Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Daniël Dee, Lize Spit, Lucia Berlin, Frank Witzel, Johnny van Doorn, Cristina Peri Rossi, Naomi Wolf, Malcolm Guite

De Nederlandse dichter Daniël Dee werd geboren op 12 november 1975 in Empangeni, Zuid-Afrika. Zie ook mijn blog van 12 november 2010 en eveneens alle tags voor Daniël Dee op dit blog.

 

Dit buikje is niet van het bier...
mijn leven is een leugen en ik ben een leugenaar want het door mij geschrevene is de waarheid niet

dit buikje is niet van het bier maar van de beelden
die ik te gulzig heb opgeslokt er valt niet van poëzie
te leven de mens maakt muziek zij weet hoe dat moet
jeroen brouwers schrijft een boek hij weet hoe dat moet
ik weet niet zoveel ik snap niets van de grote verdwijntruc
en dat is op dit moment erg vervelend de kamer is gevuld

op een dag - die dag hoeft nooit te komen -
zal ik hem vragen iets voor mij te doen

wat aftrekbaar is van de belasting want zelfstandig zijn is hip
kinderwensen bootmissers en trouwperikelen het bezoek
is immers dertig plus mijn demonen zijn leeftijdsloos

ik zal hem een aanbod doen dat hij niet kan weigeren

laat ik even mijn ogen sluiten en daarna drie keer met mijn ogen
knipperen
dan verdwijnt het bezoek vanzelf

 

 

Zo zitten we weer...

zo zitten we weer hele dagen in de tuin naar de vogels te kijken en
's avonds
vallen we in slaap voor de televisie

sinds die nacht toen alle doden ontwaakten uit hun graven het gedoe
dat dat opleverde mag als bekend worden verondersteld zeker
met een stel van die hufters die ineens weer terug waren

hoe dood je iets dat al dood is en dan die allesoverheersende geur van
verrotting

ik was immers gelukkig toen ik jullie ineens weer zag
er waren nog zoveel onafgemaakte onbesproken zaken
hoewel het er nu gek genoeg weer niet van komt

de meeste vogels trekken reeds naar het zuiden

 

 2091429-ab5330557dcc0a227a820795e70464d9.jpg
Daniël Dee (Empangeni, 12 november 1975)

 

 

De Vlaamse schrijfster Lize Spit werd geboren in Viersel op 12 november 1988. Zie ook alle tags voor Lize Spit op dit blog.

Uit: Het smelt

“Ik klim de smalle, losstaande ladder op. Eenmaal boven zie ik meteen het muffe gordijntje, de ingang van het kamp dat we twee jaar geleden bouwden. Voor we begonnen met de balen te stapelen, hadden we een heel plan getekend. Het werd een kamp in de vorm van een slakkenhuis, in het midden een hol. Er moesten drie gangen omheen worden gebouwd, waarvan twee doodlopende. Daarin hingen we plakkerige vliegenvangers op, om indringers te vatten. Dit alles bouwen besloeg meerdere zomerdagen. Toen het klaar was hebben we hier één keer de nacht doorgebracht. Het is een goed teken dat Pim dit hol niet heeft afgebroken.
Ergens binnen in de stapels stro klinken gedempte stemmetjes, onverstaanbaar. Ik kruip onder het gordijntje door. De gang waarin ik terechtkom is smaller, donkerder en muffer dan ik had verwacht, maar misschien ben ik gewoon breder. Ik kan er nog net op handen en knieën door kruipen. Hoe dichter ik naar de kern toe beweeg, vanwaar de stemmen komen, hoe moeilijker het wordt te ademen. Vlak voor het einde van de gang, tegen het hol aan, zit een dikke spleet tussen twee balen. Er valt een streep licht door. Hier hoor ik Laurens plots klaar en duidelijk.
'Agnes is die met het oké lichaam. Maar haar kop is zo verschrikkelijk lelijk. En bij Kim is het net omgekeerd. Die heeft wel een oké kop, maar tussen ons gezegd en gezwegen, zij is een pannenlat.' Waarschijnlijk vroeg Pim hem tussen twee meisjes een zeer hypothetische keuze te maken.
'Wist je dat de mossels van meisjes zout proeven?' zegt Pim.
'En hoe weet jij dat dan?'
'Vergelijk het met een slokje zeewater. Soms eerder de Noordzee. Soms Atlantische oceaan.'
Zowel Pim als Laurens hebben nog nooit in de Atlantische oceaan gezwommen. Dat weet ik zeker. We zijn alle drie nooit verder dan Nederland of Frankrijk gereisd, dat was waar we ooit fier over waren, dat we door dat gebrek aan kennis de klascomputer mochten gebruiken om foto's op te zoeken.”

 2091429-a5e59a83890742f9b613aec17a36b9fd.png
Lize Spit (Viersel, 12 november 1988)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Lucia Berlin werd geboren op 12 november 1936 in Juneau, Alaska. Zie ook alle tags voor Lucia Berlin op dit blog.

Uit:Handleiding voor poetsvrouwen (Vertaald door Maaike Bijnsdorp, Lucie Schaap en Elles Tukker)

“Op een gegeven moment ging ik door hem ook zelf naar mijn handen kijken. Ik zag hem half grijnzen toen hij me daarop betrapte. Voor het eerst kruisten onze blikken elkaar in de spiegel, onder DE MACHINES NIET TE VOL LADEN. Er straalde paniek uit mijn ogen. Ik keek in mijn eigen ogen en weer omlaag naar mijn handen. Afgrijselijke ouderdomsvlekken, twee littekens. Onindiaanse, zenuwachtige, eenzame handen. Ik zag kinderen en mannen en tuinen in mijn handen. Zijn handen lagen die dag (de dag dat ik naar de mijne keek) elk op een strakblauw dijbeen. Meestal trilden ze hevig en liet hij ze gewoon trillen op zijn schoot, maar die dag hield hij ze stil. De inspanning die het hem kostte om ze niet te laten trillen maakte zijn adobekleurige knokkels wit. De enige keer dat ik buiten de wasserette met mevrouw Armitage had gepraat was toen haar wc overstroomde en het water via de kroonluchter op mijn verdieping naar beneden kwam. Het licht bleef gewoon branden terwijl het water er regenbogen in spetterde. Ze greep mijn arm met haar klamme, stervende hand en zei: 'Is het geen wonder?' Hij heette Tony. Hij was een Jicarilla Apache uit het noorden. Toen ik hem een keer bij het binnenkomen nog niet had gezien, wist ik dat het zijn slanke hand was op mijn schouder. Hij gaf me drie muntstukken. Ik begreep het niet, had bijna dank je wel gezegd, maar zag toen dat hij de bibberaties had en de drogers niet kon bedienen. Nuchter valt dat al niet mee. Je moet de knop met je ene hand omdraaien, het muntstuk met de andere erin doen, het vakje met de munt naar beneden duwen en dan de knop terugdraaien voor de volgende munt.”

 

 2091429-2bc37750a9e9f7fe54303e1f9490e2ac.jpg
Lucia Berlin (12 november 1936 - 12 november 2004)

 

 

De Duitse schrijver, illustrator, radiopresentator en muzikant Frank Witzel werd geboren op 12 november 1955 in Wiesbaden. Zie ook alle tags voor Frank Witzel op dit blog.

Uit: Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch depressiven Teenager im Sommer 1969

„Aber was komisch ist, dass die unseren Namen sagen, also den Namen für unsere Gruppe, Rote Armee Fraktion, obwohl der noch gar nicht richtig feststeht, weil wir eigentlich noch mal abstimmen wollen, weil Claudia den nicht so gut findet, ihr allerdings auch nichts anderes eingefallen ist, weshalb sie gesagt hat, dass wir vielleicht gar keinen Namen bräuchten, weil wir schließlich keine Kinder sind, die einen Club gründen, was auch stimmt, obwohl es schon besser ist, einen Namen zu haben, besonders wenn noch andere dazukommen. Trotzdem frage ich mich, woher die das in den Nachrichten wissen, weil wir niemandem was gesagt haben, also, ich auch nicht, nicht mal Achim.
Und Claudia würde garantiert nichts sagen, weil sie auch in der Basisgruppe ist, und da dürfen sie wirklich nie verraten, was sie da besprechen, und bei Bernd ist es ohnehin klar, weil der manchmal schon nervt mit seiner Geheimniskrämerei. Aber der Michael Reese, der hält sich immer verdächtig nah bei uns auf, weil er aufschnappen will, über was wir re-den und was wir gut finden, damit er das nachmachen kann. Aber gerade weil wir das wissen, weil das außerdem nervt, diese Nachmacherei, passen wir bei ihm besonders auf, und in der Schule reden wir über so Sachen sowieso nicht, das haben wir vorher ausgemacht, auch nicht in der Pause. Wenn was ist, dann sagen wir einfach, heute Mittag an der Lohmühle oder irgendwo anders, oder wenn’s ganz dringend ist, dann auf dem Nachhauseweg am Sportplatz, aber auch da passen wir immer höllisch auf, weil da manchmal auch Lehrer sind. Aber beim Reese weiß man nie, und Bernd meint auch, dass der uns vielleicht richtig hinterherspioniert und in der kleinen Pause, wenn wir im Fahrradkeller kurz eine rauchen, zurück in den Klassenraum geht und unsere Ranzen durchwühlt, weshalb wir nie was Verdächtiges in der Klasse lassen, sondern alles immer im Parka haben. Reese liest auch Landserheftchen und hat als Einziger eine Frisur, wo die Haare mit Pomade nach hinten gekämmt werden.
Damit sieht er richtig spießig aus, aber beim Sport, wenn er durchgeschwitzt ist und die Haare nach vorn fallen, gehen sie über sein ganzes Gesicht, so lang sind die. Und dann in der einen großen Pause, als wir Boxschläge immer nur markiert und knapp vorm Gesicht abgebremst haben, hat er Bernd direkt auf die Nase gedroschen und behauptet, er hätte sich verschätzt, aber vielleicht war das damals schon Absicht, vielleicht ist er wirklich hinter uns her und will sich rächen, weil wir uns immer über ihn lustig machen, denn er wird immer so schnell rot und lässt dann jedes Mal einen Stift auf den Boden fallen und bückt sich und hebt ihn auf, damit es so aussieht, als wäre ihm bloß vom Bücken das Blut in den Kopf gestiegen.“

 

 2091429-959ca07509a1e2d928262f881a227cae.jpg
Frank Witzel (Wiesbaden, 12 november 1955)

 

 

De Nederlandse dichter Johnny van Doorn (The Selfkicker) werd geboren op 12 november 1944 in Beekbergen en groeide op in Arnhem. Zie ook mijn blog van 12 november 2010 en eveneens alle tags voor Johnny van Doorn op dit blog.

Uit: Gevecht tegen het zuur (Maandag)

“'t Gebeurde op een novemberochtend. Jaren van gezelligheid (een sluipende gezelligheid met de daarbij horende drankjes) braken me op. Ik schudde mijn katterig hoofd en moeizaam kwam ik tot het inzicht dat ik moest stoppen met dat ritueel. Mijn studie van het caféleven was me uit de hand gelopen.
Rond 1970 begon het. In bierhuizen, knijpjes, waar het vrije woord levendig werd gebruikt, verschansten we ons. Een stelletje rotlachers en dromers... Goochelend met woorden charmeerden we, als we de kans kregen, nieuwsgierige meisjes die naar het 'vrijgevochtene' lonkten. De drank had nog een erotische impact. Toch sneller dan je verwachtte werd de gezelligheid in die kringetjes een verlammende aangelegenheid. Ik had al 's eerder opgemerkt: altijd dezelfde koppen in de kroeg, niet te vergeten je eigen blaséje kop. Gevolg: conflicten vanwege de schijnrelaties - iedereen denkt iedereen te kennen, wat achterklap oplevert die niet onderdoet voor het geouwehoer in, laten we zeggen, een doorsnee straatje.
Hoewel, dat was het verraderlijke: telkens keerde het gevoel terug dat je sublieme ogenblikken beleefde. Vooral in het holst van de nacht. Je rookt een pijpje, je drinkt een glaasje, grootse werken zweven voor je geest, je zal de wereld versteld doen staan, maar o wee, de volgende ochtend heb je weer 't zuur.
`Gedaan met het gezellige doorzakken,' mompelde ik op die koude novemberdag in '74. Met krakende pas naderde ik het Roelof Hartplein terwijl een sneeuwbui me tot op het bot verkleumde. Ik vroeg me af wat ik de afgelopen nacht had aangericht. Iemand vermoord? Dodelijke beledigingen? Uitgesloten... deze keer was ik van hot naar haar in een auto vervoerd en uiteindelijk lag ik in een bovenhuis, ergens achter het Concertgebouw, op een stretchbed te ronken. Vaag herinnerde ik me nog een gillende vrouw in het trapportaal en Rijk de Gooyer, zingend op de wc.
Merkwaardig... liep daar toevallig niet De Gooyer, aan de overkant van het Roelof Hartplein? Ik zag hem op z'n rug. Onmiskenbaar de gestalte van onze komiek; misschien dat-ie me kon opvrolijken.”

 

 2091429-69c231bed510ae9fd050e33be5e025fb.jpg
Johnny van Doorn (12 november 1944 – 26 januari 1991)

 

 

De Uruguayaanse dichteres, schrijfster, vertaalster en journaliste Cristina Peri Rossi werd geboren op 12 november 1941 in Montevideo. Zie ook mijn blog van 12 november 2010 en eveneens alle tags voor Christina Peri Rossi op dit blog.

 

Astonishment (Fragment)

Teach me – you say, from your avid twenty-one years
believing still that one can teach something

and I, who passed sixty
look at you with love
that is, with farawayness,
(all love is love of differences
the empty space between two bodies
the empty space between two minds
the horrible presentiment of not dying in twos)

I teach you, gently, some quote from Goethe
(Stay instant! You are so beautiful!)
or from Kafka (once there was, there was once
a mermaid that did not sing)

while the night slowly slides into dawn
through this window
that you love so much
because its nocturnal lights
conceal the true city

and actually we could be in any place
these lights could be those of New York,
Broadway Avenue, those of Berlin, Konstanzerstrasse,
those of Buenos Aires, calle Corrientes
and I withhold from you the only thing that I truly know:
poet is one who feels that life is not natural
that it is astonishment
discovery revelation
that it is not normal to be alive

it is not natural to be twenty-one years of age
nor be more than sixty

it is not normal to have walked at three in the morning
along the old bridge of Córdoba, Spain, under the yellow
light of its streetlamps

-three in the morning-
not in Oliva nor in Seville.

 

Vertaald door Diana Decker

 

 2091429-031d488aa846c32b832071ff2f4fbb38.jpg
Cristina Peri Rossi (Montevideo, 12 november 1941)

 

 

De Amerikaanse, feministische schrijfster Naomi Wolf werd geboren in San Francisco op 12 november 1962. Zie ook alle tags voor Naomi Wolf op dit blog enook mijn blog van 12 november 2010

Uit: How I was arrested at Occupy Wall Street

“I thanked him, returned to the protesters, and said: "The permit allows us to walk on the other side of the street if we don't block access. I am now going to walk on the public sidewalk and not block it. It is legal to do so. Please join me if you wish." My partner and I then returned to the event-side sidewalk and began to walk peacefully arm in arm, while about 30 or 40 people walked with us in single file, not blocking access.
Then a phalanx of perhaps 40 white-shirted senior officers descended out of seemingly nowhere and, with a megaphone (which was supposedly illegal for citizens to use), one said: "You are unlawfully creating a disruption. You are ordered to disperse." I approached him peacefully, slowly, gently and respectfully and said: "I am confused. I was told that the permit in question allows us to walk if we don't block pedestrian access and as you see we are complying with the permit."
He gave me a look of pure hate. "Are you going to back down?" he shouted. I stood, immobilised, for a moment. "Are you getting out of my way?" I did not even make a conscious decision not to "fall back" – I simply couldn't even will myself to do so, because I knew that he was not giving a lawful order and that if I stepped aside it would be not because of the law, which I was following, but as a capitulation to sheer force. In that moment's hesitation, he said, "OK," gestured, and my partner and I were surrounded by about 20 officers who pulled our hands behind our backs and cuffed us with plastic handcuffs.”

 

 2091429-9231c477b01266868e45558f7b7a8abe.jpg
Naomi Wolf (San Francisco, 12 november 1962)

 

 

De Engelse dichter, singer-songwriter, Anglicaans priester en academicus Ayodeji Malcolm Guite werd geboren op 12 november 1957 in Ibadan in Nigeria. Zie ook alle tags voor Malcolm Guite op dit blog.

 

A Sonnet for St. Francis

‘Francis rebuild my church which, as you see
Is falling into ruin.’ From the cross
Your saviour spoke to you and speaks to us
Again through you. Undoing set you free,
Loosened the traps of trappings, cast away
The trammelling of all that costly cloth
We wind our saviour in. At break of day
He set aside his grave-clothes. Your new birth
Came like a daybreak too, naked and true
To poverty and to the gospel call,
You woke to Christ and Christ awoke in you
And set to work through all your love and skill
To make our ruin good, to bless and heal
To wake the Christ in us and make us whole.

 

 

Patrick

Six years a slave, and then you slipped the yoke,
Till Christ recalled you, through your captors cries!
Patrick, you had the courage to turn back,
With open love to your old enemies,
Serving them now in Christ, not in their chains,
Bringing the freedom He gave you to share.
You heard the voice of Ireland, in your veins
Her passion and compassion burned like fire.

Now you rejoice amidst the three-in-one,
Refreshed in love and blessing all you knew,
Look back on us and bless us, Ireland’s son,
And plant the staff of prayer in all we do:
A gospel seed that flowers in belief,
A greening glory, coming into leaf.

 

 2091429-7b027947c0002586f9c51e5849e1b209.jpg
Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e november ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 12 november 2008, mijn blog van 12 november 2007 en ook mijn blog van 12 november 2006.

Geschreven door Romenu om 09:54 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Hans Werner Richter, Michael Ende, Roland Barthes, Jacobus Bellamy, A.J.D. van Oosten, Carl Busse, Oskar Panizza, Juana Inés de la Cruz

De Duitse dichter en schrijver Hans Werner Richter werd geboren op 12 november 1908 in Bansin op het eiland Usedom. Zie ook mijn blog van 12 november 2010 en eveneens alle tags voor Hans Werner Richter op dit blog.

Uit: Spuren im Sand

»Ja ... und die Tochter ... ?« »Die ...«, sagte meine Mutter, »... die hatte zu viel Wasser geschluckt, und Richard hat sie rausgeholt.« »Na, nun werdet ihr ja reich werden.« »Einen Taler hat er bekommen«, sagte meine Mutter, zuckte die Schultern und stellte das Bügeleisen auf einen Teller. »Ach Rosa«, begann sie wieder, »jetzt bin ich mal wieder soweit.« »Was ist denn?« »Na ja, du weißt doch, die Männer lassen einen nicht in Ruh'.« »Was«, sagte die hochgeschnürte Rosa, »schon wieder? Seit wann denn?« »Im dritten Monat«, sagte meine Mutter. So erfuhr ich, dass es einen Großherzog von Mecklenburg gab, dessen Tochter mein Vater für drei Mark gerettet hatte, dass die Männer die Frauen nicht in Ruhe lassen und dass man im dritten Monat sein konnte. Jene hochgeschnürte Frau namens Rosa hieß School mit Nachnamen, und ihr Mann Heinrich hatte nicht weit von uns einen Kolonialwarenladen und fast eben so viel Söhne und Töchter wie mein Vater. Der Ort lag am Meer, in einer weitgeschwungenen Bucht, mit Steilküsten, Buchen- und Tannenwäldern, und einer, wie im Badeprospekt stand, ozonreichen Luft. Es war ein kleiner Ort, mit etwa 500 Einwohnern, und seine Häuser, am Strand noch drei- und vierstöckig, wurden etwa einen Kilometer landeinwärts immer kleiner, bis hin zu den armseligen Hütten der Fischer. Die Sozialdemokratie, damals noch eine revolutionäre Partei, war noch nicht bis ans Meer gedrungen. Mein Vater war noch stolz darauf, herrschaftlicher Diener auf einem Gut in Hinterpommern gewesen zu sein, und meine Mutter wusch mit Hingabe die Unterwäsche der Baroninnen und Komtessen, die im Sommer kamen, um sich unter der Aufsicht meines Vaters und seiner Kollegen ins salzhaltige Ostseewasser zu begeben. Damals gab es noch keine Strandkörbe, sondern nur Badehütten, und der Strand war deshalb nur spärlich beflaggt. Aber auf den drei Bädern —schlossähnlichen Bretterbauten mit Zinnen und Türmen — wehte die schwarzweißrote Flagge und die Reichskriegsflagge. Sie kündeten von der kaiserlichen Macht und von der Ruhe und Ordnung im Lande, und oft kam es mir vor, als ständen sie ebenso wachssteif im Wind wie der Schnurrbart meines Vaters, der jeden Morgen vor dem Spiegel balsamiert und hochgezwirbelt wurde. An jenem Nachmittag nun, an dem ich erfahren hatte, dass man im dritten Monat sein konnte und dass der Großherzog von Mecklenburg meinem Vater einen Taler für die Errettung aus Badenot gegeben hatte, erschien auch unser Gemeindevorsteher, ein ehemaliger Offizier niederen Ranges, und gratulierte meinem Vater, der dabei verlegen an seinen Schnurrbartenden zupfte.“

 

 2091417-0e00eaeb225890c809f31d6392e82a47.jpg
Hans Werner Richter (12 november 1908 – 23 maart 1993)

 

 

De Duitse schrijver Michael Ende werd geboren in Garmisch-Partenkirchen op 12 november 1929. Zie ook alle tags voor Michael Ende op dit blog en ook mijn blog van 12 november 2009 en ook mijn blog van 12 november 2010

Uit: Der Spiegel im Spiegel

„Habe ich schon erwähnt, daß das Haus leer ist? Ich meine vollkommen leer. Zum Schlafen rollt Hor sich in einer Ecke zusammen, oder er legt sich nieder, wo er eben ist, auch mitten in einem Saal, wenn dessen Wände zu fern sind. Nahrungssorgen hat Hor nicht. Die Substanz, aus der Wände und Säulen bestehen, ist eßbar — für ihn jedenfalls. Sie besteht aus einer gelblichen, ein wenig transparenten Masse, deren Genuß Hunger und Durst sehr schnell stillt. Außerdem sind Hors Bedürfnisse in dieser Hinsicht gering.
Das Verrinnen der Zeit bedeutet ihm nichts. Er hat keine Möglichkeit, sie zu messen, außer am Schlag seines Herzens. Aber der ist sehr unterschiedlich. Tage und Nächte kennt Hor nicht, ein immer gleiches Dämmerlicht umgibt ihn.
Wenn er nicht schläft, so zieht er umher, doch verfolgt er kein Ziel. Es ist einfach ein Drang, ein Bedürfnis, dessen Befriedigung ihm Vergnügen bereitet. Dabei widerfährt es ihm nur selten, daß er in einen Raum gelangt, den er wiederzuerkennen vermeint, der ihm bekannt scheint, als sei er vor undenklichen Zeiten schon einmal in ihm gewesen. Andererseits lassen ihn oft untrügliche Zeichen darauf schließen, daß er an einer Stelle vorüberkommt, an der er schon einmal war — eine angebissene Mauerecke zum Beispiel oder ein Haufen eingetrockneter Exkremente. Der Raum selbst ist Hor allerdings so fremd wie jeder andere. Vielleicht verändern sich die Räume in Hors Abwesenheit, wachsen, dehnen sich oder schrumpfen. Vielleicht ist es sogar Hors Durchgang, der solche Veränderungen hervorruft, doch liebt er diesen Gedanken nicht. Daß außer Hor noch jemand das Haus bewohnt, halte ich für ausgeschlossen. Freilich, bei der unvorstellbaren Weitläufigkeit des Baues gibt es dafür keine Beweise. Es ist ebensowenig unmöglich wie wahrscheinlich.
Viele Zimmer haben Fenster, doch öffnen sich diese nur jeweils wiederum auf andere, meist größere Räumlichkeiten.
Obwohl die Erfahrung ihn bisher niemals anderes gelehrt hat, bewegt Hor bisweilen die Vorstellung, einmal an eine letzte, äußerste Wand zu gelangen, deren Fenster den Ausblick auf etwas gänzlich anderes gewähren. Hor kann nicht sagen, was das sein sollte, aber er gibt sich manchmal langen Erwägungen darüber hin.“

 

 2091417-767537ca9b0575fdb0c2d68fb696a157.jpg
Michael Ende (12 november 1929 – 28 augustus 1995)

 

 

De Franse schrijver en filosoof Roland Barthes werd geboren op 12 november 1915 in Cherbourg. Zie ook alle tags voor Roland Barthes op dit blog en ook mijn blog van 12 november 2010

Uit:La chambre claire: Note sur la photographie

« Au fond – ou à la limite – pour bien voir une photo, il vaut mieux lever la tête ou fermer les yeux. « La condition préalable à l’image, c’est la vue », disait Janouch à Kafka. Et Kafka souriait et répondait : « On photographie des choses pour se les chasser de l’esprit. Mes histoires sont une façon de fermer les yeux. »La photographie doit être silencieuse (il y a des photos tonitruantes, je ne les aime pas) : ce n’est pas une question de « discrétion », mais de musique. La subjectivité absolue ne s’atteint que dans un état, un effort de silence (fermer les yeux, c’est faire parler l’image dans le silence). La photo me touche si je la retire de son bla-bla ordinaire : (…) ne rien dire, fermer les yeux, laisser le détail remonter seul à la conscience affective.
(…)

On dit souvent que ce sont les peintres qui ont inventé la Photographie (en lui transmettant le cadrage, la perspective albertinienne et l’optique de la camera obscura). Je dis : non, ce sont les chimistes. Car le noème « Ca a été » n’a été possible que du jour où une circonstance scientifique (la découverte de la sensibilité à la lumière des halogénures d’argent) a permis de capter et d’imprimer directement les rayons lumineux émis par un objet directement éclairé. La photo est littéralement une émanation du référent. D’un corps réel, qui était là, sont parties des radiations qui viennent me toucher, moi qui suis ici ; peu importe la durée de la transmission ; la photo de l’être disparu vient me toucher comme les rayons différés d’une étoile. Une sorte de lien ombilical relie le corps de la chose photographiée à mon regard : la lumière, quoique impalpable, est bien ici un milieu charnel, une peau que je partage avec celui ou celle qui a été photographié."

 

 2091417-93c4e544a29a784a3e4bb1414db45ab5.jpg
Roland Barthes (12 november 1915 – 25 maart 1980)

 

 

De Nederlandse dichter Jacobus Bellamy werd geboren in Vlissingen op 12 november 1757. Zie ook alle tags voor Jacobus Bellamy op dit blog en ook mijn blog van 12 november 2010

 

Roosje (Fragment)
Een vertelling

Daar was, in Zeeland, eens een man,
hij had een aardig kind,
een meisje, dat van iedereen
om 't zeerste werd bemind.

De man, gelijk men denken kan,
was groots op zulk een schat;
temeer daar hij zijn lieve vrouw
daar bij verloren had.

Wat nam hij Roosje menigmaal
al zuchtende in zijn arm
en kuste met een tranend oog
haar rode kaakjes warm!

Dan zei die tedere, goede man:
‘Gij hebt geen moeder meer!’
‘Ja wel!’ zei dan het zoete kind,
‘bij onze lieve Heer!

Dit hebt gij immers zelf gezegd?
Maar, waarom ging zij heen?
Zij had mij niet zo lief als gij,
want zij liet ons alleen!’

De vader sprak geen enkel woord
maar kuste 't kleine wicht;
en onder 't kussen dekte een stroom
van tranen zijn gezicht.

 

 2091417-fbde05eee0e3fbc6ff0d5fc286997efc.gif
Jacobus Bellamy (12 november 1757 - 11 maart 1786)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Abraham Jan Daniël van Oosten werd geboren op 12 november 1898 in Delft. Zie ook alle tags voor A.J.D. van Oosten op dit blog.

 

September

September zingt, groot koninklijk prinses
in droomend woud Haar zachte weemoed-zangen.
Naar wondre sprookjes-wijs, weerloos gevangen
in bangen ban van Herfst, barsch Haar voogdes

Heel 't bosch, besierd met late bloem en bes
aan brandend brem, doortrilt 't ontrust verlangen
met zoete stem, vol levens lichte drangen -
omboeid in hul van booze toovenares.

Die zomer dort, en zon al matter taant.
Al luister dooft, àl loover sleurt te gronde.
Al bloeiend schoon in vale verven bluscht.

O dat Haar Ridder, door de dreven gaand
van ban en boei Haar ééns verlossen konde
en duurzaam tot jaars Edelvrouwe kust'!

 

 

Drama bij den slootkant

De hoeve-hond bij nacht, betwistte mij de plank,
wie sterk als hij is, hoeft geen mensch te vreezen,
maar giftig spek zou hem te machtig wezen
zoo heb 'k hem tot mijn overtocht genezen,
bij 't eerste haangekraai gaf hij den laatsten jank.

 

 2091417-5131a95a2939b26bfac958e58ae2910b.jpg
A.J.D. van Oosten (12 november 1898 – 23 januari 1969)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Carl Hermann Busse werd geboren op 12 november 1872, waarschijnlijk in Lindenstadt bij Birnbaum in Posen. Zie ook alle tags voor Carl Busse op dit blog.

 

Auf der Reise

Das kann nicht anders werden,
Wir alle wandern ja,
Sind Gäste nur auf Erden
Und für die Reise da.

So laß das Glück denn treiben,
Das ist nun einerlei,
Wir dürfen doch nicht bleiben
Und gehn uns stumm vorbei.

Und wandern müd' und leise,
Am Schuh zerreißt das Band,
Und suchen auf der Reise
Das große Vaterland.

Ich hört' ein Lied verwehen,
Das klang und rauschte so,
Ich hab das Glück gesehen,
Weiß aber nicht mehr, wo.

 

 

Rote Husaren

Rings in rundblühenden Schaaren
Steht roter Wiesenklee,
Es traben rote Husaren
Auf entfernter Chaussee.

Leuchtende Sonnenkronen
Glühn über Land und Luft,
Es reiten die beiden Schwadronen.
In lauter Glanz und Duft.

Die schmetternden Fanfaren
Durchklingen die Sommerruh,
Die roten Königshusaren
Reiten immerzu ...

 

 2091417-59261ef17a0dfcc3cc2d9a59dde6bf70.jpg
Carl Busse (12 november 1872 - 3 december 1918)

 

 

De Duitse schrijver en satiricus Oskar Panizza werd geboren op 12 november 1853 in Kissingen. Zie ook alle tags voor Oskar Panizza op dit blog en ook mijn blog van 12 november 2010

Uit: Das Liebeskonzil

„Sie haben alle den in tiefer Meditation begriffenen Dichter erblickt, der, im Hintergrunde vorüberwandelnd, eben an ihnen vorbeischreiten will.

Direktor He, Freund, Ihr kommt wohl Grade vom Parnass?
Ich seh's am Schritt, ich seh's an Eurer Miene;
Die Stirne ernst gesenkt, die Wimper nass –
Ihr spracht gewiss mit Klio, Euphrosyne –
Und hier der Stil, die Rolle – ohne Spass,
Ihr schreibt ja sonst doch für die deutsche Bühne –
Darf ich erfahren, was in Eurem Busen
Erweckt die wechselvollen, keuschen Musen? –
Dichter trocken
Ich komm' vom Bräuhaus grad – Ihr Herrn, verzeiht!
Es ist das sonst nicht meine Lieblingsstätte;
Weit lieber weilt' ich in der Einsamkeit,
Wo sich mein Geist wohl reich befruchtet hätte –
Nur um 'nen Stoff zu suchen, wie's gebeut
Die Mode jetzt, trank ich dort um die Wette –
Doch mitten aus der dampferfüllten Stelle
Trieb's mich im Geiste fort zu Himmel, Hölle...
Was um mich herging, nicht vernahm's mein Ohr,
Entrückt war ich in weltentfernte Weiten,
Nur dumpf vernahm ich der Berauschten Chor,
Dieweil ich kniete vor Drei-Einigkeiten...“

 

 2091417-b915acb12182863b1641101ce54ae26c.jpg
Oskar Panizza (12 november 1853 – 28 september 1921)
Cover

 

 

De Mexicaanse dichteres en moniaal Juana Inés de la Cruz de Asbaje y Ramírez, ook bekend als Sor Juana, werd geboren in San Miguel Nepantla op 12 november 1648 of 1651. Zie ook alle tags voor Juana Inés de la Cruz op dit blog enook mijn blog van 12 november 2010

 

Love opened a mortal wound

Love opened a mortal wound.
In agony, I worked the blade
to make it deeper. Please,
I begged, let death come quick.

Wild, distracted, sick,
I counted, counted
all the ways love hurt me.
One life, I thought--a thousand deaths.

Blow after blow, my heart
couldn’t survive this beating.
Then--how can I explain it?

I came to my senses. I said,
Why do I suffer? What lover
ever had so much pleasure?

 

Vertaald door Joan Larkin en Jaime Manrique

 

 2091417-7dd7b29595a1d8b3a8630328d9e072c1.jpg
Juana Inés de la Cruz (12 november 1648 of 1651 - 17 april 1695)
Standbeeld in Parque de Tlaxco, Tlaxcala, Mexico

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 12 november 2008, mijn blog van 12 november 2007 en ook mijn blog van 12 november 2006.

Geschreven door Romenu om 09:51 Reageer op dit bericht

St. Martin and the Beggar (Thom Gunn)

 

Bij Sint Maarten

 

 2091116-1cbeecc9dc6ddd8d3e7c8b7787e4e83e.jpg
St. Martinszug vor dem Düsseldorfer Rathaus door Heinrich Hermanns, 1905

 

 

St. Martin and the Beggar

Martin sat young upon his bed
A budding cenobite,
Said ‘though I hold the principles
Of Christian life be right,
I cannot grow from them alone,
I must go out to fight.’

He traveled hard, he traveled far,
The light began to fail.
‘Is not this act of mine,’ he said,
‘A cowardly betrayal,
Should I not peg my nature down
With a religious nail?’

Wind scudded on the marshland,
And, dangling at his side,
His sword soon clattered under hail:
What could he do but ride?—
There was not shelter for a dog,
The garrison far ahead.

A ship that moves on darkness
He rode across the plain,
When a brawny beggar started up
Who pulled at his rein
And leant dripping with sweat and water
Upon the horse’s mane.

He glared into Martin’s eyes
With eyes more wild than bold;
His hair sent rivers down his spine;
Like a fowl packed to be sold
His flesh was grey. Martin said—
‘What, naked in this cold?

‘I have no food to give you,
Money would be a joke.’
Pulling his new sword form the sheath
He took his soldier’s cloak
And cut it in two equal parts
With a single stroke.

Grabbing one to his shoulders,
Pinning it with his chin,
The beggar dived into the dark,
And soaking to the skin
Martin went on slowly
Until he reached an inn.

One candle on the wooden table,
The food and drink were poor,
The woman hobbled off, he ate,
Then casually before
The table stood the beggar as
If he had used the door.

Now dry for hair and flesh had been
By warm airs fanned,
Still bare but round each muscled thigh
A single golden band,
His eyes now wild with love, he held
The half cloak in his hand.

‘You recognised the human need
Included yours, because
You did not hesitate, my saint,
To cut your cloak across;
But never since that moment
Did you regret the loss.

‘My enemies would have turned away,
My holy toadies would
Have given all the cloak and frozen
Conscious that they were good.
But you, being a saint of men,
Gave only what you could.’

St Martin stretched his hand out
To offer from his plate,
But the beggar vanished, thinking food
Like cloaks is needles weight.
Pondering on the matter,
St. Martin bent and ate.

 

 2091116-44ea6424edd2a63960e7e3654597fac5.jpg
Thom Gunn (29 augustus 1929 – 25 april 2004)
St. George's church in Gravesend, de geboorteplaats van Thom Gunn

 

 

Zie voor de schrijvers van de 11e november ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 10:36 Reageer op dit bericht

Hans Magnus Enzensberger, Mircea Dinescu, Carlos Fuentes, Nilgün Yerli, Luigi Malerba

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook mijn blog van 11 november 2010 en eveneens alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

Zungenwerk

Dein seltsamer, stockender Singsang,
jahrzehntelang fortgesetzt,
und der Singsang des Andern –
Flüstern, Summen, Keuchen, Stammeln –
wirre Wirbelstürme im Luftmeer:

Der gewandteste unter den Muskeln,
die Zunge allein – denke dir
eine einsame Zunge,
die sich vor dir auf dem Teller windet –,
die Zunge allein tut es nicht.

Seufzen, Murmeln, Schreien und Radebrechen –
»Qui la sua voce soave«, »Zu Befehl«,
»London Interbank Offered Rate«,
oder Verwickelteres
wie Koran oder Kosmologie:

Da geht es nicht ab ohne Blasebalg,
Ansatzrohr, Resonanzhöhlen;
da werden Knorpel gedreht, gekippt;
Deckel heben und senken,
Öffner und Schließer

spannen sich und erschlaffen,
Fasern, Membranen werden erregt,
immer so fort, innen,
im Andern, arbeitet es,
es arbeitet, innen, in dir:

eine Polsterpfeife, ein Zungenwerk,
unberechenbar, schwer verständlich,
ein chaotischer Oszillator,
immer so fort, bis ihr versteht,
oder bis euch die Luft ausgeht.

 

 

Für Karajan und andere

Drei Männer in steifen Hüten
vor dem Kiewer Hauptbahnhof –
Posaune, Ziehharmonika, Saxophon –

im Dunst der Oktobernacht,
die zwischen zwei Zügen zaudert,
zwischen Katastrophe und Katastrophe:

vor Ermüdeten spielen sie, die voll Andacht
in ihre warmen Piroggen beißen
und warten, warten

ergreifende Melodien, abgetragen
wie ihre Jacken und speckig
wie ihre Hüte, und wenn Sie da

fröstelnd gestanden wären unter Trinkern,
Veteranen, Taschendieben,
Sie hätten mir recht gegeben:

Salzburg, Bayreuth und die Scala
haben dem Bahnhof von Kiew
wenig, sehr wenig voraus.

 

 2091111-a4dc10e79afb86523d9fbfb1191ba37e.jpg
Hans Magnus Enzensberger (Kaufbeuren,11 november 1929)

 

 

De Roemeense dichter en schrijver Mircea Dinescu werd geboren op 11 november 1950 in Slobozia. Zie ook mijn blog van 11 november 2010 en eveneens alle tags voor Mircea Dinescu op dit blog.

 

TANZ

der tod liest zeitung am straßenrand,
dem toten bettler deckt sie das gesicht.
er hebt sein glas mit sicherer hand,
der tod auf den feldern, der tod im gedicht.

bürst ihm die kleider, leck ihm die schuh,
dein leben lang diene ihm gut.
nimm den talmiglanz der moscheen dazu,
er leuchte dir bei ebbe im blut.

schwing die ketten, sklave, beim totentanz,
das passende musikinstrument…
durch unser fleisch zieht sich byzanz,
mal als Europa, mal als Orient.

 

Vertaald door Werner Söllner

 

 

Exil

Les pommes de terre ont fleuri en Marmatie
et c'est maintenant que vous prenez le chemin du sud
quand le ciel bat la campagne éperdu
quand se confondent les pleurs et le pays?

Vous inventerez la douleur comme une terre
vous trouverez peut-être une tombe plus chaude
nous déterrons, nous déterrons les pommes d'émeraude,
ces pierres précieuses mes pauvres pommes de terre.

Quel dieu conservé dans les saumures divines
viendra encore nous ramasser tous à nouveau ?
Chez nous chez vous on pleure près des tombeaux
chez vous chez nous une histoire se termine.

 

Vertaald door Sanda Stolojan

 

2091111-9184f94f10c351c1a7a581e18c97f0ce.jpg
Mircea Dinescu (Slobozia, 11 november 1950)

 

 

De Mexicaanse dichter en schrijver Carlos Fuentes Macías werd geboren op 11 november 1928 in Panama-Stad. Carlos Fuentes overleed op de 15e mei van dit jaar. Zie ook mijn blog van 11 november 2010 en eveneens alle tags voor Carlos Fuentes op dit blog.

Uit: Inez (Vertaald door Margaret Sayers Peden)

“When the crystal seal began, first very low, very distantly, barely in a whisper, to sing, when the center of its circumference vibrated like a magical little bell, invisible, born of the very heart of the crystal -- its exaltation and its soul -- the old man felt first a shiver of forgotten pleasure run down his spine, then an unwanted rush of saliva, the uncontrollable drool of a mouth fitted with yellowed dentures, and then, as if gaze were allied to taste, he lost command of his tear ducts, and he told himself that old men should disguise their ridiculous tendency to weep at the least excuse, should cover it with the pious veil of a senility -- lamentable, but worthy of respect -- that tends to dribble like a wineskin run through too often by the swords of time.
He then took the crystal seal in his fist, as if to choke it as he would an annoying little gerbil, extinguishing the voice beginning to issue from its transparency, though he was fearful of snapping the seal's fragility in his grip, for he was still strong -- even if stringy and strung out -- accustomed to directing, cuing without a baton, with the pure flourish of a long-fingered bare hand, as eloquent for the full orchestra as for a violin or piano or cello solo, and stronger than the fragile bâton he had always scorned because, he said, it's nothing but a little stick, a stage prop that hinders rather than favors the flow of nervous energy that streams from my black curling locks, from my clear brow bursting with the light of Mozart, Bach, Berlioz, as if they, Mozart, Bach, Berlioz, they alone, were inscribing the score upon that brow, and from my eyebrows, beetling but separated by the sensitive, anguished space between them that they -- the orchestra -- perceive as my fragility, my guilt, and my punishment for being not Mozart or Bach or Berlioz but, rather, the simple transmitter, the conduit: the conductor so filled with energy, yes, but so fragile, too, so fearful of being the first to fail, to betray the work, he who has no right to err, but he who -- despite appearances, despite a hiss from the audience or a silent recrimination from the orchestra or an attack from the press or a temperamental scene with the soprano or a gesture of disdain from the soloist or the scornful vanity of a tenor or the buffoonery of a bass -- least deserves a critic harsher on himself than he himself, Gabriel Atlan-Ferrara.”

 

 2091111-43e3b6a6b315e91e3305289fdc38d8ce.jpg
Carlos Fuentes (11 november 1928 – 15 mei 2012)

 

 

De Turks-Nederlandse schrijfster Nilgün Yerli werd op 11 november 1969 geboren in Kirsehir,Turkije. Zie ook mijn blog van 11 november 2008 en eveneens allle tags voor Nilgün Yerli op dit blog.

Uit: Ruimte voor Service (Column)

“Als ik de winkel binnenkom, is de dame geïrriteerd want ze is aan het stofzuigen en ik stap precies op het plekje dat ze net heeft gezogen.
‘Ik zoek een sjaal,’ vraag ik, ‘kunt u mij helpen?’
‘Ik ben aan het stofzuigen, vraagt u maar aan mijn collega,’ zegt ze vriendelijk.
Ergens achterin zie ik een andere dame. Ik vraag haar: ‘Kunt u mij helpen?’
‘Ik ben even koffie aan het zetten, vraagt u maar aan mijn collega,’ zegt ze vriendelijk.
Maar ik ben uitgecollegaat… Er werken maar twee mensen in de zaak.
‘Ik ga weer want er is niemand die mij kan helpen,’ zeg ik bij vertrek tegen de dame die stofzuigt. Ze maakt een gebaar dat ze me niet kan horen vanwege het geluid van de stofzuiger
Het was 17.20 uur.
Nu ben ik veertig en het zal misschien klinken als ouderdomsgezeur, maar vroeger, toen ik als studente in winkels werkte, gingen om 18.00 uur de winkels dicht en waren wij nog aan het schoonmaken en de kassa tellen.
Maar nu begint men daarmee om 17.00 uur, zodat ze om 18.00 uur de deur van de winkel kunnen sluiten en buiten staan.
Zijn dit bezuinigingen, of is het verloedering van de service of nog erger: het krimpen van de economie?
Vrienden die bij mij op bezoek komen uit Istanbul of London kijken hun ogen uit, ‘niemand wil iets verkopen het gaat hier te goed’, de winkelier heeft een attitude van graag of niet, zeggen ze dan.”

 2091111-95762d922e82b15dc819069f9990915a.jpg
Nilgün Yerli (Kirsehir, 11 november 1969)

 

 

De Italiaanse schrijver Luigi Malerba werd geboren op 11 november 1927 in Berceto. Zie ook alle tags voor Luigi Malerba op dit blog en ook mijn blog van 11 november 2010

Uit: Het meisje in het grijs (Vertaald door Marc Vingerhoedt)

“Toen ik wakker werd, was mijn kussen doorweekt. Dat was bij mijn weten nog nooit gebeurd. Er is niets aan te doen, sinds de dag dat ik mij in het grijs kleed, is ook mijn leven grijs geworden, en wat nog erger is, ik begin mijn neerslachtigheid, mijn droefheid te koesteren en ik krijg nu ook angstaanvallen, net als al mijn vriendinnen. Ik zou dolgraag naar een psychoanalist gaan, maar eerst moet ik een nieuw contract hebben, want ze zeggen dat dat verschrikkelijk duur is.
Wanneer niemand me uitnodigt naar een restaurant, maak ik thuis iets klaar voor mij alleen. Gisteren barstte ik tijdens het eten van mijn spaghetti plots uit in een huilbui, de tranen vielen als regendruppels in mijn bord. Wanneer ik begin te huilen kan dat tellen. Op zeker ogenblik echter besloot ik te reageren, ik nam me voor iets te doen, in opstand te komen tegen de schooiers die mij in deze toestand hadden gebracht. Ik nam de telefoon en belde naar de boekhouder van die snoepgoedfirma, een kennis van mij, hoewel ik nooit met hem naar bed ben geweest. Ik zei hem dat ik in de maand dat ik voor hen had gewerkt, 500.000 lire had uitgegeven, alleen aan huur, telefoon en taxi. Plus het voorschot voor de kleurentelevisie, 100.000. Ze hadden mijn 800.000 lire betaald min de voorheffing, en daarvan had ik er 600.000 uitgegeven. Als zij denken dat ik een maand lang werk voor minder dan 200.000 lire, vergissen ze zich. De boekhouder zei niets, het was duidelijk dat hij niet wist wat te antwoorden. Daarna probeerde hij me ervan te overtuigen dat de uitgaven voor huur, telefoon en taxi, en ook die voor de kleurentelevisie, helemaal niets te maken hebben met het loon dat ik voor mijn diensten heb ontvangen. Voor uw diensten, zei hij, de idioot. Volgens sommige mensen zijn actrices allemaal sletten. Ik zei hem dat hij het nooit meer in zijn hoofd moest halen mij over diensten te spreken. Hij verontschuldigde zich en ging verder met te zeggen dat ze me goed betaald hadden en dat 800.000 lire een goede verdienste was. Alsof hij, als boekhouder, niet wist dat je je verdienste berekent door de uitgaven af te trekken van de inkomsten. Wie heeft het geld voor de huur, de telefoon en de kleurentelevisie uitgegeven, zei ik, jullie of ik? En de taxi? En het restaurant? Moet iemand die werkt volgens jullie niet meer eten? En hij zei, u mag niet vergeten dat de firma niet al uw kosten op zich kan nemen, en u mag niet vergeten dat een telefoonrekening drie maanden omvat. Ja, maar de rekening heb ik betaald terwijl ik voor jullie werkte. Hij was uit zijn lood geslagen, mijn redenering sloot als een bus. Ik weet hoe je balansen maakt, zei ik, al ben ik dan geen boekhouder. Hij begon te lachen aan de telefoon en zei dat ik geen firma ben, maar een gewoon meisje.”

 

 2091111-e4731bce8d4a2cca6ff6cb96cb93ca69.jpg
Luigi Malerba (11 november 1927 – 8 mei 2008)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e november ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 11 november 2008, mijn blog van 11 november 2007 en ook mijn blog van 11 november 2006.

Geschreven door Romenu om 10:36 Reageer op dit bericht

Christina Guirlande, Andreas Reimann, Kurt Vonnegut, Noah Gordon, Louis de Bougainville

De Belgische dichteres en schrijfster Christina Guirlande werd als Godelieve De Beule geboren te Moerzeke bij Dendermonde op 11 november 1938. Zie ook mijn blog van 11 november 2010 en eveneens alle tags voor Christina Guirlande op dit blog.

 

Oude boom

Er werd een boom geslacht. Hij kende mij
al jaren. De zijne waren uitgeteld in
ringen van zijn zieke stam. Men vond
dat het nu tijd was voor de bijl. Zijn bast
liet los als huid, zijn binnenste vermolmd

en uitgevreten, maar in zijn hoofd
woonden nog vogels als gehaaide krakers,
pronkten nog takken met het groen
van malachiet. De boom verdedigde zich
niet, hij kreunde zacht tussen de slagen door.

Nu warm ik mij behaaglijk aan zijn dood,
gooi brokken van zijn leven in het vuur,
vergeet het uur. Wat weten wij over
het wrang verdriet van bomen.

 

 

Zekerheid

Je weet het wel, alles gaat over: het nieuwe,
het doodgewone, de oude en verse pijn,

het zwijgen, het praten, het vrezen,
de rede, de roep van het bloed,

de stilstand, het nu en het later,
de groei, net het hoofd boven water,

ontgoocheling, overmoed, schaarste
en overvloed, de valstrik verbittering,

de honger, verzadiging, grimassen
van zuur of de glimlach van zoet,

het gaat over, omdat het moet.

 

 2091108-2708c6de0e259accd1ba4a5f5f7c1cb9.jpg
Christina Guirlande (Moerzeke, 11 november 1938)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Andreas Reimann werd geboren in Leipzig op 11 november 1946. Zie ook alle tags voor Andrea Reimann op dit blog en ook mijn blog van 11 november 2010

 

Inventarverzeichnis

Der schreibtisch, weiß, vom radio verwaltet,
der bauch vom tisch. Papier ist ausgefaltet,
die messinghände spreizen ihre flammen
und vögel, blau, die von den fischen stammen,
ziehn dünne fäden zwischen meinen wänden.
Die hohen blumen wolln den trübsinn pfänden.
Der tonbandrollen dunkle jahresringe,
die unbenutzte, schlecht geknüpfte schlinge,
die ton-oblaten, die im spitzlicht kreisen
und briefe, die mir meinen wert beweisen,
die alten gläser wie genußversprecher,
der bodensatz im schmalen silberbecher,
das aufgewölkte heu, die lederjacke,
im ofenloch die mondsteinfarbne schlacke,
die dunklen socken und berühmte rosen,
die hellen laken und die engen hosen,
die schmetterlinge mit den schwarzen lettern
sind eingestallt auf den erblaßten brettern.
Ihr braunen schuhe, ihr geschickt genähten:
werd ich in euch das herkunftsland betreten?
Von solchen dingen laß ich mich begleiten.
Ein hühnergott bewahrt vor bitterkeiten.
O schreibtisch, weiß, vom radio verwaltet!
Ihr dinge all, die ihr, erhaltend, haltet!
Wenn einer seins allein nicht tragen kann,
sei festgestellt: der mann kam endlich an.

 

 2091108-8341e75cd2159b20bc6b61e3e946e49f.jpg
Andreas Reimann (Leipzig, 11 november 1946)
Cover 

 

 

De Amerikaanse schrijver en schilder Kurt Vonnegut werd op 11 november 1922 geboren in Indianapolis. Zie ook mijn blog van 11 november 2010 en eveneens alle tags voor Kurt Vonnegut op dit blog.

Uit: Timequake

“I taught how to be sociable with ink on paper. I told my students that when they were writing they should be good dates on blind dates, should show strangers good times. Alternatively, they should run really nice whorehouses, come one, come all, although they were in fact working in perfect solitude. I said I expected them to do this with nothing but idiosyncratic arrangements in horizontal lines of twenty-six phonetic symbols, ten numbers, and maybe eight punctuation marks, because it wasn't anything that hadn't been done before.
In 1996, with movies and TV doing such good jobs of holding the attention of literates and illiterates alike, I have to question the value of my very strange, when you think about it, charm school. There is this: Attempted seductions with nothing but words on paper are so cheap for would-be ink-stained Don Juans or Cleopatras!They don't have to get a bankable actor or actress to commit to the project, and then a bankable director, and so on, and then raise millions and millions of buckareenies from manic-depressive experts on what most people want.
Still and all, why bother? Here's my answer: Many people need desperately to receive this message: "I feel and think much as you do, care about many of the things you care about, although most people don't care about them. You are not alone.”
(...)

“It was all here for me, just as it has all been here for you, the best and the worst of Western Civilization, if you cared to pay attention: music, finance, government, architecture, law and sculpture and painting, history and medicine and athletics and every sort of science, and books, books, books, and teachers and role models.
People so smart you can’t believe it, and people so dumb you can’t believe it. People so nice you can’t believe it, and people so mean you can’t believe it.”

 

 2091108-9d1c0810723f927d62e2a99d7fa2b1c7.jpg
Kurt Vonnegut (11 november 1922 – 11 april 2007)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Noah Gordon werd geboren op 11 november 1926 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Noag Gordon op dit blog en ook mijn blog van 11 november 2010

Uit: The Physician

“These were Rob J.'s last safe and secure moments of blessed innocence, but in his ignorance he considered it hardship to be forced to remain near his father's house with his brothers and his sister. This early in the spring, the sun rode low enough to send warm licks under the eaves of the thatched roof, and he sprawled on the rough stone stoop outside the front door, enjoying the coziness. A woman was picking her way over the broken surface of Carpenter's Street. The street needed repair, as did most of the small frame workingmen's houses thrown up carelessly by skilled artisans who earned their living erecting solid homes for those richer and more fortunate.
He was shelling a basket of early peas and trying to keep his eyes on the younger children, his responsibility when Mam was away. William Stewart, six, and Anne Mary, four, were grubbing in the dirt at the side of the house and playing secret giggly games. Jonathan Carter, eighteen months old, lay on a lambskin, papped, burped, and gurgling with content. Samuel Edward, who was seven, had given Rob J. the slip. Somehow crafty Samuel always managed to melt away instead of sharing work, and Rob was keeping an eye out for him, feeling wrathful. He split the green pods one after another and scraped the peas from the waxy seedcase with his thumb the way Mam did, not pausing as he noted the woman coming directly to him.
Stays in her stained bodice raised her bosom so that sometimes when she moved there was a glimpse of rouged nipple, and her fleshy face was garish with cosmetics. Rob J. was only nine years old but a child of London knew a trollop.
"Here now. This Nathanael Cole's house?"
He studied her resentfully, for it wasn't the first time tarts had come to their door seeking his father. "Who wants to learn?" he said roughly, glad his Da was out seeking work and she had missed him, glad his Mam was out delivering embroidery and was spared embarrassment.
"His wife needs him. She sent me."
"What do you mean, needs him?" The competent young hands stopped shelling peas.
The whore regarded him coolly, having caught his opinion of her in his tone and manner. "She your mother?"

 

 2091108-64ff20c50d00e22b830e951af8759674.jpg
Noah Gordon (Worcester, 11 november 1926)

 

 

De Franse schrijver, ontdekkingsreiziger, wereldreiziger en militair Louis Antoine de Bougainville werd geboren in Parijs op 11 november 1729. Zie ook alle tags voor Louis de Bougainville op dit blog en ook mijn blog van 11 november 2010

Uit: Voyage autour du monde

« L'amiral Roggewin repassa en Hollande de sa personne sur les vaisseaux de la Compagnie, et arriva au Texel le 11 juillet 1723, six cent quatre-vingts jours après son départ du même lieu.
Le goût des grandes navigations paraissait entièrement éteint, lorsque en 1741 l'amiral Anson fit autour du globe le voyage dont l'excellente relation est entre les mains de tout le monde, et qui n'a rien ajouté à lagéographie.
Depuis ce voyage de l'amiral Anson, il ne s'en est point fait de grand pendant plus de vingt années.
L'esprit de découverte a semblé récemment se ranimer.
Le commodore Byron part des Dunes le 20 juin 1764, traverse le détroit de Magellan, découvre quelques îles dans la mer du Sud, faisant sa route presque au nord-ouest, arrive à Batavia le 28 novembre 1765, au Cap le 24 février 1766 et le 9 mai aux Dunes, six cent quatre-vingt-huit jours après son départ.
Deux mois après le retour du commodore Byron, le capitaine Wallis part d'Angleterre avec les vaisseaux le Deflin et le Swallow, il traverse le détroit de Magellan, est séparé du Swallow, que commandait le capitaine Carteret, au débouquement dans la mer du Sud; il y découvre une île environ par le dix-huitième parallèle à peu près en août 1767; il remonte vers la ligne, passe entre les Terres des Papous, arrive à Batavia en janvier 1768, relâche au cap de Bonne-Espérance, et enfin rentre en Angleterre au mois de mai de la même année.
Son compagnon Carteret, après avoir essuyé beaucoup de misères dans la mer du Sud, arrive à Macassar au mois de mars 1768, avec perte de presque tout son équipage, à Batavia le 15 septembre, au cap de Bonne Espérance à la fin de décembre. On verra que je l'ai rencontré à la mer le 18 février 1769, environ par les onze degrés de latitude septentrionale. Il n'est arrivé en Angleterre qu'au mois de juin."

 

 2091108-ab47a1809c2c1223135e067347fe8c82.jpg
Louis de Bougainville (11 november 1729 - 20 augustus 1811)
Cover

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 11 november 2008, mijn blog van 11 november 2007 en ook mijn blog van 11 november 2006.

Geschreven door Romenu om 10:36 Reageer op dit bericht

William Matthews

De Amerikaanse dichter en essayist William Procter Matthews III werd geboren op 11 november 1942 in Cincinnati, Ohio. Matthews bezocht de Berkshire School en behaalde later een bachelordiploma aan de Yale University en een master aan de University of North Carolina in Chapel Hill. Naast zijn functie als writer-in-residence aan het Emerson College in Boston, bekleedde Matthews verschillende academische functies bij instellingen zoals de Cornell University, de University of Washington in Seattle, de University of Colorado in Boulder en de University of Iowa. Hij was president van Associated Writing Programs en van de Poetry Society of America. Op het moment van zijn overlijden was hij hoogleraar Engels en directeur van het programma voor creatief schrijven aan het City College van New York. Aan het City College van New York is een lezingenreeks naar hem vernoemd.
Tijdens zijn 27 jaar als auteur ontving Matthews beurzen van de Guggenheim Foundation en de National Endowment for the Arts. In 1980 was Matthews poet in residence in The Frost Place in Franconia, New Hampshire, en in 1997 ontving hij de Ruth Lilly Poetry Prize. Matthews publiceerde 11 poëziebundels, waaronder “Time & Money”,waarvoor hij in 1996 de National Book Critics Circle Award. Er werden twee postume collecties uitgegeven: “Search Party: Collected Poems” en “After All: Last Poems”.

 

The Cloister

The last light of a July evening drained
into the streets below: My love and I had hard
things to say and hear, and we sat over
wine, faltering, picking our words carefully.

The afternoon before I had lain across
my bed and my cat leapt up to lie
alongside me, purring and slowly
growing dozy. By this ritual I could

clear some clutter from my baroque brain.
And into that brief vacancy the image
of a horse cantered, coming straight to me,
and I knew it brought hard talk and hurt

and fear. How did we do? A medium job,
which is well above average. But because
she had opened her heart to me as far
as she did, I saw her fierce privacy,

like a gnarled, luxuriant tree all hung
with disappointments, and I knew
that to love her I must love the tree
and the nothing it cares for me.

 

 

On A Diet

Eat all you want but don’t swallow it.
—Archie Moore

The ruth of soups and balm of sauces
I renounce equally. What Rorschach saw
in ink I find in the buttery frizzle
in the sauté pan, and I leave it behind,
and the sweet peat-smoke tang of bananas,
and cream in clots, and chocolate. I give
away the satisfactions of food and take
desire for food: I’ll be travelling light

to the heaven of revisions. Why be
adipose: an expense, etc.,
in a waste, etc.? Something like
the body of the poet’s work, with its
pale shadows, begins to pare and replace
the poet’s body, and isn’t it time?

 

 2159407-81b286aacec5e54e5dd731a5982db6d2.jpg
William Matthews (11 november 1942 - 12 november 1997)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Jacob Cats, Friedrich Schiller, Jan van Nijlen, Arnold Zweig, Rick de Leeuw, Werner Söllner, Vachel Lindsay, Henry van Dyke, Aka Morchiladze

De Nederlandse dichter en schrijver Jacob Cats werd geboren op 10 november 1577 in Brouwershaven. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Jacob Cats op dit blog.

 

Eerste Trouw

Als van twee gepaarde schelpen
D’ene breekt, of wel verliest,
Niemand zal u kunnen helpen —
Hoe men zoekt, hoe nauw men kiest
Aan een, die met effen randen
Juist op d’ ander passen zou.
D’oudste zijn de beste panden,
Niets en gaat voor d’ eerste trouw;
D’eerste trouw, die leert het minnen,
D’eerste trouw is enkel vreugd,
D’eerste trouw, die bindt de zinnen,
Zij is ’t bloempje van de jeugd.
Naar mijn oordeel: twee-maal trouwen
Dat is veel niet zonder pijn;
Drie-maal kan niet als berouwen,
Want hoe kan der liefde zijn?
Houd uw eerste lief in waarden,
Eertse met een vollen zin;
’t Is een hemel opter aarden,
Zo je paart uit rechte min.

 

 

Is ´t oog verrast, ´t beest is in last

Beziet, het moedig dier de Leeuwe staat gebonden,
Omdat men zijne aard ten leste heeft gevonden:
Ach! Sampson is gevat, omdat zijn machtig haar
Werd, door een ontrouw wijf, zijn vijand openbaar.

Wil iemand in der haast zijn vijand overwinnen,
Die lere zijne grond en aangeboren zinnen.
Want zo hij dat geheim ten volle weten kan,
Daar is geen twijfel aan, hij is er meester van.

 

 2090950-56fdbc49e3b4ad1ad13afb094f79cd28.jpg
Jacob Cats (10 november 1577 – 12 september 1660)
Standbeeld in Groede

 

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Christoph Friedrich von Schiller werd geboren op 10 november 1759 in Marbach. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Friedrich Schiller op dit blog.

Uit: Kabale und Liebe

“Erster Akt. Erste Scene. Zimmer beim Musikus.
MILLER steht eben vom Sessel auf und stellt sein Violoncell auf die Seite. An einem Tisch sitzt FRAU MILLERIN noch im Nachtgewand und trinkt ihren Kaffee.

MILLER (schnell auf- und abgehend). Einmal für allemal! Der Handel wird ernsthaft. Meine Tochter kommt mit dem Baron ins Geschrei. Mein Haus wird verrufen. Der Präsident bekommt Wind, und kurz und gut, ich biete dem Junker aus.
FRAU Du hast ihn nicht in dein Haus geschwatzt – hast ihm deine Tochter nicht nachgeworfen.
MILLER Hab' ihn nicht in mein Haus geschwatzt – hab' ihm 's Mädel nicht nachgeworfen; wer nimmt Notiz davon? – Ich war Herr im Haus. Ich hätt' meine Tochter mehr coram nehmen sollen. Ich hätt' dem Major besser auftrumpfen sollen – oder hätt' gleich Alles Seiner Excellenz, dem Herrn Papa, stecken sollen. Der junge Baron bringt's mit einem Wischer hinaus, das muß ich wissen, und alles Wetter kommt über den Geiger.
FRAU (schlürft eine Tasse aus). Possen! Geschwätz! Was kann über dich kommen? Wer kann dir was anhaben? Du gehst deiner Profession nach und raffst Scholaren zusammen, wo sie zu kriegen sind.
MILLER Aber, sag mir doch, was wird bei dem ganzen Commerz auch herauskommen? – Nehmen kann er das Mädel nicht – Vom Nehmen ist gar die Rede nicht, und zu einer – daß Gott erbarm? – Guten Morgen! – Gott, wenn so ein Musje von sich da und dort, und dort und hier schon herumbeholfen hat, wenn er, der Henker weiß! was als? gelöst hat, schmeckt's meinem guten Schlucker freilich, einmal auf süß Wasser zu graben. Gib du Acht! gib du Acht! und wenn du aus jedem Astloch ein Auge strecktest und vor jedem Blutstropfen Schildwache ständest, er wird sie, dir auf der Nase, beschwatzen, dem Mädel Eins hinsetzen und führt sich ab, und das Mädel ist verschimpfiert auf ihr Lebenlang, bleibt sitzen, oder hat's Handwerk verschmeckt, treibt's fort. (Die Hand vor der Stirn) Jesus Christus!
FRAU Gott behüt' uns in Gnaden!
MILLER Es hat sich zu behüten. Worauf kann so ein Windfuß wohl sonst sein Absehen richten? – Das Mädel ist schön – schlank – führt seinen netten Fuß. Unterm Dach mag's aussehen, wie's will. Darüber guckt man bei euch Weibsleuten weg, wenn's nur der liebe Gott parterre nicht hat fehlen lassen – Stöbert mein Springinsfeld erst noch dieses Kapital aus – he da! geht ihm ein Licht auf, wie meinem Rodney, wenn er die Witterung eines Franzosen kriegt, und nun müssen alle Segel dran, und drauf los, und – ich verdenk's ihm gar nicht. Mensch ist Mensch. Das muß ich wissen.”

 

 2090950-f5083c035804953775721167f6557bb0.jpg
Friedrich Schiller (10 november 1759 - 9 mei 1805) 
Scene uit een opvoering in Stendal, 2012

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jan van Nijlen werd geboren op 10 november 1884 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Jan van Nijlen op dit blog.

 

De schepen

Ik hoor vanavond verre schepen fluiten
En, even hopend, schoon ik niets verwacht,
Druk ik mijn hoofd tegen de kille ruiten
En zie de haven in de blauwe nacht.

Vertrouwd geluid, ik hoorde u reeds als kind,
Soms midden in de nacht, maar meestal tegen
De avond bij het opgaan van de wind,
Als moeder zei: 'wij krijgen zeker regen'.

Toen dacht ik reeds aan dezen die vertrekken
Ver van het huis en het misprezen land,
De begenadigden, de zachte gekken
Die zullen zoeken naar een vaderland.

En in mijn dromen voer ik met hen mee.
Ofschoon geboren in een buurt der haven,
Bereikte ik nooit de oever van de zee,
Laat staan Tananarive of Tamatave.

Het kind dat aan zijn lot nooit gans kon wennen
En door de droom nog voortleeft in de man,
Weet nu dat een klein stukje heide en dennen
Alles bevat wat de aarde geven kan.

Maar soms, al ben ik bitter en gehard
Door 't leven, overstroomt een niet te stuiten
Vloed van verlangens mijn onwillig hart
Als in de nacht de verre schepen fluiten.

 

 2090950-4d942b087f6440c3274dafecaa8a0ef1.jpg
Jan van Nijlen (10 november 1884 – 14 augustus 1965)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Arnold Zweig werd op 10 november 1887 in een gematigd religieuze joodse familie geboren in Glogau, Neder-Silezië (nu Głogów, Polen). Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Arnold Zweig op dit blog.

Uit: Erziehung vor Verdun

„Die Erde ist eine gelbgrün gefleckte, blutgetränkte Scheibe, über die ein unerbittlich blauer Himmel gestülpt ist wie eine Mausefalle, damit die Menschheit den Plagen nicht entrinne, die ihre tierische Natur über sie verhängt.
Seit Mitte Mai stand die Schlacht. Jetzt, Mitte Juli, zerstampften die Geschütze noch immer die Senke zwischen dem Dorf Fleury und dem Fort Souville. Hin und her rollte dort eine Walze von Explosionen; Rauchschwa-den, giftig zu atmen, Staubwolken, pulverisierte Erde und herumfliegende Brocken von Steinen und Mauerwerk verdunkelten die Luft. Legionen von Spitzkugeln durchpfiffen sie, große und kleine Stahlsplitter durchsiebten sie unermüdlich. Nachts flammte und gellte das Hinterland der Front vom Einschlag der Geschosse; tags fieberte die Bläue vom Schnattern der Maschinengewehre, vom Bersten der Handgranaten, vom Heulen und Winseln verlorener Menschen. Immer wieder verwehte dort der Sommerwind den Staub der Sturmangriffe, trocknete den Schweiß der Stünnenden, die mit starren Augen und Kiefern aus ihren Deckungen kletterten, entführte höhnisch das Stöhnen der Verwundeten, den letzten Atem der Sterbenden. Seit Ende Februar greifen hier die Deutschen an. Zwar ist der Krieg zwischen den Europäern, der seit zwei Jahren wütet, im Südosten des Erdteils entstanden; dennoch trägt Frankreich, sein Volk, sein Land und sein Heer die Hauptlast der Verwüstung; und obwohl gerade jetzt auch in der Bukowina erbittert gefochten wird, an den Flüssen Etsch und Isonzo, schlägt man sich doch am wildesten an den Ufern der beiden französischen Flüsse Somme und Maas. Und die Schlacht rechts und links dieses letzteren Gewässers ging um den Besitz der Festung Verdun.
Ein Trupp gefangener Franzosen marschiert unter Bedeckung von bayrischen Infanteristen die Landstraße hin, die von dem ehemaligen Dorf Azannes nach einem noch vorhandenen Bahnhof, namens Moirey, führt. Schlecht marschiert es sich zwischen aufgepflanzten Bajonetten, schlecht in die Gefangenschaft eines Gegners, der bei seinein Einbruch in Belgien und Frankreich bewiesen hat, daß ihm Menschenleben billig erscheinen, eigene wiefremde. In Deutschland hungert man, das ist weltbekannt, in Deutschland schindet man die Gefangenen, kennt man keine Achtung vor den Gesetzen der Gesittung; so steht es in allen Zeitungen.“

 

 2090950-c77202c14e407eabc213dab2c0c349f4.jpg
Arnold Zweig (10 november 1887 – 26 november 1968)
Cover

 

 

De Nederlandse dichterschrijver, zanger en producer Rick de Leeuw werd geboren in Haarlem op 10 november 1960. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Rick de Leeuw op dit blog.

 

Taart

Jeanine zit aan het raam en ziet de schemer vallen
De post is laat
vandaag of komt niet meer, steeds
Vaker komt niet meer. Zoals ook de perentaart
Op tafel, veel te groot voor haar alleen, nog
Rekent op bezoek. Het recept heeft ze van
Haar moeder, haar gastvrijheid eveneens
Maar zonder gasten eet ze liever brood
Dat had
ze vroeger al. Feesten kon ze,
Vroeger, ze deed het ook zo graag.
Ze zet de taart weg en sloft naar
Bed, haar verjaardag is voorbij
En morgen weer als gisteren
Het wordt een lange nacht

 

 2090950-cdaa9a6464d0c4320d59dd9e9d678b08.jpg
Rick de Leeuw (Haarlem, 10 november 1960)
Cover

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Werner Söllner werd geboren op 10 november 1951 in Arad, Roemenië. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Werner Söllner op dit blog.

 

Zweite Natur

Staunend
über die Ausdauer, mit der das Lebendige
lebt, über die Phantasie
der Triebe, schau ich zu, wie der Garten
langsam verwildert.

Ich weiß, ohne irgendein Recht, da
zu sein, bin ich hier. Fristlos kündbar
sitz ich am Zaun, arglos fertig
gemacht unter einem fremden Stern, herbeizitiert
in die Haut, diese einmalige Geschichte,
und bereite mich vor, während
der fleißige Nachbar das Gras
von der Klinge wischt, damit sie
nicht rostet.

Im gemieteten Paradies nenn ich
nichts Nennenswertes mein eigen, nur
eine machtlose Art Liebe, die fremd gehen wird
mit dem Tod, nur die paar gepackten
Buchstaben, auf denen ich sitze, nur
die Erinnerung, das fleißige Lieschen
meiner Irrtümer, stetig wachsende
Zweifel, meine zweite Natur.

Sicher, auch traurig geworden
auf natürliche Weise, als ich erwachte
und den Schlüssel blutrot im Gras
sah, ohne mich bücken zu können. Wenn
ich wüßte, wer das getan hat, ich würde
hingehn. Aber so bleibe ich, ungefragt
staunend, am Zaun, so beuge ich mich
vorläufig über ein Blatt, verliebt
in etwas, ohne Hoffnung
auf mehr.

 

 2090950-3b009ad0adb3d60d4d89bf06d6a98d7c.jpg
Werner Söllner (Arad, 10 november 1951)

 

 

De Amerikaanse dichter Vachel Lindsay werd geboren op 10 november 1879 in Springfield, Illinois. Zie ook alle tags voor Vachel Lindsay op dit blog.

 

A Sense Of Humor

No man should stand before the moon
To make sweet song thereon,
With dandified importance,
His sense of humor gone.

Nay, let us don the motley cap,
The jester's chastened mien,
If we would woo that looking-glass
And see what should be seen.

O mirror on fair Heaven's wall,
We find there what we bring.
So, let us smile in honest part
And deck our souls and sing.

Yea, by the chastened jest alone
Will ghosts and terrors pass,
And fays, or suchlike friendly things,
Throw kisses through the glass.

 

 

The Sun Says His Prayers

"The sun says his prayers," said the fairy,
Or else he would wither and die.
"The sun says his prayers," said the fairy,
"For strength to climb up through the sky.
He leans on invisible angels,
And Faith is his prop and his rod.
The sky is his crystal cathedral.
And dawn is his altar to God."

 

 2090950-ef69b52709e261b8a8a7590738ecfa6e.jpg
Vachel Lindsay (10 november 1879 - 5 december 1931)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en predikant Henry van Dyke werd geboren in Germantown, Pennsylvania op 10 november 1852. Zie ook alle tags voor Henry van Dyke op dit blog.

 

Two Schools

My heart came back again:
"Now where is the prize?" I cried. ----
"The rule was false, and the prize was pain,
And the teacher's name was Pride."

I put my heart to school
In the woods, where veeries sing,
And brooks run cool and clear;
In the fields, where wild flowers spring,
And the blue of heaven bends near.
"Go out," I said: "you are half a fool,
But perhaps they can teach you here."

"And why do you stay so long,
My heart, and where do you roam?"
The answer came with a laugh and a song, ---
"I find this school is home."

 

 

A Home Song

I read within a poet's book
A word that starred the page:
"Stone walls do not a prison make,
Nor iron bars a cage!"

Yes, that is true; and something more
You'll find, where'er you roam,
That marble floors and gilded walls
Can never make a home.

But every house where Love abides,
And Friendship is a guest,
Is surely home, and home-sweet-home:
For there the heart can rest.

 

 2090950-839f28733d0f26c428fd346e5865df11.jpg
Henry van Dyke (10 november 1852 – 10 april 1933)

 

 

De Georgische schrijver Aka Morchiladze werd geboren op 10 november 1966 in Tbilisi. Zie ook alle tags voor Aka Morchiladze op dit blog en ook mijn blog van 10 november 2010

Uit: Santa Esperanza

“All the stories were quite different, none of them resembled another. Every time I tried to record a new one, I thought a lot. No wonder I managed to succeed in understanding a great deal of the mode of the Johnians' life-style. Those more than a hundred notebooks (to be more exact, there were one hundred and forty-one, when I last counted them) made up a huge excess baggage. For that I had to blame my age-long passion for using unexploited notebooks — I could never relinquish a bad habit of starting a new piece in a fresh one! The temptation of buying them in huge amounts was boosted by the fact that they were extremely cheap — three-pence each. Thus, on the whole, all my expenses for them amounted to three local pounds only. So much for the notebooks. Now for something more important: All of a sudden, I found the way out — I found the key to the problem! I mean, I knew how to make a solid book out of those separate notebooks! The key was the initial device for everything that followed. If not that key, there would be no book at all. Frankly speaking, I didn't suspect I was writing a book when I started recording those stories. I simply did it for the sake of depicting some interesting facts and data, at times so indispensable for a writer. In other words, I thought I was ready to face the problem of taking a start on returning home. Generally, I am a very slow starter. Sometimes it takes me two to seven years of thinking and nursing the idea, before I actually write a book. But once the plot is ready, I can put it down on paper very swiftly. Five days were left before my departure, when a local friend of mine presented me with a pack of playing cards. This is a traditional gift on the Isles, and the most popular souvenir. But the ordinary packs for everyday practice, and those used for souvenirs, are quite different. As a matter of fact, it's definitely impossible to leave Santa Esperanza without those playing cards. Actually, I was going to buy a pack myself, but there are catalogues with prices for the souvenir packs, and the really good ones are rather expensive. It was quite obvious that I couldn't afford buying the extraordinary packs I liked best; but I couldn't easily make up my mind to choose amongst the ordinary ones. It was stupid to leave it as the last minute shopping, I know, but that's what generally happens. So, while I was thinking the problem over and over again, a friend of mine put a pack in front of me, on a cafe table, saying: "Here, take it and make a good use of it". That was a very expensive pack, and I felt terribly uneasy. It seemed unfair to accept the seven-hundred-pound gift for nothing!“

 

 2090950-ffccf34bf1db423517b0381aee815866.png
Aka Morchiladze (Tbilisi, 10 november 1966)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e november ook mijn blog van 10 november 2014 en eveneens mijn blog van 10 november 2013 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 10 november 2008, mijn blog van 10 november 2007 en ook mijn blog van 10 november 2006.

Geschreven door Romenu om 18:04 Reageer op dit bericht

ECI Literatuurprijs voor Koen Peeters

ECI Literatuurprijs voor Koen Peeters

Donderdagavond is de ECI Literatuurprijs van 50 duizend euro toegekend aan de Vlaamse schrijver Koen Peeters voor “De mensengenezer”. Juryvoorzitter Thom de Graaf reikte de prijs van 50 duizend euro uit in het Theater aan het Spui in Den Haag. Zie ook alle tags voor Koen Peeters op dit blog.

Uit:De mensengenezer

“Het wezen, er bestaat misschien zoiets als het wezen van de Westhoek. Misschien is het een geest, een daimon, een genius, die niet bestaat als lichaam maar toch sluipt en heerst in het  West-Vlaamse landschap. Altijd opnieuw lijkt deze geest te verschijnen: in de huizen, de dorpen en langs de wegen. Het is alsof die geest de hele tijd opstijgt en neerdaalt in het vlakke landschap. Op ijle wijze. Misschien gebeurt de beweging via zonnestralen, lijsters en leeuweriken, of als een haast onhoorbare tamtam, of via een andere stofwisseling of circulatie. Men kan hem horen hijgen tussen de woorden die de mensen zeggen, in het corpus van zinnen en verhalen die men elkaar vertelt.
Als deze geest een verschijningsvorm heeft, dan zit hij waarschijnlijk daarin: in de verhalen.
Ook zijn er mensen die de geest kunnen waarnemen in de dikke mist die in de Westhoek hangt. Als een deken van as. Als gescheurde flarden van oude gordijnen. In mistslierten over de akkers onder de herfstmaan.
De geest.
Deze geest, de genius, de daimon of hoe moeten we hem noemen?
Wat is een daimon eigenlijk? Hoe noemen we de kracht die iemand verrukt of rusteloos op pad stuurt, over de grenzen van generaties, continenten of zelfs beschavingen heen?
In alles wat in de Westhoek wordt gezegd klinkt die galm.
Het is een klein gonzend geroffel, alleen opgemerkt door een gevoelige observator. Misschien wordt het ritme, de resonantie via de sporen van hazen in de aarde gelegd. Hazenprenten.
Dat zou een mooie theorie zijn: dat oude geschiedenissen per hazenpoot neerdalen en weer opstijgen in al wat groeit. Veelsoortig, onuitroeibaar, elk jaar opnieuw. Deze verhalen verliezen zichzelf in bloemblaadjes. Zachte rode, bloedrode bloemblaadjes. Ik bedoel klaprozen.

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row,
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.

‘Of in korenbloemen, dat zou ook kunnen,’ zei nonkel Marcel knorrig, wrijvend met de hand over zijn voorhoofd. De ogen trillend gesloten. ‘Larks, wat waren dat ook weer, jongen?’
‘Dat zijn leeuweriken, nonkel.’

 

 2090758-0e6be278fbf22f94eef2b24c38bdd3f4.jpg
Koen Peeters (Turnhout, 9 maart 1959)

Geschreven door Romenu om 08:17 Reageer op dit bericht

Kevin Carey

Onafhankelijk van geboortedata

De Engelse dichter en schrijver Kevin Carey werd geboren in november 1951. Hij studeerde aan Cambridge en Harvard. Op 26-jarige leeftijd verloor hij zijn gezichtsvermogen. Aan het einde van de jaren zeventig sloot hij zich aan bij Sightsavers International en werkte hij in vijftien jaar in meer dan vijftig ontwikkelingslanden, en ontwierp nationale blindheidpreventieplannen en -strategieën voor ongeneeslijk blinde mensen die behoefte hadden aan onderwijs, rehabilitatie en werk. Carey is de voorzitter van RNIB, de belangrijkste blindenorganisatie van het Verenigd Koninkrijk en lezer in zijn parochiekerk. Hij was lid van de generale synode en is naast schrijver ook koorzanger, theoloog, en criticus van klassieke muziek. Carey was verder actief als lid van de Ofcom Content Board, Nesta fellow in Accessible Broadcasting en CEO van een IT Consultancy bureau, gespecialiseerd in informatieontwerp en architectuur. Ook ontving hij een Royal Television Society Engineering award voor toegankelijke televisie.

 

I cannot see the star

I cannot see the star,
The clouds are black like coal,
Not thunder from afar
But bombed and burning oil:
A child You were in Bethlehem
But mine is gone; remember him.

Born in a rubbled cave,
Swords glinting in the night,
I heard the groaning slave,
The desperate urge to fight:
So many children died for me
And I for them; remember me.

I do not want the tree,
The sparkling lights, the snow,
But Your nativity
And its red afterglow
To help me bear my infant's tiny cross
Through life; remember loss.

The candles and the snow
Are harmless revelry
But I cannot forego
Encounter with the tree
To live my Father's love who reigns above
For all; remember love.

 

 

When Jesus cries

When Jesus cries I hear him call,
He who seeks milk and human warmth,
Who could have been an earthly king,
ith awesome power and matchless strength.

I hear the baby where I might
Be deaf to clamour from a king,
For I would never want to fight,
But would console that little thing.

God seems eternally in men,
And so this child gives much to me,
Of motherhood, a woman's grief,
A simple, smiled nativity.

 

 2102494-56a8e5975dc5d4d80be43b557367582a.jpg
Kevin Carey (november 1951)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Ivan Toergenjev, Jens Christian Grøndahl, Erika Mann, Jan Decker, Roger McGough, Anne Sexton, Mohammed Iqbal, Karin Kiwus, Michael Derrick Hudson

De Russische schrijver Ivan Sergejevitsj Toergenjev werd geboren op 9 november 1818 in Orjol, in de Oekraïne. Zie ook mijn blog van 9 november 2010 en eveneens alle tags voor Ivan Toergenjev op dit blog.

Uit: A House of Gentlefolk (Vertaald door Constance Garnett)

“A bright spring day was fading into evening. High overhead in the clear heavens small rosy clouds seemed hardly to move across the sky but to be sinking into its depths of blue.
In a handsome house in one of the outlying streets of the government town of O—— (it was in the year 1842) two women were sitting at an open window; one was about fifty, the other an old lady of seventy.
The name of the former was Marya Dmitrievna Kalitin. Her husband, a shrewd determined man of obstinate bilious temperament, had been dead for ten years. He had been a provincial public prosecutor, noted in his own day as a successful man of business. He had received a fair education and had been to the university; but having been born in narrow circumstances he realised early in life the necessity of pushing his own way in the world and making money. It had been a love-match on Marya Dmitrievna’s side. He was not bad-looking, was clever and could be very agreeable when he chose. Marya Dmitrievna Pestov—that was her maiden name—had lost her parents in childhood. She spent some years in a boarding-school in Moscow, and after leaving school, lived on the family estate of Pokrovskoe, about forty miles from O——, with her aunt and her elder brother. This brother soon after obtained a post in Petersburg, and made them a scanty allowance. He treated his aunt and sister very shabbily till his sudden death cut short his career. Marya Dmitrievna inherited Pokrovskoe, but she did not live there long. Two years after her marriage with Kalitin, who succeeded in winning her heart in a few days, Pokrovskoe was exchanged for another estate, which yielded a much larger income, but was utterly unattractive and had no house. At the same time Kalitin took a house in the town of O——, in which he and his wife took up their permanent abode. There was a large garden round the house, which on one side looked out upon the open country away from the town.
‘And so,’ decided Kalitin, who had a great distaste for the quiet of country life, ‘there would be no need for them to he dragging themselves off into the country.’ In her heart Marya Dmitrievna more than once regretted her pretty Pokrovskoe, with its babbling brook, its wide meadows, and green copses; but she never opposed her husband in anything and had the greatest veneration for his wisdom and knowledge of the world. When after fifteen years of married life he died leaving her with a son and two daughters, Marya Dmitrievna had grown so accustomed to her house and to town life that she had no inclination to leave O——"

 

 2090629-3fd4a435f3db5631a06231d5b24f862e.jpg
Ivan Toergenjev (9 november 1818 – 3 september 1883)
Cover

 

 

De Deense schrijver Jens Christian Grøndahl werd geboren in Lyngby op 9 november 1959. Zie ook alle tags voor Jens Christian Grøndahl op dit blog.

Uit: Vaak ben ik gelukkig (Vertaald door Femke Blekkingh-Muller)

“Nu is jouw man ook dood, Anna. Jouw man. Onze man. Ik had eigenlijk graag gewild dat hij naast jou kwam te liggen, maar jij had al buren, een advocaat en een mevrouw die een paar jaar geleden is begraven. De advocaat lag er al heel lang toen jij erbij kwam. Ik heb voor Georg een vrij graf gevonden op de volgende rij, van jouw graf kun je de achterkant van zijn steen zien. Ik heb gekozen voor kalksteen, ook al zei de steenhouwer dat dat te lijden heeft van weer en wind. Wat maakt dát uit? Ik houd niet van graniet. De tweeling wilde wel graag graniet, op dat punt waren ze het voor één keer met elkaar eens. Maar graniet is te zwaar, onze Georg klaagde altijd dat hij zo’n druk op zijn borst voelde. We hadden dat waarschijnlijk serieuzer moeten nemen, maar hij wuifde het weg. Hij klaagde, en als je zijn zorg dan wilde delen, werd je afgewezen. Zo was Georg.
Hij is onder de douche in elkaar gezakt. Ik wist meteen dat het mis was, of misschien denk ik nu achteraf pas dat ik dat wist. Hij kreunde en het was vreemd om met zijn zware, natte lichaam te slepen. Hij was nog bij bewustzijn toen ik hem in bed legde.
Toen de ambulance kwam, was het voorbij. Hij zag er nog hetzelfde uit, ouder, maar nog steeds best knap. Als hij op zijn rug lag, was zijn buik niet zo groot. Jij hebt hem zo nooit gezien. Achtenzeventig is helemaal niet oud, toch? Zeventig ook niet trouwens. Jij had ook best degene kunnen zijn die hem vond op de tegels onder de warme straal. Normaal gesproken zou jij hem hebben gevonden. Kun je dat zeggen? Hij stond er altijd heel lang onder. Hij had gewoon kunnen blijven staan als niet een van zijn kransslagaders was gescheurd. Het had jullie leven kunnen zijn dat gewoon was doorgegaan. Waar zou ik zijn geweest in jullie leven? Waar zou ik zijn geweest in mijn leven? “

 

 2090629-72a960eca01358cd36b4d3730d07a205.jpg
Jens Christian Grøndahl (Lyngby, 9 november 1959)

 

 

De Duitse schrijfster Erika Mann werd geboren op 9 november 1905 in München als oudste dochter van de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 9 november 2010 en eveneens alle tags voor Erika Mann op dit blog.

Uit: Wenn die Lichter ausgehen

„Die beiden Burschen waren ordentlich und höfl ich gewesen. Trotzdem hatte ihn das Zusammentreffen bedrückt. Warum hatten sie gelacht, als sie vor dem Schaufenster standen? Er ging hinüber und fand einen Zettel am Fenster, den er aus der Ferne nicht hatte sehen können.
«Öffentliches Ärgernis!» war dort zu lesen. «Der Führer braucht Soldaten, keine Betschwestern! Nieder mit den scheinheiligen Volksfeinden! Pfaffen raus! Raus! Heil Hitler!»
Der Fremde war wütend und angewidert, als er das las. Dann fand er, daß solche Lumpereien überall möglich seien. Auf der ganzen Welt machte die Jugend solche Dummheiten. Bei mir zu Hause verschlucken sie Goldfi sche, dachte er. Das ist auch nicht viel besser. Trotzdem, warum hatten die beiden Uniformierten den Zettel nicht abgenommen? Wahrscheinlich waren sie zu jung und fanden die Sache komisch. Jedenfalls lasse ich mir von diesem Zettel weder die Laune noch den Eindruck von dieser Stadt verderben. Es fröstelte ihn, und er fand, ein Cognac würde ihm guttun.
Die kleine Wirtschaft in der Glockenstraße hallte wider vom Lärm aus dem Lautsprecher. Einige Gäste saßen beim Bier und lauschten schweigend den Worten ihres Führers.
Warum flucht er so viel, fragte sich der Fremde. Er begriff, daß vom Wirtschaftswachstum des «Dritten Reiches» die Rede war, einem Thema, das eigentlich kaum solche Erregung auslösen konnte. Wie viele Hotelübernachtungen hatte es im letzten Jahr in Deutschland gegeben? Wie viele Papierrollen waren in Deutschlands Fabriken hergestellt worden? Wie viele Bergwanderungen waren angeboten worden? Jede dieser Zahlen wurde von der Stimme am Mikrophon herausgeschleudert, als sollte sie die Zuhörer erschüttern und überwältigen.
Der Wirt gähnte laut hinter seinem Tresen. Der deutsche Cognac schmeckte wie parfümierter Methylalkohol, und das Stück Brot, um das der Fremde gebeten hatte, war feucht, grau und klebrig.
«Haben Sie Eier?» fragte einer der Gäste.
«Nein», meinte der Wirt, «aber Sie können den Völkischen Beobachterhaben."

 

 2090629-64ff53fb8e3660f64c72c96184474ec2.jpg
Erika Mann (9 november 1905 - 27 augustus 1969)
Hier met W. A. Auden

 

 

De Duitse schrijver Jan Decker werd geboren op 9 november 1977 in Kassel. Zie ook mijn blog van 9 november 2010 en eveneens alle tags voor Jan Decker op dit blog.

Uit:Der lange Schlummer

“Manch einer mag an eine Novelle glauben, wenn er diese Meldung von mir bekommt. Ich hingegen kann dir versichern, dass sie allein den Tatsachen entspricht. Folgendes hat sich zugetragen: Dein treuer Spaziergänger und Freund Johann Gottfried Seume hat über zweihundert Jahre unter einem Stein in Italien geschlummert. Er ist endlich aufgewacht, um seinen letzten Spaziergang anzutreten, der ihn heimwärts nach Grimma führen soll.
Ich vermag dir nicht genau zu berichten, wie ich zu jenem Thüringer Rasthof gelangt bin, der meine erste wissentliche Erinnerung nach dem langen Schlummer darstellt. Immerhin zeigten mir die Buchstaben über dem Rasthofgebäude an, dass ich in Gräfenroda gelandet war. Also im Thüringer Wald und mitnichten im Hades, was mir auch die verwunderten Gesichter der Rasthofbesucher mitteilten. Sie mokierten sich eifrig über meinen Aufzug, der ihnen etwas altertümlich vorkam. Nur der Rasthofbesitzer fand sich bereit, mir eine warme Suppe und ein Brot zu spendieren, nachdem ich ihm glaubhaft versichert hatte, keine Münze der neuen Währung im Gepäck zu haben. Denke dir, dass mir am Geld in seinen Händen als Erstes auffiel, wie lange mein Schlummer gedauert hatte.
Ja, ich halte viel auf Pünktlichkeit, deshalb tat mir meine Verspätung selbst am meisten leid. War ich doch plötzlich ein Kind, das die Welt neu erlernen musste. Zweihundert Jahre sind keine Lappalie, und so hangelte ich mich langsam am Vertrauten entlang. Die warme Suppe schmeckte köstlich wie ehedem, nur das Brot war ungewohnt hart und dunkel, mit ganzen Körnern im Teig, die ich sogleich ausspuckte.
Wenn dir mein Verhalten recht alttestamentarisch vorkommt, so hast du recht. Hier saß nun Abraham, der durch eine List der Geschichte in das Neue Testament geraten war. Ich musste als ein solchermaßen neu erwachtes Erdenkind einen neuen Bund mit mir schließen.
So schwor ich mir, nach alter Väter Sitte die Füße in die Hand zu nehmen und an die Mulde zu spazieren, um dort nach Freunden und Vertrauten zu sehen. Oder mich in die Gruft zu legen, sollte mir die neue Zeit nicht schmecken und ich meine Tage allein fristen müssen. Wenigstens bin ich um dein Schicksal unbesorgt. Da wir uns nicht im Paradies begegnet sind, müssen wir beide noch irgendwo am Leben sein.“

 

 2090629-5719971ba226ffc5c5d915bf84064237.jpg
Jan Decker (Kassel, 9 november 1977)
 

 

De Engelse dichter en schrijver Roger Joseph McGough werd geboren op 9 november 1937 in Litherland, Lancashire. Zie ook alle tags voorRoger McGough op dit blog enook mijn blog van 9 november 2010.

 

Oxygen

I am the very air
you breathe
Your first
and last
breath

I welcomed you
at birth
Shall bid
farewell
at death

I am the Kiss of Life
its ebb and flow
With your last gasp
You will call my name:
'o o o o o o o o'

*

I am the very air
you breathe
Your first
and last
breath

I welcomed you
at birth
Shall bid
farewell
at death

I am the Kiss of Life
its ebb and flow
With your last gasp
You will call my name:
'o o o o o o o o'

 

 2090629-96694c89b08249e2a4f4a5688bacd823.jpg
Roger McGough (Litherland, 9 november 1937)

 

 

De Engelse dichteres en schrijfster Anne Sexton werd geboren op 9 november 1928 in Newton, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 9 november 2010 en eveneens alle tags voor Anne Sexton op dit blog.

 

45 Mercy Street (Fragment)

In my dream,
drilling into the marrow
of my entire bone,
my real dream,
I'm walking up and down Beacon Hill
searching for a street sign -
namely MERCY STREET.
Not there.

I try the Back Bay.
Not there.
Not there.
And yet I know the number.
45 Mercy Street.
I know the stained-glass window
of the foyer,
the three flights of the house
with its parquet floors.
I know the furniture and
mother, grandmother, great-grandmother,
the servants.
I know the cupboard of Spode
the boat of ice, solid silver,
where the butter sits in neat squares
like strange giant's teeth
on the big mahogany table.
I know it well.
Not there.

 

 2090629-5dba5eef88b15e816abee3ed70787319.jpg
Anne Sexton (9 november 1928 – 4 oktober 1974)

 


De Indische dichter en schrijver Mohammed Iqbal werd geboren op 9 november 1877 in Sialkot in het tegenwoordige Pakistan. Zie ook alle tags voorMohammed Iqbal op dit blog enook mijn blog van 9 november 2010

 

The Sun

O Sun! The world's essence and motivator you are
The organizer of the book of the world you are

The splendor of existence has been created by you
The verdure of the garden of existence depends on you

The spectacle of elements is maintained by you
The exigency of life in all is maintained by you

Your appearance confers stability on everything
Your illumination and concord is completion of life

You are the sun which establishes light in the world
Which establishes heart, intellect, essence and wisdom

O Sun! Bestow on us the light of wisdom
Bestow your luster's light on the intellect's eye

You are the decorator of necessaries of existence' assemblage
You are the Yazdan of the denizens of the high and the low

Your excellence is reflected from every living thing
The mountain range also shows your elegance

You are the sustainer of the life of all
You are the king of the light's children

There is no beginning and no end of yours
Free of limits of time is the light of yours

 

 2090629-da6c54d72a024a569f3c7fa0e25b46cb.jpg
Mohammed Iqbal (9 november 1877 – 21 april 1938)

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Karin Kiwus werd geboren op 9 november 1942 in Berlijn. Zie ook alle tags voorKarin Kiwus op dit blog en ook mijn blog van 9 november 2010

 

Kleine Erinnerung an den Fortschritt

Ja, damals, als wir Kinder waren,
nach der Revolution, haben wir
in Baschkirien noch
den Großvater gesehen, wie er
mit hellen lachenden Augen
die erste Glühbirne verfolgt hat,
die blitzend nackt durch unser
Dorfschulzimmer gependelt ist,
hin und her und hin und her.

Aber nun?

 

 

Glückliche Wendung

Spätestens
jetzt werden wir
alles vergessen müssen
und unauffällig
weiterleben wie bisher

hoffnungslos
würden wir sonst
immer wieder
die Lusttaste bedienen
gierig verhungern müssen
und uns nie mehr
erinnern können
an das Glück.

 

 2090629-adac439620204283a1a50d6ff99716e5.jpg
Karin Kiwus (Berlijn, 9 november 1942)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichter en bibliothecaris Michael Derrick Hudson werd geboren in 1963 in Wabash, Indiana. Zie ook alle tags voor Michael Derrick Hudson op dit blog.

 

Paperweight

To obtain a little perspective, I once bought
for five dollars a fossil trilobite

from Crawford County, preserved

a week or so postmortem, decay
and currents already busting it apart along

its seams. Sometimes I’ll recover it from

my desk’s clutter to fondle for a moment
weird’s minuscule: the Crawdad

from Mars, a stone-eyed armor plate alien
incomprehensibly sexed

and scuttling a half billion years
before the happenstance of thumbs, brains

or love. But nothing saves us, dead bug –

not the rudimentary eye good for a glimpse
of a primitive jaw slashing

the depths. Not the single throbbing nerve

for balling up in terror. Not those cunning
mouthparts that once filtered

a living of sorts from the World’s first ooze.

 

 2090629-572ac2c4086c2c6de83891252f9c1462.jpg
Michael Derrick Hudson (Wabash, 1963)
Wabash

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e november ook mijn blog van 9 november 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 9 november 2008, mijn blog van 9 november 2007 en ook mijn blog van 9 november 2006.

Geschreven door Romenu om 18:06 Reageer op dit bericht

Lloyd Haft

De Nederlandstalige dichter, vertaler en sinoloog Lloyd Lewis Haft werd geboren in Sheboygan, Wisconsin, op 9 november 1946. Als jongen woonde hij in Wisconsin, Louisiana en Kansas. In 1968 studeerde hij af aan het Harvard College en ging hij naar Leiden voor onderzoek in het Chinees (M. A. 1973, Ph. D. 1981). Van 1973 tot 2004 doceerde hij Chinese taal en literatuur, voornamelijk poëzie, in Leiden. Zijn sinologische publicaties omvatten “Pien Chih-lin: A Study in Modern Chinese Poetry” en “Zhou Mengdie's Poetry of Consciousness” (2006). Zijn meest recente boek, een liberale moderne Nederlandse lezing van Laozi's “Tao Te King” werd in 2017 gepubliceerd als “Lau-tze's vele wegen”.Hij vertaalde onder andere werk van Wallace Stevens, Hart Crane, William Carlos Williams naar het Nederlands en Herman Gorter en Willem Hussem naar het Engels, en verder werk van verschillende Chinese dichters waaronder Lo Fu, Yang Lingye, Bian Zhilin en Zhou Mengdie.
Sinds de jaren tachtig is hij ook actief als dichter in het Nederlands en het Engels. Hij ontving de Jan Campert-prijs voor zijn tweetalige bundel “Atlantis” in 1993 en de Ida Gerhardt-prijs voor zijn uit 2003 stammende vertaling van de Psalmen

 

Tabernakel

Ik vraag niet langer
om muren, zal mij ook zonder
weten door wind
afdoende omwand.

Waar marmer niet is
sta ik, waar water niet staat
loop ik, en voel
aan de duur van mijn verlangen

hoe ik hoor, hier
aan deze rivier
waar ik midden in mist,
in schotsen wandel.

Het is niet vreemd
dat in deze kou mijn adem
komt: want ik kom
om de wind te warmen.

 

 

Naar psalm 126

Ik twijfel er niet aan
dat er mensen zijn die u nog vinden,
in dromen, in de bergen wellicht.
Ook ik was blij
die dag dat er zon was
toen ik over de akkers liep
en opeens in mijn tranen
zaad zag, zaden,
dacht uw zaai te zien.

 

 2141649-cfbada1344d80a137e113ed410af6ef3.JPG
Lloyd Haft (Sheboygan, 9 november 1946)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Kazuo Ishiguro, Joshua Ferris, Alice Notley, Herbert Hindringer, Elfriede Brüning, Margaret Mitchell, Detlef Opitz, Bram Stoker, Peter Weiss

De Japanse schrijver Kazuo Ishiguro werd op 8 november 1954 geboren in Nagasaki. Zie ook mijn blog van 8 november 2009 en ook mijn blog van 8 november 2010 en eveneens alle tags voor Kazuo Ishiguro op dit blog.

Uit: Never Let Me Go

“Sometimes he'd make me say things over and over; things I'd told him only the day before, he'd ask about like I'd never told him. 'Did you have a sports pavilion?' Which guardian was your special favourite?' At first I thought this was just the drugs, but then I realised his mind was clear enough. What he wanted was not just to hear about Hailsham, but to remember Hailsham, just like it had been his own childhood. He knew he was close to com-pleting and so that's what he was doing: getting me to describe things to him, so they'd really sink in, so that maybe during those sleepless nights, with the drugs and the pain and the exhaustion, the line would blur between what were my memories and what were his. That was when I first understood, really understood, just how lucky we'd been — Tommy, Ruth, me, all the rest of us.
Driving around the country now, I still see things that will remind me of Hailsham. I might pass the corner of a misty field, or see part of a large house in the distance as I come down the side of a valley, even a particular arrangement of poplar trees up on a hillside, and I'll think: 'Maybe that's it! I've found it! This actually is Hailsham!' Then I see it's impossible and I go on driv- ing, my thoughts drifting on elsewhere. In particular, there are those pavilions. I spot them all over the country, standing on the far side of playing fields, little white prefab buildings with a row of windows unnaturally high up, tucked almost under the eaves. I think they built a whole lot like that in the fifties and sixties, which is probably when ours was put up. If I drive past one I keep looking over to it for as long as possible, and one day I'll crash the car like that, but I keep doing it. Not long ago I was driving through an empty stretch of Worcestershire and saw one beside a cricket ground so like ours at Hailsham I actually turned the car and went back for a second look. We loved our sports pavilion, maybe because it reminded us of those sweet little cottages people always had in picture books when we were young. I can remember us back in the Juniors, pleading with guardians to hold the next lesson in the pavilion instead of the usual room. Then by the time we were in Senior 2 —when we were twelve, going on thirteen — the pavilion had become the place to hide out with your best friends when you wanted to get away from the rest of Hailsham. The pavilion was big enough to take two separate groups without them bothering each other — in the summer, a third group could hang about out on the veranda. But ideally you and your friends wanted the place just to yourselves, so there was often jockeying and arguing.“

 

 2090361-91787192c49cbf84a1772b79d8b74f7b.jpg
Kazuo Ishiguro (Nagasaki, 8 november 1954)

 

 

De Amerikaanse schrijver Joshua Ferris werd op 8 november 1974 in Danville, Illinois geboren. Zie ook mijn blog van 8 november 2010 en eveneens alle tags voor Joshua Ferris op dit blog.

Uit:The Dinner Party

“On occasion, the two women went to lunch and she came home offended by some pettiness. And he would say, “Why do this to yourself?” He wanted to shield her from being hurt. He also wanted his wife and her friend to drift apart so that he never had to sit through another dinner party with the friend and her husband. But after a few months the rift would heal and the friendship return to good standing. He couldn’t blame her. They went back a long way, and you got only so many good friends.
He leapt four hours ahead of the evening and saw, in future retrospect, that he could predict every gesture, every word. He walked back to the kitchen and stood with a new drink in front of the fridge, out of her way. “I can’t do it,” he said.
“Can’t do what?”
The balls were up in the air: water coming to a boil on the stove, meat seasoned on the butcher block. She stood beside the sink dicing an onion. Other vegetables, bright and doomed, waited their turn on the counter. She stopped cutting long enough to lift her arm to her eyes in a tragic pose. Then she resumed, more tearfully. She wasn’t drinking her wine.
“I can tell you everything that will happen from the moment they arrive to the little kiss on the cheek goodbye, and I just can’t goddamn do it.”
“You could stick your tongue down her throat instead of the kiss goodbye,” she offered casually as she continued to dice. She was game, his wife. She spoke to him in bad taste freely, and he considered it one of her best qualities. “But then that would surprise her, I guess, not you.”

 

 2090361-479b9c567fd2f6382f09f12f3ba7136e.jpg
Joshua Ferris (Danville, 8 november 1974)

 

 

De Amerikaanse dichteres Alice Notley werd geboren op 8 november 1945 in Bisbee, Arizona. Zie ook alle tags voor Allice Notley op dit blog.

 

To a New Sex

Somewhere out of antiquity someone work with me.
When transferring a thought, the connectors and clauses
recede: you get it. I got it – 
The rest of the language, beauty and play
I am your master, the thought says – 
       I disagree

I’m thinking about the church where we
held my brother’s funeral. He says, I was there:
it hurt me; you cried too much; I don’t mind
later. I just want to be with you, the thought says
You mean thee thought or his thought?
The rocks are like stars, gully full of stars.
If I go with anyone anywhere, if they’d
think sweetly to me. No one hears. Relax your shoulders.

I’m singing to you over and over “to a new sex.”
Sometimes it seems like there’s a lizard for each rock
necklaces of lives,
                              there’s room for an infinity
of minds.
Thoughts. Anywhere. Enter my head
if you wish. No ends or purposes
Prevailed fortunes. I have a destiny. My death
will not complete it.

 

 

World's Bliss

The men & women sang & played
they sleep by singing, what
shall I say of the most
poignant on earth the most glamorous
loneliest sought after people
those poets wholly beautiful
desolate aureate, death is a
powerful instinctive emotion—
but who would be released from
a silver skeleton? gems
& drinking cups—This
skull is Helen—who would not
be released from the
Book of Knowledge? Why
should a maiden lie on a moor
for seven nights & a day? And
he is a maiden, he is & she
on the grass the flower the spray
where they lie eating primroses
grown crazy with sorrow & all
the beauties of old—oh each poet's a
beautiful human girl who must die.

 

2090361-62a895028f3b5905eabcd232f5d50a7e.jpg 
Alice Notley (Bisbee, 8 november 1945)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Herbert Hindringer werd geboren op 8 november 1974 in Passau. Zie ook alle tags voor Herbert Hindringer op dit blog en ook mijn blog van 29 december 2010.

 

blauer fleck

geh immer geradeaus
bis du einen bart hast wie paul breitner
elf meter später wirst du schnupfen kriegen
niese dreimal
eine alte vettel wird gesundheit brüllen
und sich in blinder wut die haare ausreissen
an der musst du vorbei und weiter
so lange bis dir eine heuschrecke
gegen das linke knie springt
in dem moment drehst du dich dann nach rechts
so weit es geht ohne weh zu tun
und rennst 43 sekunden lang wie um dein leben

wenn du die tür siehst brich dir ein bein
zieh an dem tatzelwurm mit sachtem schwung
und lache nicht

vielleicht mach ich dann auf
sagt sie
und geht mir unter die haut

 

 2090361-5e3ae5f22dd9f4945ce61aee4af2f6be.jpg
Herbert Hindringer (Passau, 8 november 1974)

 

 

De Duitse schrijfster Elfriede Brüning werd geboren op 8 november 1910 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 8 november 2010 en eveneens alle tags voor Elfriede Brüning op dit blog.

Uit:Partnerinnen

»Wie ein Rausch«,
sagte meine Mutter immer, »die schönen Augenblicke im Leben gehen wie ein Rausch vorbei.« Komisch, daß mir das gerade jetzt einfällt, in diesem erhebenden Moment, da eine der Medaillen, die heute verliehen werden, auch für mich bestimmt ist. Der Verlauf des Festaktes ist mir wohlbekannt: ich selber habe das Programm auf der Maschine getippt, habe es zum Drucker gebracht und später wieder abgeholt, ich könnte die Reihenfolge im Traum hersagen. Zuerst spielt das Quartett, mit dem ich gleichfalls alles Nötige besprochen habe. Das Honorar, das die Künstler forderten, schien mir unverschämt hoch, aber das zu bewilligen oder abzulehnen ist nicht meine Sache. Jedenfalls sieht es so aus, als würfe unser Büro das Geld nicht zum Fenster hinaus; die vier spielen wirklich gut. Als nächstes wird die Ansprache unseres Präsidenten folgen, die zum Glück nur kurz ist (ich habe den Text dreimal abgetippt, und jedesmal habe ich ihn nach allen Seiten hin kräftig gestutzt).
Nun tritt unser Generalsekretär in Aktion. Klein von Wuchs, wie er ist, reckt er seinen Hals wie eine Schildkröte aus dem Kragen heraus, damit er hinter dem Turm der rotledernen Mappen auf seinem Pult gut zu sehen ist, dann schnurrt er die Namen herunter. Zuerst verliest er die Preisträger der Gold- und Silbermedaillen (alles reputierliche, ergraute Herren, die sich um unsere Organisation verdient gemacht haben), und erst dann, in gebührendem Abstand, vergibt er die Bronze-Medaillen, die üblicherweise an Sachbearbeiter und Sekretäre verliehen werden, also an Personen weiblichen Geschlechts zumeist. »Für unermüdliche aufopferungsvolle Einsatzbereitschaft«, wird in meiner Begründung stehen, die, von einem Grafiker auf feinstes Büttenpapier gemalt, in eine Mappe geheftet ist.
Ich stolpere nach vorn, schüttle Hände, werde symbolisch umarmt, drücke einen der teuren Nelkensträuße (die ich rechtzeitig im Blumenladen vorbestellt habe) an meine Brust, spüre, wie mir jemand die Medaillennadel an die Jacke heftet – und schon ist die Zeremonie beendet, ist tatsächlich an mir vorübergerauscht, und ich gehe zurück an meinen Platz. Auf dem Podium hat sich wiederum das Quartett placiert. Sie spielen etwas von Mozart; nur schade, daß unsereins so wenig davon versteht. Manchmal höre ich im Radio Musik, wenn ich schon im Bett liege; ich schlafe jetzt oft schwer ein. Früher habe ich immer mal mit den Kindern ins Konzert gehen wollen, mit Rita und Franz, aber es ist nie etwas daraus geworden, wir haben es uns immer bloß vorgenommen …“

 

 2090361-a55019aed7822b1420844f9a399e2e0d.jpg
Elfriede Brüning (8 november 1910 – 5 augustus 2014)

 

 

De Ameikaanse schrijfster Margaret Mitchell werd geboren op 8 november 1900 in Atlanta, Georgia. Zie ook alle tags voor Margaret Mitchell op dit blog en ook mijn blog van 8 november 2010.

Uit: Gone with the wind

“As she lay prostrate, too weak to fight off memories and worries, they rushed at her like buzzards waiting for death. No longer had she the strength to say: “I’ll think of Mother and Pa and Ashley and all this ruin later — Yes, later when I can stand it.” She could not stand it now, but she was thinking of them whether she willed it or not. The thoughts circled and swooped above her, dived down and drove tearing claws and sharp beaks into her mind. For a timeless time, she lay still, her face in the dirt, the sun beating hotly upon her, remembering things and people who were dead, remembering a way of living that was gone forever — and looking upon the harsh vista of the dark future.
When she arose at last and saw again the black ruins of Twelve Oaks, her head was raised high and something that was youth and beauty and potential tenderness had gone out of her face forever. What was past was past. Those who were dead were dead. The lazy luxury of the old days was gone, never to return. And, as Scarlett settled the heavy basket across her arm, she had settled her own mind and her own life.
There was no going back and she was going forward.
Throughout the South for fifty years there would be bitter-eyed women who looked backward, to dead times, to dead men, evoking memories that hurt and were futile, bearing poverty with bitter pride because they had those memories. But Scarlett was never to look back.
She gazed at the blackened stones and, for the last time, she saw Twelve Oaks rise before her eyes as it had once stood, rich and proud, symbol of a race and a way of living. Then she started down the road toward Tara, the heavy basket cutting into her flesh.”

 

 2090361-0b913c7584f4d16932666a38bc2aadba.jpg
Margaret Mitchell (8 november 1900 – 16 augustus 1949)
Scene uit de musical 'Gone with the wind' in Szeged, Hongarije, 2013

 

 

De Duitse schrijver Detlef Opitz werd geboren op 8 november 1956 in Steinheidel-Erlabrunn. Zie ook alle tags voor Detlef Opitz op dit blog en ook mijn blog van 8 november 2009 en ook mijn blog van 8 november 2010.

Uit: Der Büchermörder

„Sofort muß er in die Stadt hinein, aufs Schoß muß er, sofort!
Statt aber nun seinen Anweisungen die gehörige Folgsamkeit zu erweisen, flatterte die alte Muhme nur immerzu in der Stube auf und her und um den alten Herrn herum und war nicht davon abzubringen, vielerley Gezether daherzuschnattern und zu gaggern, und manches Stoßgebet darzu.
‘Ogott und Liebenhimmel!’ äffte der Kaufmann endlich in bösem Ton die ins Mark verschreckte Frau nach, die arme.
‘Halt sie endlich das Guschenmaul und hol die Butter, sag ich, nichts als Butter hülft! Und Kleider! Bring sie gefälligst den Ausgehrock bey! Und zwar noch heute, wenns geht, oder muß man ihn mal wieder erst schneidern?’
Als überm Arm den Rock, in Händen die hölzerne Satte mit Butter, die Vetterin dann wieder herein war und in ihrer Confusion noch immer nicht recht wußte, wiewo zu beginnen, da riß er ihr kurz entschlossen das Gefäß aus der Hand, langte kräftig hinein und strich sich das Weiche gleich selbst übers Haupt. Ihr verblieb grad noch, ein grobes Stück Leinen darüber zu binden, schon verlangte er den Wintermatin und stampfte stracks zur Stube hinaus. — Die Magd blieb zurück und – weinte, weinte bitterlich; sie hatte ja auch gleich ganz so ein sinistres Gefühl, klagte sie sich selber an, diese Augen, pfui! - dieser stechende Blick, wie ein gewetztes Messer, so scharf!
Warum war sie bloß nicht geblieben, statt nach der Wäsche hoch auf die Bodenkammer zu steigen? Was soll bloß jetzt werden?
Ein Unglück! Bei so einer Nase, so lang, da hatte sie sich ja gleich gedacht : wenn der mal bloß nicht Arges im Schild bey sich führt...
Indeß - ist freilich in tief verschneiter Stadt Leipzig ein Rentier nicht eben ein Renthier, so wollte es seine Zeit brauchen, ehe, heftig um Luft schnaufend, der Malträtirte in der städtischen Schoßstube angelangt war, wo er den verdutzten Beamten schon im Entré die Nummern der geraubten Obligationen entgegen schrie und dringendst ein Sperrcirkular verlangte. — Aber wenngleich ein solches auch zur selben Stunde noch hinaus ging, und zwar an alle Geldhäuser am Ort, es war zu spät. Zu spät!“

 

 2090361-5af56aede05277173dcb0f2c763e0a5d.jpg
Detlef Opitz (Steinheidel-Erlabrunn, 8 november 1956)
Cover

 

 

De Ierse schrijver Bram Stoker werd geboren op 8 november 1847 in Clontarf, een wijk van Dublin in Ierland. Zie ook alle tags voor Bram Stoker op dit blog en ook mijn blog van 8 november 2010.

Uit: Dracula

“When we started, the crowd round the inn door, which had by this time swelled to a considerable size, all made the sign of the cross and pointed two fingers towards me.
With some difficulty, I got a fellow passenger to tell me what they meant. He would not answer at first, but on learning that I was English, he explained that it was a charm or guard against the evil eye.
This was not very pleasant for me, just starting for an unknown place to meet an unknown man. But everyone seemed so kind-hearted, and so sorrowful, and so sympathetic that I could not but be touched.
I shall never forget the last glimpse which I had of the inn yard and its crowd of picturesque figures, all crossing themselves, as they stood round the wide archway, with its background of rich foliage of oleander and orange trees in green tubs clustered in the centre of the yard.
Then our driver, whose wide linen drawers covered the whole front of the boxseat,--"gotza" they call them--cracked his big whip over his four small horses, which ran abreast, and we set off on our journey.
I soon lost sight and recollection of ghostly fears in the beauty of the scene as we drove along, although had I known the language, or rather languages, which my fellow-passengers were speaking, I might not have been able to throw them off so easily. Before us lay a green sloping land full of forests and woods, with here and there steep hills, crowned with clumps of trees or with farmhouses, the blank gable end to the road. There was everywhere a bewildering mass of fruit blossom--apple, plum, pear, cherry. And as we drove by I could see the green grass under the trees spangled with the fallen petals. In and out amongst these green hills of what they call here the "Mittel Land" ran the road, losing itself as it swept round the grassy curve, or was shut out by the straggling ends of pine woods, which here and there ran down the hillsides like tongues of flame. The road was rugged, but still we seemed to fly over it with a feverish haste. I could not understand then what the haste meant, but the driver was evidently bent on losing no time in reaching Borgo Prund.”

 

 2090361-4e0c6459f1dd21b4982bc3adec62056f.jpg
Bram Stoker (8 november 1847 – 20 april 1912)
Portret door Aidan Hickey, 2012

 

 

De Duitse schrijver Peter Weiss werd geboren op 8 november 1916 in Nowawes (het tegenwoordige Neubabelsberg) bij Berlijn. Zie ook alle tags voor Peter Weiss op dit blog en ook mijn blog van 8 november 2010.

Uit: Die Ermittlung

“RICHTER Herr Zeuge
Sie waren Vorstand des Bahnhofs in dem die Transporte einliefen
Wie weit war der Bahnhof vom Lager entfernt
ZEUGE I 2 Kilometer vom alten Kasernenlager und etwa 5 Kilometer vom Hauptlager
RICHTER Hatten Sie in den Lagern zu tun
ZEUGE I Nein
Ich hatte nur dafür zu sorgen daß die Betriebsstrecken in Ordnung waren und daß die Züge fahrplanmäßig ein- und ausliefen
RICHTER In welchem Zustand waren die Strecken
ZEUGE I Es war eine ausgesprochen gut ausgestattete Rollbahn
RICHTER Wurden die Fahrplananordnungen von Ihnen ausgearbeitet
ZEUGE I Nein
Ich hatte nur fahrplantechnische Maßnahmen im Zusammenhang mit dem Pendelverkehr zwischen Bahnhof und Lager durchzuführen
RICHTER Dem Gericht liegen Fahrplananordnungen vor die von Ihnen unterzeichnet sind
ZEUGE I Ich habe das vielleicht einmal vertretungsweise unterschreiben müssen
RICHTER War Ihnen der Zweck der Transporte bekannt
ZEUGE I Ich war nicht in die Materie eingeweiht
RICHTER Sie wußten daß die Züge mit Menschen beladen waren
ZEUGE I Wir erfuhren nur daß es sich um Umsiedlertransporte handelte die unter dem Schutz des Reichs standen“

 

 2090361-a7e74d714623dc30435e780f75e583a5.jpg
Peter Weiss (8 november 1916 - 10 mei 1982)
Scene uit een opvoering in Neurenberg, 2009

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e november ook mijn blog van 8 november 2015 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 8 november 2008, mijn blog van 8 november 2007 en ook mijn blog van 8 november 2006.

Geschreven door Romenu om 18:10 Reageer op dit bericht

Albert Helman, Albert Camus, Jan Vercammen, Antonio Skármeta, Pierre Bourgeade, W. S. Rendra, Vladimir Volkoff, Auguste Villiers de L'Isle-Adam, Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg

De Nederlandse dichter en schrijver Albert Helman werd geboren op 7 november 1903 in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 7 november 2010 en eveneens alle tags voor Albert Helman op dit blog.

Uit: De dokwerker en de H. Geest

“In het droogdok staat een zware zwarte scheepsromp, en klein daartegen staan een tiental arbeiders op hun stellingen. Maar pijnlijk-hel klinken hun hamerslagen, metaal tegen metaal, weergalmd door het water, over de wijde holle haven. Er waait een zachte, koele bries die de fijne geuren van teer en verf verder stuift, en die alle holten vervult: het holle, leeggeladen schip dat staat in het holle, kuischgespoelde dok, en het dok dat weer staat in de leege, wijde haven, die eerst klein en hol schijnt, wanneer je opziet naar het hooge, blauwe luchtgewelf.
Dat doe je vanzelf, wanneer je uren lang schuin tegen de zwarte scheepswand op moet zien, zooals Willem dat doen moet, die verder van de hamerende mannen verwijderd, met een steekvlam de oude menie uit de naden wegbrandt, terwijl zijn kameraad ze meteen moet schoonkrabben.
- Kijk uit! Ben je nou een haartje be....’ zegt die kameraad, maar hij slikt het booze woord in, want Willem is de kwaadste niet, al is hij deze middag wel heel erg verstrooid. Hij weet dat Willem van die dagen heeft dat zijn aandacht heel ergens anders is, maar wáár weet hij zelf niet. Dan kijkt hij langs het dok in de verte, alsof hij schepen ziet die niemand anders kent, of omhoog, langs het puntje van de mast, dat nog juist te zien is, alsof hij op een vliegmachine met een speciale boodschap voor hem staat te wachten.
Maar vanmorgen zijn het de meeuwen die Willem zoo verstrooid maken, en dat duurt nu al een paar uur. Ze lijken wel gek die vogels. Ze zijn zoo licht en vlug als duiven, maar als je ze goed beschouwt, zijn ze zoo stom als de eenden. Hun lijf is sierlijk en wit, maar ze doen tegen elkaar alsof ze kippen zijn.
- Ik zou er best een van nabij willen zien of in mijn hand houden, denkt Willem. Want zijn het nou duiven of zijn het nou géén duiven?
Maar als zijn kameraad weer eens gevloekt heeft, nu hij de steekvlam heelemaal in de verkeerde richting houdt, omdat een paar meeuwen net op dezelfde waterkring neerduiken, wordt hij weer aandachtig voor het werk en zegt bij zichzelf: ‘Jesses wat een kinderachtige vent ben ik toch eigenlijk. Ik lijk wel een kwajongen.’

 

 2090020-dec5c84f90591a3f0d413d1ad77a4897.jpeg
Albert Helman (7 november 1903 - 7 oktober 1996)
Hier in Parijs, 1932

 

 

De Franse schrijver en filosoof Albert Camus werd geboren op 7 november 1913 in Mondovi, Algerije. Zie ook mijn blog van 7 november 2010 en eveneens alle tags voor Albert Camus op dit blog.

Uit: La Peste

« Les curieux événements qui font le sujet de cette chronique se sont produits en 194., à Oran. De l'avis général, ils n'y étaient pas à leur place, sortant un peu de l'ordinaire. A première vue, Oran est, en effet, une ville ordinaire et rien de plus qu'une préfecture française de la côte algérienne. La cité elle-même, on doit l'avouer, est laide. D'aspect tranquille, il faut quelque temps pour apercevoir ce qui la rend différente de tant d'autres villes commerçantes, sous toutes les latitudes. Comment faire imaginer, par exemple, une ville sans pigeons, sans arbres et sans jardins, où l'on ne rencontre ni battements d'ailes ni froissements de feuilles, un lieu neutre pour tout dire ? Le changement des saisons ne s'y lit que dans le ciel. Le printemps s'annonce seulement par la qualité de l'air ou par les corbeilles de fleurs que des petits vendeurs ramènent des banlieues ; c'est un printemps qu'on vend sur les marchés. Pendant l'été, le soleil incendie les maisons trop sèches et couvre les murs d'une cendre grise ; on ne peut plus vivre alors que dans l'ombre des volets clos. En automne, c'est, au contraire, un déluge de boue. Les beaux jours viennent seulement en hiver. Une manière commode de faire la connaissance d'une ville est de chercher comment on y travaille, comment on y aime et comment on y meurt. Dans notre petite ville, est-ce l'effet du climat, tout cela se fait ensemble, du même air frénétique et absent. C'est-à-dire qu'on s'y ennuie et qu'on s'y applique à prendre des habitudes. Nos concitoyens travaillent beaucoup, mais toujours pour s'enrichir. Ils s'intéressent surtout au commerce et ils s'occupent d'abord, selon leur expression, de faire des affaires. Naturellement ils ont du goût aussi pour les joies simples, ils aiment les femmes, le cinéma et les bains de mer. Mais, très raisonnablement, ils réservent ces plaisirs pour le samedi soir et le dimanche, essayant, les autres jours de la semaine, de gagner beaucoup d'argent. Le soir, lorsqu'ils quittent leurs bureaux, ils se réunissent à heure fixe dans les cafés, ils se promènent sur le même boulevard ou bien ils se mettent à leurs balcons. »

 

 2090020-5c1f96166a15f80baec654da3a6dad52.jpg
Albert Camus (7 november 1913 – 4 januari 1960)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jan Vercammen werd geboren in Temse op 7 november 1906. Zie ook alle tags voor Jan Vercammen op dit blog.

 

Saxofoon

Heet ademt de saxofoon:
hij hangt heet aan de mond
van een man, omdat Sjangkaïsjek
een eiland bezit in
een overvloedige zee.

Met zijn vissemond rent
de man langs klanken als peren
op een spalier, want hij bezit
het vasteland waar ook
heilige apen spelen saxofoon.

Ademen is de foetus doen groeien.
Maar wanneer is die groot genoeg?
Een mens wordt zo vroeg volwassen:
ademen is toonloos tonen verlengen.

Ademt de mens zijn koolzuur uit,
zo blijft de zomer groen en rood.
O die biologie van de saxofoon,
het evangelie zegt jazz weliswaar.

Je licht even je linkervoet op
om je begeerte herkenbaar te maken
(nooit hield ik op ze te kennen).
Ik moet aan elke tweesprong van
je vluchtende gedachten staan.

Dat bewijs ik je kort nadien
onder de boog van een orgelpunt.

 

 2090020-306919b52c43633c5a1a1beda11867c7.jpg
Jan Vercammen (7 november 1906 – 5 augustus 1984)

 

De Chileense schrijver Antonio Skármeta werd geboren op 7 november 1940 in Antofagasta. Zie ook alle tags voor Antonio Skármeta op dit blog en ook mijn blog van 7 november 2010

Uit: Mit brennender Geduld (Vertaald door Willi Zurbrüggen)

»Such dir eine Arbeit«, lautete der kurze, schreckliche Satz, mit dem der Mann einen anklagenden Blick beendete, der bis zu zehn, aber niemals weniger als fiinf Minuten dauerte. »Ja, Papa«, antwortete Mario und putzte sich mit dem Ârmel die Nase. War dies der gewôhnliche Umstand, so war der glückliche der Besitz eines Fahrrads Marke Legnano, mit dessen Hilfe Mario jeden Tag den Blick auf den kargen Horizont der kleinen Fischerbucht mit der Ansicht des ziemlich winzigen Hafens von San Antonio vertauschte, der ihm jedoch im Vergleich zu den paar Hütten seines Heimatorts einen babylonisch prunkvollen Eindruck machte. Das bloBe Betrachten der Kinoplakate mit grell geschminkten Frauen und knallharten Mânnern, Havannas zwischen die makellosen Zâhne geklemmt, lieB ihn in eine Traumwelt versinken, aus der er erst nach zwei Zelluloidstunden wieder erwachte, um dann, untriistlich über seinen grauen Alltag, zurückzuradeln — oft unter einem für die Küstengegend typischen Regen, der ihm wahrhaft biblische Erkâltungen einbrachte. Die GroBzügigkeit seines Vaters ging nicht so weit, die Ausschweifungen des Sohnes zu ffirdern, so daB Mario Jiménez sich manchmal ohne Geld mit Streifzügen durch die Gebrauchtzeitschriftenlâden begnügen muBte, wo ihm nichts anderes blieb, als die Fotos seiner Lieblingsschauspielerinnen zu befummeln. Es war an einem dieser Tage trostlosen Herumlungerns, als Mario im Fenster des Postamts einen Aushang entdeckte, dem er — obwohl die Mitteilung nur mit der Hand auf das karierte Papier einer einfachen Rechenheftseite geschrieben war und er wâhrend seiner Schulzeit in Mathematik nicht gerade geglânzt hatte — nicht widerstehen konnte. Mario Jiménez hatte noch nie im Leben eine Krawatte getragen, aber bevor er das Postamt betrat, richtete er sich seinen Hemdkragen, als trüge er eine, und versuchte — mit einigem Erfolg — seine von einem Foto der Beatles inspirierte Mâhne mit einem Kamm in Form zu bringen. »Ich komme wegen des Aushangs«, verkündete er mit einem Lâcheln, das es mit dem von Burt Lancaster aufnehmen konnte. »Haben Sie ein Fahrrad?« fragte der Postbeamte verdrialich. Marios Herz und seine Lippen sagten einstimmig: »Ja.« »Na gut«, sagte der Postbeamte und putzte sich die Brille. »Es handelt sich um die Stelle des Brieftrâgers für Isla Negra.« »So ein Zufall«, sagte Mario, »ich wohne gleich nebenan, in der Bucht.« »Das ist ganz gut; aber wohl nicht so gut ist, daB es dort nur einen Kunden gibt.« »Nur einen?« »Ja, nur einen. In der Bucht wohnen sonst nur Analphabeten.“

 

 2090020-0dd42adb60a43c8b05e57b5a878df1c6.jpg
Antonio Skármeta (Antofagasta, 7 november 1940) 

 

 

De Franse schrijver, scenarioschrijver, essayist, dichter, journalist en fotograaf Pierre Bourgeade werd geboren in Morlanne op 7 november 1927. Zie ook mijn blog van 7 november 2010 en eveneens alle tags voor Pierre Bourgeade op dit blog.

Uit: Eros mécanique

« J'avais trente ans, j'étais comme la plupart des hommes : tantôt je ne pensais qu'aux femmes, tantôt j'oubliais qu'elles existaient. J'étais journaliste, je faisais un peu de critique d'art. Un soir de novembre, traversant les jardins du musée Guimet au sortir d'une exposition, je crus ressentir un choc électrique : mon regard venait de croiser celui d'une femme qui, venant de l'avenue du Président-Wilson, se dirigeait, elle, vers le musée. Je m'arrêtai net, et me retournai vers celle dont je n'avais rien perçu d'autre que cette onde violente, jaillie des yeux. Elle s'éloignait, vêtue d'un long manteau de fourrure, au bras d'un homme qui me parut être d'un certain âge. Ils ne se parlaient pas. Ils allaient, paisibles, familiers. J'attendis qu'ils eussent pénétré dans le musée, et je revins sur mes pas. J'avais bien aimé cette exposition, qui avait pour thème la peinture orientale. Je retrouvai le couple dans une salle du premier étage où étaient exposées des gravures anonymes illustrant Les Mille et Une Nuits. Parmi ces gravures, celle qui m'avait le plus troublé représentait simplement une femme nue sous un voile, vue de dos, debout, légèrement déhanchée, et détournant à peine l'épaule et le bras droits sur le côté, de manière à jeter un bref regard en arrière, ce qui permettait au spectateur de découvrir, en profil perdu, un visage aussi fin et réservé que la croupe de cette femme était lourde et attirante. Sous un petit rectangle de plastique était fixé, à côté de la gravure, un carton, où l'on pouvait lire, tapé à la machine, le fragment des contes qui avait inspiré l'artiste inconnu : « En vérité, si l'esclave aimée n'avait pas été plus avant à la recherche du prince Diamant, c'était parce que son lourd arrière-train accroché à une taille très fine… »

 

 2090020-c5b9ae4100efb0b0bccada8db26d1818.jpg
Pierre Bourgeade (7 november 1927 – 12 maart 2009)

 

 

De Indonesische dichter en toneelregisseur Wahyu Sulaeman Rendra (eig. Willibrordus Surendra Broto Rendra) werd geboren in Surakarta op 7 november 1935. Zie ook alle tags voor W. S. Rendra op dit blog.

 

Sermon (Fragment)

"We must exalt love.
Love in the long grass.
Love in the shops of jews.
Love in the backyard of the church.
Love is unity and tra-la-la.
Tra-la-la. La-la-la. Tra-la-la.
Like the grass
we must flourish
in unity and love.
Let us pulverize ourselves.
Let us shelter beneath the grass.
Let us love beneath the grass.
Taking as our guide:
Tra-la-la. La-la-la. Tra-la-la."

The whole congregation roared.
They began to dance. Following the one rhythm
They rubbed their bodies against each other
Men against women. Men against men.
Women with women. Everyone rubbed.
And some rubbed their bodies against the walls of the church.
And shouted in a queer mad voice
shrilly and together:
Tra-la-la. La-la-la. Tra-la-la.

"Through the holy prophet Moses
God has said:
Thou must not steal.
Junior civil servants stop stealing carbon.
Serving-girls stop stealing fried chicken bones.
Leaders stop stealing petro.
And girls, stop stealing your own virtue.
Of course, there is stealing and stealing.
The difference is: cha-cha-cha, cha-cha-cha.
All things come from God
which means
everything belongs to everyone.
Everything is for everyone.
We must be one. Us for us.
Cha-cha-cha, cha-cha-cha.
This is the guiding principle."

 

 2090020-34be68490f1614e9ab2ce1e596bb60f9.png
W. S. Rendra (7 november 1935 - 6 augustus 2009)

 

 

De Franse schrijver Vladimir Volkoff werd geboren in Parijs op 7 november 1932. Zie ook alle tags voor Vladimir Volkoff op dit blog en ook mijn blog van 7 november 2009 en ook mijn blog van 7 november 2010

Uit: Langelot Agent Secret

« D'autant plus qu'il s'agissait en l'occurrence d'un adjudant spécialisé dans l'inspection des boutons de guêtres et des semelles de chaussures, qui n'avait jamais vu le feu, jamais exercé un commandement, et s'était contenté d'une carrière glorieuse opiniâtrement poursuivie depuis trente ans dans la même caserne.
« De quoi? tonna-t-il. Ça n'est même pas encore jeune recrue et ça veut faire la loi? Petite brute! Je m'en vais vous apprendre à vous bagarrer dans la cour du quartier! Civil ou pas, ça m'est égal. Si vous n'êtes pas content, vous irez le dire au colonel. Au trou, et pas de discussion! »
A la grande surprise des spectateurs, le vainqueur n'opposa pas la moindre résistance, ne tenta pas la moindre justification. Il se releva lentement.
«J'emporte ma gamelle. Vous permettez?»
Et, tête haute, il suivit l'adjudant jusqu'à la prison où il commença immédiatement une partie de dominos avec des soldats qui s'y trouvaient déjà.

*****************

Lorsque Langelot entra dans la salle de délibérations, il vit, assis derrière une table recouverte d'un tapis vert, une douzaine d'officiers portant les uniformes les plus divers de l'Armée française, bleus ou moutarde, avec fourragère ou sans, étincelants de galons, émaillés de décorations, chemise kaki pour les uns, chemise blanche pour les autres, avec des cravates noires, des cravates marron, une cravate verte, et des accessoires variés, depuis le fume-cigarette de l'aviateur jusqu'au stick du colonel qui présidait. Au bout de la table, unique de son espèce, un civil.
Les officiers, eux, virent s'avancer un garçon de petite taille, en chandail vert et pantalon noir, les traits menus mais durs, le front largement barré d'une mèche blonde, le regard bleu, attentif, sur la réserve. Il s'inclina avec aisance, sans prononcer un mot. Les officiers s'entre-regardèrent. Montferrand bourrait sa pipe. Un silence pesa. Enfin :
« Asseyez-vous, jeune homme », dit le colonel avec bienveillance.
Le garçon s'assit face aux officiers. »

 

 2090020-26f317046af6390f3abe86345f1d3245.png
Vladimir Volkoff (7 november 1932 - 14 september 2005)

 

 

De Franse dichter en schrijver Auguste Villiers de L'Isle-Adam werd geboren op 7 november 1838 in Saint-Brieuc. Zie ook mijn blog van 7 november 2010 en eveneens alle tags voor Villiers de L’Isle-Adam op dit blog en ook alle tags voor Auguste Villiers de L'Isle-Adam op dit blog.

Uit: Tribulat Bonhomet

« La chaîne des événements ténébreux que je vais prendre sur moi de retracer (malgré mes cheveux blancs et mon dédain de la gloriole), me paraissant comporter une somme d’horreur capable de troubler de vieux hommes de loi, je dois confesser, in primis, que si je livre ces pages à l’impression, c’est pour céder à de longues prières d’amis dévoués et éprouvés. Je crains même d’être, plus d’une fois, dans la triste nécessité d’atténuer, — (par les fleurs de mon style et les ressources d’une riche faconde), — leur hideur insolite et suffocante.
Je ne pense pas que l’Effroi soit une sensation universellement profitable : le trait d’un vieil insensé ne serait-il pas de la répandre, à la volée, à travers les cerveaux, mû par le vague espoir de bénéficier du scandale ? Une découverte profonde n’est pas immédiatement bonne à lancer, au pied levé, parmi le train des pensées humaines. Elle demande à être mûrement digérée et sassée par des esprits préparateurs. Toute grande nouvelle, annoncée sans ménagements, peut alarmer, souvent même affoler bon nombre d’âmes dévotieuses, surexciter les facultés caustiques des vauriens, et réveiller les antiques névroses de la Possession, chez les timorés.
Bien est-il vrai, cependant, que faire penser est un devoir qui prime bien des scrupules !… Tout pesé, je parlerai. Chacun doit porter en soi son aliquid inconcussum ! — D’ailleurs, mon siècle me rassure ; pour quelques esprits faibles que je puis atteindre, il est de nombreux esprits forts que je puis édifier. J’ai dit « esprits forts » et je ne parle pas au hasard. Quant à la véracité de mon récit, personne, je le parierais, ne la plaisantera outre mesure. Car, en admettant, même, que les faits suivants soient radicalement faux, la seule idée de leur simple possibilité est tout aussi terrible que le pourrait être leur authenticité démontrée et reconnue. — Une fois pensé, d’ailleurs, qu’est-ce qui n’arrive pas un peu, dans le mystérieux Univers?"

 

 2090020-a25822de97e65c558a2ca1875c0fc35e.jpg
Auguste Villiers de L'Isle-Adam (7 november 1838 - 18 april 1889)
Model uit 1906 voor een monument ter nagedachtenis van Auguste Villiers van Isle-Adam in museum Carnavalet, Parijs

 

 

De Duitse dichter, vertaler en jurist Graaf Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg werd geboren op 7 november 1750 in Bramstedt. Zie ook alle tags voor Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg op dit blog en ook mijn blog van 7 november 2009 en ook mijn blog van 7 november 2010

 

Lied

Ich ging unter Erlen am kühligen Bach,
Und dachte wohl manchem und manchem wohl nach:
Es war mir im Herzen so leicht und so wohl;
Doch wurden von Thränen die Augen mir voll.

Es entschwebte den säuselnden Wellen das Bild
Von meiner Geliebten, holdselig und mild;
Da sank ich ans Ufer ins schwellende Moos,
Mir stürzten die Thränen hinab in den Schoß.

Nun lag ich im Schatten am kühligen Bach,
Und dachte wohl manchem und manchem wohl nach:
Die Nachtigall sang, und es rauschte der Bach;
Ich dachte dem einen und einen nur nach.

Schon flammten die Wolken im rötenden Strahl,
Schon senkten sich bräunere Schatten ins Thal,
Schon bebte durch Erlen der Mond auf dem Bach;
Ich dachte dem einen und einen nur nach.

Nun wankt' ich von dannen mit weinendem Blick,
Und sah nach dem Bach und den Erlen zurück:
Sie schwanden; es schwand nicht das liebliche Bild,
Das immer und immer die Seele mir füllt.

 

 2090020-9e21e4c756b1298c864a957bf3a5333c.png
Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg (7 november 1750 - 5 december 1819)
Portret doorAnton Graff, 1785

 

 

Zie voor meer schrijvers van de 7e november ook mijn blog van 7 november 2015 deel 2.

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 7 november 2008, mijn blog van 7 november 2007 en ook mijn blog van 7 november 2006.

Geschreven door Romenu om 18:22 Reageer op dit bericht

Wim Noordhoek

De Nederlandse schrijver, radiomaker en journalist Willem Johannes Noordhoek werd geboren in Steenwijk op 7 november 1943. In 1962 ging hij politieke wetenschappen studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij maakte de ontgroening bij het Amsterdamsch Studenten Corps mee die berucht werd doordat een ouderejaars riep "en nu gaan we Dachautje spelen!" en besloot, als enige, na dit incident geen lid te worden van de vereniging.Tijdens zijn studententijd was hij redacteur van het blad Propria Cures. In 1967 maakte hij zijn eerste programma voor de VPRO-radio, “Help!” Dit was het eerste programma op de Nederlandse radio waarin alternatieve popmuziek uitgebreid aan bod kwam. Daarna maakte hij programma's als “HEE”, de “Joe Blow Show”, “Piet Ponskaart presenteert” en “Nova Zembla.” Tegelijkertijd was hij redacteur van het muziekblad Hitweek. Vanaf 1980 maakte Noordhoek programma's waarin schrijvers centraal staan, zoals “Suite”, “Music-Hall” en “De Avonden.” Samen met Arend Jan Heerma van Voss maakte hij De Radiovereniging, een programma waarin radiomakers over hun vak vertelden en historische radiofragmenten te beluisteren waren. Noordhoek heeft ook een (veel kleiner) aantal televisieprogramma's gemaakt. In 1970 maakte hij het popprogramma “Piknik”, waarin onder andere Frank Zappa en Gerry Rafferty voor het eerst in Nederland optraden. Onder het pseudoniem "Alex Mol" schreef hij vele jaren een column in de VPRO-gids. Zowel onder eigen naam als onder dat pseudoniem publiceerde hij een aantal boeken. Sinds 2006 heeft hij een weblog op de boekensite van de VPRO, 'Avondlog'.

Uit: Muzenstraat en andere Haagse verhalen (Sportlaan)

“Mijn moeder fietst. Een mooi meisje op linnen zomerschoenen. Over de Sportlaan naar Houtrust van Kijkduin naar de Frankenslag. Naar de man die verliefd was op haar zusje. Achter haar ligt een tijd van open auto's en strooien hoeder. van uitstapjes naar Spa en de Cascade de Coo, van een poppenameublement gemaakt door de scheepstimmerman van haarvader, de kapitein, voor poppen bijna zo groot als kinderen. Het is voorbij. Ze fietst, onwetend van wat komen zal. De oorlog nadert. Rechts van haar zal de tankgracht van de Atlantikwall gegraven worden, langs de Sportlaan, dwars door het kaalgeslagen Sperrgebiet tussen Den Haag en het ontvolkte Scheveningen. Alle vier mijn grootouders zullen in 1942 moeten verhuizen.
Ze komt van Kijkduin, waar haar vader nog een tijdje wat probeerde te verdienen als bewaker van de fietsenstalling onder het witte hotel, die hij gepacht had, maar de jongens waren hem te snel af. Haar vader komt voor in de Stamboeken van de Holland-Amerika Lijn. lk vond een krantenknipsel waarin vermeld wordt dat de kapitein Sjerp een medaille kreeg van het KNMI. Er zijn drie brieven, waarin hij mijn moeder als klein meisje weersystemen uitlegt, op blauw Mailpapier, met briefhoofd. Documenten bevestigen dat de kapitein Sjerp in 1931 in Havana een beroerte kreeg aan boord van het vrachtschip de Boschdijk: 5 okt.” Hospitalized Havana.Stroke” en “1 april 1932. Dismissed and put on standby wages” De ‘wages' waren gering. Pensioen kwam nauwelijks. Mijn moeder ging naar de kweekschool om zo snel mogelijk onderwijzeres te worden.
Een foto op Kijkduin laat de kapitein zien, voorgoed aan wal, in 1932.15:et oma Co en de huishaan Petrus bij zich. De stok waarmee hij liep staat in de hoek Ze fietst de Duinlaan af, de Sportlaan voorbij de kerk, langs het Houtruststadion en de Houtrusthallen waar de kunstijsbaan zal komen van HIJS/Hokij. Over de brug van het Verversingskanaal naar de Frankenslag, in 1933. Naar wie haar schoonouders zullen zijn en mijn grootouders.
Ze fietst naar zeven jaar verloving vol twijfel. Maar ze wil kinderen. Mij als eerste. Ze fietst in het zicht van her straatje waar ze huisvrouw en moeder zal zijn, maar dat nog gebouwd moet worden, na de oorlog. Het doel in haar leven werd, zoals ze me kort voor :laar dood zei, “je vader ergernis besparen.” Ze fietst. Niets houdt haar tegen. In reven jaar verloving verzamelt ze een uitzet, schrijft schriften vol met recepten en manieren om vlekken te verwijderen. Ze heeft de westenwind mee. Mijn maagpijn heb ik van haar.”

 

2139190-7f63f94b44be73647d64a8d13068a4ec.jpeg
Wim Noordhoek (Steenwijk, 7 november 1943)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Willy Vlautin

De Amerikaanse schrijver, muzikant en songwriter Willy Vlautin werd geboren op 7 november 1967 in Reno, Nevada. is Hij was leadzanger, gitarist en songwriter van de rockband Richmond Fontaine (1994-2016) en is momenteel lid van The Delines. Hij heeft sinds het midden van de jaren negentig elf studioalbums uitgebracht met Richmond Fontaine, terwijl hij vijf romans schreef. Het werken als zowel songwriter als romanschrijver biedt Vlautin een mechanisme om dezelfde personages en situaties te ontwikkelen in zowel zijn songs als in zijn boeken. De hoofdrolspeler in Northline (zelf een nummer van het Winnemucca-album van Richmond Fontaine) is Allison Johnson. "Allison Johnson" was de titel van een nummer op hun album “Post to Wire”. Vlautins eerste boek “The Motel Life” werd in 2005 uitgegeven en is sindsdien in elf talen vertaald. In “The Motel Life” vertelt Vlautin het verhaal van twee broers die in een hotel in Reno wonen. Hij verwierf de titel van “Dylan of the dislocated “(The Independent). “The Motel Life” werd verfilmd in 2012. “Northline” was het tweede boek van Vlautin. De serveerster Allison Johnson vertrekt vanuit Las Vegas naar Reno om een ​​nieuw leven te beginnen. Een CD met instrumentale en droevige liedjes van Richmond Fontaine is opgenomen in de eerste editie van het boek. In 2008 bracht Vlautin zijn eerste CD met gesproken woord uit, A Jockey's Christmas, een zwarte komedie over een te zware, alcoholische jockey die voor de feestdagen naar huis gaat in Reno. De derde roman van Vlautin, “Lean on Pete”, is het verhaal van een 15-jarige jongen die werkt en leeft op een vervallen racecircuit in Portland, Oregon, en bevriend raakt met een mislukt racepaard genaamd “Lean on Pete”. Voor het boek ontving de schrijver in 2010 de Ken Kesey Award voor fictie en literaire kunst en de Oregonian People's Choice Award. In zijn vierde roman “The Free” vertelt Vlautin over Leroy Kervan, een suïcidale Irak-veteraan.

Uit: The Motel Life

“The night it happened I was drunk, almost passed out, and I swear to God a bird came flying through my motel room window. It was maybe five degrees out and the bird, some sorta duck, was suddenly on my floor surrounded in glass. The window must have killed it. It would have scared me to death if I hadn't been so drunk. All I could do was get up, turn on the light, and throw it back out the window. It fell three stories and landed on the sidewalk below. I turned my electric blanket up to ten, got back in bed, and fell asleep. A few hours later I woke again to my brother standing over me, crying uncontrollably. He had a key to my room. I could barely see straight and I knew then I was going to be sick. It was snowing out and the wind would flurry snow through the broken window and into my room. The streets were empty, frozen with ice. He stood at the foot of the bed dressed in underwear, a black coat, and a pair of old work shoes. You could see the straps where the prosthetic foot connected to the remaining part of his calf. The thing is, my brother would never even wear shorts. He was too nervous about it, how it happened, the way he looked with a fake shin, with a fake calf and foot. He thought of himself as a real failure with only one leg. A cripple. His skin was blue. He had half-frozen spit on his chin and snot leaking from his nose. `Frank,' he muttered, 'Frank, my life, I've ruined it.' `What?' I said and tried to wake. `Something happened.' `What?'
`I'm freezing my ass off. You break the window?' `No, a duck smashed into it.' `You kidding?' `I wouldn't joke about something like that.' `Where's the duck then?' `I threw it back out the window.' `Why would you do that?' `It gave me the creeps.' `I don't even want to tell you, Frank. I don't even want to say it. I don't even want to say what happened.' `You drunk?' ' Sorta.' `Where are your clothes?' `They're gone.' I took the top blanket off my bed and gave it to him. He wrapped it around himself then plugged in the box heater and looked outside. He stuck his head out the broken window and looked down. `I don't see a duck.' `Someone probably stole it.' He began crying again. `What?' I said. `You know Polly Flynn, right?'
`Sure.' I leaned over and grabbed a shirt on the floor and threw up into it. `Jesus, you okay?' `I don't know.' `You want a glass of water?' `No, I think I feel a little better now.' I lay back in bed and closed my eyes. The cold air felt good. I was sweating, but my stomach began to settle. `I'm glad I don't puke at the sight of puke.' `Me too,' I said and tried to smile. 'What happened?' `Tonight she got mad at me,' he said in a voice as shaky as I've ever heard. 'I don't remember what I said, but she yelled at me so hard that I got up to get dressed but she got up first and took my pants and wouldn't give them back. She ran outside and set fire to them with lighter fluid.”

 

 2126128-a866dc0ec147372986798e8ce5fd30fc.jpg
Willy Vlautin (Reno, 7 november 1967)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

K. Schippers, Nelleke Noordervliet, Colson Whitehead, Michael Cunningham, Robert Musil, Bea Vianen, Bert Vanheste, Bodenski, Johannes Petrus Hasebroek

De Nederlandse dichter, schrijver, essayist en kunstcriticus K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter, werd geboren in Amsterdam op 6 november 1936. Zie ook alle tags voor K. Schippers op dit blog.

 

Algemene taal na klap

Geef een Fransman, een Engelsman
een klap met een houten hamer
en luister
of geluid
nog met landstaal
in verband gebracht kan worden

Indien klap hard
daarna vergelijken:
het geluid van een slapende Fransman
het geluid van een slapende Engelsman

Universele grammatica en fonetiek
van slaapgeluiden zonder woorden

 

 

Huid

Een doos of vaas kan zich
geen beeld van iets anders vormen.

Zij zijn alleen een deel van een
omgeving voor een mens of dier.

Zelf vallen zij samen met hun huid
van steen, karton of een ander

materiaal. Zij kunnen nooit een
uitbreiding ervaren. Voorwerpen

zijn gedompeld in een afzondering
die nooit kan worden opgeheven.

Er is niets dan zij.

 

 

Opening van het visseizoen

Eindelijk buiten.
Water is water.
Riet is riet.
Een eend lijkt op een eend.

Maar nu begint mijn vader (62) weer.

Hij noemt waterhoentjes strijkbouten
en vindt dat de maan
ondergaat
als de
zon.

 

 2089648-f83cfbb861e222b43741f4565b8d25a3.jpg
K. Schippers (Amsterdam, 6 november 1936)

 

 

De Nederlandse schrijfster Nelleke Noordervliet werd op 6 november 1945 in Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Nelleke Noordervliet op dit blog.

Uit: Advocaat van de hemel

“Zorgvlied. Daar had hij altijd willen liggen. Het Père Lachaise van Amsterdam. En die stoet: als hij die kon zien! We brachten hem naar zijn kuil ergens achteraan. Ik liep voorop. Het is een plicht die je hebt als familie, als enige zuster. Er is niemand over. Ouders vroeg dood. Wijzelf allang veel ouder dan onze ouders ooit zijn geworden. Tantes en ooms in verre Indische nevels gebleven. Neven en nichten? Geen idee. Leegte aan onze kant van de stamboom. Mijn dode broer had weinig familie bij zijn laatste optreden, maar veel publiek en niemand die om hem gaf. Wie man sich bettet, so liegt man.
Het was mooi dodenweer. Nevelig. Er hingen druppels aan de laatste gele bladeren. Het rook naar kleuterscholen vol herfststukjes. Ik dacht aan hem, hoe hij daar een beetje lag te schudden in zijn Hamlet-kostuum met schillerkraag. Dat wou hij aan, hij had het vastgelegd bij de notaris. Hij scheen het pak kort voor zijn dood nog gepast te hebben. Zijn ziekte had hem zijn jeugdige gestalte weer gegeven. Mager en knokig. Nu kan ik gaan, zei hij tegen de verpleegster, die het mij vertelde alsof ik er vast wel blij om zou zijn dat hij vrede had met de dood. ‘Uw broer was geen makkelijke patiënt,’ zei ze nog eerlijk.
Ofschoon ik toespraken had verboden - ik heb een afschuw van leugenachtigheid en had neutrale muziek uitgezocht - was in de aula een acteur quasi spontaan opgestaan en had de hele ‘To be or not to be’-monoloog gedeclameerd, in het geval van mijn broer nauwelijks meer een vraag. Het was een hommage aan het grootste moment van Henks carrière, toen hij als jonge veertiger een dwarse Hamlet-bewerking speelde onder de harde ideologische hand van een Oost-Duits regisseur. Ik heb de voorstelling met kromme tenen uitgezeten. Velen vonden het prachtig, revolutionair, anders. Hij glorieerde in zijn kleine kring rechtvaardigen.
We naderden het graf. Ik probeerde de beelden tegen te houden, maar werd erdoor overspoeld. Vroeger. Later. Alles. Dat hele vergeefse leven. Het zijne en het mijne. Het leven van iedereen die achter mij over het zachte pad trad. Ik keek naar de hemel. Daarin was niets te zien.”

 

 2089648-16260683ca5a009a85a37429f3ee15a4.jpg
Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 6 november 1945)

 

 

De Amerikaanse schrijver Colson Whitehead werd geboren op 6 november 1969 en groeide op in Manhattan. Zie ook alle tags voor Colson Whitehead op dit blog.

Uit: The Underground Railroad

“The first time Caesar approached Cora about running north, she said no.This was her grandmother talking. Cora’s grandmother had never seen the ocean before that bright afternoon in the port of Ouidah and the water dazzled after her time in the fort’s dungeon. The dungeon stored them until the ships arrived. Dahomeyan raiders kidnapped the men first, then returned to her village the next moon for the women and children, marching them in chains to the sea two by two. As she stared into the black doorway, Ajarry thought she’d be reunited with her father, down there in the dark. The survivors from her village told her that when her father couldn’t keep the pace of the long march, the slavers stove in his head and left his body by the trail. Her mother had died years before.Cora’s grandmother was sold a few times on the trek to the fort, passed between slavers for cowrie shells and glass beads. It was hard to say how much they paid for her in Ouidah as she was part of a bulk purchase, eighty- eight human souls for sixty crates of rum and gunpowder, the price arrived upon after the standard haggling in Coast English. Able- bodied men and child-bearing women fetched more than juveniles, making an individual accounting difficult.The Nanny was out of Liverpool and had made two previous stops along the Gold Coast. The captain staggered his purchases, rather than find himself with cargo of singular culture and disposition. Who knew what brand of mutiny his captives might cook up if they shared a common tongue. This was the ship’s final port of call before they crossed the Atlantic. Two yellow- haired sailors rowed Ajarry out to the ship, humming. White skin like bone.The noxious air of the hold, the gloom of confinement, and the screams of those shackled to her contrived to drive Ajarry to madness. Because of her tender age, her captors did not immedi-ately force their urges upon her, but eventually some of the more seasoned mates dragged her from the hold six weeks into the pas-sage. She twice tried to kill herself on the voyage to America, once by denying herself food and then again by drowning. The sailors stymied her both times, versed in the schemes and inclinations of chattel. Ajarry didn’t even make it to the gunwale when she tried to jump overboard. Her simpering posture and piteous aspect, rec-ognizable from thousands of slaves before her, betrayed her inten-tions. Chained head to toe, head to toe, in exponential misery.Although they had tried not to get separated at the auction in Ouidah, the rest of her family was purchased by Portuguese trad-ers from the frigate Vivilia, next seen four months later drifting ten miles off Bermuda. Plague had claimed all on board. Authorities lit the ship on fire and watched her crackle and sink.“

 

 2089648-4424d7d5d47d801fe1bdb5a2404d6b7c.jpg
Colson Whitehead (New York, 6 november 1969)

 

 

De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham is geboren in Cincinnati, Ohio op 6 november 1952. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Michael Cunningham op dit blog.

Uit: The Hours

« Leonard races from the room, runs downstairs. He says to the maid, "I think something has happened to Mrs. Woolf. I think she may have tried to kill herself. Which way did she go? Did you see her leave the house?"
The maid, panicked, begins to cry. Leonard rushes out and goes to the river, past the church and the sheep, past the osier bed. At the riverbank he finds no one but a man in a red jacket, fishing.
She is borne quickly along by the current. She appears to be flying, a fantastic figure, arms outstretched, hair streaming, the tail of the fur coat billowing behind. She floats, heavily, through shafts of brown, granular light. She does not travel far. Her feet (the shoes are gone) strike the bottom occasionally, and when they do they summon up a sluggish cloud of muck, filled with the black silhouettes of leaf skeletons, that stands all but stationary in the water after she has passed along out of sight. Stripes of green-black weed catch in her hair and the fur of her coat, and for a while her eyes are blindfolded by a thick swatch of weed, which finally loosens itself and floats, twisting and untwisting and twisting again.
She comes to rest, eventually, against one of the pilings of the bridge at Southease. The current presses her, worries her, but she is firmly positioned at the base of the squat, square column, with her back to the river and her face against the stone. She curls there with one arm folded against her chest and the other afloat over the rise of her hip. Some distance above her is the bright, rippled surface. The sky reflects unsteadily there, white and heavy with clouds, traversed by the black cutout shapes of rooks. Cars and trucks rumble over the bridge. A small boy, no older than three, crossing the bridge with his mother, stops at the rail, crouches, and pushes the stick he's been carrying between the slats of the railing so it will fall into the water. His mother urges him along but he insists on staying awhile, watching the stick as the current takes it.
Here they are, on a day early in the Second World War: the boy and his mother on the bridge, the stick floating over the water's surface, and Virginia's body at the river's bottom, as if she is dreaming of the surface, the stick, the boy and his mother, the sky and the rooks. An olive-drab truck rolls across the bridge, loaded with soldiers in uniform, who wave to the boy who has just thrown the stick. He waves back. He demands that his mother pick him up so he can see the soldiers better; so he will be more visible to them. All this enters the bridge, resounds through its wood and stone, and enters Virginia's body. Her face, pressed sideways to the piling, absorbs it all: the truck and the soldiers, the mother and the child.“

 

 2089648-0834783700832566e2edc26bb81e3649.jpg
Michael Cunningham (Cincinnati, 6 november 1952)

 

 

De Oostenrijkse schrijver Robert Musil werd geboren op 6 november 1880 in Klagenfurt. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Robert Musil op dit blog.

Uit: Der Mann ohne Eigenschaften

„Diese beiden hielten nun plötzlich ihren Schritt an, weil sie vor sich einen Auflauf bemerkten. Schon einen Augenblick vorher war etwas aus der Reihe gesprungen, eine quer schlagende Bewegung; etwas hatte sich gedreht, war seitwärts gerutscht, ein schwerer, jäh gebremster Lastwagen war es, wie sich jetzt zeigte, wo er, mit einem Rad auf der Bordschwelle, gestrandet dastand. Wie die Bienen um das Flugloch hatten sich im Nu Menschen um einen kleinen Fleck angesetzt, den sie in ihrer Mitte freiließen. Von seinem Wagen herabgekommen, stand der Lenker darin, grau wie Packpapier, und erklärte mit groben Gebärden den Unglücksfall. Die Blicke der Hinzukommenden richteten sich auf ihn und sanken dann vorsichtig in die Tiefe des Lochs, wo man einen Mann, der wie tot dalag, an die Schwelle des Gehsteigs gebettet hatte. Er war durch seine eigene Unachtsamkeit zu Schaden gekommen, wie allgemein zugegeben wurde. Abwechselnd knieten Leute bei ihm nieder, um etwas mit ihm anzufangen; man öffnete seinen Rock und schloß ihn wieder, man versuchte ihn aufzurichten oder im Gegenteil, ihn wieder hinzulegen; eigentlich wollte niemand etwas anderes damit, als die Zeit ausfüllen, bis mit der Rettungsgesellschaft sachkundige und befugte Hilfe käme.
Auch die Dame und ihr Begleiter waren herangetreten und hatten, über Köpfe und gebeugte Rücken hinweg, den Daliegenden betrachtet. Dann traten sie zurück und zögerten. Die Dame fühlte etwas Unangenehmes in der Herz-Magengrube, das sie berechtigt war für Mitleid zu halten; es war ein unentschlossenes, lähmendes Gefühl. Der Herr sagte nach einigem Schweigen zu ihr: »Diese schweren Kraftwagen, wie sie hier verwendet werden, haben einen zu langen Bremsweg.« Die Dame fühlte sich dadurch erleichtert und dankte mit einem aufmerksamen Blick. Sie hatte dieses Wort wohl schon manchmal gehört, aber sie wußte nicht, was ein Bremsweg sei, und wollte es auch nicht wissen; es genügte ihr, daß damit dieser gräßliche Vorfall in irgend eine Ordnung zu bringen war und zu einem technischen Problem wurde, das sie nicht mehr unmittelbar anging. Man hörte jetzt auch schon die Pfeife eines Rettungswagens schrillen, und die Schnelligkeit seines Eintreffens erfüllte alle Wartenden mit Genugtuung. Bewundernswert sind diese sozialen Einrichtungen. Man hob den Verunglückten auf eine Tragbahre und schob ihn mit dieser in den Wagen. Männer in einer Art Uniform waren um ihn bemüht, und das Innere des Fuhrwerks, das der Blick erhaschte, sah so sauber und regelmäßig wie ein Krankensaal aus. Man ging fast mit dem berechtigten Eindruck davon, daß sich ein gesetzliches und ordnungsmäßiges Ereignis vollzogen habe. »Nach den amerikanischen Statistiken«, so bemerkte der Herr, »werden dort jährlich durch Autos 190000 Personen getötet und 450000 verletzt.«

 

 2089648-f519ff7090210418cf06d993f91e50c3.jpg
Robert Musil (6 november 1880 – 15 april 1942)
Cover

 

 

De Surinaamse dichteres en schrijfster Bea Vianen werd geboren in Paramaribo op 6 november 1935. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Bea Vianen op dit blog.

Uit:Nonnen en straffen

“Een droom heeft mij wakker gemaakt. Ik dacht dat ik in het Internaat was en in de rij liep. Naast Norine. Een rozenkrans in de hand. Ik hoorde de stem van de Overste. Zij prevelde. Voor mij gaven de meisjes elkaar duwtjes om het gebed van de soeur belachelijk te maken. Ik was acht. Mijn moeder lag in het ziekenhuis. Zij zou daar jaren liggen. Aan de hand van mijn vader beklom ik de brede en hoge stoep van het klooster aan de Gravenstraat. De zon ging onder. Ik denk dat het vier uur was. Ik huilde. De stilte van de kloostervestibule greep mij aan. Ik voelde mij gevangen, ver van de spelletjes die ik zo graag deed: het vangen van aardwormpjes met lange grassprietjes, natgemaakt met speeksel om de soekroeboes, zoals wij de wormpjes noemden, aan te lokken. Ik voelde mij ver van de hangalampoeheiningen, de bladeren die ik doorprikte met de harde doorns van de babydruif. En dan mijn tadja's van zand, versierd met gele bloemen die ik langs de goot voor ons huis plukte. De zoemende honingbijen, gevangen met een stukje papier.
Tja, ik was acht toen ik kennis maakte met lange gebedsoefeningen, straffen, gangen, vestibules, refters, mangelkamers, koepen, zalen en biechtstoelen.
Het Internaat van de Orde der Franciscanessen was een wereld in het klein, roterend door de kracht van christelijk kolonialisme. Een kleine wereld ook omdat alle rassen van onze samenleving dezelfde straffen ondergingen, dezelfde zonden beleden en dezelfde taal spraken. Het Nederlands. De voertaal. De taal van de beschaafden. Gesproken door de Chinese meisjes uit het district Nickerie en uit Marowijne. Door de Indiaanse meisjes, de onverschrokken dochters van de Caraïben en de Arowakken uit Donderskamp en Corneliskondré aan de benedenloop van de Coppenamerivier. Door zovele anderen die ik mij nog erg goed herinner. Vooral de rebellen, even onverschrokken als de Indiaanse meisjes voor wie ik grote bewondering had. Stella, Wilma, Joosje, gevolgd door de familienaam Indiaan. Ik kon goed met ze opschieten, ofschoon zij een stuk ouder waren. Toch durfde ik ze nooit te vragen of het waar was dat 's nachts in het donker van de Palmentuin drievingerige Indianen ronddoolden.”

 

 2089648-dd7bbc340fc10aac66c30d430dc21e7a.png
Bea Vianen (Paramaribo, 6 november 1935)

 

 

De Vlaamse literatuurwetenschapper en auteur Gilbert (Bert) Vanheste werd geboren in Pervijze op 6 november 1937. Zie ook alle tags voor Bert Vanheste op dit blog.

Uit:De politieke romans van Virginie Loveling: antikatholiek?

“Vanacker stelt dus dat ik ten onrechte, op grond van mijn kennis van de eigen tijd, een scheiding aanbreng in de 19e eeuw tussen het katholieke geloof en de katholieke praktijk. In een raadselachtige zin lijkt hij te vinden dat ik op grond van mijn kennis van de huidige kerk (welke? die van mijn jeugd in Vlaanderen, die ik als minstens even onderdrukkend en intolerant heb ervaren als Loveling dat deed?), die zich zou distantiëren van de 19e-eeuwse onverdraagzaamheid, de conclusie trek dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de echte kerk en een intolerante verschijningsvorm ervan omstreeks 1880. Daar stelt hij tegenover dat er in 1880 geen andere katholieke kerk was dan die van 1880. Daar ben ik het mee eens, ook als dat betekent dat er binnen het katholieke kamp in die periode geen oppositie van enige betekenis bestond. Daar gaat het echter niet om. Als Vanacker zegt dat de twee geëngageerde romans van Virginie Loveling hem niet alleen antiklerikaal lijken, maar ook antikatholiek en hij verstaat onder die laatste term: gericht tegen de katholieke kerk, dan geef ik hem volmondig gelijk. Echter: in het normale spraakgebruik noemt men dat antiklerikalisme. Antikatholicisme stoot door naar de, niet aan een periode gebonden, geloofspunten. (Zoals anticommunisme veel verder gaat dan kritiek op de Russische partij). Welnu, V. Loveling bestrijdt die leerstellingen niet in haar boeken en zelfs niet (heb ik uit Vanacker begrepen) in haar journalistieke werk. De argumentatie voor deze stelling ligt op elke bladzijde van Vanackers artikel voor het oprapen. Er was omstreeks 1880 geen andere kerk, maar men - niet in de laatste plaats V.L. zelf - had wel degelijk weet van een andere, niet ultramontaanse, katholieke kerk, namelijk de vrijzinnig-katholieke waarin Virginie zelf grootgebracht was. Na 1848 was dit liberaal-katholicisme historisch achterhaald, hetgeen niet betekent dat het uit de hoofden gebannen was. Onmiskenbaar herinnerde V.L. zich die periode, sterker: zij idealiseerde die. En was het hoofdpersonage in de Franstalige tegenhanger van In onze Vlaamsche gewesten, Partie perdue van Goblet d'Alviella, niet zo'n oude katholiek, voorstander van de oude principes tegen de nieuwe Roomse richting? De onderwijzer die V.L. in het dorp M. (Meigem?) gekend moet hebben was al evenzeer zo'n katholiek. Vanacker noemt zelf de priester Angelman uit Sophie een dissident (een woord met een anachronistisch geurtje?) die Sophie uitlegt dat de kerk haar ware opdracht niet vervult.”

 

.2089648-630cb5505efb159c438ae8ef5321948c.jpg
Bert Vanheste (6 november 1937 - 23 februari 2007)
Pervijze

 

 

De Duitse dichter, componist en musicus Bodenski (eig. Michael Boden) werd geboren op 6 november 1965 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Bodenski op dit blog en ook mijn blog van 6 november 2010

 

Schlaflied

Siehst du die Wolken über uns
sie tanzen mit dem halben Mond
siehst du das kleine rote Tier
das in den schwarzen Büschen wohnt

der alte Zaun ist längst verfault
der Wald umarmt den Garten
siehst du mein Haar, es wird schon grau
vom warten, ach vom warten

auf meiner Zunge liegt ein Stein
und Gräser stechen tief in meine Haut
die Nacht schaut uns mit tausend Augen zu
komm schlaf mit mir
bevor der Morgen graut

hier in dem Schatten deines Leibs
roll ich mich ein um auszuruhn
kommt erst das Weiß dem Jahr ins Haar
dann muß ich fortgehn schwarz und stumm

auf meiner Zunge liegt ein Stein
und Gräser stechen tief in meine Haut
die Nacht schaut uns mit tausend Augen zu
komm schlaf mit mir
bevor der Morgen graut

 

 2089648-d6545dc4c6d8750a9e7c4ab58dc8449d.jpg
Bodenski (Potsdam, 6 november 1965)

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter en predikant Johannes Petrus Hasebroek werd geboren in Leiden op 6 november 1812. Zie ook alle tags voor Johannes Petrus Hasebroek op dit blog.

 

De velden worden wit

Reeds buigt de rijpende air het hoofd ter aarde neder,
En kondigt d' oogstdag aan, waarom de landman bidt;
God geeft in 't levend brood het zaad den zaaijer weder...
De velden worden wit.

Reeds zie ik ook voor mij den dag des oogstes naken.
Waar bleef de blondheid, die de frissche jeugd bezit?
Ach, zij verschoot om plaats voor bleeker verw te maken...
De velden worden wit.

De zeissen wordt gescherpt, mijn ziel! die u zal vellen;
Geen uur beslissender, heel 't leven door, dan dit!
Leere u de grafbloem op uw kruin uw dagen tellen...
De velden worden wit.

 

 

Halfheid
Bij het zien van een regenboog

0 schoon gezicht! Met zevenvoude kleuren
Zie ik de bonte hemelboog
Als een triomfpoort naar omhoog
Zijn stralend halfrond opwaarts beuren.
Gods Majesteit en Liefde gloort
En treedt ons tegen door die poort.
Maar ach waar gij de krans van stralen
Wilt volgen tot zijn ring zich sluit , —
Zie hoe daar eenklaps de aarde u stuit,
En 't oog weerhoudt in 't nederdalen!
Hoe schoon, o boog, uw gordel zij,
Een Halfheid en niet meer, zijt gij!
0 beeld van 't Schoonste en Zoetste op aarde!
't Gelijkt de bonte regenboog.
Het streelt uw hart, het boeit uw oog,
Maar 't blijft ten dele al wat ze u baarde.
Straks breekt de schone toverring,
Waarmee ze u voor een wijl omving.
Ja, wat ook de aarde ons geev' te aanschouwen,
Wat ze ons van Waar- of Schoonheid bied',
't Is al een Halfheid, wat gij ziet:
't Geheel blijft weigren zich te ontvouwen.
De dood alleen schenkt eens uw oog
De aanschouwing van de volle boog.

 

 2089648-11eb168a4509fce2184600867852fe11.jpg
Johannes Petrus Hasebroek (6 november 1812 – 29 maart 1896)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e november ook mijn blog van 6 november 2016 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2007 en eveneens mijn blog van 6 november 2006.

Geschreven door Romenu om 18:23 Reageer op dit bericht

Chris van Abkoude

De Nederlandse schrijver Christiaan Frederik (Chris) van Abkoude werd geboren in Rotterdam op 6 november 1880. Van Abkoudes vader, Pieter van Abkoude, had een kapperszaak. Zijn moeder Anna Hössen stierf in het kraambed, twee weken na Chris' geboorte. Na de middelbare school ging Chris van Abkoude naar de normaalschool (kweekschool) en behaalde hier zijn onderwijsakte. Van 1901 tot circa 1909 was hij leerkracht op een volksschool in de Rotterdamse wijk Crooswijk. Naast het lesgeven ging Van Abkoude zich ook met journalistiek bezighouden. Verder hielp hij een paar vrienden bij de oprichting van een krant. In 1905 trouwde Van Abkoude met Johanna van Wijk. Kort na elkaar werden drie zoons geboren, van wie veel belevenissen verwerkt zijn in het boek “De zonen van Pietje Bell”. Van Abkoude schreef twee novellen die echter vrij snel uit de handel verdwenen. In 1907 verschenen zijn eerste twee kinderboeken, “Bert en Bram” en “Hollandsche jongens”. Begin 1914 verscheen “Pietje Bell”. Het boek verkocht goed in zowel Nederland als België en zelfs Zuid-Afrika. In augustus van datzelfde jaar brak WO I uit en Van Abkoude ging in militaire dienst. Hij werd korporaal bij de landmacht, maar probeerde hier op allerlei manieren onderuit te komen. Een jaar nadat Van Abkoude uit militaire dienst werd ontslagen, emigreerde hij in de zomer van 1916 naar de Verenigde Staten. Hij ging aan de slag als kinderentertainer en als pianist bij stomme films in een bioscoop. Verder regelde hij optredens voor zijn Holland Dutch Show, bestaande uit poppenkastspel, goocheltoeren en verhalen uit Nederland. Ook veranderde Van Abkoude zijn naam in Charles Winters, omdat zijn oorspronkelijke naam te lastig bleek voor Amerikanen. Op aandringen van uitgeverij Kluitman schreef Van Abkoude een nieuw boek over Pietje Bell: “De vlegeljaren van Pietje Bell”. In Amerika leerde Van Abkoude de miljonair August Heckscher kennen. In 1920 richtte Hekscher The Heckscher Foundation for Children op, waar Van Abkoude in 1921 werd aangesteld als 'Children's Director'. Zijn taak was het bedenken van activiteiten om kinderen van de straat te houden. Begin 1922 probeerde Van Abkoude zijn reeks verhalen over Pietje Bell af te sluiten met het boek “De zonen van Pietje Bell”. Er zouden er echter – noodgedwongen – nog enkele volgen. Korte tijd later ontving zijn uitgever ook het verhaal van “Kruimeltje” dat in 1923 werd uitgegeven. In 1943 belandden de Abkoudes in het stadje Alameda, dicht bij San Francisco. In San Francisco was een Amerikaanse marinebasis gevestigd, waar Van Abkoude voorstellingen verzorgde, voornamelijk voor kinderen van militairen en havenarbeiders. Met het eind van de oorlog in 1945 nam ook dit werk weer af. Van Abcoude ontving een ouderdomsuitkering, maar dat was amper genoeg om van te leven. Van Abkoude schreef een kort toneelstuk, “The Miracle”. Nadat dit stuk in oktober 1951 met succes werd opgevoerd maakte hij plannen voor nieuwe stukken. Begin 1951 werd hij echter getroffen door een beroerte, en moest hij stoppen met toneel en schilderen. Chris Van Abkoude overleed op 79-jarige leeftijd in een verzorgingstehuis in Portland.

Uit: Pietje Bell

“Tante Cato was al stevig ingedut en hoorde Pietje niet binnenkomen. Hij keek naar tante, naar haar open mond, naar de grote puist op haar neus. Er zaten drie haartjes op. Piet had van de jongens gehoord, hoe je wratten kon afbinden. Met een gewoon draadje garen legde je een stevige knoop om de wrat en trok die zo hard mogelijk aan. Na een paar dagen viel de wrat dan vanzelf af. Hij vond het wel een mooi idee om tante op die eenvoudige manier van dat lelijke ding op haar neus af te helpen. Nu zij sliep, was de gelegenheid daartoe al bijzonder gunstig. De eindjes van de knoop zou hij zo kort mogelijk afknippen, dan bemerkte zij er niets van. En als dan na enige dagen het ding afviel, zou hij zeggen: "Tante, dat heb ik nu gedaan."
Ja, dat was een mooi en goed plan. Hij haalde een draad garen, strikte daar een losse knoop in en schoof die voorzichtig over de knobbel op de neus van de slapende tante Cato. Toen trok hij hard aan, heel hard, want de knoop moest stevig zitten, anders ging het niet.
[Pietje Bell] Opeens vloog tante met een ruk overeind en schreeuwde, alsof zij vermoord werd. Met beide handen greep zij naar haar neus, en toen zij voelde dat zij nog in het bezit was van dat sierlijke pronkstuk, begon zij tegen Pietje uit te varen.
"Jou akelig, schandelijk kind! Jou misdadige jongen! Oude mensen bespotten en mishandelen. Wat doe je hier? Dit is mijn kamer. Ga weg, oneerbiedige jongen, laat ik je niet meer zien."
"Maar tante....."
"Ga weg, ik ben je tante niet! Hemel, wat heb je toch met mijn neus uitgevoerd? Hangt er een draad aan?"
Tante Cato ging voor de spiegel staan en zag het garen om de knobbel geknoopt. Zij maakte het gauw weer los en keek Pietje met een vernietigende blik aan.
"Tante, ik wou...."
"Ben je nog hier? Ik zeg immers, dat ik je tante niet ben en dat je moet weg gaan!"
"Bent u mijn tante niet?" vroeg Pietje verbaasd. "Bent u dan een oom?"
"Nu voor het laatst, brutaal kind: Ga - De - Deur - Uit!"
"Maar dan raakt u de puist niet kwijt, tante."
Tante Cato was buiten zichzelve. Ze zette Pietje buiten de deur. Deze begreep maar niet, dat tante zoveel drukte om niets maakte.”

 

 2110311-d645d779163e768254cbc5cba8eac441.png
Chris van Abkoude (6 november 1880 – 2 januari 1960)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Bert Wagendorp, Andreas Stichmann, Hanns-Josef Ortheil, Joyce Maynard, Maurice Kilwein Guevara, Dmitri Prigov, Anna Maria van Schurman

De Nederlandse schrijver en journalist Bert Wagendorp werd geboren in Groenlo op 5 november 1956. Zie ook alle tags voor Bert Wagendorp op dit blog.

Uit: Masser Brock

“Mia Kalman liep met korte, gehaaste passen de Korte Houtstraat uit en boog, toen ze op het Plein was aangekomen, af in de richting van het gebouw van de Tweede Kamer. De terrassen zaten vol en nazomers gemurmel met zo nu en dan een uitschieter van gelach of stemverheffing vulde de lucht. Maar Mia had geen tijd voor terrassen en smalltalk, er was werk aan de winkel. Ze stapte zonder om zich heen te kijken langs de tafeltjes, om zo de kans dat ze werd aangeroepen door een bekende zo klein mogelijk te maken. Mia Kalman was tweeënveertig en de belangrijkste speechschrijver van de premier van Nederland.
Ze moest naar het Torentje, een klein achthoekig gebouwtje met een puntdak dat tussen het regeringscomplex en het Mauritshuis stond, met uitzicht op de Hofvijver. Vanwege de veiligheid was de toegang tot het Torentje vanaf het Plein afgesloten – Mia moest via de poort van het Binnenhof binnendoor en onder begeleiding naar het vertrek van de minister-president. Ze liet haar pas zien, knikte naar de bewaker, ging een toilet in om haar make-up en kleding te controleren, glimlachte even naar zichzelf, verliet het toilet en liep verder.
Het sms’je van haar baas was gekomen nog voor ze een nieuwsalert kreeg: er waren vier Nederlandse soldaten omgekomen bij een vredesmissie in een land waarvan ze niet eens wist dat er een Nederlandse vredesmissie actief was. Ze belde hem meteen: een Bushmaster was op een landmijn gereden en de explosie was zo hevig geweest dat de wagen was opgetild en ondersteboven weer was geland, met de vijf inzittenden er dankzij hun veiligheidsgordels nog in. Mogelijk hadden ze het overleefd als er niet meteen na de ontploffing uit het niets gewapende mannen waren opgedoken die het vuur hadden geopend op de verwrongen hoop staal en de inzittenden, en die daarna weer waren verdwenen in de woestijn. Een van de soldaten had de aanslag overleefd, vermoedelijk hadden de terroristen hem over het hoofd gezien. Hij lag met een shock in de ziekenboeg van de Nederlandse militaire compound, in afwachting van het moment waarop hij vervoerd zou kunnen worden naar Nederland.
Maak vast iets voor Twitter,’ las ze. ‘Ik moet straks een verklaring afleggen op de drie publieke zenders en bij RTL en SBS.’
Mia klopte op de eiken deur en hoorde iets dat op ‘`entrez!’ leek. Toen ze binnenkwam zag ze haar baas door de kleine ruimte ijsberen, een mobiel aan elk oor. Ze hoorde achtereenvolgens ‘Verdomme!’, ‘Kolerezooi!’, ‘Gore woestijnratten!’ en ‘Haha!’

 2089125-22ad858f44e94a3df85743d56c9ac5ed.jpg
Bert Wagendorp (Groenlo, 5 november 1956)

 

 

De Duitse schrijver Andreas Stichmann werd op 5 november 1983 in Bonn geboren. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Andreas Stichmann op dit blog.

Uit: Die Entführung des Optimisten Sydney Seapunk

“Bianca Kempfer, 17 Jahre alt, Realschülerin, steigt in Hamburg-Osdorf aus dem Bus und dreht sich eine Zigarette. Der Asphalt ist warm unter ihren nackten Füßen, ihre Springerstiefel hat sie ausgezogen und in den Rucksack gepackt. Der Bus setzt sich in Bewegung und gibt den Blick frei auf den Sonnenhof, wo sie seit drei Wochen ihre Sozialstunden ableistet. Eine heruntergekommene Siedlung auf dem Mars – das war ihr allererster Eindruck von dem Ort. Wobei es auf dem Mars wahrscheinlich keine Pfützen, keine Mohnblumen und keinen Löwenzahn gibt. Aber die runden Lehmhäuser mit den Metallfenstern erscheinen ihr marsig, und auch die Menschen, die auf dem Sonnenhof leben – marsig und nice. Sie hätte nicht gedacht, dass Sozialstunden so viel Spaß machen können.
Beim Betreten des Geländes achtet sie wie immer drauf, schwungvoll zu gehen. Ramafelene, der Chef, hat ihr gesagt, dass er ihre energiegeladene Art mag. Die Sonnenhöfler würden allesamt so schlurfen. Das nerve ihn.
Sie schaut sich um; Ramafelene ist nirgendwo zu sehen.
In der Mitte des Geländes, zwischen den sechs runden Lehmhäuschen, gibt es einen Brunnen, der total märchenmäßig wirkt. Sie wirft den glibschigen Holzeimer rein, zieht ihn an der Seilwinde hoch und trinkt einen Schluck kaltes Wasser.

 

 2089125-1b9314e74e488e2322c0b7869ef3861e.jpg
Andreas Stichmann (Bonn, 5 november 1983)

 

 

De Duitse schrijver Hanns-Josef Ortheil werd geboren op 5 november 1951 in Keulen. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Hanns-Josef Ortheil op dit blog.

Uit: Der Typ ist da

„Als Mia von der Bibliothek nach Hause kommt, steht er vor der Haustür. Ruhig, wartend, als sei er ganz sicher, dass sie kommen werde. Sie schaut ihn an, erkennt ihn aber auf den ersten Blick nicht. Sie will schon an ihm vorbeigehen und die Haustür aufschließen, als er sie auf Italienisch anspricht. Es ist der vertraute, melodische Klang, den sie noch vor Kurzem täglich in Venedig gehört hat. Mia erschrickt ein wenig, sie hält inne und schaut den Typ länger an. Er grüßt noch einmal und sagt, dass er ihrer Einladung gefolgt sei. »Jetzt bin ich da«, erklärt er, und es klingt derart eindringlich, dass Mia nicht sofort antwortet. Sie will keinen Fehler machen, denn der Typ meint es anscheinend ernst. Wer aber ist er und wieso spricht er von einer Einladung? Er ist etwas größer als sie, vielleicht um die ein Meter achtzig, er ist schlank und trägt einen kurzen schwarzen Wintermantel. Die braunen Haare sind sorgfältig kurz geschnitten, er hat einen Bart, nichts Auffälliges, Dichtes, sondern eine schwache Behaarung um die Mundpartie, so wie die meisten jungen Venezianer sie jetzt haben. Eine Mundmaske, ein kleiner Schatten um das Kinn, ein Akzent, dass man nicht alles preisgibt, sondern einige Feinheiten des Lebens für sich behalten will. Er lächelt nicht, sein Gesicht zeigt auch sonst keine Bewegung, er schaut sie an wie ein Junge, der umarmt und willkom-men geheißen werden will. Wie alt er wohl ist? Zwan-zig? Zweiundzwanzig? Höchstens dreiundzwanzig, nein, eher doch zweiundzwanzig. Er hat den Sprung in die Er-wachsenenwelt noch nicht ganz geschafft, er wartet ge-radezu darauf, dass man ihn an der 1 land packt und mit ins I laus nimmt. I lat er etwas dabei? Einen Koffer? Nein, das nicht, sondern nur eine einfache, schwarze Sporttasche. Er trägt Turnschuhe, sie leuchten hell in der einbrechenden Dunkelheit. Was ist mit ihm? Will er etwa bei ihr woh-nen? Das geht nicht, denkt Mia, es geht auf gar keinen Fall. Mia wohnt mit zwei anderen jungen Frauen in einer Dreier-wc im dritten Stock des Kölner Mietshauses, vor dem der Fremde und sie noch immer stehen. Übernach-tungen von Männern, haben die drei Frauen fest verein-bart, sind in der wc nicht erwünscht. Männer am Früh-stückstisch möchte erst recht keine von ihnen sehen, und wenn eine einen festen Freund haben sollte, über-nachtet sie bei ihm, er aber nicht bei ihr. Keine der drei jungen Frauen hat jedoch gegenwärtig einen festen Freund, das macht die Männer-Thematik unkompliziert. Mia tastet sich an die Sache heran. Am einfachsten ist es, wenn sie nachfragt. — Du kommst aus Venedig? — Ja, direkt aus Venedig. — Mit dem Flieger? — Nein, mit dem Zug. — Und wie lange wartest Du schon?“

 

 2089125-ddd6870a3072d5c71281701700d6487d.jpg
Hanns-Josef Ortheil (Keulen, 5 november 1951)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Joyce Maynard werd geboren op 5 november 1953 in Durham, New Hampshire en volgde een opleiding aan de Phillips Exeter Academy. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Joyce Maynard op dit blog.

Uit: The Best of Us

“Ever since the end of my marriage to my children's father I had wanted to fall in love. But if you had asked me — or if I ever asked myself — what it meant to fall in love, I doubt I could have told you. "Falling in love" was an idea I had picked up from a lot of rock-and-roll songs and movies and the fairy tales that came before them.
My own experience of love had not contained the happy ending, though passion was part of it, as was romance, and certainly drama. (Drama: an addiction of mine, maybe. To look at my history, at least, you would have had to consider that possibility.)
Age had changed me in many ways, but not in this one. Into my fifties, and closing in on the next decade — my children grown and gone, along with so much else I had held onto once and now let go — I still looked for that feeling of my pulse quickening, of holding my breath when a person walked in the door — my person. But when I tried to imagine what this falling-in-love thing would look like with the passage of time, my imagination — though it seldom failed me — provided no picture. Mostly what I had known of falling in love was that heartbreak followed soon after.
I had been, at the point our story began, a writer of fiction, and in the writing of fiction, it is well understood that for a story to hold the reader's interest, conflict must exist. I might have told myself otherwise, but for years I think I carried that belief into my life off the page. Where was the drama in happiness? If there was no trouble present, what kept the story alive?
What did I know of love? What had I witnessed? My parents had started out with a big love affair, filled with extravagant emotion and conflict. The fact that when my mother met him, my father had been twenty years older than she was — and divorced — had not even been their biggest obstacle. He just wasn't Jewish.
He had courted her for ten years — writing her poems, sending her drawings, swearing his devotion, taking a job under a made-up name as a radio host on the prairies of Canada so he could recite romantic poetry to her over the airwaves without her parents knowing it. He was handsome and funny, brilliant and difficult. But romantic — and in the end, irresistible.”

 

 2089125-aaa252f4450091553b8574bfeda22bd6.jpg
Joyce Maynard (Durham, 5 november 1953)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en hoogleraar Maurice Kilwein Guevara werd geboren op 5 november 1961 in Belencito. Zie ook alle tags voor Maurice Kilwein Guevara op dit blog.

 

Doña Josefina Counsels Doña Concepción Before Entering Sears

Conchita debemos to speak totalmente in English
cuando we go into Sears okay Por qué
Porque didn’t you hear lo que pasó It say
on the eleven o’clock news anoche que two robbers
was caught in Sears and now this is the part
I’m not completely segura que I got everything
porque channel 2 tiene tú sabes that big fat guy
that’s hard to understand porque his nose sit on his lip
like a elefante pues the point es que the robbers the police say
was two young men pretty big y one have a hairy face
and the other is calvo that’s right he’s baldy and okay
believe me qué barbaridad porque Hairy Face
and Mister Baldy goes right into the underwear department
takes all the money from the caja yeah uh-huh the cash register
and mira Mister Baldy goes to this poor Italian woman that I
guess would be like us sixty o sixty-five who is in the section
of the back-support brassieres and he makes her put a big bra
over her head para que she can’t see nothing and kneel
like she’s talking to God to save her poor life
and other things horrible pero the point como dije
es que there was two of them and both was speaking Spanish
y por eso is a good thing Conchita so the people at Sears
don’t confuse us with Hairy and Baldy that we speak English only
okay ready
Oh what a nice day to be aquí en Sears Miss Conception

 

 2089125-dd66a4ae36e00d519794b1577323071c.jpg
Maurice Kilwein Guevara (Belencito, 5 november 1961)

 

 

De Russische dichter en beeldend kunstenaar Dmitri Aleksandrovitsj Prigov werd geboren in Moskou op 5 november 1940. Zie ook alle tags voor Dmitri Prigov op dit blog.

Uit: Dialogues (Vertaald door Chris Mattison)

Apotheosis of the Policeman

Forewarned Conversation No. 1

1st man: What is oputheozis?
2nd man: How can I explain it? It is a kind of award.
1st man: An award? Like an Order?
2nd man: No, not exactly like an Order.
1st man: Then like what? Maybe a medal?
2nd man: No, not exactly a medal either.
1st man: Not exactly?
2nd man: Not exactly.
1st man: Then what is it?
2nd man: Well, oputheozis — It’s a sort of commendation
1st man: A-a-ah. Understood.


Forewarned Conversation No. 2

Man: Comrade major, what is oputheozis?
Major: Not oputheozis, apotheosis.
Man: But what is it?
Major: How can I explain it to you so that you will understand?
It is the honest and conscientious fulfillment of a duty, the execution of a service that results in you becoming an example to others.
Man: Do you have to wait long for it?
Major: As long as it takes. Under certain circumstances zeal may be reached after five or so years.
Man: And what then?
Major: Then it will last and bring people joy.

 

 2089125-1c2a3e2bb17aec0321817dab513965ce.jpg
Dmitri Prigov (5 november 1940 – 16 juli 2007)

 

 

De Nederlandse schrijfster Anna Maria van Schurman werd geboren in Keulen op 5 november 1607. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Anna Maria van Schurman op dit blog.

Uit: Brief aan prinses Elizabeth van Bohemen

“Mevrouw,

Dat u zo goed was om mij onlangs te vereren met een brief van uw hand, zou de grandeur van Uwe Hoogheid en de laagheid van mijn staat ontkennen, indien ik het toeschreef aan mijn verdienste in plaats van aan uw pure gunst. In die brief nam u de moeite hartelijk te informeren naar mijn gezondheid en studies. Wat betreft mijn gezondheid, zij is (dank aan God) in zo'n bevredigende toestand dat ze het een eer vindt om uw opdrachten te (kunnen) ontvangen. Maar de voortgang van mijn studies is niet zo opzienbarend dat ik er tot mijn voordeel rekenschap van zou kunnen geven. Tenminste, ik ben niet van mening dat zij de publieke verwachtingen kunnen waarmaken, zoals uw gunst me wil doen geloven.
Het is waar dat ik grote hoogachting heb voor de doctors scholastici en dat zij zonder twijfel mij goede gelegenheden zouden kunnen bieden om mijn geest te oefenen, als ik niet afgeleid zou zijn door meer noodzakelijke oefeningen. Ik wil niet ontkennen dat zij soms verdwalen in ijdele, gevaarlijke, ja godslasterlijke speculaties wat veroorzaakt heeft dat zij de censuur van verscheidenen geleerden van onze tijd op de hals gehaald hebben. Niettemin mag dat ons niet bevooroordelen tegen de degelijkheid noch tegen de voortreffelijkheid van hun opvattingen die men dikwijls in hun werken bewondert wanneer het erom gaat de geheimen van de filosofie te verhelderen of om de kernpunten van de christelijke godsdienst tegen de profane Sceptici en Atheïsten te verdedigen. Met moeite zou men weten te onderscheiden of zij spitsvondiger geweest zijn om de twijfels en tegenwerpingen te smeden dan of ze meer onversaagd zijn geweest om verheven en moeilijke dingen te ondernemen of meer succesvol en capabel om ze af te breken. Zodat ze, naar mijn oordeel, deze twee kwaliteiten harmonieus hebben samengevoegd, namelijk subtiliteit en werkelijkheid. En werkelijk, het is niet verbazend dat zij zo'n hoge graad van volmaaktheid bereikt hebben. Voorzover zij nooit hun voorgangers veracht hebben, noch de schatten van al de verleden eeuwen.”

 

 2089125-51baebb49d3dee10e618c3211a555f48.jpg
Anna Maria van Schurman (5 november 1607 – 4 of 14 mei 1678) 
Portret doorMichiel van Mierevelt, 1638

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 5 november 2008, en ook mijn blog van 5 november 2007 en eveneens mijn blog van 5 november 2006.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e november ook mijn vorige blog van vandaag.



Geschreven door Romenu om 08:19 Reageer op dit bericht

Ella Wheeler Wilcox, Hans Sachs, Ulla Berkéwicz, Mikhail Artsybashev, James Elroy Flecker, Washington Allston

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Ella Wheeler Wilcox werd geboren op 5 november 1850 in Johnstown, Wisconsin. Zie ook alle tags voor Ella Wheeler Wilcox op dit blog en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

 

As You Go Through Life

Don’t look for the flaws as you go through life;
And even when you find them,
It is wise and kind to be somewhat blind
And look for the virtue behind them.
For the cloudiest night has a hint of light
Somewhere in its shadows hiding;
It is better by far to hunt for a star,
Than the spots on the sun abiding.

The current of life runs ever away
To the bosom of God’s great ocean.
Don’t set your force ‘gainst the river’s course
And think to alter its motion.
Don’t waste a curse on the universe –
Remember it lived before you.
Don’t butt at the storm with your puny form,
But bend and let it go o’er you.

The world will never adjust itself
To suit your whims to the letter.
Some things must go wrong your whole life long,
And the sooner you know it the better.
It is folly to fight with the Infinite,
And go under at last in the wrestle;
The wiser man shapes into God’s plan
As water shapes into a vessel.

 

 2089121-e18f192154f1226ebcf056540145b338.jpeg
Ella Wheeler Wilcox (5 november 1850 – 30 oktober 1919)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Sachs werd op 5 november 1494 in Nürnberg geboren als zoon van een kleermaker. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Hans Sachs op dit blog.

 

Die bitter lieb (Fragment)

Sie sprach: »weißt nicht mein treuen mute?
ich hab gewagt leib, er und gute
mit dir, ist das ietzunt mein lon?«
der jüngling sprach: »herzlieb, verschon!
der argwon bracht mich auf das spore,
weil ich dich nicht sach oft als vore.«
Das freulein sprach; »der klaffer vile,
die sehen uns gnau auf das spile,
ob ich dich bei der nacht vernim;
oder ich hör zu nacht dein stim,
zum fenster darf ich nicht aussehen,
förcht auch, dir möcht etwas geschehen.«
Er sprach: »nechten wars mir nit weit,
es jagten mich um mettenzeit
mit bloßer wer die schergenhaufe
eben gleich für dein tür heraufe.«
sie sprach: »erst machst mir sorge mer.
unglück reit mich, wo ich hin ker.
mein man wil mir auch nit vertrauen
und tut gar eben auf mich schauen.«

Der jüngling sprach: »merkt es dein mane,
erst bleib ich nit; ich wil darvane!
es kostet mein und deinen leib.«
erst wart betrübt das zarte weib
und umfing den jüngling mit armen,
sprach: »bleib und tu dich mein erbarmen!«
Der knab tet wider zu ir jehen:
»dein brüder mich tückisch ansehen,
als ob sie merken unser lieb;
nit gut wer, das ich lenger blieb.«
darmit das freulein er umfinge,
nam urlaub, traurig von ir ginge;
Die wand ir hend und rauft ir har.
da dacht ich mir: und ist das war,
das in der süßen lieb verborgen
ligt so vil ungelücks und sorgen,
klag, eifersucht und klafferei,
senen und trauren mancherlei,
ich geschweig des letzten abscheiden,
so wil die bitter lieb ich meiden.

 

 2089121-c795062cc09e668c1474bd506c899743.jpg
Hans Sachs (5 november 1494 -19 janauari 1576)
Cover DVD

 

 

De Duitse schrijfster, uitgeefster en actrice Ulla Berkéwicz werd geboren op 5 november 1948 in Gießen als Ursula Schmidt. Zie ook alle tags voor Ulla Berkéwicz en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

Uit: Überlebnis

„Die Klinkerkliniken standen am Berg, in den Krankengängen roch es nach Wunden und Desinfektion, nach Schwesternkaffee und Hackbraten. Ich tanzte und ich sang, bis die Sterber starben, dann saß ich still, um ihre Stille nicht zu stören, gab meine Hand und wartete auf den Spalt, von dem die Großmutter mir erzählt hatte, daß er aufreißt, wenn einer stirbt, mitten hineinreißt in das Gefüge hier."
Die Kindheits- und Jugenderinnerungen prägen ihr Bild vom Sterben und fügen sich gut in das Buch, da uns die Erfahrung von Tod und Trauer alte Kinderfragen immer wieder neu stellen lässt: "Wohin gehen die Toten?" oder wie es in dem Buch heißt: "Was geschieht mit den Toten?". In fünf Akten, plus einer Vor- wie einer Nachrede, umkreist Berkéwicz ihren Gegenstand. Die stärksten Augenblicke gelingen ihr in ihren atmosphärisch und sprachlich ungeheuer dichten Krankenhausszenen, in denen die Erzählerin nicht von der Seite ihres Mannes weicht, das Personal nervt und sich selbst an die eigenen Grenzen bringt.
"Ein Warteraum für Angehörige, ein Angst-Schock-Horror-Raum. Ein Raum, in dem die kahlen Wände sich vor Schrecken biegen, in dem es nach der Scheiße stinkt, die nebenan im Plastikklo, wo sich die Angehörigen die Angst, den Schock, den Horror aus dem Leib rausscheißen, in allen Ritzen hängt. Es ist heiß. Die Heizung ist nicht abzustellen. Draußen brütet die Pfingsthitze giftige Fliegen aus. Ein rohes Sofa, ein Tisch, ein Gummibaum. 'Rauchen verboten' steht an der Wand. 'Öffnen verboten' steht am Fenster. Ich nehme einen grünen Kittel von einem Kittelstapel. Es hat geheißen, ich muß warten, bis er untersucht ist, es hat geheißen, ich muß einen grünen Kittel überziehen.
Leute in weißen Kitteln rennen an der Tür vorbei durch eine Tür, an der 'Eintritt verboten' steht. Nach Stunden kommt ein Pfleger, plärrt, er sei Pfleger hier, gibt einen Code ein in die Tür, die summt, fährt auf, der Pfleger stößt mich. Einer, der in ein schwarzes Loch fällt, erblickt vor sich ein bisher unsichtbares Universum und büßt im selben Augenblick jede Möglichkeit ein, sich mit denen, die draußen geblieben sind, zu verständigen. Ist das der Tod? Nein, die Intensivstation."

 

 2089121-2c8c00a6065ad94db55cc1d82c580fe8.jpg
Ulla Unseld-Berkéwicz (Gießen, 5 november 1948)

 

 

De Russische schrijver Mikhail Artsybashev werd geboren op 5 november 1878 in Dubroslavovka. Zie ook alle tags voor Mikhail Artsybashev op dit blogen ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

Uit: Breaking Point (Vertaald door Percy Pinkerton)

“The little town lay in the Steppes, and beyond its outskirts, beyond the vibrating air of the distant country-side, lay the intangible depths of the horizon of towering forests and the remote indifferent sky. It was easy here to realise the vanity and futility of the handful of human beings who lived, suffered, and died in the place. In summer the sun burnt ceaselessly down on the Steppes, and in winter they were wrapped in a cold smooth shroud. During the hot nights the clouds collected in masses and the thunder rolled ceremoniously from one end of their vast blackness to the other. But at all times the Steppes were equally oppressive, strange and mysterious. When it was windy columns of dust rose from the plains and blew straight down on the town, like a funeral procession of grey ghosts. Noiselessly they settled on the roofs and windows of the houses, on the stagnant waters of the river, and covered the whole town with a soft unresisting veil. And then the place looked old and decrepit, like the world. Everything was as formless and insignificant as a heap of ashes before the wind scatters them. It is in such a grey hamlet, rather than among blossoming trees, sunlit mountain-peaks, the azure of the sky, or in the midst of cities that those terrible thoughts must be born which later enter the world to creep across her face like the pale portentous ghost of death. A rock flung into the sea vanishes to leave no trace, but a . mall stone, tolling into shallow stagnant water creates its inevitable circles in every direction. And what passed unheeded that day in the midst of life was to stir souls to their depths in that little town. Naumoff, the new engineer at the factories of Arbusoff the local capitalist, may be said to have caused the whole trouble. Perhaps the shadow which this sinister being had cast upon life was really significant in the speedy development of affairs. »

 

 2089121-c8b3193cc4546b35f9e3eaf8f9574bf5.jpg
Mikhail Artsybashev (5 november 1878 – 3 maart 1927)



De Engelse dichter en schrijver James Elroy Flecker werd geboren op 5 november 1884 in Londen. Zie ook alle tags voor James Elroy Flecker op dit blog en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

 

The Ballad Of The Student In The South

It was no sooner than this morn
That first I found you there,
Deep in a field of southern corn
As golden as your hair.
I had read books you had not read,
Yet I was put to shame
To hear the simple words you said,
And see your eyes aflame.

Shall I forget when prying dawn
Sends me about my way,
The careless stars, the quiet lawn,
And you with whom I lay?

Your's is the beauty of the moon,
The wisdom of the sea,
Since first you tasted, sweet and soon,
Of God's forbidden tree.

Darling, a scholar's fancies sink
So faint beneath your song;
And you are right, why should we think,
We who are young and strong?

For we are simple, you and I,
We do what others do,
Linger and toil and laugh and die
And love the whole night through.

 

 2089121-5a68e7d88b7c2a3616391c03e223d416.jpg
James Elroy Flecker (5 november 1884 – 3 januari 1915)

 

 

De Amerikaanse schilder en dichter Washington Allston werd geboren op 5 november 1779 in de buurt van Charleston, South Carolina. Zie ook alle tags voor Washington Allston op dit blog en ook mijn blog van 5 november 2009 en ook mijn blog van 5 november 2010.

 

On The Statue Of An Angel, By Bienaimé, Of Rome, In The Possession Of J. S. Copley Green, Esq.

Oh, who can look on that celestial face,
And kindred for it claim with aught on earth?
If ever here more lovely form had birth-
No-never that supernal purity-that grace
So eloquent of unimpassioned love!
That, by a simple movement, thus imparts
Its own harmonious peace, the while our hearts
Rise, as by instinct, to the world above.
And yet we look on cold, unconscious stone.
But what is that which thus our spirits own
As Truth and Life? 'Tis not material Art-
But e'en the Sculptor's soul to sense unseal'd.
Oh, never may he doubt-its witness so reveal'd-
There lives within him an immortal part.

 

 2089121-e0900aeb940c2fd9a82a6fe3f12235a6.JPG
Washington Allston (5 november 1779 – 9 juli 1843)
De beschermengel door Luigi Bienaimé

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 5 november 2008, en ook mijn blog van 5 november 2007 en eveneens mijn blog van 5 november 2006.

Geschreven door Romenu om 08:18 Reageer op dit bericht

Judith Herzberg, Willem van Toorn, Peter W.J. Brouwer, Arthur van Amerongen, Klabund, Charles Frazier, C. K. Williams, Marc Awodey, Felix Braun

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Judith Herzberg op dit blog.

 

Als je zoveel om iemand gaf

Als je zoveel om iemand gaf
dat je alles wat je had
je huis en je hele boel
daarvoor zou willen geven
dan werd je alleen maar veracht.

Toch is het een gevoel
dat inslaat als een flits
een brand vlamt door je heen
en er is geen rivier
geen water in de wereld
dat zulke vlammen blust.

Houd me dicht tegen je aan
als een band om je arm
als een hanger op je hart
want sterk als de dood
is de liefde, en afgunst
zo diep als het graf.

 

 

Ouderdom

Later, als ik zwakzinnig ben
met schoothond en schrikvel
houd ik een kruik warm
tegen me aan en praat
ik met je in mijn slaap.
Als je nu kan begrijpen
wat ik dan ga bedoelen,
krakende dorre tak dat ik ben,
ga ik me niet zo afgebroken voelen
maar meer een uitgeblazen paarde-
bloem. Hoor je me dazen?
Daar gaan mijn parachuutjes al.

 

 

En of het hier gesneeuwd heeft

Eerste sneeuw. Ja, eerste sneeuw,
maar wie heeft ogen voor de laatste,
de laatste sneeuwpop, het smelten
van de voeten, wie let daarop?

Zo gaat het ook met pijn.
Je voelt het onbarmhartige
begin maar het verdwijnen
maak je op uit het verdwenen zijn.

 

 2088848-faba20b804f3f2c72a95cfd3743419e4.jpg
Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en vertaler Willem van Toorn werd geboren in Amsterdam op 4 november 1935. Zie ook alle tags voor Willem van Toorn op dit blog.

 

Geen post vandaag

Doodstil de trap af, nog warm
van het nachtlang bed, en bang
door het schemerig huis geslopen
doe ik de voordeur niet open

maar schuil achter het gordijn
[de schuldeisers dorpelingen
gluren misschien naar binnen
naar onze droom, onze pijn]

en kijk om de hoek op de mat
of er post is gekomen.
Er is geen brief, gauw naar boven,
naar het nog lauwe bed.

Was er post? vraag je. Nee,
hoe zou de bode ons vinden
in dit dorp gesloten van winter?
Slaap maar. Het is koud. Er komt sneeuw.

Maar ik denk: Misschien heeft de postbode
alle brieven gestolen,
leest hij ze vanavond vrolijk
voor in het boos café.

 

 

In deze voorlopige straten

In deze voorlopige straten
[waar kinderen roepen, dag meester
dag, tegen een man met een scheve
glimlach, die wel mijn naam en

jas draagt, maar die ik niet ben]
loop ik [dag meester, teken
nog eens een zon op het regen-
grijze bord van de hemel

met geel krijt], loopt mijn eenzame mens
te luisteren naar de tijd
die in de klokken verslijt.
Dag kinderen, een mens woont altijd
in een dorp waar geen mens hem kent.

 

 

Praag

Op de Burcht zijn wij even heersers.
Minzaam glimlachend van macht
kijken wij neer op de stad:
trappen en daken, hardleerse

bewoners daaronder. Een taal
van dubbele bodems, gefluisterd,
in stegen afgeluisterd,
betekent dit allemaal.

De oude heersers zijn dood.
De nieuwe zijn rood aanwezig:
vlaggen en kreten beneden.

Het fluisteren duurt al eeuwen.
De taal heeft het langste leven.

 

 2088848-6868ca31ce30116225c72ae1ea906f55.jpg
Willem van Toorn (Amsterdam, 4 november 1935)

 

 

De Nederlandse dichter Peter W.J. Brouwer werd op 4 november 1965 in Eindhoven geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Peter W.J. Brouwer op dit blog.

 

Een debuut

Je trok je wenkbrauwen op tegen de kou
je woorden kwamen met je adem

in mijn handen hield ik boodschappen voor thuis

en in mijn ogen je borsten
in de Blokker zong
Carice van Houten als Lucifer
een debuut

geef ons twee maskers
om aan het sneeuwlicht te ontkomen

 

 

Geen letter

Jezelf horen terugkomen en
hoe de grendel uit het slot valt

bedenken hoe je de kaars
aanblaast – een flauwe truc, zeg je

maar het is poëzie zegt zij
en dat is waar

dan de trap omhoog
en dat het best weer volstroomt
met kleine stemmen

op Vaderdag en Moederdag
en dat je geen krimp geeft, geen sjoege
geen letter

 

 2088848-5f4422c20466e50e659c7a67614bcfbd.jpg
Peter W.J. Brouwer (Eindhoven, 4 november 1965)

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Arthur van Amerongen werd geboren op 4 november 1959 in Ede. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Arthur van Amerongen op dit blog.

Uit: Mambo Jambo

“Overal flippers, zo ver als je kon kijken. You know, het water was zanderig, dus je zag ze niet aankomen, en dan ineens, bang, dan schoten ze naast je het water uit. En ze daagden me uit, wie er sneller was, ik op mijn surfboard of zij. Waanzinnig!' ik hoor een sprekende Lonely Planet-gids. Het is backpacker Esperanto, een simpele taal met hoofdzakelijk bedragen en informatie over hostels, transport, restaurants en absoluut onmisbare bezienswaardigheden. Het is een syndroom, een obsessie, een dwangneurose, een virus: lonelyplanetitis.
Ik heb mijn exemplaar in een bruine kaft gestoken, een truc die ik in de vroege jaren tachtig in de metro van New York toepaste om door onverlaten niet herkend te worden als domme toerist. Carmen vindt het raar dat ik een kaft om de gids heb gedaan; waarom zou ik me schamen? Ze vindt het ook raar dat ik nooit de weg wil vragen en dat ik winden laat in bed en dan met de lakens wapper.
We zitten samen op een badhanddoek en staren net als de andere stelletjes naar de einder. Surfers dobberen verveeld op zee, wachtend op wind en golven. Van een strandneger hebben we een gele parasol gehuurd. Het Brahma-bier is duur en lauw, ik vraag of Carmen inmiddels al honger heeft. We houden het allebei nooit lang vol op het strand met onze bleke sproetenkoppen. in België gingen we vaak wandelen op het uitgestrekte strand van Oostende, het liefst met noodweer, om daarna aan de boulevard Hasseltse jenever te drinken en garnalenkroketten te eten. Puffend bereiken we Pipa, de twee pakjes sigaretten per dag doen me geen goed. in het stoffige hoofdstraatje wordt een capoeira- demonstratie gegeven. Fletse Scandinavische meisjes kijken bewonderend naar de glimmende mulatten die zich uitsloven met hun traditionele vechtdans.”

 

 2088848-9df5257cd987c0b9787fd096e95c5723.jpg
Arthur van Amerongen (Ede, 4 november 1959)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Klabund werd als Alfred Henschke geboren op 4 november 1890 in Crossen an der Oder. Zie ook mijn blog van 4 november 2010 en eveneens alle tags voor Klabund op dit blog.

 

Der müde Soldat

Ein kahles Mädchen. Heckenblaßentlaubt.
Sie steht am Weg. Ich gehe weit vorbei.
So stehen alle: Reih in Reih,
Und Haupt an Haupt.

Was weiß ich noch von heiligen Gewässern
Und von des Dorfes Abendrot?
Ich bin gespickt mit tausend Messern
Und müde von dem vielen Tod.

Der Kinder Augen sind wie goldner Regen,
In ihren Händen glüht die Schale Wein.
Ich will mich unter Bäumen schlafen legen
Und kein Soldat mehr sein.

 

 

Als Gott der Herr auf Erden ging

Als Gott der Herr auf Erden ging,
Da freute sich ein jedes Ding;
Ein jedes Ding, ob gross, ob klein,
Es wollte doch gesegnet sein.

Die Kreatur in ihrer Not,
Der Mensch in Kümmernis und Tod,
Der breite Strom, das weite Land,
Sie fühlten Gottes Gnadenhand.

Es hört der Frosch zu quaken auf,
Der Hund hält inn in seinem Lauf,
Der Regen hätt geregnet nicht,
Bevor ihn Gott gesegnet nicht.

Der hohe Turm verneigte sich,
Die Antilope zeigte sich.
Und Efeulaub und Wiesengrün
Erkannten und lobpriesen ihn.

Von aller Art der Mensch allein
Geriet in Schand und Sündenpein.
Hätt er nicht Gott so oft verkannt,
Er ging noch heute durch das Land.

Hätt er nicht Gott so oft gesteint,
Wir wären noch mit ihm vereint.
Die Erde war das Himmelreich
Und jeder Mensch ein Engel gleich.

 

 2088848-bf89fbe4bab8be489d31fa82a2dfffd3.jpg
Klabund (4 november 1890 – 14 augustus 1928)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Charles Frazier werd geboren op 4 november 1950 in Asheville, North Carolina. Zie ook alle tags voor Charles Frazier op dit blog en ook mijn blog van 3 november 2010

Uit: Cold Mountain

“After a time of actively not listening, the young Inman had taken his hat from under the desk and held it by its brim. He flipped his wrist, and the hat skimmed out the window and caught an updraft and soared. It landed far out across the playground at the edge of the hayfield and rested there black as the shadow of a crow squatted on the ground. The teacher saw what Inman had done and told him to go get it and to come back and take his whipping. The man had a big paddleboard with holes augured in it, and he liked to use it. Inman never did know what seized him at that moment, but he stepped out the door and set the hat on his head at a dapper rake and walked away, never to return.
The memory passed on as the light from the window rose toward day. The man in the bed next to Inman's sat and drew his crutches to him. As he did every morning, the man went to the window and spit repeatedly and with great effort until his clogged lungs were clear. He ran a comb through his black hair, which hung lank below his jaw and was cut square around. He tucked the long front pieces of hair behind his ears and put on his spectacles of smoked glass, which he wore even in the dim of morning, his eyes apparently too weak for the wannest form of light. Then, still in his nightshirt, he went to his table and began working at a pile of papers. He seldom spoke more than a word or two at a time, and Inman had learned little more of him than that his name was Balis and that before the war he had been to school at Chapel Hill, where he had attempted to master Greek. All his waking time was now spent trying to render ancient scribble from a fat little book into plain writing anyone could read. He sat hunched at his table with his face inches from his work and squirmed in his chair, looking to find a comfortable position for his leg. His right foot had been taken off by grape at Cold Harbor, and the stub seemed not to want to heal and had rotted inch by inch from the ankle up. His amputations had now proceeded past the knee, and he smelled all the time like last year's ham.
For a while there was only the sound of Balis's pen scratching, pages turning. Then others in the room began to stir and cough, a few to moan. Eventually the light swelled so that all the lines of the varnished beadboard walls stood clear, and Inman could cock back on the chair's hind legs and count the flies on the ceiling. He made it to be sixty-three.“

 

 2088848-4b285666f0644e14ace82b014431c804.jpg
Charles Frazier (Asheville, 4 november 1950)

 

 

De Amerikaanse dichter Charles Kenneth Williams werd geboren op 4 november 1936 in Newark, New Jersey. Zie ook alle tags voor C. K. Williams op dit blog en ook mijn blog van 3 november 2010

 

The Foundation

1.
Watch me, I’m running, watch me, I’m dancing, I’m air;
the building I used to live in has been razed and I’m skipping,
hopping, two-footedly leaping across the blocks, bricks,
slabs of concrete, plaster, and other unnameable junk . . .

Or nameable, really, if you look at the wreckage closely . . .
Here, for instance, this shattered I-beam is the Bible,
and this chunk of mortar? Plato, the mortar of mind,
also in pieces, in pieces in me, anyway, in my mind . . .

Aristotle and Nietzsche, Freud and Camus and Buber,
and Christ, even, that year of reading “Paradise Lost,”
when I thought, Hell, why not? but that fractured, too . . .
Kierkegaard, Hegel, and Kant, and Goffman and Marx,

all heaped in the foundation, and I’ve sped through so often
that now I have it by heart, can run, dance, be air,
not think of the spew of intellectual dust I scuffed up
when in my barely broken-in boots I first clumped through

the sanctums of Buddhism, Taoism, Zen, and the Areopagite,
even, whose entire text I typed out—my god, why?—
I didn’t care, I just kept bumping my head on the lintels,
Einstein, the Gnostics, Kabbalah, Saint This and Saint That . . .


2.
Watch me again now, because I’m not alone in my dancing,
my being air, I’m with my poets, my Rilke, my Yeats,
we’re leaping together through the debris, a jumble of wrack,
but my Keats floats across it, my Herbert and Donne,

my Kinnell, my Bishop and Blake are soaring across it,
my Frost, Baudelaire, my Dickinson, Lowell and Larkin,
and my giants, my Whitman, my Shakespeare, my Dante
and Homer; they were the steel, though scouring as I was

the savants and sages half the time I hardly knew it . . .
But Vallejo was there all along, and my Sidney and Shelley,
my Coleridge and Hopkins, there all along with their music,
which is why I can whirl through the rubble of everything else,

the philosophizing and theories, the thesis and anti- and syn-,
all I believed must be what meanings were made of,
when really it was the singing, the choiring, the cadence,
the lull of the vowels, the chromatical consonant clatter . . .

Watch me again, I haven’t landed, I’m hovering here
over the fragments, the remnants, the splinters and shards;
my poets are with me, my soarers, my skimmers, my skaters,
aloft on their song in the ruins, their jubilant song of the ruins.

 

 2088848-a4ff30ecfd4e437b4bd549173b8fa848.jpg
C. K. Williams (Newark, 4 november 1936)

 

 

De Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Marc Awodey werd geboren op 4 november 1960 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009 en ook mijn blog van 3 november 2010

 

The Seasons

Vagrant ghosts found passage home
guided by each other, Anubis or other myths
into caverns hewn from onyx and anthracite.
They watched without eyes in vagabondage;
of the womb of spring yellow shoots arose,
betwixt summer and spring, exaltations raised their nests
in summer an emerald canopy closed.
Between summer and autumn water condensed
into caverns of onyx and anthracite.

On motionless faces covering homes
a mournful lantern spells in idle light
words from languages momentarily undecipherable.
In summer an emerald canopy closed
to conceal towns founded on old dialects,
in silent yards measuring ruinous night
are places where neighbors no longer speak.
A mournful lantern spells in idle light
constellations sewn onto winding sheets of land.
Autumn leaves fell like a wing from grace
to mingle with newspaper, books, and grass
in silent yards measuring ruinous night.

Summer beyond summer was a golden curse.
In winter's mean charge the whole world froze
in autumn leaves fell like a wing from grace
of the womb of spring yellow shoots arose
in winter's mean charge, the whole world froze.
ill-suited to see hints of flicker seen in life
vagrant ghosts found passage home.

 

 2088848-d44df8f2733d8ce6a4d66df9650fc29c.jpg
Marc Awodey (Ann Arbor, 4 november 1960)
Purple Girl door Marc Awodey, 2008

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Felix Braun werd op 4 november 1885 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 4 november 2008 en ook mijn blog van 4 november 2009 en ook mijn blog van 3 november 2010

Uit: Der Sternenschiffer

„Eines Abends saßen sie wieder beisammen, die Sterne funkelten so tief, das Meer rauschte dröhnend, einige Segel standen noch draußen, und längs der Hafenbucht waren schon Lichter entfacht. Nun ging das Licht auf dem Götterhaupte mit starkem Schein auf. Da faßte sich der alte Schiffer ein Herz und fragte seinen Gastfreund: "Ihr wißt viel von den Bäumen und Blumen, Herr?"
"Nun", erwiderte dieser lachend, "mein Hofrat weiß schon ein wenig mehr als ich." Dies hatte er deutsch gesagt. Der Alte sah ihn erstaunt an, so daß er gleich italienisch fortsetzte: "O ja, etwas weiß ich schon auch."
Der Sternenschiffer nickte befriedigt. "Gut, dann wißt Ihr ja, ob die Sterne da oben Blumen sind oder nicht."
"Jawohl", sagte der Student und lachte: "Das sind ganz und gar keine Blumen. Oder meint Ihr, ich könnte mir eine Blume ins Knopfloch stecken, die größer ist als die ganze Erde?"
"Größer als die ganze Erde?" Dem Schiffer blieb vor Staunen der Mund offen. "Ach, ich weiß schon, Ihr haltet mich zum besten." Und nun war es an ihm, zu lachen.
Wie noch niemals leuchtete das Siebengestirn stark und klar. Sein Wagen stand so tief über dem Meere, daß es schien, jeden Augenblick müßte der Gott emportauchen, ihn besteigen und über den Himmel fahren.“

 

 2088848-a2a4fa4b88c59fb4fbec1617f1ffa328.jpg
Felix Braun (4 november 1885 – 29 november 1973)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 4e november ook mijn blog van 4 november 2009, mijn blog van 4 november 2008, mijn blog van 4 november 2007 en ook mijn blog van 4 november 2006.

Geschreven door Romenu om 12:31 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten