Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 2 september 2018 tot 3 september 2018

Dolce far niente, Gotthold Ephraim Lessing, Jacq Firmin Vogelaar, Fritz J. Raddatz, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Kiran Desai, Doğan Akhanlı

 

Dolce far niente

 

 2174664-f17cd632147743e5944ee437797ad3e9.jpg
Rustende jongen door Paul Cezanne, 1890

 

 

Die Faulheit

Fleiß und Arbeit lob’ ich nicht.
Fleiß und Arbeit lob’ ein Bauer.
Ja, der Bauer selber spricht,
Fleiß und Arbeit wird ihm sauer.
Faul zu sein, sei meine Pflicht;
Diese Pflicht ermüdet nicht.

Bruder, lass das Buch voll Staub.
Willst du länger mit ihm wachen?
Morgen bist du selber Staub!
Lass uns faul in allen Sachen,
Nur nicht faul zu Lieb’ und Wein,
Nur nicht faul zur Faulheit sein.

 

 2174664-f139d1871e74d131aebd7620e69c7f25.jpg
Gotthold Ephraim Lessing (22 januari 1729 – 15 februari 1781)
De markt in Braunschweig, de geboorteplaats van Gotthold Ephraim Lessing

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.

 

Of een slaapwandelaar slaapt?

Niet omdat het maandag is, het is bijna elke dag maandag.
Niet omdat het regent, het regent bijna altijd. Omdat je
weet dat de belangrijke handelingen die je leven veranderen
- lach niet, voordat je de hele zin gehoord hebt - meestal
buiten je om plaatsvinden (buiten je medeweten in je
eigen gebaren, woorden en bijgedachten voorbereid), beperk
je je tot het tijdrovend gemier op de vierkante millimeter.
Dus doe je maar wat je niet laten kunt slaapwandelaar, en
kijk je zonder deelnemen, met afkeer zelfs, toe (hoe:)
Het is maandag, het regent, de post heeft zojuist een
pakket bezorgd dat hij ongeopend op tafel laat liggen.
Op straat zijn twee mannen begonnen het trottoir open te
breken - je hebt niets gezien, je hoort het holle geluid
van op elkaar vallende tegels, je stelt het je voor (hoe:)
Hij verlaat het huis, zonder bagage; moet lang in de rij staan
voor het loket, bestelt een plaatsbewijs naar de stad die
hij het laatst hoort omroepen - Kopenhagen - betaalt met

een cheque. Je weet zeker dat niemand je daar zal staan
opwachten. Een grimmige herinnering van een kleine twintig
jaar geleden in je hoofd. Terwijl je een lege coupé zoekt,
besluit je de komende uren uitsluitend aan die ene dag van
die herinnering te denken om je hoofd vrij te houden van
alle andere herinneringen en voorstellingen. - Toen je
begon was je al onderweg - dat is een pijnlijke (halve)
waarheid.

 

 

Leven & zakenleven

Leven & zakenleven

't kruim & uitschot van 'n uitgaanswereld
op hun ponteneur gesteld
marmeren handvaste bustes
geteelde beeldjes van onooglike debutantes
doorknede zwetsers & gesteven zwemvesten

die 't voor 't zeggen hebben (hoor ik)

bederven op slag in 't verboden
blitzlicht van 'n vulgaire amateur-
fotograaf

(beelden ervan zijn later in 't joernaal te zien
aanleiding tot 'n gewapende opstand van ouwe adel
+ ondergeschikten)

 

 

Terugkeer

Een man bij het tuinhek. Een man die thuishoort in de
grensstreek tussen licht en donker. Het grijs staat hem:
grijze ogen, grijs haar, grijze huid. Kleuren heeft hij
achter zich. Kleuren neemt hij in zich op en hult ze in
grijze gedachten. Vermoedelijk is hij iemand die houdt
van muziek zonder begin en eind.
Als hij nog langer, besluiteloos, bij het tuinhek blijft staan
wachten, zal de wind hem hebben weggevaagd, hem bij
zijns gelijken hebben gevoegd.
Stel dat ik het ben die achter het raam op de uitkijk
staat. Het nakijken heb ik. Zijn voorkant zilvergrijs
oplichtend in de zon, zweemt zijn achterkant naar verdwijnen.
Of andersom. Nog kan de man alle kanten uit.
Als hij weggaat zal ik snel mijn jas pakken en
hem achterna hollen (er is nog zoveel dat ik hem
hoognodig moet zeggen).
Als hij komt zal ik hem opwachten, maar niet als de man die
ik verwacht, nee, ik zal zeggen dat de persoon naar wie
hij vraagt ons niet bekend is, helaas.

 

 2174664-d7cdbf175b98e7a138babf2625fe5ed3.jpg
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)

 

 

De Duitse schrijver, criticus, columnist, essayist en biograaf Fritz J. Raddatz werd geboren op 3 september 1931 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Fritz J. Raddatz op dit blog.

 

Uit: Tagebücher

„20. Mai 1982
Dann « Textanalyse » – bizarrerweise anhand von WAR UM. Dann meine Lesung, ich spürte deutlich, wie sich Muschgs Gesicht verschattete. Hochhuth , der als rührender Kumpel dabei war, meinte – wie er mir am nächsten Tag am Telefon sagte –, das auch bemerkt zu haben ; da er wie alle Dramatiker das Böse im Menschen sieht und betont, meinte er nur: « Neid. » Wie immer – und das Abendessen in seinem ganz und gar gräßlichen, kleinstbürgerlichen Hause – Madame kredenzte mit einer Küchenschürze uns etwas Unbeschreibliches, was sie sehr lobte, dazu gab es süßen Wein, der dafür schön warm und wenig war – blieb eher verhangen im Gespräch, so daß ich gegen 23 Uhr verschwand. Den Abend zuvor, mit Hochhuth draußen in Paul Wunderlichs Lithoanstalt, so 80 km vor Zürich, weil dorten nemmlich Junterchen am Drucken war, und wir wollten in dem attachierten (SEHR guten) Gasthofe zusammen essen. Taten wir auch, und es war eigentlich ein netter Abend, nur daß Grass nicht aufhören wollte zu trinken (was mir neuerdings nicht mehr bekommt) und auch ganz herrschaftlich sagte (auf mein : « Ich möchte den Fahrer nicht so lange warten lassen ») : « Chauffeure sind das gewohnt. » Hm.

Kampen, den 28. Mai 1982
Was für eine sonderbare Woche wieder hinter mir liegt. Hier sitze ich nun in meinem geliebten Handschuhfach in Kampen, brennende Ginsterbüsche begrüßten mich, unvorstellbar schön,
die Bude renoviert, gereinigt, alles OK – eine neue Hausbesorgerin, selbst einen Masseur für/gegen meinen schlimmen Rükken scheine ich gefunden zu haben, perfektes Sylt-Wetter mit
Sonne, kühlendem Wind, jagenden Wolken, zum Abendessen von der Gänseleber mit frischen Feigen über den Spargel bis zur frischen roten Grütze ein « Dinner » ; und trotzdem bin ich
innen ganz kaputt. Ob meine Energie, die ich nicht recht loswerde, sich gegen mich selber richtet, mich sozusagen aushöhlt ?
Diese monologische Situation, die mich – der ich ja sehr auf Gespräche angelegt bin ; schon mein Kindermädchen brach in Tränen aus über mein « Geplapper » – zerstört ? Ich weiß es nicht – ich merke nur einen regelrechten physischen Verfall, weiche Knie, unsicheren Schritt, ständige kleine « Schrammen » und Beulen am Auto (ich bin in einem Zustand, daß ich eigentlich überhaupt nicht fahren dürfte), das rasende Kopfweh Tag und Nacht IST irgendwas und wird durch Massagen allein nicht weggehen.“

 

 2174664-59dc71c13449160d3c91a67d9875e5b0.JPG
Fritz J. Raddatz (3 september 1931 – 26 februari 2015)

 

 

De Uruguayaanse schrijver, essayist en journalist Eduardo Hughes Galeano werd geboren op 3 september 1940 in Montevideo. Zie ook alle tags voor Eduardo Galeano op dit blog.

Uit: Days and Nights of Love and War (Vertaald door Judith Brister)

« In the torture chambers the torturers eat lunch in front of their victims. Children are interrogated as to the whereabouts of their parents: the parents are strung up and given electric shocks so they will reveal the location of their children. Daily news item: "Individuals in civilian attire, faces covered by black hoods ... They arrived in four Ford Falcons ... They were all heavily armed, with pistols, machine guns, and Itakas ... The first police arrived an hour after the killings." Prisoners, pulled out ofjail, die "attempt-ing to escape" in battles in which the army reports neither wounded nor killed on its side. Black humor in Buenos Aires: "Argentines," they say, "can be divided into the terrorized, the imprisoned, the buried, and the exiled." The death penalty was incorporated into the Penal Code in mid-1976, but each day people are killed in this country with benefit of neither trials nor tences. The majority are deaths without bodies. The Chilean dictator-ship has wasted no time in imitating this successful procedure. A single execution can unleash an international scandal: for thousands of disap-peared people, there is always the benefit of the doubt. As in Guatemala, frien ds and relatives make the useless, dangerous pilgrimage from prison to prison, from barracks to barracks, while the bodies rot in the bushes or dumps. The technique of the "disappeared": there are no prisoners to claim nor martyrs to mourn. The earth devours the people and the government washes its hands. There are no crimes to denounce nor explanations to give. Each death dies over and over again until, finally, the only thing your soul retains is a mist of horror and uncertainty.
But Guatemala was the first Latin American laboratory in which the "dirtywar" was carried out on a large scale. Men trained, guided, and armed by the United States implemented the extermination plan. The year 1967 was a long St. Bartholomew's Day massacre.' The violence had begun in Guatemala ),tars before, when, one late afternoon in June 1954, Castillo Armas' P-47s had filled the sky. Later the land was returned to the United Fruit Company and a new Petroleum Law, translated from the English, was passed. In Argentina, the Triple A (Argentine Anticommunist Alliance) made its public debut in 1973."

 

 2174664-ad96c27c2adac588305b085d3e67407e.jpg
Eduardo Galeano (3 september 1940 – 13 april 2015) 

 

 

De Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Alison Lurie werd geboren op 3 september 1926 in Chicago, Illinois. Zie ook alle tags voor Alison Lurie op dit blog.

Uit: Foreign Affairs

“Twenty minutes ago, while waiting in the departure lounge in a cheerful mood, Vinnie read in a magazine of national circulation a scornful and disparaging reference to her life’s work. Projects such as hers, the article stated, are a prime example of the waste of public funds, the proliferation of petty and useless scholarship, and the general weakness and folly of the humanities in America today. Do we really need a scholarly study of playground doggerel? inquired the writer, one L. D. Zimmern, a professor of English at Columbia. No doubt Mr. or Ms. Miner would answer this query by assuring us of the social, historical, or literary value of “Ring-around-a-rosy,” he continued, sawing through the supports of any possible answer; but he, for one, was not convinced.
What makes this unprovoked attack especially hideous is that for over thirty years the Atlantic has been Vinnie’s favorite magazine.
Though she was raised in the suburbs of New York and teaches at an upstate university, her imaginative loyalties are to New England. She has often thought that American culture took a long downward step when its hegemony passed from Boston to New York in the late nineteenth century; and it has been a comfort to her that the Atlantic continues to be edited from Back Bay. When she pictures her work receiving general public recognition, it is to this magazine that she awards the honor of discovery. She has fantasized the process often: the initial letter of inquiry, the respectfully eager manner of the interviewer, the title of the finished essay; the moment when her colleagues at Corinth University and elsewhere will open the magazine and see her name printed on its glossy pages in its characteristic and elegant typeface. (Vinnie’s ambition, though steady and ardent, is comparatively modest: it hasn’t occurred to her that her name might be printed upon the cover of the Atlantic.) She has imagined all that will follow: the sudden delighted smiles of her friends; the graceless grins of those who are not her friends and have undervalued both her and her subject. The latter group, alas, will be much more numerous.
For the truth is that children’s literature is a poor relation in her department—indeed, in most English departments: a stepdaughter grudgingly tolerated because, as in the old tales, her words are glittering jewels of a sort that attract large if not equally brilliant masses of undergraduates. Within the departmental family she sits in the chimney-corner, while her idle, ugly siblings dine at the chairman’s table—though, to judge by enrollment figures, many of them must spout toads and lizards.”

 

 2174664-117b3415df052faa78caeac3c69d4df8.jpg
Alison Lurie (Chigaco, 3 september 1926)
Cover

 

 

De Russische schrijver Sergej Dovlatov werd geboren op 3 september 1941 in Ufa, in het zuiden van Rusland. Zie ook alle tags voor Sergej Dovlatov op dit blog.

Uit: Pushkin Hills (Vertaald door Katherine Dovlatov)

“These are just words. Never-ending, beautiful words... I’ve had enough... I have a child for whom I’m responsible...”
“I have a child, too.”
“Whom you ignore for months on end. We are strangers to you...” (In conversations with women there is one painful moment. You use facts, reasoning, arguments, you appeal to logic and common sense. And then suddenly you discover that she cannot stand the very sound of your voice...) “Intentionally,” I said, “I never did any harm...”
I sat down on a sloping bench, pulled out a pen and a piece of paper, and a minute later scribbled down:

My darling, I’m in Pushkin Hills now,
Monotony and boredom without a switch,
I wander through the grounds like a bitch,
And fear is wracking my very soul!

And so on.
My verses had somewhat preceded reality. We still had about a hundred kilometres to Pushkin Hills.
I stopped by a convenience store and bought an envelope that had Magellan’s portrait on it. And asked, for some reason:
“Do you know what Magellan has to do with anything?”
The sales clerk replied pensively:
“Maybe he died... Or got decorated...”
I licked the stamp, sealed the envelope and dropped it in the mailbox...
At six we reached the tourist centre. Before that there were hills, a river, the sweeping horizon with a jagged trim of forest. All in all, a typical Russian landscape without excess. Just those ordinary features that evoke an inexplicably bittersweet feeling."

 

 2174664-e48e2cacbcf8a0cda93a7ce7c2770107.jpg
Sergej Dovlatov (3 september 1941 – 24 augustus 1990)
Cover 

 

 

De Indische schrijfster Kiran Desai werd geboren op 3 september 1971 in New Dehli. Zie ook alle tags voor Kiran Desai op dit blog.

Uit: The Inheritance of Loss

“They had come for the judge’s hunting rifles.
Despite their mission and their clothes, they were unconvincing. The oldest of them looked under twenty, and at one yelp from Mutt, they screamed like a bunch of schoolgirls, retreated down the steps to cower behind the bushes blurred by mist. “Does she bite, Uncle? My God!”— shivering there in their camouflage.
Mutt began to do what she always did when she met strangers: she turned a furiously wagging bottom to the intruders and looked around from behind, smiling, conveying both shyness and hope.
Hating to see her degrade herself thus, the judge reached for her, whereupon she buried her nose in his arms.
The boys came back up the steps, embarrassed, and the judge be­came conscious of the fact that this embarrassment was dangerous for had the boys projected unwavering confidence, they might have been less in­clined to flex their muscles.
The one with the rifle said something the judge could not understand.
“No Nepali?” he spat, his lips sneering to show what he thought of that, but he continued in Hindi. “Guns?”
“We have no guns here.”
“Get them.”
“You must be misinformed.”
“Never mind with all this nakhra. Get them.”
“I order you,” said the judge, “to leave my property at once.” “Bring the weapons.”
“I will call the police.”
This was a ridiculous threat as there was no telephone.
They laughed a movie laugh, and then, also as if in a movie, the boy with the rifle pointed his gun at Mutt. “Go on, get them, or we will kill the dog first and you second, cook third, ladies last,” he said, smiling at Sai.
“I’ll get them,” she said in terror and overturned the tea tray as she went.
The judge sat with Mutt in his lap.
The guns dated from his days in the Indian Civil Service. A BSA five-shot barrel pump gun, a .30 Spring­field rifle, and a double-barreled rifle, Holland & Holland. They weren’t even locked away: they were mounted at the end of the hall above a dusty row of painted green and brown duck decoys.
“Chtch, all rusted. Why don’t you take care of them?” But they were pleased and their bravado bloomed. “We will join you for tea.”


 2174664-f72ba9fbb9cca0d1a82b63e00f1082fb.jpg
Kiran Desai (New Dehli, 3 september 1971)
Cover

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Turks-Duitse schrijver Doğan Akhanlı werd geboren in 1957 in Şavşat in de provincie Artvin in het noordoosten van Turkije. Zie ook alle tags voor Doğan Akhanlı op dit blog.

Uit: Mein Vater nannte mich “Ford”

„In meinem Geburtsdorf auf der türkischen Seite der georgischen Grenze, hatte Mitte der 1960er Jahre jeder Mensch einen Spitznamen. Ich hatte mehrere: Meine Geschwister nannten mich „Pot“, die Dorfkinder „Schmetterling“ („Pepela“ georgisch) oder „Eichhörnchen“ („Tatarzena“ polnisch) und für meinen Vater war ich nur „Ford.“ Sehr gerne hätte ich ihn gefragt, warum er mich „Ford“ nannte.
Vermutlich besuchte ich gerade die Dorfgrundschule, als die Auswanderung in die Fremde, gurbet, begann. Mein Vater war der erste und lange Zeit der einzige Lehrer im Dorf. Außer ihm lebte noch ein Erzieher in unserem Dorf, der während seines Militärdienstes Lesen, Schreiben und etwas Mathe gelernt hatte. Dieser war für die erste Klasse zuständig. Mein Vater unterrichtete vier Klassen in einem einzigen Klassenraum, eine Art Montessoripädagogik gemäß dem Motto „Hilf mir, es selbst zu tun“. Allerdings gab es unter den damaligen Bedingungen sowieso weder Platz noch Mittel für eine andere Pädagogik: Wir hatten lediglich ein Heft zum Schreiben, ein anderes für Mathe, einen Bleistift und einen Radiergummi dazu.
Gemäß der Staatsdoktrin sollte der Lehrer uns die fortgeschrittene, zivilisierte westliche Welt nahebringen. Und da Frankreich als Land der Hochkultur galt, sollte Französisch die schönste Sprache, Paris die schönste Stadt und Viktor Hugo der beste Schriftsteller sein. Rückblickend würde ich behaupten, dass es dem Lehrer immerhin gelang, uns den „Glöckner von Notre-Dame“, der Esmeralda zu Kirchenasyl verhalf, so berauschend wiederzugeben, dass ich als kleiner Junge bei Nacht den Eiffelturm vor Augen hatte und bei Tag Notre- Dame und die Seine, wie sie zwischen Häusern, Bäumen und Feldern dahinströmte.
Deutschland tauchte in den Erzählungen immer dann auf, wenn es um „Ehrlichkeit“, Fleiß“, „Zuverlässigkeit“ und „technischen Fortschritt“ ging.“

 

 2174664-b406b3f60b4dfae9033491d4803d1354.jpg

Doğan Akhanlı (Şavşat, 1957)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 september 2017.

Geschreven door Romenu om 18:37 Reageer op dit bericht

Alex Gutteling

De Nederlandse dichter en criticus Henricus Zacharias Alexander (Alex) Gutteling werd geboren in Bondowoso op Java op 3 september 1884. Gutteling debuteerde in 1906 met “Een jeugd van liefde”. Zijn bundel “Doorgloeide wolken” verscheen postuum in 1911. In 1912 verscheen eveneens postuum Guttelings vertaling van Paradise Lost van de Engelse dichter John Milton. Gutteling studeerde rechten te Amsterdam, maar onderbrak de studie wegens ziekte (tuberculose). Hij werd samen met Maurits Uyldert beschouwd als de meest trouwe volgeling van Albert Verwey. Vanaf de oprichting in 1905 werkte hij mee aan Verweys tijdschrift De Beweging met gedichten, kritieken en essays.

 

Ik wil mijn dromen tot een toren bouwen

Ik wil mijn dromen tot een toren bouwen
Van blank ivoor, met rode en gouden lijnen
Zal ik in 't wit de fabelen doen schijnen
Dat ieder zo mijn leven kan doorschouwen.

De vredige pastoralen en de gaarden
Met vreemd-vervlochten bloemen, en de afgronden
Van dood en vlammengloed, met juichemonden
De englen in schitterende rei geschaarde;

En 's nachts, wanneer mijn Teken op de rotsen
In 't maanlicht blinkt boven de woelige zeeën
En een schip nadert van een vreemde kust,

Schijnt het de stuurman boven 't golvenklotsen
Neergedaalde Godin van hemelreeën
Zoete verkondigster van liefde en lust.

 

 

De mattenklopper

Er is een schoonheid in 't armoedigst kleine,
Die zich in stilste droom slechts openbaart.
Gelijk somtijds een zwerver eenzaam staart
Naar een Moors venster, sierlijk rijk van lijnen,
Zo boeit dit nietig ding betoovrend mijne
Ontroerde blik: hoe speels en toch hoe klaar 't
Riet zich verwindt en tot een steel zich paart:
Geringde palmenstam in blonde schijnen!

Was het een kunstnaar die voor 't eerst verzon
Zo tot een kroon, een arabesk, te spreiden
Lichte en veerkrachtge stengels, guld in zon?
Of is elk ding dat zorgvol en bescheiden
De mens goed voor zijn doel vervaardgen kon,
Schoon geen 't vermoedt, Schoonheid voor alle tijden?

 

 2224662-3ace4c82a446fa120344bce49d3e8f31.jpg
Alex Gutteling (3 september 1884 - 12 november 1910)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Willem de Mérode, Eric de Kuyper, R.A. Basart, Fuminori Nakamura, Chris Kuzneski, Johan Daisne, Robert Habeck, Pierre Huyskens

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog

 

De verloren zoon

 

Het vertrek

De paarden laten draven langs de straat,
Den rauwen praat van 't ruige volk te hooren,
De zwaarte schatten van het rijpend koren,
En 't vee betasten naar zijn waarde en staat,

Het spotten met den schommelenden gang
Der vrouwen; en het drentlen van een vrijster
Des avonds volgen, en, zijn zinnen bijster,
Haar tartend woord te honen met gezang,

Het is genoeg geweest, mijn jonge leven
Is weeld'rig als een paard in 't klaverveld,
Dat dartel aan den vanger durft weerstreven
En in galop den snellen toom ontsnelt.

Nu wijk ik uit om zelf mijn weg te zoeken,
Vader en moeder, 'k wil u geen verdriet,
't Geluk verfijnt, de nood zal mij verkloeken;
En 'k ben een man, als gij mij wederziet.

 

 

De stad

Hoe heerlijk is het doelloos dwalen
In vreemde stad, met vreemde liên,
En gretig naar zich toe te halen
Alles wat de oogen kostlijks zien.

Als op den hof het vochte ronken
Van 't vee den slaap kruidt van 't gezin,
Verlokt hier het begeerlijk pronken
Van aller vreugden aanbegin.

In stille steeg, op drukke pleinen,
Alom een lachen dat verwart,
En rakelings en roekloos schijnen
Oogen langs mijn verlangend hart.

Ik hoef mijn handen niet te strekken,
Ze zijn gestreeld en vastgeklampt,
En als ik stug terug wil trekken,
Hoor ik een stem die om mij kampt.

'k Beloofde: nood zal mij verkloeken!
Ach, jeugd speelt graag met woorden groot,
Want wie ging voor zoo zoet verzoeken
Niet graag gewillig in den dood?

 

 

Overpeinzing

Mijn hoofd verdoft een priklend suizen.
Een pijn doorgluipt mij en verspet!
En dan is 't, of God al de sluizen
Van 't gloeiend bloed wijd open zet.

Ik waggel angstig langs de straten
En bloos bij ieders blik, en voel
Me opeens van God en mensch verlaten,
En zonder plicht en zonder doel.

En 's avonds, na onmatig drinken,
Als driest de roes woelt door mij heen,
Gaat langzaam alles mij ontzinken.
O, ik ben overal alleen!

En 'k weet, mijn ouders, diep gebogen,
Bidden voor mij; een rimpel trekt
Tusschen mijn broeders woedende oogen.
Maar God houdt zijn gelaat bedekt.

 

 2174379-3c432723706030f47269c824459c0992.jpg
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

 

 

De Belgisch schrijver, filmregisseur, filmtheoreticus Eric de Kuyper werd geboren in Brussel, op 2 september 1942. Zie ook alle tags voor Eric de Kuyper op dit blog.

Uit: Naar aanleiding van ‘Teorema’ van Pasolini

“Dit eerste deel van de film verloopt op de summiere manier waarop het hier is beschreven. Er worden geen verklaringen gegeven: waarom komt die student daar? wie is hij? waarom moet hij ineens weer weg? Wel zijn er enkele bindmotieven, die echter ook weer gereduceerd worden tot ‘tekens’. Ieder personage heeft het zijne. De zoon, die later ook schilder zal worden, wordt aan de jongen gekoppeld door reprodukties van Francis Bacon. De dochter neemt foto's van de jongen en dit vormt een link met de proloog, waar een van haar vriendjes een foto van haar vader onder ogen krijgt; als de jongen weg is, bekijkt ze de foto's die ze van hem genomen heeft12. De moeder zoekt contact via een sensuele omgang met de kleren van de jongen (evenmin als in andere gevallen kan men hier van ‘fetisjisme’ spreken: daarvoor is het bind-voorwerp te sterk geabstraheerd, heeft het teveel de functie van een dramatische link). Het dienstmeisje realiseert het contact in haar dienstvaardigheid. Zij bezit niets, beschikt alleen over zichzelf, kan alleen dienst bewijzen: haar eerste seksueel contact met de jongen bestaat erin dat zij de as wegveegt die op zijn gulp is gevallen; bij het afscheid helpt zij hem met zijn koffer; later ziet zij zichzelf als de ‘Dienstmaagd des Heren’. De verhouding van de vader is de meest complexe: zijn theoretisch sociaal-humanisme, dat aanvankelijk slechts een literair citaat is à la Tolstoi, wordt in werkelijkheid omgezet wanneer hij zijn fabriek aan zijn arbeiders overdraagt en zelf in de ‘woestijn’ gaat zwerven.
In het tweede deel van de film wordt de rechtlijnigheid van het eerste deel verbrokkeld in een reeks korte sekwensen, die telkens laten zien hoe ieder afzonderlijk na het vertrek van de jongen verder tracht te leven. De meid gaat terug naar haar volks milieu en wordt een volksheilige. De dochter vervalt in een toestand van katatonie: zij wil het ongrijpbaar afwezige vast blijven houden. De zoon zet zich aan het schilderen, tracht het beeld van de afwezige te vatten in kleuren en lijnen. De moeder tracht de afwezige te vervangen in de seksuele ervaringen welke zij gaat verzamelen. De vader weet zijn homoseksualiteit bevestigd, kleedt zich uit, schenkt zijn bezit weg en verdwijnt in de woestijn. Het beeld waarmee de film begon en dat als een leitmotiv telkens terugkeerde, besluit de film ook.”

 

 2174379-2d5e277d869064249eeb2f78188838f5.jpg
Eric de Kuyper (Brussel, 2 september 1942)
Scene uit de film “Teorema” (1968) met Terence Stamp als de bezoeker 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver R.A. Basart werd op 2 september 1946 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor R. A. Basart op dit blog.

 

Samen oud

Mijn vrouw smeert kachelglans op haar kale kop
Terwijl ik dus een pijpjen smook.
‘Ben ik zo mooi?’ vraagt zij. Ik richt me op
En sla haar zachtjes met de kachelpook:

‘Wat heet! Jij ouwe trouwe kalkedot!’
Ze lacht gevleid, aait een der twin-
Tig katten... zo gezellig... tot-
Dat een witte wagen loeiend in

De straat verschijnt. Achter mijn gade
Ren ik gebukt naar het kozijn:
‘Het licht uit! Op de barrikade!’
‘Rood front!’ roept zij, en grijpt haar karabijn.

 

 

Je oma

We schreven maart maar 't was
allang april of later: Lieve klein-
zoon dit is voor je zwemdiploma
Cigaretten jenever en wilde

vrouwen kon ik niet kopen
daarom een damspel op de groei
Hier staan de keukenstoelen weer in bloei
Zijn er stenen zoek dan neem je knopen.

 

 2174379-eb27ede339a838dbdb677c1d3a8b62a0.jpg
R.A. Basart (Amsterdam, 2 september 1946)

 

 

De Japanse schrijver Fuminori Nakamura werd geboren op 2 september 1977 in Tōkai. Zie ook alle tags voor Fuminori Nakamura op dit blog.

Uit: The Thief (Vertaald door Satoko Izumo en Stephen Coates)

“Little by little I breathed out, conscious of my temperature rising even more. I checked my surroundings, only my eyes moving. My fingers still held the tension of touching a forbidden object, the numbness of entering someone's personal space. A trickle of sweat ran down my back. I took out my cell phone and pretended to check my email as I walked away.
I went back to the ticket gate and down the gray stairs towards the Marunouchi line. Suddenly one of my eyes blurred, and all the people moving around me seemed to shimmer, their silhouettes distorted. When I reached the platform I spotted a man in a black suit out of the corner of my eye. I located his wallet by the slight bulge in the right back pocket of his trousers.
From his appearance and demeanor I judged him to be a successful male companion at a ladies-only club. He was looking quizzically at his phone, his slender fingers moving busily over the keys. I got on the train with him, reading the flow of the crowd, and positioned myself behind him in the muggy carriage. When humans' nerves detect big and small stimuli at the same time, they ignore the smaller one. On this section of track there are two large curves where the train shakes violently. The office worker behind me was reading an evening paper, folded up small, and the two middle-aged women on my right were gossiping about someone and laughing raucously. The only one who wasn't simply traveling was me. I turned the back of my hand towards the man and took hold of his wallet with two fingers. The other passengers formed a wall around me on two sides. Two threads at the corner of his pocket were frayed and twisted, forming elegant spirals like snakes. As the train swayed I pushed my chest close to him as though leaning against his back and then pulled the wallet out vertically. The tight pressure inside me leaked into the air, I breathed out and a reassuring warmth flowed through my body. Without moving I checked the atmosphere in the carriage, but nothing seemed out of order. There was no way I would make a mistake in a simple job like this. At the next station I got off and walked away, hunching my shoulders like someone feeling the cold.
I joined the stream of weary people and went through the barrier. Looking at the fifteen or so average men and women gathered at the entrance to the station, I figured there was about two hundred thousand yen among them. I strolled off, lighting a cigarette. Behind a power pole to my left I saw a man check the contents of his wallet in full view and put it in the right pocket of his white down jacket. His cuffs were dark with stains, his sneakers worn and only the fabric of his jeans was good quality.”

 

 2174379-783b0ac4ce4003ad9861c97e1095d0c2.jpg
Fuminori Nakamura (Tōkai, 2 september 1977)

 

 

De Amerikaanse schrijver Chris Kuzneski werd geboren op 2 september 1969 in Indiana, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Chris Kuzneski op dit blog.

Uit: The Prisoner's Gold

“Metal creaked and groaned, startling Rustichello da Pisa from his restless sleep. Even in the fog of slumber, he knew the horrific sound of a cell door opening. Anytime he heard it, he would snap awake to the pounding in his chest—even after all these years.
His senses on full alert, he strained to hear every rustle and scrape on the other side of the wall. He knew the Genoese guards were returning his neighbor after yet another round of torture. With any luck, they were done for the day and wouldn’t be coming for him next.
He would find out soon enough.
The uniformed guards moved into the adjacent cell and dumped their day’s entertainment on the floor with a wet splat. Then they quickly closed the door behind them and left without a word. Only then did Rustichello let out the breath that he had been holding.
He didn’t move until he heard the guards’ heavy footsteps recede down the dark corridor. He always did his best to avoid their notice, unless they were coming for him.
On those occasions there was nothing to do but submit. He was too weak and frail to fight them anymore.
There was no sense in making them mad.
He slowly stood from the loose straw on the floor that served as his bed and brushed away the pieces that were tangled in his hair.
Then he slipped a hand into his ragged linen trousers and scratched at the fungal infection on the right side of his groin. Thanks to the humid air in the city of Genoa, everything in the dungeon was damp. The walls, the ceiling, the floor, his clothes. Molds and lichens grew over every surface of his cell. Some patches were so large that they looked like broccoli.
On the bright side, at least he hadn’t started eating them.
Or naming them.
Confident that the guards were gone, he moved over to the wall and peered through the small window into the next cell.
It was little more than a missing stone that had been dug out by a previous occupant, but the rectangular gap served a monumental purpose. Rustichello and his neighbor used the empty space to chat, to pass the long hours well into the night. »

 

 2174379-070df0f8b28bb7bea34b4510a6112fdd.jpg
Chris Kuzneski (Indiana, 2 september 1969)

 

 

De Belgische dichter en schrijver Johan Daisne werd op 2 september 1912 in Gent geboren als Hermanus Thiery. Zie ook alle tags voor Johan Daisne op dit blog.

 

Bedtime-boutade

Wanneer Professor slapen gaat rond den elven,
Is hij gewis en zeer ten rechte moe:
Den heelen dag in Plinius zitten delven,
En dan studenten - deksels - nog aan toe!

Hetzelfde geldt voor Celestijn van 't hoekje,
Die druppeltjes verkoopen moest en dronk;
Voor doppers die rij-schoven met hun boekje,
En voor des pasters meid die 't zilver blonk.

En verder voor de wroeters uit gewelven,
Barbieren, beelaars, clowns en Miss Turkij,
En dan ten slotte nog voor Hoogstdezelve,
Die heel den godschen dag moest koning-zijn.

Die allen gaan terecht vermoeid dus slapen,
(Toch niet zóó moe dat 't hen niet slapen doet),
Bedanken God gelijk rechtschapen schapen,
En droomen (zoo ze droomen) droomen zoet.

Helaas - zooveel valt niet elkeen ten deele!
Er zijn er (‘manekijkers’ noemt men hen)
Waarvan de nacht niet sluit d'ontstoken scheelen,
Maar tranen afperst in een stompe pen.

Zij delven - dwazen - in hun ‘vrije’ uren
Naar een gewijd geheim dat duur zich wreekt,
Ontvangen gratis 't oordeel van hun buren,
Terwijl hun eigen geest hun hart doorsteekt.

Geven hun geld, laten zich handicappen,
Riskeeren 't àl, hebben bij vrouwen pech,
Geven hun haar en ziel, tellen geen klappen, -
Kortom: zijn duts èn held. En slapen slecht.

 

 2174379-f6d60087d3158b9ebe8bca6ac8c67ca0.jpg
Johan Daisne (2 september 1912 – 9 augustus 1978)
Cover

 

 

De Duitse schrijver en politicus Robert Habeck werd geboren op 2 september 1969 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Robert Habeck op dit blog.

Uit: Der Schrei der Hyänen (Samen met Andrea Paluch)

»Hör auf, Frank, sonst verlieren wir beide.«
Arabella hatte schon einmal ein Kalb, das nicht rauswollte, in der Kuh zersägt, um die Mutter zu retten.
»Miststück.« Frank schlug härter zu, und der Sambjok öffnete den Rücken. Die Kuh brüllte, kam aber nicht auf die Beine. Die Lampe schwankte. Der Schnitt franste durch das Blut aus, die Ränder der Wunde kräuselten sich.
»Nicht, Frank«, versuchte es Arabella erneut. Aber sie wußte, daß es keinen Sinn hatte. Zusammen mit anderen ehemaligen Schutztrupplern fuhr Frank jedes Jahr auf eine der Guanoinseln vor der Lüderitzbucht und erschlug dort Pelzrobben, um sich auszutoben.
»Verdammte Niggerkuh«, schrie er. Arabella sah die Wirbel des Rückgrats durch das offene Fleisch und wandte den Blick in das Gesicht der Kuh. Die großen Augen glotzten feucht. Arabella scheuchte die Fliegen weg, die dick und grün im Tränensekret saßen. Die Kuh bekam wieder Wehen, litt aber zu sehr, um schreien zu können. Frank hieb besinnungslos auf das Tier ein. Sie würde am nächsten Tag zusätzlich zum Gnu nun auch noch eine Kuh verarbeiten müssen.
Vor dem Haus bellte Troja, die Hyänen mußten ganz nah sein. Arabella überlegte, ob sie ein Gewehr holen sollte. Hier konnte sie sowieso nichts mehr tun. Dann wälzte sich die Kuh im Sterben auf die andere Seite und gab das Kälbchen frei. Arabella ließ den Strick los, und Frank hörte auf zu schlagen. Wortlos traten beide hinter das tote Tier, packten jeder einen Huf und zogen gleichzeitig. Das Kalb bewegte sich nur wenige Zentimeter, der Kopf blieb ohne die Unterstützung der Preßwehen im Leib. Arabella zwängte ihren Arm in den Uterus des toten Tieres. »Die Nabelschnur hält es«, sagte sie in das nasse Fell. Sie sah nicht, was Frank machte. Sie hörte ihn nur schwer atmen. Aber sie wußte, daß die Zeit gegen das Kalb lief. Sie packte die glitschige Nabelschnur und bohrte ihren Daumen mit aller Kraft durch das breiige Gewebe, bis der Nabelstrang riß. Als sie ihren Arm aus der Kuh zog, war er voll Blut und Schleim.“

 

 2174379-08df054acf5f133efeaf81a1d6f64a5a.jpg
Robert Habeck (Lübeck, 2 september 1969) 

 

 

De Nederlandse journalist en schrijver Pierre Huyskens werd geboren op 2 september 1931 in Wessem. Zie ook alle tags voor Pierre Huyskens op dit blog.

 

Alternatief Limburgs Volkslied

Wo ’t opgaond eikehout,
Geveldj mit de moterzaêg,
Nooit meer ziene sjone sjeem
Kan spreie euver de waêg;
Wo de herder eine brommer haet
En zien sjaöpkes dreug:
Dao is mien vaderlandj,
Nooit waer ich ’t meug.

Wo ’t water van de Maas
Zjwaor vergiftigd is,
En de ves-sjtandj, ooit zo riek,
Ter dood veroordeild is;
Wo chemie, waat helder waas,
Alles haet verkleurd:
Dao is mien vaderlandj,
Höbt geer ’t good geheurd?

Wo onger de peut van ’t vee
De weije zeen ontgrindj,
En de plek verbaggerd is
Wo ich sjpeelde es kindj;
Wo de koel gein koal meer guf,
De kompel is Marokkaan:
Dao is mien vaderlandj,
Kom d’r mich neet aan!

Wo de zjwalg vertrokke is,
De leeuw’rik neet meer zingkt,
Wo de jaeger gein fazant
Mit nao hoes toe bringt;
Wo nog waal oos kienjer-sjat
Hoog in aanzeen sjteit:
Dao is mien vaderlandj,
Det nooit verlaore geit.

Wo kaploan op trouwe sjteit,
Pesjtoor sjteeds aajer weurd;
Begienkes loupe in mini-kleid,
En nörges wierook geurt;
Wo de swies gein wèrk meer haet,
’t gelouf zien kleur verluus:
Dao is mien vaderlandj,
Det blief ’t nondedjuus!

Wo ’t staedje van plezeer,
Väol pliesse haet,
Wo ’t Vriethof is verpes,
Servaes auch nieks meer zaet;
Wo allein de Carnaval
Egaal gebleve is:
Dao is mien vaderlandj:
Ein belaevenis!

 

 2174379-42d10aa41ca4f82f04100fa7389ee73c.jpg
Pierre Huyskens (2 september 1931 – 19 november 2008)
Limburg: de Maas bij kasteel de Keverberg in Kessel

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 14:26 Reageer op dit bericht

Joseph Roth, Manfred Böckl, Johann Georg Jacobi, Paul Bourget, Paul Déroulède, Giovanni Verga, Richard Voß

De Oostenrijks – Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth werd geboren op 2 september 1894 in Brody in Galicië. Zie ook alle tags voor Joseph Roth op dit blog.

Uit: Die Kapuzinergruft

„Die Gnade des Kaisers erstreckte sich noch auf seinen Sohn, der Bezirkshauptmann wurde, und auf den Enkel, der als Leutnant der Jäger im Herbst 1914 in der Schlacht bei Krasne-Busk gefallen ist. Ich habe ihn niemals gesehn, wie überhaupt keinen von dem geadelten Zweig unseres Geschlechts. Die geadelten Trotts waren fromm-ergebene Diener Franz Josephs geworden. Mein Vater aber war ein Rebell. Er war ein Rebell und ein Patriot, mein Vater — eine Spezies, die es nur im alten Österreich-Ungarn gegeben hat. Er wollte das Reich reformieren und Habsburg retten. Er begriff den Sinn der österreichischen Monarchie zu gut. Er wurde also verdächtig und mußte fliehen. Er ging, n jungen Jahren, nach Amerika. Er war Chemiker von 3eruf. Man brauchte damals Leute seiner Art in den groß-trüg wachsenden Farbenfabriken von New York und 2hilcago. Solange cr arm gewesen war, hatte cr wohl nur rleirnweh nach Korn gefiihlt. Als cr aber endlich reich ;eworden war, begann er, Heimweh nach Österreich zu üblen. Er kehrte zurück. Er siedelte sich in Wien an. Er iatte Geld, und die österreichische Polizei liebte Men-atm, die Geld haben. Mein Vater blieb nicht nur unbe-teiligt. Er begann sogar, eine neue slowenische Partei zu ründen, und er kaufte zwei Zeitungen in Agram. Er gewann einflußreiche Freunde aus der näheren Um-tebuns' des Erzherzog Thronfolders Franz Ferdinand.
Mein Vater träumte von einem slawischen Königreich unter der Herrschaft der Habsburger. Er träumte von einer Monarchie der Österreicher, Ungarn und Slawen. Und mir, der ich sein Sohn bin, möge es an dieser Stelle gestattet sein, zu sagen, daß ich mir einbilde, mein Vater hätte vielleicht den Gang der Geschichte verändern können, wenn cr länger gelebt hätte. Aber cr starb, etwa anderthalb Jahre vor der Ermordung Franz Ferdinands. Ich bin sein einziger Sohn. In seinem Testament hatte er mich zum Erben seiner Ideen bestimmt Nicht umsonst hatte er mich auf den Namen Franz Ferdinand taufen lassen. Aber ich war damals jung und töricht, um nicht zu sagen: leichtsinnig. Leichtfertig war ich auf jeden Fall. Ich lebte damals, wie man so sagt: in den Tag hinein. Nein! Dies ist falsch: ich lebte in die Nacht hinein; ich schlief in den Tag hinein.“
Eines Morgens aber — es war im April des Jahres 1913 —meldete man mir, dem noch Verschlafenen, erst zwei Stunden vorher Heimgekehrten, den Besuch eines Vet-ters, eines Herrn Trutta. Im Schlafrock und in Pantoffeln ging ich ins Vorzim-mer. Die Fenster waren weit offen. Die morgendlichen Amseln in unserem Garten flöteten fleißig. Die frühe Son-ne durchflutete fröhlich das Zimmer. Unser Dienstmäd-chen, das ich bislang noch niemals so früh am Morgen gesehen hatte, erschien mir in ihrer blauen Schürze fremd —denn ich kannte sie nur als ein junges Wesen, bestehend aus Blond, Schwarz und Weiß, so etwas wie eine Fahne.“

 

 2174375-c541269fda7bb5ab0865e238e7c4a949.jpg
Joseph Roth (2 september 1894 – 27 mei 1939)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Manfred Böckl werd geboren op 2 september 1948 in Landau an der Isar. Zie ook alle tags voor Manfred Böckl op dit blog.

Uit: Die Leibeigenen

„Gott gesegne es“, murmelte der Mönch, einen schweren Rülpser mühsam unterdrückend, und soff die Bierbitsche auf einen Zug zur Hälfte leer. Dann stellte er den hölzernen Krug mit zittrigen Händen ins Gras, stemmte sich auf den Ellenbogen in eine halb sitzende Stellung hoch, ließ seinen verschwommenen Blick über die johlende Menge auf dem Tanzplatz schweifen, um endlich mit lauter Stimme zu fordern: „Holt mir noch einmal das Brautpaar her. Hab’ den Kopulierten noch einen guten Rat mitzugeben auf ihren Lebensweg.“
Er rülpste nun doch, fuhr unmittelbar darauf den Viertelhübner an: „Na mach, nimm die Beine in die Hand, denn meine Belehrung kann nicht warten, weil sie mir gewissermaßen in diesem Augenblick vom Heiligen Geist selbst eingegeben wurde.“
„Jawohl, ich lauf’ schon“, erwiderte gehorsam der Viertelhübner, während der Mönch erneut die Bierbitsche ergriff, damit ihn der Heilige Geist ja nicht verlassen sollte. Der Bote des frommen Mannes bahnte sich schwankend seinen Weg durch die Tanzenden. Als er bis zur Dorflinde durchgedrungen war, entdeckte er das Brautpaar.
Mariann und Konrad, denen dieser ausgelassene Tag vielleicht für ein ganzes Leben genügen musste, denn sie würden später nichts kennen als harte Arbeit, qualvolle Kindsbetten und die Angst vor dem Natternburger Ritter, drehten sich weltvergessen in einer böhmischen Polka. Konrad, ein magerer, knochiger Bursche mit länglichem, sonnenverbranntem Gesicht und kräftiger Nase, hatte sein frisch angetrautes Weib um die Hüften genommen und gab Mariann so Halt bei dem schnellen Rundtanz. Seine auffallend hellblauen Augen blitzten und schienen nichts anderes zu sehen als das etwas derbe und dennoch liebliche Gesicht seiner Braut, und Mariann spürte diesen Blick und verstand ihn, und ein Widerschein von Konrads Glück leuchtete aus ihren eigenen braunen Augen.
Sie hatte ihre Arme um Konrads Hals geschlungen, obwohl sie sich dabei kräftig strecken musste, aber das wollte sie ja: zu ihm aufsehen können. Und als der Zigeuner nun seiner Fidel einen schmelzenden Triller entlockte, da lachte sie fröhlich auf und zwang Konrad in einen noch schnelleren Wirbel, so dass ihr rabenschwarzes Haar wild unter der Brautkrone flatterte.“

 

 2174375-efd93e6f15bc6112d1126af5f00b3613.jpg
Manfred Böckl (Landau an der Isar, 2 september 1948)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Georg Jacobi werd geboren op 2 september 1740 op Gut Pempelfort bij Düsseldorf. Zie ook alle tags voor Johann Georg Jacobi op dit blog.

 

In der Mitternacht

Todesstille deckt das Tal
Bei des Mondes falbem Strahl;
Winde flüstern dumpf und bang
In des Wächters Nachtgesang.

Leiser, dumpfer tönt es hier
In der bangen Seele mir,
Nimmt das Strahl der Hoffnung fort,
Wie den Mond die Wolke dort.

Hüllt, ihr Wolken, hüllt den Schein
Immer tiefer, tiefer ein!
Vor ihm bergen will mein Herz
Seinen tiefen, tiefen Schmerz.

Nennen soll ihr nicht mein Mund;
Keine Träne mach′ ihn kund;
Senken soll man ihn hinab
Einst mit mir in′s kühle Grab.

An des Todes milder Hand
Geht der Weg in′s Vaterland;
Dort ist Liebe sonder Pein;
Selig, selig werd′ ich sein.

 

 2174375-1e22c700dddf6746eab3be65ffe8263f.jpg
Johann Georg Jacobi (2 september 1740- 4 januari 1814)
Cover

 

 

De Franse dichter en schrijver Paul Charles Joseph Bourget werd geboren op 2 september 1852 in Amiens. Zie ook alle tags voor Paul Bourget op dit blog.

 

La Révolte

La campagne était fraîche et tout ensoleillée ;
Le souffle du matin passait les blés verts,
Et je marchais dans l’herbe odorante et mouillée
En récitant des vers.

J’étais gai, bien portant, et libre au fond de l’âme ;
J’avais enfin dompté mon douloureux amour,
Et nul amer regret, nul souvenir de femme
Ne troublait ce beau jour.

J’ouvrais à pleins poumons ma poitrine profonde
Aux vents qui se roulaient sur les arbres en fleur,
Et je sentais aussi la jeunesse du monde
Refleurir dans mon cœur.

O toi qui veux, touchant à la terre qui crée,
Reprendre un peu de force avant les durs combats
Et boire un coup de vin à la coupe sacrée,
N’aime pas ! — N’aime pas !

Brise ta chaîne, esclave, et, seul, avec courage,
Sans attendrissements, sans remords et sans fiel,
Viens courir dans les prés comme un cheval sauvage
Sous la beauté du ciel.

 

 2174375-aacf68ea85697abd42e790f9b3da5bd1.jpg
Paul Bourget (2 september 1852 – 25 december 1935) 

 

 

De Franse dichter, schrijver en politicus Paul Déroulède werd op 2 september 1846 geboren in Parijs. Zie en ook alle tags voor Paul Déroulède op dit blog,

Uit: Chants du soldat

 

A la Belgique

Salut petit coin de terre,
Si grand de bonté,
Où l’on vous rend si légère
L’hospitalité ;.

Où tout ce que l’on vous donne,
Sourire ou pitié,
N’a jamais l’air d’une aumône,
Mais d’une amitié ;

Où les âmes si sereines
Ont les yeux si doux,
Que les tourments et les haines
S’y reposent tous !

Salut, terre fraternelle,
Où tout m’a tant plu !
Peuple bon, race fidèle,
Belgique, salut !

Va ! La France a la mémoire
De ces jours de deuil,
Où la défaite sans gloire
Brisait notre orgueil ;

Où, fuyant, vaincus, débiles,
Un puissant vainqueur,
Tu nous as ouvert tes villes,
Tes bras et ton cœur.

Puis, douce comme une mère,
Tu nous as bercés ;
Mieux encor, chère infirmière,
Tu nous as pansés.

Tu nous as mis sur nos plaies,
Saignantes encor,
Ce baume, les larmes vraies,
La foi, ce trésor !

 

 2174375-6ea779d9428315d8c9ac2996c6f48935.jpg
Paul Déroulède (2 september 1846 – 30 januari 1914)

 

 

De Italiaanse schrijver Giovanni Verga werd op 2 september 1840 geboren als oudste zoon in een welgestelde liberale Siciliaanse familie in Catania op Sicilië. Zie ook alle tags voor Giovanni Verga op dit blog.

Uit: Cavalleria Rusticana and Other Stories (Vertaald door G. H. McWilliam)

"You wicked slut!" she cried. "You wicked slut of a mother!"
"Shut up!"
"You thief! Thief!"
"Shut up!"
"'I'll tell the police sergeant, that's what I'll do!"
"Go ahead and tell him!"
She did go ahead, with her children clinging round her neck, totally unafraid, and without shedding a tear. She was like a mad woman, because now she too loved the husband they had forced upon her, all greasy and covered in sweat from the fermenting olives.The sergeant had Nanni called in, and threatened him with prison and the gallows. Nanni stood there sobbing and tearing his hair. He denied nothing, and didn't even try to make excuses."I was tempted!" he cried. "I was tempted by the Devil!"
He threw himself at the sergeant's feet, pleading with him to send him to prison.
"For pity's sake, sergeant, take me out of this hell on earth! Have me killed, send me to prison, never let me set eyes on her again, ever!"
But when the sergeant spoke to the She-Wolf, she replied, "No! I kept a corner of the kitchen to sleep in, when I gave him my house as a dowry. The house is mine. I don't intend to leave it."Shortly after that, Nanni was kicked in the chest by a mule, and was at death's door. But the parish priest refused to bring him the bread of Christ until the She-Wolf left the house. The She-Wolf went away, and her son-in-law could then prepare to take his leave of the world as a good Christian. He confessed and made communion with such an obvious show of repentance and contrition that all the neighbours and onlookers were in tears at the bed of the dying man. And it would have been better if he had died then and there, before the Devil returned to tempt him and to take him over body and soul as soon as he recovered.
"Leave me alone!" he said to the She-Wolf. "For God's sake, leave me in peace! I stared death in the face! The poor Maricchia is in despair! The whole village knows all about it! It's better for both of us if I don't see you. . . ."

 

 2174375-349c1b2a8e0651ff10b906d4539015d9.jpg
Giovanni Verga (2 september 1840 – 27 januari 1922)
Catania

 

 

De Duitse schrijver Richard Voß werd geboren op 2 september 1851 op Gut Neugrape in Pommern. Zie ook alle tags voor Richard Voß op dit blog.

Uit: Der gute Fra Checco

„Er besaß zur Popularität ein Genie, um das ihn ein Monarch von Gottes- und ein Reichstagsabgeordneter durch Volkesgnaden beneiden konnte. Dabei stand er so himmelhoch über allen Parteien, von denen sein schönes Vaterland, das einige Italien, zerrissen wird, daß sein reines Gemüt den liberalsten, also gottlosesten katholischen Christen mit derselben Nächstenliebe umfaßte, wie das gläubigste Mitglied seiner großen Gemeinde. Er heischte demnach sein Scherflein ebensogut von der frommsten Witib, wie von dem fanatisiertesten Antiklerikalen — und von beiden ward ihm gegeben! Von dem einen allerdings häufig unter greulichen Gotteslästerungen; aber gegeben ward ihm, und er, der wahrhaft Gute, steckte die Verwünschungen und wütenden Ausfälle gegen sein Kleid und seinen Gott mit derselben echt christlichen Demut und Bonhomie ein, wie die Soldi.
Jeden frühen Morgen, den Gott schuf, besuchte Fra Checco, nachdem er mit größter Inbrunst der ersten Messe beigewohnt hatte, die große Klosterküche — darin leider gar selten etwas Gutes gebraten oder gebacken ward, holte sich daselbst die von ganz Frascati gekannte dickbauchige, glänzende Blechkapsel, begab sich damit in den »Orto«, den klösterlichen Gemüsegarten, und ließ sich vom Bruder Gärtner sein umfangreiches Gefäß bis zum Rand mit Salat füllen; denn er, Fra Checco, nahm kein christliches Almosen umsonst.
Dieser Salat, den Fra Checco an alle, die ihm gaben, mit vollen Händen austeilte, war so berühmt, so populär, wie er selbst. Es war aber auch ein Salätlein! Auf Gottes weiter, schöner Welt konnte nur Klostersalat so zart, so aromatisch, mit einem Wort, so köstlich sein! Aus neunerlei Kräutern war er gemischt, in einer Zusammenstellung, einer Komposition der verschiedensten Qualitäten, die einem Lucius Lucullus Ehre gemacht hätte."

 

 2174375-1fce6882094969a812c75652d89251a0.JPG
Richard Voß (2 september 1851 – 10 juni 1918)

Geschreven door Romenu om 14:25 Reageer op dit bericht

The Dirty Hand (Mark Strand)

 

Bij de 22e zondag door het jaar

 

 

 2174372-f356c272b3be40476559e518c7bfea9e.jpg
Jesus en de Farizeeën door Ernst Zimmermann, ca. 1888

 

 

The Dirty Hand

My hand is dirty.
I must cut it off.
To wash it is pointless.
The water is putrid.
The soap is bad.
It won’t lather.
The hand is dirty.
It’s been dirty for years.

I used to keep it
out of sight,
in my pants pocket.
No one suspected a thing.
People came up to me,
Wanting to shake hands.
I would refuse
and the hidden hand,
like a dark slug,
would leave its imprint
on my thigh.
And then I realized
it was the same
if I used it or not.
Disgust was the same.

Ah! How many nights
in the depths of the house
I washed that hand,
scrubbed it, polished it,
dreamed it would turn
to diamond or crystal
or even, at last,
into a plain white hand,
the clean hand of a man,
that you could shake,
or kiss, or hold
in one of those moments
when two people confess
without saying a word…
Only to have
the incurable hand,
lethargic and crablike,
open its dirty fingers.

And the dirt was vile.
It was not mud or soot
or the caked filth
of an old scab
or the sweat
of a laborer’s shirt.
It was a sad dirt
made of sickness
and human anguish.
It was not black;
black is pure.
It was dull,
a dull grayish dirt.

It is impossible
to live with this
gross hand that lies
on the table.
Quick! Cut it off!
Chop it to pieces
and throw it
into the ocean.
With time, with hope
and its machinations,
another hand will come,
pure, transparent as glass,
and fasten itself to my arm.

 

 2174372-71cd229be80f17643a1fbb9c4d549a9f.jpg
Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)
St. Paul's Roman Catholic Church in Summerside, Prince Edward Island, de geboorteplaats van Mark Strand

 

 

Zie voor de schrijvers van de 2e septemmber ook mijn twee volgdende blogs van vandaaag.

Geschreven door Romenu om 14:25 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten