Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 18 september 2009 tot 19 september 2009

Crauss, Ingrid Jonker, Patrick Marber, Orlando Emanuels, Stefanie Zweig

De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Zie ook mijn blog van 19 september 2008. Zie ook mijn blog van 19 september 2008.

 

 

der mond über zollstock

 

ist der selbe wie hier. ick vermisse dir,

du bist das masz aller dinge, die elle,

um die mich die freunde beneiden. nimm meinen langen

schatten unter den arm, wenn im zollstocker eck du nicht

mehr erinnerst, wie das spiel früher ging:

ich &du &dazwischen der mond. denn

wisse: du bist die ellen, die ich vermisse.

 

 

 

 

u & e
mittelgebirgsermittlung

 

es gibt keinen horizont aber
alles ist eben. am tage
ein kontingent aus 24 abgemessenen worten
ein leseband fliesst gerade hindurch
aber es fehlt die schleuse die ebene
anzuheben zu einem sturz aus ausgelaufenen filzstiften:
ich schmiere mit dem handrücken die mulden aus u
& den beklemmenden sommer zu
sumpf. jetzt ist es herbst & ein nebel zieht vor
das licht ist schön mild nur einsam
steht ein geziegeltes e dann wird es nacht
& das sprechen ein bergisches land

 

 

 

 

cf_improvisation 3

 

am sichersten lemcke fragen: man vergisst

so viel zwischen den gerüsten gedanken gebäude

türmen sich auf in der küche im wohnzimmer

verliert ein pepsigetränk leben und all diese tiere

aus staub! es ballen sich träume im bad und im

flur vielleicht hilft es zu fragen was stellt

dieses verschachtelte was stellen die prosabalkone

was stellt das kreideblech dar. du brauchst doch

dieses amerika nicht aus twintowerkarton

und emiprestatekisten. wo soll uns das hinführen

sage was könnte es sein das ich vergesse.

die antwort hat lemcke die ameisendateien und alles

was vormals hinter das bett... nerven muskeln ent

scheidungen: vielleicht doch lieber nach wien?

und bete die flugzeuge weg! ich lese vergesse

bin schon am morgen ganz müde. dieser schweflige

gifthimmel das muss von der kola das kommt

von den blitzen im kopf. wo sind wir denn hier.

 

 

 

 

Crauss-Crauss
Crauss (Siegen, 19 september 1971)

 

 

 

 

De Zuidafrikaanse dichteres en schrijfster Ingrid Jonker werd geboren op 19 september 1933 bij Komberley (Noord Kaap). Zie ook mijn blog van 19 september 2006 en ook mijn blog van 19 september 2008.

 

 

Bittervrucht van dageraad 


(Bitterbessie dagbreek) 

Bittervrucht van de dageraad 
bittervrucht van zon 
een spiegel is gebroken 
tussen mij en hem 

Wil ik langs de hoofdweg 
rennend op een draf 
telkens slaan er paadjes 
met zijn woorden af 

Dennenbos herinnering 
dennebos vergeet 
waar ik ook verdwaal 
trap ik in mijn leed 

Papegaai-bonte echo 
lach me, lach me uit 
totdat ik bedrogen 
op het spotwoord stuit 

Echo is geen antwoord 
antwoordt hij alom 
bittervrucht van dageraad 
bittervrucht van zon.

 

 

Het kind dat doodgeschoten is door soldaten bij Nyanga

 

Het kind is niet dood

het kind heft zijn vuisten naar zijn moeder

die Afrika schreeuwt  de geur schreeuwt

van vrijheid en heide

in de townships van het omsingelde hart

 

het kind heft zijn vuisten naar zijn vader

in de optocht van de generaties

die Afrika schreeuwen  de geur schreeuwen

van gerechtigheid en bloed

in de straten van zijn gewapende trots

 

Het kind is niet dood

noch bij Langa noch bij Nyanga

noch bij Orlando noch bij Sharpville

noch bij het politiebureau van Philippi

waar het ligt met een kogel door zijn hoofd

 

Het kind is de schaduw van de soldaten

op wacht met geweren pantserwagens en knuppels

het kind is aanwezigbij alle vergaderingen en wetgevingen

het kind loert door de vensters van huizen en in de harten

van moeders

het kind dat alleen maar wilde spelen in de zon bij Nyanga is overal

het kind dat een man is geworden trekt door heel Afrika

het kind dat een reus is geworden trekt door de gehele wereld

 

Zonder pas

 

 

 

Vertaald door Gerrit Komrij

 

 

 

 

Jonker
Ingrid Jonker (19 september 1933 – 19 juli 1965)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver, acteur en regisseur Patrick Marber werd geboren op 19 september 1964 in Londen. Hij groeide op in Wimbledon en studeerde in Oxford. Na vier jaar als Standup-Comedian te hebben gewerkt ging hij in 1991 naar Parijs tot hij gevraagd werd als acteur en schrijver aan een nieuwe serie voor Radio 4 mee te werken. De serie won prijzen en kwam ook op televisie. Marber begon draaiboeken te schrijven. Als toneelschrijver debuteerde hij in 1997 met zijn stuk Closer in eigen regie in het National Theatre.

 

Uit: Don Juan In Soho

 

DJ (To Statue) What are you?

STATUE Recognition

Pause

DJ Are you alive

STATUE I come from the dead.

Pause

DJ Why?

STATUE You know why. You have always known.

STATUE You summoned me.

DJ When?

STATUE Last night. In the square. You invited me to join you.

DJ I was not myself

STATUE You are always yourself. It is that you cannot bear.

DJ I don’t believe in you. I choose not to believe in you!

STATUE I am you.

They stare at each other. DJ understands now:

DJ Recognition.

 

 

 

 

marber
Patrick Marber (Londen, 19 september 1964)

 

 

 

 

De Surinaamse dichter en schrijver Orlando Emanuels werd geboren in Paramaribo op 19 september 1927. Zie ook mijn blog van 19 september 2008.

 

Uit: De duivel verkoopt zijn ziel

 

‘Vergeten die ellendelingen dan wie ik ben?’ Hij beukt met zijn vuisten op het bureau. Zo vroeg op de morgen schenkt hij zich al zijn vierde borrel in en drinkt het glas in één teug leeg.

‘Verdomme... ver-dom-me!’ Hij schenkt zich nogmaals in en ook nu verdwijnt de whisky in één slok. ‘Geen enkele uitgever weigert zomaar een manuscript van Edward John Mesquita, wiens boeken jaren achtereen op de bestsellerslijst hebben geprijkt!’

De ellebogen op het bureau geplant en met de vuisten zijn kin ondersteunend kijkt hij neer op het schrijven dat opengevouwen voor hem ligt. De inhoud liegt er niet om, duidelijk staat er dat het toegezonden manuscript enigszins teleurstellend is en dat men dan ook niet tot uitgeven ervan kan overgaan.

‘Met mooie woorden geven ze mij te kennen dat mijn manuscript is afgewezen! Ondankbaar tuig! Het is toch voornamelijk mijn werk waar ze hun kapitaal mee verdiend hebben! Zij zijn heus niet de enige uitgevers in het land. Voor een schrijver van mijn kaliber staan de deuren van alle uitgeverijen wijd open!’

De drankverslaving van Edward John Mesquita was de uitgevers niet onbekend gebleven en hoewel die het erover eens waren dat zijn latere pennevruchten bij lange na niet het niveau van zijn eerder verschenen werk haalden, hadden ze rekening gehouden met zijn status en de manuscripten toch geaccepteerd. Maar de duidelijke teruggang die ze vooral bij zijn laatste werk hadden geconstateerd, had een vernietigend oordeel tot gevolg gehad.

Na zes shots zit Edward John Mesquita nog steeds over de brief heen gebogen, zijn ogen zijn rood doorlopen en hij beeft van woede: ‘Ik ga die shits hun eigen braaksel laten slikken! Ik ga ze tonen waar ik met mijn 72 jaar nog toe in staat ben. Ik ga het beste verhaal schrijven dat ooit uit mijn pen is gevloeid! Als honden laat ik hen naar mij toe kruipen om mij te smeken het te mogen uitgeven. Als honden! Ik zal me revancheren, al moet ik daarvoor bij de duivel aankloppen.

Als hij wakker wordt, is het reeds middag. Hij leunt niet meer op zijn vuisten, maar ligt uitgestrekt over het bureau. Flarden van een gesprek dwarrelen door zijn hoofd. Iemand had gesproken over het onrecht dat de uitgevers hem hebben gedaan. Die vreemde gast had hem assistentie bij het schrijven van zijn verhaal aangeboden. Iemand. Wie?”

 

 

 

Emanuuels
Orlando Emanuels (Paramaribo, 19 september 1927)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Stefanie Zweig werd geboren in Leobschütz, Oberschlesien, op 19 september 1938. Zie ook mijn blog van 19 september 2008.

 

Uit: Das Haus in der Rothschildallee

 

„Strahlende Sonne am 27. Januar war seit zwölf Jahren eine Berliner Tradition. Am Geburtstag von Kaiser Wilhelm II. strahlten die Sonne und die Bürger der Reichshauptstadt um die Wette. Selbstbewusst flanierten sie auf ihren Prachtstraßen und ein jeder wusste, dass »Kaiserwetter« eine Berliner Spezialität war.

Weit weniger kaisertreu zeigten sich die Januarwinde, die von den Bergen im Taunus nach Frankfurt wehten. In der ehemaligen Freien Reichsstadt waren die Leute zu bürgerstolz und skeptisch, um auf neumodische monarchistische Mythen zu setzen. Die Frankfurter empfanden den kaiserlichen Geburtstag als einen Tag, der sich nicht von den übrigen dreißig im Monat unterschied – übellaunig

schimpften sie den Januar einen rücksichtslosen Wüstling. Mit eiserner Faust vergalt ihnen der garstige Geselle seinen schlechten Leumund; häufig übertraf er mit Wetterkatastrophen, die zu Tragödien führten, noch seinen fürchterlichen Ruf.

Der 27. Januar 1900 war allerdings in der schönen Stadt am Main der strahlende Beweis, dass in der Meteorologie noch weniger Verlass auf Verallgemeinerungen ist als auf besser überschaubaren Gebieten. An diesem letzten Samstag im Januar war das Frankfurter Wetter, wie die Leuteeinander aufgeräumt versicherten, wenn sie am Flussufer spazieren gingen und die Kirchturmspitzen in der Wintersonne wie die vergoldeten Kuppeln in Märchenbüchern glitzerten, »zum Eier Legen«. Der volkstümliche Ausdruck entstammte der Sommersprache, eignete sich aber trefflich, um am einundvierzigsten Geburtstag Seiner Majestät Kaiser Wilhelms II. das Lebensgefühl der Menschen zwischen den Ebbelweinwirtschafen in Sachsenhausen und den Feldern auf dem Lohrberg zu beschreiben. Der Himmel über den Frankfurtern, die dafür bekannt waren, dass sie nur glaubten, was sie sahen, anfassen und schmecken konnten, war am 27. Januar 1900 so klar und blau wie seit

Wochen nicht mehr.

Solch rares Wetterglück erhellte die dunkelste Gesindestube. Die Sonne erreichte feuchtes Gemäuer in engen Gassen und strahlte mit Titanenkraft auf Herrenhäuser und die weiträumigen Plätze, von denen es immer mehr in der Stadt gab. Hell im Licht der Hoffnung leuchteten die Schwanzfedern der Wetterhähne. Die alten Stadttürme wirkten, als wären sie in der Nacht geputzt worden. Auf der Zeil und in der Kaiserstraße pfiffen vorwitzige Spatzen von allen Dächern, dass es bald Frühling werden würde. Frisch gestriegelt waren die Pferde vor den geputzten Kutschen.“

 

 

 

stefanie-zweig
Stefanie Zweig (Leobschütz, 19 september 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 19:27 Reageer op dit bericht

Mika Waltari, Jean-Claude Carrière, Curt Meyer-Clason, William Golding, Hartley Coleridge

De Finse schrijver Mika Toimi Waltari werd geboren in Helsinki op 19 september 1908. Op wens van zijn moeder studeerde hij eerst theologie, maar hij wendde zich al snel tot de literatuurwetenschap en de filosofie. Na zijn studie werkte hij o.a. als journalist, vertaler en literair criticus. Beroemd werd hij door zijn romans die levensechte beschrijvingen bieden van oude culturen. Sinuhe de Egyptenaar (ook verfilmd) en De Romein zijn twee voorbeelden daarvan. Werk van Waltari, met name Sinuhe de Egyptenaar, dat uit 1945 dateert, werd in ruim 30 talen vertaald, waaronder het Nederlands (in 1949).

 

Uit: Sinuhe der Ägypter (Vertaald door Charlotte Lilius)

 

„Die Wächter wagten mich nicht daran zu hindern, weil ich Haremhabs Arzt war und die Soldaten mich bereits als einen boshaften Mann kannten, der sich sogar getraute, Haremhab mit harten und beißenden Worten entgegenzutreten. Zu Aziru aber ging ich, weil er in ganz Syrien keinen einzigen Freund mehr besaß. Ein gefangener, seines Reichtums beraubter und zu schimpflichem Tode verurteilter Mann hat keine Freunde mehr. Ich begab mich zu ihm, weil ich wusste, dass er das Leben sehr liebte, und weil ich ihm auf Grund all dessen, was ich gesehen, versichern wollte, dass es überhaupt nicht lebenswert sei. Auch wollte ich ihm als Arzt sagen, dass Sterben leicht sei, leichter jedenfalls als die Qual, der Kummer und das Leid des Lebens. Das Leben ist eine heiße, versengende Flamme, der Tod hingegen das dunkle Wasser der Vergessenheit. Das alles wollte ich ihm sagen, weil er am Morgen darauf sterben sollte, und ich wusste, dass er ohnehin nicht schlafen werde, da er das Leben über alles liebte. Sollte er aber meinen Worten kein Gehör schenken, so wollte ich mich schweigend neben ihn setzen, damit er nicht allein sei. Der Mensch kann wohl leicht ohne Freunde leben, ohne einen einzigen Freund zu sterben aber fällt ihm schwer, besonders wenn er zu Lebzeiten Kronen auf dem Haupte getragen und über viele Menschen befohlen hat.
Deshalb schlich ich mich im Dunkel der Nacht in das Zelt, wo er in Fesseln gehalten wurde. Bei Tageslicht hatte ich mich ihm nicht zeigen wollen und war ihm mit verhülltem Gesicht ausgewichen, als er und seine Familie auf schmähliche Weise in Haremhabs Lager geschleppt wurden, wobei ihn die Soldaten verhöhnten und mit Schmutz und Pferdemist bewarfen. Denn er war ein sehr stolzer Mann, dem es sicherlich peinlich gewesen wäre, wenn ich ihn in seiner Erniedrigung gesehen, nachdem ich ihn in den besten Tagen seiner Kraft und Macht gekannt hatte. Deshalb hatte ich ihn am Tage gemieden und suchte sein Zelt erst im Dunkel der Nacht auf. Die Wächter hoben ihre Speere und sprachen zueinander: ‚Wir wollen ihn einlassen! Es ist Sinuhe, der Arzt, der sich gewiss nicht auf unerlaubten Wegen befindet. Wenn wir ihm den Zutritt verweigern, wird er uns vielleicht beschimpfen oder durch Zauberei entmannen; denn er ist ein boshafter Mensch, und seine Zunge sticht ärger als ein Skorpion.‘
 

 

 

 

Mika_Waltari
Mika Waltari (19 september 1908 - 26 augustus 1979)

 

 

 

 

 

De Franse romanschrijver, regisseur, acteur, toneel- en scenarioschrijver Jean-Claude Carrière werd geboren op 19 september 1931 in Colombières-sur-Orb, Hérault. Hij schreef honderden scenario's waaronder 'Le Fantôme de la liberté', later een film van Luis Buñuel .Hij werkte ook samen met onder meer Peter Brook en Jaques Tati. Eerder verscheen van zijn hand 'Entretiens sur la multitude du monde', dat hij schreef samen met Thibault Damour.

 

Uit: Mit anderen Worten. Ein erotischer Sprachführer  (Vertaald doorNathalie Rouanet)

 

Paris, am 3. September

 

Sehr geehrtes Fräulein!

 

Ich danke Ihnen für Ihren Brief, der mich zutiefst berührt und den schlaffen Mann (der ich aber nicht immer war) wachgerüttelt hat.

Die wissenschaftliche Arbeit, die Sie ansprechen und die heute vergriffen ist, hatte den genauen Titel „Abhandlungen zur Entwicklung des erotischen Vokabulars“. Ich habe sie schon vor sehr langer Zeit veröffentlicht, und ich wage zu behaupten, daß sie bis heute unübertroffen ist. Selbstverständlich sind seitdem einige neue Ausdrücke entstanden – die Sprache lebt –, aber ich habe mich immer so gut es ging auf dem laufenden gehalten.

So haben sich ergänzende Notizen zum Buch angesammelt. Sie verteilen sich bereits über meine ganze Wohnung.

Ich glaube, ich kann Ihre heikle Frage beantworten. Sie fürchten, daß Ihr quälendes Problem mir „eigenartig oder unangebracht“ erscheinen könnte. Seien Sie beruhigt: Ich bin glücklich, Ihnen helfen zu können und mein bescheidenes Wissen zu Ihren Füßen zu legen, die ich mir übrigens sehr hübsch vorstelle.

„Es ist kein Handwerk schlecht, doch viele treiben’s nicht recht.“ Sie beschäftigen sich, wenn ich Sie richtig verstanden habe, mit der „Synchronisation“ fremdsprachiger Filme, die, wie Sie sagen, einen entschieden pornographischen Charakter haben, und Sie bedauern den armseligen Wortschatz, der Ihnen vorgelegt wird. Niemand könnte Sie besser verstehen als ich. Es ist vielleicht ein-  oder zweimal vorgekommen, seitdem ich im Ruhestand bin, daß ich mich in eines dieser Kinos verirrt habe, und ich war jedes Mal zutiefst betrübt, und zwar nicht über das Gesehene, sondern über das Gehörte. Immer die gleichen abgenutzten und ordinären Wörter. So üppig die Kurven, so flach die Sprache.

Dabei verfügt unsere schöne Sprache, glauben Sie mir, mein Fräulein, in diesem Bereich über wahre, meist verkannte Schätze. Nehmen wir zum Beispiel den Ausdruck Liebe machen, den Sie sicherlich verwenden und der seit immer und ewig durch das Verb ficken ausgedrückt wurde, das seine heutige Bedeutung schon im 16. Jahrhundert bekommen hat und nach und nach das früher verbreitete fickfacken ersetzte, und es lassen sich sofort jede Menge malerische und köstliche Synonyme finden, etwa im Jargon der Schneiderinnen das Wort einfädeln oder, um im Handwerklichen zu bleiben, stangeln und wetzen, die sehr gebräuchlich sind, eigentlich genauso wie pflanzen, stechen, pfropfen, bimsen, und nicht zu vergessen poppen, das in Deutschland sehr beliebt ist und seinen Reiz hat.*

 

 

 

 

carriere
Jean-Claude Carrière (Colombières-sur-Orb, 19 september 1931)

 

 

 


De Duitse schrijver en vertaler
Curt Meyer-Clason werd geboren op 19 september 1910 in Ludwigsburg. Hij volgde een opleiding voor de handel en werkte als koopman in Bremen, Brazilië en Argentinië. In 1955 keerde hij naar Duitsland terug en werd lector in München. Vanaf de jaren zestig begon hij steeds meer te vertalen, vooral werk van schrijvers uit Latijns Amerika. Van 1969 tot 1976 leidde hij het Goethe Instituut in Lissabon. Meyer-Clason publiceerde verhaqlen en essays, maar vooral als vertaler en uitgever een grote bijdrage geleverd aan de receptie van moderne Latijnsamerikaanse in het Duitse taalgebied.

 

Uit: Die Erzählungen (Gabriel Garcia Marquez, vertaald door Curt Meyer-Clason)

 

„Die dritte Entsagung

Da war wieder dieser Lärm. Jener kalte, schneidende, senkrechte Lärm, den er schon so gut kannte; der sich jetzt aber als scharf und schmerzhaft erwies, als sei er ihm von einem Tag auf den anderen ungewohnt geworden.

Der Lärm kreiste in seinem leeren Schädel, dumpf und stechend. Eine Wabe hatte sich in den vier Wänden seiner Gehirnschale gebildet. Sie wuchs zunehmend in aufeinanderfolgenden Spiralen und schlug drinnen und ließ seine Wirbelsäule erzittern, unmäßig und misstönend, im sicheren Rhythmus seines Körpers. Etwas war in seinem stofflichen Aufbau eines festgefügten Menschen aus der Ordnung geraten; etwas, das »bei den anderen Malen« normal funktioniert hatte und nun in seinem Kopf hart und trocken hämmerte, mit den Knochen einer abgezehrten Hand hämmerte und ihn an alle bitteren Empfindungen des Lebens erinnerte. Er fühlte den animalischen Drang, die Fäuste gegen die blauen, vom Druck des verzweifelten Schmerzes violett angeschwollenen Adern seiner Schläfen zu pressen. Er hätte den Lärm, der den Augenblick mit seiner scharfen Diamantspitze durchbohrte, zwischen seinen beiden empfindlichen Handflächen orten mögen. Mit der Bewegung einer Hauskatze zogen sich seine Muskeln zusammen, als er sich vorstellte, wie er durch die gepeinigten Winkel seines fieberzerfetzten heißen Kopfes verfolgt wurde. Er würde ihn gleich einholen. Nein. Der Lärm hatte ein glattes, fast unberührbares Fell.“

 

  

 

Curt_Meyer-Clason
Curt Meyer-Clason (Ludwigsburg. 19 september 1910)

Ludwigsburg, markt 

 

 

De Engelse schrijver Sir William Gerald Golding werd geboren in St. Columb Minor, Newquay, Cornwall, op 19 september 1911. Zie ook mijn blog van 19 september 2007 en ook mijn blog van 19 september 2008.

 

Uit: Lord of the flies

 

“The fat boy thought for a moment.

"That pilot."

The fair boy allowed his feet to come down and sat on the steamy earth.

"He must have flown off after he dropped us. He couldn't land here. Not in a place with wheels."

"We was attacked!"

"He'll be back all right."

The fat boy shook his head.

"When we was coming down I looked through one of them windows. I saw the other part of the plane. There were flames coming out of it."

He looked up and down the scar.

"And this is what the cabin done."

The fair boy reached out and touched the jagged end of a trunk. For a moment he looked interested.

"What happened to it?" he asked. "Where's it got to now?"

"That storm dragged it out to sea. It wasn't half dangerous with all them tree trunks falling. There must have been some kids still in it."

He hesitated for a moment, then spoke again.

"What's your name?"

"Ralph."

The fat boy waited to be asked his name in turn but this proffer of acquaintance was not made; the fair boy called Ralph smiled vaguely, stood up, and began to make his way once more toward the lagoon. The fat boy hung steadily at his shoulder.

"I expect there's a lot more of us scattered about. You haven't seen any others, have you?"

Ralph shook his head and increased his speed. Then he tripped over a branch and came down with a crash.

The fat boy stood by him, breathing hard.

"My auntie told me not to run," he explained, "on account of my asthma."

"Ass-mar?"

"That's right. Can't catch my breath. I was the only boy in our school what had asthma," said the fat boy with a touch of pride. "And I've been wearing specs since I was three."

He took off his glasses and held them out to Ralph, blinking and smiling, and then started to wipe them against his grubby wind-breaker. An expression of pain and inward concentration altered the pale contours of his face. He smeared the sweat from his cheeks and quickly adjusted the spectacles on his nose.

"Them fruit."

He glanced round the scar.

"Them fruit," he said, "I expect—"

He put on his glasses, waded away from Ralph, and crouched down among the tangled foliage.

"I'll be out again in just a minute—"

Ralph disentangled himself cautiously and stole away through the branches. In a few seconds the fat boy's grunts were behind him and he was hurrying toward the screen that still lay between him and the lagoon. He climbed over a broken trunk and was out of the jungle.

The shore was fledged with palm trees. These stood or leaned or reclined against the light and their green feathers were a hundred feet up in the air. The ground beneath them was a bank covered with coarse grass, torn everywhere by the upheavals of fallen trees, scattered with decaying coconuts and palm saplings. Behind this was the darkness of the forest proper and the open space of the scar. Ralph stood, one hand against a grey trunk, and screwed up his eyes against the shimmering water.”

 

 

 

 

golding
William Golding (19 september 1911 – 19 juni 1993)

 

 

 

 

 

De Engelse dichter en schrijver Hartley Coleridge werd geboren in Clevedon, Somerset, op 19 september 1796. Hij was de oudste zoon van de dichter Samuel Taylor Coleridge. Hij ging in 1815 naar de Universiteit van Oxford en verwierf in 1820 een 'fellowship' aan Oriel College. Na zijn proefjaar werd hij hier echter van ontheven wegens 'onmatigheid'. De autoriteiten wilden de beslissing niet terugdraaien, maar gaven wel een compensatie in de vorm van 300 pond. Toen hij geen carrière kon maken in de universitaire wereld, trok hij naar Londen, waar hij privélessen gaf en korte gedichten schreef voor kranten. Zijn werk, met name zijn sonnetten, werd beschouwd als veelbelovend, maar heeft niettemin geen blijvende indruk achtergelaten. Zijn broer Derwent Coleridge verzorgde een uitgave van de Complete Poems in 1851.

 

 

Friendship

 

WHEN we were idlers with the loitering rills,

The need of human love we little noted:

Our love was nature; and the peace that floated

On the white mist, and dwelt upon the hills,

To sweet accord subdued our wayward wills:

One soul was ours, one mind, one heart devoted,

That, wisely doting, ask'd not why it doted,

And ours the unknown joy, which knowing kills.

But now I find how dear thou wert to me;

That man is more than half of nature's treasure,

Of that fair beauty which no eye can see,

Of that sweet music which no ear can measure;

And now the streams may sing for others' pleasure,

The hills sleep on in their eternity.

 

 

 

 

coleridge
Hartley Coleridge (19 september 1796 - 6 januari 1849)

 

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Tachtig jaar Armando, Michaël Zeeman, Ton Anbeek

De Nederlandse kunstschilder, beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker Armando werd geboren op 18 september 1929 in Amsterdam. Dat is dus vandaag precies tachtig jaar geleden. Zie ook mijn blog van 18 september 2006.

 

 

wat vader, de lust tot wezen en inkeer, de ver-

nietiging voor mij betekende, de lust tot bewegen

en langzaam sterven, als vóór mij de doden

de stoom van hun vergissing traag lieten verglijden,

de jaren dat wij leefden.

 

de lust tot inkeer, de vader en de vernietiging zij keren

mij om, hoe langzaam, hoe ingetogen is de hand

waarmee zij de zon boetseren om slechts te leven om te doden.

 

 

 

armando%20kelk
Kelk                              

 

 

een bijtende spreuk verlost hem van de duivel

de schepping is voltooid.

hij voelt het zachte gras, een klein gebaar omhoog en bevend

slaapt hij in.

men zoekt hem, een machteloos dier, de vader van een dode.

 

de zoon is gesneuveld, de moeder, begroeid met dromen, bestuift

haar kind moet leven, het wonder wordt gehoond:

de hemel pakt de aarde woedend aan.

 

 

 

 

armando_das_haus_12505
Das Haus

 

 

 

waarom zouden we

 

waarom zouden we wat we gedaan hebben
om vergeving vragen waarom
hebben we gedaan wat we moesten doen

we deden wat we konden om niet
te weten dat we leefden

 

 

 

 

 

Armando_88498a
Armando (Amsterdam, 18 september 1929)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver, journalist en literair criticus Michaël Zeeman werd geboren op Marken op 12 september 1958. Zie ook mijn blog van 18 september 2008. Michaël Zeeman is op 27 juli van dit jaar overleden. Zie ook mijn blog van 28 juli 2009.

 

 

Halverwege, de factor t

 

Giet twee duim zwarte peper in een kolf,

daarna, voorzichtig, twee duim zout erop,

schudt dan de kolf met vaste hand naar grijs.

 

Nooit zal men zo lang kunnen schudden,

dat alle korrels hun plaats hernemen en grijs

weer wit op zwart, of zwart op wit geworden is.

 

Ook valt een beker melk wel in een plas

en scherven op de grond, maar nooit een

plas en scherven in een beker melk bijeen.

 

Er is geen wet die het verbiedt. Als kind

spoelden wij filmpjes terug; herstelden

de toestand, maakten de schade ongedaan.

 

De som te maken is zo simpel als die film te keren:

de factor t hoef ik er niet uit te elimineren,

er is geen reden en geen richting voor de tijd.

 

De weg loopt hellend naar de oever,

schuift rimpelloos het grijze water in.

Hoe ik ook zoek, ik vind geen ommekeer.

 

 

 

 

Halverwege, de factor t

 

Staand voor de spiegel, is alleen

links rechts en omgekeerd. Voor

blijft voor en achter achter -

 

maar is dan de voorwaarts afgelegde weg

niet ook even lang als wat achterwaarts nog rest?

 

Niet over mijn schouder, keek ik,

ik boog en week om achteruit te kijken,

ik kronkelde om te zien wat er nog komen ging.

 

Steeds kleiner de gestalte, steeds smaller de weg.

En onooglijk de verborgen diepte,

het vermoeden van bloed en gevecht -

 

de paling die in de Carriben begint,

de zalm uit de Schotse rivier -

 

zij weten het, ja, zij weten het:

ten halve gekeerd.

 

 

 

 

 

Zeeman
Michaël Zeeman (18 september 1958 - 27 juli 2009)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver en letterkundige Ton Anbeek werd geboren in Ede op 18 september 1944. Zie ook mijn blog van 18 september 2008.

 

Uit: Remco Campert, al die dromen al die jaren

 

“Is de titel van Camperts romandebuut Het leven is vurrukkulluk (1961) ironisch? Wie zijn columns kent of denkt aan de rafelige figuur van de schrijver, zal snel geneigd zijn dat zonder meer aan te nemen. Toch geeft het boek wel degelijk aanleiding om de titel zonder grijns te lezen. ‘Het leven is vurrukkulluk’ is een uitspraak van het meisje Panda, dat vederlicht door het leven danst. Haar credo vat zij als volgt samen: ‘Geld is het allerallerbelangrijkste op de wereld. Geld en lichamelijke liefde. Ik ben blij dat ze bestaan.’ Over die lichamelijke liefde doet ze niet moeilijk. Tot ontsteltenis van de andere hoofdpersoon, Mees, vat ze verhoudingen even luchthartig op als hijzelf. Moralisten zullen Panda mogelijk zien als de mannenfantasie van een voor iedereen beschikbare beeldschone vrouw, maar je kan haar ook opvatten als de belichaming van de mentaliteit die later als typerend voor de jaren zestig zal worden beschouwd.

 

En er is meer dat in deze roman die roerige tijd aankondigt. Uitdagend wordt de jeugdcultuur tegenover de wereld van de ouderen gesteld. De grijsaard die in het boek voortdurend opduikt, windt zich buitengewoon op over de jeugd van tegenwoordig: ‘En maar giegullen [...]. Dat komt natuurlijk van het rokkenrollen en het Marie-Johanna roken.’ Zo heeft hij het ook over ‘rokkenrollende zakkenrollers.’ Hij wordt op zijn wenken bediend, want kort daarop wordt hij zonder pardon door Mees neergeslagen en door Panda van zijn centen beroofd. Het conflict tussen de generaties wordt samengevat in de volgende tirade van de retiradejuffrouw:

 

‘Viezerikken vind je overal,’ zei de juffrouw, ‘ook in boeken. Trouwens, wat is er zo mooi aan de werkelijkheid?’

‘Ik heb het niet over mooi,’ antwoordde Panda. ‘Ik zei dat de werkelijkheid levender is. Ik wil geen boeken lezen, ik wil leven.’

Met iets van afschuw in haar oude gezicht keek de retiradejuffrouw Panda aan. ‘Ajakkes, kind,’ zei ze, ‘ik dacht dat dat soort idealisme er in de veertiger jaren uitgebrand was. Moeten we het werkelijk weer allemaal opnieuw meemaken?’

 

Dus een boek dat het feest van de jaren zestig aankondigt? Zo eenvoudig ligt het niet. Panda mag dan wel een vlinder zijn, Mees zit heel wat gecompliceerder in elkaar. Hij krijgt van de schrijver een aantal treurige jeugdherinneringen mee (gescheiden ouders, de vader een Don Juan zonder scrupules) die hem niet bepaald een vrolijke kijk op het leven hebben meegegeven.”

 

 

 

Anbeek
Ton Anbeek (18 september 1944)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 20:23 Reageer op dit bericht

Samuel Johnson, Omer Karel De Laey, Jan Mens

De Britse lexicograaf, dichter, essayist en criticus Samuel Johnson werd geboren in Lichfield op 18 september 1709. Zie ook mijn blog van 18 september 2008.

 

 

The Vanity Of Human Wishes (Fragment)

 

IN IMITATION OF THE TENTH SATIRE OF JUVENAL.

 

Let observation, with extensive view,

Survey mankind, from China to Peru;

Remark each anxious toil, each eager strife,

And watch the busy scenes of crowded life;

Then say, how hope and fear, desire and hate

O'erspread with snares the clouded maze of fate,

Where wav'ring man, betray'd by vent'rous pride

To tread the dreary paths, without a guide,

As treach'rous phantoms in the mist delude,

Shuns fancied ills, or chases airy good;

How rarely reason guides the stubborn choice,

Rules the bold hand, or prompts the suppliant voice.

How nations sink, by darling schemes oppress'd,

When vengeance listens to the fool's request.

Fate wings with ev'ry wish th' afflictive dart,

Each gift of nature, and each grace of art;

With fatal heat impetuous courage glows,

With fatal sweetness elocution flows,

Impeachment stops the speaker's pow'rful breath,

And restless fire precipitates on death.

But, scarce observ'd, the knowing and the bold

Fall in the gen'ral massacre of gold;

Wide wasting pest! that rages unconfin'd,

And crowds with crimes the records of mankind;

For gold his sword the hireling ruffian draws,

For gold the hireling judge distorts the laws;

Wealth heap'd on wealth, nor truth nor safety buys,

The dangers gather as the treasures rise.

Let hist'ry tell where rival kings command,

And dubious title shakes the madded land,

When statutes glean the refuse of the sword,

How much more safe the vassal than the lord;

Low sculks the hind beneath the rage of power,

And leaves the wealthy traitor in the Tower,

Untouch'd his cottage, and his slumbers sound,

Though confiscation's vultures hover round.

 

 

 

 

 

samuel_johnson
Samuel Johnson (18 september 1709 – 13 december 1784)

Portret door Joshua Reynolds

 

 

 

 

De Vlaamse dichter, toneelschrijver en essayist Omer Karel De Laey werd geboren in Hooglede op 18 september 1876. Zie ook mijn blog van 18 september 2006 en ook mijn blog van 18 september 2008.

 

 

Fantaisie

 

Kent gij de vermaarde dichten

van den ouden Lessing niet,

die in alle dingen: Liebe und

Wein, of Wein und Liebe, ziet?

 

Trinken - van 't begin tot 't einde;

kijkt en leest: op ieder blad

is hij minstens, zonder liegen,

zes of zeven keeren zat.

 

'k Hoor u verontweerdigd roepen:

- zulke dorst is al te groot!

vader Lessing, ongetwijfeld,

vader Lessing dronk hem dood! -

 

Neen, pardon, geachte lezer,

neen! de Duitsche dichter heeft,

boven alle middenmate,

twee en vijftig jaar geleefd.

 

De uitleg hiervan is, dat Lessing

in de bekers die hij dronk,

Vele meer - het was voorzichtigst -

fantaisie dan Moezel schonk.

 

'k Ken er velen, hier te lande,

die, al spreken over wijn

of van ander zaken, zelve

Lessings... en nog erger zijn!

 

 

 

 

 

omer-karel-de-laey-dierensprookjes-gedichten
Omer Karel De Laey (18 september 1876 - 16 december 1909)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Jan Mens werd geboren in Amsterdam op 18 september 1897. Zie ook mijn blog van 18 september 2008.

 

Uit: De kleine waarheid (Televisiserie met Willeke Alberti)

 

 

Sla, tomaten en radijsjes

 

Sla, tomaten en radijsjes

Jonge erwten, jonge meisjes

Jonge veulens, jonge lammetjes in de wei

En de zon op alle daken

Op de Amstel met zijn aken

Op Jordaan en Pijp en Vondelpark en IJ

 

Sla, tomaten en radijsjes

Westertoren speel je wijsjes

Munt en Dampaleis en Montelbaan kom erbij

Vier ons biefstuk, mals en mager

Bij de grinnikende slager

Iedereen is aardig, iedereen is blij

 

Sla, tomaten en radijsjes

Overal zijn paradijsjes

Alle dagen komt een stukje geluk voorbij

Maar omdat je 't deelt met velen

Moet je 'r krijgertje mee spelen

Of 't zegt 'iene-miene-mutte, af ben jij'...



Tekst: Willy van Hemert, Muziek: Harry de Groot

 

 

 

 

MENS
Jan Mens (18 september 1897 – 31 oktober 1967)

 

Geschreven door Romenu om 20:21 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten