Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Yolanda Entius

De Nederlands schrijfster en actrice Yolanda Entius werd geboren in Den Haag op 6 december 1961. Haar jeugdjaren bracht ze door in Den Haag, Waddinxveen en Stolwijk. Op haar zeventiende ging zij geschiedenis studeren aan het Historisch Seminarium in Amsterdam. Begin jaren 80 ging ze naar de Toneelschool. Na haar afstuderen was zij werkzaam als acteur, scenarioschrijver en filmregisseur. Entius was te zien in de films “Ornithopter” en “Reis zonder einde”, beiden van Annette Apon, en in de comedy “Krokodillen in Amsterdam”, waarvoor zij mede het scenario schreef. Op toneel was Entius te zien in voorstellingen van haarzelf, en van Koos Terpstra, Ernst Braches, Theater van het Oosten en Theatergroep Mugmetdegoudentand. In 1996 verscheen de door haar geschreven en geregisseerde film “Laagland”, een jaar later gevolgd door de Lolamoviola (VPRO) "Wintergasten". Ze speelde diverse kleine televisierollen voor BVD, Hertenkamp en TV7. Momenteel is zij voornamelijk werkzaam als schrijfster. Haar eerste roman, “Rakelings”, verscheen in 2005. Dit werk werd bekroond met de Selexyz Debuutprijs 2006. In 2007 verscheen de roman “Alleen voor helden” en in 2010 “De gelukkigen”. In 2011 verscheen “Het kabinet van de familie Staal”. De roman stond op de longlist van de AKO Literatuurprijs 2011. Entius werd genomineerd voor de Halewijnprijs, “Het kabinet van de familie Staal” werd genomineerd voor de Opzij Literatuurprijs 2012. In 2017 publiceerde zij de roman “Abdoel en Akil”.

Uit: Rakelings

“Het was al herfst toen ik Maria K. ontmoette. Het kostte me nog heel wat moeite om haar op te sporen en om toestemming te krijgen voor een bezoek aan haar. Ze zat in een gesloten inrichting en ik moest bij verschillende autoriteiten en instanties een schriftelijk verzoek indienen. Dat verzoek ging door de maag- en darmstelsels van al die instanties en autoriteiten. En toen dan eindelijk alle benodigde toestemmingen bij mij op de deurmat waren gespuugd, ontbrak er nog maar één: de belangrijkste, die van Maria, want ook al had ze me destijds zelf benaderd, de tijd had niet stilgestaan en ze had het recht bezoek te weigeren. Ik kon niet uitsluiten dat ze inmiddels van gedachte was veranderd.
Ik vroeg me af wat me te wachten stond. Ik probeerde haar voor me te zien. Ik vroeg me af wat ze zou kunnen doen of zeggen dat mij vlot zou trekken, maar ik wist natuurlijk niks te verzinnen. Het was onzin, alles was onzin, ik maakte mezelf alleen maar doodongelukkig met deze dode mus. Toch klopte mijn hart; het sprong niet over van opwinding, maar het klopte wel degelijk. De spanning als ik de post doornam, de zenuwen als de telefoon ging, de teleurstelling als het mijn moeder was of Colette; het had allemaal de illusie van een leven, een opwindend leven zelfs.
Elke ochtend luisterde ik naar het geklepper van de brievenbus, het vallen van de enveloppen op de mat. Bankafschriften, een kaartje van de bibliotheek voor Jan waarin stond dat de boete voor het niet op tijd inleveren van De Brief aan de Koning opnieuw verhoogd was, een verzoek om mijn bijdrage aan het Wereldnatuurfonds te verhogen, een uitnodiging voor de bruiloft van ene Marloes en Bob: Anke was van harte uitgenodigd, en als ze iets voor het bruidspaar wilde doen of zingen kon ze contact opnemen met Janneke 'weet je nog derde rij links bij Joeri van Heemskerk', (ik moest maar eens aan Anke vragen of ze dat nog wist) en o ja Anke mocht vanzelfsprekend iemand meenemen… een btw-aanslag, de laatste vakantiekaartjes: Henk en Nico trokken door Turkije, Sjoukje deed een weekend Drenthe, Willemijn was met een groep naar Toscane.
Op een druilerige ochtend ontving ik dan eindelijk een ansichtkaart van Maria K. Op de voorkant stond een foto van een konijnengezin in een duinpan. Zand, helmgras, blauwe lucht, jong geluk. Op de achterkant stond:"Beste Douwe, ik wil je graag ontmoeten. Met vriendelijke groeten Maria T. Koenen."

 

 2107697-f016848e076b274d845cd2bd8745bde5.png
Yolanda Entius (Den Haag, 6 december 1961)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Charlotte Wood

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Australische schrijfster Charlotte Wood werd geboren in 1965 in Cooma, New South Wales. Woods behaalde een PhD van de University of New South Wales; een Master of Creative Arts van UTS en een BA van de Charles Sturt University. Zij schreef vijf romans – “Pieces of a Girl” (1999), “The Submerged Cathedral” (2004), “The Children” (2007), “Animal People” (2011) en “The Natural Way of Things” (2015). Ze heeft ook een bundel interviews gepubliceerd met Australische schrijvers, “The Writer’s Room” (2016) en een bundel persoonlijke reflecties over koken “Love & Hunger” (2012). Ze was ook redacteur van een bloemlezing over het schrijven over broers en zussen, “Brothers & Sisters” (2009). In 2016 kreeg zij voor “The Natural Way of Things” de Stella-prijs, de Indie Book Award Novel of the Year en de Book of the Year, en stond zij op de shortlist van diverse andere prijzen. “Animal People” stond in 2013 op de shortlist voor de Literary Awards van de NSW Premier en stond op de longlist voor de Miles Franklin Award 2012. Woods heeft een achtergrond in de journalistiek en heeft ook op verschillende niveaus als docente creatief schrijven gewerkt. In 2014 werd ze benoemd tot voorzitter van Arts Practice, Literature, at the Australia Council for the Arts - een benoeming van drie jaar waar door budgetbeperkingen naar een jaar van overbleef. In mei 2016 werd bekend dat Wood de Writer in Residence Fellowship kreeg aan het Charles Perkins Center van de University of Sydney.

Uit: The Natural Way of Things

„So there were kookaburras here. This was the first thing Yolanda knew in the dark morning. (That and where's my durries?) Two birds breaking out in that loose, sharp cackle, a bird call before the sun was up, loud and lunatic. She got out of the bed and felt gritty boards beneath her feet. There was the coarse unfamiliar fabric of a nightdress on her skin. Who had put this on her? She stepped across the dry wooden floorboards and stood, craning her neck to see through the high narrow space of a small window. The two streetlights she had seen in her dream turned out to be two enormous stars in a deep blue sky. The kookaburras dazzled the darkness with their horrible noise. Later there would be other birds; sometimes she would ask about them, but questions made people suspicious and they wouldn't answer her. She would begin to make up her would have known there could he so many birds in the middle of absolutely fucking nowhere? But that would all come later. Here, on this first morning, before everything began, she stared up at the sky as the blue night lightened, and listened to the kookaburras and thought, Oh, yes, )nu are right. She had been delivered to an asylum. She groped her way along the walls to a door. But there was no handle. She felt at its edge with her fingernails: locked. She climbed back into the bed and pulled the sheet and blanket up to her neck. Perhaps they were right. Perhaps she was mad, and all would be well. She knew she was not mad, but all lunatics thought that. When they were small she and Darren had once collected mounds of moss from under the tap at the back of the flats, in the dank corner of the yard where it was always cool, even on the hottest days. They prised up the clumps of moss, the earth heavy in their fingers, and it was a satisfying job, lifting a corner and being careful not to crack the lump, getting better as they went at not splitting the moss and pulling it to pieces. They filled a crackled orange plastic bucket with the moss and took it out to the verge on the street to sell. 'Moss for sale!' they screamed at the hot cars going by, giggling and gesturing and clowning, and, 'Wouldja like to buy some moss?' more politely if a man or woman walked past. Nobody bought any moss, even when they spread it beautifully along the verge, and Darren sent Yolanda hack twice for water to pour over it, to keep it springy to the touch.”

 

 2099077-413ba26ed1fc7ab71f6f2317ecc53783.jpg
Charlotte Wood (Cooma, 1965)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

A Ballad Of Santa Claus (Henry van Dyke)

 

Bij Sinterklaas                    

 

2098662-041824589f351cbf1e0a6def37978f16.jpg

 

 

A Ballad Of Santa Claus

Among the earliest saints of old, before the first Hegira,
I find the one whose name we hold, St. Nicholas of Myra:
The best-beloved name, I guess, in sacred nomenclature,—
The patron-saint of helpfulness, and friendship, and good-nature.

A bishop and a preacher too, a famous theologian,
He stood against the Arian crew and fought them like a Trojan:
But when a poor man told his need and begged an alms in trouble,
He never asked about his creed, but quickly gave him double.

Three pretty maidens, so they say, were longing to be married;
But they were paupers, lack-a-day, and so the suitors tarried.
St. Nicholas gave each maid a purse of golden ducats chinking,
And then, for better or for worse, they wedded quick as winking.

Once, as he sailed, a storm arose; wild waves the ship surrounded;
The sailors wept and tore their clothes, and shrieked "We'll all be drownded!"
St. Nicholas never turned a hair; serenely shone his halo;
He simply said a little prayer, and all the billows lay low.

The wicked keeper of an inn had three small urchins taken,
And cut them up in a pickle-bin, and salted them for bacon.
St. Nicholas came and picked them out, and put their limbs together,—
They lived, they leaped, they gave a shout, "St. Nicholas forever!"

And thus it came to pass, you know, that maids without a nickel,
And sailor-lads when tempest blow, and children in a pickle,
And every man that's fatherly, and every kindly matron,
In choosing saints would all agree to call St. Nicholas patron.

He comes again at Christmas-time and stirs us up to giving;
He rings the merry bells that chime good-will to all the living;
He blesses every friendly deed and every free donation;
He sows the secret, golden seed of love through all creation.

Our fathers drank to Santa Claus, the sixth of each December,
And still we keep his feast because his virtues we remember.
Among the saintly ranks he stood, with smiling human features,
And said, "Be good! But not too good to love your fellow-creatures!"

 

 

Henry van Dyke (10 november 1852 – 10 april 1933)

 

 

 2098662-bfeb26eaea62299ff30c40aca3779019.jpg
Illustratie bij pakjesavond uit een Sinterklaasboek van de geplaagde Charlotte Dematons.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Geschreven door Romenu om 10:15 Reageer op dit bericht

Hanif Kureishi, Alois Brandstetter, Joan Didion, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev, Calvin Trillin, Afanasy Fet, Hans Helmut Kirst, Eugenie Marlitt

De Britse schrijver en regisseur Hanif Kureishi werd geboren op 5 december 1954 in Bromley, Kent. Zie ook alle tags voor Hanif Kureishi op dit blog.

Uit: The Buddha of Suburbia

“One day, when my father came home from work, he put his briefcase away behind the door and stripped to his vest and pants in the front room. He spread the pink towel with the rip in it on the floor. He got onto his knees – and he was by no means a flexible man – placed his arms beside his head, and kicked himself into the air.
‘I must practise,’ he said.
‘Practise for what, Dad?’
Now he was standing on his head on the pink towel. His stomach sagged. His balls and prick fell forward. The muscles on his arms swelled and he breathed energetically. My grandmother, who was not unkind but no physical radical, came into the room with a cup of tea. She looked at Dad and looked at me.
‘Practise, practise, practise,’ Dad said.
Grandma raised her grey head and called out immediately. ‘Margaret, Margaret, he’s doing it again!’
‘Leave it, grandma,’ I said. ‘Please.’
What are you, a policeman?’ she said. She called out once more. ‘Margaret! Just when we’re having our tea!’
Soon my mother hurried into the room to see the spectacle. She wore an apron and wiped her hands again and again on a tea towel.
‘Oh God, Haroon,’ she said to my father. ‘Oh God, oh God, oh God. All the front of you’s sticking out like that so everyone can see!’
She looked at me violently.
‘You encourage him to be like this!’
‘No I don’t.’
‘Why don’t you stop him then?’
She sat down and held her head. ‘Why can’t he be a normal husband?’
My grandmother blew on her tea. ‘Don’t upset yourself,’ she said. ‘That’s why he’s doing it.’
‘That’s not true,’ I said.
My mother’s voice rose. ‘Pull the curtains someone!’
‘It’s not necessary, Mum.’
‘Do it now!’
I quickly pulled the curtains on our back garden. We sat there for a while and looked at oblivious upside-down father. Neither my mother nor my grandmother smiled or said anything. When my father spoke his voice came out squashed and thin. His insides must have got pretty bent up when he did his positions.”

 

 2098657-eb5b472a8c978ea7fdc8fbbc1851b243.jpg
Hanif Kureishi (Bromley, 5 december 1954)
Hier met Salman Rushdie (links)

 

 

De Oostenrijkse schrijver en taalkundige Alois Brandstetter werd op 5 december 1938 in Aichmühl bei Pichl, Oberösterreich geboren. Zie ook alle tags voor Alois Brandstetter op dit blog.

Uit: Hier kocht der Wirt

“Und in Personalunion, habe ich hinzugefügt, in Personalunion, das hast du vergessen zu sagen. Also ohne Personal, das ich für mich arbeiten lassen könnte, das muß man hinzufügen.
Und bald werde ich das Wirtshaus endgültig zusperren und nur noch das Gotteshaus »betreiben«.
Dann werde ich ganz und ungeteilt und ausschließlich in den Dienst des Thomas von Gerlamoos treten und mich nur noch der heiligen Kunst widmen, hingeben und weihen ... Seit ich außerdem begonnen habe, mein Wirtshaus mit Kopien von gotischen Bildern zu schmücken, seit ich vor allem ein großes Bild mit dem Selbstbildnis des Thomas, dem lachenden Selbstbildnis aus der Stiftskirche St. Paul im Lavanttal, an die Wand gehängt habe und außerdem noch Bilder aus dem Georgskirche-Zyklus unserer Steinfelder Filialkirche, seitdem sagen die Spötter, es sei eh nicht mehr viel Unterschied zwischen dem Gotteshaus und dem Wirtshaus.
»Na, dann haltets euch wenigstens dran und redets am Stammtisch nicht so viel erbärmliches und gotteslästerliches Zeugs daher«, sage ich dann. Die mich kennen, wissen auch, daß ich kein Frömmler und kein bigotter Mensch bin und daß ich eine deutliche Sprache, eine spätgotische Aussprache halt, wie ich gern sage, durchaus liebe, aber eine gewisse Haltung und ein entsprechendes Benehmen leite ich von der hohen Kunst an den Wänden für mich schon ab. Und als einmal einem vor lauter Trinken beziehungsweise Saufen so schlecht und so schnell so schlecht geworden ist, daß er nicht mehr das Freie oder das Ende des Ganges erreicht hat, sondern sich unter einem Bild des Trefflinger Altares an die Wand gelehnt hat und an Ort und Stelle übergegangen ist und gespieben hat, ist mir das nicht nur wegen meines Bodens und der ekelhaften Wegwischerei, sondern auch im Hinblick auf die hohe Kunst an der Wand und ihrem Kontrast zu diesem tiefen menschlichen Fall peinlich und lästig gewesen.
Thomas von Villach scheint das Ganze freilich sehr witzig und lustig und wahrscheinlich mich ein wenig lächerlich gefunden zu haben. Jedenfalls hat er unverwandt von der Wand gelacht. Ihm war das offenbar auch nichts Neues. »Das kenne ich aus dem 15. Jahrhundert «, scheint er lachend zu sagen ...““

 

 2098657-18c5963cf91cc6a3e7ef68d7e79203e4.jpg
Alois Brandstetter (Aichmühl, 5 december 1938)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Joan Didion werd geboren in Sacramento Valley op 5 december 1934. Zie ook alle tags voor Joan Didion op dit blog.

Uit:Play It as It Lays

“WHAT MAKES IAGO EVIL? some people ask. I never ask.

Another example, one which springs to mind because Mrs. Burstein saw a pygmy rattler in the artichoke garden this morning and has been intractable since: I never ask about snakes.
Why should Shalimar attract kraits. Why should a coral snake need two glands of neurotoxic poison to survive while a king snake, so similarly marked, needs none. Where is the Darwinian logic there. You might ask that. I never would, not any more. I recall an incident reported not long ago in the Los Angeles Herald-Examiner: two honeymooners, natives of Detroit, found dead in their Scout camper near Boca Raton, a coral snake still coiled in the thermal blanket. Why? Unless you are prepared to take the long view, there is no satisfactory answer to such questions.
Just so. I am what I am. To look for "reasons" is beside the point. But because the pursuit of reasons is their business here, they ask me questions. Maria, yes or no: I see a cock in this inkblot. Maria, yes or no: A large number of people are guilty of bad sexual conduct, I believe my sins are unpardonable, I have been disappointed in love. How could I answer? How could it apply? NOTHING APPLIES, I print with the magnetized IBM pencil. What does apply, they ask later, as if the word "nothing" were ambiguous, open to interpretation, a questionable fragment of an Icelandic rune. There are only certain facts, I say, trying again to be an agreeable player of the game. Certain facts, certain things that happened. (Why bother, you might ask. I bother for Kate. What I play for here is Kate. Carter put Kate in there and I am going to get her out.) They will misread the facts, invent connections, will extrapolate reasons where none exist, but I told you, that is their business here.
So they suggested that I set down the facts, and the facts are these: My name is Maria Wyeth. That is pronounced Mar-eye-ah, to get it straight at the outset. Some people here call me "Mrs. Lang," but I never did. Age, thirty-one. Married. Divorced. One daughter, age four.”

 

 2098657-417441f58d569b97d46c1eaf35c263c5.jpg
Joan Didion (Sacramento Valley, 5 december 1934)
In de jaren 1970 

 

 

De Engelse dichteres en schrijfster Christina Georgina Rossetti werd geboren in Londen op 5 december 1830. Zie ook alle tags voor Christina Rossetti op dit blog.

 

Gedenk me

Denk nog aan mij als ik ben heengegaan
ver hiervandaan tot in 't stille land;
als jij me niet meer vasthoudt bij de hand
wanneer ik half wil gaan en half blijf staan.

Denk nog aan mij zoals je elke dag
vertelde van de toekomst die je zag;
maar je begrijpt: voor samenspraak of raad
of samen stil zijn is 't dan te laat.

En mocht je me vergeten, af en toe
en dan weer aan me denken, huil maar niet;
want de gedachten die ik achterliet

als ik ben neergedaald in 't donk're graf,
ach, mogen zij glimlachend doen vergeten
liever dan droevig zijn en weten.

 

 

Bergop

Gaat deze weg soms helemaal bergop?
Als ik me niet vergis.
En is het een dag lopen tot de top?
Totdat het donker is.

Maar is er daar een slaapgelegenheid?
Ja, voor de lange uren van de nacht.
En in het duister vind ik die altijd?
Je ziet het eer je het verwacht.

Zal ik ook andere mensen daar ontmoeten?
Ja, hen die jou zijn voorgegaan.
Moet ik dan kloppen daar of stampen met mijn voeten?
Ze zullen je er heus niet laten staan.

En is het fijn daar als ik moe ben van het lopen?
Ze hebben daar voor jou hun best gedaan.
En mag men op een goede nachtrust hopen?
Ja, iedereen van overal vandaan.

 

Vertaald door H.F.H.Reuvers

 

 2098657-3b045a09b6a5d128da9ff24ef74dabfd.jpg
Christina Rossetti (5 december 1830 - 27 december 1894)
Cover

 

 

De Russische dichter Fjodor Tjoettsjev werd geboren op 5 december 1803 in Ovstug in het gouvernement Orjol. Zie ook alle tags voor Fjodor Tjoettsjev op dit blog.

 

Aan de vooravond van 4 augustus 1864

Langzaam loop ik langs de brede route,
’t Schemert zacht, de avond is nabij.
Zwaar is het, haast weigeren mijn voeten...
Lieveling, hier ben ik, zie je mij?

Steeds weer verder zal het donker spreiden -
’t Laatste licht vervliegt, het is voorbij...
Dit was eens de wereld van ons beiden.
Lieveling, hier ben ik, zie je mij?

Morgen zal de droeve dag herleven,
Morgen viert de smart opnieuw hoogtij...
Engel, waar je ziel ook moge zweven,
Lieveling, hier ben ik, zie je mij?

 

Vertaald door Nina Targan Mouravi

 

 

Mooi ben je zee in het nachtelijk duister

Mooi ben je zee in het nachtelijk duister, -
Hier helder stralend, en daar donker blauw...
't Maanlicht verleent je een glanzende luister,
Levend welhaast, alles flonkert aan jou...

Weids en immens, niet door grenzen omsloten
Schitter je, raas je met dondrende kracht...
Zee, met die wazige glans overgoten,
Wat ben je mooi in de eenzame nacht!

Alles is nietig bij jou vergeleken,
Deinende zee, vier je feest soms vandaag?
Rollende golven die bliksemend breken,
Heldere sterren zien waakzaam omlaag.

In dit gewoel sta ik klein en verloren,
Heel deze schittering lijkt wel een droom -
Steeds laat mijn ziel zich door jou weer bekoren.
O, kon ik meedrijven met deze stroom...

 

Vertaald door Margriet Berg en Marja Wiebes

 

 2098657-4d03108727882d916380b88a63d09a41.jpg
Fjodor Tjoettsjev (5 december 1803 – 27 juli 1873)

 

 

De Amerikaanse schrijver, journalist en columnist Calvin (Bud) Marshall Trillin werd geboren op 5 december 1935 in Kansas City, Missouri. Zie ook alle tags voor Calvin Trillin op dit blog.

Uit: Feeding a Yen

« But when I mentioned the Chinatown walk exchange to my wife, Alice, she had a different interpretation. She said that Abigail had been speaking ironically. I found it difficult to believe that anybody could be ironic about those bagels. They were almost black. Misshapen. Oniony. Abigail had always adored them. Both of my daughters have always taken bagels seriously. When my younger daughter, Sarah, was a little girl, I revealed in print that she wouldn't go to Chinatown without carrying a bagel--"just in case." At the time that Abigail and I had our conversation about the gnarly black pumpernickel bagel, Sarah was also living in California, in Los Angeles. She seemed perfectly comfortable with the Chinese food there. In fact, when I'd eaten with her at Chinois on Main, in Santa Monica, it occurred to me that her knowledge of the menu was nearly encyclopedic. She had many years before outgrown the need to have a bagel with her at a Chinese restaurant--which was fortunate indeed, because bagels in California were not anywhere near up to her standards.
For a while, I brought along a dozen or two New York bagels for Sarah whenever I went to Southern California, but I finally decided that this policy was counterproductive. "If a person prefers to live in California, which happens to be thousands of miles from her very own family," I told her, "it seems to me appropriate that such a person eat California bagels. I understand that in some places out there if you buy a dozen wheat germ bagels you get your choice of a bee pollen bagel or a ginseng bagel free." Sarah eventually moved back East. I'm not going to make any claims for the role of my bagel-withholding policy in that decision, but the fact remains: she did eventually move back East.
I have previously recorded Abigail's response, at age four or five, when, on a visit to my family in Kansas City, Missouri, she'd worked her way partly through a bagel I can describe, given my affection for my hometown, as an honest effort that had simply fallen way short of the mark, the baker having been put in the position a New York deli cook would have found himself in if asked to turn out a bowl of andouille gumbo. "Daddy," she said, "how come in Kansas City the bagels taste like just round bread?" In other words, she knew the difference between those bagel-shaped objects in the Midwest and the authentic New York item that had been hand-rolled and boiled in a vat and then carefully baked by a member in good standing of the Bakery and Confectionery Workers International Union. I think it might be fair to characterize her as having been a bagel prodigy.”

 

 2098657-8e7ecdf0000fe93a143e656f51e7aea2.jpg
Calvin Trillin (Kansas City, 5 december 1935)
Cover

 

 

De Russische dichter Afanasy Afanasievich Fet werd geboren op 5 december 1820 nabij Mzensk. Zie ook alle tags voor Afanasy Fet op dit blog,

 

The September Rose

Two sighs of morning air, that froze,-
(With her lips opened for a say),
How curiously has smiled the rose
On a September fleeting day!

And how has she ever dared
To greet, with air of springy queens,
The single blue-tit, in the bare
Shrubs fleshing in the orb of wings;

To bloom with steadfast dream that later,
Just leaving her cold bed in rest,
She’ll cling, the last and dissipated,
To a young hostess’s charming breast!

 

Vertaald door Yevgeny Bonver

 

 

Tryst

A whisper, a gentle sigh,
Trills of the nightingale;
The silver flash of the brook,
Asleep in the sleepy vale.

The shadows and shine of night—
Shadows in endless race ;
The sweep of a magical change
Over a sweet young face.

The blush of a rose in the mist,
An amber gleam on the lawn;
A rush of kisses and tears—
And oh, “the Dawn! the Dawn!”

 

Vertaald door John Pollen

 

 2098657-e3debac4ce65b6dba37aed1c2a6879b1.jpg
Afanasy Fet (5 december 1820 – 3 december 1892)

 

 

De Duitse schrijver Hans Hellmut Kirst werd geboren op 5 december 1914 te Osterode (voorm. Ost Preussen, nu Polen). Zie ook alle tags voor Hans Hellmut Kirst op dit blog.

Uit:08/15

„Der stattliche Rest aber, als »Nichteingeteilte« bezeichnet, reinigte das Revier, vom Boden bis zum Keller, von der Schreibstube bis zum Waschraum. Der Kanonier Vierbein befand sich inmitten des Haufens, der die untere Latrine reinigen sollte. Er fand das ganz in Ordnung; er hatte nichts anderes erwartet. Latrinen reinigen war eine Spezialität von ihm; solange er bei dieser Batterie war, wurde er regelmäßig dazu eingeteilt.
Ergeben, fast teilnahmslos, stand Vierbein da; in automatischer Bereitschaft, zusammenzufahren und Haltung anzunehmen, wenn abschließend »Stillgestanden« ertönen würde, hierauf »Wegtreten!« Worauf sie, die Nichteingeteilten, auf ihre Stuben sausten, Besen, Eimer und Lappen ergriffen und sich unverzüglich in der Nähe des zu reinigenden Objektes einfanden. Hier pflegte dann bereits ein jüngerer Unteroffizier oder ein älterer, für vertrauenswürdig gehaltener Gefreiter auf sie zu warten.
Während sich Vierbein auf diesen normalen Ablauf vorbereitete, bemerkte er, wie des Hauptwachtmeisters Blick nachdenklich auf ihm ruhte. Und Vierbein erschrak, als es gelindes Wohlwollen zu wittern glaubte, wußte er doch aus Erfahrung, daß es nie gut zu enden pflegte, wenn sich Vorgesetzte allzu intensiv mit ihren Untergebenen beschäftigten. Wie ein strapazierter, ausgebleichter Film zogen alle sich hieraus eventuell ergeben könnenden Möglichkeiten an ihm vorüber: Ausdehnung des Revierreinigens bis in die späten Abendstunden hinein; Zorn der Ungerechten: Entzug des heutigen Sonntagsurlaubsscheines; Aufzeichnung seines Namens im Spießbuch, mit Unterstreichung, was automatisch Urlaubssperre bedeutete. Und alles das hieß: Ingrid nicht sehen!
»Vierbein - ganz links 'raus!« rief der Spieß. Und Vierbein lief an das linke Ende, setzte sich ab und stand verlassen da.
Hauptwachtmeister Schulz fegte mit einem Kommandoplatz den Appellplatz leer. Nagelschuhe prasselten über das Pflaster. Im Kasernenblock rauschten kurz danach hundert Schuhe über die Korridore und Treppen. Einsam stand Vierbein auf dem zementierten Platz“.

 

 2098657-1e340b76c11844fd043382a3791294fb.jpg
Hans Hellmut Kirst (5 december 1914 - 23 februari 1989)

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Eugenie Marlitt werd geboren op 5 december 1825 in Arnstadt. Zie ook alle tags voor Eugenie Marlitt op dit blog.

 

Winter

Die Bäume glitzern rings im Eise,
Unheimlich lautlos rieselt Schnee.
Die weichen Flocken decken leise
Der Blumen letztes Todesweh.

Nur zwischen starren Zweigen hangen
Noch rote Beeren, frisch und licht,
Ein täuschend Leben! Rosenwangen
Auf einem Leichenangesicht.

Die gold'ne Sonne strahlt wie immer,
Doch wärmt sie nicht das öde Land.
An Menschenaugen mahnt ihr Schimmer,
Die falsch und treulos man erkannt.

 

 

Sehnsucht

Brausend zieht der Sturm vorüber.
Schwarz umhüllt der Himmel sich.
Stürme draußen, Kampf im Innern –
Mutter, Mutter, hörst du mich?

Fühlst du dort, wie all mein Fühlen
Rastlos zu dir aufwärts strebt,
Wie die Blume auf zum Lichte
Sehnsuchtsvoll den Kelch erhebt?

Ja, ich fühl' es immer tiefer:
Mit dem Mutterherzen bricht
Uns'res Lebens schönste Perle –
Mutterlieb' ersetzt sich nicht.

Trost war mir dein zärtlich Lächeln,
Sich'rer Port dein treuer Arm,
Und nun bin ich preisgegeben
Dem fühllosen Menschenschwarm.

Droben grollen Wetterwolken,
In mir grollet bitt'rer Schmerz,
Wie dort fahle Blitze zischen,
Zuckt mir schneidend Weh durch's Herz.

Und ich lebe wie der kranke
Baum, den Winterfrost zerstört.
Drunten hält ihn noch die Scholle,
Doch das Haupt dem Tod gehört.

 

 2098657-5036c52b37a7d1c35a3b9111232fb0d4.jpg
Eugenie Marlitt (5 december 1825 – 22 juni 1887)
Arnstadt, raadhuis in de Adventstijd

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2011 deel 2 en ook mijn blog van 5 december 2010 en eveneens mijn blog van 5 december 2009.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 5 december 2008 en ook mijn blog van 5 december 2007 en mijn blog van 5 december 2006.

Geschreven door Romenu om 10:13 Reageer op dit bericht

In Memoriam Jean d’Ormesson

In Memoriam Jean d’Ormesson

De Franse schrijver Jean d'Ormesson is in de nacht van 4 op 5 december 2017 overleden aan een hartstilstand. Hij werd 92 jaar. Jean d'Ormesson (eig. Jean Lefèvre, comte d'Ormesson) werd geboren op 16 juni 1925 in Parijs. Zie ook alle tags voor Jean d'Ormesson op dit blog.

Uit: Comme un chant d’espérance

"L’idée, chère à Flaubert, d’un roman sur rien m’a longtemps travaillé en silence. Elle m’est revenue en mémoire par un détour bizarre. Pour préparer deux de mes livres récents – C’est une chose étrange à la fin que le monde et Un jour je m’en irai sans en avoir tout dit –, je me suis intéressé en néophyte à un domaine qui m’était étranger et qui a fait depuis cent ans des progrès fascinants : la physique mathématique et la cosmologie.
Parvenant, comme par miracle, en suivant des chemins divers, à des conclusions identiques, qu’est- ce que les mathématiciens et les astronomes ont découvert de notre vivant, les uns en théorie et par le calcul, les autres par l’expérience et par l’observation ? Pour dire les choses en un mot, que l’univers a une histoire. C’était un coup de tonnerre dans le ciel de la science.
Longtemps, de grands esprits, Aristote en tête, ont pensé que le monde était immobile et éternel.
Les Grecs, qui ont presque tout inventé il y a deux mille cinq cents ans sur les côtes de l’Ionie, c’est-à- dire de la Turquie d’aujourd’hui – la géométrie, la mathématique, la philosophie, le théâtre, l’éloquence, la démocratie... –, n’avaient pas manqué de remarquer, se référant tout naturellement aux deux astres les plus brillants au firmament du jour et de la nuit, que tout ne cessait jamais de changer sous le soleil et dans ce qu’ils appelaient notre monde sublunaire. Une formule d’Héraclite, né à Éphèse, est restée célèbre : πάντα ῥεῖ – tout passe. Mais derrière les changements qui se succédaient dans son sein, le monde lui-même ne bougeait pas. Il était là. C’est tout ce qu’on pouvait en dire.
Rival d’Héraclite, Parménide soutenait à Élée, en Grande-Grèce, autrement dit en Italie du Sud, que l’être est et que le non-être n’est pas. Le non-être ne devait même pas être évoqué : il était impossible d’en parler. Pour Socrate, pour Platon, pour Aristote, successeurs de Parménide et d’Héraclite, l’homme était la mesure de toutes choses et la Terre sur laquelle il régnait était immobile et éternelle au centre de l’univers, immobile comme elle et éternel comme elle.
Un certain nombre de populations qui ont longtemps passé pour primitives au regard de la culture grecque avaient une autre vision de l’univers qui les entourait. Le monde, pour elles, était sorti du néant après des aventures qui prenaient, en Mésopotamie, en Égypte, aux Indes, en Chine, en Afrique, en Amérique précolombienne, dans les pays scandinaves – et d’ailleurs en Grèce même pour l’homme de la rue –, les formes les plus diverses. D’innombrables mythes, pleins d’animaux fabuleux, de tortues géantes, de chevaux à huit jambes, de serpents à plumes, de fleurs de lotus, d’arbres enchantés, de fontaines magiques, de potiers divins, de généalogies compliquées de déesses et de dieux qui s’engendraient les uns les autres et de nourrissons nés par miracle, prétendaient rendre compte du commencement de ces choses qui prenaient la place de leur absence et que nous appelons le monde."

 2100442-fd7d211093ce68876141a87d0570a453.jpg
Jean d'Ormesson (16 juni 1925 – 5 december 2017)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Rainer Maria Rilke, Geert Mak, Pat Donnez, Feridun Zaimoglu, Nikoloz Baratashvili, Emil Aarestrup, Nikolay Nekrasov, Trudi Guda, Thomas Carlyle

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

 

Uit: Die frühen Gedichte (Gebet der Mädchen zur Maria)

Schau, unsre Tage sind so eng
und bang das Nachtgemach;
wir langen alle ungelenk
den roten Rosen nach.

Du musst uns milde sein, Marie,
wir blühn aus deinem Blut,
und du allein kannst wissen, wie
so weh die Sehnsucht tut;

du hast ja dieses Mädchenweh
der Seele selbst erkannt:
sie fühlt sich an wie Weihnachtsschnee,
und steht doch ganz in Brand...

 

 

Ein Prophet

Ausgedehnt von riesigen Gesichten,
hell vom Feuerschein aus dem Verlauf
der Gerichte, die ihn nie vernichten, -
sind die Augen, schauend unter dichten
Brauen. Und in seinem Innern richten
sich schon wieder Worte auf,

nicht die seinen (denn was wären seine
und wie schonend waren sie vertan)
andre, harte: Eisenstücke, Steine,
die er schmelzen muß wie ein Vulkan,

um sie in dem Ausbruch seines Mundes
auszuwerfen, welcher flucht und flucht;
während seine Stirne, wie des Hundes
Stirne, das zu tragen sucht,

was der Herr von seiner Stirne nimmt:
Dieser, Dieser, den sie alle fänden,
folgten sie den großen Zeigehänden,
die Ihn weisen wie Er ist: ergrimmt.

Einmal war ich weich wie früher Weizen,
doch, du Rasender, du hast vermocht,
mir das hingehaltne Herz zu reizen,
daß es jetzt wie eines Löwen kocht.

Welchen Mund hast du mir zugemutet,
damals, da ich fast ein Knabe war:
eine Wunde wurde er: nun blutet
aus ihm Unglücksjahr um Unglücksjahr.

Täglich tönte ich von neuen Nöten,
die du, Unersättlicher, ersannst,
und sie konnten mir den Mund nicht töten;
sieh du zu, wie du ihn stillen kannst,

wenn, die wir zerstoßen und zerstören,
erst verloren sind und fernverlaufen
und vergangen sind in der Gefahr:
denn dann will ich in den Trümmerhaufen
endlich meine Stimme wiederhören,
die von Anfang an ein Heulen war.

 

 

Uit: Die Sonette an Orpheus, Erster Teil 

Das VIII. Sonett

Nur im Raum der Rühmung darf die Klage
gehn, die Nymphe des geweinten Quells,
wachend über unserm Niederschlage,
daß er klar sei an demselben Fels,

der die Tore trägt und die Altäre. -
Sieh, um ihre stillen Schultern früht
das Gefühl, daß sie die jüngste wäre
unter den Geschwistern im Gemüt.

Jubel weiß, und Sehnsucht ist geständig, -
nur die Klage lernt noch; mädchenhändig
zählt sie nächtelang das alte Schlimme.

Aber plötzlich, schräg und ungeübt,
hält sie doch ein Sternbild unsrer Stimme
in den Himmel, den ihr Hauch nicht trübt.

 

 2098512-6693d953fbde61e9e03cbfdc5632f1c7.jpg
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Portret door Helmut Westhoff, 1901

 

 

De Nederlandse schrijver Geert Mak werd geboren op 4 december 1946 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Geert Mak op dit blog.

Uit: De levens van Jan Six

“Een familie van stand sleept wat mee door de tijd. Dit huis heeft kastplanken vol zilveren eierdopjes, drinkglazen, antieke pijpenkoppen en ivoren tandenborstels — met duizend gaatjes, de haren zijn verteerd. Er staat Venetiaans glaswerk en sommige smalle drinkglazen van de 17e-eeuwse voorouders zijn er ook nog, dun en hoog om de enorme kanten kragen te ontzien. Er hangt een pomander, een fraai bewerkt korfje met amber dat deftige dames vroeger aan een kettinkje tussen de plooien van hun rokken hingen om luizen en schaamlucht te weren. Gedenkpenningen en ridderordes liggen er, wat losjes op een stapel, naast een diamanten ring van tsaar Aleksandr I, een cadeautje toen hij op bezoek kwam: ‘L’empereur Alexandre à M. Van Winter, 4 Juillet 1814.’ In de bibliotheek: duizenden tekeningen, dagboeken, kattebelletjes, brieven, vele eeuwen bij elkaar, en nog altijd springlevend.
Bij de trap kijkt een meisje schuw de wereld in. Ze is ergens in het midden van de 18e eeuw geboren. Ze is stijf ingesnoerd, een zwaar gewatteerde valhoed had ze om haar hoofd, zo leerden rijke kinderen toen veilig lopen. In haar hand houdt ze een pop gekneld, een poppetje met een pop.
Boven ligt de zaal, de grote woonkamer die elk grachtenhuis kent. De ramen zijn er hoog en licht, ze zien uit op een tuin met hoge bomen, buxushagen, rozenperken, hortensia’s, rododendrons. Het is een oase van stilte waar soms een groene vlucht ontheemde parkieten langs kwettert, met een stokoud speelhuisje voor de kinderen en in het midden een strenge zonnewijzer.”

 

2098512-7862657fa7d38210e60c8fc29736d582.jpg
Geert Mak (Vlaardingen, 4 december 1946)
Cover

 

 

De Vlaamse dichter, schrijver, dichter, interviewer, performer en radiomaker Pat Donnez werd geboren in Mechelen op 4 december 1958. Zie ook alle tags voor Pat Donnez op dit blog.

 

Wij kunnen heel goed met bomen praten

Wij kunnen heel goed met
bomen praten
Over de takken en hoe
zij het maken
Kreupel en dood hout
houdt ons het meeste bezig
Of de jonge blaadjes al
maatjes zijn met de wind
Ook de wortels als ze klagen
- niemand kijkt naar ons
om meneer
zullen we als het past
helpen hun last te dragen
Nooit verlaten we het bos
zonder een klop op de harde bast

Wij kunnen heel goed met
bomen praten
maar moeten niet wagen
het met elkaar te doen

 

 

Mobieltje
Voor mijn zoon

Zeventien en van ons
al lang niet meer
nooit geweest
hooguit van zichzelf
Ik bel hem op
Opa is – hier breekt mijn zin
(Een bom in zijn gezicht)
Hij braakt en danst
op laatste puberbenen
de dode uit zijn vel

 

 2098512-f52e0bd25063a6a36b014ccdeb1d4600.jpg
Pat Donnez (Mechelen, 4 december 1958)

 

 

De Duitse schrijver en beeldend kunstenaar van Turkse afkomst Feridun Zaimoglu werd geboren op 4 december 1964 in Bolu. Zie ook alle tags voor Feridun Zaimoglu op dit blog.

Uit: Evangelio

„Hauptmann von Berlepsch, Burgvogt und mein Ob-riger, ruft, ich tret an zum Bericht. Hab Schloss und Riegel, Tor und Türen geprüft. Bin den Wehrgang ab-gegangen, hab in dunkle Ecken gestochen. Hab die Eseltreiber arg befragt, ob sich Kerle nach der Feste er-kundigen. Hab in die Ledereimer zum Brandlöschen geschaut, prall voll. Hab es geschmeckt, Wasser ohne verdächtige Beigabe, sonst hätt ich längst gekotzt oder wär brüllend verreckt. Der Hauptmann entlässt mich, ich schreit zum Tor, der Wächter Schrotter und der Wächter Herwig senken die Spieße. Ich zeig ihnen das Losungszeichen, sie bleiben wachsam. »Rück heran«, sagt Schrotter, »möcht die Narbe an der Lippe sehen.« »Hab nur eine hinterm linken Ohr«, rufich. »Er ist es«, sagt Herwig, »sein Gesicht ist am Abtritt gedüngt und gewachsen.« »Dich tret ich wund, da fällst du wie ein Ochse und rollst runter nach Eisenach«, sage ich.
»Bist du's wirklich?«, sagt Schrotter und greift wie im Kinderspiel mit Grimm nach seinem Schwert. Dann lachen die Schalksnarren. Ich bin keiner von ihnen. Bin ein gerauter Kerl, geho-belte, geschliffene Fresse. Kein Gesang und kein Weib macht mich weich. Solang der Himmel nicht einstürzt und mein Kopf nicht birst, kann ich das Eisen halten. Das ist mein Brot. Bin ein ungeratener Kaufinannssohn, entschied mich gegen den Vater für ein andres Leben. Man spannt Kalbsfell über die Trommel und schlägt nur einmal darauf, da kommen die Hurenböcke und Zerlumpten schon hergelaufen. Das ist die Rotte der Knechte im Krieg. Der Obrist sprach mir und andren Knechten von der Kriegsgemeinde, von der Beschir-mung des weiten Landes, über das der Fürst wacht. Wir wurden dahin und dorthin geschickt. Sturm und Schlacht, ich sah viele böse Stücke. Ich hab Hund fres-sen müssen, und Ratte und Pferdemaul und Klumpen Erde. Krieg ist Mann fresset Bin in Fehden zerrieben worden. Hab etliches Volk gelöscht. Hab Kopf von den Achseln geschlagen ... Sie zügeln die Aufsässigen, mich können sie nicht bannen. Sie haben sich vor allen anderen der besseren Christlichkeit verschrieben. Schlüge ich einen Span vom Scheit, der Span wär klüger als die Kerle. Mich hassen sie wegen meiner zerschlitzten Montur, wegen meiner Landsknechtart. Ich bin am Verrichten, ich reiß mich los von ihrem Hohn. Was der Pöbel plaudert, beißt ein, ihr Wort beißt ein, ich darf 's nicht achten.“

 2098512-759b3418fbd525a81e2ff227a8a5717d.jpg
Feridun Zaimoglu (Bolu, 4 december 1964)

 

 

De Georgische schrijver en dichter Nikoloz Baratashvili werd geboren op 4 december 1817 in Tbilisi. Zie ook alle tags voor Nikoloz Baratashvili op dit blog.

 

De oorring

Zoals de vlinder
Zacht laat schommelen
Een mooi gevormde lelie
Speelt de oorring zacht
Speelt in de hals van de schoonheid
Met de schaduw, met zijn schaduw.

O benijdenswaardig
Wie ademhaalt
In jouw schaduw, schommelende oorring.
Teer en trillend zorg
Je voor een klein briesje
Zachtjes koelt het de gloed van het hart.
Oorring! betoverend
Doe je koken het bloed
Zeg, wie stilt onder je de lippen?
Slurpt daar de sorbet
Van de onsterfelijkheid
Vlijt zijn dorstende ziel tegen je aan?

 

Vertaald (uit het Duits) door Frans Roumen

 

 2098512-49fb3003d57421d31716d07d3a3a3467.jpg
Nikoloz Baratashvili (4 december 1817 – 21 oktober 1844) 
Portret door Lado Gudiashvili, 1950 (detail)

 

 

De Deense dichter Emil Aarestrup werd geboren op 4 december 1800 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Emil Aarestrup op dit blog en ook mijn blog van 4 december 2010

 

Voor een vriendin

Er ligt een betovering op je lippen,
Er is een afgrond in je blik,
Er iwoont in de klankkleur van je stem
Een droom van hemelse muziek

Op je voorhoofd ligt een gloed,
Een donkere glans over je gelaat,
Er stroomt de geur van tere bloemen
Overal waar je gaat en staat.

Er schuilt een schat aan eeuw'ge wijsheid
In het kuilte van je wangen zacht,
Een springbron van verfrissing is er die
Voor alle harten in je wacht.

Uit je innerlijke wereld dringt
Een opgetogen voorjaarstraan -
Een die ik ken, wiens lof ik zing.
En die ik nooit kan laten gaan.


Vertaald door Frans Roumen

 

 2098512-cebeb28a6bc79c850eeb908749811a77.jpg
Emil Aarestrup (4 december 1800 – 21 juli 1856)
Cover

 

 

De Russische dichter Nikolay Nekrasov werd geboren op 4 december 1821 in Nemirovo. Zie ook alle tags voor Nikolay Nekrasov op dit blogen ook mijn blog van 4 december 2009.

 

Uit: Russische Frauen

Erster Teil

Die Schlittenkutsche steht vorm Haus,
Stabil und prächtig sieht sie aus.

Der alte Graf persönlich fuhr
Vorsorglich eine Probetour.

Die Pferde sind schon vorgespannt,
Er setzt die Lampe drin in Brand,

Rückt noch zurecht die Kissen schnell,
Rollt aus das dicke Bärenfell, .

Spricht ein Gebet und hängt alsdann
Die heilige Ikone an.

Auf schluchzt er nun: „Oh, Herzeleid,
Katja, mein Kind, verläßt mich heut!“

 

1
„Ja, Väterchen, ich reise nun,
Bereitet’s Euch auch Schmerz.
Ihr wißt, nichts andres kann ich tun,
Sonst bricht mir selbst das Herz.

Nur einer lindert meine Qual. . .
Lebt wohl, auf Wiedersehn !
Kommt, segnet mich zum letzten Mal,
Laßt mich in Frieden gehn !“

 

Vertaald doorIlse Hofmeister

 

 2098512-1bb1da5f05bbc39cddb9a1dcbac83896.jpg
Nikolay Nekrasov (4 december 1821 – 8 januari 1878)
Borstbeeld in Moskou

 

 

De Surinaamse dichteres en cultureel antropologe Gertrude (Trudi) Marie Guda werd geboren in Paramaribo op 4 december 1940. Zie ook alle tags voor Trudi Guda op dit blog en ook mijn blog van 4 december 2010

 

De tuin (Fragment)

de tuin van steen,
grijzende kloosters
op zondag,
zondag,

Zongen de stenen,
lang geleden?
marmeren orgels,
granieten klepels,

de tuin van steen,
stervende pleinen
op zondag,
zondag

Kijk

het gebruinde kind
verdwaald in Europa,
in Europa,
het verstoten kind,

het kind uit de rimboe,
het blinde kind
in koude verward

Nooit komt het winterse land
meer in bloei,
de tuin van steen,
verloren glimlach

Had de jager
een sleutel
van spinrag,
een ring
van rozen

en zweeg hij,
zweeg hij,

 

 2098512-947ecd13c1920ca0e3df99f6d0d8cc74.jpg
Trudi Guda (Paramaribo, 4 december 1940)

 

 

De Schotse schrijver Thomas Carlyle werd geboren in Ecclefechan, gelegen in de regio Dumfries and Galloway in Schotland op 4 december 1795. Zie ook alle tags voor Thomas Carlyle op dit blog.

 

Fortuna

The wind blows east, the wind blows west,
And the frost falls and the rain:
A weary heart went thankful to rest,
And must rise to toil again, ’gain,
And must rise to toil again.

The wind blows east, the wind blows west,
And there comes good luck and bad;
The thriftiest man is the cheerfulest;
’Tis a thriftless thing to be sad, sad,
’Tis a thriftless thing to be sad.

The wind blows east, the wind blows west;
Ye shall know a tree by its fruit:
This world, they say, is worst to the best;—
But a dastard has evil to boot, boot,
But a dastard has evil to boot.

The wind blows east, the wind blows west;
What skills it to mourn or to talk?
A journey I have, and far ere I rest;
I must bundle my wallets and walk, walk,
I must bundle my wallets and walk.

The wind does blow as it lists alway;
Canst thou change this world to thy mind?
The world will wander its own wise way;
I also will wander mine, mine,
I also will wander mine.

 

 2098512-0df4459c652513a32755dd5a52649a9d.jpg
Thomas Carlyle (4 december 1795 - 5 februari 1881)
Portret door Helen Allingham, 1879

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e december ook mijn blog van 4 december 2016 deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 4 december 2008 en ook mijn blog van 4 december 2007 en mijn blog van 4 december 2006.

Geschreven door Romenu om 18:43 Reageer op dit bericht

Ready for Silence (Madeleine L’ Engle)

 

Bij de eerste zondag van de Advent

 

 2098072-8eff422e883652584fe8d35b36b0d4c1.jpg
Edinburgh Christmas Market door Paul Pacey, 2012

 

 

Ready for Silence

Then hear now the silence
He comes in the silence
in silence he enters
the womb of the bearer
in silence he goes to
the realm of the shadows
redeeming and shriving
in silence he moves from
the grave cloths, the dark tomb
in silence he rises
ascends to the glory
leaving his promise
leaving his comfort
leaving his silence

So come now, Lord Jesus
Come in your silence
breaking our noising
laughter of panic
breaking this earth’s time
breaking us breaking us
quickly Lord Jesus
make no long tarrying

When will you come
and how will you come
and will we be ready
for silence
your silence

 

 2098072-89aba0b8ff46640d79421d3a1a44b605.jpg
Madeleine L’Engle (29 november 1918 – 6 september 2007)
Kerstmarkt in New York, de geboorteplaats van Madeleine L’Engle

 

 

Zie voor de schrijvers van de 3e september ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 09:42 Reageer op dit bericht

Hendrik Conscience, Joseph Conrad, Herman Heijermans, Grace Andreacchi, Ugo Riccarelli

De Vlaamse schrijver Henri (Hendrik) Conscience werd geboren in Antwerpen op 3 december 1812. Zie ook alle tags voor Hendrik Conscience op dit blog.

Uit: Bavo and Lieveken

“Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.
Alhoewel het daglicht reeds vermindere is er alles nog in de volle, drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste doet leven.
Het is vooreerst de Duivel, dat machtig tuig, waarin het katoen wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne ontelbare spillen en bobijnen.
Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van wandelende spinmolens, van draaiende spillen.
Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.
Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft geschapen.
Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het duizendledig, monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te verslinden.
Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, één van al die draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw aangrijpe..... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, vóórdat het, ginder verre, als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent tusschen katoen en menschenvleesch!”

 

 2098070-a1648268269a1b3a4040903e2dea5723.jpg
Hendrik Conscience (3 december 1812 – 10 september 1883)
Antwerpen in de Adventstijd

 

 

De Brits-Poolse schrijver Joseph Conrad werd geboren op 3 december 1857 in Berdichev, Rusland in een gezin met Poolse ouders. Zie ook alle tags voor Joseph Conrad op dit blog.

Uit: The Arrow of Gold

“Certain streets have an atmosphere of their own, a sort of universal fame and the particular affection of their citizens. One of such streets is the Cannebière, and the jest: “If Paris had a Cannebière it would be a little Marseilles” is the jocular expression of municipal pride. I, too, I have been under the spell. For me it has been a street leading into the unknown.
There was a part of it where one could see as many as five big cafés in a resplendent row. That evening I strolled into one of them. It was by no means full. It looked deserted, in fact, festal and overlighted, but cheerful. The wonderful street was distinctly cold (it was an evening of carnival), I was very idle, and I was feeling a little lonely. So I went in and sat down.
The carnival time was drawing to an end. Everybody, high and low, was anxious to have the last fling. Companies of masks with linked arms and whooping like red Indians swept the streets in crazy rushes while gusts of cold mistral swayed the gas lights as far as the eye could reach.
There was a touch of bedlam in all this.
Perhaps it was that which made me feel lonely, since I was neither masked, nor disguised, nor yelling, nor in any other way in harmony with the bedlam element of life. But I was not sad. I was merely in a state of sobriety. I had just returned from my second West Indies voyage. My eyes were still full of tropical splendour, my memory of my experiences, lawful and lawless, which had their charm and their thrill; for they had startled me a little and had amused me considerably. But they had left me untouched. Indeed they were other men’s adventures, not mine. Except for a little habit of responsibility which I had acquired they had not matured me. I was as young as before. Inconceivably young—still beautifully unthinking—infinitely receptive."

 

 2098070-a569e55035feaf320785a93ec414ab7c.jpg
Joseph Conrad (3 december 1857 – 3 augustus 1924)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijver Herman Heijermans werd geboren op 3 december 1864 in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Herman Heijermans op dit blog.

Uit: Eva Bonheur

“MOP.
(komt uit de winkeldeur, vouwt gejaagd een krant toe, aarzelt, wil Jasper, die met een pijp in den mond bij het bureau-ministre zit te lezen, wat zeggen, durft niet, gaat door de keukendeur af. Johannes klopt aan de winkeldeur, opent haar, klopt nog eens aan de binnenzij, zet een goudvisschenkom op de tafel achter Jasper's rug, kucht om de aandacht te trekken, keert naar het magazijn terug. Uit het tuintje klinkt Miep's zingende stem, dan buigt zij zich over het kozijn).
MIEP.
Dunnetjes!
(legt eieren op het bureau-ministre).
Drie eieren van negen kippen en één haan... Hè?... Hè?.... Wat, vader?
(ziende dat Jasper niet luistert, lacht ze en verdwijnt. Jasper, die iets leest dat hem bijzonder vermaakt, schiet in 'n stille lachbui. Boven klopt Johannes aan de middendeur, legt een krant op de ronde tafel, klopt nog eens aan de rechter slaapkamerdeur, af. Eef opent de slaapkamerdeur, loopt in 'r onderlijfje en met papiljotten in de haren naar de middendeur, kijkt de trap af, ziet niemand, ontdekt de krant).
EEF.
(zoekend)
.... Me bril! Waar is me bril? Nou dan!.... Op me nachtkassie....
(hooger van stem)
Op me nachtkassie!....
(af in slaapkamer).
MOP.
(komt opnieuw uit de keukendeur, zet theeservies op de linkertafel, kijkt nerveus naar Jasper's rug, laat twee bordjes vallen zonder dat hij het oplet. Ze raapt de scherven op en verwijt)
.... Jasper! Man, leg nou in godsnaam je boek neer!....
(hij hoort niets)
Jasperlief, 't is over zeven....”
JASPER.
(zonder op te kijken)
.... Merkwaardig.... Haast niet te gelooven.... Wat zei je?.... Zei je wat?
MOP.
(zuchtend)
.... Ik?.... Geen woord!
JASPER.
'n Prachtkerel.... Ideejen om te zoenen....
(leest verder).”

 

 2098070-9c8c30f9dee5458425aad52acfb32221.jpg
Herman Heijermans (3 december 1864 – 22 november 1924)
Scene uit een productie voor televisie, 1989

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Grace Andreacchi werd geboren op 3 december 1954 in New York. Zie ook alle tags voor Grace Andreacchi op dit blog.

 

Felix Culpa

At fourteen you were
the god I worshipped
You were golden bronze
and black
beautiful as Perseus
in your Sicilian skin

You courted me with sea bass
and smooth-skinned blues
and took me fishing
at five a.m.
(Never before or since
have I been seen that early)

I remember the boat rocked
and it was cold
I remember the fog
I wanted you to kiss me
by way of an experiment
(but I was only twelve and you
didn’t)

Today, out fishing on the net
I caught you
seriously fat but still
fishing
a bright red rockfish
dead on your rod

 

 

In the Golden Chamber of Saint Ursula

Bones spiral outward
drenched in gold
small and thin, chicken or child

Golden chrysalis of pain
a stillness unbroken
by waves of thunder

That last night of Mary’s month
the sky dripped fire
and eleven thousand

Stars burned in the wayward streets
men phosphorescent
turned to little lumps of clay

In our hour of need, O Princess
did you spread wide
your ermine cloak?

 

 2098070-2d385e0a2271325e2a076d1e0d38a6cd.jpg
Grace Andreacchi (New York, 3 december 1954) 

 

 

De Italiaanse schrijver Ugo Riccarelli werd geboren op 3 december 1954 in Turijn. Zie ook alle tags voor Ugo Riccarelli op dit blog en ook mijn blog van 3 december 2010..

Uit: Der Zauberer (Vertaald door Karin Krieger)

“Vom Bahnhof unterhalb der Berge, begleitet vom Rollen der Räder und gewiegt von karawanenlangen Geschichten, glitten die jungen Männer aus dem kleinen Dorf am Fuß der Alpen hinab in ein Italien, das sie nur vom Hörensagen kannten, und verwirrt vom Glitzern einer Mondsichel über dem Tyrrhenischen Meer, glaubten sie, die das Meer noch nie gesehen hatten, in einem mit Worten durchsetzten Halbschlaf, bereits die silberne Küste Tunesiens vor Augen zu haben oder auf einem Schiff zu sein, das vor Tripolis, dem schönen Ort der Liebe, vor Anker lag, und noch im Sterben, von einem Granatsplitter durchbohrt oder von einer Maschinengewehrsalve zerfetzt, sollten sie als letzten
Bissen den salzigen Geschmack einer heimischen Wasserfläche genießen, die sie in jener Nacht für ein fernes, exotisches Paradies gehalten hatten.
Rittlings auf einer Bank sitzend, als würde er eine Kutsche lenken, ergriff mein Vater die Zügel der Ängste dieser Jungen, und obwohl er keine Ahnung hatte, wie er vorgehen sollte, obwohl er nicht einmal wusste, wo überhaupt beginnen, leitete er sie die ganze Nacht und den folgenden Tag auf einem Weg, der sie fast alle ins Verderben führen sollte, bettete ihre Sorgen auf bunte Bilder, glättete Gerüche, versetzte den herben Geschmack ihres Rotweins mit dem Nektar, den sie zweifellos kosten würden, legte sie neben Frauen und verglich Löwen mit Maultieren, Affen mit Pferden, Kamele und Menschen untereinander, Menschen und Brüder.
Dies war im Grunde der erste große Zauber, den mein Vater ihnen schenken konnte, und er begleitete diesen Zug, bis der Hafen von Neapel sich in einer Schönheit vor ihnen auftat, die allen unverschämt vorkam, und der Anblick des Vesuvkegels, der sie als einziges an eine soeben erst verlassene Vertrautheit erinnerte, die Gemüter all derer erregte, die sich nie hätten träumen lassen, dass ein Berg sich von der stetigen, beängstigenden Bewegung des vor ihm liegenden Wassers aus geradewegs zum Himmel erheben kann, aus einer weiten Fläche voller Boote, Kähne, Schiffe, Menschen und Dinge, in einem Durcheinander von Licht und Blau, das von allen das Meer genannt wurde.“

 

 2098070-87318d3d1930488a7e8c15942697eebf.jpg
Ugo Riccarelli (Turijn, 3 december 1954)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 3 december 2008 en ook mijn blog van 3 december 2007 en mijn blog van 3 december 2006.

Geschreven door Romenu om 09:30 Reageer op dit bericht

France Preseren, F. Sionil José, Franz Josef Degenhardt, Jules Claretie, Ludvig Holberg

De Sloveense dichter en schrijver France Prešeren werd geboren op 3 december 1800 in Vrba. Zie ook alle tags voor France Prešeren op dit blog en ook mijn blog van 3 december 2010.

 

A Wreath of Sonnets (5/14)    

They come from where no man can sunshine find -
Not from those regions by your glance caressed,
Where all the cares of this world are at rest,
And sweet oblivion follows close behind;

Where joy reigns with a fullness scarce divined,
And vanished are the conflicts that distressed;
Where song springs from an overflowing breast
With sweetest harmonies of every kind;

Where nursed by pure love, grow the fairest flowers,
Luxuriant in beauty and in grace,
As though kissed by the breath of vernal hours.

My songs that praise you come from no such place;
They grew untouched by any friendly powers,
Unblest by soothing winds of warmer days.

 

 

A Wreath of Sonnets (6/14)    

Unblest by soothing winds of warmer days,
My songs remain, since from you, haughty maid,
They never won the word that might be said -
The word that neither saddens nor dismays.

As you were bred upon the German phrase,
Like many a Slovene girl, they were afraid
That from such flowers on our Parnassus laid
With cold disdain you would avert your gaze.

Our Muses were not loved in our own land:
They were but spinsters doomed to lonely ways,
While foreign beauties won both heart and hand.

Like flowers that bud within the glacier's maze,
Our songs are sparse, as though by nature banned,
Above them savage peaks the mountains raise.

 

 2098065-7268ea272facd65cb4a1980b35ea2110.jpg
France Prešeren (3 december 1800 – 8 februari 1849)
Portret door Bozidar Jakac, 1948

 

 

De Filipijnse schrijver F. Sionil José werd geboren op 3 december 1924 in Rosales, Pangasinan. Zie ook alle tags voor F. Sionil José op dit blog en ook mijn blog van 3 december 2010.

Uit: Tong

“By now, Meding was alarmed but Conrado assured her the house would not burn down as long as the switches were off. He dashed off to Bambang two blocks away to one of the electrical shops there.
He had passed the New Life Electrical Supply a few times but had rarely looked in; for once, he never bought electrical supplies in the neighborhood as he always bought them in the supermarket in Makati. It was then that he saw Alice Tan; she was in jeans and a katsa blouse with a high, lace collar and long sleeves that imparted to her an appearance at once regal and demure.
It was not a big shop. It carried hardware, nails, ropes, flashlights, but mostly electrical goods. She sat behind the glass counter and when he came in, she put down the weekly women’s magazine she was reading.
“I don’t think I would need an electrician,” he said. “It is just a burned line, I think. I put the switch off.”
“That is the first thing one should do,” she said with a professional tone. “I think you will need rubberized tape, and a pair of new fuses.”
“I am sure of that,” he said. “But how do I go about fixing it?” He was not sure now, having forgotten most of his physical classes in high school, the positive, the negative . . .
“Simple,” she said, bring out a roll of blue tape from the counter. “The lines should never get mixed up. When the covering is worn out and they cross each other, that’s when the trouble starts.”
“It is like a boy and a girl then,” he said with a laugh. “If they really get mixed up, there’s bound to be some result . . .”
She smiled at his little joke. “I hope you are not fooling me.” She said
“You can come to my house – its close by, in Makati,” he said. “It is dark.”

 

 2098065-1c4ffdebb7254a47f8eba53ed4ff69ad.JPG
F. Sionil José (Rosales, 3 december 1924)

 

 

De Duitse dichter, folkzanger en jurist Franz Josef Degenhardt werd geboren op 3 december 1931 in Schwelm. Zie ook alle tags voor Franz Josef Degenhardt op dit blog en ook mijn blog van 3 december 2010.

 

Manchmal des Nachts

Manchmal des Nachts.
Wenn ich aus meiner Kneipe komm.
im Marschtritt durch die Strassen zieh
oder ich nicht schlafen kann,
trommelnd an meinem Fenster steh
Dann seh' ich die, die Andern,
die vielleicht nicht anders sind.
Sie stehen rum,
wie Tiere vor den Augen der Besucher eines Sonntagzoos
und hören sie den Stiefeltritt der Ordnung, rennen sie gleich los.
Und schimpfen auf die Andern,
die vielleicht nicht anders sind.

Manchmal des Nachts,
dann steigen sie in Autos ein und fahr'n für eine Stunde weg.
Dann kommen sie zurück und spucken dreimal in den Dreck.
Und meinen die, die Andern,
die vielleicht nicht anders sind.

Manchmal des Nachts,
dann ziehen sie die Schuhe aus
und träumen an der Häuserwand
vom Ehemann, von Kindern,
vom Häuschen auf dem Land.
Vom Leben jener Andern,
die vielleicht nicht anders sind.

Manchmal des Nachts,
dann sprechen sie mich an
und eine kenn ich ganz genau.
Sie hat mit mir im Sand gespielt
and manchmal Mann und Frau.
Jetzt steht sie bei den Andern,
die vielleicht nicht anders sind.

Manchmal des Nachts,
wenn ich aus meiner Kneipe komm
im Marschschritt durch die Strassen zieh.
Oder ich nicht schlafen kann
trommelnd an meinem Fenster steh.
Dann seh' ich die, die ändern,
die vielleicht nicht anders sind.

 

 2098065-0d9817a1e94129968da71dca25ffdbc4.jpg
Franz Josef Degenhardt (3 december 1931 – 14 november 2011)
Schwelm

 

 

De Franse schrijver, criticus, theaterdirecteur en journalist Jules Claretie werd geboren op 3 december 1840 in Limoges. Zie ook alle tags voor Jules Claretie op dit blog en ook mijn blog van 3 december 2010.

Uit: Paris assiégé

“Heureux comme Dieu en France ! dit un proverbe allemand. C'est ce bonheur qu'ils enviaient et qu'ils ont détruit. Lorsque tombait sur nous quelqu'une de ces masses de fonte et de fer d'où jaillissait la mort, pendant le bombardement, un penseur s'arrêta devant un obus qui venait d'éclater et, avec un sourire amer, haussant les épaules, il dit :
« Philosophie allemande ! »
Maintenant tout est fini, la ville se ravitaille et digère sous le canon prussien. Les remparts sont désarmés, les uniformes disparaissent, les képis se cachent. Paris a déjà perdu sa mâle et altière physionomie. Ceux qui ne l'ont pas vu superbe et résistant auront perdu le spectacle le plus beau. Je sais qu'on l'a accusé de pusillanimité, et qui ? ceux-là mêmes qui l'ont fui avant l'investissement et qui, à Tours ou à Bordeaux, mangeaient des huîtres vertes tandis que nous mordions au pain gluant. Que Paris laisse dire ! Il a sauvé l'honneur du drapeau.
Qu'il songe à cette heure à ne plus redevenir la ville qu'il fut sous l'empire, le boudoir et le sérail, et à ne plus retourner, comme dit l'Écriture en son rude langage, à son vomissement. Après avoir été un camp où l'on veille, qu'il soit, comme jadis, une cité où l'on pense.
Debout, tous ses fils, écrivains, peintres, philosophes, artisans ! A l'œuvre, tous ! Au tableau, à l'atelier, au livre, au travail ! Il faut refaire la France. La France se meurt ! Il faut la sauver. Elle a jeté aux orties sa souquenille dorée. Tissons pour cette mère un manteau de pourpre qui la rende et plus fière et plus belle.
Rien n'est perdu si nous voulons être honnêtes et si nous savons rester libres. Des lois et des mœurs et nous reprenons, d'un bond, notre rang dans le monde.
Chère République, sois la vierge pure, la déesse austère, la Sabine et la Spartiate, non l'aventurière et l'affolée, sois la divinité de marbre et non la reine du carrefour, sois la vertu, sois le droit, sois le labeur incessant, sois le progrès, sois tout ce qui élève et tout ce qui sauve, sois celle qui combat la misère, qui force l'ignorance à rentrer aux ténèbres, sois la justicière qui défend la cause du travailleur et sauvegarde le salaire bien gagné, sois la liberté, sois l'égalité, sois l'amour, sois l'honneur, et notre France, notre chère France, notre pauvre France qui râle va renaître et va marcher encore à la tête des nations, son drapeau troué dans sa main."

 

 2098065-7c885a8dd9c67d908d6bcfcd336770e2.jpg
Jules Claretie (3 december 1840 – 23 december 1913)

 

 

De Noorse schrijver Ludvig Holberg werd geboren in Bergen op 3 december 1684. Zie ook alle tags voor Ludvig Holberg op dit blog en ook mijn blog van 3 december 2010.

Uit: Jeppe of the Hill (Vertaald door Oscar James Campbell, jr.)

“(Enter Jacob Shoemaker, in his shirt.)
JACOB. Who the dickens wants to get in so early?
JEPPE. Good morning to you, Jacob Shoemaker.
JACOB. Thank you, Jeppe! You are up and about bright and early to-day.
JEPPE. Let us have a pennyworth of brandy, Jacob!
JACOB. With all my heart, when you show me the penny.
JEPPE. I'll give it to you when I come back here tomorrow.
JACOB. Jacob Shoemaker doesn't give credit, I know you must have a penny or two about you to pay with.
JEPPE. Honestly, Jacob, I have nothing but what my wife gave me to spend in town for her.
JACOB. You can easily beat them down a few pence on what you buy. What is it you're to get her?
JEPPE. I have to buy two pounds of soft soap.
JACOB. Why, can't you tell her the soap cost a penny or two more than you give for it?
JEPPE. I'm so afraid my wife would find out about it, and then I'd be in trouble.
JACOB. Nonsense! How could she find out? Can't you swear that you paid out all the money? You're as stupid as an ox.
JEPPE. That's true, Jacob! I can do that well enough.
JACOB. Out with your penny.
JEPPE. Here you are, but you must give me a penny change.
JACOB (coming in with the glass; drinks to him). Your health, Jeppe!
JEPPE. What a lot you take, you rogue!
JACOB. Oh, yes, but it's the custom for the host to drink his guest's health.”

 

 2098065-46e6cc46e7bbd40f8367b77cdf0bfd07.jpg
Ludvig Holberg (3 december 1684 - 27 januari 1754)
Adventstijd in Kopenhagen

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 3 december 2008 en ook mijn blog van 3 december 2007 en mijn blog van 3 december 2006.

Geschreven door Romenu om 09:26 Reageer op dit bericht

Kristina Sandberg

De Zweedse schrijfster Kristina Sandberg werd geboren op 3 december 1971 in Sundsvall en groeide op in het noorden van Zweden. Tegenwoordig woont zij in Stockholm. Ze is psychologe en debuteerde in 1997 als schrijfster met “I vattnet flyter man”. Ze won o.a. de Augustprijs en de Svenska Dagbladet literatuurprijs voor de lijvige trilogie over het leven van Majs. In 2017 verscheen de roman “Zorgen voor het gezin.” Deze roman is het tweede deel van de Maj-trilogie, de grote doorbraak van Sandberg. Eerder dat jaar werd het eerste deel gepubliceerd: “De komst van een kind”. Sandbergs romans draaien om de kleine details van het dagelijks leven, over generaties van vrouwen en het gezinsleven in de verzorgingsstaat vanaf de late jaren 1930 tot de jaren 1970.

Uit: Leven tot elke prijs (Vertaald door Jasper Popma en Webdy Prins)

“Stockholm, 1953
Als iemand verdwenen is, wanneer neem je dan contact op met de politie? Maj weet het niet Ze staat in de nette, anonieme hotelkamer met de dubbele gordijnen - de zware gesteven beige van gebloemd cretonne plus de dichtgetrokken witte vitrages - zijn ze wat gelig van de nicotine?Nubenje weduwe. Nee! Tenue komt zo. Zacht geruis van de waterleiding - een nachtbraker is nog wakker. Even voor enen. Ga naar bed, Maj. Rust een poosje. Ze kan nu toch niet slapen. Kan zich er zelfs niet toe zetten tegen het hoofdeinde te gaan zitten. Hoort ze haar hart bonken? Het plakkerige gesmak van haar tong tegen het gehemelte. Haar tanden. Drink een glas water. Dat zal ze doen. Een koud glas water halen bij de kraan in de badkamer. Maar dan klinkt er geklop op de deur. Een ritmisch roffeltje. Ze haast zich ernaartoe, doet open. Lasse en Anita. Als kleine kinderen in pyjama en nachtjapon - ze lijken zoveel jonger dan hun elfen net veertien jaar - is papa al terug? We kunnen niet slapen... Maj schudt haar hoofd. Zegt dat ze wel bij haar mogen komen. Dat zij ook wakker is. Ze haalt de sprei van het tweepersoonsbed, slaat beide dekbedden open, waarop Lasse meteen op het matras begint te springen zodat de veren doorbuigen - ze had Anita en Lasse zich toch maar gereed laten maken voor de nacht - misschien was het dom van haar om ze naar hun eigen kamer te sturen om daar te gaan slapen. Ze wilde alles graag normaal laten lijken. Hun het vertrouwen geven dat papa gauw terug zou zijn. Als hij al komt. Hou op, Lasse - en hij stopt met springen zodra Anita er iets van zegt Maj gaat in de leunstoel zit-ten - moet ze de lamp op het bureau echt aan laten - ga nu slapen,
maant ze hen, ze pakt een sigaret, strijkt een lucifer af. Wees zuinig met de sigaretten, wat doe je als ze op zijn? Ze heeft niet eens genoeg contanten voor een pakje rookwaar. Snel drukt ze hem uit in de as-bak, stopt de amper gerookte sigaret terug. Tomas is in elkaar gesla-gen. geroofd van zijn portefeuille. Ligt ergens gewond zonder dat ze zijn identiteit kunnen achterhalen. Misschien lopen mensen hier wel ge-woon langs iemand die mishandeld is. Of ?Wat zou anders de reden zijn dat hij haar en de kinderen alleen op een hotelkamer in de hoofdstad achterlaat? Pas als ze gaat verzitten in de leunstoel, merkt Maj hoe hard ze haar dijen tegen elkaar drukt. Adem. Ontspan. Lacht zeeven? Ze slaat opnieuw haar ene been over het andere, haakt haar voet achter haar enkel.”

 

 2120616-2b9f4a552385d79b5416bbc22745a32f.jpg
Kristina Sandberg (Sundsvall, 3 december 1971)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Frédéric Leroy, Ann Patchett, Hein Boeken, T. C. Boyle, George Saunders, Botho Strauß, Jacques Lacarrière, Iakovos Kampanellis, Eric L. Harry

De Vlaamse dichter Frédéric Leroy werd geboren op 2 december 1974 in Blankenberge. Zie ook alle tags voor Frédéric Leroy op dit blog.

 

A la très pieuse

Bij stilte. Bij regen en zon, het luiden van
klokken. Wanneer in duisternis een kaars
wordt aangestoken en jij een kruis slaat.
Bij sterfte en geboorte. Bij overdaad.

Bij god en bij duivel, zo ontsluit jij de dagen:
met vingervlugge kruistekens. Regenspatjes
op een vijver. Alsof je uit je lichaam draadjes
plukt waarmee je aan de hemel werd geregen.

Laat ons over het lijden zwijgen (het lijden
is link en reusachtig en heeft een eigen stem).
Dit mag genoeg zijn: de kinderlijke verbazing
en het kruis op je lippen, je borsten, je lippen.

 

 

Terug naar Eden

Een gifgroene tuin, de mieren, de maden,
een leistenen cirkel en het spietsen van de grond
met afgerukte takken, de van kippenbloed dronken,
daverende bodem en de grote, grijze man
met de bijl.

Ik dank je, grote, grijze man: het was
een wonderlijke, groene tuin, onze tuin,
een paradijs met bloedfonteinen. Ik doopte
twijgjes in rode plassen en was
een lachende kleuter.

En hier, waar het gras wat geler is: hier
stookte ik de eerste vuurtjes, verbrandde
droge, krakende bladeren, later alles
wat ik vinden kon. Hier was niets
dat bloemen droeg.

 

 

Ontbijtintimiteiten (ochtendfruit)

Met een frambozenmondje nip je van
een kopje groene thee, tevreden wip
je zachtjes op het topje van je stoel,
had je niet liever wat gebleven, ik
bedoel, wij tweeën in het beddengoed?

Jij likt de honing, ik de ochtendgloed
die de zondagmorgenzon lachend
in je haren spelen laat - mijn hand
strijkt doorheen de restjes slaap die daar
nog stiekem kleven: clandestiene sterren.

Maar zoveel aandacht doet je blozen, dus
gooi ik maar wat vrolijk ochtendfruit:
een fraaie donkerrode kersenregen,
een appel en een drietal abrikozen.

 

 2097779-bffa552e4fee7e9a97668fcd020bbdcb.jpg
Frédéric Leroy (Blankenberge, 2 december 1974)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Ann Patchett werd geboren in Los Angeles op 2 december 1963. Zie ook alle tags voor Ann Patchett op dit blog.

Uit: Commonwealth

“The children were seated across the aisle from one another, the boys on the left and the girls on the right, and each was given a set of junior airman wings, which only Cal refused to wear. They were glad to be on the plane, glad to be free of direct supervision for six hours. As much as they hated to leave their mother—they were unquestionably loyal to their mother—the four Cousins children thought of themselves as Virginians, even the youngest two, who had been born after the family’s move west. All of the Cousins children hated California. They were sick of being shoved down the hallways of the Torrance Unified School District. They were sick of the bus that picked them up on the corner every morning, and sick of the bus driver who would not cut them a break, even thirty seconds, if they were made late by Albie’s dawdling. They were sick of their mother, no matter how much they loved her, because she had on occasion cried when they returned to the house after missing the bus. Now she would be late for work. She went over it all again in the car as she drove them to school at terrifying speeds—she had to work, they couldn’t live on what their father gave them, she couldn’t afford to lose this job just because they weren’t responsible enough to walk to the goddamn corner on time. They blocked her out by pinching Albie, whose screams filled the car like mustard gas. More than anything they were sick of Albie, who had spilled his Coke all over the place and was at this very moment kicking the seat in front of him on the plane. Everything that happened was his fault. But they were sick of Cal too. He got to wear the house key on a dirty string around his neck because their mother told him it was his job to get everybody home after school and make them a snack. Cal was sick of doing it, and on most days he locked his sisters and brother out for at least an hour so that he could watch the television shows that he wanted to watch and clear his head. There was a hose on the side of the house and shade beneath the carport. It wasn’t like they were going to die. When their mother came home from work they met her at the door screaming about the tyranny of their situation. They lied about having done their homework, except for Holly, who always did her homework, sometimes sitting Indian-style under the carport with her books in her lap, because she lived for the positive reinforcement her teachers heaped on her. They were sick of Holly and the superiority of her good grades. Really, the only person they weren’t sick of was Jeanette, and that was because they never thought about her. She had retreated into a silence that any parent would have asked a teacher or a pediatrician about had they noticed it, but no one noticed. Jeanette was sick of that.”

 

 2097779-29f977128fd10bab6d498deea211d9d7.jpg
Ann Patchett (Los Angeles, 2 december 1963)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hein (Hendrik Jan) Boeken werd geboren in Amsterdam op 2 december 1861. Zie ook alle tags voor Hein Boeken op dit blog.

 

Herfst

En in de lucht des vochten uchtends hangen
De laatste dunne blaad'ren van het jaar,
Als in het zwarte takkennet gevangen,
Met fijne glans van kleuren naast elkaar.

Zo louterde de pracht zich van de lange
En luide lichttijd en de brede schaar
Van groengedoste bomen, tot die bange
En tere lichtkleur van het late jaar.

Die blaadren schenen mij een vreemd gezicht
Van schone zielen uit veel enge pijn
En godgelijk genot alhaast gevlucht.

Hun laatste middag komt met zomerschijn
Van gouden stralen uit de hoge lucht
En drupplen tintlend in het laatste licht.

 

 

Narcissus of water-spiegeling in Amsterdam

Waar water is, wordt alles opgetild.
0 zie die waatren eens rechtlijnig schieten
De brug door tot zo welige verschieten
Dat graft-laan lijken gaat een woud-laan mild
En midde' in stad als eenzame woud-stilt'.
Wat zo de leste wolkjes daarin lieten
Voor donkre diept' haar leste blos verschieten
Eer nog een huivring over 't licht vlak rift?
De hemel kijkt tot onder in de stad.
De hemel kijkt weer uit de diept' naar boven,
Alsof de stad haar fundamenten had
Ver in het diep der hemelse licht-hoven.
ZO strekk' mijn ziel der wereld tot een bad,
Welks waatren niet haar hemel-lichten doven!

 

 2097779-6b08e41c3e787885e77d6d1a684e50b7.jpg
Hein Boeken (2 december 1861 – 19 oktober 1933)
Portret door Willem Witsen, 1891

 

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Coraghessan Boyle werd geboren op 2 december 1948 in Peekskill, New York. Zie ook alle tags voor T. C. Boyle op dit blog.

Uit: The Tortilla Curtain

“He was about to give it up and jog to the lumberyard for help, for the police, an ambulance--they'd know what to do--when a glint of light caught his eye through the scrim of brush.  He staggered forward blindly, stupidly, like a fish to a lure--he wanted to do the right thing, wanted to help, he did.  But almost as quickly, he caught himself.  This glint wasn't what he'd expected--no coin or crucifix, no belt buckle, key chain, medal or steel-toed boot wrenched from the victim's foot--just a shopping cart, pocked with rust and concealed in the bushes beside a rough trail that plunged steeply down the hillside, vanishing round a right-angle bend no more than twenty feet away.
Delaney called out again.  Cupped his hands and shouted.  And then he straightened up, wary suddenly, catlike and alert.  At five-foot-nine and a hundred and sixty-five pounds, he was compact, heavy in the shoulders and with a natural hunch that made him look as if he were perpetually in danger of pitching forward on his face, but he was in good shape and ready for anything.  What startled him to alertness was the sudden certainty that the whole thing had been staged--he'd read about this sort of operation in the Metro section, gangs faking accidents and preying on the unsuspecting, law-abiding, compliant and fully insured motorist . . .  But then where was the gang?  Down the path?  Huddled round the bend waiting for him to take that first fatal step off the shoulder and out of sight of the road?
He might have gone on speculating for the rest of the afternoon, the vanishing victim a case for Unsolved Mysteries or the Home Video Network, if he hadn't become aware of the faintest murmur from the clump of vegetation to his immediate right.  But it was more than a murmur--it was a deep aching guttural moan that made something catch in his throat, an expression of the most primitive and elemental experience we know: pain.  Delaney's gaze jumped from the shopping cart to the path and then to the bush at his right, and there he was, the daredevil, the suicide, the jack-in-the-box who'd popped up in front of his bumper and ruined his afternoon.  The man was on his back, limbs dangling, as loose-jointed as a doll flung in a corner by an imperious little girl.  A trail of blood, thick as a finger, leaked from the corner of his mouth, and Delaney couldn't remember ever having seen anything so bright.  Two eyes, dull with pain, locked on him like a set of jaws.”

 

 2097779-69640ef0498556052d1a8888364d32a2.jpg
T. C. Boyle (Peekskill, 2 december 1948)
Cover 

 

 

De Amerikaanse schrijver George Saunders werd geboren op 2 december 1958 in Chicago. Zie ook alle tags voor George Saunders op dit blog en ook mijn blog van 2 december 2009.

Uit: Lincoln in the Bardo

“Yesterday around three there came a considerable procession— perhaps twenty carriages and nowhere to put them— They stopped on the lawns of the houses and sat aslant on the cemetery land by the fence— And who should alight from the hearse but Mr. L. himself, whom I could recognize from his likeness— But sore bent down and sad in countenance, almost needing to be urged along, as if reluctant to enter that drear place— I had not yet heard the sad news & was momentarily puzzled but soon enough the situation being made clear I prayed for the boy & family— it has been much in the papers regarding his illness and it has had the unhappy outcome now— The carriages cont’d to arrive over the next hour until the street was impassable.The large crowd disappeared inside the chapel and from my open window I could hear the proceedings within: music, a sermon, weeping. Then the gathering dispersed & the carriages moved off, several becom-ing stuck & requiring unsticking, the street & lawns being left a consid-erable mess.Then today, again wet & cold, and, around two, a single small car-riage arrived & stopped at the cemetery gate & again the President got out, this time accompanied by three gentlemen: one young & two OLD.— they were met at the gate by Mr. Weston & his young assistant & all went off to the chapel— Before long, the assistant being joined by a helper, they were seen to be managing a small coffin on to a handcart & off the sad party went, cart in the lead, the President & his compan-ions plodding along behind— their destination appeared to be to the northwest corner of the cemetery. The hill there being steep and the rain continuing, it made a strange joining of somber melancholy & riotous awkwardness, the assistants struggling to keep the tiny coffin upon the cart— & at the same time all parties, even Mr. L., diligently mincing to maintain their footing on the rainslick grass.Anyway it appears the poor Lincoln child is to be left there across the road, contrary to reports in the newspapers, which ventured that he would be returning to Illinois forthwith.”

 

 2097779-1d946fbd3c017e0dac02c77872a64c46.jpg
George Saunders (Chicago, 2 december 1958)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Botho Strauß werd geboren op 2 december 1944 in Naumburg an der Saale. Zie ook alle tags voor Botho Strauß op dit blog.

Uit: Drüben

“Hinter dem Fenster sitzt sie, es ist Sonntagnachmittag, und sie erwartet Tochter und Schwiegersohn zum Kaffee. Der Tisch ist seit langem für drei Personen gedeckt, die Obsttorte steht unter einer silbernen Glocke. Die alte Frau hat sich nach dem Mittagsschlaf umgezogen. Sie trägt jetzt ein russischgrünes Kostüm mit weißer Schluppenbluse. Sie hat ein Ohrgehänge mit Rubinen angelegt und die Fingernägel matt lackiert.
Sie sitzt neben der aufgezogenen Gardine im guten Zimmer, ihrem “Salon", und wartet. Seit bald vierzig Jahren lebt sie in dieser Wohnung im obersten Stockwerk eines alten, ehemaligen Badehotels. Die Zimmer sind alle niedrig und klein und liegen an einem dunklen Flur. Sie blickt durch ihr Fenster auf den Kurgarten und den lehmfarbenen Fluss, der träg durch den Ort zieht und ihn in zwei einander zugewandte Häuserzeilen teilt, in ein stilles, erwartungsloses Gegenüber von Schatten- und Sonnenseite. Auf der Straße vor dem Haus bewegt sich nur zäh der dichte Ausflugsverkehr.
Sie hält den Kopf aufgestützt und ein Finger liegt auf den lautlos sprechenden Lippen.
Nun wird sie doch ein wenig unruhig. Sie steht auf, rückt auf dem Tisch die Gedecke zurecht, faltet die Servietten neu, füllt die Kaffeesahne auf. Setzt sich wieder, legt die Hände lose in den Schoß. Wahrscheinlich sind sie in einen Stau geraten ...
Sie kommt in Gedanken und muss sich ablenken. Aus der Truhe holt sie die Häkeldecke, setzt die Brille auf. Doch das Warten ist stärker, es fordert, dass man sich still verhält, damit nichts Schlimmes passiert ist. Sie legt die angefangene Decke beiseite und blickt wieder hinaus auf den Fluss.
Am anderen Ufer, ihr gerade gegenüber, steht eine behäbige Gründerzeitvilla, etwas unförmig geworden durch etliche Erweiterungsbauten. In früherer Zeit der Ruhesitz eines berühmten Wagner-Sängers, stand sie lange baufällig und leer, bis vor wenigen Jahren ein Altersheim darin eingerichtet wurde“.

 

 2097779-5f145bff0afb74dee83a13dfba92b5d0.jpg
Botho Strauß (Naumburg, 2 december 1944)
Naumburg in de aanloop naar Kerstmis

 

 

De Franse schrijver Jacques Lacarrière werd geboren op 2 december 1925 in Limoges. Zie ook alle tags voor Jacques Lacarrière op dit blog.

Uit: Les Gnostiques

« À dix-huit siècles de distance, la parole et l'exemple des gnostiques demeurent toujours aussi décapants. Avec ses tueries absurdes, ses violences quotidiennes, ses programmes d'abrutissement collectif, le monde d'aujourd'hui légitime au plus haut point le refus absolu que lui opposaient déjà ces lointains rebelles. Pour eux, une création pareillement ratée ne peut être le produit que d'un Dieu méchant, un Dieu ennemi de l'homme. "Viscéralement, impérieusement, irrémissiblement, note Lacarrière, le gnostique ressent la vie, la pensée, le devenir humain et planétaire comme une œuvre manquée, limitée, viciée dans ses structures les plus intimes. (...) Mais cette critique radicale de toute la création s'accompagne d'une certitude tout aussi radicale, qui la suppose et la sous-tend : à savoir qu'il existe en l'homme quelque chose qui échappe à la malédiction de ce monde, un feu, une étincelle, une lumière issue du vrai Dieu, lointain, inaccessible, étranger à l'ordre pervers de l'univers réel, et que la tâche de l'homme est de tenter, en s'arrachant aux sortilèges et aux illusions du réel, de regagner sa patrie perdue, de retrouver l'unité première et le royaume de ce Dieu inconnu, méconnu par toutes les religions antérieures."

 

 2097779-14e4cae9631fa994ccab2c774581bbab.jpg
Jacques Lacarrière (2 december 1925 - 17 september 2005)

 

 

De Griekse dichter en schrijver Iakovos Kampanellis werd geboren op 2 december 1922 in Hora op het eiland Naxos. Zie ook alle tags voor Iakovos Kampanellis op dit blog en ook mijn blog van 2 december 2010.

 

Antonis

Da drüben auf der breiten Treppe
Dort auf der Treppe der Tränen
Dort in den tiefen Gruben
Dort im Steinbruch der Klagen
Laufen Juden und Partisanen
Und fallen Juden und Partisanen
Felsbrocken schleppend auf den Schultern
Felsbrocken, Zeichen des Todes.

Und dort hört Antonis eine Stimme
Und diese Stimme ruft:
“Ach, Kamerad, ach, Kamerad
Hilf mir, die Treppe zu steigen!”

Doch dort auf dieser breiten Treppe
Dort auf der Treppe der Tränen
Ist solche Hilfe nur Verwünschung
Fluch ist dort jegliches Mitleid.

Der Jude, er fällt dort auf der Treppe
Blutrot färbt sich die Treppe.
“Du, kräftiger Kerl, so komm doch her
Trag’ du die doppelte Last.”

“Ich nehme zwei, ich nehme drei
Ich bin es doch, bin Antonis
Ich sage dir: wenn du ein Mann bist
Komm auf den marmornen Dreschplatz.”

 

Vertaald door Helmut Schwäbl

 

 2097779-1491711d939991a8db0d01206f131220.jpg
Iakovos Kampanellis (2 december 1922 - 29 maart 2011)

 

 

De Amerikaanse schrijver Eric L. Harry werd geboren op 2 december 1958 in Ocean Springs, Mississippi. Zie ook alle tags voor Eric L. Harry op dit blog en ook mijn blog van 2 december 2009.

Uit: Protect and Defend

“Pyotr Andreev carried the rolled carpet through the perekhod. He used the dark, underground pedestrian tunnel even though the city boulevard above was barren of traffic. The air reeked of urine and of the unwashed men who lined the walls. It looked like the permanent residence of people driven underground by the terrors of the streets.
Pyotr suddenly saw two men framed in the bright sunlight from the stairs toward which he headed. They strolled slowly — walking side by side — approaching him from the Red Square exit. They both wore jack boots, and one swung a baton. Against the backlighting, he saw only their shapes… and the two machine pistols they carried. The guns dangled from straps hung over their shoulders.
Andreev had to make a choice. To lie down in the filth with the dregs of society? Or stroll calmly past the two men? A man coughed, and Pyotr stole a quick glance at him. His weathered face and matted beard resolved his conflict. Pyotr knew he would stand out among such men.
He shifted his grip on the large roll. In the process, his right hand moved nearer his Ingram. He could hand over the heavy load to the Black Shirts. As they reacted in surprise at its weight, he’d extract the Mac-10, flick the safety, and kill them both.
And his mission would be aborted one day short of completion.
A flashlight shone straight into his eyes. Andreev halted and rested the carpet on its end. When the beam ran down the roll, Pyotr’s eyes began to adjust to the darkness. One of the men wore the black garb of the anarchists. The other wore a garrison cap with a shiny brim — a policeman. The incredible rise in street violence had forced a police recall. Pairs like this one were now a common sight in Moscow. But the Black Shirt was there to keep an eye on the cop. He could act with impunity while the cop walked a fine line."

 2097779-382a07a54dd6db7c108c11e787a257ae.jpg
Eric L. Harry (Ocean Springs, 2 december 1958)

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 2 december 2008 en ook mijn blog van 2 december 2007 en mijn blog van 2 december 2006.

Geschreven door Romenu om 09:56 Reageer op dit bericht

Pierre Kemp, Arthur Sze, Natasza Tardio, Daniel Pennac, Tahar Ben Jelloun, Billy Childish, Ernst Toller, Mihály Vörösmarty, Valery Bryusov

De Nederlandse dichter en schilder Pierre Kemp werd geboren in Maastricht op 1 december 1886. Zie ook alle tags voor Pierre Kemp op dit blog.

 

Geruis

De wind is een ding
en de bladeren zijn een ander.
Ze ruisen onderling
al lang samen met elkander.
Ik sta daarbij en luister mij niet moe.
Soms schijnt me alles vaag, soms alles klaar.
En als ik even mijn hoed af doe,
is muziek een beweging door het haar.

 

 

Zingende daad

De kinderen zingen naar een daad.
Zij gaan op de zon af vanuit hun straat
en stormen langs de ladders van het licht
naar boven! Midden in mijn klein gedicht
hoor ik dit aan en vraag het groen:
of ook ík een zingende daad zal doen?
Zeker, wuiven de bomen met hun vlag:
kinderen en dichters zijn eenzelfde slag,
dat alles kan en alles mag.
Daar valt de wind uit zijn goedgeluimde lach
in de bladeren en heel de wereld staat
eerst nu vol zingende overdaad!

 

 

Eenzaamheid

De lucht is zo lila en lauw
om de rose bloemen bij de molen.
Het water ernaast stapt grauw
geruist in de schoepen met vloeiende zolen.
Het is er om in 't grijs gereed te staan
en maar in en uit de kamers te gaan.

 

 2097650-5d035b613e46ea8e5adf35ed3e17dea8.jpg
Pierre Kemp (1 december 1886 - 21 juli 1967)
Fourrures door Pierre Kemp, 1929

 

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Het geschenk

De stukjes van deze legpuzzel vormen
straks het gouden gezicht van Toetanchamon,

maar momenteel zijn het vlekjes
kleur verspreid over de vloer.

Deze momenten van bewustzijn
hebben geen puzzelpasvorm – hartslag

van een vliegende zwaluw – sporen
van een rode lynx op het Windsorpad,

voorgevoel dat vreugde schuilgaat in
een lucifer, in zonnebloemstengels uitrukken,

een urn leegschudden vanaf een brug
zodat de asresten een wolk vormen.

De stukjes van een leven blijven uiteindelijk
stukjes. Niemand kan papyrus herstellen

als het eenmaal vlam heeft gevat;
maar voordat de agapanthus bloeit,

voordat het lichaam verschroeit, uitwist
het bewustzijn, heb je tijd

om te puzzelen, schommelen, slingeren, brassen
huppelen, doedelen, klagen, gloeien.

 

Vertaald door K. Michel

 

 

Morning Antlers

Redwinged blackbirds in the cattail pond—
today I kicked and flipped a wing
in the sand and saw it was a sheared
off flicker’s. Yesterday’s rain has left

snow on Tesuque Peak, and the river
will widen then dwindle. We step
into a house and notice antlers mounted
on the wall behind us; a ten-day-old child

looks, nurses, and sleeps; his mother
smiles but says she cries then cries
as emptiness brims up and over.
And as actions are rooted in feelings,

I see how picking spinach in a field
blossoms the picker, how a thoughtless act
shears a wing. As we walk out
to the car, the daylight is brighter

than we knew. We do not believe
flames shoot out of a cauldron of days
but, looking at the horizon, see
flames leap and crown from tree to tree.

 

 2097650-a67660ba619072e45c3ee213995dfccf.jpg
Arthur Sze (New York,1 december 1950)

 

 

De Nederlandse schrijfster Natasza Tardio werd geboren in Assendelft op 1 december 1969. Zie ook alle tags voor Natasza Tardio op dit blog.

Uit: Meedogenloos

“Mo! Moooo!’ Telkens voel ik hoe mensen tegen me aan botsen.
Een elleboog verdwijnt diep in mijn ribben en met moeite blijf ik overeind. Ik moet doorgaan, kan nu niet stoppen, en ik duw mensen die in de weg staan opzij. Ik negeer de boze en verbaasde blikken en met mijn hand in mijn zij ren ik verder. Waar gaat hij heen? Dit is niet wat we hadden afgesproken. Waarom doet hij dit?
Dan zie ik hem eindelijk in de verte stilstaan en opgelucht haal ik adem. Het is nog niet te laat. Ik kan hem nog ompraten, zorgen dat hij zich aan de afspraken houdt. Want daar gaat het om. Je houden aan je afspraken en nakomen wat je hebt beloofd. Iets anders is er niet. Ik heb hem dat nu al duizend keer gezegd, maar sinds ons vertrek uit Nederland lijkt het wel of hij is veranderd. Elke dag een beetje meer. Van de sterke, betrouwbare jongen die ik leerde kennen in iemand die ik niet meer ken. Iemand die ik ook niet wil kennen. Een onbetrouwbare loser.
Wanneer ik dichterbij kom ziet Mo me staan. Een wijde jas om zijn magere lichaam. Handen in zijn zakken. Het gevaar verhullend. Ik weet wat hij verbergt, en het jaagt me angst aan. Dit is nooit de bedoeling geweest. We hadden zulke mooie toekomstplannen.
Op zo’n tien meter afstand blijf ik staan. Onze ogen ontmoeten elkaar.
Zijn bijzondere, verschillend gekleurde ogen schitteren. De ogen waar ik ooit verliefd op werd. Maar liefde bestaat niet. Niet hier in elk geval.
Zonder iets te zeggen blijf ik hem aanstaren, alsof mijn blik kan hypnotiseren, en een fractie van een seconde zie ik de oude Mo terug. De jongen die ooit een goed mens was, iemand die mee wilde helpen om dingen te veranderen, zodat alles beter werd.
Terwijl allerlei gedachten door mijn hoofd flitsen, zie ik hoe zijn blik verandert. De hardheid keert weer terug en het moment is voorbij.
Zwijgend en vastberaden schudt hij zijn hoofd. Hij wil niet luisteren; hij blijft bij zijn besluit. Het is duidelijk. Ik heb geen keuze.”

 2097650-c1151967f419e65cdf87f235ca56c8c5.jpg
Natasza Tardio (Assendelft, 1 december 1969)

 

 

De Franse schrijver Daniel Pennac werd geboren in Casablanca op 1 december 1944. Zie ook alle tags voor Daniel Pennac op dit blog.

Uit: Chagrin d'école

« Ou, en septembre 1968, ma licence de lettres enfin en poche : — Il t'aura fallu une révolution pour la licence, doit-on craindre une guerre mondiale pour l'agrégation ? Cela dit sans méchanceté particulière. C'était notre forme de connivence. Nous avons assez vite choisi de sourire, mon père et moi. Mais revenons à mes débuts. Dernier-né d'une fratrie de quatre, j'étais un cas d'espèce. Mes parents n'avaient pas eu l'occasion de s'entraîner avec mes aînés, dont la scolarité, pour n'être pas exceptionnellement brillante, s'était déroulée sans heurt. J'étais un objet de stupeur, et de stupeur constante car les années passaient sans apporter la moindre amélioration à mon état d'hébétude scolaire. « Les bras m'en tombent », « Je n'en reviens pas », me sont des exclamations familières, associées à des regards d'adulte où je vois bien que mon incapacité à assimiler quoi que ce soit creuse un abîme d'incrédulité. Apparemment, tout le monde comprenait plus vite que moi. — Tu es complètement bouché ! Un après-midi de l'année du bac (une des années du bac), mon père me donnant un cours de trigonométrie dans la pièce qui nous servait de bibliothèque, notre chien se coucha en douce sur le lit, derrière nous. Repéré, il fut sèchement viré : — Dehors, le chien, dans ton fauteuil ! Cinq minutes plus tard, le chien était de nouveau sur le lit. Il avait juste pris le soin d'aller chercher la vieille couverture qui protégeait son fauteuil et de se coucher sur elle. Admiration générale, bien sûr, et justifiée : qu'un animal pût associer une interdiction à l'idée abstraite de propreté et en tirer la conclusion qu'il fallait faire son lit pour jouir de la compagnie des maîtres, chapeau, évidemment, un authentique raisonnement! Ce fut un sujet de conversation familiale qui traversa les âges. Personnellement, j'en tirai l'enseignement que même le chien de la maison pigeait plus vite que moi. Je crois bien lui avoir murmuré à l'oreille : — Demain, c'est toi qui vas au bahut, lèche-cul. »

 

 2097650-6ed14388e1a5e60edd0f66ba0eb20bd7.jpg
Daniel Pennac (Casablanca, 1 december 1944)
Cover

 

 

De Marokkaanse romanschrijver, dichter en essayist Tahar Ben Jelloun werd geboren in Fez op 1 december 1944. Zie ook alle tags voor Tahar Ben Jelloun op dit blog.

Uit: L'ablation

« Depuis que je ne baise plus. je me sens plus libre et j'aime de plus en plus les femmes. Je les aime mieux et plus qu'avant parce que le sentiment de liberté me donne des ailes, de l'humour et de la légèreté. Je les trouve belles, spirituelles, certaines plus mer- veilleuses que d'autres. J'en suis fou. Je pense à elles tout le temps et ne comprends pas pourquoi elles ne sont pas plus sensibles à ma disponibilité. Pourtant, si elles savaient, si elles pouvaient imaginer que je suis capable de les aimer comme on aime dans une his-toire romantique. ou dans un bon mélo. Ah, si elles devinaient ce que je suis prêt à faire pour les célé-brer, les honorer, leur donner du plaisir, des orgasmes fabuleux que j'irais chercher loin, au fond de leur âme. dans les plis de leur inconscient. Fini l'égofsme masculin. fini les petits trucs pour ne pas perdre la face. Je n'ai plus de face. C'est bien commode. Je me dévoue entièrement à ellesje sais comment combler leur désir, comment le marier à toutes les audaces. la folie. J'ai un don maintenant : je perce, e dévoile, je découvre et je comprends ce qui se cache derrière les apparences que les femmes exposent par peur, par timidité ou par hypocrisie. Mon instinct me mène vers vous. ô femmes que j'aime et que j'attends avec patience, impatience, avec joie, folie, obsession. Chaque rencontre avec vous est tan feu d'artifice qui m'aveugle. me donne ivresse et légèreté. Je vole. je chante (mal mais je m'améliore). je ris, je danse, je cotan et je miens vers vous les bras ouverts. Champagne clans les coupes et dans l'air, dans la musique et dans les fleurs. Tout est champagne, tout est lumière. Tout pétille à la moindre étincelle. Plus besoin de tomber dans un sommeil profond pour rêver. Il me suffit de tendre la main vers vous. Les draps en soie ne sont plus nécessaires. L'amour n'a pas besoin de décor. Ou alors un décor grandiose comme ceux qu'Alexandre Tramer fabriquait pour des films de légende.
Depuis que je ne fais plus l'amour, je me contente de mes souvenirs. Je suis plein de souvenirs. Dès qu'on me touche, ils surgissent de partout. comme des impacts sur une cible se démultipliant à l'infini. Ils se bousculent dans ma tête, dans mon sang, dans mes paroles."

 

 2097650-36012c6705cd1edc9c8d9edb4177a172.png
Tahar Ben Jelloun (Fez, 1 december 1944)
Cover 

 

 

De Britse dichter, schrijver, schilder, zanger en producer Billy Childish (echte naam William Charlie Mand) werd geboren op 1 december 1959 in Chatham, Kent. Zie ook alle tags voor Billy Childish op dit blog.

 

i am the strange hero of hunger (fragment)

i am
the hero of all my my favorite novels
i live in them
and they
live in me
i am arturo bandini
on angels flight
swearing at a butiful dark haired girl
in tattered shoes
i am rodya
guilty of a terrible and senceless murder
on the streets of st petersburg
i am the strange hero of hunger
starving to spite myself in chrisitiana
i am john nagel
tormentor of the midget
and suiside
i am ishmail
knocker off of tall hats

i am every novelist
and
every charicter ever dreamed
i am everyone of my favorite artists
and
i feel myself not one jot less
but equell to all of them
turner
munch
holbine
and
hokusi

 

 2097650-9fbfd9fd4946aba4547f53ef5ce6081d.jpg
Billy Childish (Kent, 1 december 1959)
 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Ernst Toller werd geboren op 1 december 1893 in Samotschin (tegenwoordig Szamocin). Zie ook alle tags voor Ernst Toller op dit blog.

Uit: Hoppla, wir leben!

“Eva Berg. Was?
Karl Thomas. Nein, nicht zusammenrücken. Die Glotzaugen am Spion ... Wir fliehen.
Albert Kroll. Blaue Bohnen gefällig?
Karl Thomas. Seht das Fenster. Der Kalk an den Eisen ist losgebröckelt.
Albert Kroll. Ja, wirklich.
Karl Thomas. Sitzt das große Kalkstück nicht künstlich fest? ...
Albert Kroll. Bestimmt.
Karl Thomas. Seht ihr?
Eva Berg. Ja. Ja. Kinder zum Tollwerden.
Frau Meller. Ja. Wahrhaftig.
Wilhelm Kilman. Da wollte mal einer von draußen die Bude anspucken ... War kurz vorm Ziel ... Na, ich weiß nicht.
Frau Meiler (zu Wilhelm Kilman). Was, Bangbüchs?
Wilhelm Kilman. Ja, aber ...
Karl Thomas. Was gibst da aber?
Albert Kroll. Ihr wißt, daß ich nicht leichtsinnig bin. Doch es ist Nacht. Wie spät?
Karl Thomas. Eben hat's vier Uhr geschlagen.
Albert Kroll. Dann haben die Wachen gewechselt. Wir liegen im ersten Stock. Bleiben wir, können wir uns im Massengrab guten Morgen sagen. Fliehen wir, steht's zehn zu hundert. Und stünde es eins zu hundert, wir müßten's wagen.“

 

 2097650-361b300cfd8a80595563ba593e8eb9ee.jpg
Ernst Toller (1 december 1893 – 22 mei 1939)
Affiche voor een opvoering in Gießen, 2017

 

 

De Hongaarse dichter Mihály Vörösmarty werd geboren op 1 december 1800 in Puszta-Nyék. Zie ook alle tags voor Mihály Vörösmarty op dit blog.

 

Appeal (Fragment)

In spite of long calamity
and centuries of strife,
our strength, though weakened, is not spent;
our country still has life.

To you, O nations of the world,
we call with passioned breath:
"Should not a thousand years of pain
bring liberty—or death?"

It cannot be that all in vain
so many hearts have bled,
that haggard from heroic breasts
so many souls have fled!

It cannot be that mind and strength
and consecrated will
are wasted in a hopeless cause
beneath a curse of ill!

There yet shall come, if come there must,
that better, fairer day
for which a myriad thousand lips
in fervent yearning pray.

Or there shall come, if come there must,
a death of fortitude;
and round about our graves shall stand
a nation washed in blood.

 

 2097650-72849c9d3ddc2fcee54e122a1134f851.jpg
Mihály Vörösmarty (1 december 1800 – 19 november 1855)
Gedenkplaat in Székesfehérvár, waar Vörösmarty vijf jaar naar school ging, voordat hij ging studeren.

 

 

De Russische dichter en schrijver Valery Bryusov werd geboren op 1 december 1873 in Moskou. Zie ook alle tags voor Valery Bryusov op dit blog.

 

Three Apples

Three apples -- sagas' favorite selection,
Three symbols of rebellion on the earth,
In endless gardens of imagination,
They burn and shudder in illusions' breath.

Oh, you, an apple -- the first peoples' lure,
You took the Eden's light of those two,
You sent on heads of people the Lord's fury,
But this was a revolt against taboo.

The apple-witness of the Tell's perfection --
The song of freedom flew above the earth;
First arrow, he'd sent to his creation,
Born second one, that carried tyrants' death.

And that third one -- the Newton's apple, gold,
In its right time, it played its last accord,
And mind embraced the substance of the law,
That moves the earth, the heaven and the world.

That apple had returned to people Eden,
Made equal all -- a muster and a slave,
It opened roads to the treasures hidden,
To make us fighters, ever strong and brave.

 

Vertaald door Yevgeny Bonver

 

 

Einer Zufälligen

Im verlebten Aug, dem starren
Lächeln such ich oft die Züge,
Derer, die - kein Maß galt - liebten
Bis zum Irrwahn, bis zur Lüge,

Les in falschen Zärtlichkeiten,
Müdender Bewegung Bahnen
Wie in eines Traumbuchs Seiten
Von der Sehnsucht, der vertanen.

Hinter Gleichmut, Ödnis, Leere
Spür ich fern der Lüge Mauern
Noch der Wollustnächte Schwere
Und im Schlafe selbst ein Schauern.

Keines Zufalls Stimme, liebe
Ich die Gier des Tods, der Keimnis
Und im Schlaf voll fad-geübter
Zärtlichkeit noch das Geheimnis.

 

Vertaald door Uwe Grüning

 

 2097650-46b0a6f2a86f06876e8e5de517c56bc2.jpg
Valery Bryusov (1 december 1873 - 9 oktober 1924)
Cover biografie

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e december ook mijn blog van 1 december 2016.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 1 december 2008 en ook mijn blog van 1 december 2007 en mijn blog van 1 december 2006.

Geschreven door Romenu om 18:42 Reageer op dit bericht

Herinnering aan Ramses Shaffy

 

Herinnering aan Ramses Shaffy

Nederlands grootste chansonnier Ramses Shaffy is vandaag precies acht jaar geleden op 76-jarige leeftijd overleden. Ramses Shaffy werd op 29 augustus 1933 geboren in de Parijse voorstad Neuilly-sur-Seine als zoon van een Egyptische diplomaat en een Poolse gravin van Russische afkomst. Zie ook alle tags voor Ramses Shaffy op dit blog.

 

 2097646-dc20375ebe377f891310370a4d6a860c.jpg
Ramses Shaffy (29 augustus 1933 – 1 december 2009)

 

 

Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder

Voor degene in een schuilhoek achter glas
Voor degene met de dichtbeslagen ramen
Voor degene die dacht dat-ie alleen was
Moet nu weten, we zijn allemaal samen

Voor degene met `t dichtgeslagen boek
Voor degene met de snelvergeten namen
Voor degene die `t vruchteloze zoeken
Moet nu weten, we zijn allemaal samen

Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Niet zonder ons

Voor degene met de slapeloze nacht
Voor degene die `t geluk niet kan beamen
Voor degene die niets doet, die alleen maar wacht
Moet nu weten, we zijn allemaal samen

Voor degene met z`n mateloze trots
In z`n risicoloze hoge toren
Op z`n risicoloze hoge rots
Moet nu weten, zo zijn we niet geboren

Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Niet zonder ons

Voor degene met `t open gezicht
Voor degene met `t naakte lichaam
Voor degene in `t witte licht
Voor degene die weet, we komen samen

Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder
Niet zonder ons

Niet zonder ons






Geschreven door Romenu om 18:18 Reageer op dit bericht

Rex Stout

De Amerikaanse schrijver Rex Stout werd geboren op 1 december 1886 in Noblesville, Indiana, maar groeide op met zijn acht broers en zussen in Kansas in een Quaker-gezin. Na universitaire studies aan de Universiteit van Kansas, diende hij twee jaar bij de marine, op het jacht van president Roosevelt. In de jaren 1910 verdiende hij de kost door een reeks kleine klusjes uit te voeren: meer dan dertig in slechts vier jaar tijd. Hij begon onder meer met zijn literaire carrière, artikelen schrijven, liefdesverhalen en zelfs een reeks soap-romans voor populaire tijdschriften. Zijn uitvinding van een ingenieus schoolspaarsysteem leverde hem snel genoeg geld op om naar Europa te reizen. Het was tijdens een verblijf in Parijs dat hij zijn eerste roman schreef: “How Like a God” (1929). Deze kreeg een goede pers. Drie andere romans zouden volgen, waarvan er een, “Forest Fire”, als “gay novel’ gekarakteriseerd wordt. De literaire carrière van Rex Stout was op de goede weg, maar de Grote Depressie raakte hem hard: zijn spaarsysteem stortte in elkaar en hij verloor al zijn fortuin. Terug in Amerika hield Stout zich bezig met de bewegingen van links en extreem links. Hij was ook een sterke voorstander van de New Deal. Tegelijkertijd lanceerde hij de politieliteratuur. In zijn eerste roman, “Fer-de-lance”, introduceerde hij voor de eerste keer detective Nero Wolfe, een zwaarlijvig intellectueel en liefhebber van orchideeën, en Archie Goodwin, een jonge veld onderzoeker. Vanaf 1938 bleef hij één boek per jaar over Nero Wolfe schrijven, tot aan zijn dood in 1975, behalve tijdens WO II. Stout was een van de vele Amerikaanse schrijvers die nauwlettend in de gaten werd gehouden door de FBI van J. Edgar Hoover. Hoover beschouwde hem als een vijand van het bureau en als een communist of als een instrument van communistisch gedomineerde groepen. In latere jaren vervreemde Stout enkele lezers met zijn agressieve houding ten opzichte van de Vietnamoorlog en met zijn minachting voor het communisme uitgedrukt in sommige van zijn boeken.

Uit: Forest Fire

“His mind would not work; his head hurt.  There was nothing to give.  He was Stan Durham, that was all, Stan Durham acting like a goddam fool, trying to get ideas in his head where they did not belong.  Where was there anything in him to feed a friend on?  What was there about him for a friend to know or care about:  He was a man who knew how to work and make other men work; and not only was that all he knew, it was all he was.  And all he cared to be.  A man, like a horse, must be true to his breed whether he wants to or not.  He had said to Harry, a man lives lonely, but that was not true of all men.  Harry would never live lonely, he was not born for it.  The laugh in his blue eyes, the life in his smooth skin, the way he put his hand on your arm or your knee, the free careless words that flowed from his tongue—all those were for others, for men and women, for friendships and close feelings.  Only an hour ago, walking across the meadow toward the box-car where the train would stop, Stan had seen him cup his hand under Elsie’s elbow to steer her around a gopher hole, and had felt a sudden sharp constriction in his breast and an idiotic impulse to ask his wife if she had forgotten how to walk.  But she had not invited the gesture; it had been Harry’s.  He would put his hand that way on anyone; had, doubtless, on hundreds, girls, boys, men, women; would, on hundreds more.  If he took a friend, if ever he reserved any look of his eyes or touch of his hands for just one, not to be shared, he was not likely to pick on Stan Durham for it.  Stan Durham had nothing to offer…”

 

 2144008-f4715d4652d6a0756f2383f7a58142bf.jpg
Rex Stout (1 december 1886 - 27 oktober 1975)
In 1931

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Dennis Gaens, Christophe Vekeman, James Worthy, Y.M. Dangre, Reinier de Rooie, David Nicholls, Yasmine Allas, Jan G. Elburg, Jesús Carrasco

De Nederlandse dichter Dennis Gaens werd geboren in Susteren op 30 november 1982. Zie ook alle tags voor Dennis Gaens op dit blog.

 

met vertrouwen, vrienden en hamers

Komende zomer doen we dat anders.

De dresscode: kleren die kapot kunnen, stevige schoenen, vieze handen
en een riem waaraan een hamer hangt. We halen hout (massaal en in alle
maten), klimmen in ladders en leggen verlengkabels van de radio's naar de
aggregaten. Gesprekken staken we tot 's avonds - met je mond vol spijkers
is het lastig praten.

Die drie maanden vallen we samen met de splinters in onze vingers, de
schaafwonden op onze schenen, de blaren op onze handen en een handvol
gebroken benen - met alles op onze namen na.

Dit ding gaat groot worden.

Wat het ook wordt - als het af is, klimmen we erin, trekken kratten bier
omhoog met touwen, kijken omlaag en zullen zien dat het goed is.

Als wij het niet doen, doet niemand het.

 

 

bezet gebied

onze benen over de rand van het perron geklemd
kijken we langs het spoor dat van elke bestemming
een verdwijnpunt langs een vluchtlijn maakt

kijken in de trein naar een dwarsdoorsnede
van steden die als kralen aan het spoor
worden geregen totdat de knoop compleet is

komen overal langs iets ander glas in hetzelfde beton
spiegels voor wolkenkrabbers en kranen
een enkele helikopter en een blauwdruk voor later

leven in steden gegijzeld door morgen
elke bouwgrond bezet gebied
prikkeldraad de rode lijn

lopen over ruitjespapier en rijden over
steeds nog niet gesleten asfalt
eeuwig onslijtbaar asfalt

en wij met onze benen geklemd om de rand van het perron
zoeken ons verdwijnpunt langs een vluchtlijn
en praten van bestemming

 

 2097305-f5042431a5cf6875c31bd4a7bb0487ce.jpg
Dennis Gaens (Susteren, 30 november 1982)

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter en performer Christophe Vekeman werd geboren in Temse op 30 november 1972. Zie ook alle tags voor Christophe Vekeman op dit blog.

 

De vreemdeling

1
Het was ochtend toen hij arriveerde
Wij namen beleefd de hoed af en groetten
Het was de allereerste keer
Dat wij iemand als hij ontmoetten

We wilden weten wat hij wenste te drinken
Konden wij hem plezieren met dit of met dat?
De moed begon ons algauw in de schoenen te zinken
Toen hij ons vertelde dat hij geen behoeftes had

Het was middag en wijzelf waren de radeloosheid nabij
Hij zat daar maar te zitten en te zwijgen, uren-, urenlang
De school was dicht die dag, alle kinderen waren vrij
En stonden buiten op hun tenen door de bewasemde ruiten te gluren, nieuwsgierig en bang

Wij wilden actie ondernemen en we staken de koppen bijeen
Elkeen was het erover eens dat er iets moest gebeuren
Maar hoe wij ook zochten, we vonden geen oplossing, neen
En al onze dorpsgenoten vergrendelden ondertussen hun ramen en deuren

De avond viel, de zon, zij vluchtte, maar de man bleef zitten, pontificaal
Velen van ons planden om zich van het leven te beroven
Zij bakten eieren en vlees: hun laatste avondmaal
Sommigen bekeerden zich en begonnen eensklaps in God te geloven

Mijn eigen vrouw, bijvoorbeeld: ik zweer het, ik vergeet nooit meer
Hoe zij de armen hief en bad en met een grafstem zei:
'Ik heb getracht om U te dienen Heer,
Maar het is niet gelukt. Straf mij!'

De nacht was diep en donker, zonder sterren aan het firmament
Omdat de man niet sliep, was geen van ons in staat in slaap te geraken
Wij wachtten angstig wakend af, ons lot vooralsnog onbekend
Uitsluitend zij die waren gestorven, hoefden zich niet langer zorgen te maken

's Ochtends echter begonnen wij luid te lachen en druk te praten
Zijn stoel stond leeg en wij voelden ons onoverwinnelijk plots, en onkwetsbaar
Hoe blij waren wij allen dat hij had verkozen ons achter te laten
Ten prooi aan onszelf, ten prooi aan elkaar

 

 2097305-6044b5fdb3fe37f4fd5fad718c1b6337.jpg
Christophe Vekeman (Temse, 30 november 1972)

 

 

De Nederlandse schrijver James Worthy werd geboren in Amsterdam op 30 november 1980. Zie ook alle tags voor James Worthy op dit blog.

Uit: Zwarte Sylvester

`Dus u trof mevrouw Slootweg op 8 juni aan' Hangend in de appelboom van opa Opperman? En u hebt ons pas op de 22e gebeld? Waarom zo laat?' vroeg een agent.
`Ik wilde afscheid nemen. Ze had vrede gevonden in die boom, zoveel vrede dat ik soms dacht dat ze weer wakker zou worden. Dat haar oude lichaam open zou scheuren als een cocon en dat er een nieuwe Charlotte tevoorschijn zou komen.'
`En die blauwe plekken?' De agent wees naar het beurse middenrif van Lotje. 'Hebt u daar iets mee te maken?'
`Ik was boos. Zou u niet boos zijn? We hebben een zoon, we hebben een hypotheek, we hadden een toekomst. Ja, ik ben verantwoordelijk voor die blauwe plekken. Ik ben een alleenstaande vader in een veel te duur huis. En hebt u haar afscheidsbriefje al gelezen? "Duizendmaal sorry, maar ik moest dit doen"? Mevrouw Slootweg had recht op die tikken. Ons gezin zat in een rijdende auto, een rijdende auto naar een gelukkige bestemming. Mevrouw Slootweg moest zo nodig uit een rijdende auto springen.'
`En uw zoon? Sylvester? Hoe gaat het met Sylvester?'
`Sylvester is mijn alles. Syl komt helemaal niets tekort. Ja, een moeder. Gisteren sprak hij zijn eerste woordje. Die jongen komt er wel. We gaan het niet makkelijk krijgen, maar we heten niet voor niets Opperman van achteren.'
`Wat was zijn eerste woordje?' vroeg de agent terwijl hij de lege pillendoosjes in een plastic zakje deponeerde.
`Kent u 'De wilde zwanen" van Hans Christian Andersen? Dat is zijn favoriete sprookje.' Rufus pakte het sprookjesboek erbij en begon voor te lezen. "Wij broers," zei de oudste, "vliegen als wilde zwanen zolang de zon aan de hemel staat; zodra ze onder is worden we weer mens; daarom moeten we bij zonsondergang ervoor oppassen dat we grond onder de voeten krijgen; want als we dan hoog in de
wolken zouden vliegen, zouden we ook, als mensen, in de diepte storten." Als ik het woord "zwaan" uitspreek begint mijn zoon te lachen. Sylvester is net één, en zijn eerste woordje is dus "swaaht". Hij probeert "zwaan" te zeggen, maar het klinkt als zwart.”

 

 2097305-fd70adc900fab3a8eebc99ffa8d4b591.jpg
James Worthy (Amsterdam, 30 november 1980)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Y.M. (Yannick) Dangre werd op 30 november 1987 geboren in Kapellen. Zie ook alle tags voor Y.M. Dangre op dit blog.

Uit: Vulkaanbreuk

“Ze sloeg haar armen om het potige lijf heen, want zelfs voor liefde in ongezonde, wild romantische hoeveelheden zei je 'dank u wel'. Zulke amoureuze gulzigaards moest je juist geduldig leren matigen, zoals je een hond trainde om met steeds schameler porties tevreden te zijn. Tot haar verbazing liet de hond al snel los. Robert porde haar aan om te vertrekken, om zeker tijdig terug te zijn vanavond, voor Amedeo: de zoon met de bespottelijke naam, die iedereen meteen aan Mozart linkte, aan Roberts passie voor klassieke muziek, aan zijn indrukwekkende cd-collectie die in de woonkamer stond te glimmen in enkele getrapte rekken, volgestouwd met voornamelijk hooggestemde negentiende eeuwers, Beethoven — waarschijnlijk had de jongen nog geluk dat hij niet Ludwig heette; de zoon door wie Robert halsoverkop weer naar Italië moest, naar het huis van zijn stukgelopen huwelijk — tot de dood u scheidt — en gezinsleven; de zoon zonder moeder, want haar auto en leven had ze aan diggelen gereden, waarna vruchteloze reanimatiepogingen volgden op de snelweg, in het ziekenhuis vol behulpzame verpleegsters, vol doktershanden, die het leven enkel sneller uit Amedeo's moeder hadden geknepen. Dat zei Robert haar dezelfde avond nog, aan de telefoon, met een snik en zelfmedelijden in zijn stemgeluid terwijl ze hem, half tegen haar zin, aan de andere kant van de lijn volpompte met troostwoordjes. Wat erg voor de jongen. Arme spruit. Moederloze stumperd, zo alleen nu naast zijn dode mammie in de kliniek. Zou hij veel van zijn mammie gehouden hebben? Haar keel werd droog. Ze voelde woede opkomen. Fragmenten van een nooit ophoudende, voortgalopperende beeldenstroom drongen zich op, vulden haar hersens met witheid. De witheid van ziekenhuisbedden. Van Papa. Van haar moeder die hem haatte. Goed dat je morgenochtend de eerste vlucht pakt. Of ze meeging.”

 

 2097305-3b8ce5dbce43b26f2958036c81e884cf.jpg
Y.M. Dangre (Kapellen, 30 november 1987)

 

 

De Nederlandse dichter Reinier de Rooie werd geboren op 30 november 1961 in Hengelo. Zie ook alle tags voor Reinier de Rooie op dit blog.

 

Hiephiep

Tussentijds staat men hier bij een denkbeeld van poort.
Uitvlucht voor wie wereld wil, thuiskomst
In pace en peace, hoewel soms dan hormonen
Na marktbezoek of ketelgelap, boeren c.q. beren
Denk dan eens aan weleer die dagen van ’11:
Omgeven door landelijk liederlijk breekbaar
Riep de Tijdgeest ‘vooruit hup en hopsa’.
Plant dan maar eens een boom en zie om!

’t Was in het herfsttij van Britain…

Langs karrensporen vleide zich steen.
Aan het vuur werd het ijzer gekromd.
Niemand ontkwam aan de stoomloc.
Socialisme schokte met schouder.
Industriëlen kozen ei, zagen ruimte,
Namen het dorp alsleidraad.
Kinderen ademden groen.

Hoe nu nu alles is anders en om?
Ook vandaag schijnt magnifiek de zon!
Neem een duik in het spetterend zwembad.
Doe uw schoenen uit doe uw angsten uit
En dans op de tafel wat de pot schaft.
Ruim alles nadien in gemoedsrust en
Droom van een wereld als hier maar alom.

 

 2097305-4971ade53f24185d4284d2c80e57b421.jpg
Reinier de Rooie (Hengelo, 30 november 1961)

 

 

De Engelse schrijver David Nicholls werd geboren op 30 november 1966 in Eastleigh, Hampshire. Zie ook alle tags voor David Nicholls op dit blog.

Uit: Us

“Last summer, a short time before my son was due to leave home for college, my wife woke me the middle of the night.
At first I thought she was shaking me because of burglars. Since moving to the country my wife had developed a tendency to jerk awake at every creak and groan and rustle. I’d try to reassure her. It’s the radiators, I’d say; it’s the joists contracting or expanding; it’s foxes. Yes, foxes taking the laptop, she’d say, foxes taking the keys to the car, and we’d lie and listen some more. There was always the ‘panic button’ by the side of our bed, but I could never imagine pressing it incase the alarm disturbed someone – say, a burglar for instance.
I am not a particularly courageous man, not physically imposing, but on this particular night I noted the time – a little after four – sighed, yawned and went downstairs. I stepped over our useless dog, padded from room to room, checked windows and doors then climbed the stairs once more.
‘Everything’s fine,’ I said. ‘Probably just air in the water pipes.’
‘What are you talking about?’ said Connie, sitting up now.
‘It’s fine. No sign of burglars.’
‘I didn’t say anything about burglars. I said I think our marriage has run its course. Douglas, I think I want to leave you.’
I sat for a moment on the edge of our bed.
‘Well at least it’s not burglars,’ I said, though neither of us smiled and we did not get back to sleep that night.”
 

 2097305-e6fbd498e68d31f6aa59ba90e0b47690.jpg
David Nicholls (Hampshire, 30 november 1966)

 

 

De Nederlandse schrijfster en actrice Yasmine Allas werd geboren op 30 november 1967 in Mogadishu in Somalië. Zie ook alle tags voor Yasmine Allas op dit blog.

Uit: A Handed-Down History (Een nagelaten verhaal, vertaald doorJoni Zwart)

“Two days later, towards the end of the morning, Zeyneb’s father was waiting for her and the Stranger on the veranda.
Normally she would have given her father a warm embrace and quickly breathed in his scent but now, for the first time in her life, she hesitated.
‘Abo, iska waran? Father, how are you?’ was all she could say.
Diiriye nodded, brief and stiffly.
Then the Stranger and he shook hands. Brief and stiffly.
Maryam’s most beautiful carpets were spread out on the wooden floor of the
reception room.
The classic rose shades delighted the eye; the blue, brighter than the sky of Hardu, was a joy to see, and the mysterious purple was an invitation to look deeper and read the story that was woven in the fabric. An invitation to discover the long-legged orange birds that prodded the tall bilious-green grass with hooked beaks, or the snakes showing their forked tongue to children at play in the arbours. The carpets were a feast for the eye, an enticement to the imagination. Maryam only brought them out on religious feast days - and for distinguished visitors of course.
Today the two oldest of the Three Lucifers were seated on those carpets, to one side of the room, stiff legs folded beneath their sarongs. On the other side sat Guuleed.
The eldest Lucifer, a cross-eyed looking man with ash-coloured, tightly curled hair, beckoned Zeyneb and the Stranger, inviting them to take their place on the carpets opposite.
While Maryam poured out sweet ginger tea, Zeyneb managed to whisper to the Stranger: ‘The situation is different from what I had expected. The best thing would be to give them the marriage certificate right away. Trust me.’

 

 2097305-c4eb367067160d3909d9f935aaea9611.jpg
Yasmine Allas (Mogadishu, 30 november 1967)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan G. Elburg werd geboren op 30 november 1919 te Wemeldinge. Zie ook alle tags voor Jan G. Elburg op dit blog en de overige tags voor Jan G. Elburg.

 

Serenade voor Lena

Weemoedig minnelied in drie accoorden:
Een vrouwenbeeld, een dichter en de maan,
Dat sinds de hand de snaren leerde slaan
De samenslaap van de gelieven stoorde.

En zwichtte zij ooit die zijn klachten hoorde,
Als wist zij hem in 't foltervuur te staan,
Ter dood gezengd en hulploos wrikkend aan
De blauwe pijl die hem het hart doorboorde?

Zij neuriet wel zijn lied maar weet geen woorden;
Zij neemt tot sieraad de vergoten traan,
Maar stuurt den zanger bij haar poort vandaan

Langs eeuwenoude kronkelwegen door de
Verlatenheid , waar mijl na mijl ontspoorde
Gedichten tussen wingerdblad vergaan.

 

 

Het vers

Dit noemt men vers, maar onverstoord
Blijf ik tussen de regels zingen:
De dichter die mij aangeboord
Heeft, wil, door eigen durf bekoord,
Om naar de eeuwigheid te dingen,
Mijn klanken naar zijn woorden dwingen.
Het lijkt er op, maar onverstoord
Blijf ik tussen de regels zingen.

Zou 'k mij verminkt en halfvermoord
Tot dwaze bochten moeten wringen
In 't eigenwijs, onwillig woord?
Ha, alle woorden staan op springen
En ik blijf zingen, onverstoord.

 

*

Wat een landschap voor lange stelten.
De vlakte heeft,
uit plooien, zich bevuild
met puntpoep, keutels van sintels.

Slim heiligdom van een doos:
bebrilde ramen.
En de zwarte slagroom
van de schaduw,
de zware.

Wat een landschap
om over de schreef van de horizon
te gaan.

 

 2097305-a356f19d5227639c6e5961190d7fc2a1.jpg
Jan G. Elburg (30 november 1919 – 13 augustus 1992)

 

 

De Spaanse schrijver Jesús Carrasco werd geboren in Badajoz, Extremadura, op 30 november 1972. Zie ook alle tags voor Jesús Carrasco op dit blog.

Uit: De vlucht (Vertaald door Arie van der Wal)

“De honden liepen met hem mee aan een gerafeld touw om hun nek. Het was pijnlijk om te zien hoe de man zich voortbewoog in zijn lompe apparaat, en hij had zich altijd afgevraagd waarom hij de dieren die kar niet liet trekken. Op school zeiden ze dat als een van de beesten hem niet langer beviel, hij het ophing aan een olijfboom. In zijn korte leven had hij al tientallen honden in een of andere afgelegen boom zien bungelen. Huidzakken vol ontwrichte botten als reusachtige ingesponnen poppen.
Hij merkte dat de mannen al dichtbij waren en maakte zich gereed om doodstil te blijven liggen. Hij hoorde hoe zijn naam zich vermenigvuldigde tussen de bomen als druppels op het wateroppervlak. Weggedoken in zijn schuilplaats bedacht hij dat dit misschien zijn hele beloning zou zijn: horen hoe ze hem bij het aanbreken van de ochtend keer op keer riepen tussen de olijfbomen. Hij herkende de stem van de kastelein en die van een van de ezeldrijvers die de zomer in het dorp doorbrachten. En hoewel hij ze niet kon horen, nam hij aan dat ook de stemmen van de postbode en de mandenmaker erbij waren. Hij ervoer een onverwacht leedvermaak, vochtig en warm, op de bodem van zijn kuil. Een soort doffe, kinderlijke opgewondenheid die hem kippenvel bezorgde. Hij vroeg zich af of ze op dezelfde manier naar zijn broer zouden zoeken, of híj zoveel mannen op de been zou kunnen brengen voor een speurtocht. Bij dat koor van stemmen had hij het gevoel dat hij misschien een vorm van gemeenschapszin had losgemaakt, en heel even trok zijn wrok zich terug tot ergens diep in zijn maag. Hij had de mannen van het dorp om zich heen verzameld, al die sterke, gebruinde armen die voren trokken in het land en zorgden voor het graan in de platte broden. Hij had iets teweeggebracht. Hij dacht dat de noodzaak om die groep mensen bijeen te brengen oude vijanden mogelijk had gedwongen de mouwen op te stropen en schouder aan schouder naar hem op zoek te gaan. Hij vroeg zich af of er over een paar jaar of over een paar weken iets zou overblijven van dat moment. Of het een gespreksonderwerp zou zijn bij het uitgaan van de mis of in de kroeg. Toen dacht hij aan zijn vader en hij stelde zich voor hoe hij links en rechts uitleg gaf. Hij zag hem, zoals zo vaak, hulpeloosheid veinzen, waarbij hij iedereen probeerde te laten geloven dat de jongen, terwijl hij achter een jonge patrijs aan rende, vast en zeker in een beerput gevallen was.”

 

 2097305-f36412a97f7f741d8195e9be436df3e7.jpg
Jesús Carrasco (Badajoz, 30 november 1972)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e november ook mijn blog van 30 november 2016 en ook mijn blog van 30 november 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 30 november 2008 en ook mijn blog van 30 november 2008 deel 2, en ook mijn blog van 30 november 2007 en mijn blog van 30 november 2006.

Geschreven door Romenu om 18:11 Reageer op dit bericht

Mario Petrucci, George Szirtes, Jean Senac, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis, Wilhelm Hauff, Louisa May Alcott, Franz Stelzhamer

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook alle tags voor Mario Petrucci op dit blog.

 

Gene

With pollution and GM, future seas may change colour.

Worl alway same me rekon
nuttin much-change Dere alway green
melon-anana Alway yelow-sea

Me granee she live-be twennysix
wit ray hair Me tel me-babee
we not die-soon We like granee –

we live-long An me caree-she
for look-see thru eave – for look
yelow-sea An me tel-she

wen de-Life tek-you you com
yelow like you fall-in yelow-sea An
you stopp Dat all

An me tel-she bout ol-peepol
hoo-liv wen Worl dri Me tel-she
storee bout way ting used-be

wen ol-peepol walk in air an walk
wid weel An way dem ol-peepol talk
in riddl An way dem stepp in someting

dey call Gene Yeh Dem mess-up
reel-bad someting call Gene An dem
rising-now for meet-us in yelow-sea

An me-babee say – Dees storee
all troo? Dem ol-peepol all stopp? All
com-yelow like ye’ow-sea? Butt me

know nuttin mor Cept
dey bildin tall Dey much-like carr
much-like Wor Dem tuch ev-where

dem stepp ev-where Butt
me tel-me-babee – me-tink
dem ol-peepol dem juss-walk

one Gene too-farr

 

 2096969-e95b53fb7a828d8abfe5b2b389b516a4.png
Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

 

 

De Britse dichter en schrijver George Szirtes werd geboren op 29 november 1948 in Boedapest. Zie ook alle tags voor George Szirtes op dit blog.

 

Esprit de l'Escalier

Suddenly there we all were, talking together
but not to each other. It might have been I
who had started it, muttering as I do
to myself, or rather to a figure to whom
I have something to say in the manner known
as l’esprit de l’escalier, that ghostly meeting

on the staircase with a person already past meeting
for whom we now have an altogether
brilliant answer, one we have always known
but had failed to produce when required. And now, I
and the others were talking, all of us, to whom
it would finally concern us to talk to, as we do

each day on the bus, knowing just what to do
and to say at this and every other such meeting.
There were friends, fears, ghosts, and past selves whom
each of us had to answer, all of us speaking together
every which one a distinct and separate I
in a world where everything has always been known.

The air was packed solid with voices we had once known
or were ours, it was hard to tell which, for how do
you tell the inner from the outer, or distinguish the I
from the not-quite-I? And soon each intimate meeting
had spilled onto the street, all voices singing together
to make one thundering chorus, each who with its whom,

in doorways, on staircases, singing to whom-
soever could hear and respond to the known-or-unknown
harmonies we were producing as if we were together.
We were ghosts. We were dead. There was little to do
but to listen and sing and be dead and be meeting
each ghost on its staircase. And so it was I

myself spoke to the dead ones within me since I
was their only voice, the lost hum of their whom.
It was crazy this sound, the music of meeting
all of them now, there on the bus, having known
only the steps to the top deck, knowing what to do
only in emergencies when we’re all thrown together

and have to make do as we are, no matter with whom
we travel or have known, these voices with their I,
their you, their singing together at each and every meeting.

 

 

Stoelen

De lege stoelen vreesde hij
niet die met leuningen in hen geplant,
niet die bestrooid met kruimels of papiertjes.

De stemmen die niet spraken,
de piepjes en kraakjes die de stoelen niet maakten,
het overhellen, het omvallen,
de gebroken stoelpoten, het dagelijks gedoe.

Ze rond een tafel zien geschaard,
in zichzelf gekeerd als voor een ritueel
dat was het onrustbarende, en dat er een,
ja, die met open armen
en z’n uitnodiging om te gaan zitten,
z’n slaperigheid, zijn steek naar waardigheid,
zijn ledigheid, de duivel zelve was.

 

Vertaald door Rob Schouten

 

 2096969-93c347020b4dfd1a222dc037da5bbca6.jpg
George Szirtes (Boedapest, 29 november 1948)

 

 

De Algerijnse, Franstalige, dichter en schrijver Jean Senac werd geboren op 29 november 1926 in Beni Saf in de regio Oran. Zie ook alle tags voor Jean Senac op dit blog.

 

Le chant de Robert

L’odeur ouvre le front
met dans la main une rumeur ancienne
la simple odeur longtemps retenue de la laine
et la tranquille ampoule où brûle le limon

L’oreille ouvre le temps
quel genêt bouge alors dans le cœur quelle pierre
frappe la jambe quel printemps
remet au centre la misère

La bouche ouvre la nuit
libère un vieux galion sous la dure falaise
une fille s’endort le bruit
des mers inachevées la conduit la protège

Le cœur ouvre l’étui
où rêvait le poète à ses futures frondes
pareil au garve enfant que la mort dévergonde
sourd à ses animaux sourd aux dieux, sourd aux fruits

La chaleur ouvre le monde
dans le signe de l’ami

 

 

Le temps des mots

Cœur percé d’une hirondelle
mes camarades sont en prison
mon image n’est pas belle
s’ils doivent y rester longtemps

La beauté est difficile
deux cœurs ne font pas une île
mais une flèche un tison
Au-dessus de la ville
mes camarades sont en prison

Pourquoi chanter quand nous menace
le cri funèbre d’un innocent
la beauté est une impasse
l’hirondelle un mot sans passe
si la poésie n’arrête pas le sang

Cœur percé d’une hirondelle
ma patrie est en prison
mon image n’est pas belle
si elle n’ouvre pas le temps
de la liberté et de la raison

Cœur percé d’une hirondelle
la vie au bout de la chanson.

 

 2096969-ff32bc16281a320c197abe1b48aab794.jpg
Jean Senac (29 november 1926 – 30 augustus 1973)

 

 

De Italiaanse schrijver, schilder, arts en politicus Carlo Levi werd geboren op 29 november 1902 in Turijn. Zie ook alle tags voor Carlo Levi op dit blog.

Uit:Christ Stopped at Eboli (Vertaald door Frances Frenaye)

„Many years have gone by, years ol war and of what men call History. Buffeted here and there at random I have not been able to return to my peasants as I promised when I left them, and I do not know when, if ever, I can keep my promise. But closed in one room, in a world apart, I am
glad to travel in my memory to that other world, hedged in by custom and sorrow, cut off from History and the State, eternally patient, to that land without comfort or solace, where the peasant lives out his motionless civilization on barren ground in remote poverty, and in the presence of death.
"We're not Christians," they say. "Christ stopped short of here, at Eboli." "Christian," In their way of speaking means "human being," and this almost proverbial phrase that I have so often heard them repeat may be no more than the expression of a hopeless feeling of inferiority. We're not Christians, we're not human beings; we're not thought of as men but simply as beasts, beasts of burden, or even less than beasts, mere creatures of the wild. They at least live for better or for worse, like angels or demons, in a world of their own, while we have to submit to the world of Christians, beyond the horizon, to carry its weight and to stand comparison with it. But the phrase has a much deeper meaning and, as is the way of symbols, this is the literal one.
Christ did stop at Eboli, where the road and the railway leave the coast of Salerno and turn into the desolate reaches of Lucania. Christ never came this far, nor did time, nor the individual soul, nor hope, nor the relation of cause to effect, nor reason nor history. Christ never came, just as the Romans never came, content to garrison the highways without penetrating the mountains and forests, nor the Greeks, who flourished beside the Gulf of Taranto. None of the pioneers of Western civilization brought here his sense of the passage of time, his deification of the State or that ceaseless activity which feeds upon itself.”

 

 2096969-51d12f4fdf39180113450f3d62bc4f81.jpg
Carlo Levi (29 november 1902 – 4 januari 1975)
Cover

 

 

De Belgische schrijver Jean-Philippe Toussaint werd op 29 november 1957 geboren in Brussel. Zie ook alle tags voor Jean-Philippe Toussaint op dit blog.

Uit: Nue

« Tel, du moins, était le principe. En pratique, les difficultés s’étaient multipliées, et la présentation de la robe en miel au Spiral de Tokyo avait nécessité des mois de travail et la mise en place d’une petite cellule spécialisée qui s’étaient consacrés exclusivement au développement du projet de la robe en miel. Dès le départ, il avait fallu choisir entre travailler avec de vraies abeilles ou faire appel à un système de faux insectes téléguidés, en s’appuyant sur les travaux les plus récents de biorobotique, qui permettent d’envisager de minuscules robots aériens dotés de capteurs électroniques ventraux. Après examen de la question, et de nombreux échanges de courriers électroniques entre Tokyo et Paris, agrémentés de documents joints croquignolets qui contenaient des schémas complexes de prototypes volants miniaturisés, à l’allure sibylline de machines à voler de Léonard de Vinci, il apparut qu’il était technique- ment possible de faire voler un essaim d’abeilles sur un podium de mode. Le principal point positif mis en lumière par les collaborateurs de Marie était que les colonies d’abeilles sont dociles et suivent partout aveuglément leur reine (si une reine parvient à s’échapper d’une ruche, toute la colonie la suit dans la nature, de sorte que certainsapiculteurs n’hésitent pas à couper les ailes de leurs reines pour éviter de tels exodes). Lors d’un premier voyage préparatoire que Marie avait fait au Japon, son assistant lui avait arrangé un ren- dez-vous avec un apiculteur corse qui vivait à Tokyo, et Marie s’était retrouvée à déjeuner dans un restaurant panoramique de Shinjuku avec un certain M. Tristani, ou Cristiani (dont le prénom n’était rien de moins que Toussaint), petit homme sympathique, débonnaire, vêtu de tweed, de chevrons, de beige et de bordeaux. M. Tristani avait le poignet dans le plâtre et le bras en écharpe, il portait d’épaisses lunettes jaunes aux verres fumés qui cachaient un regard aigu, rusé et méfiant.M. Tristani avait commandé l’apéritif dans la grande salle à manger déserte du restaurant panoramique, et il devait s’attendre à quelque déjeuner galant en compagnie d’une jeune femme qui s’intéressait à la fabrication du miel, mais Marie n’avait pas l’habitude de badiner pendant les déjeuners de travail. Dès que le maître d’hôtel était venu prendre la commande, elle lui avait exposé d’une voix décidée les grandes lignes de son projet. M. Tristani, dont les ardeurs s’étaient très vite éteintes, l’écoutait gravement, en hochant la tête, le poignet dans le plâtre, détachant detemps à autre maladroitement un filet de sole de sa main valide, puis, posant son couteau à poisson sur la nappe, il ramassait sa fourchette et avalait une bouchée d’un air douloureux, et même préoccupé, car, s’il avait bien compris, l’idée consistait à recouvrir un top-model de miel. »

 

 2096969-adf481fc2534ee727cae190f6c4e91ee.jpg
Jean-Philippe Toussaint (Brussel, 29 november 1957)

 

 

De Ierse schrijver C.S. Lewis werd geboren op 29 november 1898 in Belfast. Zie ook alle tags voor C. S. Lewis en de overige tags voor C, S. Lewis op dit blog.

Uit: The Chronicles Of Narnia

"What's that noise?" said Lucy suddenly. It was a far larger house than she had ever been in before and the thought of all those long passages and rows of doors leading into empty rooms was beginning to make her feel a little creepy.
"It's only a bird, silly," said Edmund.
"It's an owl," said Peter. "This is going to be a wonderful place for birds. I shall go to bed now. I say, let's go and explore tomorrow. You might find anything in a place like this. Did you see those mountains as we came along? And the woods? There might be eagles. There might be stags. There'll be hawks."
"Badgers!" said Lucy.
"Foxes!" said Edmund.
"Rabbits!" said Susan.
But when next morning came there was a steady rain falling, so thick that when you looked out of the window you could see neither the mountains nor the woods nor even the stream in the garden.
"Of course it would be raining!" said Edmund. They had just finished their breakfast with the
Professor and were upstairs in the room he had set apart for them - a long, low room with two windows looking out in one direction and two in another.
"Do stop grumbling, Ed," said Susan. "Ten to one it'll clear up in an hour or so. And in the meantime we're pretty well off. There's a wireless and lots of books.""Not for me” said Peter; "I'm going to explore in the house."
Everyone agreed to this and that was how the adventures began. It was the sort of house that you never seem to come to the end of, and it was full of unexpected places. The first few doors they tried led only into spare bedrooms, as everyone had expected that they would; but soon they came to a very long room full of pictures and there they found a suit of armour; and after that was a room all hung with green, with a harp in one corner; and then came three steps down and five steps up, and then a kind of little upstairs hall and a door that led out on to a balcony, and then a whole series of rooms that led into each other and were lined with books - most of them very old books and some bigger than a Bible in a church.”

 

 2096969-9af64a152816fa7580b9b945a4332f0a.jpg
C.S. Lewis (29 november 1898 – 22 november 1963)
Scene uit de film “The Chronicles of Narnia: The Lion, the Witch, and the Wardrobe”, 2005

 

 

De Duitse dichter en schrijver Wilhelm Hauff werd geboren inStuttgart op 29 november 1802. Zie ook alle tags voor Wilhelm Hauff op dit blog.

Uit: Die Bettlerin vom Pont des Arts

„Wer im Jahr 1824 abends hie und da in den Gasthof »Zum König von England« in Stuttgart kam, oder nachmittags zwischen 2 und 3 Uhr in den Anlagen auf dem breiten Weg promenierte, muß sich, wenn anders sein Gedächtnis nicht zu kurz ist, noch einiger Gestalten erinnern, die damals jedes Auge auf sich zogen. Es waren nämlich zwei Männer, die ganz und gar nicht unter die gewöhnlichen Stuttgarter Trinkgäste oder Anlagenspaziergänger paßten, sondern eher auf den Prado zu Madrid oder in ein Café zu Lissabon oder Sevilla zu gehören schienen. Denket euch einen ältlichen, großen, hageren Mann mit schwärzlich grauen Haaren, tiefen, brennenden Augen, von dunkelbrauner Farbe, mit einer kühngebogenen Nase und feinem, eingepreßtem Mund. Er geht langsam, stolz und aufrecht. Zu seinen schwarzseidenen Unterkleidern und Strümpfen, zu den großen Rosen auf den Schuhen und den breiten Schnallen am Kniegürtel, zu dem langen, dünnen Degen an der Seite, zu dem hohen, etwas zugespitzten Hut mit breitem Rande, schief an die Stirne gedrückt, wünschet ihr, wenn euch nur einigermaßen Phantasie innewohnt, ein kurzes geschlitztes Wams und einen spanischen Mantel, statt des schwarzen Frackes, den der Alte umgelegt hat.
Und der Diener, der ihm ebenso stolzen Schrittes folgt, erinnert er nicht durch das spitzbübische, dummdreiste Gesicht, durch die fremdartige, grelle Kleidung, durch das ungenierte Wesen, womit er um sich schaut, alles angafft und doch nichts bewundert, an jene Diener im spanischen Lustspiel, die ihrem Herrn, wie ein Schatten treu, an Bildung tief unter ihm, an Stolz neben ihm, an List und Schlauheit über ihm stehen? Unter dem Arm trägt er seines Gebieters Sonnenschirm und Regenmantel, in der Hand eine silberne Büchse mit Zigarren und eine Lunte.“

 

 2096969-4959ce6c649d75a2a9c6132679ef9827.jpg
Wilhelm Hauff (29 november 1802 - 18 november 1827)
Portret door Jiří Běhounek, 1985.

 

 

De Amerikaanse schrijfster Louisa May Alcott werd geboren op 29 november 1832 in Germantown, Pennylvania. Zie ook alle tags voor Louisa May Alcott op dit blog.

Uit:A Garland for Girls

“Being Boston girls, of course they got up a club for mental improvement, and, as they were all descendants of the Pilgrim Fathers, they called it the Mayflower Club. A very good name, and the six young girls who were members of it made a very pretty posy when they met together, once a week, to sew, and read well-chosen books. At the first meeting of the season, after being separated all summer, there was a good deal of gossip to be attended to before the question, “What shall we read?” came up for serious discussion.
Anna Winslow, as president, began by proposing “Happy Dodd;” but a chorus of “I’ve read it!” made her turn to her list for another title.
“‘Prisoners of Poverty’ is all about workingwomen, very true and very sad; but Mamma said it might do us good to know something of the hard times other girls have,” said Anna, soberly; for she was a thoughtful creature, very anxious to do her duty in all ways.
“I’d rather not know about sad things, since I can’t help to make them any better,” answered Ella Carver, softly patting the apple blossoms she was embroidering on a bit of blue satin.
“But we might help if we really tried, I suppose; you know how much Happy Dodd did when she once began, and she was only a poor little girl without half the means of doing good which we have,” said Anna, glad to discuss the matter, for she had a little plan in her head and wanted to prepare a way for proposing it.
“Yes, I’m always saying that I have more than my share of fun and comfort and pretty things, and that I ought and will share them with some one. But I don’t do it; and now and then, when I hear about real poverty, or dreadful sickness, I feel so wicked it quite upsets me. If I knew HOW to begin, I really would. But dirty little children don’t come in my way, nor tipsy women to be reformed, nor nice lame girls to sing and pray with, as it all happens in books,” cried Marion Warren, with such a remorseful expression on her merry round face that her mates laughed with one accord.”

 

 2096969-42305ac9b1151870082e9fd7b7350947.jpg
Louisa May Alcott (29 november 1832 – 6 maart 1888
Cover

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Franz Stelzhamer werd geboren in Großpiesenham op 29 november 1802. Zie ook alle tags voor Frans Stelzhammer op dit blog.

Uit: Reisel, der Wildschütz und Geiger

Im gesegneten Oberösterreich, unfern des Hausrucks, an einem lustigen Landsträßchen liegt das trauliche Bad St. Thomas mit seinen weitläufigen Gast- und Wirtschaftsgebäuden. – Ach, rücke dich mir näher, du baumgekrönter, blumengeschmückter Hügel, aus dessen geheimnisvoller Tiefe die lauterste Quelle hervorbricht, die nicht nur weithin den Wiesgrund erfrischt und die rotsprengelige Forelle ernährt, sondern selbst der leidenden Menschheit so ersprießliche Labung bietet; ja, rücke dich näher und gewähre mir Raum in deiner kühlen Laubenhalle und fröhlichen Ausblick in die vielbefreundete schöne Landschaft! – Ha, wie die Saaten wogen, dem fließenden Golde gleich, und wie das Sträßchen so saumselig sich krümmt und schlendert, um nur nicht allzu bald aus der lichten, lebensfrohen Landschaft in den großen Wald zu müssen, wo die düsteren Schatten lagern und die rätselhafte Stille herrscht. – Genug! Oder nein, ich will gütig sein und noch einen letzten lohnenden Blick erlauben auf das heitere Bild im mächtigen Waldesrahmen; denn kaum daß unsere düstere Geschichte beginnt, ist all die Lieblichkeit verschwunden: die Felder leer, die Blumen dürr, die Bäume kahl, der Himmel trüb und kalt – es ist Herbst und frostige, lichtarme Abendzeit.
Wie die Lebenswärme bei eintretender Kälte aus den Extremitäten sich gegen die Mitte des Körpers zurückzieht, so war es jetzt in der weitschichtigen Gehöftschaft und freundlichen Umfriedung von St. Thomas ebenfalls: die Zimmer, wo die verschiedenen Badegäste aus nah und fern gewohnt, die Säle, wo sie sich gemeinschaftlich unterhalten, die Laubgänge, wo sie abwechselnd kühle Rast und luftigen Wandel gepflogen – alles, alles leer und verlassen; nur in der großen Gemein- oder Gaststube ist einiges Leben, und zwar, wie es gewesen sein mochte, einzig und allstets, ehe noch die Heilkraft der Quelle entdeckt und der schlichte Bauer von Wirt im grünen Samtkäppchen seinen lieben paar Gästen das edle Braunbier oder das Branntweingläschen höchst eigenhändig mit einem stereotypen »Gottgesegns!« kredenzt und dargebracht hatte."

 

 2096969-0b14b09d4f521aed4c4cddb17db73bdd.jpg
Franz Stelzhamer (29 november 1802 – 14 juni 1874)
Standbeeld in Linz (detail)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e november ook mijn blog van 29 november 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 29 november 2008, en ook mijn blog van 29 november 2007 en mijn blog van 29 november 2006.



Geschreven door Romenu om 18:12 Reageer op dit bericht

Erwin Mortier, Alberto Moravia, Hugo Pos, Stefan Zweig, Sherko Fatah, Philippe Sollers, William Blake, Alexander Blok, Rita Mae Brown

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook alle tags voor Erwin Mortier op dit blog.

 

Brief achtentwintig

Als ik zwijg kan ik u horen. Wat ik hoor
legt mij het zwijgen op. Wat ik verzwijgen moet

hoor ik met mijn ziel vol tanden aan.
Als ik u uitspreek scheuren de talen mij open

–dus ik zwijg en ik slaap
in het voorhoofd van uw nacht.

Blijf, trek het laken der firmamenten
niet van mij af. Laat uw naakte hemel

en diens hemisferen als een dakloos
raadsel op mijn ogen rusten.

Leg een vinger op mijn lippen Liefste.
Uit één vinger valt men niet.

 

 

Gebed
(Hadewijchvariatie)

Ik vrees dat ik te licht word en teveel
voel dat ik barst hier (in mijn hoofd het uitbreekt,
geen woord volstaat). Ik ben de veer

het buigzaam schreeuwen (in uw vel - syllaben).
Ik ben de vlekken die ik tel

als jamben troubadoursmuziek maar ik wil
de schuimende muil zijn van de gargouille de water-
spuwende draak (lief) wanneer het op uw

gewelven regent en de verdoemden (de versteenden)
in het westportaal zich warmen

aan de troost van uw hel.

 

 

Uiteindelijk reinigt alles zich, altijd

Uiteindelijk reinigt alles zich, altijd. Waarom
anders heft het huis zijn goten hoog op zinken

pijpen rank als libellenpoten
langs de gevels, om dorstig te wachten

tot de wolken splijten ? Het dak
wordt dak wanneer het regent.

Veld van glinstering. De pannen blozen
nu de pijpen gulzig slikken.

Langs rozen, langs leipeer
en klimop omlaag. Tot ergens,

onder de keukenvloer, een maag
de vangst opslaat.

Voor ons, voor later.

 

 2096711-f54ad23435e5f91d02502caa561660b0.jpg
Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)
In 2014

 

 

De Italiaanse schrijver Alberto Moravia werd geboren in Rome op 28 november 1907. Zie ook ale tags voor Alberto Moravia op dit blog.

Uit:Two Friends (Vertaald door Marina Harss)

“He had no precise vocation, only a certain intellectual attitude toward life and a facility for writing; he was poor, and his dreams for the future were vast but vague. Youth did not inspire in him the same joyful, fulfilling vigor felt by Maurizio; if anything, his youth inspired a continual discomfort and struggle between contradictory emotions and purposes. He was extremely serious and felt seriously about everything he did, read, loved, discussed, or experienced. And yet he was not able to free himself — despite all his seriousness — from a constant feeling of insecurity and impotence, in other words from what is usually referred to as an inferiority complex. This complex had many elements, all of which seemed to converge toward something that he was unable to identify but was obscurely aware of. He felt socially inferior to Maurizio and Maurizio's circle; he felt inferior to the women he pursued; and he felt inferior to so-called men of action. To Sergio, action required innumerable profound, subtle reflections which usually resulted in inaction, out of fear or shyness. Instinctively, he sought an explanation for his frame of mind, but he might never have pinpointed it if Maurizio had not revealed it to him by chance, with cruel carelessness. It was a few years after their break. Because they Wed in the same city, they often crossed paths. Whenever this happened, Sergio was stone-faced, embarrassed, filled with unspoken reproaches 166 and a feeling of irritated impotence mixed with a secret attraction. Maurizio — to whom Sergio was simply one acquaintance among many — treated him with the jovial, indulgent condescension one affects with old schoolmates with whom one has lost touch. During these casual encounters, he would greet Sergio with jokes and quick repartee, aggravating his friend's sense of inferiority and ill-concealed rivalry. These meetings, which usually took place on the street or in ofés or other public pbces, were always very brief. After inquiring about work and life, Maurizio would depart with a joke and a smile, leaving Sergio to feel unhappy and wonder in vain why, given that there was no longer real friendship between them, he even bothered to stop and talk to Maurizio. On one of these occasions, Maurcio was sitting in his car, parked on an elegant street. As Sergio — gloomy and sloppily dressed — walked toward him along the sidewalk, Maurizio called out casually: "Well, how is the intellectual doing today? What have you been up to?" The word "intellectual" had an unpleasant ring to it, but in some strange way Sergio knew it to be tinged with truth. He heard himself say. almost resentfully: "Who are you callina an intellectual?"

 

 2096711-aff132ebca8b95a3440869d89a87523f.jpg
Alberto Moravia (28 november 1907 – 26 september 1990)
Cover Italiaanse uitgave

 

 

De Surinaamse schrijver, dichter en jurist Hugo Pos werd geboren in Paramaribo op 28 november 1913. Zie ook alle tags voor Hugo Pos op dit blog.

Uit: In triplo

“Het enige detail dat me van deze wandeltocht is bijgebleven is de ontmoeting met een spraakzame marskramer, die tot mijn verbazing Rothschild heette en zich zorgen maakte over de toekomst van de joden in Duitsland. Dat was ongewoon, joodse jongens als we alle vijf waren, klonk het in onze oren toch schromelijk overdreven, Hitler was toen nog een grote onbekende. Voor het overige was het een genoeglijke, zorgeloze tocht. 's Avonds, als ik mij los kon maken van het communale gezang, kon een verlaten pleintje mij in een romantische stemming brengen. Hiervan getuigt dit:

De maan
een kerkje
en een oude man
mooi is de maan
mooi is het kerkje
mooi is de oude man
mooier nog is de schoonheid
van maan, kerkje en oude man.

Deze regels heb ik voor me gehouden. Waarom ik ze onthouden heb zou ik niet kunnen zeggen. Nu ik ze opschrijf en erover nadenk zie ik er een aanloop in tot een samenvattend, kosmologisch denken dat verder reikt dan één en één is twee. Ik was in die tijd in de ban van J.C. van Schagens pantheïstische Narrenwijsheid. De regels ‘Ik had God en de wereld lief. Toen sprong mijn bretel los.’ verbraken voor mij het ingedamde van de poëzie. Ze hebben mij bovendien op het spoor gebracht van een levensopvatting die me erg aansprak. Nog altijd citeer ik te pas en te onpas zijn: ‘Ik ga maar en ben.’ In Leiden zal ik voor het studentenweekblad Virtus geregeld verzen inzenden.”

 

 2096711-3256a14baec748409ffd0a847a03023e.jpg
Hugo Pos (28 november 1913 - 11 november 2000)
Paramaribo

 

 

De Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig werd op 28 november 1881 in Wenen. Zie ook alle tags voor Stefan Zweig op dit blog.

Uit: Die Welt von Gestern. Erinnerungen eines Europäers

„Ihre Lebensform scheint mir dermaßen typisch für das sogenannte »gute jüdische Bürgertum«, das der Wiener Kultur so wesentliche Werte gegeben hat und zum Dank dafür völlig ausgerottet wurde, daß ich mit dem Bericht ihres gemächlichen und lautlosen Daseins eigentlich etwas Unpersönliches erzähle: so wie meine Eltern haben zehntausend oder zwanzigtausend Familien in Wien gelebt in jenem Jahrhundert der gesicherten Werte. Die Familie meines Vaters stammte aus Mähren. In kleinen ländlichen Orten lebten dort die jüdischen Gemeinden in bestem Einvernehmen mit der Bauernschaft und dem Kleinbürgertum; so fehlte ihnen völlig die Gedrücktheit und anderseits die geschmeidig vordrängende Ungeduld der galizischen. der östlichen Juden. Stark und kräftig durch das Leben auf dem Lande, schritten sie sicher und ruhig ihren Weg wie die Bauern ihrer Heimat über das Feld. Früh vom orthodox Religiösen emanzipiert, waren sie leidenschaftliche Anhänger der Zeitreligion des »Fortschritts« und stellten in der politischen Ära des Liberalismus die geachtetsten Abgeordneten im Parlament. Wenn sie aus ihrer Heimat nach Wien übersiedelten, paßten sie sich mit erstaunlicher Geschwindigkeit der höheren Kultursphäre an, und ihr persönlicher Aufstieg verband sich organisch dem allgemeinen Aufschwung der Zeit. Auch in dieser Form des Übergangs war unsere Familie durchaus typisch. Mein Großvater väterlicherseits hatte Manufakturwaren vertrieben. Dann begann in der zweiten Hälfte des Jahrhunderts die industrielle Konjunktur in Österreich. Die aus England importierten mechanischen Webstühle und Spinnmaschinen brachten durch Rationierung eine ungeheure Verbilligung gegenüber der altgeübten Handweberei, und mit ihrer kommerziellen Beobachtungsgabe, ihrem internationalen Überblick waren es die jüdischen Kaufleute, die als erste in Österreich die Notwendigkeit und Ergiebigkeit einer Umstellung auf industrielle Produktion erkannten.“

 

 2096711-43646c7d2d78bc17821475650e3a8860.png
Stefan Zweig (28 november 1881 – 22 februari 1942) 
Cover

 

 

De Duitse schrijver Sherko Fatah werd geboren op 28 november 1964 in Oost-Berlijn. Zie ook alle tags voor Sherko Fatah op dit blog.

Uit: Das Dunkle Schiff

„Halb zum Bildschirm blickend, der über ihren Köpfen hing, halb seiner Familie zugewandt, stets recht schweigsam, ohne dabei stumpf zu wirken, so begegnete ihm Kerim in seinen Erinnerungen.
Sein Vater betrieb ein kleines Restaurant, fast schon außerhalb ihrer Stadt gelegen. Es war nicht mehr als eine Hütte, vollgestellt mit hölzernen Bänken und Stühlen, das Dach hatte an einer Stelle ein großes Loch, behelfsweise mit einer Matte bedeckt. Im Laufe der Zeit war diese Matte verwittert und ließ, vor allem in den frühen Abendstunden, Strahlen eines, wie Kerim es empfand, lieblichen Lichtes in die Hütte fallen. Aber niemand außer ihm bemerkte das.
Die meisten der Gäste waren Durchreisende, die auf ihrem Weg durch den gebirgigen Norden des Landes eine Rast einlegten. Das Gasthaus lag ganz in der Nähe einer der großen Überlandstraßen, auf denen man das gesamte Land durchfahren konnte. Kerim erinnerte sich an den gelblichbraunen Raum, an das Stimmengewirr und an die Rauchschwaden über den Köpfen der Gäste. In der Nähe der Matte füllte der Rauch die einfallenden Lichtstrahlen, als wären sie gläserne Gefäße. Kerims Mutter war sehr unzufrieden darüber, dass das Loch im Dach nie fachmännisch ausgebessert wurde. Doch ihr Mann fand dazu keine Zeit. Sein Leben wurde bestimmt vom Zubereiten des Essens. Solange Kerim ihn kannte, war das Essen das einzige, was ihn ernsthaft beschäftigte.
Bevor er zur Schule aufbrach, musste Kerim bereits arbeiten. Er hatte die kleine Küche vorzubereiten, die sich in einem Anbau der Hütte befand. Der Tag begann um vier Uhr morgens, denn um diese Stunde fanden sich die Taxifahrer ein. Sie waren immer unterwegs und zahlten im Gasthaus Sonderpreise, dafür übernahmen sie ab und an Lieferungen für Kerims Vater. Um diese frühe Morgenstunde gab es nur Brühe oder Innereien am Spieß. Das war so üblich; später am Tag hatten die Gäste die Wahl zwischen Huhn oder Hammel und der dazugehörigen Brühe. Dazu gab es immer Reis, der in einem riesigen schwarzen Kessel in Unmengen gekocht wurde. Das regelmäßige Umrühren und schließlich das Ausleeren und Wiederbefüllen überließ sein Vater gänzlich Kerim, später auch die Sorge um die Gasflaschen, die ein schweigsamer Mann regelmäßig auf einem Holzkarren vorbeibrachte.
Das war ein wenig teurer als sie selbst im Laden abzuholen, doch dafür schloss er sie gleich an und überprüfte die Dichtung mit einem Streichholz. Kerim kannte diesen Mann sein ganzes Leben lang, ohne je mehr als ein paar Sätze mit ihm gesprochen zu haben.“

 

 2096711-01ac4d4e6abcd53d4f24e87fc1db2937.jpg
Sherko Fatah (Oost-Berlijn, 28 november 1964)

 

 

De Franse schrijver Philippe Sollers werd geboren op 28 november 1936 in Bordeaux. Zie ook alle tags voor Philippe Sollers op dit blog.

Uit: Lettres à Dominique Rolin 1958-1980

“Le Martray, 22 mars 1967).
Mon amour, cette fois je souligne l’expression trois fois —mon amour— pour qu’il soit bien inscrit que l’écriture que je t’adresse n’est rien à côté de cela où nous sommes pris tous les deux (les moments où je t’ai vue, ces derniers jours, dépassent toute description). Je me répète sans cesse que « tu seras la seule à me défendre », et je crois que c’est vrai. Tout cela est à la fois dérisoire et « intéressant » (terrible).
J’ai en toi une confiance absolue.
Sans cesse, je me reproche de ne pas avoir assez marqué tout ce que je te dois (de liberté, de courage). L’expérience en cours le prouve encore mille fois plus. Quand je te dis « sans toi, c’est la nuit », cela veut dire que tu es du côté de ce que je peux ramasser de force et de clarté dans les signes écrits, du côté où je garde le contact avec la « totalité ». Il y a là quelque chose de très dérobé (ce que l’on peut appeler « sacré »). Étrange, étrange.
Tout est simultanément présent (Venise, Barcelone, nos corps, la proximité fluide, suspendue, sans insistance, de chaque espace) — et rien ne peut arriver à cette présence. Je suis à chaque instant pulvérisé par cette présence (ton visage dans la vitre du train). Je t’aime de façon incroyable, incompréhensible et directe (au point de pouvoir réellement en mourir).
Ce que j’ai à faire et à vivre m’échappe sans doute en partie ; il fallait probablement redescendre dans de vieilles histoires d’enfance, m’enfoncer à nouveau — cette fois avec les yeux ouverts, pas en rêve — dans de vieilles traces qui doivent être effacées.Sois avec moi, tu ne peux pas ne pas être avec moi.
Je t’aime (à chaque seconde ta main passe sur moi et me sauve).
J’aime ta vie.”

 2096711-e716424951ca02a1e185f550de1b74d2.jpg
Philippe Sollers (Bordeaux, 28 november 1936)

 

 

De Engelse schrijver, dichter en schilder William Blake werd geboren op 28 november 1757 in Londen. Zie ook alle tags voor William Blake op dit blog.

 

The Grey Monk

'I die, I die!' the Mother said,
'My children die for lack of bread.
What more has the merciless Tyrant said?'
The Monk sat down on the stony bed.

The blood red ran from the Grey Monk's side,
His hands and feet were wounded wide,
His body bent, his arms and knees
Like to the roots of ancient trees.

His eye was dry; no tear could flow:
A hollow groan first spoke his woe.
He trembled and shudder'd upon the bed;
At length with a feeble cry he said:

'When God commanded this hand to write
In the studious hours of deep midnight,
He told me the writing I wrote should prove
The bane of all that on Earth I lov'd.

My Brother starv'd between two walls,
His Children's cry my soul appalls;
I mock'd at the rack and griding chain,
My bent body mocks their torturing pain.

Thy father drew his sword in the North,
With his thousands strong he marched forth;
Thy Brother has arm'd himself in steel
To avenge the wrongs thy Children feel.

But vain the Sword and vain the Bow,
They never can work War's overthrow.
The Hermit's prayer and the Widow's tear
Alone can free the World from fear.

For a Tear is an intellectual thing,
And a Sigh is the sword of an Angel King,
And the bitter groan of the Martyr's woe
Is an arrow from the Almighty's bow.

The hand of Vengeance found the bed
To which the Purple Tyrant fled;
The iron hand crush'd the Tyrant's head
And became a Tyrant in his stead.'

 

 2096711-d5c56ecace2c7ff00b7588799383770c.jpg
William Blake (28 november 1757 – 12 augustus 1827)
Ezekiel door William Blake, 1794 (kopergravure)

 

 

De Russische schrijver en dichter Alexander Blok werd geboren op 28 november 1880 in St. Petersburg. Zie ook alle tags voor Alexander Blok op dit blog.

 

In the sea of high grass

In the sea of high grass you'll be sunk with your head,
In the house - with peace come along…
She'll embrace with her arms, veil around with her plait.
"Hi, my prince," she will say, slim and strong.

She will tell you again, "Here are charms of the rose,
Here the dodder was waving his curls.
What the news have you brought, in what lands have been lost?
Who dislikes us, who likes, who sends curse? "

As before you forget that the days go ahead,
As before you excuse loft and wrong,
And you see as the clouds at distance are spread,
And you hear the villages' song.

For the far lands your heart will bemoan its plea,
To the battle will call and entice,
She will say, "Farewell. And again come to me. "…
And again bells sing songs behind grass.

 

 

I slow was losing

I slow was losing my poor mind
By doors of her, with whom I’m crazy.
A day was followed by a night,
Just making my great thirst more blazing.

And I was crying, tired with
My love, was deafening my moans;
And it was doubling in a mist –
The mad thought with its low goals

It was invading the dead lull
Of my poor heart, creasy, already,
And flooded my spring with the dull
Wave, that is soundless and blackened

A day was followed by a night,
Was cooling o’er a grave my soul.
I slow was losing my poor mind
At thinking coldly of my sole.

 

 

I seek salvation

I seek salvation.
My fires blaze on mountains’ far heights –
The realm of night is in a glare.
But brighter blaze my spiritual sight
And You’re afar – but are you real there?
I seek salvation.

The starry choir sings solemnly in skies,
I’m cursed for good by every generation.
For you lights my bonfire on the heights.
You’re conjuration.
I seek salvation.

The tired choir of stars calms down, yet.
Night goes away with apprehension.
There You descent from far hills in sunset.
I craved for you. To you my spirit’s spread.
You’re my salvation!

 

Vertaald door Yevgeny Bonver

 

 2096711-6fc7950c72dcdb76db6eba5eecbfc713.jpg
Alexander Blok (28 november 1880 – 7 augustus 1921)
Standbeeld in Moskou

 

 

De Amerikaanse schrijfster Rita Mae Brown werd geboren in Hanover, Pennsylvania op 28 november 1944. Zie ook alle tags voor Rita Mae Brown op dit blog.

Uit: Rubyfruit Jungle

"You shamed me in front of all the neighbors, and I've got a good mind to throw you outa this house. You and your high and mighty ways, sailing in the house and out the house as you damn well please. You reading them books and puttin' on airs. You're a fine one to be snotty. Miss Ups, out there in the woods playing with his old dong. Well, I got news for you, you little shitass, you think you're so smart. You ain't so fine as you think you are, and you ain't mine neither. And I don't want you now that I know what you're about. Wanna know who you are, smartypants? You're Ruby Drollinger's bastard, that's who you are. Now let's see you put your nose in the air."
"Who's Ruby Drollinger?"
"Your real mother, that's who and she was a slut, you hear me, Miss Molly? A common, dirty slut who'd lay with a dog if it shook its ass right."
"I don't care. It makes no difference where I came from.
I'm here, ain't I?"
"It makes all the difference in the world. Them that's born in wedlock are blessed by the Lord. Them that's born out of wedlock are cursed as bastards. So there."
"I don't care."
"Well, you oughta care, you horse's ass. Just see how far all your pretty ways and books get you when you go out and people find out you're a bastard. And you act like one Blood's thicker than water and yours tells. Bullheaded like Ruby and out there in the woods jerking off that Detwiler idiot. Bastard!"
Carrie was red in the face and her veins were popping out of her neck. She looked like a one-woman horror movie and she was thumping the table and thumping me. She grabbed me by the shoulders and shook me like a dog shakes a rag doll. "Snot-nosed, bitch of a bastard. Living in my house, under my roof. You'd be dead in that orphanage if I hadn't gotten you out and nursed you round the clock. You come here and eat the food, keep me runnin' after you and then go out and shame me. You better straighten up, girl, or I'11 throw you back where you came from -- the gutter.”

 

 2096711-ee4f9ad1a3a02e259515b95934cebe2f.jpg
Rita Mae Brown (Hanover, 28 november 1944)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e november mijn blog van 28 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 28 november 2008, mijn blog van 28 november 2007 en ook mijn blog van 28 november 2006.

Geschreven door Romenu om 18:53 Reageer op dit bericht

Navid Kermani, Nicole Brossard, Han Kang, Philippe Delerm, James Agee, Jos. Habets, Friedrich von Canitz, Jacques Godbout, Klara Blum

De Duits-Iraanse schrijver en islamist Navid Kermani werd geboren op 27 november 1967 in Siegen. Zie ook alle tags voor Navid Kermani op dit blog.

Uit: Große Liebe

„Das erste Mal hat er mit fünfzehn geliebt und seither nie wieder so groß. Sie war die Schönste auf dem Schulhof, stand in der Raucherecke oft nur zwei oder drei Schritte entfernt, ohne ihn zu beachten. Weil den Schülern der unteren Klassen verboten war, sich zu den Rauchern zu stellen, geschweige denn selbst eine Zigarette anzuzünden, verhielt er sich so unauffällig wie möglich, verhielt sich zwischen den breiteren Rücken wie ein blinder Passagier still. Den Kopf hob er nur an, um kurz nach den Lehrern, noch kürzer nach ihr zu schielen, die unnahbar für ihn stets den Mittelpunkt ihres Grüppchens zu bilden schien. Sowenig Hoffnung er sich machte, ihre Gunst je selbst zu erlangen, brachte ihn die Sorge dennoch um den Verstand, sie könne einem der Abiturienten, die sie umringten, mehr als nur wohlwollen. Zur Beruhigung redete er sich ein, daß sie ihre offenbar ansteckende Heiterkeit und ihre zweifellos erlesenen Worte gerecht mal diesem, mal jenem zudachte.
Im Blick behielt der Junge dabei stets die Finger der Abiturienten, ob sie nicht heimlich die Hände der Schönsten berührten, ihren Rücken, gar ihren Po.
Zugleich erwartete er bang, daß jemand sich umdrehte, um zu fragen, was er in der Raucherecke suchte. Mehrfach hatten ihn die Lehrer bereits vertrieben, deren ärgerlicher oder auch nur erstaunter Blick genügte, damit er sich verzog. Die Peinlichkeit ersparte er sich lieber, vor den Augen der Schönsten aus dem Pulk gezogen und zu den Gleichaltrigen verwiesen zu werden. Peinlich war dem Jungen seine Lage schon genug, da er sich einbildete, daß alle Raucher ihn beäugten, in jeder Sekunde ihn, obwohl sie ihm doch – aber hier setzte der logische Schluß aus – ihre Rücken zuwandten.“

 

 2096345-431204ac7ea2bf906ec0a545e109d487.jpg
Navid Kermani (Siegen, 27 november 1967)

 

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

 

Towns without water

at the hour of brief morning desires
a drop of water and its light
later to counter the dust
we looked for a blade of grass, a bush
any trace
of a time liquid and bowed to the hour
the dream thirsting inside us

 

Vertaald door Sylvain Gallais en Cynthia Hogue

 

 

Au Présent des Veines

1.
une dérive d'intuitions l'enchaînement rapide de la mort et de la vie la beauté du site

2.
surtout ne pas faire semblant que le monde s'est arrêté vlan flèche au liane humaniste surtout regarder empiéter sur la blessure une dernière description œuvre
d'art ou rien du tout

3.
se tenir inutilement mouillée près de la violence la réalité ou la vérité les mâchoires pleines d'énergie je crois qu'il faut des mots simples marcher
longuement la nuit écouter le son de l'eau qui persiste raccourci fiévreux dans l'universel

4.
un soir d'été à une autre femme
je dis toucher n'abolit pas la distance
tout est pratiquement réel
plus personne n'arrive à marcher dans l'absolu
je dis toucher ou caresser à quia

 

 2096345-1494b1de2aab18a06534694bd4a47dc4.jpg
Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

 

De Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang werd geboren op 27 november 1970 in Gwangju, in de provincie Zuid-Cholla. Zie ook alle tags voor Han Kang op dit blog.

Uit: Wit (Vertaald uit het Engels, door Marijke Versluys)

“Bij elk woord dat ik noteerde sloeg er een golf van onrust door me heen. Ik voelde dat ik dit boek móést schrijven, dat ik erdoor zou veranderen, dat het ook zelf zou veranderen, en wel in een soort witte zalf die op een zwelling wordt aangebracht, een verband dat op een wond wordt gelegd. Dat had ik nodig.
Toen ik een paar dagen later mijn blik nog eens over het lijstje liet gaan, begon ik me evenwel af te vragen waarom ik hier eigenlijk aan begon, wat het zou betekenen die woorden in de ziel te kijken.
Als ik de woorden in mezelf filter, klinken er beverige zinnen op, wat doet denken aan het vreemde, treurige gesnerp dat een strijkstok aan een metalen snaar ontlokt. Zou ik mezelf, gesluierd in wit verband, tussen die zinnen kunnen verstoppen?
Dat was zo’n moeilijke vraag dat ik het lijstje liet zoals het was en er verder niets meer mee deed. In augustus vertrok ik naar het buitenland, naar dit land waar ik nog nooit was geweest; ik huurde tijdelijk een flatje in de hoofdstad en wende eraan mijn dagen in deze vreemde omgeving te slijten. Een kleine twee maanden later, toen het op een avond voor het eerst bijtend koud was, kreeg ik migraine – een pijnlijk bekend verschijnsel. Ik nam een paar pillen in met warm water, en realiseerde me (heel kalm) dat ik me onmogelijk zou kunnen verstoppen.
Er zijn momenten dat ik me scherp bewust ben van het verstrijken van de tijd, vooral als ik ergens pijn heb. De migraines zijn begonnen toen ik een jaar of twaalf, dertien was; ze overvallen me onaangekondigd, vergezeld van heftige buikkrampen die het dagelijks leven een halt toeroepen. Zelfs het kleinste karweitje blijft liggen terwijl ik me louter concentreer op het verduren van de pijn: de afzonderlijke druppels van de tijd voelen als messcherpe edelstenen die langs mijn vingertoppen schampen. Eén keer diep inademen, en dan neemt dat nieuwe levensmoment de vorm aan van een parel bloed. Zelfs wanneer ik me weer in het dagelijks ritme heb gevoegd en de ene dag naadloos versmelt met de volgende, blijft die gewaarwording op dat plekje altijd met ingehouden adem wachten.
Elk moment is een sprong van een onzichtbaar klif, waarop de scherpe randen van de tijd voortdurend worden bijgeslepen. Onze voeten maken zich los van de stevige ondergrond van heel ons leven tot dan toe, en we zetten die hachelijke stap in het ongewisse. Niet omdat we zo bijzonder moedig zijn, maar omdat het de enige weg is. Nu, op dit moment, stroomt die duizelingwekkende prikkeling door me heen. En ik stap roekeloos de tijd in die ik nog niet heb geleefd, het boek in dat ik nog niet heb geschreven.”

 

 2096345-4fbce986e18d9d0b942722fb42d776bb.jpg
Han Kang (Gwangju, 27 november 1970)

 

 

De Franse schrijver Philippe Delerm werd geboren op 27 november 1950 in Auvers-sur-Oise. Zie ook alle tags voor Philippe Delerm op dit blog.

Uit:C'est bien

« Pas tous les jours ; parfois on préfère être seul, dans sa chambre. Mais certains soirs d'hiver, par exemple, quand il fait déjà nuit dehors, juste après le goûter. Sur la toile cirée, on installe le désordre des cahiers, des crayons de couleur, des gommes et des bouquins. Les devoirs traînent un peu. On a commencé par le plus dur, le problème de maths, mais la troisième question est difficile. Avec un doigt, on suit le dessin de la toile cirée : il y a des carreaux rouges et à côté des petits carreaux bleus qui représentent des moulins de Hollande. Ce serait bien d'aller là-bas, très loin, au nord. On reviendrait de l'école en patins à glace. - Dépêche-toi un peu I Après, tu seras débarrassé, tu pourras lire, ou jouer. Maman dit des petites phrases comme ça, de temps en temps, entre un navet et une carotte à éplucher - on lui a déjà mangé deux carottes crues et elle a fait semblant de se fâcher. Mais on n'a pas vraiment envie d'être débarrassé. Il fait si bon dans la cuisine, et puis il y a ces odeurs qui se mélangent : l'orange du goûter, les légumes de la soupe... Tant pis pour les maths. On y reviendra plus tard. On attaque la leçon d'histoire. Noblesse, clergé, tiers état. Les mots coulent bien. Sur le dessin, la Bastille n'est pas si terrible. Par contre, au Jeu de paume, tous les hommes noirs et gris ont des yeux farouches, et la scène est plutôt lugubre. - Allons, tu dois la savoir, maintenant I le t'interroge. - Attends encore un peu I On s'en fiche, des états généraux. Ce qui est bien, c'est de rester sur l'image en rêvant vaguement à l'ambiance de cette époque-là. Pourquoi faut-il qu'on cuise les navets ? Pourquoi faut-il apprendre les révolutions ? On prend une gousse d'ail. La peau fripée mauve, rose et blanche tombe sur le livre, légère. On ne sait plus vraiment quelle heure il peut être. Le dîner est encore loin. Dans la maison, il y a une agitation tranquille, des petites phrases sur la journée : -Tu as vu... ? On n'écoute pas vraiment ce que les parents disent. On n'apprend pas vraiment ses leçons. On se sent un peu flottant, comme si on n'existait plus, comme si on devenait la toile cirée, les légumes de la soupe, le livre d'histoire - comme si on devenait un soir d'hiver à la maison. C'est bien, dans les cuisines.”

 

 2096345-b9fa3584b931ccf1ec9f3f669ccdbdda.jpg
Philippe Delerm (Auvers-sur-Oise, 27 november 1950)

 

 

De Amerikaanse dichter en prozaïst James Agee werd geboren in Knoxville, Tennessee.op 27 november 1909. Zie ook alle tags voor James Agee op dit blog.

 

How Many Little Children Sleep

How many little children sleep
To wake, like you, only to weep?
How many others play who will
Like you, and all men, weep and kill?

And many parents watch and say,
Where they weep, where they play,
“By all we love, by all we know,
It never shall befall them so.”

But in each one the terror grows
By all he loves, by all he knows,
“Soon they must weep; soon they shall kill.
No one wills it, but all will.”

But in each one the terror moves
By all he knows, by all he loves,
“Soon they will weep, soon they will kill.
No one wills it, but all will.”

 

 

Sonnet I

So it begins. Adam is in his earth.
Tempted, and fallen, and his doom made sure
Oh, in the very instant of his birth:
Whose deathly nature must all things endure.
The hungers of his flesh, and mind, and heart,
That governed him when he was in the womb,
Those ravenings multiply in every part:
And shall release him only to the tomb.
Meantime he works the earth, and builds up nations,
And trades, and wars, and learns, and worships chance,
And looks to God, and weaves the generations
Which shall his many hungerings advance
When he is sunken dead among the sins.
Adam is in the earth. So it begins.

 

 2096345-d4ad75fd555a62a3c484be976be25955.png
James Agee (27 november 1909 - 16 mei 1955)

 

 

De Nederlandse schrijver, priester en archivaris Joannes Josephus (Jozef) Habets werd geboren in Oirsbeek op 27 november 1829. Zie ook alle tags voor Jos. Habets op dit blog en ook mijn blog van 27 november 2010.

 

Een liedeken van de Bockenrijders uit het jaar 1743. (Fragment)

‘T is wonderdat de goede Godt,
Het soe langh heeft verdraegen
Dat hij ons niet tot schanden spot
Ter dood al heeft verslaegen.
Omdatwij sijn soo boes van aert,
En menigh mensch hebben vermoert,
Int midden van de nachte
Als niemant op ons dachte.

Van vrijroeff en dieverijen
Men salt u gaen verbreijen,
Geschiedt int landt van alle heeren,
Kombt luijster met begeeren,
Wat daer is geschied all op die Baen
Een compagnie van meer dan honderd man,
Die meijste daervan gevangen,
Die anderen werden ook al banghe.

Ick sallt vertoenen heel onversoembt
En duijdelijck hier gaen noemen,
Wat daer is geschied van dorp tot dorp.
Wil klaerlijck gaen verthoenen,
Die daer mit kommen op de Baen.
Vier aeffdoeder wij gevonden haen;
Die Onderbenck doen ter handen
Sijn ook een deel in banden.

 

 2096345-663a89e67555778fa4bc218028027063.JPG
Jos. Habets (27 november 1829 - 22 juni 1893)
Beeld van een bokkenrijder in Sint Joost

 

 

De Duitse dichter, schrijver en diplomaat Friedrich Ludwig Rudolf Freiherr von Canitz werd geboren op 27 november 1654 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Friedrich von Canitz op dit blog en ook mijn blog van 27 november 2010.

 

Eitelkeit des Zeitlichen

Es eilet unsre Zeit, als wie ein Spiel, dahin,
Die Stunden und der Tag, der Monat und die Jahre
Begleiten insgesammt uns zu der Todten-Bahre;
Und ich weiß heute nicht, ob ich noch Morgen bin.
Was nützt dir die Gestalt? Was nützt dein hoher Sinn,
Der nicht an schlechtem Gut sich suchet zu ergötzen?
Bestricket ihn der Tod nicht auch mit seinen Netzen?
Ein Lacken und ein Bret ist endlich der Gewinn.
Spiel noch so lang und gut die Rolle hier auf Erden,
Der Schau-Platz muß einmahl doch zugezogen werden.

 

 

Als den Albend vorher, am Buß-Tage, drey Maßkirte Damen sich bey Hofe eingefunden

Als gestern unsre Stadt, wie ehmahls Ninive,
Im Sack und Asche lag, und ihre Fasten hielte,
Geschah es, bey der Nacht, daß, zwischen Ach und Weh,
Das schon betrübte Volck ein neues Schrecken fühlte;
Drey Maßken liessen sich in fremdem Zierath sehn,
Ich weiß nicht, ob sie uns vielleicht zum Trost erschienen.
Sie sahen denen gleich, die hin zum Paris gehn,
Durch seinen Richter-Spruch den Apffel zu verdienen.
Propheten, die ihr sonst die Geister prüfen könnt,
Und ob es solche sind, die Gott den Herren loben,
Ihr, die ihr jedes Ding bey seinem Nahmen nennt,
Sagt, kamen diese drey von unten oder oben?

 

 2096345-a8b3e81bad5d648b5ff1bc0c4bb8d339.jpg
Friedrich von Canitz (27 november 1654 - 11 augustus 1699)
Landgoed Blumberg rond 1860, vanaf 1861 in het bezit van Friedrich von Canitz.

 

 

De Canadese dichter, schrijver, essayist en filmmaker Jacques Godbout werd geboren op 27 november 1933 in Montreal, Quebec. Zie ook alle tags voor Jacques Godbout op dit blog en ook mijn blog van 27 november 2010.

Uit: Le tour du jardin

« Les grands défis démocratiques sont derrière nous : les gouvernements, interreliés par la mondialisation des flux financiers, sont désormais plus ou moins impuissants. Un gouvernement démocratiquement élu ne peut garantir à ses citoyens le filet social ou l’environnement sain promis que si l’équilibre de son budget le permet, or cet équilibre dépend de l’univers financier international, en bonne partie gangrené par les mafias et les conglomérats financiers, à l’abri de tout contrôle. La liberté réelle d’agir pour le peuple par le peuple s’est lentement évaporée.
Le XIXe siècle a inventé la démocratie, je ne sais quel nom on donnera à cette postdémocratie qui s’installe présentement. Hier, dans une agglomération, les villageois étaient libres de leurs mouvements et de leur pensée, mais ils demeuraient solidaires, on savait ce que chacun mangeait et buvait, si celui-ci allait à la messe, qui avait une maîtresse, qui accumulait un magot, quelle était son allégeance politique, à quelle publication l’un ou l’autre s’abonnait. La postière, le boucher, le curé, le notaire, les vieilles filles derrière les rideaux tirés, les lignes téléphoniques doubles et le reste étaient le Facebook de la petite société. Or on pouvait s’en échapper, partir en ville, retrouver la liberté dans l’anonymat.
Cet exil n’est plus possible dans le village global. La toile d’araignée du système marchand vous englue et vous tient prisonnier. Les voisins qui, dans le système rural, vous espionnaient vous suivent sur votre page Facebook. Les gouvernements qui espionnent vos communications, cartes à puce et réseaux sociaux sont vos nouveaux tuteurs."

 2096345-2e2a0f71f4b01195234976a759ba20a5.jpg
Jacques Godbout (Montreal, 27 november 1933)

 

 

De Duitstalige, joodse, Oostenrijkse, Russische en Chinese dichteres en schrijfster Klara Blum werd geboren op 27 november 1904 in Czernowitz in de Bukowina. Zie ook alle tags voor Klara Blum op dit blog.

Uit: Der Hirte und die Weberin

„Welche Sprache möchten Sie erlernen", fragte Hanna auf Chinesisch.
„In welcher Sprache hat Marx geschrieben?", lautete die schüchterne Gegenfrage.
Nach einigem Hin und Her fand Hanna heraus, daß Karl Marx gemeint war.
Ihr neuer Schüler hieß Tschien Chao-Tjen und zählte siebenundvierzig Jahre. Sein Chef, ein Kapitalist allerkleinsten Formats, war sogar der Vetter des Neffen seines Schwiegervaters, aber das nützte ihm nichts. Er verdiente, in Hirse gerechnet, um die Hälfte mehr als vor der Befreiung, also auch jetzt noch wenig genug. Immerhin: er konnte sich schon ein bißchen Privatunterricht leisten.
Zweimal wöchentlich kam er bescheiden und verlegen zur Türe herein und suchte umständlich nach einem schicklichen Platz für seinen breiten Strohhut. Dann öffnete er sein Bündelehen und nahm Geld, Lehrbuch und Heft heraus. Um nichts in der Welt wollte er sich setzen, bevor Hanna saß. Für jede Stunde bereitete er Fragen vor und lernte mir verblüffender Auffassungsgabe. Sein Heft hatte er mit hübschen farbigen Tinten symmetrisch in kleine Rubriken geteilt. In die eine schrieb er das deutsche Wort, in die andere die chinesische Transkription, in die dritte die chinesische Bedeutung. Es machte Hanna große Freude, ihn zu unterrichten, aber eine Lösung ihrer Existenzfrage war das nicht, und wenn sie noch zwanzig solcher Schüler gehabt hätte.
Und dann: sie war doch nicht unter Lebensgefahr zu den Kommunisten übergelaufen, um abseits zu stehen, abseits von jeder Arbeitsgemeinschaft, abseits vom Strom der Ereignisse, abseits von den Kampfgefährten Nju-Langs.
Sie ging in die Redaktion der Morgenblütenzeitung, der Volkszeitung, des Demokratischen Frauenblattes,', aber nirgends wurde sie vorgelassen.
Eines Abends, von ihren vergeblichen Wegen heimkehrend, überwältigte sie eine plötzliche Vorstellung: Durch diese Straßen bin ich schon einmal gegangen, vor diesen Türen bin ich schon einmal gestanden.“

 2096345-74bee5a1755fc5ed1f1f843aaae9ef45.jpg
Klara Blum (27 november 1904 - 4 mei 1971)
Cover

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 27 november 2008, mijn blog van 27 november 2007 en ook mijn blog van 27 november 2006.

Geschreven door Romenu om 18:12 Reageer op dit bericht

Saskia Goldschmidt

 

Onafhankelijk van geboortedata

 

De Nederlandse schrijfster Saskia Goldschmidt werd geboren in Amsterdam in 1954. Voordat zij zich fulltime op het schrijven stortte, was ze dertig jaar lang theatermaker, producente en docente. Ze werkte intensief samen met verschillende jeugdtheatergezelschappen. Ook was ze projectmanager bij het Tropenmuseum Junior, waar ze drie jaar een uitwisselingsproject tussen kinderen uit Amsterdam en Teheran leidde. Twintig jaar werkte ze als trainingsactrice en co-trainer voor verschillende organisaties, maar in hoofdzaak voor het AMC. Ze gaf communicatietrainingen aan specialisten en verpleegkundigen. Goldschmidt debuteerde in 2011 met “Verplicht gelukkig, portret van een familie”, een boek waarin ze onderzoekt hoe trauma’s van ouders, behept met overlevingsschuld, worden doorgegeven aan de naoorlogse generatie. Daarna had Goldschmidt de smaak te pakken en anderhalf jaar later volgde haar eerste roman “De Hormoonfabriek”. Het boek stond op de Longlist voor de Libris Literatuurprijs en werd genomineerd voor de Euregioprijs. Vertalingen verschenen in Amerika, Duitsland, Frankrijk, Zuid-Afrika, Engeland, Turkije en Bulgarije. Samen met radiomaker en scenarioschrijver Peter te Nuyl schreef Goldschmidt het scenario voor de gelijknamige twaalf en een half uur durende podcast die op Radio 1 werd uitgezonden. Filmtalents, de productiemaatschappij van Jaques Audiard, nam een optie op de filmrechten. In 2015 verscheen “De Voddenkoningin”.

Uit: De hormoonfabriek

“Iedere dag zak ik verder weg in de somberheid die veel van mijn geleefde tijd gekenmerkt heeft. Ik ken ze goed, de dagen waarop het voelt als of je met je poten in een stroperige,
smerige smurrie staat en iedere beweging te veel energie kost. De uren dat je bewegingloos op bed ligt, omdat je gevangen zit in een cocon van vreugdeloosheid. Daaruit kun je de wereld bezien: de zon die gewoon opkomt alsof haar licht van het grootste belang is. Mizie die de kamer binnenkomt met haar vreugdeloze glimlach. Het rennen van de mensen die zich op straat van hot naar her haasten, alsof door hun handelen de wereld ook maar een greintje beter of slechter wordt. Ja, die illusie heb ik ook gehad, decennialang. Ach, wat heb ik geloofd dat ik ertoe deed, dat ik met mijn capaciteiten, mijn doorzettingsvermogen, mijn intelligentie de wereld tot een betere plek zou maken. En ja, ik heb mijn voetafdruk gezet. Maar of daarmee de wereld geholpen is? De regen schuwen en in de sloot vallen, meer doen we niet, niemand van ons.
Vroeger wist ik, zelfs in de somberste dagen van vreugdeloosheid, dat ik vanuit mijn cocon weer de wereld in zou stappen om deel te nemen aan de strijd. En slecht deed ik dat niet, ik behoorde tot de winnaars. Sinds Darwin weten we dat het erom gaat te eten of gegeten te worden. Ik heb actief meegedaan. Maar uiteindelijk heeft al die activiteit me slechts één besef gebracht en dat is dat het er niet toe doet. Of je een winnaar of verliezer bent, dader of slachtoffer, het maakt geen moer uit.
Nu weet ik dat ik de cocon nooit meer uitkom. Dit is het eindpunt, het godvergeten laatste hoofdstuk. En wat verlang ik ernaar om deze hele bende de rug toe te keren, de laatste zucht te slaken. Laat het maar afgelopen zijn, het is al zo lang de hoogste tijd!
Maar de dood is hardvochtig en grijpt bij voorkeur malse hapjes. Het jeugdige overmoedige haantje dat op zijn brommer stapt en zich te pletter rijdt tegen een vrachtauto, de dikke big in haar volautomatische karretje dat het af laat weten midden op de spoorweg, de jonge moeders die met
vreugde hun broedsel op de wereld hebben geworpen en pas na de pijn van de weeën beseffen wat voor brok kwetsbaarheid ze op aarde geschopt hebben. In de bloei van het leven, zo heeft hij ze graag.
Maar een oude, taaie, uitgedoofde man als ik, die laat hij het liefst liggen. De tijd van het creperen eindeloos uitsmerend.
Ik ben nog volledig in het bezit van mijn verstandelijke vermogens, die als in een slechte witz ieder lichamelijk verval registreren. Dat verdomde lichaam, slaaf van niet te beheersen driften. De ene na de andere functie valt uit, als bij een rat waarop de werking van een stof wordt getest tot hij uiteindelijk amechtig hijgend in zijn kooitje neerligt. De pijn neemt toe en de verlossing van de slaap is steeds minder beschikbaar.”

 2187653-0fbe17004c125a6392c0891ac7a1920e.jpg
Saskia Goldschmidt (Amsterdam, 1954)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Jesus Christus herrscht als König (Philipp Friedrich Hiller)

 

Bij Christus Koning

 

 2095871-c88da93917cd97868d43555897436d0c.jpg
Christus Koning mozaïek in de kloosterkerk van de Franciscanessen
in Thuine (Nedersaksen),
in 1929 ontworpen door de kunstenaar Georg Poppe

 

 

Jesus Christus herrscht als König
Erbauungslied

Jesus Christus herrscht als König,
alles wird ihm untertänig,
alles legt ihm Gott zu Fuß.
Aller Zunge soll bekennen,
Jesus sei der Herr zu nennen,
dem man Ehre geben muß.

Fürstentümer und Gewalten,
Mächte, die die Thronwacht halten,
geben ihm die Herrlichkeit;
alle Herrschaft dort im Himmel,
hier im irdischen Getümmel
ist zu seinem Dienst bereit.

Gott ist Herr, der Herr ist Einer,
und demselben gleichet keiner,
nur der Sohn, der ist ihm gleich;
dessen Stuhl ist unumstößlich,
dessen Leben unauflöslich,
dessen Reich ein ewig Reich.

Gleicher Macht und gleicher Ehren
sitzt Er unter lichten Chören
über allen Cherubim;
in der Welt und Himmel Enden
hat Er alles in den Händen,
denn der Vater gab es ihm.

Nur in Ihm - o Wundergaben!-
können wir Erlösung haben,
die Erlösung durch sein Blut.
Hört's: Das Leben ist erschienen,
und ein ewiges Versühnen
kommt in Jesu uns zugut.

Jesus Christus ist der Eine,
der gegründet die Gemeinde,
die Ihn ehrt als teures Haupt.
Er hat sie mit Blut erkaufet,
mit dem Geiste sie getaufet,
und sie lebet, weil sie glaubt.

Gebt, ihr Sünder, Ihm die Herzen;
klagt, ihr Kranken, Ihm die Schmerzen;
sagt, ihr Armen, Ihm die Not!
Wunden müssen Wunden heilen,
Heilsöl weiß Er auszuteilen,
Reichtum schenkt Er nach dem Tod.

Eil, es ist nicht Zeit zum Schämen!
Willst du Gnade? Du sollst nehmen.
Willst du leben? Das soll sein.
Willst du erben? Du wirst sehen.
Soll der Wunsch aufs Höchste gehen:
Willst du Jesum? Er ist dein.

Zwar auch Kreuz drückt Christi Glieder
hier auf kurze Zeit darnieder,
und das Leiden geht zuvor.
Nur Geduld! Es folgen Freuden;
nichts kann sie von Jesu scheiden,
und ihr Haupt zieht sie empor.

Ihnen steht ein Himmel offen,
welcher über alles Hoffen,
über alles Wünschen ist.
Die gereinigte Gemeinde
weiß, daß eine Zeit erscheine,
wo sie ihren König küßt.

Jauchz' Ihm, Menge heilger Knechte,
rühmt, vollendete Gerechte,
und du Schar, die Palmen trägt,
und du Blutvolk in der Krone,
und du Chor vor seinem Throne,
der die Gottesharfen schlägt!

Ich auch auf der tiefsten Stufen,
ich will glauben, reden, rufen,
ob ich schon noch Pilgrim bin:
Jesus Christus herrscht als König,
alles sei Ihm untertänig,
ehret, liebet, lobet Ihn!

 2095871-557fc9e8f1c1d753f623438c3029cf31.jpg
Philipp Friedrich Hiller (6 januari 1699 - 24 april 1769)
Oud raadhuis en dorpskerk in Mühlhausen an der Enz, de geboorteplaats van Philipp Friedrich Hiller

 

Zie voor de schrijvers van de 26e november ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:54 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten