van een paar honderd meter hoorde ik het geluid van het bos in de wind: een zacht gebulder als van de zee. Het was het immense, meerstemmige geluid van wrijving – blad knistert tegen blad, tak tikt tegen tak. 1k betrad het bos via de zuidhoek. Er begon van alles uit het bewegende bladerdak te vallen: takjes en beukennootjes tikkelden neer op de koperkleurige laag bladeren. Zonlicht viel in uitbundige banen op de grond. Ik liep door het bos omhoog en bereikte halverwege de noordelijke rand mijn boom: een grote beuk met grijze schors, met wijd uitstaande takken waar je gemakkelijk in kunt klimmen. 1k was al vele keren eerder de boom in geklommen en was vertrouwd geraakt met al zijn merktekens. Onder aan de stam is de schors rondom uitgezakt en geplooid, waardoor hij lijkt op de huid van een olifantspoot. Op zo’n drie meter hoogte kromt een tak scherp naar zichzelf terug; daarboven staat de letter ‘h’, die jaren geleden met een mes in de stam is gekerfd en opgezwollen is doordat de boom is gegroeid; nog hoger bevindt zich de geheelde stomp van een verdwenen tak. Tien meter hoog, vlak onder de top van de beuk, waar de schors zachter en zilvergrijs is, bereikte ik wat ik het observatorium was gaan noemen: een gevorkte zijtak net onder een kromming in de stam. ik had ontdekt dat ik daar lekker kon zitten als ik met mijn rug tegen de stam steunde en mijn voeten op de tanden van de vork zette. Ms ik me een paar minuten stilhield, liepen er soms wandelaars onder me door zonder me op te merken.”

 

 

Robert Macfarlane (Halam, 15 August 1976)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Dreißig Grad (Kurt Tucholsky), Wolf Wondratschek

 

Dolce far niente

 

 


Gartenlokal am Wannsee (Haus am See) door Max Liebermann, ca. 1933

 

 

 

Dreißig Grad

Das ist die Zeit der dicken Sommerhitze.
Das Thermometer kocht. Die Sonne strahlt.
Die gnädige Frau hats warm; ich Plebs, ich schwitze –
in blauen Badehöschen, eindrucksvoll bemalt.

Am hellen Strand läuft eine leichte Brise
und legt sich wieder – nein, das wird kein Wind.
Jetzt ist August, da hatten wir die Krise,
wie so die deutschen Sommerkrisen sind.

Da hinten badet eine fette Dame.
Es steigt das Meer, wenn sie ins selbe tritt.
Sag an, Sylphide, ist vielleicht dein Name
Germania? Nehm ich dich als Sinnbild mit?

Es rinnt der Sand. Da schleicht sich ein Vehikel –
wohl gar mit Butter? – übern Dünendamm.
Bei mir langts nur noch für den Leitartikel –
was Kluges bring ich heut nicht mehr zusamm.

Wie lang ists her – da war in diesen Wochen
an angenehmer Weise gar nichts los.
Man hat nur faul den faulen Tag gerochen…
Heut kommen Kunz und Hintze angekrochen –
Du liebe Zeit, wie bist du heiß und groß!

 

 


Kurt Tucholsky (9 januari 1890 – 21 december 1935)
Zomer in Berlijn, de geboorteplaats van Kurt Tucholsky

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

Uit: Früher begann der Tag mit einer Schusswunde

„Deutschunterricht
Zum Beispiel. Wenn eine italienische Fußballmannschaft in einem großen, internationalen Spiel gewinnt, informieren sich die deutschen Fußballreporter sofort, ob einer der italienischen Spieler deutscher Abstammung ist. Außerdem weisen sie immer wieder daraufhin, daß verschiedene deutsche Fußballer in Italien sehr gut fußballspielen. Wir sind bekannt dafür, daß wir genau wissen, wie das Paradies aussieht. Möglicherweise liegt das daran, daß wir nie gelernt haben, richtig zu frühstücken. Zum Beispiel. Die deutschen Männerchöre haben ihre Lieder. Adolf Hitler besaß einen deutschen Schäferhund. Auch in Friedenszeiten reden wir gern von unseren Soldaten im Einsatz. Wie in Bonn mitgeteilt wurde, liegt Berlin am Rhein. Wir glauben fest daran, daß alles so kommen mußte, wie es kommen mußte. Und darauf sind wir stolz, denn wir haben noch immer keine Ahnung von unseren Befürchtungen. Die deutschen Gastwirte freuen sich, wenn sich die Gäste über den Zweiten Weltkrieg unterhalten. Das fördert den Umsatz. Nach dem dritten Bier haben die Ausländer Heimweh nach Heidelberg. Wir zeigen den Touristen auf einer Landkarte, wo Heidelberg liegt. Heidelberg sieht auch bei Regenwetter genauso aus, wie sich die Ausländer Heidelberg bei Sonne vorgestellt haben. Zum Beispiel. Die deutsche Nationalhymne hat drei Strophen. Manchmal beginnt sie trotzdem mit der ersten Strophe. Die Melodie erkennen wir an den Trompeten. An den Rastplätzen der Bundesautobahnen ist Deutschland sehr schön.
Die meisten deutschen Landstraßen sind so angelegt, daß man auch bei Höchsttempo die Kirche im Dorf sehen kann. Ordnung muß sein. Die Angst vor Kommunisten gehört noch immer zu unserer Erziehung. In der Schule erzählen die Lehrer von Rußland. Sie erzählen, daß viele Russen unsere Sprache verstehen. Die Eltern machen den Kindern schwere Sorgen.“

 

 

Een droom

In een boom zitten.
Over de prairie uitkijken.
Niet hoeven liefhebben.

De horizon opent zich
in de vorm van een vrouw
die nooit dichterbij komt.

Niet hoeven liefhebben,
Het zou dan gemakkelijk zijn
om lief te hebben.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e augustus ook mijn blog van 14 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 14 augustus 2018 en ook mijn blog van 14 augustus 2016 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:24 Reageer op dit bericht

Der August (Erich Kästner), Taije Silverman

Dolce far niente

 

 


Zonnige oogstdag door Jules J. Veyrassat, ca. 1850

 

 

Der August

Nun hebt das Jahr die Sense hoch
und mäht die Sommertage wie ein Bauer.
Wer sät, muss mähen.
Und wer mäht, muss säen.
Nichts bleibt, mein Herz. Und alles ist von Dauer.

Stockrosen stehen hinterm Zaun
in ihren alten, brüchigseidnen Trachten.
Die Sonnenblumen, üppig, blond und braun,
mit Schleiern vorm Gesicht, schaun aus wie Frau’n,
die eine Reise in die Hauptstadt machten.

Wann reisten sie? Bei Tage kaum.
Stets leuchteten sie golden am Stakete.
Wann reisten sie? Vielleicht im Traum?
Nachts, als der Duft vom Lindenbaum
an ihnen abschiedssüß vorüberwehte?

In Büchern liest man groß und breit,
selbst das Unendliche sei nicht unendlich.
Man dreht und wendet Raum und Zeit.
Man ist gescheiter als gescheit, –
das Unverständliche bleibt unverständlich.

Ein Erntewagen schwankt durchs Feld.
Im Garten riecht’s nach Minze und Kamille.
Man sieht die Hitze. Und man hört die Stille.
Wie klein ist heut die ganze Welt!
Wie groß und grenzenlos ist die Idylle …

Nichts bleibt, mein Herz. Bald sagt der Tag Gutnacht.
Sternschnuppen fallen dann, silbern und sacht,
ins Irgendwo, wie Tränen ohne Trauer.
Dann wünsche Deinen Wunsch, doch gib gut acht!
Nichts bleibt, mein Herz. Und alles ist von Dauer.

 

 


Erich Kästner (23 februari 1899 – 29 juli 1974)
Zomer in Dresden, de geboorteplaats van Erich Kästner

 

 

De Amerikaanse dichteres, vertaalster en hoogleraar Taije Silverman werd geboren in San Francisco op 13 augustus 1974. Zie ook alle tags voor Taije Silverman op dit blog.

 

POEM TO KEEP WHAT I LOVE

soon we shall know
if we have learned to accept that the stars
do not go out when we die
Abba Kovner

Even at dawn while my mother turns
in white quilted sheets for the last peel
of sleep while the dog waits pure of heart
for her door to open, my father
already gone, circling the same blocks
of empty buildings to check wet floors
or new locks, even on Sunday, even
at dawn—the birdsong’s all reckless clatter,
stacked against air like metal while cats
hide under ferns and the petal-drunk
cherry trees burn their new beauty to bits.
Spring slides down leaves. Lilacs refuse
every warning. An old man in his good hat
waves without joy and the women follow.
Something falls inside, someone waking,
a new day setting its small systems straight.
Birds insist on themselves. Again again
we learn forgetting, practice our goodbye.

 

II
Against the black spine of fear that travels
through countries, poem, keep what I love.
Against the dreams, which kidnap me.
Against the silk hip of elsewhere, cities of still
swans on black rivers, the lonely nights
mapped neat by the windows of restaurants,
poem, keep what I love. Against days
wound like toys then let loose, painted cars
crashing hard what I love though unharmed
into memory. Against freedom’s hummed
lilt, tremulous, trapped in the cloaked
sweetness of magnolias at the end of the street,
the front door opening and closing,
its greeting blind keep the thumped pulse
of the dog’s tail meaning yes, meaning
here and so why won’t the green
shutters rack the glass with recognition, why
won’t the street turn to water and fall?

 

 

Van wie de brieven waren

Deze man kende ik vroeger – een vriend van me – mijn
ex-man die ik op mijn negentiende ontmoette op een blind

date. Maar tegen de tijd dat onze gebakken mosselen arriveerden,
zag ik al dat het niet zo had mogen

zijn. Hij zei dat de tijd het zou
leren. Ik zei in de tussentijd

wens ik je het beste, maar toen
de rekening kwam, was hij een ander

mens. Ik bedoel, hij was mijn student – of ik
de zijne – en hij was duidelijk een expert in zesde eeuwse
anonieme Gaelische poëzie,
die draait om een rijmschema –

zoals hij uitlegde tijdens het biertje dat we illegaal
na de les deelden – waarbij het veranderen van de plaatsing

van één woord betekent dat
het gedicht tot onzin wordt gereduceerd. Hij was goed

met zijn hoofd – of handen – of in niets
anders dan brood bakken, hoewel hij, toen alles gezegd

en gedaan was, een fanatieke katholiek bleef
die het woord embryo wilde verbieden

of hij had een emotionele affaire
met een zwangere vrouw en was dol op toverballen

en of ik hem nu tegenkwam bij Walmart
of we expres naar de rivier gingen, doet er

niet toe omdat hij een zwart gat was
wat betekende niet echt op aarde en daarom

alleen bekend kon staan als de Heer van het Duister (zijn naam
was Josh) of de Meest Apologetische Leugenaar ter Wereld

of de illustere co-auteur van Hoe je Veronderstelt
Dan Hypnotiseert de ware Jakob en we brachten

één nacht samen door zonder technisch gezien
te inhaleren, maar de scheiding bleek toch onherstelbaar

voor de kinderen. Hij was de vader
van mijn woordenboek. Hij was een onvervangbaar

rijmpje voor baby. Hij was mijn derde
liefde, mijn tweede kans, een trampoline-notie

van romantiek. Misschien nu, misschien dan,
misschien als, of zoals het einde klinkt. Hij was een

van de vele fouten die ik maakte
waarvoor ik geen schuld draag.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Taije Silverman (San Francisco, 13 augustus 1974)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 13e augustus ook mijn blog van 13 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 13 augustus 2019 en ook mijn blog van 13 augustus 2016 en ook mijn blog van 13 augustus 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:30 Reageer op dit bericht

Hitte (Hendrik de Vries), Rouke van der Hoek, Thomas Mann, Wolf Wondratschek

Dolce far niente

 

 


De weide bij Veneux-Nadon door Alfred Sisley, 1881

 

Hitte

 

Steelwaaiers boven asmoerassen. Geelgeharte
Klauwdistels. Flarden. Radeloze, deels verzwarte
Geraamten, hemelvuur-geteisterd.

Schubbenstrengen
Verzengen, plengen harslucht, sijpelen, en brengen
Loodkleurig, wreedvermengde schaduwen teweeg.

De helling, wemelend naardien de drukking steeg,
Verkreeg een schemerkleed. Schuimstapels overzwellen
De horizonnen, welke ontladingen voorspellen.
De laatste tochten zinken tot volmaakt verkalmen.
Vochtbekers hangen onbeweeglijk aan de halmen.
De hagen dragen steile, hemelhoge walmen.

 


Hendrik de Vries (17 augustus 1896 – 18 november 1989)
Groningen, de geboorteplaats van Hendrik de Vries

 

 

De Nederlandse dichter Rouke van der Hoek werd op 12 augustus 1952 in Eindhoven geboren. Zie ook alle tags voor Rouke van der Hoek op dit blog.

 

 

Waarom Carla de toren van Oirsbeek schilderde

Zij was het meisje dat poep durfde te zeggen tegen de koning.
Dan lachte zij en lachten ook de koning en lakeien. Maar tegelijk
snoven ze om zich heen of er iets aan hun schoenen kleefde.

Wie dapper is en lachen kan wordt gevraagd. Door andere koningen
– die het lachen is vergaan. Zo reisde zij de hoven af, vond onderweg
een prins in een witte jas en een huis op een heuvel, voor haarzelf.

Maar op een kwade dag klopte een vijand op de deur. Erger nog,
hij klopte op de binnenkant van de deur. En veranderde het meisje
in een koningin: de ongekroonde koningin van de chemokuur.

Nu moest ze poep zeggen tegen zichzelf, maar lachte wat zachter.
Tijdens haar laatste jaar schilderde ze vanaf de hoge weide vaker
de toren van Oirsbeek, de spits met ui die boven de bomen uitsteekt

met daarachter de volgende heuvelrug en daarboven in hallucinerende
kleuren een balzaal van lucht. Vreemd. Het waarom doorgrondden we
toen de rouwstoet aan de voet van deze toren stilhield bij een kuil.

 

 

Hoe Huckleberry Finn aan zijn naam kwam

Hoog water op de Maas. Een brede grijze stroom
die zacht slurpend langs ons glijdt. Op een boom
vaart een kraai voorbij, vlotschipper aan het roer,

zichtbaar tevreden over de voortgang die hij maakt,
de bochten die hij rondt, de ondiepten die hij mijdt.
Ach, hoe heette die gozer nu toch, die Bessennaam

die nog als een paarse vlek op de Mississipi drijft.
Wie Huck zegt moet ook Miss zeggen en mist dus
de finesse. Wie Huckleberry zegt opent het gordijn:

hoe een goed mens dom kan zijn. Tot zover de bes.
De rest kwam denkelijk van een zeeman uit Helsinki,
Gelukszoeker die de rivier opvoer, zwarte overall

en een haakneus. Hij plantte zich voort en verdween.
Nu vaart de zoon naar zee, door hetzelfde gedreven:
het zoeken van geluk is de bron van ons bewegen.

 

 

Leidekker

Ik hang aan de dakgoot van de kerk, die ik zelf heb
bevestigd en wens mezelf een ander beroep toe,
wijnconsulent of steenbakker of waarzegger, ja

altijd onbeperkt de waarheid spreken, dat zou
te leren moeten zijn als je het eenvoudig houdt.
‘Er zijn veel mannen, hun bijdrage is beperkt.’

‘Met twee voeten op de grond kan je toch vallen.’
Als ik het hoofd laat hangen zie ik onmiskenbaar
neef Guus onder me doorlopen, enthousiast

alsof hij gaat schaatsen, maar het is hartje zomer.
Hartje zomer, onmiskenbaar een waarheid, het lijkt
alsof ik mijn beroep, mijn bestemming heb gevonden

en spreek me zwetend, hangend aan purperen vingers
nieuwe, ware moed in: ‘Ik wil dit erg graag navertellen.
Het zou zonde zijn als ik dit niet kan navertellen.’

 


Rouke van der Hoek (Eindhoven, 12 augustus 1952)

 

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Herr und Hund 

„Es ist sonderbar, traulich und drollig, ihn auf meinem Fuße sitzen zu fühlen, den er mit seiner fieberhaften Körperwärme durchdringt. Erheiterung und Sympathie bewegen mir die Brust, wie fast ohne Unterlaß in seiner Gesellschaft und Anschauung. Er hat eine stark bäurische Art zu sitzen, die Schulterblätter nach außen gedreht, bei ungleichmäßig einwärts gestellten Pfoten. Seine Figur scheint kleiner und plumper, als wahr ist, in diesem Zustande, und mit komischer Wirkung wird der weiße Haarwirbel an seiner Brust dabei vorgedrängt. Aber der würdig in den Nacken gestemmte Kopf macht jede Einbuße an schöner Haltung wett kraft all der hohen Aufmerksamkeit, die sich darin ausprägt … Es ist so still, da wir beide uns still verhalten. Sehr abgedämpft dringt das Rauschen des Flusses hierher. Da werden die kleinen und heimlichen Regungen in der Runde bedeutend und spannen die Sinne: das kurze Rascheln einer Eidechse, ein Vogellaut, das Wühlen eines Maulwurfs im Grunde. Bauschans Ohren sind aufgerichtet, soweit eben die Muskulatur von Schlappohren dies zuläßt. Er legt den Kopf schief, um sein Gehör zu schärfen. Und die Flügel seiner feuchtschwarzen Nase sind in unaufhörlicher, empfindlich witternder Bewegung.

 


Het zomerhuis van Thomas Mann  in Nida (Duits: Nidden), een dorp in Litouwen, waar de familie Mann in de jaren 1930-1932 vakantie vierde. Het is nu in gebruik als cultureel centrum.

 

Dann legt er sich nieder, wobei er jedoch die Berührung mit meinem Fuße wahrt. Er liegt im Profil gegen mich, in der uralten, ebenmäßigen und tierisch-idolhaften Haltung der Sphinx, Kopf und Brust erhoben, die vier Oberschenkel am Leibe, die Pfoten gleichlaufend vorgestreckt. Da ihm warm geworden, öffnet er den Rachen, wodurch die gesammelte Klugheit seiner Miene sich ins Bestialische löst, seine Augen sich blinzelnd verschmälern; und zwischen seinen weißen, kernigen Eckzähnen schlappt lang eine rosenrote Zunge hervor.“

 


Thomas Mann (6 juni 1875 – 12 augustus 1955)
De schrijver en zijn hond

 

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

 

 

Adam jr.

Adam las de Bijbel
Eva kauwde op fruit
God sliep het grootste deel van de tijd
Het was zo
Iedereen kende iedereen
De slang was de baas in de Hof van Eden

Het paradijs was duidelijk een kwestie van zenuwen
Ik weet nu ook niet precies hoe het verder moet

God had een nare droom
Hij zag de slang die het met zijn moeder deed
Weg was de mooie theorie
De droom was voorbij
De apen paarden met wat er overbleef

Het paradijs was duidelijk een kwestie van zenuwen
Ik weet nu ook niet precies hoe het verder moet

God werd wakker
Ik kwam ter wereld in het Ruhrgebied
De zaak is sindsdien geëscaleerd
Op zondag zit God in een gekkenhuis
Deelt suikerklontjes uit
En denkt dat hij de held is

Het paradijs was duidelijk een kwestie van zenuwen
Ik weet nu ook niet precies hoe het verder moet

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 


Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943

 

 

Zie voor de schrijvers van de 12e augustus ook mijn blog van 12 augustus 2019 en ook mijn blog van 12 augustus 2018 en mijn blog van 12 augustus 2015 en mijn blog van 12 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:37 Reageer op dit bericht

Andre Dubus, Wolf Wondratschek

De Amerikaanse schrijver en essayist Andre Dubus werd geboren op 11 augustus 1936 in Lake Charles, Louisiana. Zie ook alle tags voor Andre Dubus op dit blog.

Uit: Meditations from a Movable Chair (About Kathryn)

“YOU HAVE TO KNOW WHAT IT’S LIKE down there. In Louisiana winter, my father played golf every weekend, unless a lot of rain was falling; you can work up a sweat just carrying a golf bag on that flat land. If you want to, you can go into the rice fields or swamps or the woods near the bayou and scare up a cottonmouth. No need to wait for the long hot summer. If you’re a woman, you can be raped on your lawn two nights after Christmas, like my sister Kathryn. She tells me about it on the phone. Two nights after Christmas is a Friday. After work at the bank, she goes to the gym, where she reads on the tread-mill. On the way home, she stops to buy coffee.
“Maybe that’s where he saw me,” she says on the phone. She is long divorced, and has eight grown children and four grandchildren. A daughter lives with her. She gets a pound of rich dark coffee and walks into the lulling winter air and the beginning of her weekend. She drives to her street, one flanked by houses, and when she turns onto it, she sees in her rearview mirror a car turning behind her. She is a calm woman. Yet an instinct tells her to drive past her house. But now she is home, and she turns into the driveway, where her daughter’s car is parked. She drives behind the house, and stops on a concrete slab there, near the back door. The instinct is quelled. She cannot see the front of her house now, nor most of the driveway. She takes a while leaving the car, getting her gym bag and purse and the bag with the coffee. She carries these to the back door; then he is there: a large black man holding a knife, and saying, “Give me your money.” She tells him she has only five dollars, and gives him her wallet. He asks how much is in the house. She says there is nothing in the house. She can feel her daughter in there. To his questions, she answers: Yes, she is married; he is at work; he gets off at seven. She knows it is now around seven-thirty. The man takes her arm and pulls her around to the side of the house. He removes her glasses, flings them. Her neighbours’ house is near. The rape commences, and she thinks how silly this is, to die in her own yard. She no longer sees the knife, and she waits for it. He is talking and she says, “What?” and she hears “Oral sex” and says, “No”; and, to God, she says silently: Don’t You dare do this to me. It doesn’t happen. She lies beneath his heavyweight. He hears something in the house: maybe the shower, maybe her daughter’s footsteps. He says: “Who’s in the house?” “My daughter.” Knowing, oh Lord, the wrong image came to her brain, the wrong words to her tongue. But how cunning can she be? He is raping her, she is waiting for a blade to slash or pierce her body, and she is as conscious of her daughter’s body as she is of her own.”

 


Andre Dubus (11 augustus 1936 –  24 februari 1999)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

 

De eenzaamheid der mannen

Er zitten mannen voor een huis op straat
te drinken en te dromen van doden.
Zij zien de vrouwen die voorbijgaan blozen
en spugen vol haat.

Ze doden voor hun eer
en dansen als ze treuren –
alsof de dood geen schrikbeeld was
boven de ingestorte muren

van hun eenzaamheid.
Niet het leven is de tijd
van de liefde. Geliefden raken elkaar kwijt;

zodra ze elkaar beroeren
zijn ze vreemden – en ze gaan onverzoenlijk
wegen die naar doolhoven voeren.

 

Vertaald door Willem van Toorn

 


Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn blog van 11 augustus 2023 en ook mijn blog van 11 augustus 2021 en ook mijn blog van 11 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 11 augustus 2016 en ook mijn blog van 11 augustus 2011 deel 2.

Geschreven door Romenu om 17:08 Reageer op dit bericht

Kees van Kooten, Mark Doty

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Kees van Kooten op dit blog.

Uit: Koot droomt zich af (Schrijvem)

“Ooit één keer mocht ik de Volmaakte 9 schreven! Ik bevond mijzelf onder Juffrouw Poelstra en het gebeurde flitsgewijs tijdens een optelsom in Rekenen van de tweede klasse der Openbare Lagere. Het was… zij vier plus negentien, zij ook elf plus acht, hetzij kan ook twaalf plus zeven erbij geweest… maar er rolde een 9 uit in voor. Was het vier plus vijf, twee plus zeven, acht plus een erbij danschien? Nee. Dat beschouwt buiten de val, want die hadden we al gehad in de Eerste. Achteraf kan dat de geest wel lijken: dat die 9 zó mooi onverhoedste dat hij er als uitkomst uit de som uitkwam, maar dat is afgedwaalde oude koeien — hij stónd er daar gewoon ineens. De Volmaakte 9 was mij overkomen! De 9 zoals Juf hem zelf had mochten willen: volwassen uit één stuk, nonchalant voor altijd op papier, met zijn poot exactiter halfweg het ondergrenzende ruitje; de kerkklokkenluidende, piemelstijvende 9 die mijn 9 niet was want zo had ik nog nooit een 9 mogen schreven maar maar mooi toch maar mijn 9 was zoals hij daar stond! Een Tien van een 9. Mijn 9? Mijn 9! Mijn, mijn, mei! Want de grote vakantie deurde en daarna zou alles bruiner! En zou ik als de bekende herboren lopende band volmaakte negens afschrijven. Zessen, vieren, achten; noem alle zijstraten maar op —allemaal negens zouden het worden. Plus daar achteraan alle letters, netzovrolijk en evenzogoed. Maar 26 klassefotoos later wil mijn geval dat ondergetekende nog altijd geen De 9 kan schrijven zoals hij hem zou wezen willen. Terwijl zijn vader, wat mijn vader is, een schitterend, bijna kaligrafelijk handschrift vertoont, is het hem, wat mijzelf is, altijd bij Die Ene 9 gebleven. (En voor vermeldt de Historie: Juffrouw Poelstra sloeg trouwgewoon de schoolschriftbladzij door, parafeerde onderaan voor `alle sommen goed’, want toen was ik nog niet dom, maar hoeveel liever was zij mij aangekomen als gedaante ‘alle sommen fout maar wat is dát een mooie 9, daar heeft zeker je vader aan je handje geholpen?’ Nee juf echt niet, echt niet heus Juf niet!) En ik zal het u nóg sterker dat het namelijk steeds erger. Was het nu maar dat ik mijn niet-kunnende-schrijven tot ‘cloktershandschriff had geblimeerd maar alles minder nog dan dat: ik héb helemaal geen handschrift! Dat komt pro forma en alibioni doordat onze generatie in de eerste Schuin moest, in de tweede Blok en in de derde zogenoemden ze het klappelings Gebonden Blokschrift.”

 

 


Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

 

 

Van een golden retriever

Apporteren? Ballen en stokjes trekken mijn aandacht
seconden per keer. Vangen? Ik denk het niet.

Een konijntje, een vallend blad, een eekhoorn die – o
joepie – echt bang is. De lucht opsnuiven, dan

ben ik weer weg: modder, een vijver, een sloot, resten
van iets spannends doods. En jij?

Of je bent verdiept in het verleden, halverwege onze wandeling,
denkend aan wat je nooit meer terug kunt brengen,

of je ging ergens de mist in over
—morgen, noem je dat zo? Mijn werk:

de kromming (woef!) van de tijd losmaken, apporteren,
mijn misthoofdige vriend, jij. Deze schitterende blaf,

de bronzen gong van een zenmeester, roept je hier,
helemaal, nu: woef-waf, woef-waf, woef-waf.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e augustus ook mijn blog van 10 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 10 augustus 2017 en ook mijn blog van 10 augustus 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:26 Reageer op dit bericht

Luuk Gruwez, Philip Larkin

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

 

Grafschrift voor een melancholica

‘I could not love except where Death
Was mingling His with Beauty’s breath’

E.A. Poe

niemand heeft ooit geweten
hoe jij bent ingesluimerd
als een schielijk overleden schone slaapster
met de gedachte aan een witte witte prins,
die je nooit meer wekken zou.
en hoe je huiswaarts hemelwaarts
bent gekeerd,
niemand heeft het ooit geweten.

de leugen leent de liefde vleugeltjes,
Soms glanzende, soms ondoorzichtige,
nooit voorzichtige,
want geen wijsheid om te weten nadien
hoe de zeer verlokkelijke weemoed
niet op straf van dood te strelen.

het streng verboden siersel
dat je tooide, mijn bekoorlijke verbodene,
woog je als een veel te zwaar halssnoer
om een iets te tengere hals,
en soms,
was het teder van heimwee,
soms, stil van verdriet.

en nu weet niemand nog nauwkeurig
hoe jij bent ingesluimerd
met een zeer witte gedachte
aan hoe het vroeger was.
zelfs ik niet.

al leg ik trouw wat bloemen neer
ter nagedachtenis van alle kinderen,
die nu nog dagelijks
onzichtbaar zacht en stil
in mij sterven.
al ga ik dagelijks vermomd
als een witte prins,
die van de verre witte prins die hij was
nog slechts heel even de treurende schim is.

 

 

Bekering tot de begeerte

voor Gerard Reve

nooit is mijn lichaam dichter bij de Vreugde,
dan wanneer ik het heimelijk benader
en ten koste van veel gestreel verlok.

niemand behandelt mij zozeer met liefde
als ikzelf onder mijn verboden handen,
als ik nog ver, maar reeds binnen handbereik
het vermogen ontwikkel
om mezelf te omhelzen
in een droom.

hoe dichter ik mijn lichaam ben genaderd,
hoe meer ik in mijn lichaam vertoef
en er ook witgesluierde maanzieke dames laat wonen,
van wie het verleden mij helaas onbekend,
maar rampzalig mooi
en net als ik te ernstig gekneusd
tijdens een vorig handgemeen van de liefde.

maar meermaals ben ik met mijn lichaam moederziel alleen,
soms dagenlang,
soms, tot ik me het bestaan ervan
herinner in een spiegel.

nooit is mijn lichaam dichter bij de Vreugde dan.

 

 


Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

 

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog

 

De Pinksterbruiloften

Die Pinksteren ging ik pas laat op pad:
zo tegen
twintig over één kwam in de zaterdagse zon
mijn trein op gang, voor driekwart leeg en
alle raampjes open, kussens heet, ’t gevoel
van haast geheel verdwenen. Wij reden
achter huizen langs; verblindend blonk
een straat, de vissershaven stonk; toen
kwam van de rivier de vlakke kalme breedte
waar lucht en Lincolnshire en water samenkomt.

De hele middag hield de slaaprig hete baan
ver landinwaarts
een haperende bocht naar ’t zuiden aan,
langs boerderijen, vee – geen schaduw haast –
kanalen waarop licht fabrieksvuil drijft.
Uniek flitste een kas; hagen daalden
en rezen; soms drong de geur van gras
de reuk van knoopjestrijp opzij
totdat er weer een stad, nieuw, onbepaald,
met akkers autowrak genaderd was.

Eerst merkt’ ik niet wat een gerucht
op elk station
de bruiloftsgasten maakten: vluchtig
is aandacht voor schaduw in de zon.
Gejoel en gilletjes op koele laadperrons
hield ik voor jongens, stoeiend met de post.
‘k Ging door met lezen. Maar eenmaal weer op weg
zag ik ze staan, met plakhaar, grijnzend; namaak-
modieus de meisjes, hooggehakt, in sluiers uitgedost,

niet wetend wat te doen, kijkend naar ons vertrek,
als misten zij het slot van een gebeuren,
zwaaiend naar iets
wat verder ging. Getroffen, leunde
ik volgend keer sneller naar buiten en liet
mij niets ontgaan, zag het in and’re termen:
de vaders met een brede riem onder hun vest,
’t voorhoofd doorgroefd; de moeders dik en luid;
een oom vol schuine praat; de permanenten,
de nylon handschoenen, de nep-juwelen, het
geelgroen, lila, oker en olijf dat uit

de rest de meisjes vreemd naar voren bracht.
Ja, uit cafés,
eettenten achteraf en bontbevlagde
weg-restaurants, raakten de huw’lijksfeesten
op hun eind. De hele verdere lijn
stapten er nieuwe paren in; de rest bleef staan;
er werd nog wat gestrooid: confetti, goede raad.
En als wij gingen leek ieders gezicht zijn
eigen beeld te zien: kind’ren keken naar
iets vervelends; vaders stonden verbaasd

over hun groot succes, een klucht van niks;
de vrouwen deelden
’t geheim als een gezellige begrafenis;
en meisjes, in hun tasjes knijpend, keken
naar een godsdienstige verwonding. Beladen
met de som van alles wat zij zagen
stoomden wij eindelijk snel op Londen af.
Het veld werd bouwterrein, peppels gaven
een lange schaduw aan de grote weg.
Voor een minuut of vijftig, achteraf

net lang genoeg om hoeden recht te zetten en
‘k ging bijna dood
te zeggen, was er een tiental huwlijken op weg.
Ze keken zij aan zij naar wat het landschap bood
– een bioscoop, een waterreservoir,
iemand die bij ’t bowlen een aanloop nam –
en niemand dacht aan d’ and’ren, die hetzelfde
uur meemaakten, en nooit meer zien zij nog elkaar.
Ik dacht aan Londen, liggend in de zon,
haar postdistricten recht als tarwevelden.

Dat was ons doel. Terwijl wij raceten over
knopen van rails,
voorbij stilstaande Pullmanwagens, doken er
zwartbemoste muren op, en bijna was de hele
breekbare samenloop voorbij; en wat dit inhield
stond op het punt gelost te worden met
alle kracht die een verandering kan geven.
En toen de remmen pakten, was het als viel
er iets, een pijlenvlucht die uit het zicht werd
afgeschoten, ergens veranderend in regen.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

 


Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e augustus ook mijn blog van 9 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 9 augustus 2019 en ook mijn blog van 9 augustus 2017 en ook mijn blog van 9 augustus 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:48 Reageer op dit bericht

Klaus Ebner, Philip Larkin

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Klaus Ebner werd geboren op 8 augustus 1964 in Wenen. Zie ook alle tags voor Klaus Ebner op dit blog.

Uit: Fünfzig

„Fünfzig. Eine runde Zahl, die ich ständig vor mich hinsage. Es ist schon absurd; und das Wort – fünfzig – bleibt stets vage. Auch auf Papier: eine Fünf und eine Null. Dabei sage ich immer: Ich bin ein Null. Allein der Gedanke, dass es heute so weit ist, jagt mir einen Schauer über den Rücken … niemand hat mich gefragt, ob ich so weit bin, ob ich für diese Zahl bereit bin, die im Grunde bloß eine Nummer ist. Sie lähmt meine Sinne, und das degradiert mich zu einer Lach­nummer. Und wen kümmerts? (Niemanden. Außer … mich selbst.) Morgens wollte ich weder aus dem Bett noch etwas essen, doch ich empfand eine Genugtuung darüber, dass Angritt vor mir aufgestanden war und alles Notwendige erledigt hatte (was immer sie für notwendig hält). Alle Glieder fühlten sich so schwer an, als müsste ich mich gegen einen unsicht­baren Widerstand zur Wehr setzen. Nur nicht hoch­kommen, nur nicht hinaus, nur nichts Vernünftiges anfangen. Ich bekämpfte eine körperliche Regung, obwohl mir klar war, dass ich mit einem mentalen Hemmnis rang. Kurz nach Mittag soll es losgehen. (Puh, das ist sehr bald!) Dabei hatte ich schon vor Monaten gebeten, von einer Feier Abstand zu nehmen – fehlt mir doch jede Idee, was ich feiern soll oder was die Familie und meine Freunde mit mir zu feiern hätten. Mein Wunsch, was sage ich: meine Forderung wurde ignoriert, und Angritt legte sich gewaltig ins Zeug, alle einzuladen, den Tagesablauf präzise festzulegen, die Stube in unserem Lieblingsgasthof zu reservieren, kurzum, alles zu organisieren und es dann auf ihre Art perfekt zu inszenieren. Selbstredend eigentlich. Wenn sie etwas anpackt, dann macht sie keine halben Sachen. Ursprünglich hätte es ja eine Überraschung werden sollen, doch wie könnte der eigene Geburtstag jemanden überraschen? Jene vielleicht, die mit einer Uhr nichts anzufangen wissen, die ihre Tage völlig unbedarft genießen, sich kaum umblicken oder zur Seite schauen und dermaßen konzentriert ihrem Weg folgen, dass Einschnitte wie runde Jubiläen an ihnen vorbeiziehen, ohne Aufmerksamkeit zu erregen oder gar Schrammen zu ver­ursachen. Der Einschnitt; ja, von dem höre ich so oft, aber vielleicht liegt das nur daran, dass mir tatsächlich vorkommt, etwas würde zerschnitten: abgetrennt von allem, was bisher war und Bedeutung hatte. Journalisten, Kolumnisten, Ratgeber; die ganze Gesellschaft spielt auf den neuen Lebensabschnitt an. Lebensabschnitt … ein grässliches Wort. Man muss sich damit abfinden, nur mehr Lebensabschnittspartner zu sein. Eine Herabwürdigung ist das, und wen wunderts, wenn einer im Hinterkopf die Uhr nicht nur ticken, sondern so laut pochen hört, dass sich über kurz oder lang Panik breitmacht.“

 

 


Klaus Ebner (Wenen, 8 augustus 1964)

 

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

In de wei

Nauwelijks zichtbaar is het span
Waar ’t in de koele schaduw staat,
Tot wind hun staart en manen spreidt;
De ene graast, en stapt wat dan,
—’t Lijkt of de ander ‘m gadeslaat—
En staat weer stil in naamloosheid.

Toch maakt, terug vijftien jaar, een reeks
Van races, hoogstens twee dozijn,
Nog zwak van eeuwige roem gewag,
Hun naam, in handicaps en stakes,
Gegrift in bekers, fraai en fijn
Maar nu vertraagd, na n’ hoogtij junidag—

’t Gewambuisd starten; in de lucht
Getallen; parasols in ’t veld,
Veel auto’s leeg in hete staat,
Het gras bezaaid: dan luid gerucht
Dat klinkt tot het zich tanend meldt
In ’n laatste-nieuws rubriek op straat.

Plaagt terugzien, als een vlieg, hun oor?
Zij schudden ’t hoofd. De schaduw lengt
Zomer na zomer sloop reeds heen:
Publiek, het starthek, ’t kretenkoor—
Alleen nog ’t gras dat ze niet krenkt
Hun naam staat nog geboekt, alleen

Hun nu ontgaan; plaats rust in ’t veld
Of draf geeft hen nog wel plezier,
Geen kijker ziet ze huiswaarts gaan,
Noch stopwatch die benieuwd voorspelt:
Slechts ’n rijknecht, met zijn hulp, gespt hier
Bij avond nog de leidsels aan.

 

Vertaald door Cornelis W. Schoneveld

 

Philip-Larkin.jpg?resize=208%2C278
Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

 

Zie voor meer schrijvers van de 8e augustus ook mijn blog van 8 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 8 augustus 2019 en ook mijn blog van 8 augustus 2017 en ook mijn blog van 8 augustus 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 16:40 Reageer op dit bericht

Robert Seethaler, Philip Larkin

De Oostenrijkse schrijver en acteur Robert Seethaler werd geboren op 7 augustus 1966 in Wenen. Zie ook alle tags voor Robert Seethaler op dit blog.

Uit: Der Trafikant

„An einem Sonntag im Spätsommer des Jahres 1937 zog ein ungewöhnlich heftiges Gewitter über das Salzkammergut, das dem bislang eher ereignislos vor sich hin tröpfelnden Leben Franz Huchels eine ebenso jähe wie folgenschwere Wendung geben sollte. Schon beim ersten fernen Donnergrollen war Franz in das kleine Fischerhaus gelaufen, das er und seine Mutter in dem Örtchen Nußdorf am Attersee bewohnten, und hatte sich tief ins Bett verkrochen, um in der Sicherheit seiner warmen Daunenhöhle dem unheimlichen Tosen zuzuhören. Von allen Seiten rüttelte das Wetter an der Hütte. Die Balken ächzten, draußen knallten die Fensterläden, und auf dem Dach flatterten die vom dichten Moos überwachsenen Holzschindeln im Sturm. Von Böen getrieben, prasselte der Regen gegen die Fensterscheiben, vor denen ein paar geköpfte Geranien in ihren Kübeln ersoffen. An der Wand über der Altkleiderkiste wackelte der eiserne Jesus, als könnte er sich jeden Augenblick von seinen Nägeln losreißen und vom Kreuz springen, und vom nahen Ufer war das Krachen der Fischerboote zu hören, die von den aufgepeitschten Wellen gegen ihre Uferpflöcke geschleudert wurden. Als sich das Gewitter endlich ausgetobt hatte und sich ein erster zaghafter Sonnenstrahl über die rußschwarzen, von Generationen schwerer Fischerstiefel ausgetretenen Dielen bis an sein Bett heranzitterte, rollte sich Franz in einem kleinen Wohligkeitsanfall zusammen, nur um gleich darauf seinen Kopf unter der Decke hervorzustrecken und sich umzuschauen. Die Hütte war stehen geblieben, Jesus hing noch immer am Kreuz und durch das mit Wassertropfen besprenkelte Fenster leuchtete ein einzelnes Geranienblütenblatt wie ein zartroter Hoffnungsschimmer. Franz kroch aus dem Bett und ging zur Kochnische, um einen Topf Kaffee mit fetter Milch aufzukochen. Das Brennholz unter dem Herd war trocken geblieben und flammte auf wie Stroh. Eine Weile starrte er in das helle Flackern hinein, als mit einem jähen Kracher die Tür aufflog. Im niedrigen Türrahmen stand die Mutter. Frau Huchel war eine schmale Frau in den Vierzigern, immer noch ganz ansehnlich, wenngleich auch schon etwas ausgemergelt wie die meisten Einheimischen, denen die Arbeit in den umliegenden Salzminen, den Viehställen oder den Küchen der Sommerfrischlerwirtshäuser zugesetzt hatte.“

 

 


Robert Seethaler (Wenen, 7 augustus 1966)

 

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

 

Naar de kerk

Zodra ik zeker weet, dat ik alleen ben
stap ik hier binnen, trek de deur achter me dicht.
Alweer zo’n kerk met rijen banken, oude steen,
overal boekjes; bloemen, afgeknipt
voor zondag, nu verkleurd; glimmende dingen,
daar, waar het heilige gebeurt; een orgeltje;
een oude stilte, vol tastbare spanning
die, God weet al hoe lang, hier hangt. Ik heb geen hoed
maar haal beleefd de fietsklem van mijn broek

en loop naar voren, strijk over het doopvont.
Het dak ziet er, van onderaf gezien, goed uit.
gerestaureerd? Geverfd? Ik weet het niet, hoe het komt.
Ik ga de preekstoel op. Ik declameer
een paar loodzware verzen, en besluit
met tot zover. Ik klink toch harder dan ik dacht.
De echo doet me na, en ik loop naar de uitgang,
teken het boek, doneer een klein bedrag,
ik weet niet goed meer waar ik hier voor kwam

en toch kwam ik hier weer. Zoals in feite vaak
en altijd weer zonder idee, uiteindelijk,
niet wetend waar te kijken, met de vraag,
als kerken ooit volledig uit de tijd zijn,
wat wij met die gebouwen doen, houden we dan
sommige kathedralen open voor publiek,
met al dat heiligs mooi tentoongesteld,
en sloopt de regen en het vee de andere –
wil niemand dan nog op die onheilsplaatsen komen?

Of komen in de nacht dan vreemde vrouwen
hun kinderen een steen aan laten raken
om zo van kanker te genezen; zouden ze
een dode rond zien lopen, ’s avonds laat?
Iets van de kracht zal wel blijven bestaan
in spelletjes en schijnbaar onlogische namen;
maar bijgeloof, net als geloof, dat blijft niet duren,
wat blijft, als ook het ongeloof voorbijgegaan is?
Gras, onkruid op de tegels, een paar muurtjes, lucht

en elke week iets minder van de vorm,
een minder duidelijke functie. Wie,
vraag ik me af, is dan de laatste die hier komt,
voor wat dit was. Iemand, misschien, die
wat op het hout klopt, weet dat dit het koor heet?
Een zuiplap, zoekend naar antiek,
een kerstliefhebber, die nog hoopt
op het geluid van orgels en de lucht van wierook?
Of iemand namens mij, meer zoals ik,

die hier verveeld en ondeskundig komt, maar weet
wat het gehalte geest is op dit kruispunt, deze grond,
die hier, gemengd met stadsstof, zuinig is geweest,
die heeft bewaard wat nu alleen nog voorkomt
in afscheid, trouwerijen en geboortes,
in dood en denken aan de dood – omdat daarvoor
dit ding gebouwd is? Ik heb geen idee
wat deze opgetuigde klamme huls nog waard is,
ik sta hier graag in stilte, en alleen.

Een serieus gebouw op serieuze grond,
hier hangt de lucht van al onze obsessies
die hier, als noodlot aangekleed, tot rust komen.
En dat is dan toch iets dat niet verdwijnt,
want steeds is er weer iemand die zichzelf verrast
met de behoefte voortaan serieus te zijn,
zijn aandacht zal op deze grond worden gericht:
hij hoorde, dat dit goede grond voor wijsheid was,
alleen al door de vele doden die hier liggen.

 

Vertaald door Menno van der Beek

 

 


Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e augustus ook mijn blog van 7 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 7 augustus 2017 en ook mijn blog van 7 augustus 2011 deel 1 en ook deel 2.

Geschreven door Romenu om 11:50 Reageer op dit bericht

Kjell Westö, Philip Larkin

De Finse schrijver Kjell Westö werd geboren op 6 augustus 1961 in Helsinki. Zie ook alle tags voor Kjell Westö op dit blog.

Uit:  Das Trugbild (Vertaald door Paul Berf)

(Mittwoch, der 16. November)
ALS FRAU WIIK an diesem Morgen nicht zur Arbeit erschien, reagierte er zunächst gereizt. Möglicherweise hing seine Gereiztheit aber auch noch ein wenig mit seiner misslungenen Fahrt nach Kopparbäck am Vorabend zusammen. Um Jary nicht zu verletzen, hatte er seine Gedanken für sich behalten und anschließend die ganze Nacht grübelnd wach gelegen. Schließlich war er zwei Stunden früher als üblich in die Kanzlei gegangen. Er war schlichtweg übermüdet. Das Clubtreffen am Abend empfand er als Bürde, und auf seinem Schreibtisch türmte sich die Arbeit. Drei neue Klienten innerhalb von zwei Wochen, ein komplizierter Fall vor dem Amtsgericht, unbezahlte Rechnungen, unklare Formalitäten bezüglich Rolles Ausscheiden, Briefe, die diktiert und ins Reine geschrieben und versandt werden mussten: Ohne Frau Wiik kam er nicht weitet Er war bereits um halb acht ins Büro gekommen. Sonst war er nur selten vor neun da, weil er lieber bis in den späten Abend hinein arbeitete. Dennoch wusste er, dass Frau Wiik stets um Punkt acht eintraf, auch samstags. Sein Ärger hielt sich, während er darauf wartete, dass sie auftauchte, und rumorte selbst dann noch in ihm, als es halb neun wurde und ihm der Gedanke kam, dass er sie vielleicht anrufen und sich erkundigen sollte, ob sie sich das Bein gebrochen oder eine Mandelentzündung zugezogen und ihre Stimme verloren hatte oder etwas in der Art. Als er ihre Nummer das erste Mal wählte, war er unkonzentriert. Während er darauf wartete, dass sie an den Apparat ging, dachte er an das abendliche Treffen und an Dinge, die er mit den anderen hinter verschlossenen Türen besprechen wollte. So würde er Arelius bitten, es künftig zu unterlassen, seine politischen Ansichten in Gegenwart seiner Mutter Esther zu kritisieren. Aber vor allem musste er mit Lindemark über Jogi Jary sprechen: Es musste doch irgendetwas geben, was sie tun konnten. Als Frau Wiik sich nicht meldete, dachte er, dass sie sicher auf dem Weg ins Büro war. Jeden Moment würde er ihre Schritte auf der Treppe und ihren Schlüssel im Schloss hören.
Als Frau Wiik sich nicht meldete, dachte er, dass sie sicher auf dem Weg ins Büro war. Jeden Moment würde er ihre Schritte auf der Treppe und ihren Schlüssel im Schloss hören. Doch sie kam nicht Und als er drei Mal angerufen hatte und sie nicht an den Apparat gegangen war, machte er sich allmählich Sorgen. 

 


Kjell Westö (Helsinki, 6 augustus 1961)

 

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

 

Doorgaan met leven

Doorgaan met leven – dat is: herhaling van de gewoonte
waarmee je je zaakjes bedisselt –
is bijna altijd verliezen of tekortkomen.
Het wisselt.

Dit verlies aan belangstelling, haren, initiatief –
ja, als het pokeren was kon je vragen om
andere kaarten en een full house krijgen!
Maar het is schaken.

Je beheert iets duidelijks, een soort ladingsbrief,
als je al je gedachten bent langsgegaan.
Iets anders, wat dan ook, behoort voor jou
niet te bestaan.

En wat brengt het op? Dat wij op den duur
min of meer het stempel herkennen dat onze
gedragingen kenmerkt, ze thuis kunnen brengen.
Maar zeggen,

op die groene avond dat ons doodgaan begint,
wat het allemaal inhield, brengt ons niet verder.
Het sloeg alleen maar één keer op één mens,
en die ligt op sterven.

 

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

 


Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 6e augustus ook mijn blog van 6 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 6 augustus 2019 en ook mijn blog van 6 augustus 2017 en mijn blog van 6 augustus 2016 en ook mijn blog van 6 augustus 2015 en ook mijn blog van 6 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Geschreven door Romenu om 16:35 1 reactie Reageer op dit bericht

Martin Piekar, Conrad Aiken

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

 

ZUM WELTUNTERGANG ist niemand zu spät
sage ich dem schild: :das ende ist nah
wir lesen & schreiben vom weltuntergang voll zuversicht
sodass er nicht eintritt
die stimme in meinem kopf wird mich noch verrückt machen
: es wird alles gut werden — nein — es wird
alles gut werden — nein
wir leben von der zukunft her, tod & bonbons
im nachhinein verteilt
der dackel, der vor einer metzgerei bellt & heult
schreie sind einsame orte
nur dunkelheit kann stets begleiten
kümmere dich nicht um den weltuntergang
kümmere dich um die weit, um deinen tod
sei ein märtyrer für deine sache & stirb nicht

 

 

IM DUNKEL EINES UBAHNTUNNELS
da sage ich: ich will wieder träumen
ein junger, der gegen die schienen haust
: geh, sagt er, geh weiter, bis du kannst
dort wird ein dich dich führen ein ausgang dich führen,
wo es so farblos sein wird

 

 

DIE WÄNDE GEHEN AUFEINANDER WIE VERLORENE
die bilder sind betten aus hornhaut & ich dazwischen
graffiti besetzen ubahntunnel
weil sie das angesicht der kameras fürchten
öffentlichkeit als reines synonym für kameras
ich bin ein canunodell wo immer ich langgehe
ich wandel in ubahntunnel
wie die graffiti ihre wände tragen
& immer wieder höre ich eine spraydose
in einem anderen korridor
hier, die bilder brechen, die bilder brechen auf
sind das gegenteil hohlwachsender früchte
die graffiti meiden fenster
betrachten mich wie einen spiegel
& flüstern: wir gehören niemandem
denn niemand hat uns erschaffen
ich spüre die not eines besetzten hauses
unvergällte luft hinterlässt eine wunde leben
der schweiß einer abgelegten maske, die ich nie trug
mein gesicht gehört mir sowieso nicht
graffiti kosen mich, verkatert vom träumen
drücke ich mein gesicht in die wand

 

i am sic, zegt ze & trekt een reepje huid van haar onderarm
een lappendeken wil ze genoemd worden en ze bouwt Theseus’ schip
een keer per week verdooft ze zichzelf tot helderheid
& verwisselt ze de ene huidflap voor de andere
ze wil weten hoe vaak ze haar huid moet verwisselen
om zich in een nieuwe te voelen
ze vraagt of ik weet hoe het is
om in deze vallende droom geboren te worden
hier onder een brug, altijd onder een brug
nemen we het bloed stollend waar
ze snijdt nog een stuk van haar kuit
ik zoek niet naar iets onder de huid, zegt ze
de autoriteit van weefsel herken je al bij een blik
zegt ze & naald & draad
we fascineren elkaar totdat ik door het oog van de naald ga
velen denken dat ik op zoek ben naar insecten of chips
maar mij gaat het alleen om huid
ze leunt tegen de pilaar, esthetisch als iemand die uitgeput is van sporten
en naait zichzelf dicht, , i am sic, zegt ze
weet je, ik ben uit geen enkele droom ooit ontwaakt

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

 

 

De Amerikaanse schrijver en dichter Conrad Potter Aiken werd geboren in Savannah, Georgia op 5 augustus 1889. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Conrad Aitken op dit blog.

 

SIX SONNETS

I

BROAD on the sunburnt hill the bright moon comes,
And cuts with silver horn the hurrying cloud;
And the cold Pole Star, in the dusk, resumes
His last night’s light, which light alone could shroud.
And legion other stars, that torch pursuing,
Take each their stations in the deepening night,
Lifting pale tapers for the Watch, renewing
Their glorious foreheads in the Infinite.
Never before had night so many eyes!
Never was darkness so divinely thronged,
As now—my love! bright stall—that you arise,
Giving me back that night which I had wronged.
Now with your voice sings all that immortal host,
That god of myriad stars whom I thought lost.

 

II


What music’s devious voice can say, beguiling
The flattered spirit, your voice can richlier say,
Moving the happy creature to such smiling
As the young sun brings flowers at break of day.
Nor can the southwest wind, who turns green boughs,
And sings in watery reeds, outvie your voice—
No, though the whole wide world of birds he rouse,
And boughs and birds, together, all rejoice.
Not water’s self, shy singer among stones,
Vowelling softly of his secret love,
Can murmur to green roots such undertones,
Nor with low laughter have such power to move.
No rival—none. There is no help for us.
Be it confessed—I am idolatrous.

 


Conrad Aiken (5 augustus 1889 – 17 augustus 1973)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e augustus ook mijn blog van 5 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 5 augustus 2018 en ook mijn blog van augustus 2017 en ook mijn 2 blogs van 5 augustus 2011.

Geschreven door Romenu om 17:34 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten