Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Nicolien Mizee

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijfster Nicolien Mizee werd in 1965 in Haarlem geboren. Toen ze 28 was ging ze naar de Schrijversvakschool, die in 1984 werd opgericht. In 2000, op 35-jarige leeftijd, publiceerde zij haar eerste roman ”Voor God en de Sociale Dienst”,over leven van een bijstandsuitkering, over haar werk als schildersmodel en haar opleiding aan de Schrijversvakschool. Drie jaar later volgde de roman “Toen kwam moeder met een mes”. Dat boek werd een groot succes. Het werd in 2004 genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. In 2006 kwam haar derde roman uit: “En knielde voor hem neer”. Intussen had de directeur van de Schrijversvakschool aan Nicolien gevraagd of ze les wilde geven in romans en verhalen schrijven. Daarnaast schreef zij voor het NRC Handelsblad. Later werden die stukjes gebundeld in het boekje “Schrijfles”. In 2015 verscheen “De Halfbroer”. Op 1 september van dit jaar verscheen “De kennismaking. Faxen aan Ger”

Uit: De halfbroer

“Met je moeder: zei ze op harde fluistertoon en alles was direct weer bij het oude. 'Er is iets vreselijks gebeurd. Oom Jan belde om te vragen hoe het met papa ging Ik vertelde natuurlijk dat het verschrikkelijk is, dat papa steeds het parlement toespreekt en de tafel dekt voor zijn dode broer. Dat ik niet weet hoe lang ik dit nog volhoud. En toen kwam ik boven en daar zat papa, met de hoorn in de hand. Hij had alles gehoord. Je moet direct komen? 'Goed,' Zei ik Ik trok het briefje van de muur en kneep het tot een prop, wat lastig was, met één hand. 'Kun je dan een pond tomaten voor me meenemen? Dat is nauwelijks een omweg voorjou, en het is misschien juist wel even prettig voor», een klein onnveggeije. Als ze wagen wat voor tomaten» wilt, dan zegje maar gewoon: 'gewone tomaten'. En als je tóch bij de groenteman bent, kun je dan ook wat selderij meenemen? 0, daar is de dominee. Hallo Johannes! Ja, ik laatje erin_ ik heb mijn dochter aan de telefoon, Nicolien, die ken je nog wel van vroeger, die komt zo om mij met Lex te helpen-.' Toen ik een kwartier later het tuinpad opkwam, zat mijn moeder achter de vleugel met haardominee, een kale man die van adel is en nog met de koningin heeft gecorrespondeerd. Ik haastte me naar boven en vond mijn vader aangekleed op bed, roerloos, de ogen open. 'Ben» echt? vroeg hij. 'Voel maar, zei ik en pakte zijn hand. 'Godzijdank,' zei hij zachijes.'Het werd ook tijd. Ik weet eindelijk waar ik aan zal doodgaan? Waaraan dan? vroeg ik. Aan uitputting. Ik ben gewoon steeds vermoeider. Ik vind het goed zo. Die dokters geven steeds geen antwoord. Ze noemen allerlei ziektes die ik heb, en voegen eraan toe dat ik daar niet aan zal doodgaan. Als ik dan vraag waar ik wél aan zal doodgaan, weten ze geen antwoord. Hij grinnikte:Ik heb een droge mond.' 'Ik zal een glas water voor» halen,' zei ik 'Ik heb een heel goed gesprek met Hans gehad, zei mijn vader.'Hij was
helemaal naakt maar hij zag er heel goed uit. Vannacht stond hij ineens naast mijn bed. Ik heb tegen hem gezegd dat ik zwaar in gebreke ben gebleven indertijd. Hij zei dat het niet gaf. Ik was ontzaggelijk opgelucht.' 'Dat kan ik me voorstellen, zei ik Ja._ Ik zei "Hans, we hebben nooit echt gepráát En ik wil dit gesprek graag voortzetten, maar ik ben nu te moe." Toen zei hij: °Dan doen we het op een ander moment" Ik 7ki: °Dat zou geweldig zijn." Toen was hij weer weg' Wat is er roetje pink? vroeg ik 'Ik ben tegen het hek aangevallen. Eens per week maak Ik een reuzensmak' Hij grinnikte. 'Dat geeft ook niets. Dat is eigenlijk wel aardig. We moesten naar het ziekenhuis. Er zit een scheur in het bot.”

 

 2074030-a2029a0ff0d1813ac136ef9c6bf23850.jpg
Nicolien Mizee (Haarlem, 1965)

Geschreven door Romenu om 18:16 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Koen Stassijns

De Vlaamse dichter, schrijver en vertaller Koen Stassijns werd geboren op 18 september 1953 in Ninove. Eigenlijk wilde Stassijns naar de toneelschool, maar zijn ouders verboden dat. Hij begon tegen zijn zin aan een rechtenstudie en gaf die na enkele geslaagde semestriële examens op omdat het niet bij zijn ambitie paste. Stassijns kwam terecht in het bedrijfsleven: in de wegsignalisatie. Hij startte een eigen bedrijf op en was redelijk succesvol, maar niet gelukkig. Na een decennium literaire inactiviteit begon Stassijns opnieuw met schrijven. In 1988 verscheen “Aanmaaktwijgen van een vuur” en dat werd meteen een succes.Zijn dichtbundels 'Paard van glas' (1993, 2001) en 'Zwijghout' (2000) verschenen bij uitgeverij Atlas in Amsterdam en kenden verschillende herdrukken. Samen met zijn vriend en collega Ivo van Strijtem bouwt hij als bloemlezer verder aan de gereputeerde reeks 'De mooiste van...' (Lannoo, Atlas) met vertaalde poëzie van Goethe, Tagore, Neruda, Heine, Brecht, Petrarca, Dickinson, Ungaretti, Hesse, Yeats, Stevens, Quasimodo... Met Geert van Istendael vormt hij een vertaalduo en vertaalde hij vele Waalse dichters, poëzie van W.B. Yeats en van Bertolt Brecht en diens leerling Heinz Kahlau, evenals chansons van Jacques Brel.

 

Dit dorp...

Dit dorp, ik laat het en verlaat
het, als viel ik na het vrijen uit
de klamme handdruk van de slaap.
Niet het gefluit van vogels die

loslippig vaak hun namen slaan
in de bewaarstam van een boom,
niet het gehuichel van de wind
die uit vier monden spreekt en aan

de leugens kleine vleugels bindt.
Maar om de vader en de vrouw
die hij bekroop en bloeden liet,
zo danig onverschillig sliep

dat ijs hem op de schenen stond.
Dat ik zijn kind was, deert mij nu
ik op de valreep merk: dit dorp,
de rode draad van het verdriet.

 

Voorlopig afscheid

1
Nu je weggaat geef ik je weer wat ik nog
nooit uit handen gaf: het oog dat weigerde
te zien zoals een ander voor hem deed,
het oor dat juichte, mond die steigerde

toen iemand afgemeten langs me gleed
of tastte met de vingers van elke dag.
Ja, ik herinner me de kroeg, als sneed
het mes nog door me heen, waar wij de macht

verdeelden, je buik die op en neer ging
toen je lach een frisdrank openspatte,
en hoe ik als een kruimel aan je hing.

Kom nog eens langs dat ik je trapsgewijze
leer verliezen, nu ik amper aan je raak.
Verlaat me niet, ik ben het al te vaak.         

 

2
De laatste dagen, en nog zoveel moet
aan kant gedaan, om nooit meer te vergeten.
Gooi overboord, scheep in, het ga je goed,
wij moeten maar eens willen wat we weten

dat wat wij willen er niet echt toe doet.
Ontroering heet nu: kast waarin mijn kleren
aandoenlijk toen ik er voor je uit ging, zoet
bed dat die herinnering licht op doet veren,

en een boek waarin ik je meenam op reis.
Naar het noorden, hoe ik je daar ontkleedde
en verboden bloemen sneed uit het ijs.

Neem al die beelden mee, begraaf ze niet in
nieuwe aarde, in een taal die ik nooit sprak.
En denk aan mij als aan een lekkend dak.

 

 2124207-68f2a69eea2fb25bd16a4235dff98c46.jpg
Koen Stassijns (Ninove, 18 september 1953)

 

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

H.H. ter Balkt, Piet Gerbrandy, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre, Ludwig Roman Fleischer, Albertine Sarrazin, Mary Stewart

De Nederlandse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938. Zie ook mijn blog van 17 september 2010 en eveneens alle tags voor H. H. Ter Balkt op dit blog.

 

Gehoorzaam de wesp

Gehoorzaam de wesp
en zijn angel: zet
zoetigheid op tafel
Geliefkoosde dranken

Onder de linden
is het goed toeven,
kleverig
met een wesp op je glas

De wet van de wesp
is ouder dan wielen
hard als gesloten water
in de winter

Tot prinsjesdag, in september
leven de wespen, daarna
gaan zij op reces en
sterven een voor een

 

 

De benzinepomp

Strogele vogelschrik
wreed gestroomlijnd

’s nachts op zijn mooist
in de benzineboomgaard,

verjaagt noch verschrikt:
lokt de koplamp.

Tondelzwam,
vuurgevaarlijk

niet gedetermineerd
door Linnaeus.

Eksters leidt hij langs
’t nikkel in de kassa,

de plukkers drenkt hij
in de boomgaard.

Romp zonder armen,
mokkend crucifix;

een zwam, onwelriekend
aan de muur van stallen.

Aluminium
dagen, ijzeren jaren

kloppend op de snelweg
voedt zijn boodschap.

Benzinepomp,
vijfde evangelieschrijver!

Zuilenheilige
die zijn volgelingen

toeroept ‘Vlieg
naar de koperen einder!

Daar is de zoetheid.
Daar hangt de vrucht’.

 

 

Klein Hoefblad

Hoefblad werpt zijn heel verre van
gloeiende sterren op de groene planeet,
trillende schijnsels in de winterwind:
ze zweven en staan toch bijna stil.

Niet erg dichtbij, op een stuk of wat
parsecs, brandt de Orionnevel op 't groot
gasveld; sterren vóór duizend eeuwen,
bloeiden op, t uur dat de verkenner

scheepging, zijn al bijna roemloze
reis naar de planeet, na parsecs geland.
Rondziend (op zijn stengel) fluistert hij
‘Orion’, pluis bootst de lichten na.

‘Alles zo klein hier’, seint hij stil
naar de Orionnevel: hoefblad blijft hier,
gast uit het blauw die zijn missie vergat,
onontraadseld, fbi en radar ten spijt.

 

 2073638-513e201ccecf1da2d1e244df0e4a467a.jpg
H.H. ter Balkt (17 september 1938 – 9 maart 2015)
Cover

 

 

De Nederlandse dichter, essayist en classicus Piet Gerbrandy werd geboren in Den Haag op 17 september 1958. Zie ook alle tags voor Piet Gerbrandy op dit blog.

 

Want bussen, die minacht
hij, tegen auto's voedt hij haat.
Verregend ploegt hij jarenlang
gerimpeld fietspad om.

Maar halverwege brak

krenk, gewricht laat los,
moeren rollen spottend
in de sloot. Stug hinkt
hij steppend voort naar Grol.
Geen griepje, nee liever steriele
slangen door de neus, haperende
symbolen op een schermpje, op de walkman,

die doorschreeuwt als ik niets meer hoor,
My Favorite Things. Zo wil ik dat het gaat:
weloverwogen en onopgemerkt.

Anonymus, particulier verzekerd.

 

 

Idyllen

I
Wat rent er die haas
voor je velgen van mes?
Moet hij dat hij zo'n
vaart ergens heen?

Nee, nooit werd hij waar
ook verwacht. Wat hem dreef
was vandaan, dat men sloot

zijn seizoen. Inderdaad
in geen velden zijn jager.

In je zog landt een koppel
gemaskerde duifgrijs
geharnaste kauwen in

aas dat - maar
langzaam - bedaart.

 

 2073638-b03799b892ee3ca9bdfe960424a6e98c.jpg
Piet Gerbrandy (Den Haag, 17 september 1958)

 

 

De Amerikaanse dichter William Carlos Williams werd geboren in Rutherford (New Jersey) op 17 september 1883. Zie ook mijn blog van 17 september 2010 en eveneens alle tags voor William Carlos Williams op dit blog.

 

Sympathetic Portrait Of A Child

The murderer's little daughter
who is barely ten years old
jerks her shoulders
right and left
so as to catch a glimpse of me
without turning round.
Her skinny little arms
wrap themselves
this way then that
reversely about her body!
Nervously
she crushes her straw hat
about her eyes
and tilts her head
to deepen the shadow—
smiling excitedly!

As best as she can
she hides herself
in the full sunlight
her cordy legs writhing
beneath the little flowered dress
that leaves them bare
from mid-thigh to ankle—

Why has she chosen me
for the knife
that darts along her smile?

 

 

Sonnet In Search Of An Author

Nude bodies like peeled logs
sometimes give off a sweetest
odor, man and woman

under the trees in full excess
matching the cushion of

aromatic pine-drift fallen
threaded with trailing woodbine
a sonnet might be made of it

Might be made of it! odor of excess
odor of pine needles, odor of
peeled logs, odor of no odor
other than trailing woodbine that

has no odor, odor of a nude woman
sometimes, odor of a man.

 

 2073638-7d48e6bbc3190085d7ccbfac44003a83.jpeg
William Carlos Williams (17 september 1883 - 4 maart 1963)

 

 

De Amerikaanse schrijver Ken Kesey werd geboren in La Junta (Colorado) op 17 september 1935. Zie ook mijn blog van 17 september 2010 en eveneens alle tags voor Ken Kesey op dit blog.

Uit: Sometimes a Great Notion

“Down through the druid wood I saw Wildman join with Cleaver Creek, put on weight, exchange his lean and hungry look for one of more well-fed fanaticism. Then came Chichamoonga, the Indian Influence, whooping along with its banks war-painted with lupine and columbine. Then Dog Creek, then Olson Creek, then Weed Creek. Across a glacier-raked gorge I saw Lynx Falls spring hissing and spitting from her lair of fire-bright vine maple, claw the air with silver talons, then crash screeching into the tangle below. Darling Ida Creek slipped demurely from beneath a covered bridge to add her virginal presence, only to have the family name blackened immediately after by the bawdy rollicking of her brash sister, Jumping Nellie. There followed scores of relatives of various nationalities: White Man Creek, Dutchman Creek, Chinaman Creek, Deadman Creek, and even a Lost Creek, claiming with a vehement roar that, in spite of hundreds of other creeks in Oregon bearing the same name, she was the one and only original...Then Leaper Creek...Hideout Creek...Bossman Creek...I watched them one after another pass beneath their bridges to join in the gorge running alongside the highway, like members of a great clan marshaling into an army, rallying, swelling, marching to battle as the war chant became deeper and richer.”
(...)

“He had only smiled, condescendingly and therapeutically. "No, Leland, not you. You, and in fact quite a lot of your generation, have in some way been exiled from that particular sanctuary. It's become almost impossible for you to 'go mad' in the classical sense. At one time people conveniently 'went mad' and were never heard from again. Like a character in a romantic novel. But now"--And I think he even went so far as to yawn--"you are too hip to yourself on a psychological level. You are all too intimate with too many of the symptoms of insanity to be caught completely off your guard. Another thing: all of you have a talent for releasing frustration through clever fantasy. And you, you are the worst of the lot on that score. So... you may be neurotic as hell for the rest of your life, and miserable, maybe even do a short hitch at Bellvue and certainly good for another five years as a paying patient--but I'm afraid never completely out." He leaned back in his elegant Lounge-o-Chair. "Sorry to disappoint you but the best I can offer is plain old schizophrenia with delusional tendencies.”

 

 2073638-d71e76eb31c228ac28ae22b854f379c3.JPG
Ken Kesey (17 september 1935 – 10 november 2001)
The Storyteller Ken Kesey Memorial in Eugene, Oregon

 

 

De Nederlandse toneel- en kroniekschrijver en essayist Abel Herzberg werd geboren in Amsterdam op 17 september 1893. Zie ook mijn blog van 17 september 2010 en eveneens alle tags voor Abel Herzberg op dit blog.

Uit:Meat and vegetables

“Wat doet nou per slot van rekening die hele 5de Mei ertoe? De gewone man gelooft het allang. Om aan de 5de Mei te denken, daar moet je toch voor gaan zitten! Dat is toch een karwei! Laat de redactie van dit nummer ons nu eens eerlijk biechten, hoeveel moeite het heeft gekost, om zijn inhoud bij elkaar te krijgen? Hoeveel spontaneïteit zit er achter? Ik weet zelf het best, wat een moeite het kost, je gedachten op een stuk voor een nummer, dat aan de 5de Mei is gewijd, te verzamelen. Waarom duurt het tien jaren voordat een boekwerk als Onderdrukking en Verzet gereed kan komen? Waar is de verontwaardiging gebleven, de vaart in het denken uit de jaren 1940-1945?
Je kunt het ook anders zeggen, en iemand die proza schrijft, zegt de dingen het best op de meest prozaïsche manier.
Kijk, op 3 October eet iedere goede Leidenaar, en eigenlijk iedere goede vaderlander, hutspot met klapstuk. Waarom eet geen mens op de 5de Mei meat and vegetables? Daar is geen minister voor nodig, geen regering en geen erecomité. Dat heeft niets met de economie te maken of met de industrialisatie. Waren de meat and vegetables, die de Canadezen medebrachten, minder welkom dan destijds, na het beleg van Leiden, de hutspot? De Joden eten op Pasen matzes. Waarachtig niet, omdat ze zo lekker zijn, al zijn ze dat. En op Poerim hamansoren, en ze steken op het Inwijdingsfeest een lichtje aan. Zonder regering en zonder minister en zonder bijzondere propaganda. En ze weten heel goed waarom. Ze herdenken feiten van duizenden jaren geleden. Ligt 5 Mei 1945 dan zoveel langer terug? Maar daar heb je die vervelende Joden weer. En de redactie wil per se, dat ik daarover schrijf.
Ze zal haar zin hebben.”

 2073638-a6f440c3b5d56a375d85d9d7cf43fe75.jpg
Abel Herzberg (17 september 1893 - Amsterdam, 19 mei 1989)

 

 

De Indiase dichter, schrijver, schilder en regisseur Dilip Purushottam Chitre werd geboren op 17 september 1938 in Baroda. Zie ook mijn blog van 17 september 2010 en eveneens alle tags voor Dilip Chitre op dit blog.

 

Dichter sein

Es war bloß ein Traum Namdeo und Vitthal Erschienen mir im Traum
Mach du gefälligst Gedichte Sagte Namdeo Hör auf deine Zeit zu vergeuden
Vitthal gab mir das Versmaß Und einen Klaps Um mich zu wecken Aus meinem Traum Im Traum
Die Gesamtsumme Der Gedichte die Namdeo zu schreiben gelobte War eine Billion Sagte er Alle ungeschriebenen, Tuka Fallen auf dich
Gewährtest du mir Nur Zuflucht, Herr Dir zu Füßen zu weilen In einer Reihe von Heiligen
Ich hab schon hinter mir gelassen Die Welt die mir lieb war Steh nicht still Du bist am Zug jetzt
Meine Kaste ist niedrig Meine Herkunft gering Ein bißchen Hilfe von dir Hält lange vor
Dank Namdeo Hast du mich besucht In einem Traum und der ließ mir zurück Poesie
Das ist wirklich ungewöhnlich, Hari Es heißt du linderst Leid Und hier steh ich, dein treuer Diener Und mein Haus ist heimgesucht von Poesie
Je mehr ich glänze mit Gedichten dir zum Lob Desto mehr läßt mein Werk scheint's zu wünschen übrig Das ist noch so ein erstaunlicher Widerspruch Sorge ist der Lohn für Achtsamkeit
Sagt Tuka: Herr, gerade wird mir's klar Dir zu dienen ist die äußerste Schwierigkeit
Bin ich ganz vom Boden abgehoben Bilde mir ein daß ich Gedichte schreibe Bestimmt werden die Dichter dich loben All die Prominenten lachen über mich
Des Lebens schwerste Prüfung Muß heute mir gelingen Wovon ich keine Ahnung hab Davon soll ich jetzt singen
Ich bin das Unschuldslamm das sündigen soll Was ich anstellen muß kann ich nicht sagen Anfänger bin ich in der Kunst ganz unbeschlagen Mein Meister selbst ist mir verhüllt
O Herr, erleuchte und begeistre mich Sagt Tuka: meine Zeit vollendet sich
Wo beginnt man mit dir O Herr, du hast keine Anfangszeile Es ist so schwer dich in Gang zu setzen
Alles was ich versuchte ging schief Du hast alle meine Möglichkeiten erschöpft
Was ich eben noch sagte hat sich in Luft aufgelöst Und ich lieg wieder am Boden
Sagt Tuka: ich bin wie betäubt Mir fällt nicht ein einziges Wort ein

 

Vertaald door Lothar Lutze

 

 2073638-f9cddc7245f335f462f96930403f6fa3.jpg
Dilip Chitre (17 september 1938 – 10 december 2009)

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ludwig Roman Fleischer werd geboren op 17 september 1952 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ludwig Fleischer op dit blog en ook mijn blog van 17 september 2009 en ook mijn blog van 17 september 2010

Uit: Der Büttelschrei. Die Ilias, die Äneis und die göttliche Komödie in Schüttelreimen

 

Wir stückten früh. Er sagte: Auf nun in die finst’re Limbusnacht.
Kein Heiliger ist dort, der milde unter seinem Nimbus lacht.
Vielmehr sind’s Frühgeburten, die nie Böses taten, am Bösen litten.
Und dennoch würden sie vergeblich Jesus ums Erlösen bitten.
Der größte Christenschuft kann sich von Sünden durch die Beicht’ entleeren,
selbst knapp vorm Tod. Doch die gerechten Heiden kann Gott leicht entbehren.
(....)

Ich bin Erzähler, Schüttler. ‘S zeig als Worterheischer Fleiß ich,
und ich gesteh’s: nicht Kantendübel, sondern Fleischer heiß ich.
Stirb ich, will ich Olymp-wärts, mit Dionysos und Hermes leben
Und mich hinweg von aller Unbill dieses Erdenlärmes heben.
Doch denk’ ich – tu den Geist mit Wein jetzt freudedurstig heben, laben,
dass wir nur dieses eine, ach so kurze Erdenleben haben.

 

 2073638-42e23b94d0a56509207de1a74b0792eb.jpg
Ludwig Roman Fleischer (Wenen, 17 september 1952)

 

 

De Franse dichteres en schrijfster Albertine Sarrazin werd geboren op 17 september 1937 in Allgiers. Zie ook alle tags voor Albertine Sarrazin op dit blog en ook mijn blog van 17 september 2009 en ook mijn blog van 17 september 2010

 

Sur les frais oreillers de marbre ciselé

Sur les frais oreillers de marbre ciselé
Où fane un lourd feston de corolles savantes
Se confondent sans fin les amants aux amantes
Qui se sont fait mourir du verbe ensorcelé

Avares du vieillir ô vous enviez-les
D'avoir sur le tremplin des extases si lentes
Laissé ce million de minutes naissantes
Et bien royalement le monde tel qu'il est

Cette nuit-là comme il s'aimèrent sans mensonge
Quelque pouce géant dans sa toute bonté
À fait rouler leurs yeux hors des coffres du songe

Cependant que très loin sur les terres bénies
Les violons têtus enchantaient les Asies
Et riaient de tendresse leurs divinités

 

 

Je suis en mal du mal que j'aime

Je suis en mal du mal que j'aime
Du ciel fauve où bat sans arrêt
Appel rythmé la forêt
Pour l'impossible poème.

Dans nos courses d'enfant pas sage
Sous le dôme d'air et de lait
Comme la fontaine volait
Légèrement au visage.

Le vent bruni couleur de flûte
Dans le sable nous effaçait
Et douce pluie dansait
Mêlant nos pas en sa chute.

 

 2073638-bf45ed8de668bbb6d41c4e4010791a7a.jpeg
Albertine Sarrazin (17 september 1937 – 10 juli 1967)

 

 

De Engelse dichteres schrijfster Mary Stewart werd geboren op 17 september 1916 in Sunderland. Zie ook alle tags voor Mary Stewart op dit blog en ook mijn blog van 17 september 2009 en ook mijn blog van 17 september 2010

 

Lidice

This is a conquered village. Here is death
Sitting in silence; stone from very stone
Has dropped, and grey grass of oblivion
Crawls in the cracks to blot the lines beneath.
Cottage, street, orchard — blackened boughs uplifted
That have borne fearful fruit — and everywhere,
Over the village that has died in fear,
The thin essential dust has drifted, drifted.

This was a conquered village: but the hour
In which it died brought it beyond the clutch
Of fear, to freedom; and the tyrant's touch
Startled potentiality to power.
Oh fools who did this thing, who dream of winning
Safe from day's arrow, from the noonday's terror,
Authors of unimaginable error —
Did you not know the End is the Beginning?

There is no end, oh blind. Though you have shot
The fortunate men, though girls in different graves
Lie crying through the night, though you call slaves
Children with murdered eyes — yet you forgot
There is no end. Since you have blindly made
Dangerous what lay dormant here before,
You who have murdered sleep shall sleep no more,
And shall, who wrought by terror, be afraid.

 

 2073638-56d8b863ba065cab85a2a5218429f1e8.jpg
Mary Stewart (17 september 1916 – 9 mei 2014)

Geschreven door Romenu om 10:42 Reageer op dit bericht

Breyten Breytenbach, Alfred Schaffer, Frans Kusters, Michael Nava, Justin Haythe

De Zuid-Afrikaanse schrijver en dichter Breyten Breytenbach werd geboren op 16 september 1936 in Bonnievale. Zie ook mijn blog van 16 september 2010 en eveneens alle tags voor Breyten Breytenbach op dit blog.

 

(de buikspreker)

was het Rimbaud die de dichtkunst
aan de vooravond van zijn vertrek
naar Afrika
op de knie heeft genomen zodat ze
wenen kon?

want in Afrika
is het ’t voorrecht van een dichter
immers dat je niet hoeft in te staan
voor je opinies

je neemt het gedicht op je schoot
die schattige
buikpop:
en laat het dan een dans dansend
vrijheidsliederen zingen voor Afrika

 

 

aan de wereld te kunnen zeggen

aan de wereld te kunnen zeggen
de weg te onthouden
wanneer de gedachte aan
het grote vergeten voor
nog een aanlokkelijk avontuur is
te luisteren hoe de boom groeit
en de rondingen van de wind
met de hand te verkennen
te weten hoe de vernedering
van armoede vreet
en het verdriet van macht
met een vinger het bloed
te proeven en te schrijven
het gezicht van het wordwoord
te kunnen tekenen
het bestaan te zingen en te bezingen
dat de zin van het zijn het leven is

 

Vertaald door Laurens van Krevelen

 

 

spieden over de muur

eerst is er de zeer blauwe koepel
dan een gerafelde witte wolk zuiver wit
zoals het wit en enkel dromend
van een heel oude man met een ruw geheugen die toen hij nog jong was
zo veel van nachtvlinders hield

dan de halve cirkel van de maan
zo wit in die dag
een kaalkop met ouderdomsvlekken
de witgespikkelde kale kop van een heel oude stinkkaas-man
die door diepe waters loopt

en hoger dan de muren een vlinder wit dartelend
eerst een maar daarna twee in flappertonen
witte vlucht twee witte zakdoekjes één
in een onzichtbare trein

elke dag is huwelijk

 

Vertaald door Adriaan van Dis

 

 2073367-6973f090b2163f2818f0fb690b10a3e5.jpg
Breyten Breytenbach (Bonnievale, 16 september 1936)

 

 

De Nederlandse dichter Alfred Schaffer werd geboren in Leidschendam op 16 september 1973. Zie ook alle tags voor Alfred Schaffer op dit blog.

 

Kleine gezichten

Broers beschermen elkaar met messen
en stenen. Ze zijn jong en groot,
op zoek naar een vijand en vinden hem,
dagen hem uit.

Ze maken hun jongere broers vroeg wijs,
met hun kleine gezichten
waarop veel geschreven staat.
Hun moeder heeft de mooiste stem van alle moeders.

Op een bewolkte vakantiedag
voldoen de broers aan hun broederplicht,
dromen dat zij mannen werden
en zien niet vooruit.

 

 

De vertraging goedgemaakt

Op de donkerrode tennisbaan suist een bal heen en weer.
De tribunes zijn leeggehaald uit veiligheidsoverwegingen.

De formule bevredigt: de spelers imponeren als tijdens een topwedstrijd.
De lichamen in de juiste posities. Tot moord in staat.

Nu en dan slaat de vermoeidheid toe in de vorm van een reeks troebele
gedachten en het spel wordt gestaakt tot de spanningen verdwenen zijn.

Harder knalt de bal bij elk slag. In een melkwitte lucht.
De bal relativeert de regels van het spel tot in het oneindige.

 

 2073367-35aa279be10591939141bca8ba1b6091.png
Alfred Schaffer (Leidschendam, 16 september 1973)

 

 

De Nederlandse schrijver Frans Kusters werd geboren in Nijmegen op 16 september 1949. Zie ook alle tags voor Frans Kusters op dit blog en ook mijn blog van 16 september 2010.

Uit: Tussen de rododendrons (een fragment)

“Ik weet niet meer precies of de Nijmeegse rechtenfaculteit in twee- of drieëntachtig naar de Thomas van Aquinostraat is verhuisd. Wel herinner ik me dat ik, voor het zover was, met een collega aan het eind van een regenachtige ochtend naar de amper in de steigers staande bouwdelen 6 en 8 ben gefietst en dat wij, turend op een door weer een andere collega vervaardigd schetsje, probeerden te bepalen waar onze werkkamers zouden komen. Dat moest op de eerste verdieping van 8 zijn en volgens het document dat onder het hemelwater gestadig aan bruikbaarheid inboette zaten we schuin boven iets dat reska iii heette en driekwart van de begane grond in beslag moest gaan nemen.
‘De derde reska,’ sprak mijn collega nadenkend, ‘weet jij wat een reska is?’ De druppels dropen langs de veter waarmee hij zijn capuchon onder de kin had vastgestrikt en ik bracht met een stelligheid die mezelf verbaasde in het midden dat het hier om ‘een soort demonstratieruimte’ ging. Niet lang daarna wisten we beiden wel beter. Reska is een samenstelling van restaurant en kantine, een (om in de termen van het universitair management te spreken) immobiel verstrekkingspunt voor natte en droge voedingswaren waar het minuscule kuipje halvarine de naam ‘Bebo’ draagt en het tussen de middag altijd een drukte van jewelste is. Die collega was een zachtmoedige en inschikkelijke figuur; we wisten niet hoe we het hadden, toen hij tijdens een examenvergadering in een opwelling van niet voor mogelijk gehouden drift verklaarde dat hij liever met wachtgeld ging dan gedwongen te worden ook maar een minuut van zijn middagpauze in die ruimte door te brengen. Niemand van ons die iets zei; maar ik zag ze, stuk voor stuk, aan onverwerkte kostschoolbelevenissen denken en aan een proefschrift dat maar niet opschoot, zodat hij een benoeming tot hoofddocent wel kon vergeten, en aan het triestige van een leven dat met niemand wordt gedeeld. Maar dat had er allemaal volgens mij weinig mee te maken. Het was de angst voor de afgrond van iemand die aan hoogtevrees lijdt. Wij verzekerden hem dat het niet in ons hoofd zou opkomen hem tot wat dan ook te dwingen. En we vergaderden verder over het examen, alsof er niets was voorgevallen, een beetje goedlachser misschien dan voorheen.
Hij hield woord, de collega. Iedere middag, weer of geen weer, zagen we hem om kwart over twaalf stipt het instituut verlaten, zijn plastic boterhammentrommeltje onder de ene, een karton melk onder de andere arm. En wij, aan ons gezamenlijke middagmaal, smeerden de Bebo op ons brood en spraken over het bestaan van vrijgezel, dissertatieperikelen en traumatische jeugdervaringen waarmee iemand maar behept kan zijn.”

 

 2073367-359d7d4d3ca7eee62510dda0ef457d4c.jpg
Frans Kusters (16 september 1949 - 20 november 2012)
 

 

De Amerikaanse schrijver Michael Nava werd geboren op 16 september 1954 in Stockton, Calefornië. Zie ook mijn blog van 16 september 2010 en eveneens alle tags voor Michael Nava op dit blog.

Uit: Lay Your Sleeping Head

“I stood in the sally port until the steel door lurched back with a clang and then stepped into the jail. A sign ordered prisoners to proceed no further; an emphatic STOP was scrawled beneath the printed message. I looked up at the mirror above the sign where I saw a slender, olive-skinned, dark-haired man in a wrinkled seersucker suit. I adjusted the knot in my tie. A television camera recorded the gesture in the booking room where a bank of screens monitored every quarter of the jail.
It was six-thirty a.m., but in the windowless labyrinth of cells and offices in the basement of Linden’s City Hall, perpetually lit with buzzing fluorescent lights, it could have been midnight. Only mealtimes and the change of guards communicated the passage of time to the inmates. I had often thought the hardest part of doing time was that time stood still; serving a sentence must feel like scaling a mountain made of glass.
I stepped out of the way of a trustie who raced by carrying trays of food. Breakfast that morning, the first Monday of June, 1982, was oatmeal, canned fruit cocktail, toast, milk and Sanka—inmates were not allowed caffeine because it was a stimulant. Ironic considering the other stimulants that made their way into the jail; you could get almost any drug here. Jones stepped into the hall from the kitchen and acknowledged me with an abrupt nod. He had done his hair up in cornrows and his apron was splattered with oatmeal. On the outside, Jones was a short-order cook and a low level drug dealer. I’d represented him after his last bust. In exchange for snitching on some higher ups, I got him a plea, a reduced sentence and a guarantee he could serve it in county jail instead of state prison where his life expectancy would have been about that of a soap bubble. Unlike the prisons, the jail population was either transient or made up of inmates serving short sentences for relatively minor offenses. The deputy sheriffs who ran the place weren’t as tightly wound as prison guards and you didn’t see inmates sleeping in the halls or six to a cell because of overcrowding. Jail was easy time compared to the hard time at places like Folsom or San Quentin and a lot safer for a snitch like Jones. Still, county had the familiar institutional stink of all places of incarceration, a complex odor of ammonia, unwashed bodies, latrines, dirty linen and cigarette smoke compounded by bad ventilation and mingled with a sexual musk, a distinctive genital smell. The walls were painted in listless pastels, faded greens and washed-out blues like a depressed child’s coloring book, and were grimy and scuffed. The linoleum floor, however, was spotless. The trusties mopped it at all hours of the day and night. Busy work, I suppose."

 

 2073367-f8f7e11ec43984dc1b50cd03f3ad33b8.jpg
Michael Nava (Stockton, 16 september 1954)
Cover 

 

 

De Amerikaanse schrijver Justin Haythe werd geboren op 16 september 1973 in Londen. Zie ook alle tags voor Justin Haythe op dit blog en ook mijn blog van 16 september 2010

Uit:The Honeymoon

“For a moment, a breeze tapped the plants against the railing and then there was a version of silence, a flexing of the space that had swallowed her before Maureen returned. She was in the middle of saying something, but when she saw me she fell quiet. She looked around as if Claudia might have concealed herself in the shadows. She stepped out onto the patio, and without getting too close, peered over the edge. Maureen held me on her lap while we waited for the siren. Small breaths of steam escaped from the teapot. She served the tea to the police once she assured them we were in no way related to Claudia. She wandered around filling cups, the policemen thanking her politely. She forgot to put out ashtrays and after some hesitation, the men went ahead and ashed in their saucers. Marcel came home early from the jungle. Claudia's mother sat at the table in the living room where my mother had left the petit fours and the mail. Our bags were already in the hall. Maureen told her how sorry we were. The woman silently sipped her tea while Marcel stood at the window smoking cigarettes. They did not speak in our presence. Four bars had to be sawed away from the fence on the pavement when they cut Claudia's body free. Paris was finished. So was my mother's friendship with Marcel. And then there was the airport, the plane full of people, and the sky.

(...)

Maureen was too disorganized and in ways had too much faith to have made a duplicate. The dedication is to me—For Gordon, My Faithful Assistant (Of Course). To the front page she paperclipped two photographs of herself—potential dust jacket pictures, I imagine. The first was taken quite recently here in Cape Cod in cold black and white. In the picture she sits alert on her porch in a wooden deckchair. A corner of the wood-shingle house is visible behind her, a window stands open; it is warmer than it looks. Her face is thin; her hair has grown long again. She wears a coat over her shoulders. The smoke from her cigarette is washed away in the breeze, or perhaps it is unlit.”

 

 2073367-41aad3d1dfef675328963cbe1d67b332.jpg
Justin Haythe (Londen, 16 september 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 10:10 Reageer op dit bericht

James Alan McPherson, Hans Arp, Andreas Neumeister, Anna Bosboom - Toussaint, Frans Eemil Sillanpää

De Amerikaanse schrijver James Alan McPherson werd geboren op 16 september 1943 in Savannah, Georgia. Zie ook mijn blog van 16 september 2010 en eveneens alle tags voor James Alan McPherson op dit blog.

Uit:A Region Not Home: Reflections from Exile

“I recall that in 1960, for example, something called the National Defense Student Loan Program went into effect, and I found out that by my agreeing to repay a loan plus some little interest, the federal government would back my enrollment in a small Negro college in Georgia. When I was a freshman at that college, disagreement over a seniority clause between the Hotel & Restaurant Employes and Bartenders Union and the Great Northern Railway Co., in St. Paul, Minn., caused management to begin recruiting temporary summer help. Before I was 19 I was encouraged to move from a segregated Negro college in the South and through that very beautiful part of the country that lies between Chicago and the Pacific Northwest. That year -- 1962 -- the World's Fair was in Seattle, and it was a magnificently diverse panorama for a young man to see. Almost every nation on earth was represented in some way, and at the center of the fair was the Space Needle. The theme of the United States exhibit, as I recall, was drawn from Whitman's "Leaves of Grass": "Conquering, holding, daring, venturing as we go the unknown ways."
When I returned to the South, in the midst of all the civil rights activity, I saw a poster advertising a creativewriting contest sponsored by Reader's Digest and the United Negro College Fund. The first story I wrote was lost; but the second, written in 1965, was awarded first prize by Edward Weeks and his staff at The Atlantic Monthly. That same year I was offered the opportunity to enter Harvard Law School. During my second year at law school, a third-year man named Dave Marston (who was in a contest with Attorney General Griffin Bell [last] year) offered me, through a very conservative white fellow student from Texas, the opportunity to take over his old job as a janitor in one of the apartment buildings in Cambridge. There I had the solitude, and the encouragement, to begin writing seriously. Offering my services in that building was probably the best contract I ever made.
I HAVE NOT recalled all the above to sing my own praises or to evoke the black American version of the Horatio Alger myth. I have recited these facts as a way of indicating the haphazard nature of events during that 10-year period. I am the product of a contractual process. To put it simply, the 1960s were a crazy time. Opportunities seemed to materialize out of thin air; and if you were lucky, if you were in the right place at the right time, certain contractual benefits just naturally accrued. You were assured of a certain status; you could become a doctor, a lawyer, a dentist, an accountant, an engineer. Achieving these things was easy, if you applied yourself.”

 

 2073361-6cf2dcbb483947d4c56de2ccf1e4a123.jpg
James Alan McPherson (Savannah, 16 september 1943)

 

 

De Frans-Zwitserse kunstenaar, dichter en schrijver Hans (Jean) Arp werd geboren op 16 september 1886 in Straatsburg. Zie ook mijn blog van 16 september 2010 en eveneens alle tags voor Hans Arp op dit blog.

 

Die Herzen sind Sterne (Fragment)

Wie schnell vergeht ein Leben
in Gottes lichtem Dunkel.
Kaum ist heute gesagt,
ist morgen schon vergangen.
Und so vergehen die Jahre
mit Spielen, Träumen, Säumen.
Und so vergeht die Zeit,
in der die Blumen schweben.

Wann blühen wir wieder
vereint an Gottes lichtem Strauch?
Wann ruhe ich für immer
in deinem reinen Hauch?

 

2073361-f859ef89bcb5b6548f09855344ebe6ab.jpg
Hans Arp, Human Concretion without Oval Bowl, 1933



Du lächelst,
um nicht zu weinen.
Du lächelst,
als würden lange noch
die guten Tage scheinen.
Deine Flügel glänzten
wie junge Blätter.
Dein Gesicht
war ein weißer Stern.

Seitdem du gestorben bist,
danke ich jedem vergehenden Tag.
Jeder vergangene Tag
bringt mich dir näher.

 

 2073361-3dd45dc0cadd26d65e6a962df548d1ba.jpg
Hans Arp (16 september 1886 - 7 juni 1966)
Hans Arp Museum Bahnhof Rolandseck in Remagen

 

 

De Duitse schrijver Andreas Neumeister werd geboren op 16 september 1959 in Starnberg. Zie ook alle tags voor Andreas Neumeister op dit blog en ook mijn blog van 16 september 2010

Uit: Könnte Köln sein

„Die neue Brücke der Hungerburgbahn über den Inn. Rechts ab. Bergisel Ski Jump. Das Beste an Innsbruck ist nicht das Goldene Dachl. Das Beste an Innsbruck war nicht die gewonnene Schlacht gegen Franzosen und Bayern. Das Beste an Innsbruck ist Frau Hadids neue Sprungschanze. Vier-Schanzen-Tournee: Wegen Zaha Hadids neuer Sprungschanze zum ersten Mal ein echtes Skispringen in Echtzeit am Fernseher verfolgt. Wer hat gewonnen? Zaha Hadid. Schlacht am Bergisel. Wer hat gewonnen? Am besten sieht die Schanze in der Dämmerung aus, wie sie da erleuchtet aus dem finsteren Schlachtwald emporsteigt und als schick behelmter Kopf nach Süden schaut. Den windschnittigen Kopf frisch gewaschen gegen den Wind stemmt. (Föhn, der aus dem Süden ins Tal pfeift)

The Europabruecke (Bridge Europe), located just outside of Innsbruck, a few kilometers north of the Brenner Pass, is a large concrete bridge carrying the six-lane autobahn over the valley of the Sill River. 180 meters tall and 820 meters long, it was celebrated as a masterpiece of engineering upon its completion in 1963

Ingenieursbaukunststück Europabrücke. Irgendein Rekord zu ihrer Zeit. Riesige Spannweite in Beton und Spannstahl gemeistert

Den sanften Schwung der Brennerautobahnbrücken sieht man nicht von der Autobahn. Den sanften Schwung der Brennerautobahnbrücken sieht man am besten von der weit ausholenden Bundesstraße. (Vater hat nie Stahlbrücken gebaut, Vater hat immer nur Spannbetonbrücken gebaut, Vater hat meistens gerade Brücken gebaut)“

 

 2073361-5c4e12b23d27819ba322bd0fc2051fb9.jpg
Andreas Neumeister (Starnberg, 16 september 1959)
Starnberg

 

 

De Nederlandse schrijfster Anna Bosboom - Toussaint werd geboren op 16 september 1912 te Alkmaar. Zie ook alle tags voor Anna Bosboom – Toussaint op dit blog en ook mijn blog van 16 september 2010

Uit:Engelschen te Rome

“Wie lust heeft den loop van dit verhaal te volgen, verplaatse zich in verbeelding binnen Rome, maar Rome in 1587. Ik heb dat woord slechts te uiten en de lezer denkt zich de stad, die tweemaal heerschappij heeft gevoerd over de wereld; eene heerschappij, die zij nog niet heeft opgegeven. De stad, die tweemaal een stoffelijk en een zedelijk overwicht gehad heeft over de volkeren, het Rome der Consuls en der Cesars, door het zwaard en de wet; het Rome der Pausen, door den banbliksem en het kruis; de stad, waarvan de Sibyllijnsche boeken voorspeld hebben, dat zij sterker zijn zoude dan de tijd! Zij ook die profetie valsch, moet Rome den tol betalen, dien zij zelve Karthago heeft afgeëischt, dien Babylonie heeft moeten brengen! Wie toch zoude Vandaal genoeg zijn, om er met koelheid aan te denken, hoe de Zeven-heuvelenstad langzaam in zich zelve verkwijnende, roemloos vergaande onder vermolming en onedel wormgeknaag, onbemerkt zal afnemen onder de stil vernielende beten van den tijd, zooals eene moerassige kust langzaam wegslibt onder de trouwelooze liefkoozingen van den oceaan,zoo onbemerkt zelfs, dat niemand het rechte uur van haren dood zal weten, omdat de wereld sinds lang niet meer aan haar dacht, of haar reeds dood waande, toen ze nog op haar uitterend sterfbed lag. Wie is zoó kond voor de poëzie der geschiedenis, om zich zonder weemoed voor te stellen, dat Rome zou kunnen wegsterven als eene andere stad, die uitgewischt wordt uit de rij der steden, en om niet liever te wenschen. dat haar val een ontzettend verheven, een schrikkelijk grootsch schouwspel mocht zijn, waarop de volkeren met siddering staarden, en waarbij de wereld eenen langen lijkzang aanhief, een val, die de aarde zonde schokken als eene hevige stuiptrekking, opdat hare aspunten het weten konden, dat de wereldstad gevallen was! En waarom zoude zij nog niet eenmaal kunnen opflikkeren tot eenen schijn der vorige schittering, om te eindigen zooals Rome eindigen moet? Terwijl ik met beschouwingen speel, is de lezer misschien reeds op het St. Pietersplein ; hij heeft misschien reeds eene standplaats gekozen, dicht bij de trappen van het Vatikaan, hij ziet de Engelenburg, de St. Pieterskerk, het laatste wonder der bouwkunst, de gedenkteekenen der oudheid, die weder vernieuwd zijn geworden, en wat niet al, dat ik niet beschrijven zal, omdat het reeds duizendmaal beter gedaan is, dan ik het zoude kunnen doen, omdat ieder het weet, en eindelijk ook, omdat ik slechts vertel en niet schilder.”

 

 2073361-4da916f9f1152fe455d1aec4e3fd67b5.jpg
Anna Bosboom – Toussaint (16 september 1812 – 13 april 1886)

 

 

De Finse schrijver en Nobelprijswinnaar Frans Eemil Sillanpää werd geboren in Hämeenkyrö op 16 september 1888. Zie ook alle tags voor Frans Eemil Sillanpää op dit blogen ook mijn blog van 16 september 2006 en mijn blog van 16 september 2010

Uit: Silja ou une brève destinée (Vertaald door Jean-Louis Perret)

« Silja, la belle jeune campagnarde, s'éteignit, une huitaine de jours après la Saint-Jean, alors que l'été rayonnait dans toute sa fraîcheur. Elle eut une fin très convenable, étant donné sa condition. Bien qu'elle ne fût qu'une servante orpheline de père et de mère, et sans autres parents à qui s'adresser, et bien qu'elle dût recourir un temps aux soins d'autrui, elle put se passer de l'assistance publique : ainsi lui fut épargnée cette petite laideur pourtant bien anodine.
(…)

"L'amour commence, malheureusement, toujours par la période la plus délicate, si bien qu'il ne peut que se souiller avec le temps. L'amour d'un homme et d'une femme est un organisme dont les veines et les fibres, une fois rompues, ne peuvent plus se ressouder. Il serait prudent, dès le début, de lui maintenir un aspect rude et brutal, et pour un homme, le plus sage serait de prendre femme au diable vauvert, comme on dit."

(…)

"Doucement, sans faire grincer la porte, Silja sortait dans la cour où s'attardait le crépuscule printanier. Les touffes fleuries des merisiers sur les rives lointaines et le long des chemins semblaient suspendues dans l'air. Le chant des oiseaux se taisait peu à peu dans le voisinage des maisons ; mais au coeur des forêts éloignées, quelques chanteurs puissants exprimaient par leur longue, longue mélopée le charme profond de la nuit d'été nordique qui les avait attirés d'au-delà les mers et les terres."

(…)

"L'Etat-Major siégeait dans un nuage de fumée ; les hommes avaient l'air placide de gens qui détiennent la puissance. Ces quelques tenanciers et locataires, dont les ancêtres - et eux-mêmes dans leur jeunesse - avaient trimé une année après l'autre sans espoir de jamais améliorer leur condition, que leur travail eût été accompli paresseusement ou avec énergie, se trouvaient au comble du bonheur de former maintenant un Etat-Major. Ils avaient de la nourriture, du repos, du tabac, de beaux discours. Ils éprouvaient une forte émotion en donnant des ordres à des paysans naguère hautains ; au début, ils en avaient presque le vertige, ils sentaient qu'ils s'étaient engagés sur une voie dont l'aboutissement était des plus incertains. Ce sentiment s'associait aussi aux arrestations de personnes connues qu'on amenait devant eux."

 

 2073361-8bc2cc47b26c44eaeaf2c1a81b3e0204.jpeg
Frans Eemil Sillanpää (16 september 1888 – 3 juni 1964)
Cover

Geschreven door Romenu om 10:08 Reageer op dit bericht

Lucebert, Jan Slauerhoff, Sergio Esteban Vélez, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf, James Fenimore Cooper, Claude McKay

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

 

de rivier

uit al haar armen brandt de rivier onder de rotsen
en onder de kleine zon boven de bossen
spuwt naar tellurische wortels naar de staart van de wolk
en met gesperde muil dwars door deinende scherven zij zwermt
met grillige warmte over de wereld

de duisternis dicht bij haar buik buigen gulzige bloemen
en daar is een hol en een poel en het kraken en zoemen
van een paar draken in de avond niet veraf op een graf
staande een uil staart naar een glazen galg daar grof
gebouwde rotsen omringen de melodische afgrond

ach altijd en altijd hangen natte tongen aan de trieste bergen
gespleten tongen getande tongen en opgeblazen
ronkende tongen en in de dalen in de stenen en lemen cocons
academisch zingende mannen manmoedig wanhopig
zingende mannen en vrouwen vaag draperend de ruimte

maar een adder de lichtgeaderde rivier spartelt en
knaagt aan het wenende vlees van de wind
wat geeft dat klagen? sneeuw sneeuwt over vervaarlijke
en ook over bedaagde ogen en alles raakt los in de nacht
voort stromende argeloos tomeloos maar niet verlost
van de klagende nacht

 

 

lente-suite voor lilith

introductie:

als babies zijn de dichters niet genezen
van een eenzaam zoekend achterhoofd
velen hebben liefde uitgedoofd
om in duisternis haar licht te lezen

in duisternis is ieder even slecht
de buidel tederheid is spoedig leeg
alleen wat dichters brengen het te weeg
uit poelen worden lelies opgedregd

kappers slagers beterpraters
alles wat begraven is
godvergeten dovenetels laat es
aan uw zwarte vlekken merken dat het niet te laat is

wie wil stralen die moet branden
blijven branden als hij liefde meent
om in licht haar duisternis op handen
te dragen voor de hele goegemeent


1
o-o-oh
zo god van slanke lavendel te zien
en de beek koert naar de keel
en de keel is van de anemonen
is van de zee de monen zingende bovengekomen

kleine dokter jij drinkende huid van bezien
zie een mond met de torens luiden de tong
een wier van geluid de libbelen tillende klei

en jij
wassen jij klein en vingers in de la in de ven
lavendel in de lente love lied
laat zij geuren
pagodegeuren
lavendelgoden
geuren

 

 2073244-e44fa147c925a8047c0fe94039fe9dd4.png
Lucebert (15 september 1924 - 10 mei 1994)
Lucebert: Prinsenpaar, 1962

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Jacob Slauerhoff werd geboren in Leeuwarden op 15 september 1898. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Jan Slauerhoff op dit blog.

 

Eer de tuin 't vertrouwen vindt

Eer de tuin 't vertrouwen vindt
Zich de volle bloei te geven,
Staan de meisjes er in, beven,
Willen wel, neen nog niet leven
En uit enge angsten streven
Tengre handen tegen wind.

En zij gaan met schuwe voeten,
Als door zwaar gewaad gedrukt,
Traag, bevreesd en toch verrukt,
Houdingen zoekend die zij moeten
Vinden om hun droom te ontmoeten.

 

 

Uyemo Park, Tokio

De kindren lopen uit hun kleurig spel
En laten 't park schuw en verwaarloosd achter.
De vogels zwijgen om een oude wachter,
Alleen de krekels sjirpen snel en schel.

Het groene en rode loof wordt even vaal.
Een flakkerlicht ontwaakt in bronzen lampen.
De avond komt gedempt, gehuld in dampen
Nader, als een sluipmoordnaar in een zaal.

Maar plechtig aangetrokken klokken tampen
En langgerekte heilige tonen gonzen
Boven het dor en streng gebed der bonzen,
Beveiligd voor de nacht in 't heiligdom.

 

 

Klaaglijk roepen de alcyonen

KLAAGLIJK roepen de alcyonen,
Schichtig fladdren de alcyonen,
Boven 't woedend brandingklotsen
Tegen Akashiro's rotsen,
Waar wraakgierige demonen,
Boven Akashiro's rotsen,
Tussen gierennesten tronen.

Over Akashiro's rotsen
Zweeft een lieflijk avondrood;
Onder, blind in 't brandingklotsen,
Vindt de schepeling zijn dood.
Klaaglijk schreeuwen de alcyonen,
Laag en schichtig de alcyonen
Scheren over 't brandingklotsen.
Rood zijn Akashiro's rotsen.

 

 2073244-08961d97326a91fda0f4996e06256027.jpg
Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936) 

 

 

De Colombiaanse dichter, schrijver, hoogleraar en journalist Sergio Esteban Vélez Peláez werd geboren op 15 september 1983 in Medellín. Zie ook alle tags voor Sergio Esteban Vélez op dit blog.

 

The soul weighs twenty-one grams

The soul weighs twenty-one grams,
say the esoteric
philosophers.
The supreme energy
chained to a body
and only two trembling
shutters
show you a
deserted
corner of the universe.

Pseudolife
subjected to time;
dreams,
a few bones,
and love,
a few atoms of smoke.

All in an ashtray.

They are only twenty-one
eternal grams.

 

 2073244-45722b8ac866114adeb08def821dc41a.jpg
Sergio Esteban Vélez (Medellín, 15 september 1983)

 

 

De Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie werd geboren op 15 september 1977 in Enugu. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Chimamanda Ngozi Adichie op dit blog.

Uit: Americanah

“Everyone she had told she was moving back seemed surprised, expecting an explanation, and when she said she was doing it because she wanted to, puzzled lines would appear on foreheads.“You are closing your blog and selling your condo to go back to Lagos and work for a magazine that doesn’t pay that well,” Aunty Uju had said and then repeated herself, as though to make Ifemelu see the gravity of her own foolishness. Only her old friend in Lagos, Ranyinudo, had made her return seem normal. “Lagos is now full of American returnees, so you better come back and join them. Every day you see them carrying a bottle of water as if they will die of heat if they are not drinking water every minute,” Ranyinudo said. They had kept in touch, she and Ranyinudo, throughout the years. At first, they wrote infrequent letters, but as cybercafés opened, cell phones spread, and Facebook flourished, they communicated more often. It was Ranyinudo who had told her, some years ago, that Obinze was getting married. “Meanwhile o, he has serious money now. See what you missed!” Ranyinudo had said. Ifemelu feigned indifference to this news. She had cut off contact with Obinze, after all, and so much time had passed, and she was newly in a relationship with Blaine, and hap-pily easing herself into a shared life. But after she hung up, she thought endlessly of Obinze. Imagining him at his wedding left her with a feeling like sorrow, a faded sorrow. But she was pleased for him, she told herself, and to prove to herself that she was pleased for him, she decided to write him. She was not sure if he still used his old address and she sent the e-mail half expecting that he would not reply, but he did. She did not write again, because she by then had acknowledged her own small, still-burning light. It was best to leave things alone. Last December, when Ranyinudo told her she had run into him at the Palms mall, with his baby daughter (and Ifemelu still could not picture this new sprawling, modern mall in Lagos; all that came to mind when she tried to was the cramped Mega Plaza she remembered)—“He was looking so clean, and his daughter is so fine,” Ranyinudo said—Ifemelu felt a pang at all the changes that had happened in his life.“Nigeria film very good now,” Aisha said again.“Yes,” Ifemelu said enthusiastically. This was what she had become, a seeker of signs. Nigerian films were good, therefore her move back home would be good.“You from Yoruba in Nigeria,” Aisha said.“No. I am Igbo.”“You Igbo?” For the first time, a smile appeared on Aisha’s face,a smile that showed as much of her small teeth as her dark gums.”

 

 2073244-2d6efb45417bb8e5b4ffe1ccaeaef51d.jpg
Chimamanda Ngozi Adichi (Enugu, 15 september 1977)
Cover 

 

 

De Britse schrijfster Agatha Christie werd geboren in Torquay (Devon) op 15 september 1890. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Agatha Christie op dit blog.

Uit: The Murder at the Vicarage

“It is difficult to know quite where to begin this story, but I have fixed my choice on a certain Wednesday at luncheon at the Vicarage. The conversation, though in the main irrelevant to the matter in hand, yet contained one or two suggestive incidents which influenced later developments.
I had just finished carving some boiled beef (remarkably tough by the way) and on resuming my seat I remarked, in a spirit most unbecoming to my cloth, that any one who murdered Colonel Protheroe would be doing the world at large a service.
My young nephew, Dennis, said instantly:
"That'll be remembered against you when the old boy is found bathed in blood. Mary will give evidence, won't you, Mary? And describe how you brandished the carving knife in a vindictive manner."
Mary, who is in service at the Vicarage as a stepping-stone to better things and higher wages, merely said in a loud, businesslike voice, "Greens," and thrust a cracked dish at him in a truculent manner.
My wife said in a sympathetic voice: "Has he been very trying?"
I did not reply at once, for Mary, setting the greens on the table with a bang, proceeded to thrust a dish of singularly moist and unpleasant dumplings under my nose. I said, "No, thank you," and she deposited the dish with a clatter on the table and left the room.
"It is a pity that I am such a shocking housekeeper," said my wife, with a tinge of genuine regret in her voice.
I was inclined to agree with her. My wife's name is Griselda — a highly suitable name for a parson's wife. But there the suitability ends. She is not in the least meek.
I have always been of the opinion that a clergyman should be unmarried. Why I should have urged Griselda to marry me at the end of twentyfours hours' acquaintance is a mystery to me.”

 2073244-9b0ab6b9859392cf9ff79a1f0608bc41.jpg
Agatha Christie (15 september 1890 – 12 januari 1976)
Cover DVD van de film uit 1986 met Joan Hickson als Miss Marple

 

 

De Turkse schrijver Orhan Kemal (eig. Mehmet Raşit Öğütçü) werd geboren op 15 september 1914 in Ceyhan. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Orhan Kemal op dit blog.

Uit: The Idle Years (Vertaald door Cengiz Lugal)

‘Obviously. We’ll also have to invite him out as well.’
‘We could do that, you know. Take him along to a restaurant with Nejip.    We ought to, really.’
‘We could order two full bottles of raki…’
‘If I get about a hundred and fifty or so, then it really won’t matter.’
‘I wouldn’t worry. Your aunt’s bound to send you at least that. Because she does know you have a friend with you as well….’
That evening Nevzat handed me the letter I had long been waiting for. I excitedly ripped open the envelope. Gazi and I leaned over and swiftly read the brief note.
I was to leave any so-called friend and come over straight away. There would be no need for me to pay the bus fare – I had only to give my uncle’s name. And when was I going to learn not to let every bum and scrounger tag along wherever I went!
Gazi had changed colour. I tore up the letter and threw it out of the window and into the smell of fried fish. First, we sold my clothes and then my suitcase.
‘Istanbul is one of a kind!’
You can hop off its trams, hop on to its taxis and entertain whom you want at the restaurant of your choice…. You can set up a factory, or stay unemployed or open a bank… Whatever you want!
‘Istanbul is one of a kind!’
Then what?
Well, then, it was first one bit of work, then another. We worked as waiters in cafés around Galata, shovelled coal, did a bit of street selling and occasionally played for some of the useless local football teams, all for no more than a square meal.
‘Istanbul is one of a kind!’
Finally one morning, half starving, we bade farewell to the bridge, to the trams, to the dirty sea, to Galata and to Beyoglu and boarded a ship back home, leaving all those beautiful women to the men of Istanbul.
Farewell, then, Istanbul!”

 

 2073244-4e66ce4837d1398deba5e0ecbd502f22.jpg
Orhan Kemal (15 september 1914 – 2 juni 1970)

 

 

De Zweedse dichter en schrijver Bengt Gunnar Ekelöf werd geboren op 15 september 1907 in Stockholm. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Gunnar Ekelöf op dit blog.

 

The flowers doze in the window

The flowers doze in the window and the lamp gazes / light
the window gazes with thoughtless eyes out into the / dark
paintings exhibit without soul the thought confided / to then
and houseflies stand still on the walls and think

the flowers lean into the night and the lamp weaves / light
the cat in the corner weaves woolen yarn to sleep with
on the stove the coffeepot snores now and then with / pleasure
the children play quietly on the floor with words

the table set with white cloth is waiting for someone
whose feet never will come up the stairs

a train-whistle tunneling through the silence in the / distance
does not find out what the secret of things is
but fate counts the strokes of the pendulum by / decimals

 

Vertaald door Robert Bly

 

 2073244-bcf1dae5bfe1dc14ae1261e652e422b6.jpg
Gunnar Ekelöf (15 september 1907 – 16 maart 1968)

 

 

De Amerikaanse schrijver James Fenimore Cooper werd geboren in Burlington, New Jersey op 15 september 1789. Zie ook alle tags voor James Fenimore Cooper op dit blog.

Uit: The Last of the Mohicans

“While, in the pursuit of their daring plans of annoyance, the restless enterprise of the French even attempted the distant and difficult gorges of the Alleghany, it may easily be imagined that their proverbial acuteness would not overlook the natural advantages of the district we have just described. It became, emphatically, the bloody arena, in which most of the battles for the mastery of the colonies were contested. Forts were erected at the different points that commanded the facilities of the route, and were taken and retaken, razed and rebuilt, as victory alighted on the hostile banners. While the husbandman shrank back from the dangerous passes, within the safer boundaries of the more ancient settlements, armies larger than those that had often disposed of the scepters of the mother countries, were seen to bury themselves in these forests, whence they rarely returned but in skeleton bands, that were haggard with care or dejected by defeat. Though the arts of peace were unknown to this fatal region, its forests were alive with men; its shades and glens rang with the sounds of martial music, and the echoes of its mountains threw back the laugh, or repeated the wanton cry, of many a gallant and reckless youth, as he hurried by them, in the noontide of his spirits, to slumber in a long night of forgetfulness.
It was in this scene of strife and bloodshed that the incidents we shall attempt to relate occurred, during the third year of the war which England and France last waged for the possession of a country that neither was destined to retain.
The imbecility of her military leaders abroad, and the fatal want of energy in her councils at home, had lowered the character of Great Britain from the proud elevation on which it had been placed by the talents and enterprise of her former warriors and statesmen. No longer dreaded by her enemies, her servants were fast losing the confidence of self-respect. In this mortifying abasement, the colonists, though innocent of her imbecility, and too humble to be the agents of her blunders, were but the natural participators. They had recently seen a chosen army from that country, which, reverencing as a mother, they had blindly believed invincible--an army led by a chief who had been selected from a crowd of trained warriors, for his rare military endowments, disgracefully routed by a handful of French and Indians, and only saved from annihilation by the coolness and spirit of a Virginian boy, whose riper fame has since diffused itself, with the steady influence of moral truth, to the uttermost confines of Christendom.”

 

 2073244-1b9902757d0b5f62f88003eeb2160161.jpg
James Fenimore Cooper (15 september 1789 - 14 september 1851)
Standbeeld in New York

 

 

De Jamaicaanse dichter en schrijver Festus Claudius "Claude "McKay werd geboren op 15 september 1890 in Sunny Ville, Clarendon, Jamaica. Xie ook alle tags voor Claude McKay op dit blog.

 

After the Winter

Some day, when trees have shed their leaves
And against the morning’s white
The shivering birds beneath the eaves
Have sheltered for the night,
We’ll turn our faces southward, love,
Toward the summer isle
Where bamboos spire the shafted grove
And wide-mouthed orchids smile.

And we will seek the quiet hill
Where towers the cotton tree,
And leaps the laughing crystal rill,
And works the droning bee.
And we will build a cottage there
Beside an open glade,
With black-ribbed blue-bells blowing near,
And ferns that never fade.

 

 

Subway Wind

Far down, down through the city’s great gaunt gut
The gray train rushing bears the weary wind;
In the packed cars the fans the crowd’s breath cut,
Leaving the sick and heavy air behind.
And pale-cheeked children seek the upper door
To give their summer jackets to the breeze;
Their laugh is swallowed in the deafening roar
Of captive wind that moans for fields and seas;
Seas cooling warm where native schooners drift
Through sleepy waters, while gulls wheel and sweep,
Waiting for windy waves the keels to lift
Lightly among the islands of the deep;
Islands of lofy palm trees blooming white
That led their perfume to the tropic sea,
Where fields lie idle in the dew-drenched night,
And the Trades float above them fresh and free.

 

 2073244-f48116725b35cad4a315793bb8a22b72.jpg
Claude McKay (15 september 1890 - 22 mei 1948)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e september ook mijn blog van 15 september 2015 en ook mijn blog van 15 september 2013 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:15 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Eugen Roth, Hans Faverey, Theodor Storm, Leo Ferrier, Corly Verlooghen, Bernard MacLaverty, Ivan Klíma

 

Dolce far niente

 

 2072889-2f0061d1251fc86785146cec480b2dbf.jpg
Binnenplaats van het ziekenhuis in Arles door Vincent van Gogh, 1889

 

 

Das ist der Krankenhäuser Sinn

Das ist der Krankenhäuser Sinn,
Dass man - wenn's geht - gesund wird drin.
Doch wenn man's ist: dann schnell heraus!
Ansteckend ist das Krankenhaus.

 

 2072889-c541269fda7bb5ab0865e238e7c4a949.jpg
Eugen Roth (24 januari 1895 – 28 april 1976)
Städtisches Krankenhaus in München, de geboorteplaats van Eugen Roth

 

 

De Nederlandse dichter Hans Faverey werd op 14 september 1933 geboren in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Hans Faverey op dit blog.

 

Alsof zij daar ligt, nu

Alsof zij daar ligt, nu
hier is gaan liggen, en aanbiedt
wat zij onthult: een duin, blakend

op haar zij, een waarsprekende
waaier, de rilling die mij opricht;

en geur, ooit zo doorhuifd als alleen
verbeelding het wil, opdat zij uitmaakt
hoe het is. Niet hier immers, door mijn
ogen niet, is zij opgewekt om toen
daar te gaan liggen, zich te doen
zoals het wordt.

 

 

[In de flank getroffen]

In de flank getroffen;
in het eigenste vreemdgaande.
Die zich inscheepten: een golf

het gezicht ontsluit - de twijfel.

Het gepeuter aan windharpen.

De dode plek op de helling.
Wat ik niet kan vangen
draag ik bij me; schipbreuk
lijdt iedereen after all.

 

 

[Mir nix: dir nix]

Mir nix: dir nix.

Ergens niets aan hebben.
Van iemand niks moeten hebben.
Heb jij terug van de zee?
Heeft zij van zee terug?

Haast zijn de ogen die je mooi vindt
al van rookkwarts, gaat het kwarts
dat jou aardig vindt in rook op.

Ergens niets aan gehad hebben.

Nooit ergens heen hoeven.
Niets kunnen vergeten.
Niks maken van niets.

Dir nix: mir nix.

 

 2072889-1102efa469983959b622cae722ce3096.jpg
Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990)
 

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Storm werd geboren in Husum op 14 september 1817. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Theodor Storm op dit blog.

Uit: Der Schimmelreiter

"Mich wollte nachträglich ein Grauen überlaufen. "Verzeiht!" sprach ich, "was ist das mit dem Schimmelreiter?"
Abseits hinter dem Ofen, ein wenig gebückt, saß ein kleiner hagerer Mann in einem abgeschabten schwarzen Röcklein; die eine Schulter schien ein (Reclam, S. 8) wenig ausgewachsen. Er hatte mit keinem Worte an der Unterhaltung der andern teilgenommen, aber seine bei dem spärlichen grauen Haupthaar noch immer mit dunklen Wimpern besäumten Augen zeigten deutlich, daß er nicht zum Schlaf hier sitze.
Gegen diesen streckte der Deichgraf seine Hand. "Unser Schulmeister", sagte er mit erhobener Stimme, „wird von uns hier Ihnen das am besten erzählen können; freilich nur in seiner Weise und nicht so richtig, wie zu Haus meine alte Wirtschafterin Antje Vollmers es beschaffen würde."
"Ihr scherzet, Deichgraf!" kam die etwas kränkliche Stimme des Schulmeisters hinter dem Ofen hervor, „daß Ihr mir Euern dummen Drachen wollt zur Seite stellen!"
"Ja, ja, Schulmeister!" erwiderte der andere, "aber bei den Drachen sollen derlei Geschichten am besten in Verwahrung sein!"
"Freilich!" sagte der kleine Herr; "wir sind hierin nicht ganz derselben Meinung"; und ein überlegenes Lächeln glitt über das feine Gesicht.
"Sie sehen wohl", raunte der Deichgraf mir ins Ohr; "er ist immer noch ein wenig hochmütig; er hat in seiner Jugend einmal Theologie studiert und ist nur einer verfehlten Brautschaft wegen hier in seiner Heimat als Schulmeister behangen geblieben."

 2072889-90cd629cc66d6b593d8d2542b823d558.jpg
Theodor Storm (14 september 1817 - 4 juli 1888)
Cover luisterboek

 

 

De Surinaamse schrijver Leo Henri Ferrier werd geboren in Paramaribo op 14 september 1940. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Leo Ferrier op dit blog.

Uit:Hoogtij overzee ( Notities van een vriend)

“Deze hard werkende mannen veranderen zichtbaar een zwaarkleizwamprivierbos dat het in het begin is, in een prachtig groen geëgaliseerd landschap met wit beschelpte straten en tussenpaden. Precies een jaar. Eerst een periode van zware regens, dan felle droogte met veel stof.
Afvoerkanaaltjes met helder water. Een wat breder en langer kanaal aan de noordzijde, geeft door een lichtgroene omzoming aan het hele landschap waarin de grote sierbomen gelukkig gespaard zijn gebleven, een heel apart karakter. Na de eerste ruk flink doorwerken, neem ik 's middags tegen vijven even een pauze voor een wandeling met Rasso op het project. Ik wandel altijd naar dezelfde plek. Waarom ik ook de eerste keer naar die plek gewandeld ben, weet ik niet. Ik neem een klein plankje mee om niet op de vochtige grond te zitten. Rasso rent vast vooruit.
Voor me de brede rivier. Bij eb, bruin troebelig aanrollende moddergolfjes. Na een uurtje kaatsen late, oranje zonnestralen er sombere nuances violet in. Van de groenig bruisende vloedgolven omrand met ragfijn schuim, geniet ik beter. Een stralend blauwe hemel. Koele wind. Een vlucht witte snippen scheert plotseling rakelings over het water. In formatie, een mathematisch haarscherp gelijkzijdige driehoek. Basis en top schijnen elkaar snel van plaats te verwisselen. Voor je ze kunt tellen, zijn ze alweer in het niet verdwenen, waar ze net uit vielen. Op de andere oever. Het eerste dat duidelijk te zien is, het huis uit Ātman, zwevend in een koepel van donkergroen bos. Buitenboordveerbootjes zie ik af en aan varen. Dezelfde namen. Daar op die plek, maakt mijn geweten me bewust van het conflict dat in feite mijn depressie, wanhoop en onzekerheid veroorzaakt. Een zekere onvrede tussen mezelf en mijn nieuwe werk.
Twee maanden zijn er nu weer om. Geen school. Toch heb ik niets en dan ook niets met het schrijven kunnen presteren. Al die ideeën van me. Ik wil toch wel. Meen ik nu de kern gevonden te hebben waar het in zit dat ik er niet goed toe kom? Iedere keer komt er weer te veel tussen. Zo kun je niet werkelijk geconcentreerd werken. Alles duurt zo kort. Die invallen, schetsen. Voor Brsk. Dan weer voor Blawoj of de Mandiënri. Eén dag. Meestal ben ik daarna niet meer in staat iets zo af te maken, dat ik het gaaf getikt voor me heb. Later blijkt het allemaal te vaag om er in de zin van uitwerken iets mee te doen. Toch blijf ik er steeds mee bezig. Weer zo'n prachtige middag.”

 

 2072889-559bb8899f4706a28aff084e86bf5c0c.jpg
Leo Ferrier (14 september 1940 - 30 juli 2006)
Paramaribo

 

 

De Surinaamse dichter, schrijver, journalist en muziekpedagoog Corly Verlooghen werd geboren op 14 september 1932 in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Corly Verlooghen op dit blog.

 

dit wankel huis

Hindostanen en Creolen
hebben het gezegd
de laatsten het bevolen
er is een avontuur te vondeling gelegd.

en wij staan onbehulpzaam toe te zien
hoe het bederf invreet
in de huid van 't jonge kind

God had ik maar de macht
een lied te zingen waarnaar men
luistert in dit wankel huis
dat zo gebarsten is en dreigt
omver te vallen in een onverhoedse nacht.

 

 

kruis en as

Niets verhevener is er dan
de morbide toon van je stem
onder de regennatte bladeren
bij het kruis:

een kind hing eens verborgen
aan de navelstreng
een vrouw kreet toen verlaten
in uiterste benauwenis

ik die de eerste kus mocht
drukken in je begeerlijke poriën
kroop in het zoete ritme
van je bedding rond

maar onder regennatte bladeren
bij de zerk in het gras
staan wij nu met de pijn
van kruis en as.

 

 2072889-42ab76652ec123b1a268bff7a8eecbdc.jpg
Corly Verlooghen (Paramaribo, 14 september 1932)

 

 

De Noord-Ierse schrijver Bernard MacLaverty werd geboren in Belfast op 14 september 1942. Zie ook alle tags voor Bernard MacLaverty op dit blog.

Uit: Midwinter Break

“In the bathroom Stella was getting ready for bed. Gerry had left the shaving mirror at the magnifying face and she was examining her eyebrows. She licked the tip of her index finger and smoothed both of them. Then turned to her eyelids. She was sick of it all – the circles of cotton wool, the boiled and sterilised water in the saucer, the ointments, the waste bin full of cotton buds.
She said goodnight to Gerry and, on her way to the bed- room, passed their luggage in the hall. She switched on the late night news on the small radio beside her bed and got into her pyjamas. Quickly, because the bedroom air was cold. She saw no point in paying good money to heat a room all day for a minute's comfort last thing at night.
Before getting into bed she turned off the electric blanket.
Now and again she'd fallen asleep with it still on. By the time Gerry came to bed she felt and looked awful. 'Like fried bacon,' was the way he described her.
She loved this hour to herself – this separation at the end of every day. Her hot-water bottle, the electric blanket, the radio voices. Gerry, out of action, in another room listening to music on his headphones. Having a nightcap, no doubt. Or two or three. The storm doors locked, the windows bolted.
The place safe. Sometimes after the news she read for a while n the silence. The sound of a page turning. The absence of talk. But of late she'd been too tired to read, even to hold a book. Hardbacks were out of the question. There was a tip- ping point when she knew she was going to 'get over'. Her head would go down on the pillow, her hand creep out from under the covers to get rid of the book or to switch off the radio. The duties and the menus and the lists melted away. Responsibilities were such that nothing could be done at this hour. They were hidden behind a curtain but would return with a swish first thing in the morning. And before she knew, she was sound asleep.”

 2072889-321985c9c5c4e54bbe9c712e2bdb169e.jpg
Bernard MacLaverty (Belfast, 14 september 1942)

 

 

De Tsjechische schrijver Ivan Klíma werd op 14 september 1931 geboren in Praag. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en ook alle tags voor Ivan Klima op dit blog.

Uit: Love and Garbage (Vertaald door Ewald Osers)

“The woman in the office told me to go to the locker room: I was to wait there. So I set out across the court to a door which bore the notice LOCKERS. The office was grey and dismal, and so was the courtyard, with a pile of broken bricks and rubble in one corner, several two-wheeled handcarts, a lot of dustbins, and not a touch of greenery anywhere. The locker room seemed to me even more depressing. I sat down on a seat by the window which looked out on that dismal yard, clutching a small leather case which contained three small sweet buns, a book, and a notebook in which I was in the habit of jotting down anything that occurred to me in connection with what I was writing. Currently I was finishing an essay on Kafka. There were two other men sitting in the locker room already. One, tall and greying, reminded me of the specialist who many years before had removed my tonsils; the other, a short, stocky man of uncertain age in very dishevelled and dirty trousers scarcely reaching halfway down his calves and with enormous sewn-on pockets rather like misshapen pistol holsters, wore on his head a sea-captain's cap with a peak and a gleaming golden anchor above it. From beneath the peak a pair of eyes the colour of shallow coastal waters were watching me curiously. Those eyes, or rather their glance, seemed somehow familiar. He obviously realised that I was new here and advised me to put my identity card on the table. I did as he said, and as he placed his next to mine I noticed that he did not have a right hand; a black hook protruded from his sleeve. By now my new workmates were beginning to arrive — the sweepers. A squat young idiot with a nervous facial tic sat down next to me, took out a pair of dirty shaft-boots from a locker, and turned them upside down. From one of them there ran out a quantity of liquid which might just have, but most probably did not, come from a tap. He immediately began to scream at us all in a language of which I was unable to make out a single word. I am not sure myself what made me decide to try this unattractive occupation. Most probably I thought that I would gain from it an unexpected view of the world. Every so often you feel that unless you look at the world and at people from a new angle your mind will get blunted. As I was waiting for what would happen next there suddenly came to my mind the scene, fifteen years ago, when I was about to return home from my stay in America and the dean there gave a dinner in my honour. The dean was a mathematician, and wealthy. He owned a stableful of horses and a house in the style of a hunting lodge. I had only met him once before and I didn't really want to go to the dinner: a crowd of strangers tends to depress me. But then, how could I have known anyone properly when I had been teaching at the university for a mere six months?”

 

 2072889-4ff39fdfff7406002ed6a0db6af84222.jpg
Ivan Klíma (Praag, 14 september 1931)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e september ook mijn blog van 14 september 2015.

Geschreven door Romenu om 18:13 Reageer op dit bericht

Alexander Schimmelbusch

De Oostenrijkse schrijver Alexander Schimmelbusch werd geboren op 14 september 1975 in Frankfurt am Main geboren en groeide op in Frankfurt am Main en New York. Na zijn studie economie en germanistiek aan de Georgetown University in Washington werkte hij vijf jaar als consultant voor fusies en overnames bij een investeringsbank in Londen. Tegenwoordig woont hij als auteur en journalist afwisselend in Berlijn en New York. Voor zijn roman “Blut im Wasser“ kreeg hij in de 2009 de Hotlist Award.

Uit:Blut im Wasser

„Als ich aufwache, habe ich einen trockenen Rieslinggeschmack im Mund. Ich liege reglos da, in einem leeren Raum, nackt unter einem dünnen Laken. Die gläsernen Wände, die mich umgeben, sind vereist, die kahlen Zweige hinter ihnen sind nur als graphische Strukturen sichtbar. Mein Haus ist nicht beheizt, aber mein Atem bildet keine Dampfwolken. Für einen Augenblick habe ich Angst, dass ich in der Nacht gestorben bin. Ich stehe auf und schleppe mich ins Badezimmer, wo ich den Spiegel mit einem Handtuch verhänge. Ich habe keine Pläne für den Tag, ich habe Nasenbluten und Sehstörungen und Schmerzen in meiner Brust, für die ich keine harmlose Erklärung habe. Ich drehe am Wasserhahn und beuge mich nach vorne, nehme behutsam drei tiefe Schlucke, bevor ich meinen Kopf unter den eiskalten Schwall strecke. Den Versuch, meine Zähne zu putzen, muss ich sofort wieder abbrechen, da die Vibrationen der elektrischen Bürste Kopfschmerzen wecken. Von meinem Schreibtisch aus habe ich einen unverbaubaren Blick über den Fluss hinweg auf die Bürostädte am gegenüberliegenden Ufer. Die Zimmer sind spärlich möbliert, einige stehen leer; die Böden sind mit Platten aus Travertin ausgelegt. Ich habe mir den Grundriss meines Hauses offenbar so gut eingeprägt, dass ich mich darin auch bei Finsternis in gewohnter Geschwindigkeit fortbewegen kann, ohne irgendwo anzustoßen. Diese Tatsache ist mir irgendwann einmal im Zuge eines Stromausfalls bewusst geworden, als ich, nachdem in derStadt die Lichter erloschen waren, meinen Ablauf fortsetzte, als wäre nichts geschehen. In der sprudelnden Hitze unter der Oberfläche wird mir schwarz vor Augen. In meinem Zustand schwimmen zu gehen ist zweifellos gefährlich, aber ich weiß: wenn ich nicht regelmäßig Sport treibe, vergreise ich. Stoisch beginne ich daher, meine Bahnen zu ziehen. Angst vor dem Ertrinken, denke ich mir, kann man mühelos verdrängen. Man kann in die Großstadt ziehen, sich eine Aufgabe suchen, sein Glück finden. Man kann, wie ich mir denke, während ich eine formvollendete Wende abschließe, sich ein Lächeln aufsetzen. Über die hintere Treppe gelange ich in meine aus Deutschland importierte Küche, die in ihrer Reduktion, wie es Amy formulierte, als sie vor Kurzem bei mir zum ersten Mal zu Gast war, an einen Obduktionssaal erinnert. Vor der offenen Tür des Kühlschranks beginne ich damit, eine Flasche fettarme Milch zu leeren. Ich konzentriere mich dabei auf die Schluckgeräusche, die in meinem Kopf zu hören sind, und spiele mit dem Gedanken, mir eine Zeitung auszudrucken, verwerfe diesen aber, da ich mich momentan noch nicht in der Lage fühle, mich für irgendetwas zu interessieren.“

 

 2171897-259bbfa26a8ab2e1b5c76eef070c0b0e.jpg
Alexander Schimmelbusch (Frankfurt am Main, 14 september 1975)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Jenny Colgan

De Schotse schrijfster Jenny Colgan werd geboren op 14 september 1972 in Prestwick, Ayrshire. Zij studeerde aan de universiteit van Edinburgh en werkte zes jaar in de gezondheidsdienst, bijklussend als cartooniste en als stand-up-comedian. Zij schrijft zowel onder haar eigen naam als onder de pseudoniemen Jane Beaton en J. T. Colgan.. Zij woont afwisselend in Frankrijk en Londen. In 2000 publiceerde ze haar eerste roman, de romantische komedie “Amanda’s Wedding”. In 2013 ontving zij voor haar roman “Welcome to Rosie Hopkins' Sweetshop of Dreams” de Romantic Novel of the Year Award van de Romantic Novelists' Association. In 2012 verscheen haar Doctor Who tie-in roman “Dark Horizons” onder de naam J. T. Colgan.

Uit: Amanda's Wedding

“Most of the really messy things in life don't actually have a beginning-they kind of bear down on you over years, like the consequences of not cleaning your bathroom floor (stickiness, cholera, etc.).
This one did, though. It definitely did, and I remember it extremely clearly. Well, in a fuzzy kind of way.
Thank God-it was my bed. So, one, I was actually in a bed; and two, it was mine. I was beating the odds already. I prized open one very sticky eye and attempted to focus it, to try to work out where the smell was coming from. I appeared to be jammed between the wall and an extremely large and unidentifiable chunk of flesh.
The chunk of flesh was connected to lots of other chunks, all in the right order: But I didn't notice this until after I'd sat bolt upright in terror at a potential Godfather-type situation in my bed.
Everything seemed weirdly out of proportion. Maybe I was still drunk. I pawed at the sticky stuff at the corners of my eyes. No, something was still very wrong.
An inappropriate hand was slung across me. It appeared to be about the size of my stomach, and my stomach is not renowned for its tininess.... A thought began to worm its way into my head.
I knew that thought and tried to avoid it for as long as possible, but alongside my hangover voice that was howling, Fluid! Fluid! the thought whispered, Oh, my God ... it's Nicholas ... again! I grimaced like I'd just swallowed something nasty, which, let's face it, I probably had.
Slowly creeping my way off the end of the futon, and feeling worse and worse, I crawled into the kitchen in search of aspirin and Diet Coke. Fran, of course, was lying in wait. She didn't live here, but she made herself more at home than I did. Her own place was a three-foot-square studio that induced immediate Colditz fever, so I'd got used to her wandering in and out.
"Good morning!" trilled Fran, bright and breezy. She must have been putting it on. Through a strange fog-which I supposed was the alcohol in my system filling me right up to the eyes-she actually looked quite good. I couldn't focus on her mass of fuzzy hair, but I did notice that she was wearing one of my T-shirts, not quite covering thighs that didn't even meet in the middle. I hated that.
I summoned all my energy to pipe, "Hello!"
"Hung over?"
"No, no, absolutely fine. I've just suddenly developed a taste for a half bottle of warm flat Coke, okay?"

 

 2109707-c96ac620b994c91fe7f0cd5bfd8e9f7c.jpg
Jenny Colgan (Prestwick, 14 september 1972)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Tõnu Õnnepalu, Roald Dahl, Janusz Glowacki, Jac. van Looy, Nicolaas Beets, Marie von Ebner-Eschenbach, Otokar Březina, Julian Tuwim, Muus Jacobse

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

Uit: Flanders Diary (Vertaald door Miriam McIlfatrick)

“This perfect world is strange, and a little awful. I went out on the bike yesterday, planning to stay out longer, to go further, I felt that I could not stand being here in this room or outside any longer. Curious, at home I hardly ever get that feeling. I can move between room and garden for a whole week, going no further and it never enters my head that I should. If I have to go somewhere, it is simply a bore. It would be nteresting to know how many of those writers whose pictures are hanging on the corridor wall have agonized here? Most of them, I suspect. This bed where I toss and turn must have been a similar nightly battleground for a fair few. A struggle with your chimera, a writhing consciousness which wants to become itself in the mirror, but does not dare. Dreams. I am already a little afraid of this room with its cold, damp smell, the constant whine of a gnat in some corner, the broad white bed. Only at midday when the sun shines in through the withered vine tendrils and scatters patches of light over everything, is it good to stretch out, not on the bed but on the hard wooden sofa.
A perfect world ... It would be if we did not have such imperfect dreams. Yesterday I decided to do the 39-kilometre cycle route and it was good. It goes along backroads, in between fields. There is more land round there, less real estate development. There is not much development anywhere, the real estate is for the most part ready, completed earlier. The same goes for the roads. The smaller roads here are made of reinforced concrete, they seem to consist of slabs with little interstices, just like the Narva, or rather, the Leningrad road once was. It was built by German prisoners of war. In one place near Tollenbeek I saw this concreting, they were doing repair work. Apart from that there is no major road construction anywhere to be seen. Everything is ready. When this was all done, all this concrete laid down between the cornfields and grazing land, is impossible to guess. Earlier. And all these houses. If anything else is built on, it is garages. Not that there aren’t any garages, where would you find a house without a garage! You can always add another one, two or three, if the site is big enough of course. Cars seem to be multiplying here, as with us. Life is good. Could it be better? I do not think so, not significantly. Everyone could have slightly larger houses, but would anyone want that, especially when they are away from home all day. There is enough to do as it is.
The roads could be a little smoother, but what difference would it really make whether the road under you is very smooth or slightly less smooth if, on the way to work in the morning and back home in the evening, you have to sit in a traffic jam anyway?”

 

 2072317-a8b90bffb00df5d083123ccd9cb800c8.jpg
Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

 

 

De Britse schrijver Roald Dahl werd geboren op 13 september 1916 in Llandalf, Zuid-Wales. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Roald Dahl op dit blog.

Uit: Going Solo

“When flying a military aeroplane, you sit on your parachute, which adds another six inches to your height. When I got into the open cockpit of a Tiger Moth for the first time and sat down on my parachute, my entire head stuck up in the open air. The engine was running and I was getting a rush of wind full in the face from the slipstream. `You are too tall,' the instructor whose name was Flying Officer Parkinson said. 'Are you sure you want to do this?' `Yes please,' I said. `Wait till we rev her up for take-off,' Parkinson said. 'You'll have a job to breathe. And keep those goggles down or you'll be blinded by watering eyes.' Parkinson was right. On the first flight I was almost asphyxiated by the slipstream and survived only by ducking down into the cockpit for deep breaths every few seconds. After that, I tied a thin cotton scarf around my nose and mouth and this made breathing possible. I see from my Log Book, which I still have, that I went solo after 7 hours 40 minutes, which was about average. An RAF pilot's Log Book, by the way, is, or certainly was in those days, quite a formidable affair. It was an almost square (8" x 9") book, 1" thick and bound between two very hard covers faced with blue canvas. You never lost your Log Book. It contained a record of every flight you had ever made as well as the plane you were flying, the purpose and destination of the trip and the time you had spent in the air. After I had gone solo, I was allowed to go up alone for much of the time and it was wonderful. How many young men, I kept asking myself, were lucky enough to be allowed to go whizzing and soaring through the sky above a country as beautiful as Kenya? Even the aeroplane and the petrol were free!”

 

 2072317-ede1b1bf7fb3f4d93a05e535c1b965b7.jpg
Roald Dahl (13 september 1916 – 23 november 1990)

 

 

De Poolse schrijver Janusz Glowacki werd geboren op 13 september 1938 in Poznań. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Janusz Glowacki op dit blog.

Uit: The Last Supper (Vertaald door Zuza Glowacka)

“Several thousand people died in the catastrophes. Among them were two supermodels, whose deaths - directly preceding the autumn shows - were mourned by millions of ordinary people around the world.
In the meantime, the street lamps on Broadway lit up, followed by the lights in Lincoln Center, and Chagall’s winged creatures once again whirled in the air.
I thought about the passing of glory, but only for a second. Because a man who sat down at the table to my right began, pretty insolently, to bore into me with his puffy blue eyes. He looked about thirty. His legs were short, his torso long, his neck red, his nose was snub, his hair ashy and brushed up in a wave, his cheeks also red and slightly sagging. At first glance he looked familiar, but something about him didn’t fit. His enormous red paws stuck out from the sleeves of his elegant jacket, and a diamond ring which shone just like the real thing was shoved on one short, hairy finger. A second later, a black-haired waiter wearing an earring hustled around me, and with one, smooth movement, unfolded a little table, and placed a mini bucket with a linen napkin and packed with ice and an oversized bottle of Chopin Vodka on it. My neighbor leaned right behind it and over the table.
- Judging by your face, I’d say you were a fellow Slav - he hazarded.
I nodded and he moaned with relief and dropped into the chair next to me.
- My name is Kuba, - he said. And he squeezed my hand much too hard. We sat in silence for a while, and then he jabbed the cover of the magazine with his finger.
- Have you heard of Caine’s lottery by any chance?
The question was absurd. For the last few months, every television station had been occupied with this lottery and nothing else. The whole world knew about it.”

 

 2072317-171cdc2a41998788b1741bba5f5109a6.jpg
Janusz Glowacki (Poznań, 13 september 1938)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en schilder Jacobus (Jac) van Looy werd geboren in Haarlem op 13 september 1855. Zie ook alle tags voor Jac. van Looy op dit blog.

 

Zacht valt de regen

Zacht valt de regen uit een hemel zonder pracht...
Die zich stil heeft betrokken met 'n water-zware vracht
Bij het komen van de nacht.
Geen ziet hoe het daalt uit dat duistre wolk-gespan,
Als de tranen stil geschreid van een hoge sterke man,
Die men voelen wel maar zien niet kan.

Langzaam zakt de stad in het duistren van de nacht.
Langzaam valt de regen uit de duistere hemel, zacht
Als een woordenloze klacht.

 

 

Op het kerkhof

Zij liggen rij aan rij de grijze zerken,
Omwonden met een band van dorrend lover;
Gevangen in des winters doffe tover
Slapen de wilgen en de bleke berken.
En op de koude wind is het als stoof er
Hij mij voorbij met zijn getakte vlerken,
En zoekend waart hij om die droeve merken,
Tellend hun tal, de strenge Levens-rover.
De dode blaren stuiven om de zoden,
Waar bloemen groeiden eens en donzen klaver,
Geboren op een graf en daar gestorven.-
Een spade dragend, het gelaat doorkorven
Van rimpels, stapt een stille dodengraver,
Teken van leven, door de hof der doden.

 

 2072317-31e1780452f95a2eec82abb019e40a88.jpg
Jac. van Looy (13 september 1855 – 24 februari 1930)
Zelfportret 1922

 

 

De Nederlandse dichter, predikant en hoogleraarr Nicolaas Beets werd geboren op 13 september 1814 in Haarlem. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Nicolaas Beets op dit blog.

 

Een stem van de overzijde

Als 't leven over-leven wordt,
Al is het kort,
't Schijnt lang te duren;
Hoe pijlsnel vroeger tijd verdween,
De laatste zijn de slependste uren;
Zij kruipen heen.

Maar troost de Heer, die ik aanschouw,
U in uw rouw,
Steunt Hij uw voeten,
Zo zult ge uw weg gemoedigd gaan,
Totdat wij ons bij Hem ontmoeten, -
Treed rustig aan!

 

 

Jong blijven

Het hart blijft jong en wordt niet oud,
Wanneer 't zich fris en open houdt
Om al wat menslijk is te voelen,
Te voelen wat een kind verblijdt,
En wat er door de geest moet woelen
Eens jonglings, in zijn schoonste tijd.

Die zijn verleden in zich draagt,
Blijft jong, al is hij welbedaagd,
En wekt der jonkheid geen mistrouwen.
Veel kan hij hopen, wie veel heugt;
Veel met zachtmoedig oog beschouwen;
't Herinn'ren is een grote deugd.

 

 

Verjaardag

De wereld aan te zien, welvarend nog en krachtig,
Maar met een afscheidnemend oog,
De zeventig voorbij, in 't opgaan naar de tachtig,
Een leefkring die, uit veel, een enkle slechts voltoog;

Omstuwd van een geslacht, mij over 't hoofd gewassen,
Meest door een andre geest dan mij vervult bestierd;
Op stelsels prat, die slecht bij wat ik voorsta passen;
Dat weinig missen zal als 't ook mijne uitvaart viert:

Ziedaar wat ernstig maakt; maar niet gebiedt te treuren,
Zolang mij huwlijksmin en kinderliefde omringt,
Een Godlijk avondrood mijn westerkim blijft kleuren,
Zo menig lieve bloem mijn dalend pad doet geuren,
En tussen 't gelend groen nog éne vogel zingt.

 

 2072317-59953ccf53d2080c8d0200b4601be25d.jpg
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Portret door Johan Coenraad Ulrich Legner, 1903

 

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Marie Freifrau von Ebner-Eschenbach werd geboren op slot Zdislavice bij Kroměří¸ in Moravië op 13 september 1830. Zie ook alle tags voor Marie von Ebner-Eschenbach op dit blog

Uit:Krambambuli

„Vorliebe empfindet der Mensch für allerlei Dinge und Wesen. Liebe, die echte, unvergängliche, die lernt er – wenn überhaupt – nur einmal kennen. So wenigstens meint der Herr Revierjäger Hopp. Wie viele Hunde hat er schon gehabt, und auch gern gehabt; aber lieb, was man sagt lieb und unvergeßlich, ist ihm nur einer gewesen – der Krambambuli. Er hatte ihn im Wirtshause zum Löwen in Wischau von einem vazierenden Forstgehilfen gekauft oder eigentlich eingetauscht. Gleich beim ersten Anblick des Hundes war er von der Zuneigung ergriffen worden, die dauern sollte bis zu seinem letzten Atemzuge. Dem Herrn des schönen Tieres, der am Tische vor einem geleerten Branntweingläschen saß und über den Wirt schimpfte, weil dieser kein zweites umsonst hergeben wollte, sah der Lump aus den Augen. Ein kleiner Kerl, noch jung und doch so fahl wie ein abgestorbener Baum, mit gelbem Haar und spärlichem gelbem Barte. Der Jägerrock, vermutlich ein Überrest aus der vergangenen Herrlichkeit des letzten Dienstes, trug die Spuren einer im nassen Straßengraben zugebrachten Nacht. Obwohl sich Hopp ungern in schlechte Gesellschaft begab, nahm er trotzdem Platz neben dem Burschen und begann sogleich ein Gespräch mit ihm. Da bekam er es denn bald heraus, daß der Nichtsnutz den Stutzen und die Jagdtasche dem Wirt bereits als Pfänder ausgeliefert hatte und daß er jetzt auch den Hund als solches hergeben möchte; der Wirt jedoch, der schmutzige Leuteschinder, wollte von einem Pfand, das gefüttert werden muß, nichts hören.
Herr Hopp sagte vorerst kein Wort von dem Wohlgefallen, das er an dem Hunde gefunden hatte, ließ aber eine Flasche von dem guten Danziger Kirschbranntwein bringen, den der Löwenwirt damals führte, und schenkte dem Vazierenden fleißig ein. – Nun, in einer Stunde war alles in Ordnung. Der Jäger gab zwölf Flaschen von demselben Getränke, bei dem der Handel geschlossen worden – der Vagabund gab den Hund. Zu seiner Ehre muß man gestehen: nicht leicht. Die Hände zitterten ihm so sehr, als er dem Tiere die Leine um den Hals legte, daß es schien, er werde mit dieser Manipulation nimmermehr zurechtkommen.“

 

 2072317-1fb16ed5b34eeb1d785fa3ce784d5479.png
Marie von Ebner-Eschenbach (13 september 1830 - 12 maart 1916)
Als jonge vrouw rond 1850 op een aquarel van Johann Nepomuk

 

 

De Tsjechische dichter Otokar Březina werd geboren op 13 september 1868 in Počátky, Bohemen. Zie ook alle tags voor Otokar Březina op dit blog.

 

Reiner Morgen

Als wir des Morgens, der Träume Last noch fühlend, Gärten nahten,
Da sahen wir die ganze Welt, der frohen Seele Spiegelbild, aufblüh’n in Feuerstaaten,
Da fragten wir die Winde, Wässer, Vögel, Bienen, Bäume:
Wer heute Nacht, geheimnisvoll, durchschritt des Gartens Räume.

Zu Gold verwandelt spielt der Sand, wo heilige Spuren lagen,
Heilquellen rauschten, wellenreich, von Engelshauch getragen,
Ein jeder Hauch barg Lebenskraft für hundert Glutentage,
In jedem Blick lag Staunen und des Neugeborenen Frage.

Unserer Rätsel Schmerzenslast begriffen wir als deinen Ratschluß,
Versiegelt noch empfing dein Brief der Demut treuen Lehenskuß;
Und unsern Feind, der lauernd, bei unserem Tor schlief ein,
Als deinen Knecht, der matt sich lief, luden wir freundlich ein.

In fahrnisreicher Einsamkeit, umweht von böser Geister Macht,
Blüht uns’rer Wünsche zarter Hain, in lilienweißer Beete Pracht,
Und glutenreichste, süßeste, berückendste der Frau’n
Waren für uns, im keuschen Glanz, wie Schwestern mild zu schau’n.

 

Vertaald door Emil Saudek

 

 2072317-d14339efca7fb6f172959cdbc5610c5c.jpg
Otokar Březina (13 september 1868 - 25 maart 1929)

 

 

De Poolse dichter Julian Tuwim werd geboren in Łódź op 13 september 1894. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Julian Tuwim op dit blog.

 

Archangel

Oh, what a charming guy!
Cultured and religious,
absolutely apolitical,
and so non-party it's prodigious.

What lofty ideals
he whispers on the side!
What a clean and holy flame,
beats forth from his noble eyes!

Oh, what a beautiful platform he has,
both righteous and forthright:
absolutely apolitical
and delightfully non-party alright!

It must be so: Civilization,
Democracy, Freedom of Expression,
Victorious Spirit, Representative Government,
Likewise No Class-Based Oppression.

The heart grows when I listen
to his melodious tirades,
absolutely apolitical,
and delightfully non-party by the way.

There must also be Fairness,
Pure Art and Eternal Peace,
Love, Bliss, Luck—or, in a word,
a wonderful fairy-tale world at least.

Such a platform does give rise to fascination!
A true biblical paradise:
absolutely apolitical,
a miraculously non-party place.

“But Prophet, I say, my dearest deity!
while it sure sounds so brilliant and beautiful,
how does one make it real,
does one implement it, make it doable?

All will march behind your voice,
each accepting you as saviour—
Absolutely! Apolitically!
With enthusiasm! All Parties, I'm sure!

But tell me, my little prophet,
my archangel, my seer,
who will engineer these tiny details:
luck, harmony, freedom, mir?”

The prophet lost himself in deepest thought,
before elegiacially exhaling,
(absolutely apolitically
and non-party without failing)—

Then immediately in pure specifics
he told about his plan:
beginning with Sanctissimus,
and ending on Guderian.

And that is how from the Archangel
sprung the old reactionary swine:
absolutely apolitical,
and non-politically benign.

 

Vertaald door Pacze Moj

 

 2072317-0c56185116154d3a8f9e7edd9d11b66b.jpg
Julian Tuwim (13 september 1894 – 27 december 1953)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en taalkundige Muus Jacobse werd op 13 september 1909 als Klaas Hanzen Heeroma geboren op het waddeneiland Terschelling. Zie ook alle tags voor Muus Jacobse op dit blog en ook mijn blog van 13 september 2010

 

Adam

Hij dwaalde, zegenend al wat hij zag,

En gaf de dieren en de bloemen namen,
Elk naar zijn aard, wanneer zij tot hem kwamen
Onder de zon van elke nieuwe dag.

Maar ’s avonds zocht hij droef het donker midden
En keerde tot de boom des levens, waar
Vooglen des hemels nestten bij elkaar,
Om daar in eenzaamheid tot God te bidden.

Onder de welving van de wereldboom,
Zijn tentzeil spannend voor de sterrenzalen,
Lag hij en sliep aan ’t ademende water,

Wellend over de wortels …
                                            Sloeg de stroom
Niet met zijn hartslag mee? Werd bij het slapen
Niet aan zijn hart een ander hart geschapen?

 

2072317-2dce7d85b1521cb1952e631ce1151d34.jpg
Muus Jacobse (13 september 1909 – 21 november 1972)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e september ook mijn blog van 13 september 2015 deel 2 en eveens deel 1.




Geschreven door Romenu om 17:59 Reageer op dit bericht

Michael Ondaatje, James Frey, Chris van Geel, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt, Werner Dürrson, Gust Van Brussel

De Canadese dichter en schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Michael Ondaantje op dit blog

 

Wells II

The last Sinhala word I lost
was vatura.
The word for water.
Forest water. The water in a kiss. The tears
I gave to my ayah Rosalin on leaving
the first home of my life.

More water for her than any other
that fled my eyes again
this year, remembering her,
a lost almost-mother in those years
of thirsty love.

No photograph of her, no meeting
since the age of eleven,
not even knowledge of her grave.

Who abandoned who, I wonder now.

 

 

What were the names of the towns

What were the names of the towns
we drove into and through

stunned lost

having drunk our way
up vineyards
and then Hot Springs
boiling out the drunkenness

What were the names
I slept through
my head
on your thigh
hundreds of miles
of blackness entering the car

All this
darkness and stars
but now
under the Napa Valley night
a star arch of dashboard
the ripe grape moon
we are together
and I love this muscle

I love this muscle
that tenses

and joins
the accelerator
to my cheek

 

 

Kissing the stomach

Kissing the stomach
kissing your scarred
skin boat. History
is what you've travelled on
and take with you

We've each had our stomachs
kissed by strangers
to the other

and as for me
I bless everyone
who kissed you here

 

 2072180-7f07b224387757a158126e36b1a91980.jpg
Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)

 

 

De Amerikaanse schrijver James Frey werd geboren op 12 september 1969 in Cleveland. Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor James Frey op dit blog

Uit: My Friend Leonard

“He cheered at the battle of Borodino, and though he admired the Russian tactics, he cursed while Moscow burned. When we're not reading, he carries War and Peace around with him. He sleeps with it at night, cradles it as if it were his child. He says that if he could, he would read it again and again.
I started reading to Porterhouse the day after he hit me with the tray, my second day here. I was walking to my cell and I had a copy of Don Quixote in my hand. As I passed his cell, Porterhouse said come here, I wanna talk to you. I stopped and asked him what he wanted. He said he wanted to know why I was here and why a County Sheriff would give him three cartons of cigarettes to beat my ass. I told him that I had hit a County Sheriff with a car going five miles an hour while I was drunk and high on crack and that I had fought several others when they tried to arrest me. He asked if I had hit the man on purpose. I told him I didn't remember doing it. He laughed. I asked him why he was here and he told me. I did not offer further comment. He asked what the book was and I told him and he asked why I had it and I told him that I liked books. I offered to let him have it when I was done with it and he laughed and said I can't read motherfucker. Fucking book ain't gonna do me no good. I offered to read to him.
He said he'd think about it. A couple of hours later he showed up and sat on my floor. I started reading. He has been here every day since.
At six o'clock, I walk with Porterhouse to dinner, the only meal of the day that I eat. It is usually foul, disgusting, almost inedible. The meat is mush, the bread stale, potatoes like water, vegetables hard as rock. I eat it anyway. Porterhouse eats seconds and thirds and fourths, which he takes from the trays other prisoners. He offers to get food for me, but I decline. When I am finished eating, I sit and I listen to Porterhouse talk about his upcoming trial. Like every other man in here, regardless of what they might say, Porterhouse is guilty of the crimes that he has been accused of committing. He is going to trial because until he is convicted, he will stay here, at county jail, instead of doing his time in state prison.
Jail is a much easier place to live than prison. There is less violence, there are more privileges, most of the prisoners know they are getting out within the next year and want to be left alone. Once they're gone, they don't want to come back. In prison, there are gangs, rapes, drugs, murder.”

 

 2072180-39b8617c593d1ccf0b80e9f6b873f7e8.jpg
James Frey (Cleveland, 12 september 1969)

 

 

De Nederlandse dichter en tekenaar Christiaan Johannes van Geel werd geboren op 12 september 1917 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Chris van Geel op dit blog.

 

Padde

Hij is zo mooi, zo droog, zacht leer,
een zaak voor goud, een voor de ouderlingen
op tafel neergelegde wel-
gevulde, dungesleten kerkezak.

De dood is een omhelzing van de wind
waarachter van nature niets dan onbruik
en dor geraamte zich bevindt.

Een pad misschien, hij is zo oud
zijn vleugels zijn vergaan, een plant
als steen teruggevonden, zwart
altaar, hij denkt, hij denkt erover na.

 

 

' s Nachts buiten

Het slapen bezig horen in het water,
de struiken zien door wimpers van de nacht,
naar konijnen tussen bomen staren.

Zij kijken met hun rode oog mij aan.
Het onbegrijpelijke slapen door
de slaap heen overwogen op gevaar.

 

 

Een regenachtige dag

De mensen schuiven stil
op fietsen door de lanen,
een enkele meeuw er boven.
In dorre blaren rent een merel.
Hij luistert, telkens,
de blaren maken leven.
De wind, een oude wind van toen
de mensen die nu dood zijn leefden,
spreidt breed, aanvaardt
al wat hij aanraakt.
Laag hangt de lucht, is overal grijs,
de hemel woont bijna bij ons.

 

 2072180-23f87af2c60d13935cb0e2bee499044b.jpg
Chris van Geel (12 september 1917 – 8 maart 1974)

 

 

De Ierse dichter en schrijver Louis MacNeice werd geboren op 12 september 1907 in Belfast. Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Louis MacNeice op dit blog.

 

Carrickfergus

I was born in Belfast between the mountain and the gantries
To the hooting of lost sirens and the clang of trams:
Thence to Smoky Carrick in County Antrim
Where the bottle-neck harbour collects the mud which jams

The little boats beneath the Norman castle,
The pier shining with lumps of crystal salt;
The Scotch Quarter was a line of residential houses
But the Irish Quarter was a slum for the blind and halt.

The brook ran yellow from the factory stinking of chlorine,
The yarn-milled called its funeral cry at noon;
Our lights looked over the Lough to the lights of Bangor
Under the peacock aura of a drowning moon.

The Norman walled this town against the country
To stop his ears to the yelping of his slave
And built a church in the form of a cross but denoting
The List of Christ on the cross, in the angle of the nave.

I was the rector's son, born to the Anglican order,
Banned for ever from the candles of the Irish poor;
The Chichesters knelt in marble at the end of a transept
With ruffs about their necks, their portion sure.

The war came and a huge camp of soldiers
Grew from the ground in sight of our house with long
Dummies hanging from gibbets for bayonet practice
And the sentry's challenge echoing all day long.

I went to school in Dorset, the world of parents
Contracted into a puppet world of sons
Far from the mill girls, the smell of porter, the salt mines
And the soldiers with their guns.

 

 2072180-e8da042d2c8e719c39773cec8b6d8e87.jpg
Louis MacNeice (12 september 1907 – 3 september 1963)
Cover

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hannes Meinkema werd op 12 september 1943 geboren in Tiel. Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Hannes Meinkema op dit blog.

Uit: Een krokodil is een zeer eenzaam dier

‘Moet?’
‘Wilt U alstublieft vanavond mijn huiswerk overhoren?’
Het kon haar niets schelen.
Hij keek op zijn horloge, wat nergens op sloeg. Doe toch een broek aan, dacht ze. Ze keek naar de trapleuning, zou wel weer een gemelijke indruk maken. Schiet nou op.
‘Goed.’
Ze rende weer naar beneden. Jas aan. De tas stond al in de vestibule. Ze had nog vijf minuten voor de bus. Als ze rende kon ze 'm halen.
‘Dag’, riep ze naar binnen. Plichtmatig: anders moest ze terugkomen (‘Je hebt me niet goedendag gezegd.’).
Met een klap viel de deur dicht.
Ze zette de tas tussen haar benen. Stille angst dat hij in het bagagerek open zou gaan en de mensen zouden zien wat er in zat. Straks aan Marjolein vragen hoe vaak je moest verwisselen. Al die dingen wist ze nog niet.
De chauffeur had naar haar gekeken. Zouden mensen zoiets aan je kunnen zien? Ze bloosde en keek gauw uit het raampje naar de weilanden naast de weg. Lammetjes bij de schapen. Lente, en ze was voor het eerst ongesteld en ze ging naar Amsterdam. Ze drukte even haar schouders naar binnen, ellebogen tegen haar borsten, om goed het gevoel te voelen. Ze lachte tegen haar spiegelbeeld dat in het raampje op en neer vaagde met de bewegingen van de bus. Wat zou Marjolein wel zeggen. Ze moest niet vergeten binnenkort aan te bieden de was te doen. Kon ze die handdoek van gisteren erbij doen. Vanaf nu zou ze zorgen dat ze genoeg maandverband in huis had.
Als haar vader hem maar niet vond. Niemand verteld, Marjolein zou de eerste zijn. Ze zou de handdoek vanavond beter verstoppen."

 

 2072180-1c6f699805486ffd1364d083874c5ae3.jpg
Hannes Meinkema (Tiel, 12 september 1943)

 

 

De Nederlandse columnist, journalist en schrijver Eduard Maurits Elias werd geboren in Amsterdam op 12 september 1900. Zie ook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Eduard Elias op dit blog.

Uit: Een bloemetje

“Ik hoop, dat het niet tegen de maatstaf van Maatstaf is, wanneer ik in eigen huis misschien iets onaardigs zeg met de bedoeling, iets aardigs te zeggen: van alles wat de laatste twee jaargangen bevatten, waren de stukken van Annie Salomons mij ver-uit het liefst.
Misschien dat ik niet letterkundig-rijp genoeg ben, of dat ik, dood-eenvoudig-menselijk, te ongeduldig ben om mijn gedachten bij de essayistiek van Rodenko of Straat te houden. Ik weet van de, voor mij, onbegrijpelijk-uitgebreide en diepe ontwikkeling dezer heren, waardoor zij [ook al ben ik ervan overtuigd dat dit hun zó-een-zorg zal wezen] op mijn bewondering-bij-voorbaat mogen rekenen. Dit impliceert dat, 't zij onbeschaamd erkend, mijn ontwikkeling niet groot genoeg is om de hunne op haar adelaarsvlucht steeds te volgen. Dikwijls moet ik, ditmaal wèl beschaamd, erkennen dat ik hen, [letterlijk: domweg] niet begrijp en dat ik daarom na enige bladzijden de ijdelheid mijner pogingen aan mij zelf moet erkennen. Ook de vele bladzijden ingeruimd voor de polemiek Verspoor contra Brandt Corstius en vice versa waren mij te machtig. Ik moest, onwillig, in beiden mijn superieuren erkennen en bleef daarbij steken in de stof.
Ik maak deze opmerking, onbetamelijk jegens Maatstaf en de vier heren voornoemd; beschamend voor mijzelf, niet om pralend de ‘gewone man’ uit te hangen, hetgeen altijd een kwalijke vorm van snobisme is, maar omdat ik haar nodig heb om het hoofd-argument voor mijn bewondering voor Annie Salomons' memoires te plaatsen: de meesterlijke eenvoud van hun stijl. De klare doorzichtigheid van dit onliterair proza, zijn oprechtheid, maakten dat in deze opstellen dikwijls een poëzie, of althans: een poëtische aandoenlijkheid, aan de dag treedt, die, naar mijn overtuiging, dit non-fictionproza - laat ik mij zo ruw mogelijk uitdrukken: deze journalistiek - tot de ware letterkunde bestempelt.”

 

 2072180-62ae9b24cc09d6c80c3c98c9740bbaa7.jpg
Eduard Elias (12 september 1900 — 14 januari 1967)
Cover 

 

 

De Nederlandse dichter en hoogleraar Jan Willem (Wim) Schulte Nordholt werd geboren in Zwolle op 12 september 1920. Zie ook alle tags voor Jan Willem Schulte Nordholt op dit blog.

 

Geschiedenis

De wereld en haar pijn is het verhaal,
dat loopt al op een rekening van eeuwen.
De toren valt maar 't blijft dezelfde taal,
waarmee de mensen fluisteren en schreeuwen,
waarmee de honger opstijgt uit het hart,
de sterke stem van liederen en klokken,
dezelfde woordenstroom waarmee het zwart
verraad des doods aan 't leven wordt voltrokken.

Wat doet men dan? Alsof het Hem aangaat
roepen tot God die ons het leven laat
sinds Babylon en sinds de pyramiden?
Of gaat men als een andere Candide,
binnen het donker waar de dood in staat,
in de eigen tuin zich een plek zonlicht wieden?

 

 

Herfst

Het licht is helder, het geluid
straalt seinen van herkenning uit
uit hemelen van heerlijkheid
die overlopen in de tijd,

die openbreken blauw en goud
met rode vlammen in het hout,
en in het hart een warme toon
om wat moet sterven groot en schoon.

Een ruiter is het hart, het gaat
zo trots de sterfelijke straat,
en licht voor dezen dood de hoed,
voor wien het eenmaal buigen moet.

 

 2072180-2a5e3d6d41baa8dd9a7b9e92edb26da5.jpg
Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 - 16 augustus 1995)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Werner Dürrson werd geboren op 12 september 1932 in Schwenningen am Neckar. Zie ook alle tags voor Werner Dürrson op dit blog en ook mijn blog van 12 september 2010.

 

Feierabend

Vogellos flirrte der Sommertag
über dem Hang. Die Landstraße kurvt
um die Hütte.

Ruhig in seinem Schatten
steht der Bauer als Baum verkrümmt
zwischen den Bäumen.

In seiner Stube wächst
Gras. Bröckeln die Wände. Dürers
abgeschnittene Hände
beten.

 

 

So bei Licht besehen

Alle Farben enthält des
Wassers schillernde
Klarheit
Himmels- und schwerpunkt-
sicher bewegt es sich
frei
in seiner scheinbaren
Haltlosigkeit

Lichtverschwistert über-
brückt es
nicht nur im Regenbogen
spielend

Erde und Himmel

 

 2072180-a4329a78800d5c94b80e03c4199fa0c4.jpg
Werner Dürrson (12 september 1932 – 17 april 2008)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Gust Van Brussel werd geboren in Antwerpen op 12 september 1924. Zie ook alle tags voor Gust Van Brussel op dit blog en ook mijn blog van 12 september 2010

 

DE MORGEN sijpelt wat citroen
op de oesters van mijn ogen
ik voel de nacht in mij verdrogen
de wereld wordt weer blauw en groen

rondom mij de oceaan
van mijn duizend handen
op de kurken stranden
spoelen ligstoelen aan

naar het verboden licht
klim ik langs graten van de dag
het oceaanschuim slaat een slag
groene rimpels over je gezicht

door de ramen van het restaurant
drijven schimmen en nimfen voorbij
je stoel met je handtasje zwemt naar mij
ergens wordt een lijk verbrand

 

 

Venus

De late winden van september
zuigen het kustzand
de zeegolven worden verkleurd naar grauw
een speedwagen draaft over de baren
een valscherm achteraan
waarin een mens zichzelf vlucht
zijn ego zwelt zoals de wolken
Venus stapt uit haar schelp

 

 2072180-5e735244252dbdf0301c818c10dc5346.jpg
Gust Van Brussel (12 september 1924 - 20 mei 2015)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e september ook mijn blog van 12 september 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:03 Reageer op dit bericht

Constantijn Huygens-prijs 2017 voor Hans Tentije

Constantijn Huygens-prijs 2017 voor Hans Tentije

Gisteravond werd de Constantijn Huygens-prijs toegekend aan dichter en schrijver Hans Tentije. De oeuvreprijs van 12 duizend euro wordt op 21 januari 2018 uitgereikt aan de 72-jarige Tentije voor zijn zestien dichtbundels en roman “De innerlijke bioscoop”. Hans Tentije (pseudoniem van Johann Krämer) werd geboren in Beverwijk op 23 december 1944. Zie ook alle tags voor Hans Tentije op dit blog.

 

Orvieto

Een slingerende weg en haarspeldscherpe
lussen tillen langs brokkelige, overgroeide weringen
het tufstenen plateau hoger en hoger, tot voor de poorten
van een later in de middag weer ontwaakte stad

voor de kathedraal sluit je vol ongeloof
je ogen even en over je oogleden strijkt zijn schittering
het goud van een heel verleden uit

getemperd, wijngeel licht valt
door wat marmeren triten lijken, met een nervatuur
van verkoolde bliksemschichten, van eeuwen terug geronnen
levenslopen, van vloedlijnen, opgestuwd
en onderaards nagolvend bloed dat in gebergten
strandde, zich daar begroef -

iemand brengt een grafstuk, vol overdadig
groen en aronskelken, naar de zijkapel, waar hardop, iets
te loslippig bidden zelfs verboden is

een lijkwagen draait met hangende vaantjes
het domplein op, verspilt zijn enorme motorvermogen
aan het vervoer van een simpele kist, het requiem
zal dadelijk worden opgedragen

vier pilasters laten, door druivenranken
en acanthusblad omlijst, een reeks uitgehouwen
bijbelse taferelen zien - bij de jongste dag zoek je je gezicht
tussen dat van de vele, vele verdoemden -
je vindt het niet, vooralsnog

 

 

l’Arbre de Jesse
Georges Braque – Kerkraam te Varengeville

Zoals het volmaakte het gebrekkige
nog gebrekkiger, erbarmelijker maakt, zo armzalig
voel je je naast het hoog op het krijt staande
zeekerkje van Varengeville
 
bijtende westenwinden hebben het klokkentouw gerafeld
en zout zet zich op de naar de afgrond
hellende grafstenen af, gebeier stort zich driest
over golven en rotskust uit en roept onweersluchten
aan en eenzame opvarenden –
 
gebrandschilderd, versplinterd valt de zon
op de plavuisgrauwe, zerkstenen vloer en stuwt
takken, mossen, bladeren, vogelnesten
naar het punt waar doorschijnende vingertoppen gothisch
bij elkaar komen en het allerbinnenste
zich met het buitenste vervlecht
 
met maangestalten, de oceaan
in al zijn schakeringen, met inzegeningen
en eerste communies, met het op drift
geraakte en het geborgene, het wisselend getij
 
een rijsje, uit een afgehouwen tronk
voortgekomen, een boom die, aan zichzelf ontgroeid
uit zijn omlijsting wil breken om het lood
van jaren van zich af te schudden en zijn kruin
tot de hemel te laten reiken –
 
zou je door dit glas heen ‘s avonds
de lichten van het reuzenrad, de schiettenten, het casino
kunnen zien, het getwinkel, daar, heel
in de verte, in Dieppe?
 
onbereikbare smalle stroken zand
tussen de golfslag en de steile kliffen, poreus
afbrokkelend krijt waarmee niet te schrijven is, de vloed
die ondermijnt en ontwortelt en tekeergaat
in de brandingsnissen en verstikt soms meehuilt
tijdens de engelenmissen
 
de zee beneden je, als keek je
door Braques glasscherven voor het eerst
naar zulke breekbare, onbestaanbare
tinten blauw en grijs
 
het sluike drenkelingenhaar van de wieren
wenkt de schaduwen die vergeefs tegen de dwarsstroom
proberen op te zwemmen, terwijl stenen
vonken in de diepte en een oorverdovend geruis
de schelpen, schelpenbanken spoelt
 
het kerkhofgrint is onberispelijk aangeharkt –

 

 2071997-5fffc0c69eb7fbd1efe29e0d052eb1fb.jpg
Hans Tentije (Beverwijk, 23 december 1944)

Geschreven door Romenu om 08:05 Reageer op dit bericht

David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III, Tomas Venclova, Merrill Moore, Barbara Bongartz, Adam Asnyk

De Vlaamse dichter, schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck werd geboren in Brugge op 11 september 1971. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor David van Reybrouck op dit blog.

 

Zink
in memoriam Lisbé Smuts-Smith

1
Veeg de sneeuw van de daken
vouw de vogels weer dicht
laat de winter nog slapen
doe iets aan het licht

Sluit de tuin en strooi kiezels
in het bord van het kind
pluk messen en wespen
plet van perziken de pit.

(Gordijnen wil men en aceton
en al wat de lente vertraagt.
Slavernij desnoods of spoorwegen
of ergens iets desolaats.)


2
Nu klotst het water zaagt men hout
blaffen honden brutaal

Nu zit ik hier in deze vlei
te roeien naar een taal

Papyrus zingt de ibis vliegt
de stilte hoort men niet

De boot valt stil wij stappen uit
en rillen met het riet

Onder het water zal mijn adem
trager woorden blazen

Dit machteloze schrijven
is een vroege vorm van zwijgen -

 

 2071796-a85634a43fd32981b499b77018a8801e.jpg
David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)

 

 

De Nederlands-Turkse schrijver, columnist en journalist Murat Isik werd geboren in Izmir op 11 september 1977. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Murat Isik op dit blog.

Uit: Wees onzichtbaar

“In de winter van 1983 reden we onze nieuwe toekomst tegemoet toen we de grens passeerden bij Nieuweschans, het meest oostelijke punt van Nederland. Voor in de auto riep Kadir ‘Hollanda!’ toen we na vele uren eindelijk de Duitse Autobahn achter ons lieten. Op de achterbank klapten mijn zus en ik in onze handjes. Mijn moeder zat aan het raam en keek onbewogen voor zich uit terwijl de snelwegverlichting haar magere gezicht bescheen.
Een paar maanden daarvoor was mijn vader vanuit Hamburg, waar we drie moeizame jaren hadden doorgebracht, halsoverkop naar Amsterdam vertrokken omdat zijn politiek asiel in Duitsland was afgewezen. Al op zijn tweede dag had hij woonruimte gevonden in een flat in de Bijlmermeer, iets wat hem in Duitsland in al die jaren niet was gelukt waardoor we steeds afhankelijk waren geweest van de welwillendheid van familie en vrienden en van adres naar adres trokken, tot er geen adres meer over was en mijn vader uit wanhoop een tochtig appartement kraakte. Dezelfde dag nog trotseerde hij de Duitse politie. ‘Waar moet ik verdomme heen met mijn gezin?’ had hij vertwijfeld geroepen. ‘Moeten we soms op straat slapen?’ De agenten hadden bedremmeld geknikt en liepen toen weg.
Van Hollanda kon ik me als vijfjarige geen voorstelling maken. Ik dacht alleen maar aan het weerzien met mijn vader die ik al zo lang niet had gezien dat ik me zijn stem nauwelijks kon herinneren. Maar eerst wilde ik op de Autobahn achter het stuur zitten van de grote Mercedes Benz, want dat hadden ze me beloofd.
Mijn moeder had vergeefs geprotesteerd. ‘Hij is nog maar vijf, dat is veel te gevaarlijk.’
Maar Kadir had gegrijnsd en daarna een diepe trek van zijn Camel genomen. ‘Dan is hij al ouder dan ik dacht.’ Hij had zijn sigaret dreigend in de lucht gehouden. ‘In het dorp bestuurde ik op mijn vijfde al een tractor. Wind je dus niet zo op, zuster, anders maak je nog een mietje van Metin.’
Kadir was de man die mij mijn eerste trek van een sigaret had gegeven. Het was op de wc van een buurtcentrum in Hamburg waar Turkse communisten regelmatig vergaderden over de rechten van de onderdrukte arbeiders en de bedroevende staat van Turkije na de staatsgreep van 1980. Ik nam gretig een trek van de peuk zoals ik mijn vader dat zo vaak had zien doen, maar een paar tellen later vlogen mijn longen in brand en begon ik onbedaarlijk te hoesten. Ik kreeg geen lucht meer en zakte door mijn knieën, maar het enige wat Kadir deed, was zijn makker Erol lachend op zijn schouder slaan. Sindsdien was ik een beetje bang van Kadir”.

 2071796-831c963fc97cd45ac587044b62a17cfc.jpg
Murat Isik (Izmir, 11 september 1977)

 

 

De Engelse dichter en schrijver D.H. Lawrence werd geboren op 11 september 1885 in Eastwood (Nottinghamshire). Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor D. H. Lawrence op dit blog.

Uit: The White Peacock

“I stood watching the shadowy fish slide through the gloom of the mill-pond. They were grey, descendants of the silvery things that had darted away from the monks, in the young days when the valley was lusty. The whole place was gathered in the musing of old age. The thick-piled trees on the far shore were too dark and sober to dally with the sun; the weeds stood crowded and motionless. Not even a little wind flickered the willows of the islets. The water lay softly, intensely still. Only the thin stream falling through the mill-race murmured to itself of the tumult of life which had once quickened the valley.
I was almost startled into the water from my perch on the alder roots by a voice saying:
“Well, what is there to look at?” My friend was a young farmer, stoutly built, brown eyed, with a naturally fair skin burned dark and freckled in patches. He laughed, seeing me start, and looked down at me with lazy curiosity.
“I was thinking the place seemed old, brooding over its past.”
He looked at me with a lazy indulgent smile, and lay down on his back on the bank, saying:
“It’s all right for a doss—here.”
“Your life is nothing else but a doss. I shall laugh when somebody jerks you awake,” I replied.
He smiled comfortably and put his hands over his eyes because of the light.
“Why shall you laugh?” he drawled.
“Because you’ll be amusing,” said I.
We were silent for a long time, when he rolled over and began to poke with his finger in the bank.
“I thought,” he said in his leisurely fashion, “there was some cause for all this buzzing.”
I looked, and saw that he had poked out an old, papery nest of those pretty field bees which seem to have dipped their tails into bright amber dust.”

 

 2071796-bc11e75d0fcbe65c4fb4aef97b5a379a.jpg
D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)
Cover

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eddy van Vliet werd geboren op 11 september 1942 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Eddy van Vliet op dit blog

 

Van de terugkomst der golven

Van de terugkomst der golven
heb ik je nauwelijks
en hoezeer weet je dat ook ik de hopeloze vrager ben
kunnen overtuigen

ook de jaargetijden
ook de ziekten
ook de bewegingen
ook de tranen
ook de bijen
ook de reigers en de regen
ook de beloften en de bladeren
met de golven hebben zij de terugkomst gemeen

enkel na de dood
en bij dit woord
leg ik mijn liefste hand op al je lippen
alsof de verzegeling van je blozend lichaam
het kiemend zaad stuiten kon

‘neen, na de geboorte is de dood niet meer mogelijk’

en zoals nooit tevoren
d.w.z. zoals elke avond
slaap je in
met zoveel dromen als er vragen blijven.

 

 

Zoals de morgen in de nacht dringt

Zoals de morgen in de nacht dringt
d.w.z. behoedzaam en onafwendbaar
glijden de schaduwen van de minnaar
eerst zijdelings langs haar lenden
met iets van het woord ‘nauwelijks’ in elk gebaar
om plotseling onvoorwaardelijk zwaar
vanuit haar geheimste plooien
als een valk te vallen
in het laatste licht
dat zij langzaam dooft onder haar lichtste wimpers.

 

 2071796-db127123d7b2fa2b74737b807f44f8df.png
Eddy van Vliet (11 september 1942 – 5 oktober 2002)
In 1974 

 

 

De Amerikaanse schrijver Andre Dubus III werd geboren op 11 september 1959 in Oceanside, California. Zie ook alle tags voor Andre Dubus III op dit blog.

Uit: House of Sand and Fog

“The fat one, the radish Torez, he calls me camel because I am Persian and because I can bear this August sun longer than the Chinese and the Panamanians and even the little Vietnamese Tran. He works very quickly without rest, but when Torez stops the orange highway truck in front of the crew, Tran hurries for his paper cup of water with the rest of them. This heat is no good for work. All morning we have walked this highway between Sausalito and the Golden Gate Park. We carry our small trash harpoons and we drag our burlap bags and we are dressed in vests the same color as the highway truck. Some of the Panamanians remove their shirts and leave them hanging from their back pockets like oil rags, but Torez says something to them in their mother language and he makes them wear the vests over their bare backs. We are upon a small hill. Between the trees I can see out over Sausalito to the bay where there are clouds so thick I cannot see the other side where I live with my family in Berkeley, my wife and son. But here there is no fog, only sun on your head and back, and the smell of everything under the nose: the dry grass and dirt; the cigarette smoke of the Chinese; the hot metal and exhaust of the passing automobiles. I am sweating under my shirt and vest. I have fifty-six years and no hair. I must buy a hat.
When I reach the truck, the crew has finished their water and the two Chinese light new cigarettes as they go back to the grass. The Panamanians have dropped their cups upon the ground around their feet and Tran is shaking his head, and saying something in his language as he stoops to pick them up with his hands. Mendez laughs. He is almost as big as the radish and there is a long burn scar the color of sand upon one of his fat arms. He sees me looking at it as I drink my ice water and he stops his laughing, no longer does he even smile, and he to me says: "What you looking at, viejo?"
I drink from my cup and let him look at my eyes. His brothers have started to go back to work but now they stop to watch.
"Old maricon," says Mendez. He takes up his trash spear from the orange tailgate, but my eyes look at the burn again long enough for him to see. His face becomes more ugly than it already is and he yells something at me in his language and his teeth are very bad, like an old dog's. I don't give him rest from my eyes and so now he steps to me, yelling more, and I smell him, last night's wine and today's sweating of it, and now Torez is yelling louder than Mendez. Again it is in their mother tongue and it is over quickly because Mendez knows this crew can manage very fine without him, and he needs money for his sharob, his wine. He is goh, the shit of life. They are all goh”.

 

 2071796-c0545efb715d01c3abad583c7b1a2c2f.jpg
Andre Dubus III (Oceanside, 11 september 1959)

 

 

De Litouwse dichter, schrijver en vertaler Tomas Venclova werd geboren op 11 september 1937 in Klaipeda, Litouwen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Tomas Venclova op dit blog.

 

Sestina

U is nearly six, and the ice-covered road
Bends toward the north.
Chains
Clatter on tires. The muffled metal echo,
Like the surface of a lake, glitters up front.
The weightless and wounded March snow
Still tries to cover the annihilated forest.

Like a drawbridge which divides the sluggish forest,
My glance lifts and stops. It is led astray by the road
Against which several times have battered the snow
And the monotonous chains

Of birch trees. In the pure mist the well rises in front
Of the empty houses. And everything else is an echo

And clots of air. The aimless echo,
Which does not exist, resounds through the forest.
The graphite mirror stands blackly in front
Of the great darkness. We have been given the road
And the heaven-sent chains,
The invisible but all-powerful snow.

The old-aged spring is watched by the snow,
And our hearing is unraveled by the many-faced echo.

Like a pond which has broken loose from its chains,
A blind thought seeps into the forest.
Here, gasoline will not help, the white road,
Or the beam of light clearing up front.

The formless cosmos emerges in front.
The biting star, the mindless snow
That cloaks the field, the armed road.
A shadow, a reflection, a painting, an echo
Fill the crumbling Arden forest,
And their payment is the solitary chains.

Will we be tempered by your chains?
Things and elements stand in front
Of me. I will leave that severe forest
Where the trees are covered and guarded by snow,
And the word is replaced by an empty echo,
And everything ends. Perhaps the road

Is a net of chains. My protected road
To your forest. The earth is frozen with snow.
We have become enemies. You are only an echo.

 

 2071796-4b7927e8bce0a566ef4b77e9e31b7837.jpg
Tomas Venclova (Klaipeda, 11 september 1937)

 

 

De Amerikaanse dichter en psychiater Merrill Moore werd geboren op 11 september 1903 in Columbia, Tennessee. Zie ook alle tags voor Merrill Moore op dit blog.

 

Fable

Does everyone have to die? Yes, everyone.
Isn’t there some way I can arrange
Not to die — cannot I take some strange
Prescription that my physician might know of?

No. I think not, not for money or love;
Everyone has to die, yes, everyone.

Cannot my banker and his bank provide,
Like a trust fund, for me to live on inside
My warm bright house and not be put into
A casket in the clay, can they not do
That for me and charge a fixed per cent
Like interest or taxes or the rent?

No, Madame, I fear not, and if they could
There might be more harm in it than good.

 

 

The Noise That Time Makes

The noise that Time makes in passing by
Is very slight but even you can hear it
Having not necessarily to be near it,
Needing only the slightest will to try!

Hold the receiver of a telephone
To your ear when no one is talking on the line
And what may at first sout,d to you like the whine.
Of wind over distant wires is Time's own
Garments brushing against a windy cloud.

That same noise again but not so well
Can be heard by taking a large cockle shell
From the sand and holding it against your head;

Then you can hear Time's footsteps as they pass
Over the earth brushing the eternal grass.

 

 2071796-01550674d88514cae211321527f3da8a.jpg
Merrill Moore (11 september 1903 – 20 september 1957)

 

 

De Duitse schrijfster Barbara Bongartz werd geboren op 11 september 1957 in Keulen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Barbara Bongartz op dit blog.

Uit: Die Schönen und die Reichen

„Ich habe Glück gehabt, dass meine Kindheit unmissverständlich war. Ich kann sie nicht vergessen. So wenig wie ich meine Mutter, eine blasse Erscheinung mit strähnigem Haar, zuwenig Gewicht und zu kurzgeschnittenen Fingernägeln vergessen kann.
Sie starb vor ein paar Jahren an Knochenkrebs.
Dass meine Mutter mich mit in diese Häuser nahm, war ein heikles Arrangement. Sie war unsicher, durchlöchert von Angst.
Ständig besorgt, dass wir lästig sein könnten, dass ihre Arbeit den Preis ihrer Anwesenheit nicht aufwiegen, dass ich etwas anfassen und kaputt machen könnte, verhielt sie sich, als seien wir verseucht. Mehr noch als die Bewohner, die nur in Ausnahmefällen in Erscheinung traten, schüchterten die Dinge in diesen Häusern sie ein. Die Gerätschaften, Utensilien, Dekorationsstücke waren Zeugen und Markierungen anderer Welten, die sie verunsicherten. Sie blieben ihr nicht nur fremd: Sie schienen beseelt von ihren Eignern zu sein, übermächtig in ihre Erscheinung, lauernd in ihrer Stellvertreterschaft. Nie verlor meine Mutter den Dingen gegenüber ihre ohnmächtige Furcht, obwohl sie sie täglich säubern musste.
Ich, das kleine Mädchen, sah indes mit Staunen, dass es Leute gab, die andere für die Beseitigung des täglichen Drecks bezahlten. Ich fragte mich, woher das kam. Ich bin ein altkluges Kind gewesen. Während meine Mutter die Erniedrigung zu ignorieren schien, empfand ich die Würdelosigkeit für uns beide. Natürlich gab es Dreck und Dreck. Der Dreck auf der Terrasse wa rschlichter Schmutz, bröcklige Erde, feuchter Sand, nicht aufgeladen von privaten Handlungen wie die ungenießbaren Reste von Speisen oder der heikle Unrat, den intime Verrichtungen hinterlassen.
War Mutter stumpf oder tapfer? Oder war es Demut, mit der sie das Nötige tat, ohne ein Wort darüber zu verlieren? Ich weiß nicht, ob sie je in Erwägung zog, etwas anderes zu tun, als anderen auf der niedrigsten Stufe zu dienen. Zu einer Zeit, in der ich alt genug gewesen wäre, es herauszufinden, lief ich davon. Ich wollte nicht das Kind dieser Mutter sein, kein Kind einer Frau für den Dreck, egal welches ihr Motiv gewesen war oder ob sie überhaupt eines hatte."

           

 2071796-705b6702549c2d5a440b7275ce43bdda.JPG
Barbara Bongartz (Keulen, 11 september 1957)

 

 

De Poolse dichter en toneelschrijver Adam Asnyk werd geboren op 11 september 1838 in Kalisz. Zie ook alle tags voor Adam Asnyk op dit blog en ook mijn blog van 11 september 2010.

 

Sonett

Ich mußte schweigen, als ich schied von dir,
Die Lippe schien der Sprache zu entbehren,
Es blieb das Wort zurück im Busen mir,
Das Herz entfloh und will nicht wiederkehren.

Dir bleibt geöffnet deines Hauses Thür,
Du wirst im Lenz dort Nachtigallen hören -
Getrennt, im tiefen Unglück leb' ich hier,
Mein Haus ist fern, ich kann nicht wiederkehren.

Kein Echo klang mir nach, als ich geschieden;
Doch besser, daß mein Angedenken nimmer
Gefährde deiner hellen Träume Frieden!

Der Morgen wird dir neues Glück gewähren -
Ich nehme Abschied von dem letzten Schimmer,
Um aus dem Dunkel nie zurückzukehren!

 

Vertaald door Heinrich Nitschmann

 

 

Rosentage sind verronnen

Rosentage sind verronnen,
Liebster, geh! Bist frei!
Der Goldfaden riss entzwei,
Den die Lieb’ gesponnen.

Und ich ließ ihn, sprang von hinnen,
Suchte neues Gold.
Doch das Glück war mir nicht hold,
Nichts fand ich zum Spinnen.

Wieder blüht der Rosen Schimmer,
Nur dahin mein Glück.
Liebster! Ruf ich, komm zurück!
Doch der glaubt mir nimmer.

 

 2071796-70c10f9883e860986fb827a4547e7f11.jpg
Adam Asnyk (11 september 1838 – 2 augustus 1897)
Portret door Aleksy Strażyński, 1886

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e september ook mijn blog van 11 september 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Geschreven door Romenu om 18:18 Reageer op dit bericht

Edmund de Waal, Andreï Makine, Franz Werfel, Paweł Huelle, Mary Oliver

De Britse schrijver, keramist en hoogleraar Edmund Arthur Lowndes de Waal werd geboren op 10 september 1964 in Nottingham. Zie ook alle tags voor Edmund de Waal op dit blog.

Uit: The Hare With Amber Eyes: A Hidden Inheritance

`I look up at the second-floor windows where Charles had his suite of rooms, some of which looked across the street to the more robustly classical house opposite, some across the courtyard into a busy roofscape of urns and gables and chimneypots. He had an antechamber, two salons --- one of which he turned into his study – a dining-room, two bedrooms and a ‘petite’. I try to work it out; he and his older brother Ignace must have had neighbouring apartments on this floor, their elder brother Jules and their widowed mother Mina below, with the higher ceilings and grander windows and the balconies on which, on this April morning, there are now some rather leggy red geraniums in plastic pots. The courtyard of the house was glazed, according to the city records, though all that glass is long gone. And there were five horses and three carriages in these stables which are now a perfect bijou house. I wonder if that number of horses was appropriate for a large and social family wanting to make the right kind of impression.
It is a huge house, but the three brothers must have met every day on those black-and-gold winding stairs, or heard each other as the noise of the carriage being readied in the courtyard echoed from the glazed canopy. Or encountered friends going past their door on the way up to an apartment above. They must have developed a way of not seeing each other, and not hearing each other, too: to live so close to your family takes some doing, I think, reflecting on my own brothers. They must have got on well. Perhaps they had no choice in the matter. Paris was work, after all.
The Hôtel Ephrussi was a family house, but it was also the Parisian headquarters of a family in its ascendancy. It had its counterpart in Vienna, the vast Palais Ephrussi on the Ringstrasse. Both the Parisian and Viennese buildings share a sense of drama, of a public face to the world. They were both built in 1871 in new and fashionable areas: the rue de Monceau and the Ringstrasse were so of-the-minute that they were unfinished, untidy, loud and dusty building sites. They were still spaces that were inventing themselves, competitive with the older parts of town with their narrower streets, and spikily arriviste.
If this particular house in this particular streetscape seems a little stagey, it is because it is a staging of intent. These houses in Paris and Vienna were part of a family plan: the Ephrussi family was ‘doing a Rothschild’. Just as the Rothschilds had sent their sons and daughters out from Frankfurt at the start of the nineteenth century to colonise European capital cities, so the Abraham of my family, Charles Joachim Ephrussi, had masterminded this expansion from Odessa in the 1850s. A true patriarch, he had two sons from his first marriage, Ignace and Léon. And then when he remarried at fifty he had continued producing children: two more sons, Michel and Maurice, and two daughters, Thérèse and Marie. All of these six children were to be deployed as financiers or married into suitable Jewish dynasties."

 

 2071481-8df2365012a8e77f91d737c9a617491a.jpg
Edmund de Waal (Nottingham, 10 september 1964)

 

 

De Franse schrijver van Russische afkomst Andreï Makine werd geboren in Krasnojarsk op 10 september 1957. Zie ook mijn blog van 10 september 2010. en eveneens alle tags voor Andreï Makine op dit blog.

Uit: Das französische Testament (Vertaald door Holger Fock en Sabine Müller)

`Und plötzlich dieses Foto!
Ich erblickte es, als ich aus reiner Neugier einen großen Umschlag öffnete, der zwischen der letzten Seite und dem Einband herausgerutscht war. Es handelte sich um einen der unvermeidlichen Stapel von Abzügen, die man nicht für wert erachtet, auf den spröden Karton der Albumblätter geklebt zu werden: Landschaften, deren Herkunft man nicht mehr kennt, Gesichter, an denen niemand hängt oder an die sich keiner erinnert. Ein Stapel, den man endlich einmal sichten müsste, um über den Verbleib all dieser armen Seelen zu entscheiden ...
Zwischen diesen Unbekannten und den längst in Vergessenheit geratenen Landschaften sah ich sie. Eine junge Frau, deren Kleidung sich auf eigenartige Weise von der Eleganz der Leute unterschied, die auf den anderen Fotos zu sehen waren. Sie trug eine weite, wattierte Jacke in schmutzigem Grau und eine Tschapka mit heruntergeklappten Ohrenschützern. Sie hatte sich mit einem Baby ablichten lassen, das sie, eingemummt in eine Wolldecke, an die Brust drückte.
»Wie hat sie es nur geschafft«, fragte ich mich, »sich bei diesen Männern und Frauen in Frack und Abendrobe einzuschleichen?« Was hatte sie zwischen all diesen Aufnahmen von Prachtstraßen, diesen Wandelhallen, diesen südländischen Ausblicken zu suchen? Sie schien aus einer anderen Zeit, aus einer anderen Welt, unerklärlich. In ihrer Aufmachung, die heutzutage nur noch Frauen tragen, die im Winter auf den Straßen den Schnee schippen, schien sie ein Eindringling in unserer Ahnengeschichte zu sein ...
Ich hatte meine Großmutter nicht hereinkommen hören.
Sie legte ihre Hand auf meine Schulter. Ich schreckte auf, dann zeigte ich ihr das Foto und fragte: »Wer ist diese Frau?«
Für einen Augenblick blitzte in dem sonst unerschütterlich ruhigen Blick meiner Großmutter Bestürzung auf. Aber fast unbekümmert fragte sie zurück: »Welche Frau?«
Wir hielten beide inne und spitzten die Ohren. Ein eigenartiges Knistern lag im Raum. Meine Großmutter wandte sich um und rief plötzlich und, wie mir schien, voller Freude:
»Ein Totenkopf! Sieh mal, ein Totenkopf!"

 

 2071481-f64e69844564ebf87516bb498306becd.jpg
Andreï Makine (Krasnojarsk, 10 september 1957)

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Franz Werfel werd op 10 september 1890 in Praag geboren. Zie ook mijn blog van 10 september 2010 en eveneens alle tags voor Franz Werfel op dit blog.

Uit: Lied der Bernadette

`Am dritten Abend seines stummen Krieges mit dem Weibe gibt der Mann sich geschlagen. Es handelt sich nur mehr um die Form, welche er seiner Kapitulation zu verleihen gedenkt. Nach langem Hin und Wider entschließt sich der Kaiser zu einem sehr ungewöhnlichen Schritt. Er vermeidet den bürokratischen Geschäftsgang. Da er sich vor seinen Ministern schämt, umgeht er dieselben. Weder Fould noch Roulland oder Delangle werden verständigt. Der Kaiser wirft eine Depesche an den Präfekten von Tarbes aufs Papier:
»Sie haben den Zugang der Grotte westlich von Lourdes unverzüglich dem Publikum zu öffnen. Napoleon.«
Das ist alles. Die Depesche wandert aufs Telegraphenamt. Mit einer Abschrift wandert der Kaiser zur Kaiserin. Eugénie errötet tief:
»Ich wußte immer, Louis«, sagt sie, »daß du ein großes Herz besitzest, das sich selbst zu überwinden vermag ...«
»Tatsache ist, Madame«, erwidert er auf diese Deklamation äußerst förmlich, »daß die Dame von Lourdes in Ihnen eine vortreffliche Verbündete gefunden hat ...«
Baron Massy hält die Depesche des Kaisers in der Hand. In den ersten Minuten der Bestürztheit, nach einer raschen Anwandlung des Stolzes, unverzüglich seine Demission einzureichen, gewinnt er schnell seine kalte Fassung wieder und beginnt mit gewohntem Scharfsinn die Lage zu analysieren:
Zuvörderst das Telegramm selbst. Der Text ist knapp und trocken wie ein militärischer Befehl. Er widerspricht der Art Louis Napoleons, der seine Weisungen an die zivilen Behörden sonst in Höflichkeit zu kleiden und oft auch zu begründen pflegt. Die Wortkargheit des Textes verrät Unbehagen. Sollte das Telegramm echt sein, so ist es dem Kaiser zweifellos abgerungen worden. Eine Verschwörung Eugénies, der bigotten Hofdamen und etwelcher Soutanen vermutlich, die von Tag zu Tag mehr den propagandistischen Wert der »Apparitionen von Lourdes« zu erkennen scheinen. Einzig der zuständige Bischof bleibt starr nach wie vor. Der übrige Klerus ist seit einiger Zeit in Bewegung geraten wie Flußeis bei Tauwetter. Ein durch erwiesene, aber unerklärbare Heilungen dokumentiertes Wunder bedeutet einen so gewaltigen Einbruch in den offiziellen Deismus und inoffiziellen Nihilismus des Zeitalters, daß sowohl die Sicherheit des Unglaubens als auch die Unsicherheit des Glaubens ins Wanken gerät. Davon ist die Depesche des Kaisers der lebendige Beweis."

 

 2071481-f2403dc1e660a7643d58cfd3e2010995.jpg
Franz Werfel (10 september 1890 – 26 augustus 1945)
Scene uit de Amerikaanse film “The Song of Bernadette” uit 1943 

 

 

De Poolse schrijver Paweł Huelle werd geboren op 10 september 1957 in Gdańsk. Zie ook mijn blog van 10 september 2010 en eveneens alle tags voor Pawel Huelle op dit blog.

Uit: The Last Supper (Vertaald door Antonia Lloyd-Jones)

"Citizen," began the sergeant, "what's going on in here? Making noise again?" As quietly as could be, Mateusz handed them his identity card, then lit his pipe and sat in an armchair, as if Mr and Mrs Zielenko and their entire backstage crew, including the Civic Militia, the Volunteer Reserve, the district Party committee, the allotment owners' club, the village homeowners' circle, the residential committee, the house committee, the Front for National Unity and the parish committee were of no concern to him at all. "Bit of a tussle, was there?" said the sergeant, holding the identity card in two fingers and waving it above the defendant's head. "Should we withhold this document and summons you?" Mateusz did not even deign to make eye contact with the policeman. "Windows flying out, are they?" "Citizen Sergeant," said one of the constables, who while examining the paintings leaning against the wall had come across a picture of a woman's head with a woolly forest of spirally intertwining penises growing out of it, "perverts like this should be sent straight to the camps. Why the bloody hell were they closed down?" "Shut your gob, Rydomski!" said the sergeant, rashly revealing the flatfoot's name to us. "You'd best keep your nose out of politics because you're a bit short on brains. And as for you, gentlemen," he turned to us, "we've had complaints about you singing songs!" "We were singing the Internationale, as usual," I said without hesitating, "and please make a note of it in your report." "Quite so," said Mateusz, breaking his silence from behind clouds of pipe smoke. "The Internationale, in the report, without question!" Just then we heard the mighty thud of the Engineer's footsteps on the stairs. In his own way he proved a genius: to fall onto the lawn and then get up as if nothing had happened, brush down his clothes and make his way to the nearest bar, quickly down a couple of vodkas there and return in even better condition than before to the site of his missionary activities he must have had an undeniably potent categorical imperative driving him. "Fucking hell, man," he said, throwing himself into the sergeant's arms and covering him in soggy kisses. "The avant garde and the police, that's the best coalition!" As if he had a talent for that sort of clowning and some well practised tricks, quick as a flash the same bear hug was performed — actually without any protest — on the other two policemen. Then the Engineer stood in the middle of the studio, spread his arms as if about to fly and declared: "It was me, fuck it, thwough that window! The one and only me! That's what you call an expewiment! Hey, arseholes, don't you get it? Don't like that sort of art, do you? But it's the future! Not that." He nodded towards the partly painted canvases leaning against the wall. "Not that." And he blew his nose in their direction, which was clearly a hit with the policemen.`

 

 2071481-6a63437480f4f4e7c9d9af1cef5def9d.jpg
Paweł Huelle (Gdańsk, 10 september 1957)

 

 

De Amerikaanse dichteres Mary Oliver werd geboren op 10 september 1936 in Maple Heights, Ohio. Zie ook mijn blog van 10 september 2010 en eveneens alle tags voor Mary Oliver op dit blog.

 

Mushrooms

Rain, and then
the cool pursed
lips of the wind
draw them
out of the ground -
red and yellow skulls
pummeling upward
through leaves,
through grasses,
through sand; astonishing
in their suddenness,
their quietude,
their wetness, they appear
on fall mornings, some
balancing in the earth
on one hoof
packed with poison,
others billowing
chunkily, and delicious -
those who know
walk out to gather, choosing
the benign from flocks
of glitterers, sorcerers,
russulas,
panther caps,
shark-white death angels
in their town veils
looking innocent as sugar
but full of paralysis:
to eat
is to stagger down
fast as mushrooms themselves
when they are done being perfect
and overnight
slide back under the shining
fields of rain.

 

 

The Summer Day

Who made the world?
Who made the swan, and the black bear?
Who made the grasshopper?
This grasshopper, I mean--
the one who has flung herself out of the grass,
the one who is eating sugar out of my hand,
who is moving her jaws back and forth instead of up and down--
who is gazing around with her enormous and complicated eyes.
Now she lifts her pale forearms and thoroughly washes her face.
Now she snaps her wings open, and floats away.
I don't know exactly what a prayer is.
I do know how to pay attention, how to fall down
into the grass, how to kneel in the grass,
how to be idle and blessed, how to stroll through the fields,
which is what I have been doing all day.
Tell me, what else should I have done?
Doesn't everything die at last, and too soon?
Tell me, what is it you plan to do
With your one wild and precious life?

 

 2071481-d6138f8dc75089671d95688eacc17de5.jpg
Mary Oliver (Maple Heights, 10 september 1935)
In 1964

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e september mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 10:39 Reageer op dit bericht

Eddy Pinas, Jeppe Aakjær, Viktor Paskov, Hilda Doolittle, Reinhard Lettau, George Bataille

De Surinaamse dichter en schrijver Eddy Louis Pinas werd geboren in Paramaribo op 10 september 1939. Zie ook alle tags voor Eddy Pinas op dit blog.

 

de rivier zal 't weten

de rivier zal 't weten
vanaf de bergen
tot daar waar het
in in-
nig
samenzijn knuffelt met
dorstig zeewater

het brullend
bruizend wezen op
de rug van de
granolosoela
draagt in iedere molecule
de tedere kiem
van wording

ook de zee zal 't weten
en de boodschap
beuken tegen ijzeren rompen
op iedere strand
zal het te lezen zijn

door de branding
zal het geëtst worden
op de klippen
de zon zal het
met bladders neerschrijven
op de gevels
Suriname wordt vrij
maar...

heb ik mijn vaccinatiebewijs
niet vergeten?

 

 2071478-6f396e655336b0c7566a213d82b0f694.jpg
Eddy Pinas (Paramaribo, 10 september 1939)

 

 

De Deense dichter en schrijver Jeppe Aakjær werd geboren in Aakjær bij Skive op 10 september 1866. Zie ook alle tags voor Jeppe Aakjaer op dit blog en ook mijn blog van 10 september 2010

Uit: Die Kinder des Zorns (Vertaald door Erich Holm)

„Die beiden Neuangekommenen hatten scheinbar keine Eile. Mit großer Umständlichkeit holte der Armenvorsteher sein Pfeifengeschirr hervor und breitete es auf dem Tische aus. Als er mit dem Stopfen fertig war, warf er die Frage an den Schuhmacher hin: »Hast vielleicht ein Schwefelholz bei dir?«
»Jesus ja!« sagte der Schuhmacher und fuhr mit großer Eilfertigkeit in die Hosentasche.
Der Vorsteher wartete mit der Pfeife in der Hand, indes die Lippen erwartungsvoll eine Saugstellung einnahmen. Der Schuhmacher fingerte an seiner ganzen Person auf der Suche nach einem Zündholz herum. Erst holte er einen schlottrigen Lederbeutel hervor und legte ihn vor sich auf den Tisch, dann zog er aus der Hosentiefe ein altes Schnappmesser, schließlich erwischte er das Ende eines Schusterpechdrahtes, der sich immer weiter und weiter aufwickelte.
»Na, was wird’s damit?« sagte der Vorsteher und sah ihn spöttisch an.
Im selben Augenblick flog das Branntweinglas auf den Steinboden und zerschmetterte in tausend Stücke.
»Na, bist schon so weit gekommen, daß du’s Branntweinglas bei dir im Sack trägst?« höhnte Hans Nielsen. »Da hast du’s wenigstens gleich zur Hand.«
»Aber, Herr Jeses,« keifte die allzeit zankbereite Ann-Marie Kjærsgaard, »jetzt schlägt er das einzige Glas entzwei, das noch im Haus war, der Schußbartel, der. Hättst mich nicht können die Schwefelhölzer suchen lassen?« Mit diesen Worten schleuderte Ann-Marie eine Schachtel dicht an der Nase des Schuhmachers vorbei dem Gemeindevorsteher hin.
»Au, au!« schrie der Schuhmacher und bog den Kopf jäh zurück, um dem Projektil zu entgehen.
Die drei andern lächelten sich hämisch zu.
»Der gehört wohl auch zum Geschäft?« bemerkte nun der Nørhofer, einen Pfropfen in die Höhe haltend, auf den er sich in der Bankecke gesetzt hatte.
»Ach, da ist er ja! Nur her damit, sonst könnt es schief gehen!« rief Kræn Lybsker, in die innere Rocktasche guckend.
»Schau, daß du dem grünen Vogel da den Schnabel stopfst,« lachte Bertel, »sonst fängt er noch zu krähen an."

 

 2071478-0cd4b4a871f16bd6bb6c3cc48c6412f6.jpg
Jeppe Aakjær (10 september 1866 - 22 april 1930)
Standbeeld op het schiereiland Salling in de Limfjord, Denemarken

 

 

De Bulgaarse schrijver en musicus Viktor Markos Paskov werd geboren in Sofia op 10 september 1949. Zie ook alle tags voor Viktor Paskov op dit blog en ook mijn blog van 10 september 2010

Uit: Autopsie (Vertaald door Alexander Sitzmann)

„So ... jetzt ist es gut ... Jetzt ist alles in Ordnung.
Ich habe den Fusel von letztem Jahr ausgetrunken, den man mir in Sozopol geschenkt hatte. Eine Widerwärtigkeit mit Feigengeschmack.
Nimm den Rasierer und schau dich nicht an!
Rasier dich vorsichtig, stütz die rechte Hand mit der linken ab, damit du dich nicht abschlachtest!
Dieses Gesicht ist nicht meines. Es ist ausgetauscht worden. Höchstwahrscheinlich hat man es in einem dieser geheimnisvoll anmutenden Antiquitätenläden ausgegraben, im Halbdunkel, unter dem schweren Geruch von verrottendem Papier und bedeutungslosen Gegenständen. Meine Mutter würde dieses Gesicht nicht wiedererkennen. Ebenso wenig mein
Vater. Aber sie sind nicht mehr am Leben, und es gibt keinen Grund, warum sie mich wiedererkennen
sollten.
Ich steige in die Wanne: Strafduschen. Heiß-kalt, kalt-heiß. Heiß, bis man schier wahnsinnig wird.
Kalt, bis man schreit. Ich bringe das Bad mit Reinigungsmitteln auf Hochglanz und ordne Rasierzeug,
Cremes, Eau de Cologne und Zahnbürsten unter dem Spiegel an.
Ich habe keine Zigaretten. Ich habe schon wieder keine Zigaretten! Zum wievielten Male wohl habe ich
morgens keine Zigaretten?
Ich gehe in die Unterführung der U-Bahn, kaufe zwei Schachteln Marlboro, es ist ungefähr acht Uhr
Morgens“.

 

 2071478-b4a3a7723e30721e54ff14c2db8d378b.jpg
Viktor Paskov (10 september 1949 - 16 april 2009)

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Hilda Doolittle werd geboren in Bethlehem, Pennsylvania, op 10 september 10 1886. Zie ook mijn blog van 10 september 2010 en eveneens alle tags voor Hilda Doolittle op dit blog.

 

Garden

I
You are clear
O rose, cut in rock,
hard as the descent of hail.

I could scrape the colour
from the petals
like spilt dye from a rock.

If I could break you
I could break a tree.

If I could stir
I could break a tree—
I could break you.


II
O wind, rend open the heat,
cut apart the heat,
rend it to tatters.

Fruit cannot drop
through this thick air—
fruit cannot fall into heat
that presses up and blunts
the points of pears
and rounds the grapes.

Cut the heat—
plough through it,
turning it on either side
of your path.

 

 2071478-15c26f743b3e48481ba682d255b52233.jpg
Hilda Doolittle (10 september 1886 – 21 september 1961)

 

 

De Duits-Amerikaanse schrijver Reinhard Lettau werd geboren op 10 september 1929 in Erfurt. Zie ook alle tags voor Reinhard Lettau op dit blog en ook mijn blog van 10 september 2010

Uit: Auftritt Manigs

„Nur daß diese mögliche Erklärung der Ironie der Texte anheimfiele. So könnte der eben zitierte gut und gerne "Die Mitläufer" heißen. Er zeigt den Tanz einer Masse und obendrein den Anführer selbst als Mitläufer. Manig aber läuft jeder Auslegung mühelos davon. Das macht: Er ist figürlich und abstrakt zugleich. Philosophie in diesen Geschichten wird Graphik, aber auch Graphik Philosophie. Wem Identität und Dialektik Fremdwörter bleiben, wer nicht wahrhaben will, daß da vor seinen Augen eins ins andere sich verwandelt und diese oder jene Handlung in ihr Gegenteil umschlägt, kurz, wer seinen Augen nicht traut, an dem sind Lettaus Erfindungen verloren, und verloren ist die verlorene Komik, die statt eines Schattens jeden Schritt Manigs begleitet.
Diese Prosa ist voll trockenster Poesie, und sie ist gearbeitet wie ein Gedicht. Ihre Leichtigkeit trügt, ihre Abläufe sind silbengenau gesetzt. Manig tritt auf dem Hochseil der Sprache auf. Diese Gangart erlaubt keinen Gag und keine Pointe. Hier rächt sich jeder Schritt daneben. Reste surrealistischer Beliebigkeit, wie in den Stücken "Ankunft" und "Manig setzt sich", geben Proben dafür ab. Überhaupt erweist sich die Gefährlichkeit dieser Prosa an ihren Schlüssen. Wie soll Manig, der den Akrobaten in seiner Brust selten verleugnet, von seinem Seil herunterkommen? Seine besten Nummern fallen nicht ab, verlangen weder Verbeugung noch Beifall: Sie enden schwebend.“

 2071478-7a22351b4a4bf74004d1b4ebbc8315b9.gif
Reinhard Lettau (10 september 1929 - 17 juni 1996)
In 1991

 

 

De Franse dichter, schrijver en filosoof George Bataille werd op 10 september 1897geboren in Billom (Auvergne). Zie ook alle tags voor George Bataille op dit blog en ook mijn blog van 10 september 2010

 

Je rêvais de toucher

Je rêvais de toucher la tristesse du monde
au bord désenchanté d’un étrange marais
je rêvais d’une eau lourde où je retrouverais
les chemins égarés de ta bouche profonde

j’ai senti dans mes mains un animal immonde
échappé à la nuit d’une affreuse forêt
et je vis que c’était le mal dont tu mourais
que j’appelle en riant la tristesse du monde

une lumière folle un éclat de tonnerre
un rire libérant ta longue nudité
une immense splendeur enfin m’illuminèrent

et je vis ta douleur comme une charité
rayonnant dans la nuit la longue forme claire
et le cri de tombeau de ton infinité.”

 

 

Je mets mon vit contre ta joue

Je mets mon vit contre ta joue
le bout frôle ton oreille
lèche mes bourses lentement
ta langue est douce comme l’eau

ta langue est crue comme une bouchère
elle est rouge comme un gigot
sa pointe est un coucou criant,
mon vit sanglote de salive

ton derrière est ma déesse
il s’ouvre comme ta bouche
je l’adore comme le ciel
je le vénère comme un feu

je bois dans ta déchirure
j’étale tes jambes nues
je les ouvre comme un livre
où je lis ce qui me tue.

 

 2071478-acf127b02789678fe9486a6ebf678fcb.jpg
George Bataille (10 september 1897 – 9 juli 1962)
Cover

Geschreven door Romenu om 10:28 Reageer op dit bericht

Theo Olthuis

De Nederlandse dichter en schrijver Theo Olthuis werd geboren in Amsterdam op 10 september 1941. Hij groeide op en woonde in Amsterdam tot in 1998. Toen verhuisde hij naar Bergen. Olthuis is onderwijzer geweest en thans dramadocent. Vanaf 1978 schrijft hij teksten – zowel voor kinderen als volwassen – voor theater en televisie. Daarnaast schrijft hij liedjes en gedichten. In 1980 debuteerde hij als dichter met de bundel “De jongste dag”. In 1984 verscheen zijn eerste bundel kindergedichten “Een hele grote badkuip vol”. Sindsdien verschenen vele bundels met kindergedichten. In 2007 stelde hij een bloemlezing samen uit al de eerder verschenen kindergedichten getiteld “In je hoofd kun je alles”. Theaterteksten schreef hij onder andere voor Theater Splinter, Theater Spoenk, Platform Gelderland en Theater Gnaffel. Vanaf 1981 schrijft hij (lied)teksten voor kinderen, onder andere voor Sesamstraat, Koekeloere, Het Klokhuis en Samba Salad. Daarnaast schreef hij ook liedteksten voor volwassenen; onder andere voor Herman van Veen, Lori Spee, Willem Nijholt, Eddy Christiani, Robert Paul en Philippe Elan. In 2010 won Olthuis de Rabobank Cultuurprijs

 

Kerkje in Groet

Als ik nou God was
en zag voor het eerst
het witte kerkje in Groet
en hoorde die verfijnde stilte,
soms nog beklemtoond door
een voetstap of een vogel,

één vingerknip
of knipoog
en het was al
tot in eeuwigheid
mijn buitenhuisje.

 

 

Prooi

Zoals een roofdier
hongerig
tegen de wind in
zijn prooi besluipt
en dan
gespannen wacht,
doodstil –

zo nader
de projectontwikkelaar
met dat verschil
dat de maag gevuld
en zijn geduld oneindig.

 

 2139178-b09f7fe319f6a6b693e92dfb058e862d.jpeg
Theo Olthuis (Amsterdam, 10 september 1941)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

C. O. Jellema, Wim Huijser, Cesare Pavese, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez, Edward Upward, Hana Androníková, Bas Jongenelen

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

Afscheid komt zelf. Dat wat je nemen moet.

Afscheid komt zelf. Dat wat je nemen moet.
Je kunt wel doen alsof het niet bestaat.
't Bestaat ook niet zover het denken gaat.
Hoe kun je anders, alles wat je doet

schuift afscheid op, pas als een schaakstuk slaat
voorbij het denken valt een gat voorgoed.
Nemend wat kwam wordt leegte naam. En hoe't
gebeurde is beschrijfbaar. Maar te laat.

Schrijvend voorbij te zijn. Dat afscheid. Kijk:
voorwerpen om je heen, jouw woord geeft glans
zoals het licht dat doet - zij, onbewogen,

zijn om te zijn en geven jou gelijk.
Benoeming schijnt een overlevingskans:
verdwijnen in een woord. Voor eigen ogen.

 

 

De brief

Er is een glimlach blijven staan
tussen de andere veel grotere lettertekens -

eens toen wij langs de rivier liepen
heb je me met een dove vergeleken
een liplezer. het is zo moeilijk, zei je,
het is zo moeilijk om met jou te praten,
zei je, omdat je kijkt en niets zegt;
wij gaan niet vrijuit. - later
toen ik alleen terugliep en er niets meer
te luisteren viel, het grind niet meer
onder je voeten, de wind niet ritselend door je haar,
toen gaf ik antwoord: luister nu goed,
zei ik, zie je de zon drijven op de rivier?
misschien gaat hij al vannacht de grens over,
dan is het winter morgen, dan is het hier
winter, zei ik, ik houd van je.

nu schrijf je over het boek dat je leest
en over de voorbijgangers die je zien zitten
omdat je de tafel bij het raam geschoven hebt
voor het betere licht; want het is winter,
schrijf je, en daar tussen de andere lettertekens
zie ik je glimlach staan
onooglijk -

 

 

Nazomer
Trakl zum Gedächtnis

onder het zand is het gaan stromen
gaatjes ontstaan een huis hangt ietsje scheef
en uit de oksels van de bomen
druppelt een sterke geur van zweet

wel valt de hamer lichter op de stenen
wanneer de wegen worden omgelegd
de rode zon schijnt rustig naar beneden
een mens wacht of een mens iets zegt

maar in de hemel liggen wolken wit
en roerloos op een blauwe baar
onder het zand rekt een gevaar
als slangen in hun slaap zich uit

en mannen die lang jong bleven en fit
ontwaken op een morgen met grijs haar

 

 2071211-ed1aac374584a23b4679e445f8514ac6.jpg
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)
Hier bij een portret van hem zelf, geschilderd door Matthijs Röling

 

 

De Nederlandse publicist, schrijver en biograaf Wim Huijser werd geboren op 9 september 1960 in Ridderkerk. Zie ook alle tags voor Wim Huijser op dit blog.

Uit: Dichter bij Dordt. Biografie van C. Buddingh'

“De verwarring rond zijn naam werd nog groter doordat hij in de Encyclopedie voor de wereldliteratuur, die hij zelf samenstelde, zichzelf vermeldt als: ‘Cornelis Buddingh’’. Daarmee droeg hij er zelf toe bij dat over de juiste vermelding van zijn naam altijd onduidelijkheid is blijven bestaan. Wie zijn naam zoveel jaar na zijn dood opzoekt in een personenregister, stuit meestal op het foutieve ‘Cees Buddingh’’, terwijl hij voor vrienden bestemde exemplaren van zijn dichtbundels steevast met ‘Kees Buddingh’ signeerde.
Gevraagd naar de herkomst van zijn bijzondere achternaam met apostrof zou Buddingh’ zich in zijn leven meermalen op het standpunt stellen dat hij niet zo geïnteresseerd was in zijn voorgeslacht, maar meer in zijn nageslacht. Hij heeft zich daarom ook nooit verdiept in zijn familiegeschiedenis. Dat zijn wortels ergens in de Oost-Betuwe lagen vond hij wel voldoende om te weten. Het was echter die merkwaardige apostrof aan het eind, die steeds weer aanleiding gaf tot de vraag: waar die naam eigenlijk vandaan kwam.
De naam zou oorspronkelijk voluit ‘Boetrechtheer’ zijn geweest, legt Buddingh’ in een brief aan Gerrit Borgers uit, in die tijd directeur van het Letterkundig Museum in Den Haag: dit ‘zou dan zijn verbasterd tot Buddingh en voor de verloren gegane “eer” zou de ’ [apostrof ] in de plaats zijn gekomen’. Dat Boetrechtheer zou van Betuwse origine zijn en afkomstig van een rechterschap bij het zogenaamde ‘boetrecht’. Daarmee volgde Buddingh’ de lezing van Derk Buddingh’ die een boek had geschreven over de herkomst van de naam, getiteld Het Boetregt; bevattende een oudheid-, geschied- en letterkundig onderzoek naar den oorsprong en naambeteekenis van het geslacht Buddingh’, benevens de genealogische verspreiding van diens stamboom en zijne takken (1862). De kans is groot dat iemand in de familie het had opgepikt uit de biografie H. J. Budding; leven en arbeid (1883) van J. H. Gunning, over de beroemde Zeeuwse predikant en stichter van afgescheiden ‘Budding- gemeenten’. Dat deze ‘beroemde dominee’ nog een van zijn voorvaderen van vaderszijde was, zoals Buddingh’ later zou menen, blijkt onjuist te zijn.”

 

 2071211-ab9393b453873267d3ce6e4f389ed7a4.jpg
Wim Huijser (Ridderkerk, 9 september 1960)
Cover 

 

 

De Italiaanse dichter en schrijver Cesare Pavese werd geboren in Santo Stefano Belbo op 9 september 1908. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor Cesare Pavese op dit blog.

 

Ontmoeting

Deze harde heuvels die mijn lichaam hebben gemaakt
en het teisteren met zo veel herinneringen, hebben mij het wonder ontsloten
van haar, die niet weet dat zij in mij bestaat en ik kan haar niet begrijpen.

Ik heb haar ontmoet, op een avond: een lichtere vlek
onder de aarzelende sterren, in de zomernevel.
Rondom hing de geur van deze heuvels,
dieper dan het donker, en plotseling klonk er,
alsof zij vanuit de heuvels kwam, een stem, helderder
en schriller tegelijk, een stem uit verloren tijden.

Soms zie ik haar, en is ze levend voor me,
scherp omlijnd, onveranderlijk, als een herinnering.
Ik heb haar nooit kunnen vatten: haar werkelijkheid
ontglipt me telkens en voert me ver weg.
Of ze mooi is, weet ik niet. Onder de vrouwen is zij heel jong:
als ik aan haar denk, overvalt me een vervlogen herinnering
aan mijn kindertijd die ik in deze heuvels doorbracht,
zo jong is ze. Ze is als de morgen. In mijn ogen roept ze
alle verre luchten op van die vervlogen morgens.
En in haar ogen staat een vast voornemen: het helderste licht
dat het ochtendgloren ooit heeft gekend boven deze heuvels.

Ik heb haar geschapen uit het diepst van alle dingen
die mij het dierbaarst zijn, en kan haar niet begrijpen.

 

Vertaald door Willem van Toorn en Pietha de Voogd

 

 2071211-3691813be228236f11df762ccf680160.jpg
Cesare Pavese (9 september 1908 – 27 augustus 1950)
Cover dagboeken

 

 

De Russische schrijver Leo Tolstoj werd geboren op 9 september 1828 op het landgoed Jasnaja Poljana, in de buurt van Toela. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor Leo Tolstoj op dit blog.

Uit: Boyhood (Vertaald door Leo Wiener)

“Rarely have I spent days so — I will not say merrily, for I was still rather conscience-stricken at the idea of yielding to merriment — but so agreeably, so pleasantly, as the four during which our journey lasted.
I had no longer before my eyes the closed door of mamma's room, which I could not pass without a shudder; nor the closed piano, which no one approached, but which every one regarded with a sort of fear ; nor the mourning garments (we all had on simple traveling suits), nor any of those things, which, by recalling to me vividly my irrevocable loss, made me avoid every appearance of life, from the fear of offending her memory in some way. Here, on the other hand, new and picturesque spots and objects arrest and cftvert my attention, and nature in its spring garb fixes firmly in my mind the cheering sense of satisfaction in the present, and bright hopes for the future.
Early, very early in the morning, pitiless Vasily, who is overzealous, as people always are in new situations, pulls off the coverlet, and announces that it is time to set out, and that everything is ready. Snuggle and rage and contrive as you will to prolong even for another quarter of an hour the sweet morning slumber, you see by Vasily*s determined face that he is inexorable, and prepared to drag off the coverlet twenty times ; so you jump up, and run out into the yard to wash yourself.
The samovar is already boiling in the anteroom, and Mitka, the outrider, is blowing it until he is as red as a crab. It is damp and dark out of doors, as though the steam were rising from an odoriferous, dung-heap ; the sun illuminates with a bright, cheerful light the eastern sky and the straw roofs of the ample sheds surrounding the courtyard, which are sparkling with dew. Beneath them our horses are visible, hitched about the fodder, and the peaceful sound of their mastication is audible.
A shaggy black dog, who has lain down upon a dry heap of manure before dawn, stretches lazily, and be- takes himself to the other side of the yard at a gentle trot, wagging his tail the while. The busy housewife opens the creaking gates, drives the meditative cows into the street, where the tramp, lowing, and bleating of herds is already audible, and exchanges a word with her sleepy neighbor. Philip, with the sleeves of his shirt stripped up, draws the bucket from the deep well, all dripping with clear water, by means of the wheel, and empties it into an oaken trough, about which wide-awake ducks are already splashing in the pool ; and I gaze with pleasure upon Philip's handsome face with its great beard, and at the thick sinews and muscles which are sharply defined upon his bare, hairy arms when he makes any exertion.”

 

 2071211-1fe9ecb8128d6e9b3c158cc428920726.jpg
Leo Tolstoj (9 september 1828 – 20 november 1910)
Als jongeman, rond 1848

 

 

De Vlaamse dichter en componist Gentil Theodoor Antheunis werd geboren te Oudenaarde op 9 september 1840. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor Gentil Th. Antheunis op dit blog.

 

Tirolerlied

Ik vlucht mijn leger, mijn vreedzame dakje;
'k heb hond noch geweer, door de nacht loop ik heen,
Mijn boezem doorwoelt een knagende smart,
En waar ik ook vlucht, zij volgt mijne schreên.
Voor mij geen rust,
Geen hoop in 't verschiet;
Want zij die ik bemin
Bemint mij toch niet.

Hier eenzaam gezeten op 't hoogste der bergen,
Op rotsen zo woest, dat geen wild ze betreedt;
Hier zing ik mijn leed de onpeilbare afgrond,
De spraakloze nacht zing ik 't grievende leed.
De diepte en het duister
Aanhoren mijn lied;
Maar zij, voor wie ik zing,
Zij luistert toch niet.

Daar klimt uit de diepte een geheimvol gefluister:
‘Wat baat u het leven? Kom, rust in mijn schoot.
En zij die gevoelloos uw jeugd zag verkwijnen,
Zoekt morgen met angst en beweent uw dood.’
Heel 't dorp zou mij zoeken
Met klemmend verdriet;
Maar zij, voor wie ik stierf,
Zij komt toch niet.

 

 2071211-0b8ada6820e84de225a616935568dac9.jpg
Gentil Th. Antheunis (9 september 1840 – 5 augustus 1907)
Oudenaarde

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter en journalist Gaston Cyriel Durnez werd geboren in Wervik op 9 september 1928. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor Gaston Durnez op dit blog.

 

Soldatenliedje (Fragment)

In Korea liet ik 't rechter-,
en in Vietnam 't linkerbeen.
'k Wou er ook in Leo laten
maar helaas ik had er geen.
Eén twee! Eén twee!
Op vier wielen
Eén twee! Eén twee!
in de maat
rijd ik in de stoeten mede
voor 't pensioen en voor de vrede.
Eén twee! Eén twee!
Op vier wielen
vraag 'k een aalmoes
op de straat.

Als het nog eens pas zal geven,
generaals, o denkt er aan:
'k heb een hoofd en ook een romp die
nog tot uw beschikking staan.
Eén twee! Eén twee!
Flink marsjeren
Eén twee! Eén twee!
kan ik niet.
Maar ik kan rekruten tonen
hoe zichzelve te verschonen
en te vreten met hun tanden
zonder voeten, zonder handen.
Eén twee! Eén twee!
Op vier wielen
Eén twee! Eén twee!
Kameraad!

 

 2071211-f3f8413b39bd5b3f8ece718da22e4cc3.jpg
Gaston Durnez (Wervik, 9 september 1928)
Cover 

 

 

De Engelse schrijver Edward Falaise Upward werd geboren in Romford op 9 september 1903. Zie ook alle tags voor Edward Upward op dit blog.en ook mijn blog van 9 september 2010

Uit:The Spiral Ascent

“Sooner than Alan expected, at a point where the road rounded a small hill, the bay came into full and close view. To the right was the Britannia public house, mentioned in Richard’s letter, with a balcony supported by wooden Doric pillars. To the left, on a shingle bank, Richard was sitting.
He scrambled up from the shingle and leapt over a low concrete parapet towards the motor-coach, his legs apart and his arms thrown upwards in greeting. He was so demonstratively glad to see Alan that he seemed not merely to be expressing his own feelings about him but also to be welcoming him publicly on behalf of all the bystanders and of all the houses around and of the sea itself.
‘Thank God you’ve come,’ Richard said loudly as the two of them moved off down a sandy side-lane towards his lodgings.
‘Oh boy, it would be impossible for you not to be able to write here. This place is utter heaven. . . . But I ought to have told you in my letter – there are certain complications. I’ll explain later.’
‘I suppose I shall be able to sleep somewhere tonight in this town?’ Alan asked.
‘Oh yes. I’ve fixed all that with my landlady, Miss Pollock. You can stay as long as you like. And when you find the effect it has on your poetry I expect you’ll want to be here for the rest of the summer.’
‘Is yours still going well?“
‘Wonderfully, though I’ve not been attempting any during this last week.’
They came to a small white front-gate over which a hawthorn tree had been trained into an arch. A mossed gravel path curved round an ascending lawn to reach the verandah of the house.
Glass doors wide open to the verandah revealed a shadowy sitting-room in which an oil lamp with a white glass shade stood on a bobble-fringed velvety table-cloth. As Alan stepped after Richard into the room he noted that the ottoman and two armchairs were upholstered in red plush; and over the mantelpiece there was a large gilt-framed mirror with swans in green reeds painted on the lower corners of the glass.
‘It’s marvellous,’ Alan said. ‘Isn’t it?’ Richard agreed with a pleased grin. ‘But you won’t meet Miss Pollock herself till she brings in our tea. She’s never to be seen except at meal-times, and even then only for a moment or so."

 

 2071211-827c35647b80ddf6771f1cb011356361.jpg
Edward Upward (9 september 1903 - 13 februari 2009)
Cover biografie

 

 

De Tsjechische schrijfster Hana Androníková werd geboren op 9 september 1967 in Zlín. Zie ook mijn blog van 9 september 2010.

Uit: The sound of the sundial (Vertaald door David Short)

„Tom came back from work early one day and found the house deserted. He took off his jacket, went into the kitchen, and lifted the lid of the teapot. He raised an eyebrow and let out a sigh. He poured the remaining tea into a cup and looked briefly for the sugar, but mentally he had already abandoned the idea. He headed for the living room, loosened his tie, undid his top button, and sprawled out in an armchair with the Times of India. Having read it, he reached for the week-old paper from Zlín. In March 1936, a headline proclaimed: Germany arms—France has qualms!
Beneath the headline was a cartoon of an arrogant Nazi fully armed with the modern trappings of war, and a cowering Frenchman equipped for an Iron Age encounter. A shiver ran down his spine.
Suddenly Rachel was standing behind him. Immersed in the red-hot news, he hadn’t heard her approach. She placed a hand on his shoulder, bent over him, and inhaled deeply. She loved that smell. His sweat. A mix of cedar and peppermint. And the tobacco that clung to his white shirts. He stretched out his right hand and touched her face above him. She took the long fingers between her palms and put them to her lips. She took another breath. A waft of nicotine between his middle and index fingers. He watched her for a moment, then tipped back his head and pulled her face towards him. He parted his lips as if ready to swallow her.
I stood in the doorway, staring at my parents as they kissed with all the passion of a pair of film stars. I dropped my tennis ball, forgotten in the intensity of the moment, and it rolled across the floor and was lost. My parents shot apart. At first they looked startled, then they burst out laughing.
“Don’t you know how to knock?” said Mommy.
“Come here,” Dad said, with the gesture that so typified him. Beckoning, giving his permission to approach. I sat on his knee. Dad put one arm around my shoulders, slapped his free thigh with the other, and nodded to Mommy that she could sit down too. He winked at me, but my mother was quicker than my father expected and sat right down on his hand. He howled and tried to pull his squashed fingers out. When he was in the mood, he could be very funny.“

2071211-4f9e206eaa7be534b419ebf0a3f25d19.jpg
Hana Androníková (Zlín, 9 september 1967)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter Bas Jongenelen werd in 1968 geboren in Roosendaal. Hij studeerde in 1995 in Tilburg af bij prof. dr. Jaap Goedegebuure met de doctoraalscriptie “De Kleine Zenuwlijder – Literatuur en psychologie aan de hand van Gerard Reves Werther Nieland”. Daarna werkte hij enkele jaren als docent Nederlands in het voortgezet onderwijs. Tegenwoordig doceert hij Nederlands aan de Fontys Lerarenopleiding Tilburg en is hij promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Onder begeleiding van prof. dr. Johan Oosterman verricht hij onderzoek naar humor in 1561.

 

Best seller

Er zijn inmiddels vele boeken over
geschreven, maar er kan er altijd wel
nog eentje bij, het liefst een beetje snel.
Zo een met een mooi plaatje op de cover,

zodat eenieder die het ziet een toverslag
voelt, zoals een bliksemschicht zo fel,
een nacht zo koud als in een ijshotel,
opdringerig zoals een Latin lover.

Een boek dat uitermate goed zal lopen,
een boek dat alle mensen willen kopen,
een boek met vele liters rode wijn,

een boek met rozengeur en maneschijn,
een boek met sex and drugs and rock ’n roll,
een boek… maar schenk nu eerst de glazen vol!

 

 

Sonnet

Van grote mondjes, met hun lange staat
van dienst (zoals je zegt in Duitse termen),
daarvan hoor ik het vreselijke kermen,
wanneer de zon hoog langs de hemel gaat.

De Duitsers (meestal wel van groot formaat)
zijn over Zeeuwse stranden aan het zwermen
(verscholen achter wind- en zonne-schermen)
en zijn op zoek naar een fijn strandklimaat.

Ze zitten in de hete zon te bakken,
totdat diezelfde hete zon gaat zakken

en tot het donker wordt en ietsje kouder.
`Och hemel! Kijk eens naar mijn rode schouder!'
\Vat zien zij niet? Die mooie zeenatuur:
de ledjes van de zee in 't avonduur.

 

 2071211-093ebc5c79b41d4313244501fad368af.jpg
Bas Jongenelen (Roosendaal, 1968)

Geschreven door Romenu om 10:30 Reageer op dit bericht

Meyer Sluyser

De Nederlandse schrijver, journalist en radiocommentator Meyer Sluyser (officiële naam luidt: Meijer Sluijser) werd geboren in Amsterdam, 9 september 1901. Sluyser kwam uit het socialistisch Joodse gezin van de diamantslijper Mozes Sluijser en Sara Verdooner. Hij trouwde drie keer. Uit het eerste huwelijk werden een zoon en een dochter geboren. Uit het tweede en derde huwelijk werden geen kinderen geboren. Na een opleiding aan de driejarige mulo en wat baantjes werd hij tolk bij internationale socialistische bijeenkomsten. In 1926 werd hij lid van de VARA. In 1929 werd Sluyser redacteur van het sociaaldemocratische dagblad “Het Volk”. Sluyser bestreed alle vormen van dictatuur: het communisme, het fascisme en, vooral nadat in 1933 in Duitsland Hitler aan de macht kwam, de nazi’s. Na de Duitse inval en de capitulatie wist Sluyser met zijn gezin op 15 mei 1940 vanuit IJmuiden met de Friso naar Engeland te ontkomen. Hij werd er chef van de Radioluisterdienst van de Nederlandse regering in Londen en van het Londense Vrij Nederland. Sluyser werkte ook mee aan radioprogramma's van Radio Oranje. In november 1944 keerde hij terug naar bevrijd Zuid-Nederland. Hij werd één van de oprichters van het dagblad “Het Vrije Volk” en leverde wekelijks Commentaar op het nieuws. Ook bij De Groene Amsterdammer had hij een column. Na zijn terugkeer naar Amsterdam zou hij een reeks van boeken gaan schrijven, vooral over het Joodse verleden van Amsterdam. Hij schreef twee detectives onder het pseudoniem Richard Parridon. In 1965 werd hij officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Uit: Voordat ik het vergeet

“Op zaterdagavond trekken de bewoners van de buurt naar de andere delen van de stad. Een week hard werken is teneinde. De rustdag is genoten, de uitgaansavond aangebroken. Ze kuieren naar 'Carré' waar het puik der Italiaanse zoete kelen de opera's van het populaire repertoire kweelt. Ze proppen op de torenhoge galerijen van het circusgebouw. Laat de rijke mensen maar beneden
pralen in de dure stoelen of in de roodpluche presenteerblaadjes één hoog. Wie komt voor de kunst, koopt bij de opkopers vijftig centimeter ruimte op het schellinkje. Daar geniet hij voor één geld van twee zangfestijnen.
Het eerste is het officiële. Het gepatenteerde. Het feest van de onversneden kunst op de planken. Het tweede begint en eindigt in de pauze. Niemand van het schellinkje sloft naar de koffiekamer. Hoogstens wipt hij, secuur voorzien van een pauzekaartje, even naar buiten om bij Moos en Greetje Koopman, in het Komkommerbuurtje haastig een broodje met overbloezend pekelvlees te kopen. Leeftocht in de hand, rept hij zich dan naar zijn plaats terug. Pauze of geen pauze, het zangfestijn gaat voort. Er zijn altijd bezoekers, die ongenood bezwijken voor de onstuimige drang een aria te zingen, een heuse aria met lange uithalen en een gerekte nagalm.
Zullen hun kennissen later van hem zeggen:
' Hij . . . hij heeft in Carré gezongen.' 'Kunsjt. Hij heeft in de pauze op de galerij gezongen.
'Hoor eens, dat is kinnesinne (van kin-ah = ijverzucht, en sin-ah= haat. In dit geval: afgunst). Per slot van rekening is Louis Bouwmeester ook met kleine rolletjes begonnen.'
De kenners op de goedkope rangen luisteren met genegenheid en critische aandacht. Voordracht en dictie zijn voor hen bijzaak. Het boezemt hun hoegenaamd geen belang in of de gezongen tekst klopt met het officiële libretto. Hen boeit alleen de aanwezigheid der melodie en de kracht van het geluid.
Zeggen ze:
'Die jongen heeft een prachtstem. "Wat een 'kol'.'
'Geen wonder. Weet U niet wie zijn grootvader was?'
'Hoe zou ik dat moeten weten? ik ken die hele jongen niet.'
'Kerpel... Kerpel! de grootste zanger, die ooit heeft bestaan.”

 

 2126103-7be925a4770d03628b08ddb678cc728d.jpg
Meyer Sluyser (9 september 1901 - 26 januari 1973)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Siegfried Sassoon, Anthonie Donker, Clemens Brentano, Wilhelm Raabe, Eduard Mörike, Franz Hellens, Frederic Mistral, Grace Metalious

De Engelse dichter Siegfried Sassoon werd geboren op 8 september 1886 in Brenchley, Kent. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Siegfried Sassoon op dit blog.

 

Prelude: The Troops

Dim, gradual thinning of the shapeless gloom
Shudders to drizzling daybreak that reveals
Disconsolate men who stamp their sodden boots
And turn dulled, sunken faces to the sky
Haggard and hopeless. They, who have beaten down
The stale despair of night, must now renew
Their desolation in the truce of dawn,
Murdering the livid hours that grope for peace.

Yet these, who cling to life with stubborn hands,
Can grin through storms of death and find a gap
In the clawed, cruel tangles of his defence.
They march from safety, and the bird-sung joy
Of grass-green thickets, to the land where all
Is ruin, and nothing blossoms but the sky
That hastens over them where they endure
Sad, smoking, flat horizons, reeking woods,
And foundered trench-lines volleying doom for doom.

O my brave brown companions, when your souls
Flock silently away, and the eyeless dead
Shame the wild beast of battle on the ridge,
Death will stand grieving in that field of war
Since your unvanquished hardihood is spent.
And through some mooned Valhalla there will pass
Battalions and battalions, scarred from hell;
The unreturning army that was youth;
The legions who have suffered and are dust.

 

 

Song-Books Of The War

In fifty years, when peace outshines
Remembrance of the battle lines,
Adventurous lads will sigh and cast
Proud looks upon the plundered past.
On summer morn or winter's night,
Their hearts will kindle for the fight,
Reading a snatch of soldier-song,
Savage and jaunty, fierce and strong;
And through the angry marching rhymes
Of blind regret and haggard mirth,
They'll envy us the dazzling times
When sacrifice absolved our earth.

Some ancient man with silver locks
Will lift his weary face to say:
'War was a fiend who stopped our clocks
Although we met him grim and gay.'
And then he'll speak of Haig's last drive,
Marvelling that any came alive
Out of the shambles that men built
And smashed, to cleanse the world of guilt.
But the boys, with grin and sidelong glance,
Will think, 'Poor grandad's day is done.'
And dream of lads who fought in France
And lived in time to share the fun.

 

 2071077-ebfc54dfbf9af0003b311fe50006aa67.jpg
Siegfried Sassoon (8 september 1886 – 1 september 1967)

 

 

De Nederlandse dichter, letterkundige, schrijver, essayist en literair vertaler Anthonie Donker (Nicolaas Anthonie Donkersloot ) werd geboren in Rotterdam op 8 september 1902. Zie ook alle tags voor Anthonie Donker op dit blog.

 

Het zieke meisje

Zij sloot haar ogen voor de wrede zon en
Ontvoer volkomen de aanwezigheid
Der anderen. Zij heeft zich diep bezonnen,
Zij was alleen geweest ten allen tijd.

Achter haar warme oogleden begonnen
De fluisteringen van de eeuwigheid.
Waarom was zij niet eerder overwonnen
En van haar liefde en haar smart bevrijd?

- Toen zij haar ogen eind'lijk opende
Waren er stemmen en zij zocht bevreesd
De zachte streling van een teed're hand.

Zij glimlachte, maar sprak niet van het land
Waarin zij diep verloren was geweest,
Want zij bevond zich weder hopende.

 

 

De Onvervulde

- Zij zag hem opstaan en de lamp aansteken.
De warme, milde lichtkring bracht hen nader
Hij zocht haar oogen, die hem snel ontweken.
Toen zei hij aarz'lend, zij geleek haar vader.

Zij trok den smallen doek strak om haar schouder.
Hij had haar schuwe weif'ling niet gezien.
Hij naderde; zij werden beiden ouder.
Zóó anders had zij het gedroomd voordien -

- Ver, in den duistren tuin juichte een merel.
Zij hief zich op uit haar herinnering.
't Geluk scheert rakelings voorbij de wereld.

Zij zag haar schralen schoot en haar verdorde
Vingers spelende om den doffen ring,
En vroeg zich af hoe het zóó was geworden.

 

 2071077-cc10341348dbf8063405ee424c1836c5.jpg
Anthonie Donker (8 september 1902 – 26 december 1965)
Clara Eggink, Anthonie Donker en Victor van Vriesland in 1965

 

 

De Duitse dichter en schrijver Clemens Brentano werd geboren op 8 september 1778 in Ehrenbreitstein. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Clemens Brentano op dit blog.

 

Vor einem Madonnenbilde

Ach! so fühlst du ihn denn auch
Diesen Glanz, so keusch und milde
Wie des Schöpfers Lebenshauch
Auf dem ersten Ebenbilde.

Also hob im ersten Tau,
Wie ein Kind im Heiligtume,
Auf des Paradieses Au
Still ihr Haupt die erste Blume.

Ach! dies ist kein irdscher Glanz,
Unerneuert, unverloren,
Ewig aus dem Lichte ganz
Vor der Sünde ausgeboren.

Dieses Weiß und dieses Rot
Ist noch nie gerichtet worden,
Keine Sünde und kein Tod
Kann je dieses Leben morden.

Nie erröten wird dies Weiß,
Dieses Rot wird nie erbleichen,
Denn in diesen Farbenkreis
Kann nicht Scham, nicht Schrecken reichen.

Aus dem Himmelgarten sind
Diese tiefen Blumenfarben,
Die zum Kranz das fromme Kind
Nahm aus reifer Ähren Garben.

Diese Anmut ist kein Schein,
Ist auch nicht der Glanz der Jugend;
Nichts vermag so schön zu sein,
Als der ewge Glanz der Tugend.

 

 

Du

Die Erde war gestorben
Ich lebte ganz allein
Die Sonne war verdorben,
Bis auf die Augen dein.

Du bietest mir zu trinken
Und blickst mich nicht an
Läßt du die Augen sinken
So ist's um mich getan.

Der Frühling regt die Schwingen
Die Erde sehnet sich
Sie kann nichts wiederbringen
Als dich, du Gute, dich.

 

 2071077-d4388cd1fab6f4960ba336c6cf922f02.JPG
Clemens Brentano (8 september 1778 – 28 juli 1842)
Het huis van de familie Brentano in Oestrich-Winkel, waar Clemens Brentano zelf echter zelden verbleef. Menig andere vertegenwoordiger van de Rijnromantiek echter wel, evenals Goethe die er een deel van zijn “Italienischen Reise” schreef.

 

 

De Duitse schrijver Wilhelm Raabe werd op 8 september 1831 in Eschershausen geboren. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Wilhelm Raabe op dit blog.

Uit: Stopfkuchen. Eine See- und Mordgeschichte

„Aber es ist doch hübsch im Vaterlande, und wenn dem nicht so wäre, so würde ich dieses sicherlich nicht der Rückreise-Unterhaltung wegen an Bord des Hagebucher auf den langen Wogen des Atlantischen Ozeans niederschreiben. Zum wenigsten werde ich mir, wenn das Wetter gut bleibt, dreißig nicht ganz unnütz verträumte Seefahrtstage – von Hamburg aus gerechnet – durch die ungewohnte Federarbeit verschaffen. Wie aber würden sich meine Nachbarn am Oranjefluß und im Transvaalschen über unsern gemeinsamen Vetter Stopfkuchen wundern und freuen, wenn sie das Kajütengekritzel lesen könnten, so sie es in die Hände kriegten! Zu dem letzteren ist aber so wenig eine Aussicht wie zu dem ersteren, und unser Präsident, mein guter Freund daheim im Burenlande, hat wirklich auch wenig Zeit zu so was, sonst täte er mir wohl den Gefallen und sagte mir seine Meinung über mein Manuskript.
Es war eine sternenklare Nacht, und wir waren auf dem Heimweg. Nicht nach dem Kap der Guten Hoffnung, sondern vom »Brummersumm«. Einer, gottlob, unter einem ganzen, ja auch unter einem halben Dutzend deutscher Männer hat immer Astronomie ein wenig gründlicher getrieben als die übrigen und weiß Auskunft zu geben, Namen zu nennen und mit seinem Stabe zu deuten, wo die andern vorübergehend in der schauerlichen Pracht des Weltalls verlorengehen und kopfschüttelnd sagen: Es ist großartig.
Man kann in vielen Wissenschaften Bescheid wissen und sich doch bei passender, stimmungsvoller Gelegenheit belehren lassen müssen, wo der Sirius zu finden ist, wo die Beteigeuze und wo der Arktur und der Aldebaran. Die den Orion kennen, sind den andern schon weit voraus, denn auch was die Sternbilder anbetrifft, tappen die meisten im dunkeln. So allein und einfach wie mein südliches Kreuz steht das nicht am Himmel, und wenn nördliche Männer den Großen Bären zu finden wissen, ist das schon viel; doch verfallen auch hierbei nicht üble Kenner manchmal in den Irrtum, daß sie den Polarstern ihm zurechnen und nicht dem Kleinen Bären.
Wir sahen auf dem Heimweg vom Brummersumm nach den Sternen. So gegen Mitternacht, wo sie dann und wann am schönsten zu sehen sind und einer am wenigsten bei seiner Betrachtung gestört wird. Zu den Stunden auf einem Feldweg allein mit den noch übrigen Genossen seiner Jugend zu sein – das ist etwas! Wovon man reden mag, ob von Politik, Börsengeschäften, Fabrikangelegenheiten, Ästhetik: jeder Mann und berufenste Mitredner in allem diesem darf ungehöhnt sein gescheitestes Wort abbrechen und aufblinzelnd bemerken: Da liegt auch was drin!“

 

 2071077-609af8164124356eff3005a16eb2e16d.png
Wilhelm Raabe (8 september 1831 - 15 november 1910)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Eduard Mörike werd geboren op 8 september 1804 in Ludwigsberg. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Eduard Mörike op dit blog.

 

Septembermorgen

Im Nebel ruhet noch die Welt,
noch träumen Wald und Wiesen;
bald siehst du, wenn der Schleier fällt,
den blauen Himmel unverstellt,
herbstkräftig die gedämpfte Welt
in warmem Golde fließen.

 

 

Nur zu!

Schön prangt im Silbertau die junge Rose,
Den ihr der Morgen in den Busen rollte,
Sie blüht als ob sie nie verblühen wollte
Und ahnet nichts vom letzten Blumenlose.

Der Adler schwebt hinan ins Grenzenlose,
Sein Auge trinkt sich voll von sprühndem Golde;
Er ist der Tor nicht, daß er fragen sollte,
Ob er das Haupt nicht an die Wölbung stoße.

Mag denn der Jugend Blume uns verbleichen,
Noch glänzet sie und reizt unwiderstehlich;
Wer will zu früh so süßem Trug entsagen?

Und Liebe, darf sie nicht dem Adler gleichen?
Doch fürchtet sie; auch fürchten ist ihr selig,
Denn all ihr Glück, was ist's? ein endlos Wagen!

 

 

In dieser Winterfrühe

In dieser Winterfrühe
wie ist mir doch zumut!
O Morgenrot, ich glühe
vor deinem Jugendblut.

Es glüht der alte Felsen
und Wald und Burg zumal,
berauschte Nebel wälzen
sich jäh hinab ins Tal.

Mit tatenfroher Eile
erhebt sich Herz und Sinn
und flügelt goldne Pfeile
durch alle Ferne hin.

Ach wohl! was aus mir singet
ist nur der Liebe Glück,
die wirren Töne schlinget
sie sanft in sich zurück.

 

 2071077-62752277424786589981aa8111a12841.jpg
Eduard Mörike (8 september 1804 – 4 juni 1875)
Evangelische St.-Jost-Kerk en het Mörike-museum in het oude schoolhuis in Cleversulzbach, waar Mörike van 1834 tot 1843 werkte als pastor.

 

 

De Frans-Belgische schrijver Franz Hellens (pseudoniem van Frédérique van Ermenghem) werd op 8 September 1881 uit Vlaamsche ouders in Brussel geboren. Zie ook alle tags voor Franz Hellens op dit blog.

Uit: Emile Verhaeren. Les blés mouvants

“Geene dichtersloopbaan is in onze tijden zoo schoon te noemen als die van Emile Verhaeren. Zij is het niet zoozeer nog vanwege een aldoor rijper talent : wat men onder talent verstaat is eene zeer wisselvallige geesteswerking die, naarmate zij den drang gevoelt, en er aan gehoorzaamt, van de verdieping en van de loutering, vaak er geen uitdrukking voor vindt die niet troebelder en meer-ingewikkeld dan in vroeger stadium schijnt te zijn. Daar hebt gij, als voorbeeld, Rimbaud : op zestienjarigen leeftijd als verskunstenaar een wonderkind, neen, een der sterkste en fijnste, tevens meest-persoonlijke dichters van Frankrijk. In schijn dragen deze verzen — de eerste die sluiten op „Le Bateau ivre" en „Les Corbeaux" — het merk van het hoogst-bereikbare talent; zij zijn van eene spontane zekerheid, eene geniale frischheid in het definitieve van hun vorm, waar het meer-fluide, lang niet zoo vaste, vaak hortende, soms stamelende van de gedichten, die in de latere „Illuminations" zijn opgenomen, voor elken gewonen lezer leelijk bij afsteken zal; al weet hij, die Rimbaud kent en doorziet, te goed welke grondige ontwikkeling oak van het talent het sterk-elliptische of sinueus-verglijdende van deze, anders onrustbarende, lang niet onmiddellijk-bevredigende verzen, beteekent.
Hierin Verhaeren bij Rimbaud te vergelijken (dien ik als voorbeeld koos omdat geen dichter zulke scherpe, en tevens voor den doorsnee-liefhebber-van-poezie teleurstellende ontwikkeling vertoonde) gaat niet aan. Verhaeren weliswaar bleek eveneens van bij zijn eersten bundel een rijk instrument volkomen meester te zijn.
Zou echter tot bij „Les Villes tentaculaires" zijne virtuositeit boek aan boek schijnen te rijzen, het kan goed gebeuren dat sommigen in „Les Forces tumultueuses", „La multiple Splendeur" en „Les Rythmes souverains" noode de luide en machtige assonanties, de hamerende en beitelende stafrijmen en de rijkwisselende, steeds zoo bewust-wendende arabeske van den rythmus missen die van „Les Villages illusoires" bijvoorbeeld een zoo uitzonderlijk boekje maken. Al meenen wij dat, in zijn onopgesmukten, naakteren eenvoud, deze jongste bundel van den Meester : „Les Bles mouvants", ook hierin — aan talent dus — hooger staat.”

 

 2071077-87afcdf0a23347f0d4ec019ebc754e01.jpg
Franz Hellens (8 september 1881 – 20 januari 1972) 
Hier met Maxime Gorki (links) in 1926

 

 

De Zwitserse schrijver Perikles Monioudis werd geboren op 8 september 1966 in Glarus. Zie ook alle tags voor Peikles Monoudis op dit blog en ook mijn blog van 8 september 2010.

Uit: Land

"Er öffnete eine Pistazie und warf sie, wie er es hier beobachtet hatte, aus dem Handgelenc in den Mund. Die Hülsen steccte er in die Hosentasche, die er, als sie sich zu füllen begann, neben einer Palme ausschüttelte. Die Pistazien schmeccten. Er sollte vielleicht ein Pfund auf Vorrat kaufen – doch wann würde er hier die Möglichceit haben, Kadaifi oder Baclava zuzubereiten?
Er versicherte sich der Brieftasche im Jackett, kam sich gleich kindisch vor, man hatte es nicht auf seine Brieftasche abgesehen. Woher diese Befürchtung, fragte er sich.
Er machte ein paar Schritte und setzte sich ans Ende einer Bank, neben eine Familie; hier, im Orient, wo auch er in der Lage war, für sich Unterscheidungen zu treffen und sich in diesen eingebildeten oder tatsächlichen Unterscheidungen als das zu sehen, was er nicht war: ein auf Anhieb Eindeutiger.
Der Mann mit dem Samowar auf dem Rücken bot ihm das leere Glas an, ließ sich nicht abweisen. Der bittere schwarze Tee war noch warm. Der Reisende gab das leere Glas zurück, kramte Augenblicke später schon wieder in der Innentasche des Jacketts, nach einem Schein für das Ticket, das ihm ein Alter in einem verschlissenen braunen Anzug in die Hand drückte. Er konnte den Schriftzug auf dem Papierstreifen mit Mühe lesen, kam sich dabei erneut wie ein Ungebildeter vor.
Er erinnerte sich an den Moment, da er, mit zwölf oder etwas älter, verstanden hatte, daß er nicht alles über die Welt wissen konnte. Der Junge lag auf dem Bett, dachte nach, blickte in sich, flößte sich selbst eine kindliche, scheinbar grenzenlose Kraft ein, die immer wieder einen Größenwahn, einen doch höchst eigenen Wahn, eine Art phantastischer Ekstase hervorbrachte: den Kapitän auf den Weltmeeren verlangte es nach Betätigung, den einsamen Beduinen nach Beanspruchung, den großen Erfinder nach Herumgehen, Reisen.
Der Wahn endete öfter unter dem Bett, wo der Junge sich jahrelang mit Vorliebe ausgestreckt hatte, oder dann gleich auf dem Bett, das französisch gemacht war, mit weißem Lacen, einem weiteren Lacen und der dünnen, blauen Schlafdecke. Nachts kam die Daunendecke drauf, tagsüber, während sie neben dem Daunencissen im Bettschrank am Kopfende verstaut war, der weinrote Überwurf.“

 

 2071077-62ff6b0afa6868240652926bb39fc5bd.jpg
Perikles Monioudis (Glarus, 8 september 1966)

 

 

De Franse (Occitaanse) dichter en schrijver Frederic (Frédéric) Mistral werd geboren op 8 september 1830 in Maillane. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Frederic Mistral op dit blog.

Uit: Mireio. A Provencal poem (Fragment)

 

CANTO I.
Lotus Farm.

" Look ! There 's their olive-orchard, interraixt
With rows of vines and almond-trees betwixt.
The beauty of it is, that vineyard hath
For every day in all the yeai' a path !
There 's ne'er another such the beauty is ;
And in each path are just so many trees."

" O heavens ! How many hands at harvest-tide
So many trees must need ! " young Vincen cried.
" Nay : for 'tis almost Hallowmas, you know.
When all the girls come flocking in from Baux,*
And, singing, heap with olives green and dun
The sheets ^ and sacks, and call it only fun."

The sun was sinking, as old Ainbroi said ;
On high were little clouds a-flusli with red ;
Sideways ujDon their yoked cattle rode
The laborers slowly home, each with his goad
Erect. Night darkened on the distant moor ;
'Twas supper-time, the day of toil was o'er.


Vertaald door Harriet Waters Preston

 

 2071077-9617288a588f9be21b9f34ddbe787f0f.jpg
Frederic Mistral (8 september 1830 – 25 maart 1914)
Portret door Felix Auguste Clement, 1885

 

 

De Amerikaanse schrijfster Grace Metalious werd geboren in Manchester, New Hampshire, op 8 september 1924. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Grace Metalious op dit blog.

Uit: Peyton Place

“Early that same evening, Dr. Swain telephoned to Seth Buswell that he would be unable to join with the other men of Chestnut Street to play poker.
"What's the matter, Matt?" asked the newspaper editor. "Did we push your luck too far? Somebody go and get sick?"
"No," said the doctor. "But some things at the hospital need straightening out and I should attend to them this evening."
"Nothing in the accounting department, I hope," said Seth laughing. "I hear that those guys from the state auditor's office are bastards."
"No, Seth. Nothing in the accounting department," said the doctor, and his hearty laugh was strained. "But I'd better watch my step or the Feds'll be on my tail."
"Sure, Matt," laughed Seth. "Well, sorry you can't make the game. See you tomorrow."
"See you, Seth," said Dr. Swain and hung up gently.
Selena Cross had not left the doctor's house. She lay in a darkened upstairs bedroom with a cool cloth on her forehead.
"Stay here," the doctor had told her. "Stay right here on the bed, and when you feel a little better we'll talk over what we can do."
"There's nothing to do," said Selena and retched violently while the doctor held a basin for her.
"Lie quietly," he said. "I have to go downstairs for a while."
In his dining room, Matthew Swain went at once to the sideboard where he poured himself a large drink of Scotch whisky.
Gin, Scotch, young girls in bed upstairs, I'd better watch out, he thought wryly. If I'm not careful, I'll be getting a reputation as a drunken old reprobate who is no longer the doctor he once was.
He carried the second drink into his living room and sat down on a brocaded sofa in front of the empty fireplace.
What are you going to do, Matthew Swain? he asked himself. Here you've been shooting your mouth off for years. What will you do now, when it is time to put your fancy theories to the test? Nothing dearer than life, eh, Matthew? What is this thing you are thinking of doing if it isn't the destruction of what you have always termed so dear?”

 

 2071077-9f28214d4b5bc1d30d8d9760ddffa140.jpg
Grace Metalious (8 september 1924 - 25 februari 1964)
De vaste cast van de tv-serie (1964 – 1969): Dorothy Malone, Ed Nelson, Barbara Parkins, Christopher Connelly, Ryan O'Neal, Mia Farrow en Tim O'Connor.

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e september ook  mijn blog van 8 september 2013 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:50 Reageer op dit bericht

Elly de Waard

De Nederlandse dichteres, vertaalster, recensente en popcritica Elly de Waard werd geboren in Bergen (NH) op 8 september 1940. Vijftien jaar lang verschenen van haar hand recensies over popmuziek in Het Vrije Volk, de Volkskrant en Vrij Nederland. Na het Murmelliusgymnasium studeerde De Waard Neerlandistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Ze woonde in de jaren zestig samen met dichter Chr.J. van Geel. Na zijn dood in 1974 begon ze zelf met het schrijven van poëzie. In 1978 debuteerde ze als dichter met de bundel “Afstand”. Haar belangrijkste voorbeelden waren Emily Dickinson, Sylvia Plath, Vasalis en Ida Gerhardt. In de jaren tachtig was Elly de Waard actief in de vrouwenbeweging, met name de literaire kant. In 1986 stichtte ze samen met Anja Meulenbelt, Renate Dorrestein en Caroline van Tuyll de Anna Bijns Stichting (vernoemd naar vroegmoderne dichteres Anna Bijns), die tweejaarlijks een prijs toekent aan een vrouwelijke auteur. Elly de Waard is tevens jurylid geweest voor de Edison Music Award, P.C. Hooft-prijs, VSB Poëzieprijs, Herman Gorterprijs en de C. Buddingh'-prijs. Van 2007 tot 2008 was zij vaste medewerker van het weekblad Opinio.

 

 

Ochtend in de tuin, mijn ogen

Ochtend in de tuin, mijn ogen
tranen van het opstaan
Naar het mooie dat ik zien wil
moet ik haast raden

Het is maar klein verdriet
dat meekomt, kleine tegenslagen
Misschien van gisteren pas
of enkele dagen

Maar het draagt wel onvermijdelijk
de herinnering aan pijnlijk
grote dingen, soms nog uit
een ver verleden, in zich

Het geleefde is één geheel
dat ouder wordend steeds
bepaalder raakt, als een gedicht
waarvan de laatste regel nadert

 

 

Klimaatverandering

Waarom was de herfst droog, mediterraan
en dat na zo'n moessonzware zomer.

Eergisteravond, na drie keer een volle maan
ononderbroken continentaal, was de wind

opeens gedraaid in zijn normale richting;
de adem van de zee stoof over het land

en ik snoof het zout dat ik gemist had en de geur
van vuur in hout. Eindelijk tijd voor westerstormen

brekende takken, krakende bomen, dwarrelsneeuw
van blad. Het regent nu, wolken

van neerslaand water worden door het bos
geslagen. Ook op de binnenvaart is er

herademing. Rivieren kunnen weer stijgen
boten varen, ladingen verder gedragen.

 

 

Als Cassandra

Wie is er geen Cassandra in een tijd
waarin je zonder visionair te zijn
kunt zien dat Troje zal gaan branden?

Aan rafelranden van de stad en in
de buitenwijken smeult het al –
Luister, het is de wind niet, blijf niet doof

en blind, het zijn miljoenen naderende
voeten, aanschuifelend tot een storm
die weinig overeind zal laten staan

Berg je nu het nog kan, want wie gesteld
is boven ons is machteloos en arrogant
en zal alleen zichzelf trachten te redden

 

 

 2170986-3156f5c3e84e098648930e543e75b114.jpg
Elly de Waard (Bergen, 8 september 1940)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten