Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 17 juli 2024 tot 18 juli 2024

Steffen Popp

De Duitse dichter en schrijver Steffen Popp werd geboren op 18 juli 1978 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Steffen Popp op dit blog.

 

BUKOLISCHE POSTKARTEN II

Das sich Verwandeln der Orte ins uns
alt wie die Sphinx, und wir sind sie, sind
unser Fernsein in ihnen.

Alles soll groß werden, aufschäumen
aber die Nacht konzentriert sich
auf einen winzigen Gegenstand.

Technik will denken, aber Steine tragen
sich an ihrer Grenze, wie Schlaf.

Ein Sicherung vor dem Herzen
schaltet das Licht aus
in deinem Rücken die Pyramidenlampe
oben die kleinen Sterne.

 

 

Schneeode, später Schnee

O schwarzer Schlaf, o Axt
o große Trauer, Herz
ich ging hinaus, über das Gras
ich ging hinaus um deine Augen.

Filzstift, Baumpilz, Hydra
ich ging hinaus, ich ging hinaus
über das Gras, um deine Augen.

Achte auf kleines Gewölk
achte auf Tote, ihren besonderen Traum
achte auf Vögel, die Spannung der Haut
das Schlagen, die Stimme, das Lied.

Dieses Gefühl überwintert
in deinem Handschuh, leise schnaufend
wie ein zu großes Tier
unter dem Waldboden.

Einmal im Schnee, gräbst du es aus
und findest Knochen

ich ging hinaus um deine Augen
ich ging hinaus um deine Augen

da sind die Toten, das Weltall
da sind die Vögel, das Lied.

 

 

Von Zinnen

Sage war alles, Packpferd (mit ihm durch Gebirge)
Futtersack (und Paris April). Hain, Gemüsehain des
geistig Verheerten. Hirschen. Enormes Er (Bottrop
Bingen). … schrieb Ihnen glühende Briefe, Madame.
Glühende Sachbearbeiterin – Schweifstern, Gau.

Semantisch nicht mal träumen. Rodete Strunk (heiße
Tränen). Liebe wollte Antike, Grube war Trumpf
– Gugelhupf, Unterschlupf, Grmpf. Brütendes Rind
das heißt ca. 60 Pelikane mit massiven Kehlsäcken.

Hufe (uralte Sentenz). Zeugen (vermutlich Splitt).
Schneid einem Sittich die Krallen, halt ihn ins Licht.

 

 

Sneeuwode, late sneeuw

Oh zwarte slaap, oh bijl
Oh groot verdriet, hart
Ik ging naar buiten over het gras
Ik ging naar buiten, omwille van je ogen.

Viltstift, boomschimmel, hydra
Ik ging naar buiten, ik ging naar buiten
over het gras, omwille van je ogen.

Let op kleine wolkjes
let op dode mensen, hun bijzondere droom
let op vogels, de spanning van de huid
het getjilp, de stem, het lied.

Dit gevoel overwintert
in jouw handschoen, zachtjes hijgend
als een te groot dier
onder de bosbodem.

Eenmaal in de sneeuw graaf je het op
en vind botten

Ik ging naar buiten omwille van je ogen
Ik ging naar buiten omwille van je ogen
daar zijn de doden, het universum
daar zijn de vogels, het lied.

 

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Steffen Popp (Greifswald, 18 juli 1978)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juli ook mijn blog van 18 juli 2020 en eveneens mijn blog van 18 juli 2019.

Geschreven door Romenu om 16:30 Reageer op dit bericht

Elizabeth Jennings

De Engelse dichteres Elizabeth Joan Jennings werd geboren op 18 juli 1926 in Boston, Lincolnshire. Toen ze zes jaar oud was, verhuisde haar familie naar Oxford, waar ze de rest van haar leven bleef. Daar studeerde ze later aan St. Anne’s College. Na haar afstuderen werd ze schrijfster. Jennings’ vroege gedichten werden gepubliceerd in tijdschriften zoals “Oxford Poetry”, “New English Weekly”, “The Spectator”, “Outposts” en “Poetry Review”, maar ze publiceerde haar eerste boek pas in 1953, op 27-jarige leeftijd. Het won datzelfde jaar de Arts Council of Great Britain Award voor beste debuutgedicht. Ze noemde Gerard Manley Hopkins, W. H. Auden, Robert Graves en Edwin Muir als dichters die haar beïnvloedden. Haar tweede boek, “A Way of Looking”, won in 1955 de Somerset Maugham Award en markeerde een keerpunt, omdat het prijzengeld haar in staat stelde bijna drie maanden in Rome door te brengen. De reis bracht een nieuwe dimensie in haar religieuze geloof en voedde haar verbeelding. In 1987 ontving ze de WH Smith Literary Award voor de bundel “Collected Poems 1953–1985”. Jennings worstelde met de praktische aspecten van haar carrière en leven. Ze raakte verarmd en kampte met haar geestelijke gezondheid, en haar persoonlijke problemen ondermijnden haar reputatie als criticus. Toen ze in 1992 door de koningin werd geëerd als Commandeur in de Orde van het Britse Rijk, droeg ze “een gebreide muts, een duffelcoat en canvas schoenen”. De roddelpers bespotte haar als de zwerfster van de sonnetten, een label dat haar bijbleef. De laatste jaren van haar leven bracht ze door in verschillende studentenhuizen. Kort voor haar dood ontving ze een eredoctoraat in de Godgeleerdheid van de Universiteit van Durham. Ze stierf in een verpleeghuis in Bampton, Oxfordshire. Ze is begraven op de Wolvercote Cemetery in Oxford. Jennings, die meer als traditionalist dan als vernieuwer wordt beschouwd, staat bekend om haar poëzie en vormbeheersing. Haar werk wordt gekenmerkt door een eenvoud in metrum en rijm die ze deelt met Philip Larkin, Kingsley Amis en Thom Gunn, allen leden van de groep Engelse dichters die bekendstaat als The Movement. Haar diepgewortelde rooms-katholicisme vormde een groot deel van haar werk. Haar leven en carrière werden in 2018 geëerd door Dana Gioia, die zei: “Ondanks haar mislukkingen in de seculiere wereld, is haar artistieke carrière een gestaag traject van succes geweest. Jennings behoort tot de beste Britse dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw. Ze is ook Engelands beste katholieke dichter sinds Gerard Manley Hopkins.”

 

 

A Mental Hospital Sitting-Room

Utrillo on the wall. A nun is climbing
Steps in Montmartre. We patients sit below.
It does not seem a time for lucid rhyming;
Too much disturbs. It does not seem a time
When anything could fertilize or grow.

It is as if a scream were opened wide,
A mouth demanding everyone to listen.
Too many people cry, too many hide
And stare into themselves. I am afraid
There are no life-belts here on which to fasten.

The nun is climbing up those steps. The room
Shifts till the dust flies in between our eyes.
The only hope is visitors will come
And talk of other things than our disease …
So much is stagnant and yet nothing dies.

 

Song of Time

Deliver time and let it go
Under wild clouds and passive moon.
Once it was fast, now it is slow.
I lose my hours beneath the sun,
Brisk minutes ebb and flow.

Time is elemental, all
We make in speech and action, yet
Time itself can have a fall
When heart and mind have no regret
And love is how you feel.

Oh let us dance with time and turn
It to a friend, a willing one.
In time we grow, through time we learn
The visitations of the sun
And ardour of the moon.

Time is not clocks but moves within
The discourse of the learned heart,
It is the way our lives begin.
O leaving time behind’s an art
Ahead and now and then.

 

Friendship

Such love I cannot analyse;
It does not rest in lips or eyes,
Neither in kisses nor caress.
Partly I know it’s gentleness

And understanding in one word
Or in brief letters. It’s preserved
By trust and by respect and awe.
These are the words I’m searching for.

Two people, yes, two lasting friends.
The giving comes, the taking ends.
There is no measure for such things.
For this all Nature slows and sings.

 


Elizabeth Jennings (18 juli 1926 – 26 oktober 2001)

 

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Tsead Bruinja, Judith Beveridge

De Nederlandse dichter Tsead Bruinja werd geboren in Rinsumageest op 17 juli 1974. Zie ook alle tags voor Tsead Bruinja op dit blog.

 

 

Het geld het fruit en de familie

als ze nat van de regen thuiskomt op de dag dat haar vakantiegeld net binnen is
jij je hand op haar heupen legt en de kleine huidplooi zachtjes in de
muis van je hand kruipt je tegen haar billen duwt je haar het hematasje
uit handen neemt het op tafel legt
en haar voorzichtig naar de trap manoeuvreert

dat ze dan een beetje tegensputtert
dat je haar in haar nek zoent
aan haar bloesje frunnikt

en je vader belt zonder zijn naam te zeggen

een stem waar je al tweeëndertig jaar naar luistert
maar die je niet meteen herkent

vijftien jaar oud

zes uur ’s ochtends en over een uur de bus
een oud washandje of een sportsok
in een broodtrommel
onder het bed
de wehkamp

wat je ruikt is niet de vis die rot
maar de vis die fermenteert

dat ze lacht naar haar portemonnee naast de fruitschaal

en ik me als een kat
in mijn nekvel
gegrepen voel

door het geld het fruit
en de familie

 

 

Alarm

iemand sprak hem aan en de aap lachte minzaam voordat hij
iets terug zei minzaam alsof hij een marmot aan fred oster gaf

het is eigenlijk gewoon sjoelen met de ogen dicht dit praten
wachten op de bus met je rug naar de weg

elk schijfje als een man in een druk café blij
dat hij de wc bereikt heeft

een vuilnisman parkeert zijn truck
naast de pianozaak

een nieuwe minnaar een huis waar je hopelijk
een stoel of bank in verschuiven mag

dan een gezicht met een lui half dichtgeknepen en een gewoon oog
drie tempi die in dat orkest een andere maat de mond die rustig spreekt
het ene oog dat normaal knippert en het andere dat onregelmatig

hun opstelling is kortom
een fiasco

hier moeten wel twee mensen spreken denk je
hier moeten wel twee ongelijke stellingen worden geuit
terwijl je mond en ogen aan elkaar probeert te verbinden

denk erom wat je met je jassen doet

en in de straat weer dat autoalarm

 

 

Tsead Bruinja (Rinsumageest, 17 juli 1974)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Australische dichteres en schrijfster Judith Beveridge werd geboren in 1956 in Londen, Engeland. Zie ook alle tags voor Judith Beveridge op dit blog.

 

De saffraanplukkers

Het is noodzakelijk om 150.000 krokussen te plukken
om één kilo saffraan te verkrijgen.

Binnenkort hurkt ze weer boven elke krokus,
voelt hoe de weegschaal, bepaald door het lot, door tegenslag
een ontzagwekkend zware last is: een tegenwicht

tegen de tijd. Binnenkort werpt de zon zijn schaduwen
op de gezichten van haar kinderen. Zij kent
vergelijkingen: hoeveel stigma’s brengen elke dag in balans

met de volgende; hoeveel dagen delen
die ene maaltijd op; hoeveel rondjes van een glanzende
tafel moet de zon afleggen voordat genoeg geel

een lepelvol zwaar maakt. Ze spreidt een doek uit,
roept naar de concurrerende nullen van haar kinder-
monden. Een schortvol wordt haar standaard –

en die paarse velden van oneerlijke equivalentie.
Altijd dat gewicht in haar schort: de onopdeelbare
honger die nooit de lichtheid van bloemen heeft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Judith Beveridge (Londen, 1956)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juli ook mijn blog van 17 juli 2023 en ook mijn blog van 18 juli 2020 en eveneens mijn blog van 18 juli 2019.

Geschreven door Romenu om 14:46 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten