Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Blind Bartimeus (George MacDonald)

 

Bij de 30e zondag door het jaar

 

 

 2188507-2ca8b399a47f432f2e5f4474dd5ec071.jpg
Les Aveugles de Jéricho door Nicolas Poussin, 1650

 

 

Blind Bartimeus

As Jesus went into Jericho town,
Twas darkness all, from toe to crown,
About blind Bartimeus.
He said, 'My eyes are more than dim,
They are no use for seeing him:
No matter-he can see us!'

'Cry out, cry out, blind brother-cry;
Let not salvation dear go by.-
Have mercy, Son of David.'
Though they were blind, they both could hear-
They heard, and cried, and he drew near;
And so the blind were saved.

O Jesus Christ, I am very blind;
Nothing comes through into my mind;
'Tis well I am not dumb:
Although I see thee not, nor hear,
I cry because thou may'st be near:
O son of Mary, come!

I hear it through the all things blind:
Is it thy voice, so gentle and kind-
'Poor eyes, no more be dim'?
A hand is laid upon mine eyes;
I hear, and hearken, see, and rise;-
'Tis He! I follow him!

 

 2188507-08e95d2feacf286dbb3045f83147d9fe.jpg
George MacDonald (10 december 1824 – 18 september 1905)
Christ Church in Huntly, Aberdeenshire, de geboorteplaats van George MacDonald

 

 

Zie voor de schrijvers van de 28e oktober ook mijn volgende twee blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 07:50 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

De blogger leest alles eerst na: je tekst verschijnt zodra die goedgekeurd is.

Sylvia Plath, Dylan Thomas, Steffie van den Oord, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.

 

Circus in Three Rings

In the circus tent of a hurricane
designed by a drunken god
my extravagant heart blows up again
in a rampage of champagne-colored rain
and the fragments whir like a weather vane
while the angels all applaud.

Daring as death and debonair
I invade my lion's den;
a rose of jeopardy flames in my hair
yet I flourish my whip with a fatal flair
defending my perilous wounds with a chair
while the gnawings of love begin.

Mocking as Mephistopheles,
eclipsed by magician's disguise,
my demon of doom tilts on a trapeze,
winged rabbits revolving about his knees,
only to vanish with devilish ease
in a smoke that sears my eyes.

 

 

Channel Crossing

On storm-struck deck, wind sirens caterwaul;
With each tilt, shock and shudder, our blunt ship
Cleaves forward into fury; dark as anger,
Waves wallop, assaulting the stubborn hull.
Flayed by spray, we take the challenge up,
Grip the rail, squint ahead, and wonder how much longer

Such force can last; but beyond, the neutral view
Shows, rank on rank, the hungry seas advancing.
Below, rocked havoc-sick, voyagers lie
Retching in bright orange basins; a refugee
Sprawls, hunched in black, among baggage, wincing
Under the strict mask of his agony.

Far from the sweet stench of that perilous air
In which our comrades are betrayed, we freeze
And marvel at the smashing nonchalance
Of nature : what better way to test taut fiber
Than against this onslaught, these casual blasts of ice
That wrestle with us like angels; the mere chance

Of making harbor through this racketing flux
Taunts us to valor. Blue sailors sang that our journey
Would be full of sun, white gulls, and water drenched
With radiance, peacock-colored; instead, bleak rocks
Jutted early to mark our going, while sky
Curded over with clouds and chalk cliffs blanched

In sullen light of the inauspicious day.
Now, free, by hazard's quirk, from the common ill
Knocking our brothers down, we strike a stance
Most mock-heroic, to cloak our waking awe
At this rare rumpus which no man can control :
Meek and proud both fall; stark violence

Lays all walls waste; private estates are torn,
Ransacked in the public eye. We forsake
Our lone luck now, compelled by bond, by blood,
To keep some unsaid pact; perhaps concern
Is helpless here, quite extra, yet we must make
The gesture, bend and hold the prone man's head.

And so we sail toward cities, streets and homes
Of other men, where statues celebrate
Brave acts played out in peace, in war; all dangers
End : green shores appear; we assume our names,
Our luggage, as docks halt our brief epic; no debt
Survives arrival; we walk the plank with strangers.

 

 2188316-6f1a41da29839163cb397b3f7c8a6f97.jpg
Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)

 

 

De Engelse dichter Dylan Thomas werd geboren op 27 oktober 1914 in Swansea in Wales. Zie ook alle tags voor Dylan Thomas op dit blog.

 

How Shall My Animal

How shall my animal
Whose wizard shape I trace in the cavernous skull,
Vessel of abscesses and exultation's shell,
Endure burial under the spelling wall,
The invoked, shrouding veil at the cap of the face,
Who should be furious,
Drunk as a vineyard snail, flailed like an octopus,
Roaring, crawling, quarrel
With the outside weathers,
The natural circle of the discovered skies
Draw down to its weird eyes?

How shall it magnetize,
Towards the studded male in a bent, midnight blaze
That melts the lionhead's heel and horseshoe of the heart
A brute land in the cool top of the country days
To trot with a loud mate the haybeds of a mile,
Love and labour and kill
In quick, sweet, cruel light till the locked ground sprout
The black, burst sea rejoice,
The bowels turn turtle,
Claw of the crabbed veins squeeze from each red particle
The parched and raging voice?

Fishermen of mermen
Creep and harp on the tide, sinking their charmed, bent pin
With bridebait of gold bread, I with a living skein,
Tongue and ear in the thread, angle the temple-bound
Curl-locked and animal cavepools of spells and bone,
Trace out a tentacle,
Nailed with an open eye, in the bowl of wounds and weed
To clasp my fury on ground
And clap its great blood down;
Never shall beast be born to atlas the few seas
Or poise the day on a horn.

Sigh long, clay cold, lie shorn,
Cast high, stunned on gilled stone; sly scissors ground in frost
Clack through the thicket of strength, love hewn in pillars drops
With carved bird, saint, and suns the wrackspiked maiden mouth
Lops, as a bush plumed with flames, the rant of the fierce eye,
Clips short the gesture of breath.
Die in red feathers when the flying heaven's cut,
And roll with the knocked earth:
Lie dry, rest robbed, my beast.
You have kicked from a dark den, leaped up the whinnying light,
And dug your grave in my breast.

 

 2188316-bc8cecb1036d9c156668058f560b0b8d.jpg
Dylan Thomas (27 oktober 1914 – 9 november 1953)
Tim Hollander als Dylan Thomas in de televisiefilm “A Poet in New York” uit 2014

 

 

De Nederlandse schrijfster Steffie van den Oord werd geboren op 27 oktober 1970, in Ammerzoden, Gelderland. Zie ook alle tags voor Steffie van den Oord op dit blog.

Uit: Vonk, een noodlottige liefde

“Het was een prachtige dag voor een executie, en toch voelde Andries van Anhout niet de voldoening die zich meestal aandiende als hij op het punt stond het schepengericht te dienen. Als jongen was hij al gewend zijn vader op het schavot te assisteren, maar zojuist, toen hij haar kinderen had opgemerkt, kon hij, scherprechter op leeftijd, maar één ding doen, in een niet bij zijn ambt passende opwelling: grijpen naar zijn zwarte lap, voortijdig, zodat ze haar niet zouden herkennen en de illusie konden koesteren dat hier een andere vrouw stond, niet hun moeder. Ook had hij het gedaan voor haar. Vonk, zo was hij haar kortweg gaan noemen.
De stilte die altijd kwam maar die nu volkomen leek, was met het blinddoeken ingetreden. Een zuigeling krijste: een stem die scherper was dan zijn gewette zwaard. ‘Mama…!’: hij hoorde het opnieuw. Kon dan niemand haar kinderen weghalen, ontsnapten ze nu al aan hun voorlopige voogd? Als ze die hadden. Zo kon hij zijn werk niet doen. Hij vloekte onhoorbaar, alweer onprofessioneel, hij keek naar de heren schepenen die – nogal ongebruikelijk – met elkaar in discussie waren gegaan. Hij wachtte op een teken dat hij verder kon, of niet; al zou dat raar zijn, zelden vertoond.
De hele stad wachtte. Langer dan anders wachtte hij. De eerste zonnige dag was het, de laatste dinsdag van maart, 1713 alweer.
Andries van Anhout had zijn eerste lijfstraf, twee harige rechtervingers, al dertig jaar achter zich – in één slag – ; talloze keren had hij in deze stad en elders de doodstraf voltrokken, met het zwaard, met het koord; zelden tot nooit had hij zich ergens iets van aangetrokken, vakkundig roofde hij vet op misdadige lijken voor zijn heilzame smeersels; maar deze vrouw, Vonk, om wie een moord was gepleegd – en terecht! dacht hij in een opwelling –, deze vrouw beroerde hem. En dat mocht niet. Het kon niet: ze beroerde hem. Niet eens omdat ze rossig was en met duizend sproeten bedekt en zelfs halfnaakt toch waardig, nee, dat was het niet; het was omdat ze anders was dan wie ook met wie hij te maken kreeg.
In haar diepste nood had hij haar gezien en misschien wel beter gekend dan haar man ooit, misschien zelfs beter dan haar minnaar: ook haar geest werd opgelicht door iets mysterieus, een inwendig soort sproeten, iets dat hij nog niet eerder was tegengekomen en waarover hij in het boek dat sinds generaties in de familie was, bondig alle geheimen bevattend, een losse aantekening had gemaakt: Standvastig, doch niet van godsvr. of devote aard. Op een los blad. Niet bedoeld om te bewaren voor toekomstige generaties scherprechters, laat staan voor zijn zoon, die stevig optrad met de stok.”

 

 2188316-bdfa26172610919808016f6baab906f7.jpg
Steffie van den Oord (Ammerzoden, 27 oktober 1970)

 

 

De Engelse schrijfster Zadie Smith werd geboren op 27 oktober 1975 in Londen. Zie ook alle tags voor Zadie Smith op dit blog.

Uit: Feel Free

“Last time I was in Willesden Green I took my daughter to visit my mother. The sun was out. We wandered down Brondesbury Park toward the high road. The "French Market" was on, which is a slightly improbable market of French things sold in the concrete space between the pretty turreted remnants of Willesden Library (1894) and the brutal red-brick beached cruise ship known as Willesden Green Library Centre (1989), a substantial local landmark that racks up nearly five hundred thousand visits a year. We walked in the sun down the urban street to the concrete space—to market. This wasn't like walking a shady country lane in a quaint market town ending up in a perfectly preserved eighteenth-century square. It was not even like going to one of these farmers' markets that have sprung up all over London at the crossroads where personal wealth meets a strong interest in artisanal cheeses. But it was still very nice. Willesden French Market sells cheap bags. It sells CDs of old-time jazz and rock and roll. It sells umbrellas and artificial flowers. It sells ornaments and knickknacks and doodahs, which are not always obviously French in theme or nature. It sells water pistols. It sells French breads and pastries for not much more than you'd pay for the baked goods in Greggs down Kilburn High Road. It sells cheese, but of the decently priced and easily recognizable kind—Brie, goat's, blue—as if the market has traveled unchanged across the Channel from some run-down urban suburb of Paris. Which it may have done for all I know. The key thing about Willesden's French Market is that it accentuates and celebrates this concrete space in front of Willesden Green Library Centre, which is at all times a meeting place, though never quite so much as it is on market day. Everybody's just standing around, talking, buying or not buying cheese, as the mood takes diem. It's really pleasant. You could almost forget Willesden High Road was ten yards away. This matters. When you're standing in the market you're not going to work, you're not going to school, you're not waiting for a bus. You're not heading for the Tube or shopping for necessities. You're not on the high road where all these activities take place. You're just a little bit off it, hanging out, in an open-air urban area, which is what these urban high streets have specifically evolved to stop people from doing. Everybody knows that if people hang around for any length of time in an urban area without purpose they are likely to become "antisocial." And indeed there were four homeless drunks sitting on one of the library's strange architectural protrusions, drinking Special Brew. Perhaps in a village they would be sitting under a tree, or have already been driven from the area by a farmer with a pitchfork. I do not claim to know what happens in villages. But here in Willesden they were sitting on their ledge and the rest of us were congregating for no useful purpose in the unlovely concrete space, simply standing around in the sunshine, like some kind of community.”

 

 2188316-c3afa5a23b83a919a8edda3cbf6ec5e8.jpg
Zadie Smith (Londen, 27 oktober 1975)

 

 

De Egyptische schrijfster, gynaecologe, moslimfeministe en politiek activiste Nawal el Saadawi werd geboren in Kafr Tahla op 27 oktober 1931. Zie ook alle tags voor Nawal el Saadawi op dit blog.

Uit: Women At Point Zero (Vertaald door Sherif Hetata)

“Without looking me in the face, he said, 'What do you mean, you can't carry on like this? `I cannot continue to live in your house,' I stammered. 'I'm a woman, and you're a man, and people are talking. Besides, you promised I'd stay only until you found me a job.' He retorted angrily, 'What can I do, get the heavens to intervene for you?' `You're busy all day in the coffee-house, and you haven't even tried to find me a job. I'm going out now to look for one.' I was speaking in low tones, and my eyes were fixed on the ground, but he jumped up and slapped me on the face, saying, 'How dare you raise your voice when you're speaking to me, you street walker, you low woman?'
His hand was big and strong, and it was the heaviest slap I had ever received on my face. My head swayed first to one side, then to the other. The walls and the floor seemed to shift violently. I held my head in my hands until they grew still again, then I looked upwards and our eyes met. It was as though I was seeing the eyes that now confronted me for the first time. Two jet black surfaces that stared into my eyes, travelled with an infinitely slow movement over my face, and my neck, and then dropped downwards gradually over my breast, and my belly, to settle somewhere just below it, between my thighs. A cold shiver, like the shiver of death, went through my body, and my hands dropped instinctively to cover the part on which his gaze was fixed, but his big strong hands moved quickly to jerk them away. The next moment he hit me with his fist in the belly so hard that I lost consciousness immediately. He took to locking me in the flat before going out. I now slept on the floor in the other room. He would come back in the middle of the night, pull the cover away from me, slap my face, and then bear down on me with all his weight. I kept my eyes closed and abandoned my body. It lay there under him without movement, emptied of all desire, or pleasure, or even pain, feeling nothing. A dead body with no life in it at all, like a piece of wood, or an empty sock, or a shoe. Then one night his body seemed heavier than before, and his breath smelt different, so I opened my eyes. The face above me was not Bayoumi's. `Who are you?' I said. `Bayoumi,' he answered. I insisted, 'You are not Bayoumi. Who are you?' `What difference does it make? Bayoumi and I are one.' Then he asked, 'Do you feel pleasure?' `What did you say?' I enquired. `Do you feel pleasure?' he repeated. I was afraid to say I felt nothing so I closed my eyes once more and said, `Yes.' He sank his teeth into the flesh of my shoulder and bit me several times in the breast, and then over my belly.”

 

 2188316-f43bcf5fb8105b1cbe4f98ea9793492e.jpg
Nawal el Saadawi (Kafr Tahla, 27 oktober 1931)

 

 

De Belgische dichter en schrijver Albrecht Rodenbach werd geboren te Roeselare op 27 oktober 1856. Zie ook alle tags voor Albrecht Rodenbach op dit blog.

 

Het klooster

'k Kwam gewandeld gansch aleene.
De avond viel, de zonne zonk,
smeltend ginder ver in 't westen,
langzaam weg in roeden gloed.
Váér mij' lag het rustig kerkhof,
achter mij strekte de stee;
en ik ging voorbij het klooster,
langs de groene hagen heen,
tot ik stil bleef staan vóór 't kerksken,
met zijn scherpe torennaald,
van de zone rood beschongen,
huis van vrede en heiligheid.
't Kloksken viel opeens aan 't luiden,
en ik trad het kerksken in.
't Altaar stond van 't licht te schitteren.
menschen knielden, hier en daar,
en de priester, de koralen,
traden op en 't lof begon.
Nevens 't altaar achter traliën,
schoof een groen gordijn nu weg,
en ik hoorde maagden zingen,
eerst gezamenlijk in koor,
dan opeens een enkle stemme,
wijl 't Hoogweerdig, plechtig in
's priesters handen, over 't buigend
volk, het kruisgebaar volbracht.
't Maagdenherte scheen te kloppen,
als zij zong « Adoro te.»
Lieve zusters, Jezus' maagden,
ook mijn herte was ontroerd,
en ge zoudet 't geerne schenken,
wist gij wat ik wenschte dan.
Een gebed voor mij, die jong ben,
een gebed voor dezen tijd,
die mij rollen zal en wentelen,
lijk de zee de bare rolt.
«Recht door zee» wil ik toch varen,
zusters, een gebed voor mij.

 

 2188316-314c6b7b2a73e4f82e20643e9af2eab0.jpg
Albrecht Rodenbach (27 oktober 1856 – 23 juni 1880)

 

 

Zie voor nog meer swchrijvers van de 27e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 12:09 Reageer op dit bericht

Jamie McKendrick, Fran Lebowitz, Josef Václav Sládek, Enid Bagnold, Kazimierz Brandys, Reza Allamehzadeh

 

De Engelse dichter en vertaler Jamie McKendrick werd op 27 oktober 1955 in Liverpool geboren. Zie ook alle tags voor Jamie McKendrick op dit blog.

 

A Mole of Sorts

The digging creature has been at work again
out there — first a modest trough with a crest
of dry earth, fit for a starling or a thrush
to rest in. No big deal except to some yellow ants
doing repairs, carrying stuff on their hods.
Next day the hole was deeper,
deeper and wider, encroaching on the lawn
which yielded inch by inch each clump of turf
as though to a pendulum or scythe.

Asleep, I sat talking to an animal:
three-, four-foot long with silky white fur
and slim interminable fingernails
lucid as biro shafts or goose quills.
They made the plasticky click
of knitting needles as he waved them
in front of his pink snout as if to dry
the shining varnish. He was indeed
he declared to me a mole of sorts.

In a question of days, two weeks at most,
the lavender, the rose bush, the bay plant,
the bindweed, the lilac tree, the brambles
and the potato vine had disappeared
leaving a long rectangular pit
like the foundations of a house
that would never be built, never be lived in.
Then I suppose that was the job done
and the digger moved on to another plot

 

 2188311-237e9f1486412330409ce38341452598.jpg
Jamie McKendrick (Liverpool, 27 oktober 1955)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Frances Ann “Fran” Lebowitz werd geboren op 27 oktober 1950 in Morristown, New Jersey. Zie ook alle tags voor Frans Lebowitz op dit blog.

Uit: Fran Lebowitz Doesn’t Have a Cell Phone, But Knows Everything That Happens on Social Media Anyway (Interview door Stephanie Eckardt op W Magazine)

“Have you read any new novelists lately that you’re excited about?
By new novelists you probably mean people right out of writing school, which didn’t use to exist. I mean, it’s not that I’m against the idea of new novelists. I’m always asking people if they’ve read anything new that is really good. They very rarely say yes, and when they do, they’re often wrong. My idea of a new novelist is someone who’s still alive. I read Darryl Pinckney’s novel, Black Deutschland. I’m sure he’s not your idea of young, but he’s younger than me. That might be the most recent novel I read by someone who’s alive.

What about by someone who’s not?
My great preference. You know what, I just read Little Dorrit, because I asked a friend of mine what she recommended and she said “Did you ever read Little Dorritt?” And I said, “I think I did not," because when I was young, I was not the world’s biggest [Charles] Dickens fan. So I did read it, and I would highly recommend it, and he is definitely not alive. The great thing about writers who are not alive is that you don’t meet them at parties.

Do you watch any TV shows?
I watch TV all night long, I flip it on and off. But I have to tell you that watching TV is really an exact description, by which I mean if something interests me I’ll watch it 'til the commercial, then I’ll flip and I don’t even remember that I watched it anymore. I know this is against the law, but I am also the only person I know of who is not presently obsessed with television. I never imagined that I would live to see a day where people talked about television all the time. I’m astounded by the number of people who — do you realize how much TV you’re watching? Thousands of hours. Thousands of hours. And people now think it’s like a requirement. I have to go, I have 75 episodes of such and such I have to watch. I’m not saying these shows are not good, I’m just saying maybe if I was three years old and I imagined I had this amount of time ahead of me, I might start pursuing it.

Do you have cable?
I do. When they first invented cable television, I didn’t get it. I thought it was ridiculous to pay to watch television. It should be free, like water. [Laughs.] I didn’t get it until they built the World Trade Center (I mean the initial one) because that cut off the TV reception to downtown. So I do have cable television.”

 

 2188311-bba33fda407a393f6e9062abc8ca9336.jpg
Fran Lebowitz (Morristown, 27 oktober 1950)

 

 

De Tsjechische schrijver, dichter, journalist en vertaler Josef Václav Sládek werd geboren op 27 oktober 1845 in Zbiroh. Zie ook alle tags voor Josef Václav Sládek op dit blog.

 

We’ll Last, As We’ve Lasted

We’ll last, as we’ve lasted
up till now, awoken,
though fate-battered, blasted,
never crushed or broken.

Many tidal surges
at our promontory
fought off down the ages,
we’ll fight on, yield nary!

Though our flags be rended,
rooftop torn, storm-blustered,
we’ll stay, our house tended
by our hands, own-mastered.

Let seas seethe, rapacious,
by our blood outlasted,
gutsy, contumacious,
we’ll last, as we’ve lasted!

 

 

Vertaald door Václav Z J Pinkava

 

 2188311-cb5db92a5ba8b78188cc2751c74d304e.jpg
Josef Václav Sládek (27 oktober 1845 – 28 juni 1912) 

 

 

De Britse schrijfster Enid Algerine Bagnold werd geboren op 27 oktober 1889 in Rochester, Kent. Zie ook alle tags voor Enid Bagnold op dit blog.

 

Uit: A Diary Without Dates

“When one shoots at a wooden figure it makes a hole. When one shoots at a man it makes a hole, and the doctor must make seven others.
I heard a blackbird sing in the middle of the night last night - two bars, and then another. I thought at first it might be a burglar whistlingto his mate in the black and rustling garden.
But it was a blackbird in a nightmare.
Those distant guns again tonight... 5
Now a lull and now a bombardment; again a lull, and then batter,batter, and the windows. Is the lull when they go over the top?
I can only think of death tonight. I tried to think just now, 'What is it, after all! Death comes anyway; this only hastens it.' But that won'tdo; no philosophy helps the pain of death. It is pity, pity, pity, that I feel, and sometimes a sort of shame that I am here to write at all.
Summer... Can it be summer through whose hot air the guns shakeand tremble? The honeysuckle, whose little stalks twinkled and shone that January night, has broken at each woody end into its crumbled flower.
Where are the frost, the snow? ... Where are the dead?
The sound of a bombardment at the Front, which could be heard in England.
Where are my trouble and my longing, and the other troubles, and the happiness in other summers?
Alas, the long history of life! There is that in death that makes the throat contract and the heart catch: everything is written in water.
We talk of tablets to the dead, there can be none but in the heart, and the heart fades.”

 

 2188311-ad67ac209bf866777157262cc4027990.jpg
Enid Bagnold ( 27 oktober 1889 – 3 maart 1981)

 

 

De Poolse schrijver Kazimierz Brandys werd geboren op 27 oktober 1916 in Lodz. Zie ook alle tags voor Kazimierz Brandys op dit blog.

Uit: Maanden (Vertaald door Liesbeth Schnack-Dijkhuis)

“November 1978
Honderd passen van mijn poortdeur. Al twintig jaar blijven daar groepen buitenlandse toeristen even staan, al twintig jaar hoor ik diezelfde hese bariton: ‘That is the old gothic door of fifteenth century!’ Daarop weerklinkt het toeristisch gekakel, de groep bekijkt mijn poort. Sinds twintig jaar vervloek ik dat wezen en haat ik zijn heesheid. Pas een maand geleden heb ik, op weg naar huis, die gids voor het eerst gezien. Het was een vrouw, al wat ouder, met donkere, lachende ogen, waarmee ze me niet zonder sympathie een steelse blik toewierp, alsof ze mijn langjarige kwellingen begreep. Haar schoenen zaten onder de modder. Ik voel sindsdien geen haat meer als ik haar bariton beneden hoor. Op honderd passen van mijn poort gebeuren wonderen. Niet overdrachtelijk, nee, echte wonderen, met een wonderdoener die uit Engeland is gekomen. Tussen het Bastion en de Swietojerskastraat staat al sinds vroeg in de ochtend een menigte. Mensen op karretjes, mannen met kinderen op de arm, grijsaards, verlamde vrouwen, zonen die hun moeders in rolstoelen voortduwen, een hoop mensen met een schijnbaar gezond uiterlijk, veel jonge gezichten. De zijstraten zijn aan het eind versperd met auto's, er komen ziekenauto's aangereden. De menigte staat uren te wachten, om de zoveel tijd klinkt er aan de voet van de Heilige-Jacekkerk een megafoon die nummers en namen afroept. De healer, Clive Harris, geneest door handoplegging. De zieken schuiven ieder op hun beurt naar voren, er is een stem van een vrouwelijke tolk te horen: ‘Head... Leg... Breast...’ De healer, zijn ogen halfdicht, beroert hoofden, armen, borsten. Naar het schijnt neemt hij de pijn weg en doet zijn aanraking gezwellen wijken. Harris is een veertigjarige man, kort van gestalte, met kleine handen en voeten; hij heeft iets ziekelijks over zich, een soort kreupele jongensachtigheid. Hij beroert de zieken als in trance. De header uit roeping straalt - naar ik heb gehoord - elektromagnetische golven uit. Om de paar uur drinkt hij twee, drie bekers melk. De wonderen berusten ook op belangeloosheid. Harris neemt geen geld aan.
Over dat alles vertelde mevrouw Helenka, die op haar reumatische benen even bij ons langs was gekomen om uit te rusten nadat ze vijf uur in de menigte had gestaan. Ontdaan kwam ze binnen, een zilvervos aan, een vilten, roestbruine baret op het hoofd en ringen in de oren. Ze werkt nu al acht jaar niet meer bij ons, maar twintig jaar lang heeft ze bij ons gediend, na de oorlog aanbevolen door mevrouw Bronia, de vroegere huishoudster van tante Klima Heyman, de overleden zuster van mijn moeder. Ik schoof mijn werk opzij om wat met haar te praten. We hadden het over ziektes, over mensen die overleden waren, over de duurte.”

 

 2188311-720406b7e8d25b961c7b108dc466f7a7.jpg
Kazimierz Brandys (27 oktober 1916 – 11 maart 2000)
Cover

 

 

De Iraanse schrijver en filmmaker Reza Allamehzadeh werd geboren op 27 oktober 1943 in Sari, Mazandaran. Zie ook alle tags voor Reza Allamehzadeh op dit blog.

Uit: Steril und illusorisch. Iranische Erfahrungen mit dem „islamischen Kino“

“Vierzehn Jahrhunderte nach Erscheinen des Propheten hat es die islamische Revolution im Iran auf sich genommen, endlich das heilige Bilderverbot des Koran durchzusetzen. Mit zu den ersten Aktionen der damals noch jungen Bewegung gehörte das Abbrennen von Kinos in Teheran und anderen Städten. Die Brandstiftungen erreichten im September 1978 einen Höhepunkt, als das „Rex“ im südiranischen Abadan von religiösen Fanatikern und Khomeini-Anhängern angezündet wurde; sie verschlossen alle Ausgänge des mit 400 Menschen besetzten Kinosaales und legten Feuer. Von den 400 Männern, Frauen und Kindern, die sich dort eingefunden hatten, um einen iranischen Film zu sehen, verbrannten 377 bei lebendigem Leibe. In diesem Kontext sah das iranische Kino der Ankunft der islamischen Revolution entgegen.
Nach seinem Machtantritt 1979 ließ sich Khomeini von engen Beratern überreden, zwei Filme des in den USA lebenden arabischen Regisseurs Mostafa A'ghad anzusehen; beide Filme, The Messenger und Omar Mokhtar, sind Beispiele für aufwendige Hollywoodproduktionen, in denen ein islamisches Thema im Zentrum steht. Wenig später machte Khomeini eine seiner obskuren und orakelhaften Äußerungen, die seinen Ruf als unbestrittener Meister der Doppeldeutigkeiten begründeten: „Wir sind nicht gegen das Kino, wir sind gegen Prostitution.“ Seit diesem Tag versucht die iranische Filmindustrie herauszufinden, was genau der Meister damit gemeint haben könnte. Die orthodoxe Auffassung ist simpel genug: „Wir sind gegen das Kino, weil es Prostitution ist.“ Der zur Zeit gültige Trend in den Regierungsinstitutionen, die die Filmindustrie kontrollieren, läßt den Satz folgendermaßen interpretieren: „Wir sind gegen die Art von Kino, die Prostitution bedeutet, nicht aber gegen ein islamisches Kino.“ Das islamische Regime hat einige Jahre gebraucht, um zu erkennen, daß die Konzeption eines islamischen Kinos illusorisch ist.
Der Direktor der Kulturabteilung in einer der größten Regierungsstellen „für islamische Filmproduktion“, Mohsen Tabatab'i, hat erklärt: „Die beste Definition des islamischen Kinos besagt, daß das Kino in der Propagierung des Islam eine eigene Rolle zu spielen hat — so wie auch die Moschee ihre Aufgabe hat.“ Um dieses Ziel zu erreichen, gibt die Filmstiftung jährlich 25 bis 40 Millionen US-Dollar aus — „zur Förderung des neuen islamischen Films“. Die „Bonyad-e-Mostafazan“ („Stiftung der Schwachen“) besitzt etwa 80 Prozent aller iranischen Kinos.”

 

 2188311-6cc16e617aa373c930197c1b3e83f294.jpg
Reza Allamehzadeh (Sari, 27 oktober 1943)

Geschreven door Romenu om 12:08 Reageer op dit bericht

Jan Wolkers, Marja Pruis, Maartje Wortel, Andrew Motion, Harry M.P. van de Vijfeijke, Stephen L. Carter, Karin Boye, Trevor Joyce, Pat Conroy

De Nederlandse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers werd geboren in Oegstgeest op 26 oktober 1925. Zie ook alle tags voor Jan Wolkers op dit blog.

Uit: Serpentina's petticoat

“Het was zó'n natte novembermaand dat we dikke stukken hout op gelijke afstanden van elkaar in de tuin hadden gelegd, zodat we van blok tot blok springend tenminste met droge voeten in de schuur kwamen. De regen hield maar aan. Als lange draden grijze wol stroomden de stralen naar beneden, uit kluwens waar geen eind aan scheen te komen. De tuin kwam blank te staan. De stukken hout dreven weg en bleven tegen struiken en verdorde planten aan dobberen. Ze leken op een uit elkaar geslagen vloot en deden me denken aan een gravure in mijn geschiedenisboek, waaronder stond: Gods adem heeft ze verstrooid.
- We moeten toch in de schuur zien te komen, zei ik tegen Evert en Eddy.
Ik haalde de rubber jachtlaarzen van mijn vader te voorschijn, die al jaren niet meer gebruikt waren, zodat ik me afvroeg of ze nog wel waterdicht zouden zijn. Op het hoge stoepje voor de zijdeur van het huis trok ik ze aan. Ik liep er even aarzelend mee het water in, als iemand die in april de zee probeert. Mijn voeten bleven droog. Daarna draaide ik me met de rug naar Eddy toe en spreidde mijn armen uit. Hij sprong zo wild, dat ik bijna mijn evenwicht verloor. Ik sloeg mijn armen rond zijn harde lange dijen en ging in de richting van de schuur lopen. Als ik een voet verplaatste bleef er een klein bruin wolkje in het water achter. Ik voelde me een vliegtuig dat door ontploffende granaten achtervolgd wordt. Mijn tenen moest ik omhoogsteken om niet uit de laarzen te schieten die in de modder vastzogen.
Toen ik terugging om Evert te halen liep ik over het gazon. Als geheime donkere kreeften lagen grote dahliaknollen onder water, die op het gras te drogen waren gelegd voor de regen kwam. Mijn vader had ze maar laten liggen. Je kunt ze toch niet eten en wie denkt er aan bloemen voor volgend jaar in zo'n verschrikkelijke tijd, had hij gezegd. Ik trapte tegen de knollen. Ze vielen uit elkaar, terwijl er een lichtgele brij langzaam in het water opwolkte.
We lagen op een harde matras gevuld met zeegras. De schuurdeur hadden we open laten staan en we keken, zonder te spreken, naar de luchtbellen die de regen in het water sloeg. Soms stond een van ons op en pakte een paar tabaksbladeren, die in een lange rij aan een touw langs de zoldering hingen. Ze hadden goudgeel moeten worden, maar als onwillige kameleons waren ze in een vuile bruingroene kleur blijven steken. We knipten ze zorgvuldig fijn en rolden er sigaretten van in papier dat we uit een oud kerkboek scheurden. Ik had het boek uit de bibliotheek van mijn vader gehaald en er het binnenwerk uit getrokken”.

 

 2188191-0622b5e1e0b6fa03842ade33334c2f01.jpg
Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007)

 

 

De Nederlandse schrijfster en journaliste Marja Pruis werd geboren in Amsterdam op 26 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Marja Pruis op dit blog.

Uit: Omdat je het Waard Bent

“Soms heb ik het idee dat ik van ver kom. Alsof nu een ander soort mores heerst dan waarmee ik ben
opgegroeid, en ik me iedere keer over weerzin, schrik of angst moet heen zetten om me in de wereld
van nu te begeven. Inmiddels ben ik oud genoeg om te weten dat als ik dit idee heb, ik hier niet alleen in sta. In die zin zou iedereen het gevoel kunnen hebben van ver te komen en wordt deze planeet bewoond door aliens.
Misschien is het idee dat er een tijd bestaat waarin je zou kunnen samenvallen met jezelf, een tijd waarin je je thuis voelt, een illusie. Per definitie onmogelijk, omdat de definitie van leven veranderlijkheid is. Het is denk ik niet dat ik terugverlang naar vroeger. Ik wil niet achteruit – maar
vooruit is ook weer zoiets. Het is het splijtende gevoel dat zich achter me een zwart-witfilm ontrolt, zonder geluid – het enige geluid dat je hoort is het geratel van een amechtige projector – terwijl vóór
me een bonte kermis gaande is waarop het verplicht is een 3D-bril op te zetten. Het geluid staat
te hard, de gezichten komen te dichtbij. Een polonaise waarbij je moet inhaken op straffe van onzichtbaarheid.
Het heeft te maken met dat iedereen een vertegenwoordiger van zichzelf lijkt te zijn geworden, iedereen moet zich laten zien, en wat iedereen laat zien, moet dan weer het beste zijn dat hij of zij mogelijkerwijs kan laten zien. En dat is, ben ik bang, weer terug te voeren op het grote wereldwijde
web waarop de mensheid sinds enige decennia is aangesloten en waarvan we waarschijnlijk
nooit meer losgekoppeld raken.
De druk om constant bereikbaar te zijn, jezelf in heel je glorie te openbaren, je kunsten en goede daden op eigen houtje te etaleren… Ik weet dat de sociale media ook zegenrijk effect sorteren – Revolutie!”

 

 2188191-b17e2bf7570f9f55d3e42f03272c083a.jpg
Marja Pruis (Amsterdam, 26 oktober 1959)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijfster Maartje Wortel werd geboren in Eemnes op 26 oktober 1982. Zie ook alle tags voor Maartje Wortel op dit blog.

Uit: Half mens

“Ik heb laatst gelezen dat je ’s ochtends bij het wakker worden al beslist of je diezelfde dag bijvoorbeeld een ijsje gaat eten. Niet bewust, maar iets in je heeft al gekozen. Vandaag mag je ijs.
Je moet niet alles geloven wat ze in de krant zetten, maar nu ik er met terugwerkende kracht over nadenk, weet ik dat het waar is.
Iets in je heeft al gekozen. Zo was het ook bij Michael Poloni. Hij heeft lang moeten wachten. Toch heeft hij uiteindelijk gekregen waar hij naar verlangde, als ik het goed begrepen heb. Hij zag er in ieder geval gelukkig uit, dat kunnen niet alle mensen zeggen. Als ikzelf eens aan iemand vraag: ‘Hoe zie ik eruit vandaag?’ dan zeggen de mensen negen van de tien keer: ‘Weet je zeker dat je het horen wil?’ De tiende is mijn moeder. Zij zegt: ‘Jongen, jij bent een beauty en dat weet je best.’ Dat zijn de dagen waarop ik mijn hoed opzet.
Maar goed, het gaat nu niet om mij. Het gaat om Michael Poloni. Voor hem begon het ongeveer een half jaar geleden met een ongeluk. Het was allemaal al veel eerder begonnen natuurlijk, maar vanaf de zaterdag waarop het ongeluk plaatsvond begon het voor hem pas echt. Iets in hem had al lang daarvoor gekozen. Vandaag mag je ijs. En het besef wat dat te betekenen heeft komt altijd later, als je je ijsje al ophebt, begrijp je?
Laat ik dit vooropstellen: met mij heeft dit hele verhaal uiteindelijk niets te maken. Per toeval werd ik, James Dillard, drieënveertig jaar oud, geboren en getogen in Los Angeles, deelgenoot van dit verhaal, maar langs de zijlijn, en voor een paar maanden maar.
Het was op een dinsdagmorgen, ik had een bagel gegeten, daarna had ik gekakt terwijl ik ondertussen een hoofdstuk las uit The Road to Los Angeles. Ik had mijn tanden gepoetst en overwogen of ik me zou scheren.Ik had koffiegedronken met mijn huisgenote Allijah, een bloedmooi meisje. We zaten aan de straatkant, met de loodsdeur open. Ik keek naar het verkeer en zij vertelde over haar examens, wat me vrij weinig interesseerde, ze had al een vriend. De buurvrouw zei gedag, ze loopt kreupel. Ik vroeg me af of het niet link was dat ze zelf nog in haar auto reed. Ook dacht ik aan wat ik die middag zou gaan doen, en dat alles hetzelfde zou zijn als wat ik gisteren had gedaan en de dag daarvoor en ook de dag daarvoor. Ik deed niets, al mijn hele leven niet. Ik leefde van anticlimax naar anticlimax. Dan kan je in z’n grote stad als Los Angeles wonen maar dat lost niets op.”

 

 2188191-f356850d1549338c2cc954f7249b2123.png
Maartje Wortel (Eemnes, 26 oktober 1982)

 

 

De Engelse dichter, schrijver en biograaf Andrew Motion werd geboren op 26 oktober 1952 in Braintree in Essex. Zie ook alle tags voor Andrew Motion op dit blog.

 

Laying the Fire

I am downstairs early
looking for something to do

when I find my father on his knees
at the fireplace in the sitting-room
sweeping ash
from around and beneath the grate
with the soft brown hand-brush
he keeps especially for this.

Has he been here all night
waiting to catch me out?
So far as I can tell
I have done nothing wrong.

I think so again
when he calls my name
without turning round;

he must have seen me
with the eyes in the back of his head.

‘What’s the matter old boy?
Couldn’t sleep?’

His voice is kinder than I expect,
as though he knows
we have in common a sadness
I do not feel yet.

I skate towards him in my grey socks
over the polished boards of the sitting-room,

negotiating the rugs
with their patterns of almost-dragons.

He still does not turn round.

He is concentrating now
on arranging a stack of kindling
on crumpled newspaper in the fire basket,

pressing small lumps of coal
carefully between the sticks
as though he is decorating a cake.

Then he spurts a match,
and chucks it on any old how,

before spreading a fresh sheet of newspaper
over the whole mouth of the fireplace
to make the flames take hold.

Why this fresh sheet
does not also catch alight
I cannot think.

The flames are very close.

I can see them
and hear them raging
through yesterday’s cartoon of President Kennedy

and President Khrushchev
racing towards each other in their motorcars
both shouting
I’m sure he’s going to stop first!

But there’s no need to worry.
Everything
is just as my father wants it to be,
and in due time,
when the fire is burning nicely,
he whisks the newspaper clear,

folds it under his arm,

and picks up the dustpan
with the debris of the night before.

Has he just spoken to me again?
I do not think so. I
do not know.
I was thinking how neat he is.
I was asking myself:
will I be like this? How will I manage?

After that he chooses a log
from the wicker wood-basket
to balance on the coals,
and admires his handiwork.

When the time comes to follow him,
glide, glide over the polished floor,
he leads the way to the dustbins.

A breath of ash
pours continuously over his shoulder
from the pan he carries before him
like a man bearing a gift
in a picture of a man bearing a gift.

 

 2188191-aa577525d691fbee23cb385d1b477ebb.jpg
Andrew Motion (Braintree, 26 oktober 1952)
Hier bij een standbeeld van Philip Larkin in Hull 

 

 

De Nederlandse dichter Harry M.P. van de Vijfeijke werd geboren op 26 oktober 1946 in Waalre. Zie ook alle tags voor Harry M.P. van de Vijfeijke op dit blog.

 

Waar de witgeschilde berken

Waar de witgeschilde berken het uitgillen
in hun bladerwolken, geel, een plas,

waarop ik voor het eerst mijn smalte
overwon en op ijzers uithuizig
comfortabel was.

De zwarte vloer, vijver van verre dagen.
Nu mijn vader sterft en ik nog
wat blijf, ga ik mij vast terug
op de vroege vlakten wagen.

 

 

De stad. We bleven

De stad. We bleven.
Ooit was er een reden.

Zij had het ongemakkelijk die tijd, de stad.
Er werden ingewanden weggehaald,
geschiedenis bracht ongerief, gewoeker.

Ik werd verwacht te bloeien. Klaproos
op kaalslag. Ik viel niet mee.

We raakten in de pas, het tumult
waarmee ik je bezocht werd milder.

De trouw die ik belijd is er niet een
van het zweren.

Het is liefde, een van goed vaarwater,
rustig en welwillend als een schil.

 

 2188191-0f752c9a4f340ac190cff8a8b4f3a779.jpg

Harry M.P. van de Vijfeijke (Waalre, 26 oktober 1946)

               

 

De Amerikaanse schrijver Stephen L. Carter werd geboren op 26 oktober 1954 in Washington, D.C. Zie ook alle tags voor Stephen L. Carter op dit blog.

Uit: The Impeachment of Abraham Lincoln

“The President was dying.
As the grim news spread through Washington City, angry crowds spilled into the cold, muddy night. Abraham Lincoln had been shot at Ford’s Theatre, on Tenth Street. The wounds were mortal, people were saying. There was no way he could survive. The war was over, the South utterly vanquished, yet somehow its withered hand had reached up into the nation’s capital and extracted this bitter revenge. The crowds became mobs, looking for somebody to hang. Some wanted to burn Ford’s to the ground. Others marched toward Old Capitol Prison, where many leaders of the late rebellion were still being held. Rumors passed from mouth to mouth: The Vice- President had been murdered in his rooms at Kirkwood House. The Secretary of State had been stabbed to death in his mansion on Lafayette Square. Confederate troops were advancing on the city. Or Union troops: nobody seemed to know for sure, and a coup d’état had been rumored for years. Outside Ford’s Theatre, a man in the blood-spattered uniform of an army major and a doctor carrying a candle fought their way into the street. A group bearing Lincoln’s unmoving body followed behind. Mrs. Lincoln, face like chalk, clutched her husband’s stiff hand. People leaned in, trying to see or touch. Men groaned. Women wept. A soldier banged on the door of a row house across the way. They carried the President inside and shut the door. People craned to peer in the windows. Minutes later, Secretary of War Stanton, the most feared man in Washington, arrived in an unguarded carriage and raced inside. Other officials followed. Furious soldiers took up positions on the sidewalk but seemed to have no clear orders. They battered members of the crowd for practice. Other men went in. The people who had been closest to the body passed on the story: the President’s head was a mass of blood.
Meanwhile, the hue and cry had been raised. That actor fellow. Wilkes Booth. He had shot the President and leaped to the stage, then escaped on horseback. Somehow the mob was armed now, looking for someone to whom they might do mayhem.”

 

 2188191-ba9b95ae25768bf3dd29ee3af0ce5869.jpg
Stephen L. Carter (Washington, 26 oktober 1954)

 

 

De Zweedse dichteres en schrijfster Karin Maria Boye werd geboren op 26 oktober 1900 in Göteborg. Zie ook alle tags voor Karin Boye op dit blog.

 

Evening Stillness

Feel how near Reality dwells.
She breathes near here
on evenings with no wind.
Perhaps when no one looks, she shows herself,

The sun glides over rock and grass.
In her silent play
life's spirit is concealed.
Never as this evening was he so close.

I have met a stranger with silent lips.
If I had reached out my hand
I would have brushed his soul,
as we passed each other with timid steps.

 

 

Burning Candles

Now cries the night aloud in need,
with unknown dread a-quake.
Now light I here two candles straight
for eternal darkness' sake.

If the Lord's angels pass by here,
the light will call to them,
then they will hear the flames sing my prayer,
and bear it with them home.

They are warriors who go in armour of fire
with word from the Almighty's house.
Their speech has no words for harsh and sweet.
but for burning candles it has.

That is why they stand on the storm's back
between the whipping wings' din,
that is why they smile at the darkness's power
and meet the cold with disdain.

O Lord my God, O terrible God,
Your mantle's roar booms free.
I pray for flowers and pray for peace -
but give burning candles to me!

 

 

Vertaald door David McDuff

 

 2188191-10c3106ab4c548eb0c2258ec72cf1f38.JPG
Karin Boye (26 oktober 1900 – 24 april 1941) 
Standbeeld in Göteborg (detail)

 

 

De Ierse dichter Trevor Joyce werd geboren op 26 oktober 1947 in Dublin. Zie ook alle tags voor Trevor Joyce  op dit blog.

 

FROM A PHANTOM HYPERSESTINA (Fragment)

peacocks
seem out
of place
and uneasy
here

large
rattling
tails
folded

eyes
all
neatly
stacked

like tenses
of some
complex
and irregular
verb tabled
in a grammar

could
should
would

or a hand
of cards

 

 2188191-48e749341fa0cdc8d7c188ba66e10549.jpg
Trevor Joyce (Dublin, 26 oktober 1947)

 

 

De Amerikaanse schrijver Pat Conroy werd geboren op 26 oktober 1945 in Atlanta, Georgia. Zie ook alle tags voor Pat Conroy op dit blog.

Uit:Beach Music

“I am usually up when the Piazza Farnese awakens. In darkness I brew my coffee and take a cup up to the terrace where I watch first light come over the deer-colored city.
At six in the morning, the man at the newspaper stand arrives and begins arranging magazines beneath his canopy. Then a truck enters the piazza from the west carrying bales of Il Messaggero and other morning papers. The two carabinieri who guard the entrance to the French Embassy switch on the lights of their jeep to begin their slow perfunctory circling of the Palazzo Farnese. Wearing the same expressions, like face cards in a disfigured deck, the carabinieri seem bored and usually you can see the pale glow of their cigarettes against the dashboards as they sit in their cars during the long Roman night. A van carrying fragrant bags of coffee then arrives in front of the Bon Caffe at the same time the owner of the cafe rolls up the steel shutters. His first cup of coffee always goes to the driver of the truck, the second to the owner of the newspaper stand. A small boy, the son of the owner, then takes two cups of black coffee to the carabinieri across the piazza just as the nuns in Santa Brigida begin to stir in the convent across from my building.
While it is still dark beneath the annealed stars and low-seated moon a nun opens the small steel gate in front of the Church of Santa Brigida, an act signifying that Mass is about to start. There is solitude in the fatigue of watching such beginnings and I then ritually count the thirteen churches I can see from my terrace. I was still counting them when I spotted a man who had been following us for the last few days enter the piazza from the Campo dei Fiori.
I slipped behind an oleander bush as the man looked up toward my terrace, then entered the Bon Caffe. I continued to count the bell towers and the four great moony clocks whose hands commemorated the exact moment of their death for Rome to see. I listened with pleasure to the music of the fountains in the piazza.
Across the piazza, a nun moved on the church's terrace this Monday morning, heedless as a moth in her mothering of roses. A brindled cat stalked a pigeon into the first slice of sunlight in the piazza, but a bum clapped his hands and shooed them both away. The man who'd been following me came out of the Bon Caffe and looked my way again. He lit a cigarette, then walked to the newspaper stand and bought a copy of Il Messaggero.
Below me the piazza began to bloom with life as carts rolled into it and pedestrians entered from the side streets. Pigeons called to each other from the stately rows of fleurs-de-lys that stretched along the entablature of the French Embassy. I love both the regularity and austereness of my piazza.”


 2188191-cdc1f0e8a7be1df095f05f4509c83a60.jpg
Pat Conroy (26 oktober 1945 – 4 maart 2016)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e oktober ook mijn blog van 26 oktober 2014 deel 2.

Geschreven door Romenu om 19:20 Reageer op dit bericht

Willem Wilmink, Christine D’haen, Anne Tyler, Elif Shafak, Daniel Mark Epstein, Peter Rühmkorf, Jakob Hein, Hélène Swarth, François Pauwels

De Nederlandse dichter, schrijver en zanger Willem Andries Wilmink werd geboren in Enschede op 25 oktober 1936. Zie ook alle tags voor Willem Wilmink op dit blog.

 

Tilligte vroeger

Een vader fietst door 't boerenland
in de vroege ochtendmist
en hij heeft achterop zijn fiets
een kleine houten kist.

Daar ligt de nieuwe wereld in
waarop hij had gehoopt:
zijn zoontje dat gestorven is
voordat het werd gedoopt.

Vader begraaft het kereltje
in ongewijde grond.
Daarboven lopen Onze Heer
de tranen langs de mond.

 

 

Oude en nieuwe steden

Je voelt je razendsnel vertrouwd
met oude steden, fraai gebouwd
om torens heen:
al kende je daar heg noch steg,
na een klein uur vind je de weg
heel goed alleen.

Maar neem een wijk uit onze tijd:
je raakt er vaak de weg nog kwijt
na honderd keer.
Zelfs in één bouwwerk, één kantoor,
zoek je je rot, de jaren door
en telkens weer.

Ach, architecten van vandaag,
ik zoek een antwoord op de vraag
waarom u faalt:
waarom is bijna elk ontwerp
zo zonder hart en zo onscherp
dat men verdwaalt?

 

 

Sander

Voor een blinde jongen

Een lichaam dat op warmte wacht,
de zuiverheid van wenkbrauwbogen,
de lijnen van een mond, die lacht,
de wimpers boven meisjesogen,
je zult het zien, zo goed als ieder ander,
Sander.

De lieve lijnen van haar keel,
de witte parels van haar tanden,
je zult het zien in je gestreel
van je twee fijnbesnaarde handen,
je zult het zien, zo goed als ieder ander,
Sander.

Je voelt een haarlok, aait een oor,
en je tien vingers wachten even
en lopen dan brutaalweg door
tot de twee borsten die daar leven.
Je zult ze zien, intens als ieder ander,
Sander.

En als je wat verdwaald mocht wezen
en niet meer weet waar je moet gaan,
dan moet je 't brailleschrift maar lezen
rondom de tepels die daar staan.
Jij kent dat eigenlijk veel beter dan een ander,
Sander.

Met je twee handen en je mond
krijg je een antwoord op je dromen,
tot je die kleine driehoek vond,
die woning waar je thuis kunt komen
en waar je één kunt worden met die ander,
Sander.

 

 2187949-b2f3c1e34e465d828b6a40c7391926ed.jpg
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)

 

 

De Vlaamse dichteres en prozaschrijfster Christine D’Haen werd geboren in Sint-Amandsberg op 25 oktober 1923. Zie ook alle tags voor Christine D’Haen op dit blog.

 

Harmonie

II
Het Heerlijke

In slappe sneeuw ontbindt de straat,
in winter heel uw warm gelaat,
in leegte smelt mijn wens.

Het land wordt kleiner en de tijd,
en samenkrimpend waar hij bijt
ben ik een muizenmens.

Maar zie 'k de struise beukenlaan
bruin in het rosse zonvuur staan,
ze is schoon en rijp voor mijn gezicht

En luistren naar een lijn die stijgt
van klanken, en weer nedernijgt,
voleinding die mijn geest verblijdt.

Uw volontbloeide ogen zien
met diep daarin het hart der ziel,
is schaduwloos volkomen licht.

En vlees aan vlees aaneen gegloeid
als lust voltooid in slaap vervloeit,
is heerlijkheid, is heerlijkheid.


III
Uw leden gaven aan mijn lichaam vrede,
verzadigden mijn leden met hun maat.
Stilte, die nu in slapen overgaat,
vrede van al uw leden in mijn leden.

Slapen, waarin ik niet meer binnentreden
noch uit ontwaken mag, en stille staat
van onbeweeglijke en volmaakte daad,
zijnde gebed binnen de legerstede.

 

 2187949-f24f7010e3dba4c3dfff9d2ba5636c06.jpg
Christine D’haen (25 oktober 1923 – 3 september 2009)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Anne Tyler werd geboren op 25 oktober 1941 in Minneapolis, Minnesota. Zie ook alle tags voor Anne Tyler op dit blog.

Uit: Klokkendans (Vertaald door Barbara de Lange)

“Willa Drake en Sonya Bailey gingen de deuren langs om snoeprepen te verkopen. Dat was voor het orkest van hun lagere school, de Herbert Malone-school. Als ze er genoeg verkochten kon het orkest naar het streekconcours in Harrisburg. Willa was nog nooit in Harrisburg geweest, maar de harde, gruizige klank van de naam sprak haar aan. Sonya was er wel geweest, maar kon zich er niets van herinneren omdat ze toen nog een baby was. Ze zwoeren allebei dat hun leven voorbij was als ze er nu niet naartoe konden.
Willa speelde klarinet. Sonya speelde blokfluit. Ze waren elf jaar. Ze woonden twee straten bij elkaar vandaan in Lark City in Pennsylvania, maar eigenlijk was Lark City geen stad, zelfs geen provinciestadje, en er waren niet eens stoepen, behalve in die ene straat waar de winkels waren. In Willa’s verbeelding was een stoep iets geweldigs. Ze had zich voorgenomen om als ze groot was nooit ergens te gaan wonen waar geen stoepen waren.
Vanwege die ontbrekende stoepen mochten ze niet in het donker op straat komen. Daarom gingen ze ’s middags op pad met een doos repen, die Willa bij zich hield terwijl Sonya de manilla envelop had voor het geld dat ze hoopten te verdienen. Ze vertrokken vanuit Sonya’s huis, waar ze eerst hun huiswerk hadden gemaakt. Ze moesten Sonya’s moeder beloven meteen terug te komen zodra de zon – die toch al zo waterig was in februari – achter de sprietige bomen op Bert Kane Ridge zakte. Sonya’s moeder was erg bezorgd, veel bezorgder dan Willa’s moeder.
Het was hun bedoeling ver weg te beginnen, bij Harper Road, en dan in hun eigen buurt te eindigen. Aan Harper Road woonde niemand van het orkest, en ze hoopten daar hun slag te kunnen slaan als ze er eerder waren dan de anderen. Het was maandag, de allereerste dag van de snoepverkoopactie; de meeste anderen zouden waarschijnlijk tot het weekend wachten.
De beste drie verkopers kregen een driegangendiner aangeboden met meneer Budd, hun muziekleraar, in een restaurant in Harrisburg, helemaal gratis.”

 

 2187949-9152a47727164931aa35f1ea348a75d3.jpg
Anne Tyler (Minneapolis, 25 oktober 1941)

 

 

De Turkse schrijfster Elif Shafak (eigenlijk Elif Şafak) werd geboren in Straatsburg op 25 oktober 1971. Zie ook alle tags voor Elif Shafak op dit blog.

Uit:De stad aan de rand van de hemel (Vertaald door Frouke Arns en Manon Smits)

“Istanbul, 22 december 1574
Het was na middernacht toen hij een woest gebrul hoorde vanuit de diepste duisternis. Hij herkende het direct: het kwam van de grootste katachtige van het paleis van de sultan, een Kaspische tijger met amberkleurige ogen en een gouden vacht. Zijn hart sloeg over en hij vroeg zich af door wat — of door wie — het dier gestoord zou kunnen zijn. Op dit late tijdstip hoorden ze allemaal diep in slaap te zijn — de mensen, de dieren, en de djinns. In de stad van de zeven heuvelen waren nu, behalve de nachtwakers op hun ronde, maar twee soorten mensen wakker: zij die aan het bidden waren, en zij die aan het zondigen waren. Ook Jahan was nog op — hij was aan het werk. Werken is als bidden voor ons soort mensen', zei zijn meester vaak. `Het is onze manier om met God te communiceren.' `En hoe antwoordt Hij ons dan?' had Jahan een keer gevraagd, langgeleden, in zijn jonge jaren. `Door ons meer werk te geven, natuurlijk.' Als hij dat moest geloven, was hij nu vast een behoorlijk hechte band aan het smeden met de Almachtige, had Jahan bij zichzelf gedacht, want hij werkte twee keer zo hard omdat hij twee banen had in plaats van één. Hij was zowel mahout als tekenaar. Hij ambieerde twee ambachten, al was er maar één leraar die hij respecteerde, bewonderde en heimelijk voorbij hoopte te streven. Zijn meester was Sinan, de koninklijke hoofdarchitect. Sinan had honderden leerlingen, duizenden arbeiders en nog veel meer aanhangers en volgelingen. Niettemin had hij slechts vier gezellen. Jahan was er trots op dat hij er daar een van was; trots, maar diep van binnen snapte hij het niet goed. De meester had hem gekozen — een eenvoudige bediende, een nederige olifantenverzorger — terwijl er volop begaafde beginnelingen waren op de paleisschool. In plaats van dat hij er meer zelfvertrouwen door kreeg, werd hij juist onzeker door dat besef. Bijna onwillekeurig werd hij geplaagd door de gedachte dat hij misschien de enige persoon in zijn leven die in hem geloofde zou teleurstellen. Zijn nieuwste opdracht was een hamam ontwerpen. De specificaties van de meester waren duidelijk: een verhoogd marmeren bassin dat van onderaf verwarmd zou worden; leidingen in de muren waardoor de rook naar buiten kon; een koepel die op pendentieven rustte; twee deuren die uitkwamen op twee verschillende straten aan weerszijden van het gebouw zodat mannen en vrouwen elkaar niet zouden tegenkomen. Daaraan zat Jahan te werken in deze onheilspellende nacht, aan een ruw uitgehakte tafel in zijn schuur midden in de menagerie van de sultan.”

 

 2187949-2afc49bae61f3e252732b6f0ed6d5e91.jpg
Elif Shafak (Straatsburg, 25 oktober 1971)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en biograaf Daniel Mark Epstein werd geboren op 25 oktober 1948 in Washington, D.C. Zie ook alle tags voor Daniel Mark Epstein op dit blog.

Uit: The Loyal Son

“A new floor of planks had been laid from the North Gate up the middle of the half-acre space to those steps and covered with woven matting. Immense galleries had been erected on either side, up to the beams, three levels seating thousands of specta-tors. Fifty-two chandeliers, each surmounted by an imperial crown of gold, were ready to light a postcoronation banquet with a thousand candles. There were few Americans in London, fewer who could witness the coronation of their sovereign, and only one who was entitled to walk in the procession. He was William Franklin, the thirty-one-year-old son of the famous American scientist Benjamin Franklin. The older Frank-lin sat on a plank in the packed gallery. He had purchased his place in the open market, where they were changing hands for five guineas or more (a workingman's wage for a fortnight). Ben Franklin gazed down at the privileged ranks of bedecked, be-dizened, and bejeweled humanity: judges in scarlet robes, choirboys with scarlet mantles, heralds in tabards, and all the nobility in their robes of state, their coronets in their hands. And there on the edge of that rainbow of heraldry stood his son, William, in his drab coat of broadcloth, his tricorn hat in his hand. Benjamin Franklin regarded this scene with that blend of intense curi-osity and amusement that often animated his bright blue eyes. He was by temperament and practice an observer of life as much as an actor in the human drama, both critical and self-aware. William, his only son, a keen observer and student of manners him-self, was more naturally a man of action, a confident frontier soldier, a man of law, a scientist in his own right, and—as his father's aide—a colonial advocate. Pennsylvania had sent father and son to England on a fateful mission. Proprietor Thomas Penn's refusal to pay taxes on his vast property had crippled defenses on the colony's western fron-tier. Success for the Franklins with Parliament would mean safety for their countrymen; failure would mean more Indian raids, more mas-sacres. Success depended upon their harmonious collaboration. It would also depend upon the grace of the new king.”

 

 2187949-0c14b10c0080657c4f72e221b92826f9.jpg
Daniel Mark Epstein (Washington, 25 oktober 1948)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Peter Rühmkorf werd geboren op 25 oktober 1929 in Dortmund. Zie ook alle tags voor Peter Rühmkorf op dit blog.

 

Elegie

Gruß aus Köln - die bleiche Trauerkarte,
die am Rand noch grad die Fassung wahrt,
würde- und bedeutungsvoll:
ah-was-soll
all das dämliche Getanke und Gestarte
für das bißchen Fahrt?

Staub zu Staub und Schaum zu Schaum:
Diese Knöchel oft umschlossen,
dieser Hintern tief geliebt,
haltlos durch ein Totenhemd gesiebt,
ausgeflossen
in den sterneleeren Kofferraum.

Efeu schleppt sich lautlos durch die Jahre;
immergrün und unbegrenzt
deckt er diesen früh entschlafnen Schoß;
knochenlos
trete ich vor deine Abendbahre,
zart wie ein Gespenst.

Hark ich dir die Erde vom Gesicht,
laß die Blumen von den Ketten
- himmelstrebend, hochgehanft -
Dich in mein entfliehendes Gedicht
u m z u b e t t e n
(Ruhe sanft!)
Da ist Silber - da ist Gold - ist Licht.

 

 

Elegie

Groet uit Keulen - deze fletse nochtans zwarte
rouwrand houdt zich maar met moeite fiks,
waardig, vol betekenis:
ah-wat-is
dit voor zinloos tanken, starten,
voor een rit van niks?

Stof tot stof en schuim tot schuim:
deze ooit omarmde leden.
deze kont zo diep doorleefd,
door een doodshemd uitgezeefd,
weggegleden,
in het sterrenlege kofferruim.

Klimop sleept zich zwijgend door de jaren,
eeuwig groen en grenzeloos,
dekt je vroeg ontslapen schoot;
bot-ontbloot,
treed ik voor je avondbaar en
als een spook zo broos.

Hark ik zacht de aarde weg uit je gezicht,
blaas de bloemen van de keien
- hemelopwaarts, hennepvracht -
Jou, te bed in mijn gehaast gedicht,
neer te vlijen
(O rust zacht!)
Daar is zilver, daar is goud, is licht.

 

Vertaald door Ard Posthuma

 

 2187949-4d1f5128f6a037b951776965a1ca209a.jpg
Peter Rühmkorf (25 oktober 1929 – 8 juni 2008)

 

 

De Duitse schrijver en arts Jakob Hein werd geboren op 25 oktober 1971 in Leipzig. Zie ook alle tags voor Jakob Hein op dit blog.

Uit: Die Orient-Mission des Leutnant Stern

“Später erfuhr Stern, dass es auf dem Frankfurter Tele-grafenamt Bedenken gegeben hatte, die ursprüngliche Nachricht des Vaters aufzugeben, zudem hatte man die-sem gesagt, dass in der bestehenden Lage nicht mehr davon auszugehen sei, dass die Nachricht vom Amt in Brüssel weitervermittelt werde. Darum hatte sich Sterns Vater einen Trick ausgedacht und gehofft, dass seinem Sohn auch unter dem reformierten, sogenann-ten Frankfurter Lehrplan am Goethe-Gymnasium genü-gend Griechisch beigebracht worden war, seine leicht verschlüsselte Botschaft zu verstehen: » Empfehle sofor-tige Heimkehr - Polemos«. Dass er diese Nachricht als Telegramm aufgegeben hatte, fügte der Nachricht auto-matisch ein Ausrufezeichen bei. »Mein lieber Herr Generalkonsul«, sagte Stern, nach-dem er das Telegramm zweimal gelesen hatte, »ich fürchte, wir werden unverzüglich abreisen müssen.« Bedauernd legte er die Pintura vorzeitig im Aschenbecher ab, wo sie ausgehen würde, während er seine Koffer packte. Sterns Vater neigte als Besitzer einer großen Textilfabrik mit gut zweihundert Arbeitern nicht zur Übertreibung. Immer wieder ereigneten sich Probleme in der Fabrik, ein kleiner Brand, der ausbrach, ein Lie ferant, der falsche oder fehlerhafte Stoffe lieferte, der Ausbruch von Ruhr unter den Arbeiterinnen, der die Produktion für Tage stilllegte. Vater Stern hatte bei sal chen Ereignissen niemals Zeichen besonderer Unruhe gezeigt, sondern war immer ruhig zur Tat geschritten »Schritt für Schritt« war gewissermaßen sein motto Dass er nun einTelegrammverfasste und dies auch noch das griechische Wort für »Krieg« enthielt, ließ bei Stern keinen Zweifel daran aufkommen, dass eiliges Handeln geboten war. Vor ein paar Wochen war bei ihrem Umstieg im Brüs-seler Gare Central die Aufregung nach den Schüssen von Sarajevo noch spürbar gewesen. Die Zeitungen über-schlugen sich mit den wildesten Gerüchten, die sich wie Epidemien verbreiteten. Aber in der hübschen Bimmel-bahn, die sie an der Küste entlang zu ihrem Badeort fuhr, verstummte das wilde Summen spätestens hinter Ost-ende und machteder guten Luft und der Vorfreude Platz.”

 

 2187949-970f5d2fa3c8db8b69d2d824727dae3b.jpg
Jakob Hein (Leipzig, 25 oktober 1971)
Cover

 

 

De Nederlandse dichteres Hélène Swarth werd geboren op 25 oktober 1859 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Hélène Swarth op dit blog.

 

Als 't kindje komen zal

Loom laat zij vallen 't hemdje vlinderlicht -
En dromig ziet ze, aan morgenblauwe trans,
Met wapperlokken zweven rond een krans
Van engelkopjes, blond en blank, belicht
Door lente-zon, in slepende cadans.
Op wie zal 't kindje lijken? - En 't gezicht
Houdt, blij en vroom, ze op 't wolkenspel gericht,
Waar hemelkindren dansen hemeldans.

Het duizlend kopje in 't kussen, dat haar man,
Met teedre streelhand, schoof onder 't hoofd,
Blijft stil zij turen, tot de rei vervloot.
Verwonderd, wijl zij nog niet raden kan
't Gelaat der vreugd, door liefde haar beloofd:
Haar eigen kind, nog sluimrend in haar schoot.

 

 

Grafrozen

Een schone dodendroom heb ik gedroomd:

Diep onder marmerblank en bloemgeboomt,
Sliep kalm en koel mijn moegemarteld lijf.
Toen zag mijn ziel, vanuit haar blauw verblijf,
Een meisjesgroep in klederen leliewit.
En éen maagd, blond met vliegend haar, zei dit:
- ‘Zij die daar rust gaf liedren ons, in ruil
Willen wij winden rozen rond haar zuil.’
En zingend slingerde om het marmerblank
De meisjesrei een smijd’ge rozenrank.
En de éne roos was blank als duivendons,
Als maagden-onschuld – Jonkvrouw, bid voor ons! –
Als sneeuw op aarde en vederig wolkje in ’t blauw.
En rood was de andre als ’t vlammend hart der vrouw.

 

 2187949-d652862509a6ee89ce22aff2f60ab4c3.jpg
Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941)
Portret door Rosa Spanjaard, 1919

 

 

De Nederlandse schrijver en dichter François Désiré Pauwels werd geboren in Amsterdam op 25 oktober 1888. Zie ook alle tags voor François Pauwels op dit blog.

 

En nu de groene deur-schaduwe rust.

En nu de groene deurschaduwe rust
Op rein-geschuurde donker-blauwe vloeren,
Nu lokt weer niets mijn tong tot smakenslust,
En wil mijn hand den pap niet ommeroeren...

't Is de ûre straks, dat uit het lage huis
Een klaarte valt, en Jesus aan komt kloppen,
En na 't uitsterven van mijn deur-geruisch
Me vraagt zijn steenen pijp te mogen stoppen.

En als dan in den bedde-peluwput
Mijn haar verwarrelt en mijn ooren suizen,
Dan voel ik Jesus die mijn herte schudt
En vreemde kriebels in mijn lichaam huizen.

 

 

Hooglied

Zóó goed als ge zijt had ik u nóoit dúrven droomen,
Ge kwamt me 't scheem 'ren uw oog slechts biên
En ál de dingen zijn in wondren glans gekomen
En 'k heb de wereld vól geluk gezien!

Ik heb de heerlijkheid gekend te mogen luistren
Naar de aanzwellende muziek uwer stem,
En toen uw wónder-zang verging in 't teerste fluistren
Versmolt mijn hart in innigheid met hem...

In dien nacht is úw tong de mijne komen raken,
En een fontein van liedren werd mijn mond
U ten dank; in den morgen, bij mijn vroeg ontwaken
Liep ik zingens-dronken, dansend, mijn tuinen rond.

 

 2187949-5c2158fd888271ca8163da9858e75e79.jpg
François Pauwels (25 oktober 1888 – 8 januari 1966)
V.l.n.r. Victor van Vriesland, Adriaan Roland Holst, Francois Pauwels en J. C. Bloem
De foto werd genomen op Pauwels 70ste verjaardag in 1958

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e oktober ook mijn blog van 25 oktober 2016 en eveneens mijn blog van 25 oktober 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:27 Reageer op dit bericht

Onno Kosters, Kester Freriks, Aristide von Bienefeldt, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush, Robert Greacen

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

De boot

De ramen zijn in dit oud woonhuis
hoger dan gebruikelijk in de voorgevel geplaatst,
zodat wanneer je hier naar buiten kijkt,
over de rand van je bloedeigen vergetelheid,
je oog niet anders dan schuin omhoog
naar peppelkruin en straatlamp reikt,

stilleven dat staat boven de dampende,
zwarte aarde onder al dit groen,

je vanachter een patrijspoort naar boven
blikt, op je één-na-laatste ademteug,
zinkende naar boven zwemt,
je kop stotend aan sloten,
grendels, gewassen pantserglas,
klinknagels en vleugelmoeren,
je haren wiegend in de onderwaterwind,
je handen zonder horen piepend langs het glas,
je naar beneden stijgt,

nature morte schuin omhoog
uit de onderbuik van dit jouw schip,

mijn lief, mijn lief, ja had nou maar
je werk ook zélf in MoMA uitgestald,
dan deed het er, eenmaal gesnapt,
geen moer meer toe dat wat je voor je zag
in deze lijst schuin boven dit
oud woonhuis stond.

Trompe-l'oeil met de dampende,
zwarte aarde onder al dit groen.

 

 

Vijftien regels (zestien regels)

Vul de straten met gaten, regel het scheepvaartverkeer
de verkeerde, de kant op,

schiet een ijskast naar het binnenste van de komeet,
schiet in eigen doel, schiet het voorbij. Regen

een boog, span deze, richt een pijl van water
op een roos van licht: regen
een boog. Span deze, richt een pijl van water
op een roos van licht: regen een boog. Span -

lever een pakbon zonder pak,
scheer je met een scalpel,
poets je handen met schoensmeer,

zet tussen de middag een ontbijt van chili con carne en ijs toe op tafel.

Onderbreek nu eenmaal voorgoed waar je mee bezig bent, maar niet
voor de vorm: voor je het laat
voor wat het werd.

 

 2187705-339c672508f2642fba200b1e1e38c2e1.jpg
Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)

 

 

De Nederlandse schrijver (Cornelis Christophel Maria) Kester Freriks werd geboren in Djakarta, Indonesië, op 24 oktober 1954. Zie ook alle tags voor Kester Freriks op dit blog.

Uit: Het nieuwe vogels kijken

“Het is najaar. Een vlucht Grauwe Ganzen of Rietganzen in v-vorm vliegt hoog voorbij langs de hemel, zuidwaarts. Ze zijn afkomstig uit noordelijke streken, waar de winter is ingevallen. De zon staat laag, is even later al achter de horizon verdwenen. Sneeuw en ijs maken voedsel onbereikbaar.
Niet alleen ganzen vliegen in dit gestroomlijnde patroon, ook Kraanvogels trekken in sierlijke lijnen weg van de kou naar gebieden met een milder klimaat, overwinteringsgebieden. De middeleeuwse dichter Jacob van Maerlant roemde de vorm van een zwerm reizende Kraanvogels, alsof ze een letter in de lucht schrijven. Deze v-formatie is misschien wel een van de bekendste beelden uit de vogeltrek. Het verschijnsel is nauwgezet bestudeerd. Iedere vogel vliegt schuin achter zijn voorganger, de vleugelpunten raken elkaar ternauwernood. De eerste vogel breekt de luchtweerstand, waarvan de andere vogels profijt hebben. De werveling die door de vleugelslag van de eerste vogel ontstaat, een soort opwaartse luchtstroom, biedt de daarachter vliegende vogel voordeel. Neemt hem als het ware mee. In afwisseling neemt een vogel de leiding. Door deze manier van samenwerken kunnen de vogels anderhalf keer zo ver vliegen als anders het geval zou zijn.
De even sierlijke als scherpgepunte v, die in de trektijd het hemelruim doorklieft, begeleid door het luide gakken van de ganzen of het onderlinge trompetten van de Kraanvogels, spreekt al generaties lang vogelliefhebbers aan. De ‘contactroep’, zoals het onderling converseren in de zwerm heet, toont de saamhorigheid. Kijk, daar zoeken vogels nieuwe horizonten, nieuwe leefgebieden. Het zijn vaak families die samen onderweg zijn. De symboliek van vogeltrek, verbonden met de wisseling der seizoenen, behoeft nauwelijks uitleg. Mensen beschouwen het zoeken naar nieuwe werelden als teken van levenskracht en verwachting. Voeg daarbij de raadsels waarmee de vogeltrek nog altijd is verbonden en we betreden een terrein dat onuitputtelijk belangstelling wekt en velen bekoort en zelfs betovert.
Vogeltrek en richtingsgevoel roepen behalve bewondering ook vragen op, voor iedereen die aandacht heeft voor de natuur. Hoe vindt de Boerenzwaluw zijn weg terug naar de schuur van zijn vorig broedseizoen? Hoe weten vogels in Afrika dat in onze landen de lente aanbreekt? Waar halen ze de kracht en energie vandaan die duizenden kilometers af te leggen? En vooral: hoe vinden vogels de weg? Steeds geavanceerder onderzoek en technologie met behulp van satellietzenders laten zien dat vogels zich oriënteren op de stand van de zon, maan en sterren en sterrenbeelden, en ook gebruik maken van visuele bakens als kustlijnen, rivieren, bergketens. Trekvogels volgen min of meer vaste routes over land en zee. Het navigatievermogen lijkt wel toverij. Maar er zijn altijd vogels die afdwalen, zogenoemde dwaalgasten en zeldzaamheden.”

 

 2187705-d65a9e8bba65277c024a06740155151f.jpg
Kester Freriks (Djakarta, 24 oktober 1954)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijver Aristide von Bienefeldt (pseudoniem van Rijk de Jong) werd geboren op 24 oktober 1964 in Rozenburg bij Rotterdam. Zie ook alle tags voor Aristide von Bienefeldt op dit blog.

Uit:Confessions of a Son and Heir (Vertaald door Liz Waters)

“The only thing I inherited from my father's side was the inordinate urge to copulate, so I'll only deal indirectly with this branch of the family here. As anyone knows, quality is preferable to quantity: on my father's side there are at least seventy cousins wandering the planet and on my mother's side there's only me. Her two older sisters never had children. Apart from a few subjects of my father's kingdom who have made their fortunes abroad (and who are spoken very highly of by his family - as so in many families, the possession of money is a synonym for intelligence), my cousins all resemble each other so closely that they are interchangeable. My father died twenty years ago. He was at odds with his brothers and sisters all his life. The only one I ever felt any fondness for was his sister Greta, who never married and who was very much involved with the offspring of her brothers and sisters. She twirled the skipping rope and acted as a horse for the little ones, and she was also open minded enough to mice a drag on a joint when the sixties came to the Lowlands - which is where any similarity with the former American president ends, since as far as I know she took no part in the orgies and blow-outs which made those years so surprisingly different. Five years ago my mother and I arranged her funeral. It was a stiflingly hot summer day. I wore a dark blue suit; my mother was dressed in black. Since the great majority of auntie's relatives live in the eastern part of the country and therefore seldom see the sea, they arrived decked out in very thin, colourful, scanty clothing with a view to visiting the beach later in the day. The gravedigger was a slim young man with a face as white as paper whose coming out had been limited to myself when a month previously I had sucked him off in a little park in Werkmansgat - to his satisfaction as well as to mine. God had supplied him with an extremely well-furnished reproductive organ. It took about ten minutes before my mouth filled with millions of lukewarm spermatozoids. In contrast to my usual habit, I swallowed everything. He accompanied the coffin containing the bodily remains of auntie, followed by the motley, lurching crowd like a carnival procession without lanterns as they walked to the freshly dug trench in the middle of the graveyard. Before entrusting the blond timber to the earth, the gravedigger cleared his throat. I looked at what he had between his legs: it was completely flattened by his trousers, which were both baggy and close-fitting, and I deeply regretted that he had not been wearing his working uniform when he did slid his member into my mouth four weeks before.”

 

 2187705-ebfdc253355b00cb0176d7dabb9a730e.JPG
Aristide von Bienefeldt (24 oktober 1964 – 20 januari 2016)

 

 

De Duitse dichter Karl August Georg Maximilian Graf von Platen–Hallermünde werd geboren op 24 oktober 1796 in Ansbach. Zie ook alle tags voor August Graf von Platen op dit blog.

 

Ich möchte, wenn ich sterbe, wie die lichten

Ich möchte, wenn ich sterbe, wie die lichten
Gestirne schnell und unbewußt erbleichen,
Erliegen möcht ich einst des Todes Streichen,
Wie Sagen uns vom Pindaros berichten.

Ich will ja nicht im Leben oder Dichten
Den großen Unerreichlichen erreichen,
Ich möcht, o Freund, ihm nur im Tode gleichen;
Doch höre nun die schönste der Geschichten!

Er saß im Schauspiel, vom Gesang beweget,
Und hatte, der ermüdet war, die Wangen
Auf seines Lieblings schönes Knie geleget:

Als nun der Chöre Melodien verklangen,
Will wecken ihn, der ihn so sanft geheget,
Doch zu den Göttern war er heimgegangen.

 

 

Ich bin wie Leib dem Geist

Ich bin wie Leib dem Geist, wie Geist dem Leibe dir;
Ich bin wie Weib dem Mann, wie Mann dem Weibe dir,
Wen darfst du lieben sonst, da von der Lippe weg
Mit ew′gen Küssen ich den Tod vertreibe dir?
Ich bin dir Rosenduft, dir Nachtigallgesang,
Ich bin der Sonne Pfeil, des Mondes Scheibe dir;
Was willst du noch? Was blickt die Sehnsucht noch umher?
Wirf alles, alles hin: du weißt, ich bleibe dir!

 

 

Je vaak te zien ...

Je vaak te zien, dat is me niet gegeven
en ’t is verboden naar je toe te komen,
Je bijna nooit te spreken en een schromen

je aan te kijken, is hier mijn hele leven.

Maar van je dromen, dichten, plannen smeden,
om jou te naderen, is mij niet ontnomen,
dat zal mij altijd door ten goede komen
en met zo weinig stel ik mij tevreden.

Want ach! Ik heb al erger leed gedragen,
en deze pijn van nu is haast gering,
in plaats van lijden, een zoet onbehagen.

Mijn wens, bij anderen, stuitte op afkeuring.:
Jij hebt hem niet verhoord, maar afgeslagen
heb je hem ook niet, mijn zoete lieveling!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 2187705-fefe906cca37de3054a6986a2e683b31.jpg
August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835)
Standbeeld in Ansbach 

 

 

De Vlaamse auteur Ernest Claes werd geboren op 24 oktober 1885 te Zichem. Zie ook alle tags voor Ernest Claes op dit blog.

Uit:Kobeke

“Kobeke is geboren in een leemen hut van't Kempenland, dat het schoonste land van Vlaanderen is, en 't was op een zondagachternoen in de Sint-Jansmaand, en zijn vader en zijn moeder waren arme menschen.
De hut waar Kobeke geboren is ligt daar heelemaal op haar eigen bezijden de zandbaan. De witte leemmuren zijn scheef getrokken omdat het strooien dak er te zwaar op weegt. Daar is een scheeve deur in den gevel. Daar is een groot vensterke en nog een klein vensterke. En dan is er nog het deurke van den geitenstal en het schuurke. Als er een stuk leem uit de muren valt plakt vader Broos daar een versche klakke leem tegen en gaat er eens met den witborstel over. Als er een vlok stroo uit het dak waait steekt vader Broos daar weer ander stroo in.
Tusschen de hut en de zandbaan ligt de putkuip. 't Is een put met een zwikboom die in 't midden kwinkwankt op een mik; aan den eenen kant hangt de puthaak, aan het ander end een versleten ketelke vol steenen om den aker gemakkelijker boven te trekken. De zwik is zoo hoog als 't dak. Ze doet denken aan de galg. Langs den kant van de zandbaan is er al lang een plank van de putkuip, maar het vuurkruid dat er binnen in wast, is er dweers door gegroeid en het gat is toe. Als Lulle-Mie de geit voorbij dat vuurkruid wandelt keert ze met een vieze snuit haar kop terzij. Neven de putkuip wast er ook een vlierstruik, nu volop in de blom. Vlak daarachter ligt de houtmijt. Kapucienkes tegen het endeke haag, klimop over het planken kot van Pardoes den hond, en tegen Paschen wordt ieder jaar door vader Broos alles gewit. Een stukske land achter het huis, een voorschoot wei daarneven, en voor de rest is 't ommetom al dennebosch en hei.
En stil."

 

 2187705-1caa17d2d61f0a87d834d68be5ef6bc8.jpg
Ernest Claes (24 oktober 1885 – 2 september 1968)
Huize Ernest Claes in Zichem

 

 

De Duitse schrijfster Zsuzsa Bánk werd geboren op 24 oktober 1965 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Zsuzsa Bánk op dit blog.

Uit: Heißester Sommer

“Jetzt steht sie da, vielleicht anderthalb Meter vor Anna, als hätte sie Angst, näher zu kommen. Die anderen sind zur Seite getreten, bilden einen Halbkreis. Sie ahnen, daß sie nicht stören dürfen, wenden sich ab, zögernd, gehen ein, zwei Schritte, schauen in ihre Taschen, ihre Hefte, auf ihre Uhren. Nach Annas Vortrag hat sie in der Menge gestanden und gewartet, bis die anderen ihre Fragen gestellt, mit Anna gesprochen haben, hat ihnen über die Schultern geschaut, auf Annas Tisch, auf das Papier, die Stifte. Anna ist es seltsam vorgekommen, aber sie hat sich nichts dabei gedacht, sich nicht gefragt, wer sie sein könnte, weil es viele gibt, die das tun: stehenbleiben, wenn andere schon da stehen.
Sie fragt Anna: Bist du – ?, und sagt Annas Namen, als ob Anna eine andere sein könnte, wo doch hier jeder weiß, wer sie ist, schon weil es auf den Plakaten auf dem Gang, an der Tür und am Podium steht. Später sagt sie, gleich habe sie gewußt, daß sie es ist, Anna, sie hätte nicht fragen müssen. Im Radio habe sie das Gespräch mit ihr gehört, am Morgen, in einem dieser neuen Magazine, als sie ihren ersten Tee getrunken habe, erklärt sie, fast, als müsse sie sich entschuldigen, dafür, daß sie hier steht und Anna anspricht. Aufgesprungen sei sie, um das Radio lauter zu drehen, die anderen seien sofort still gewesen, um zuzuhören, und dann sei sie durch die Stadt gefahren, habe auf ihre Uni, ihre Kurse verzichtet, ihre Eltern seien einverstanden gewesen, sei durch diese Halle gelaufen, durch diese große Halle, um jetzt, hier, vor Anna zu stehen. Sie fragt, also, bist du?, und sagt Annas Namen, ihren ganzen Namen, mit einer Stimme, die wenig sicher, die fast ängstlich klingt, und Anna denkt, was fällt ihr ein, was erlaubt sie sich, sie weiß doch, daß ich es bin, jeder hier weiß es, und sie sagt, ja, die bin ich, in einem Ton, der zu verstehen gibt, daß sie nicht angesprochen werden will, als sei sie für jedermann jederzeit ansprechbar.
Márti ist es, die jetzt ihren Namen sagt, den Anna schon weiß: Márti. Anna kennt ihre Eltern. Sie kennt sie gut, besonders ihre Mutter, und sie fragt, obwohl es unnötig ist, dann bist du die Tochter von – ? Márti nickt, schnell, eifrig, als habe Anna sie endlich erlöst, endlich befreit, mit dem Namen ihrer Mutter, den Anna jetzt noch einmal sagt, Zsóka, langsam, als wollte sie jeden einzelnen Buchstaben klingen lassen, Zs-ó-k-a, um dann Mártis Namen zu sagen, mit einem überdeutlichen: Du bist also, als müßte sie sich dem Gedanken, daß sie es ist, für die Anna sie von Anfang an gehalten hat, doch erst annähern. Anna liegt dieser Satz auf den Lippen, vom Zeitvergehen, vom Großwerden, aber sie sagt ihn nicht.”

 

 2187705-b0af807b8d79c6a60702c899dd7a603b.jpg
Zsuzsa Bánk (Frankfurt am Main, 24 oktober 1965)
Cover

 

 

De Engels – Amerikaanse dichteres Denise Levertov werd geboren op 24 oktober 1923 in Ilford, Essex. Zie ook alle tags voor Denise Levertov op dit blog.

 

Settling

I was welcomed here—clear gold
of late summer, of opening autumn,
the dawn eagle sunning himself on the highest tree,
the mountain revealing herself unclouded, her snow
tinted apricot as she looked west,
Tolerant, in her steadfastness, of the restless sun
forever rising and setting.
Now I am given
a taste of the grey foretold by all and sundry,
a grey both heavy and chill. I've boasted I would not care,
I'm London-born. And I won't. I'll dig in,
into my days, having come here to live, not to visit.
Grey is the price
of neighboring with eagles, of knowing
a mountain's vast presence, seen or unseen.

 

 

At The Justice Department November 15, 1969

Brown gas-fog, white
beneath the street lamps.
Cut off on three sides, all space filled
with our bodies.
Bodies that stumble
in brown airlessness, whitened
in light, a mildew glare,
that stumble
hand in hand, blinded, retching.
Wanting it, wanting
to be here, the body believing it's
dying in its nausea, my head
clear in its despair, a kind of joy,
knowing this is by no means death,
is trivial, an incident, a
fragile instant. Wanting it, wanting
with all my hunger this anguish,
this knowing in the body
the grim odds we're
up against, wanting it real.
Up that bank where gas
curled in the ivy, dragging each other
up, strangers, brothers
and sisters. Nothing
will do but
to taste the bitter
taste. No life
other, apart from.

 

 2187705-68223faa688d31f0a4313fdf3d7ef72c.jpg
Denise Levertov (24 oktober 1923 – 20 december 1997)
High Road. Ilford

 

 

De Amerikaanse schrijver Norman Rush werd geboren op 24 oktober 1933 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Norman Rush op dit blog.

Uit: Subtle Bodies

“Genitals have their own lives, his beloved Nina had said at the close of an argument over whether even the most besotted husband could be trusted one hundred percent faced with the permanent sexual temptations the world provided. It was the kind of conversation that went with the early days of a marriage, of their marriage. He had been rebutting her silly but fiendish thought experiments and had gotten tired of the game. She was a genius at imagining inescapable sex traps. There could be a nun suffering from hysterical blindness that would probably become permanent unless she received a sacrificial screw from some- body’s husband, alas. He looked around. Good thing there were no nuns on the plane, at least none in costume. When you’re traveling you’re nothing, until you land, which is what’s good about it, Ned thought.
Nina, riding in furious pursuit, felt like bucking in her seat to make the plane go faster through the night. She was still enraged. She felt like a baby. She thought, You are a baby: no, he is, he is, my lamb.
Maybe the matronly pleasant-seeming woman sitting next to her was wise. She was old enough to be. Anything was possible. And it might not hurt to talk to an adult other than my incessant mother, she thought. She had to call her mother when they landed, first thing. It’s just that she won’t shut up about my pregnancy, she thought. Her attempted pregnancy, was what she meant. She regretted telling her mother about it.
I love my mother, she wanted to tell the woman next to her. It was just that her mother was overflowing with pregnancy lore that had nothing to do with reality. She’d been unkind when her mother said, You smell differently when you’re pregnant, because she’d said in response, Oh really? How do you smell then? With your uterus? All her mother had been trying to say was that there was a change in the odor a woman’s body gives off during pregnancy. But then her mother regularly declared that there was a mystical “subtle body” inside or surrounding or emanating from every human being and that if you could see it, it told you something. It told you about the essence of a person, their secrets, for example. It was all about attending closely enough to see them. They varied in color and brightness. Her mother claimed she could see them, faintly. She wanted Nina not to be oblivious to the subtle bodies of the people she met. That would protect her from deceivers, whoever they might be. Ma suggested Ned be on the qui vive also.”


 2187705-42f96e68b0a9b56413ed08aaab2fdc15.jpg
Norman Rush (San Francisco, 24 oktober 1933)
Cover

 

 

De Ierse dichter en essayist Robert Greacen werd geboren op 24 oktober 1920 in Derry (Londonderry). Zie ook alle tags voor Robert Greacen op dit blog.

 

OPERATION JUBILEE

Francais! Ceci est un coup de main et non pas l'invasion.

Fox showed me a leaflet he had preserved
From a business appointment in Dieppe on 19th August, 1942,
When he'd been on a day trip with some Canadians.
They called it Operation Jubilee.

`I'll always remember a notice that read:
Chasse gardee. Entrée interdite sous peine de poursuite.
A Canadian bully-boy riddled it with gunfire.
The raid? A shambles, yes, a total shambles
Lightened by the occasional ludicrous incident —
A Colonel surrendering with his men to a German captain.
Salutes from each and congratulations from the Colonel
On the efficiency of the Captain's troops.
Warriors from a fading tapestry
Heel clicking in a butcher's shop.'

`And then the beaches insulted with corpses,
The anarchic architecture of death and wreckage,
The screams, the hastily bandaged heads.
I'll spare the details you can see in Goya.'

`I went back there a while ago.
There's a stone of remembrance near the cemetery.
On which they've cut the words:
Their Name Liveth for Evermore'

`Ah yes, as a Sergeant from Toronto put it –
Buddy, it was one helluva trip.'

 

 2187705-324d8e3f6c396c19365b13964714ad69.jpg
Robert Greacen (24 oktober 1920 – 13 april 2008)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e oktober ook mijn blog van 24 oktober 2015 deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:15 Reageer op dit bericht

Paul Hermans

De Nederlandse dichter en schrijver Paul Hermans werd geboren op 24 oktober 1953 in Maastricht. Zie ook alle tags voor Paul Hermans op dit blog.

 

Afscheid van een verdroogd boeket

Mooi zelfs zijn jullie stoffelijke resten,
liefste onder de rozen. En hoe anders
dan bij ons.

Dat zwijgend rood nog stiller
worden kan, tot daaraan toe
dat het tot licht vergaat.

En al het tussenrood daarheen
dat jij je niet beschrijven liet,
de overgangen die wij maar niet zien

hoe wij ook bleven kijken,
en waar zich bergt wat ons bedrijft,
al willen wij het weten.

Kom dan tussen mijn bladeren.
Rust bij de woorden van dit schrift,
dat het jouw geur van toen

ten langen lest' verademt,

 

 

Bescheiden aanklacht tegen de bloemkwekers

Wat heeft men jullie aangedaan,
deemoedig bloemvolk, nu men jullie
van je wezen heeft beroofd,

je lieflijkst lijfelijke,
je onvolprezen geur.

Ik houd van jullie aanzien,
dat is zeker. Maar ik,
die waar gebleven ben?,

ik vind mij niet terug

wanneer ontbreekt wat jullie,
mij, tot ruikers maakte.

 

 2253126-bd9c486af6c498b3d5a88680c54760d9.jpg
Paul Hermans (Maastricht, 24 oktober 1953)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Michel van der Plas, Antjie Krog, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Robert Bridges, Adalbert Stifter, Nick Tosches, Gjergj Fishta, Réstif de la Bretonne

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

 

Groenendaal

Zestien. — Ik liep de poort van Hageveld
uit in de rij. Seminarist. Dat ging
op zondag zo: twee uren welgeteld
de lanen door. Het heette wandeling.

Zo kwam ik voor het eerst in Groenendaal.
Het breedste pad: wat was het op het spoor?
Ze marcheerden zo’n beetje allemaal.
Maar ik keek steeds tussen de bomen door.

Midden juni geloof ik dat het was.
Iemand zwamde over de Ilias.
Maar ’t was of daar, ver weg, een feest begon.
God, dacht ik, als ik daar nu zitten kon,
fosco drinken of zo op dat terras
tussen mooie mevrouwen in de zon.

 

 

Credo

Moedertje, gij zijt mijn ster, gij flonkert,
gij ligt veilig in de hand van God;
al de klaarheid waar mijn hart naar hunkert
is uw ademtocht, uw wijn, uw brood.

Ik geloof in u, en ik zal zingen
van uw rein bestaan zolang ik leef;
ik vertrouw op u, gij zult mij brengen
waar gij zijt; ik heb u vurig lief.

Ik ben blij vannacht, ik kan wel uren
aan u denken en steeds wordt gij meer:
alles wat gebeuren moet gebeure,
steeds zie ik u beter, zekerder.
Ik zwerf naar u toe, ik zal niet keren:
heilig moedertje, gij zijt mijn ster.

 

 

Griekse legatie

Het helle wit der oude collonnaden
vergrijsde blijkbaar aan dit breed gebouw,
of komt het, daar de hemel hier zijn blauw
zo rijk niet uitstalt achter de facade?

Terwijl ik wacht tot donkere Hellenen,
Ilias-reciterend en voornaam,
verschijnen in de poort, zie ik door 't raam
zonder bevreesd te zijn voor de Sirenen.

De mijmering breekt op gewone dingen.
Geen leest Homerus, nergens hoor ik zingen,
alleen staan hier de dorre requisieten
te wijzen wat de tijden overlieten,
dat naast de vele zeer gewone dingen
een reproductie hangt van Aphrodite.

 

 2187478-6d57fbab993a72842b13ce595ceb3178.jpg
Michel van der Plas (23 oktober 1927 -21 juli 2013)
Cover biografie

 

 

De Zuid-Afrikaanse dichteres en schrijfster Antjie Krog werd geboren in Kroonstad op 23 oktober 1952. Zie ook alle tags voor Antjie Krog op dit blog.

 

Visioen van een natie

hoe lang denken we het hier uit te houden?
wij die gestrand zijn tegen dit rijke continent
zonder ooit onloochenbaar in Afrika te landen
wij in huizen in Amerikaans-koloniale stijl
die wij omringen met parken en tuinen
om aan de aanspraak van het landschap te ontsnappen
die op kelims lopen, in Nederlands dialect praten
naar Duitse liederen luisteren en Engelse poëzie lezen
die 's ochtends eieren met spek eten
onze lijven in westerse mode hijsen
met vakantie over het continent naar het noorden vliegen
om ons in stamlanden te laven aan muziek en kunstgalerijen
en na terugkeer onder het Pruisische schilderij van Domsaitis
uit Fins glas Glenfiddich drinken

waarom ook niet? hier zijn we na drie eeuwen nog niets anders
dan een stukje westers curiosum.

 

 

Bemind worden door een dichter

vlak bij de Meir loop ik Veerle tegen het lijf
bruin haar scheve baret laarzen jas

hoe gaat het? ze vertrekt haar mondhoek
even maar alsof het er niet toe doet

haalt haar schouders op en knikt we groeten
en lopen ieder een andere kant op

ik kijk nog eens om maar ze is al verdwenen
gewoon tussen de anderen als de anderen

en niemand weet dat zij ooit is besnuffeld
door goddelijke hersenen dat zij gerafeld

van passie uit haar lakens is getuimeld dat
zoveel geilheid in haar holtes is gedroomd

zoveel landschappen tussen haar benen open
gesnorkeld zijn dat elke dag elke kant op kon kantelen

gestuwd werd zij door
een begaafde onder de goden

nu is hij dood ze heeft hem tot het einde toe bijgestaan
en loopt gewoon als gewoon mens tussen anderen

 

 2187478-e6e83dc960af4eef64c728bd29ef9520.JPG
Antjie Krog (Kroonstad, 23 oktober 1952)

 

 

De Albanees-Amerikaanse schrijfster en actrice Masiela Lusha werd geboren op 23 oktober 1985 in Tirana. Zie ook alle tags voor Masiela Lusha op dit blog.

 

Roma I

Roma,
I never visited you before this.
I have dreamt of you, but in my dreams
I never touched you- not as I touch you now.
Today, I have seen your shells of stained colors
Sparkle and twist by light,
Staining the pews and ivory giants
The brilliant shades of your faith.
I stepped and stumbled on white-faced stones,
And secretly pressed my pink palm on your cold marble,
In natural rainbow values.
So bright, vast walls were designed
And painted just with your stones.
Azure, pink, caramel, and emerald dreams of nature.
All marble, all fantastic.

Today you welcomed me into your altars and cathedrals,
You presented me to your martyrs, who told me their story
In their carved gestures and carved books.
So cherished are their teachings-
These treasures of marble
Pages are chiseled into their ivory hands.
'Ars Longa, Vita Brevis'

I searched the details of their feet I could not reach
And further walked this hall of colossal saints and apostles,
Equally high. They were not meant to be touched
By these mortal hands. They had endured too much.

Today, your temples, worn as patches of identity,
Stand as primitive and earthly as carved mountains
Quietly regning over your dwelling fellow hearts
After two thousand years; narrating a story of sensual art
As ancient as it is modern. So modern,
We visit your faith, to learn- and return, to learn more.

History will always mother and lead a civilization,
but you will always be the mother of history, for on your bruised
Hand sprawls two parallel cities, one
Mastering the untouched golden and marble
Statues of time, virtue and blood,
The other, a modern stage for comfort play.

Roma, on your creased palm of seven hills
Lies a world as unmarred as the virtuous talent
of speech, grace, and mortal art found in your sons
And daughters; your children we call eternal masters.

 

 2187478-a00b0770d6234eea1fe8f64810b285b7.jpg
Masiela Lusha (Tirana, 23 oktober 1985)

 

 

De Amerikaanse schrijver Augusten Xon Burroughs werd geboren op 23 oktober 1965 in Pittsburgh, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Augusten Burroughs op dit blog.

Uit: Possible Side Effects

“But my grandmother spent every minute with me. And I adored her.
Carolyn was blond and wore minks. She had gigantic jade and diamond rings on nearly every finger. And a gold charm bracelet that made a soft tinkle sound when she waved her hands in the air. At night, she slipped into a nightgown with fur trim along the neck and at the hem. And even her slippers had high heels. I thought she was beautiful, like a movie star.
Only when she leaned in very close to me and I saw through her thick pancake makeup to the deep lines beneath did I become slightly alarmed. Old people had always scared me a little. And while my grandmother certainly wasn't old from a distance, she seemed brittle when you looked at her very closely. Sometimes when she kissed me on the forehead at night, I flinched, worried a piece of her might chip off and stick to me.
The summer I turned seven the tooth on my upper left side became loose. And I spent the afternoon worrying it with my finger.
"Honey, just let that tooth come out all on its own accord. Don't force it before it's ready," my grandmother said.
"But Carolyn, it's almost ready. It's just about to come out." "Well, sweetie. Just let it be. It'll come out. And then do you know what to do?" she asked.
We were sitting on iron garden chairs in her glass sunroom. I was watching television and Carolyn was paging through a mailorder catalogue, licking her fingers and then dog-earring the corners of certain pages.
"Do when?" I said.
"Do you know what to do when your tooth falls out?" she asked, smiling at me.
I didn't understand what she was asking me. Was there something I had to do?
"Call the police?" I guessed.
She laughed in her gentle, though somewhat mischievous way.
"No, you don't call the police, silly. Don't you know about the Tooth Fairy?"
"The what?"
"Honey," she said, now concerned. She placed her catalogue on her lap and leaned forward. "The Tooth Fairy? You know about the Tooth Fairy. How could you not? You're seven years old. Surely, you know about the Tooth Fairy."

 

 2187478-23253b7ee3bddbf723e5feeeea2a6831.jpg
Augusten Burroughs (Pittsburgh, 23 oktober 1965)

 

 

De Engelse dichter, toneel- en prozaschrijver Robert Seymour Bridges werd geboren in Walmer, Kent, op 23 oktober 1844. Zie ook alle tags voor Robert Bridges op dit blog.

 

Elegy

I have lov'd flowers that fade,
Within whose magic tents
Rich hues have marriage made
With sweet unmemoried scents:
A honeymoon delight,—
A joy of love at sight,
That ages in an hour:—
My song be like a flower!

I have lov'd airs that die
Before their charm is writ
Along a liquid sky
Trembling to welcome it.
Notes, that with pulse of fire
Proclaim the spirit 's desire,
Then die, and are nowhere:—
My song be like an air!

Die, song, die like a breath,
And wither as a bloom:
Fear not a flowery death,
Dread not an airy tomb!
Fly with delight, fly hence!
'T was thine love's tender sense
To feast; now on thy bier
Beauty shall shed a tear.

 

 

To Catullus

Would that you were alive today, Catullus!
Truth ’tis, there is a filthy skunk amongst us,
A rank musk-idiot, the filthiest skunk,
Of no least sorry use on earth, but only
Fit in fancy to justify the outlay
Of your most horrible vocabulary.

My Muse, all innocent as Eve in Eden,
Would yet wear any skins of old pollution
Rather than celebrate the name detested.
Ev’n now might he rejoice at our attention,
Guess'd he this little ode were aiming at him.

O! were you but alive again, Catullus!

For see, not one among the bards of our time
With their flimsy tackle was out to strike him;
Not those two pretty Laureates of England,
Not Alfred Tennyson nor Alfred Austin.

 

 2187478-645dcf22b4dfb89228733481361dd4f7.jpg
Robert Bridges (23 oktober 1844 – 21 april 1930)
Cover biografie

 

 

De Oostenrijkse schrijver Adalbert Stifter werd geboren in Oberplan op 23 oktober 1805. Zie ook alle tags voor Adalbert Stifter dit blog.

Uit: Der Nachsommer

“Dies hörte endlich auf, anfänglich weil der Vater älter wurde und die Mutter, die er sehr verehrte, nicht mehr leicht entbehren konnte; später aber aus dem Grunde, weil es ihm gelungen war, in der Vorstadt ein Haus mit einem Garten zu erwerben, wo wir freie Luft genießen, uns bewegen und gleichsam das ganze Jahr hindurch auf dem Lande wohnen konnten.
Die Erwerbung des Vorstadthauses war eine große Freude. Es wurde nun von dem alten, finstern Stadthause in das freundliche und geräumige der Vorstadt gezogen. Der Vater hatte es vorher im allgemeinen zusammen richten lassen, und selbst, da wir schon darin wohnten, waren noch immer in verschiedenen Räumen desselben Handwerksleute beschäftigt. Das Haus war nur für unsere Familie bestimmt. Es wohnten nur noch unsere Handlungsdiener in demselben und gleichsam als Pförtner und Gärtner ein ältlicher Mann mit seiner Frau und seiner Tochter.
In diesem Hause richtete sich der Vater ein viel größeres Zimmer zum Bücherzimmer ein, als er in der Stadtwohnung gehabt hatte, auch bestimmte er ein eigenes Zimmer zum Bilderzimmer; denn in der Stadt mußten die Bilder wegen Mangels an Raum in verschiedenen Zimmern zerstreut sein. Die Wände dieses neuen Bilderzimmers wurden mit dunkelrotbraunen Tapeten überzogen, von denen sich die Goldrahmen sehr schön abhoben. Der Fußboden war mit einem mattfarbigen Teppiche belegt, damit er die Farben der Bilder nicht beirre. Der Vater hatte sich eine Staffelei aus braunem Holze machen lassen, und diese stand in dem Zimmer, damit man bald das eine, bald das andere Bild darauf stellen und es genau in dem rechten Lichte betrachten konnte.
Für die alten geschnitzten und eingelegten Geräte wurde auch ein eigenes Zimmer hergerichtet. Der Vater hatte einmal aus dem Gebirge eine Zimmerdecke mitgebracht, welche aus Lindenholz und aus dem Holze der Zirbelkiefer geschnitzt war. Diese Decke ließ er zusammen legen und ließ sie mit einigen Zutaten versehen, die man nicht merkte, so daß sie als Decke in dieses Zimmer paßte. Das freute uns Kinder sehr, und wir saßen nun doppelt gerne in dem alten Zimmer, wenn uns an Abenden der Vater und die Mutter dahin führten, und arbeiteten dort etwas, und ließen uns von den Zeiten erzählen, in denen solche Sachen gemacht worden sind.”

 

 2187478-a87e79e5593970a970886f910a479b35.jpg
Adalbert Stifter (23 oktober 1805 – 28 januari 1868)
Cover

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en journalist Nick Tosches werd geboren op 23 oktober 1949 in Newark, New Jersey. Zie ook alle tags voor Nick Tosches op dit blog.

Uit: Under Tiberius

“He nodded with a slight smile, as though sensing what I had surmised, and affirming it. “No one knows all that is here. Some of them are three or four thousand years old, maybe older.” He paused, then slowed his pace as we proceeded. “The even older writings, the clay tablets, are in a vault in a room that diverges from the start of this passage. Back there. We passed it a while ago. Some of these scrolls may be as old as some of those tablets. No one knows. That’s the trouble with this place. There has never been a complete and serious inventory of what is here.”
The passage of leather-cased scrolls led to a wider passage. He called this the place of books before paper. Piles and piles of the earliest codices: sheets rather than scrolls of papyrus or parchment, bound together between wooden covers. Most of these were from about two thousand years ago, among the oldest codices to have survived.
“Look at this,” he said. “The first books. Heaped and strewn like trash in the basement.” He mumbled something about ratti—rats, something about uno caseggiato bassifondo—a slum tenement; then he shook his head. “They say that Pius VIII sent his servants down here to fetch kindling to keep his fireplaces roaring in winter.”
Looking at this mess, he turned still as stone, as if he had been looking at it all his life. I picked up a codex. There was very little wood left of its original covers. The dust of the ages seemed to be the only solvent holding it together. The old man did not mind that I had raised it in my hands. I very carefully opened it, turned its friable, torn leaves. My fingers were filthy with its dirt. I slowly, gently turned a few pages, looking at what remained of the faded ink on those pages. It was written in Latin, in an elegant hand. I tried to make out the words, tried to make sense of them.
The elderly priest joined me in looking at the page. “Good parchment. Good atrament: looks like cuttle-fish, the best the Romans had. And the hand-writing: adept. A bit shaky, but adept. No cheap job, this one.”
He placed his own fingers to the pages, and, while I continued to hold the codex, removed my free fingers from the pages and let his take their place. He was reading the Latin far more ably and with far more alacrity than I had managed, and he pronounced the words in a whisper as he read.
“Tristissimus hominum,” he whispered. He repeated the phrase, no longer in a distracted whisper: “Tristissimus hominem. ‘The gloomiest of men,’” he translated. He seemed stunned. “This is a book about Tiberius,” he said. “By someone who knew him. Knew him.”

 2187478-d36e34ff0c32ee1209f17ebb890d968f.jpg
Nick Tosches (Newark, 23 oktober 1949)

 

 

De Albanese dichter, vertaler en pater Franciscaan Gjergj Fishta werd geboren op 23 oktober 1871 in Fishta të Zadrimes. Zie ook alle tags voor Gjergj Fishta op dit blog.

 

THE HIGHLAND LUTE (fragment)

Nor did he show shame or sorrow
That he'd caused the two such bloodshed,
Both Albania and Montenegro.
Moscow gave him heart and courage!
In Petrograd the Tsar of Russia
Took an oath before his people,
To be heard by young and old there
Not to celebrate a Christmas,
Not to take part as godfather
In baptisms or in weddings,
Not to wash or comb his hair more,
Not to take part in assemblies,
Ere he'd entered into Stamboul,
Ere he'd made himself the sultan,
Ruler over land and water,
Cut off all of Europe's trade routes,
Banning all their sales and buying,
Letting no one start a trade up,
Holding Europe in his power.
Should she even seize a breadcrumb,
She would end up in his clutches,
Captive in his bloodstained clutches,
Which were deft at theft and stealing!
But the sly old fox was clever,
Cheater in both words and letters,
One whose falseness knew no equal,
He knew well what lay before him,
No light task to enter Stamboul,
No light task subjecting Turkey
Without his own neck in peril.

 

 2187478-d5ba2022c721397b9f99eef52488b47a.jpg
Gjergj Fishta ( 23 oktober 1871 – 30 december 1940)

 

 

De Franse schrijver Nicolas Edmonde Restif de La Bretonne werd geboren op 23 oktober 1734 in Sacy bij Auxerre. Zie ook alle tags voor Réstif de la Bretonne op mijn blog.

Uit: Les Nuits de Paris

“Le coin des Grands-Degrés

Je dénonce au gouvernement non pas un homme, ni même un forfait, mais une maison qui blesse le droit public et par là plus criminelle (matériellement) que l'assassin Cartouche et que tous les scélérats qui ont infesté la capitale... Cette maison est située en face de la rue de la Bûcherie, qu'elle borne. C'est un des passages les plus fréquentés de Paris, surtout pour le bois et le vin. Cette maison oblige les voitures et les gens de pied de tourner deux fois de suite à angle droit, en moins de trente pas, à l'issue d'un abreuvoir, destiné aux chevaux d'un vaste quartier et aux bœufs de quarante à cinquante boucheries ; ce qui rend ce passage le plus dangereux de la capitale. La position de cette maison cause tous les jours des accidents ; elle occasionne des frayeurs mortelles aux femmes, qui tombent à l'improviste entre les cornes des bœufs ou sous les pieds des chevaux. Les enfants, les vieillards, les hommes même les plus alertes et les plus ingambes se trouvent pris au double détour et sont aplatis contre le mur par une roue qui tourne trop court. Il n'est rien de plus urgent que d'abattre cette maison qui est un piège tendu aux citoyens par un mauvais génie. Elle périclitait, il y a quelque temps, et le propriétaire l'a restaurée : il l'a munie de grosses bornes, qui rétrécissent encore le passage et augmentent le danger pour les piétons. Il aurait été puni dans Athènes.
Je sortis à cinq heures. En débouchant la rue des Grands-Degrés, j'aperçus un cocher de fiacre ivre, qui dirigeait sa voiture droit sur une laitière du soir, abritée sous une porte condamnée de la maison en face, qui courbe le passage. Je m'écriai, en me jetant à la tête des chevaux, dont je ralentis la course : ce qui donna à la laitière le temps de se jeter à l'écart.”

 

 2187478-6af2d911e638f98f833e9bafe2c7365d.jpg
Réstif de la Bretonne (23 oktober 1734 – 3 februari 1806)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e oktober ook mijn blog van 23 oktober 2017.

Geschreven door Romenu om 18:17 Reageer op dit bericht

Willem Bijsterbosch

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Bijsterbosch werd geboren in De Meijerij op 23 oktober 1955. Hij debuteerde met de dichtbundel "Motief onbekend" die in 1981 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker. Het jaar daarvoor was hem de aanmoedigingsprijs van het Haagse literaire tijdschrift RAMP voor schrijvers die nog niet in boekvorm hadden gepubliceerd toegekend. Tussen 1981 en 1997 publiceerde hij ook acht romans, waarvan “Handlangers” (1985) het bekendste is. Veel van zijn werken hadden het landgoed Wordragen in Brabant als centraal thema. Daaromheen creeërde hij een barokke wereld vól homo-karakters. De psychologische roman “Van de wachters”, die in 1997 verscheen, was de laatste van zijn hand. Bijsterbosch was lange tijd een vaste en bekende medewerker van veel deelnemers aan de boekenmarkt in Den Haag. Voor die tijd werkte hij tientallen jaren als secretaris bij een Ministerie in Den Haag. Jarenlang was Bijsterbosch iedere dondardag een opvallende verschijning op de boekenmarkt in Den Haag. Hij assisteerde boekhandelaren, nam hun kraam waar wanneer er iemand even weg was en probeerde op even enthousiaste als eigenzinnige wijze boeken aan de man te brengen. In 2018 verscheen bij uitgeverij Kleine Uil zijn Verzameld Werk.

 

Kunstenaar

'Hier ligt twintig francs maak er dertig van
Hier ligt dertig francs maak er veertig van.'

Halfnaakt liep hij heen en weer en bekeek
het publiek lachend als een leeuwentemmer.

'Ik ben niet van zover gekomen om
op deze boulevard om te komen van de honger'

hier, veertig francs, maak er vijftig van,
geen oogwimper zal ik schroeien, ik zal eten.'

Een hoer nauwelijks gekleed wierp vijf sous
ook al geloofden zij niet in hetzelfde vuur.

Bij vijfenvijftig stond het zwart van de mensen
maar uiteindelijk deinsde iedereen terug

bij het zien van de kolom blauw vuur
tussen zijn lippen.

Later sprak hij nog gewoon met omstanders.
Van zijn grote servische snor droop benzine.

 

 

 

Demi-monde de La Haye
On Gay Liberation-Day 30 June

Hij zet koffie in het souterrain,
op de terrastafel ligt de zilver-
grijze siamese tussen witte rozen
die hij voor hem meebracht en waar-
voor hij geen geschikte vaas heeft.

Zaterdagochtend, half tien en zomer.

Een nieuwe aanwinst
van oud Tiffany-glas
staat in de vitrine, het barokke
glas-in-lood is in diepzinnig
contrast met de Mondriaan.

Gebakjes van Maison Kelder,
rose, chinees geel en mauve,
liggen op een ongesigneerde
schaal van bergkristal.

Zij zitten onder blauwe regen
in het warme licht en praten
zachtjes over de buren en
de langzaam dalende dollar.

 

 2187476-045555b0a5c658125d9b5d42a5fc8c91.jpg
Willem Bijsterbosch (23 oktober 1955 – 18 januari 2010)

Geschreven door Romenu om 18:16 Reageer op dit bericht

Arjen Lubach, Lévi Weemoedt, Jonas Lüscher, Doris Lessing, Alfred Douglas, A. L. Kennedy, Charles Leconte de Lisle, Ivan Boenin, Timur Vermes

De Nederlandse schrijver, cabaretier en televisiepresentator Arjen Lubach werd geboren in Lutjegast op 22 oktober 1979. Zie ook alle tags voor Arjen Lubach op dit blog.

 Uit: IV

 “Ze lachte, pakte hem vast en zei: 'Ik vraag aan mijn vader of we in het huis kunnen, goed?' Nu ze hier een week zijn, ziet hij haar rustig worden. Haar schou-ders staan iets minder hoog, haar oogleden lijken minder zwaar. Ze slaapt langer, beter. Hij ook. Elsa wordt volgende week negenentwintig. Ze was bijna klaar met haar promotieonderzoek aan de wiskundefaculteit toen ze zwanger bleek te zijn. De vakgroep was er niet blij mee, maar omdat ze had be-loofd zo veel mogelijk door te werken en vooruit te werken, had ze een goede regeling weten te treffen. Ze wilden haar niet kwijt. !lij denkt aan de avond op de universiteit toen hij was meegegaan naar een afscheidsreceptie van iemand uit haar vakgroep. 'Er zijn weinig mensen zo getalenteerd als Elsa,' had een dronken hoogleraar in zijn oor gefluisterd. 'I loe zij het Vermoeden van Gold-bach benadert is werkelijk mind-blowing.'
Joost had alleen maar trots kunnen knikken. Hoe briljant ze ook mocht zijn, Esa was vooral zijn vriendin. En inmiddels ook de moeder van hun kind. Haar gezicht is nog rimpelloos, haar lichaam heeft zich na een paar maanden bijna volledig hersteld van de zwangerschap, alsof er niets is veranderd. Aan de andere kant van het huis stopt een auto. Een autoportier gaat open en dicht en de auto rijdt dan weer door. Joost loopt om het huis heen. De bestelwagen verdwijnt net om de hoek. Bij de voordeur ligt een papieren zak. Zoals elke dag de afgelopen week twee croissants, één baguette. Dan hoort hij Lars huilen. Als Joost om het huis is gelo-pen is het ineens stil. Elsa komt hem slaperig tegemoet in T-shirt en onderbroek. Zij draagt Lars in haar armen. Haar ogen zijn nog half-dicht van de slaap. 'Goedemorgen,' zegt zij zonder volume. 'Goedemorgen, luiaard,' zegt hij en stapt naar binnen met het brood. Elsa loopt het terras op, neemt plaats op een van de ligstoelen. Joost ziet haar zitten door het raam. Hij ziet de zon op haar lijf, haar hand om het hoofdje van Lars. Vanaf de zee waait een zachte wind. Ze sluit kon haar ogen. Wat zullen we gaan doen vandaag?' vraagt Joost als hij weer buiten staat met glazen sinaasappelsap op een dienblad. Waar denk je aan?' zegt Elsa. 'Naar een hippe strandtent? Met Fran-se chicks flirten?' Joost lacht. 'Ik weet niet. Naar een zeeaquarium? Een middeleeuws stadje?' 'Nee,' zegt Elsa. Ze trekt een vies gezicht. 'Liever niet.' Wil je helemaal niets?' 'Jawel.' Ze pakt zijn hand. 'Dat jij straks een salade maakt_ Met noten en geitenkaas. En dat ik mijn boek uitlees. En dat het dan voor we het weten weer avond is. Dat wil ik het liefst' Joost knijpt in haar schouderen draait zich om, klaar voor de dag die volstrekt anders Ui verlopen.”

 

 2187221-4e939236958eaae51676aee9793b8e97.jpeg
Arjen Lubach (Lutjegast, 22 oktober 1979)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Lévi Weemoedt werd geboren in Geldrop op 22 oktober 1948. Zie ook alle tags voor Lévi Weemoedt op dit blog.

 

Geen gezicht 1953

Al bij de oogarts wou ik niet lezen:
de allergrootste E, ik zag ‘m niet staan.
Ik wou al vroeg Foster-kindje wezen.
‘Wat staat h i e r nou?!’, schreeuwde de arts ontdaan.

De tranen drupten in m’n jongensblousje.
‘k Had allebei m’n oogjes dichtgedaan.
O! ‘k voelde dat de man nu snel ging slaan:
‘Een h o n d j e…?’, piepte ik, ‘…òf een p o e s j e?’

De klap die kwam kan ik vandaag nòg horen:
schuimbekkend vloog de arts de kamer uit,
kwam terug en schoof een lasbril op m’n oren.
Maar ditmaal zag ik s t e r r e t j e s voor de ruit!

Doch déze observatie hield ik vóór me,
en prees het zicht. Kwam thuis op het geluid.

 

 

Werksstudent

De dag viel wazig door mijn brilleglazenvet.
't Wakkere werkvolk stommelde naar een vroeg karwei.
Ik riep de maten aan, maar zij negeerden mij.
Toch had ik net een zware vuilbak neergezet.

De lange trap op naar de boeken. Half tien.
Ik kon, met één oog dicht, vanaf mij leger,
door toedoen van een wimper 't carillon van kleuren zien,
waarmee de zon speeld' in het zweet van de schoorsteenveger.

Des middags dacht ik na over die dingen.
En zag dat men door lijden pas tot leven kwam.
Dit vond ik, eenzaam, in een kroeg te Amsterdam.
Schuin achter me begon een stem te zingen.

Het was de meid die daar de drank bestelde.
Ik goot mij vol om haar diepzinnig lied.
En toen zij neeg en mij de wisselstuivers telde,
drukt ik mij even, snnartlijk, aan haar rechter tiet.

En zonder eten schaatste ik huiswaarts door de goot,
door het werkverzakend leger uitgejoeld,
voor wie ik heel de dag gedacht had en gevoeld!
Men eert profeet en denker na hun dood.

 

 2187221-98fc3b0f38fcb8eb6b572f56b11ba5a7.jpg
Lévi Weemoedt (Geldrop, 22 oktober 1948)
Cover

 

 

De Zwitsers-Duitse schrijver en essayist Jonas Lüscher werd geboren op 22 oktober 1976 in Zürich. Zie ook alle tags voor Jonas Lüscher op dit blog.

Uit: Frühling der Barbaren

“Preising kam also, ohne eigenes Verschulden, zu einer desolaten Firma, die ein paar tatkräftige Entscheidungen nötig gehabt hätte,und deswegen kann es als gesichert gelten, dass das Unternehmen heute nicht mehr existieren würde, hätte nicht jener junge Messtechniker Prodanovic die WolframCBC-Schaltung entwickelt und die Zügel in die Hand genommen. Prodanovic war demnach nicht nur dafür verantwortlich, dass Preising mittlerweile vermögender Besitzer, sondern auch Vorstandsvorsitzender einer Gesellschaft mit tausendfünfhundert Angestellten und Niederlassungen auf fünf Kontinenten war. Zumindest nach außen hin, denn das operative Geschäft des dynamischen Unternehmens, welches nun den dynamischen Namen Prixxing trug, führte längst Prodanovic, zusammen mit einer Riege entschlussfreudiger Leistungsträger und Wertschöpfer. Preising aber war als Gesicht der Firma noch immer gefragt, denn Prodanovic wusste, wenn Preising etwas konnte, dann war es, Beständigkeit zu vermitteln, den unerschütterlichen Geist eines Familienunternehmens in der vierten Generation. Das war das Einzige, was Prodanovic, der Sohn eines bosnischen Buffetkellners, sich nicht zutraute, da er selbst der Meinung war, das Balkanhafte sei die Verkörperung der Instabilität, die es um jeden Preis als Eindruck zu vermeiden galt. Prodanovic hielt, wenn es ihm sein dicht gedrängter Kalender erlaubte, gerne kleine Vorträge an städtischen Problemschulen, wo er als Beispiel gelungener Integrationauftrat.JenerProdanovicalso,dervolleProkurabesaß, hatte Preising in die Ferien geschickt. Etwas, was er regelmäßig tat, wenn wichtige Entscheidungen anstanden.”

 

 2187221-4e90a3d186d6a68eb9dbd2529081a258.jpg
Jonas Lüscher (Zürich, 22 oktober 1976)

 

 

De Britse schrijster Doris Lessing werd geboren in Kermanshah, Perzië op 22 oktober 1919. Zie ook alle tags voor Doris Lessing op dit blog.

Uit:The Sweetest Dream

“An early evening in autumn, and the street below was a scene of small yellow lights that suggested intimacy, and people already bundled up for winter. Behind her the room was filling with a chilly dark, but nothing could dismay her: she was floating, as high as a summer cloud, as happy as a child who had just learned to walk. The reason for this uncharacteristic lightness of heart was a telegram from her former husband, Johnny Lennox – Comrade Johnny – three days ago. SIGNED CONTRACT FOR FIDEL FILM ALL ARREARS AND CURRENT PAYMENT TO YOU SUNDAY.
Today was Sunday. The ‘all arrears’ had been due, she knew, to something like the fever of elation she was feeling now: there was no question of his paying ‘all’ which by now must amount to so much money she no longer bothered to keep an account. But he surely must be expecting a really big sum to sound so confident. Here a little breeze – apprehension? – did reach her. Confidence was his – no, she must not say stock-in -trade, even if she had often in her life felt that, but could she remember him ever being outfaced by circumstances, even discomfited?
On a desk behind her two letters lay side by side, like a lesson in life’s improbable but so frequent dramatic juxtapositions. One offered her a part in a play. Frances Lennox was a minor, steady, reliable actress, and had never been asked for anything more. This part was in a brilliant new play, a two-hander, and the male part would be taken by Tony Wilde who until now had seemed so far above her she would never have had the ambition to think of her name and his side by side on a poster. And he had asked for her to be offered the part. Two years ago they had been in the same play, she as usual in a serviceable smaller role. At the end of a short run – the play had not been a success – she had heard on the closing night as they tripped back and forth taking curtain calls, ‘Well done, that was very good.’
Smiles from Olympus, she had thought that, while knowing he had shown signs of being interested in her. But now she had been watching herself burst into all kinds of feverish dreams, not exactly taking herself by surprise, since she knew only too well how battened down she was, how well under control was her erotic self, but she could not prevent herself imagining her talent for fun (she supposed she still had it?) even for reckless enjoyment, being given room, while at the same time showing what she could do on the stage, if given a chance. But she would not be earning much money, in a small theatre, with a play that was a gamble. Without that telegram from Johnny she could not have afforded to say yes.”

 

 2187221-858ceeda7d6f90d66a008c570daee26a.jpg
Doris Lessing (22 oktober 1919 – 17 november 2013)

 

 

De Engelse dichter en schrijver Alfred Douglas werd geboren in Ham Hill in Worcestershire op 22 oktober 1870. Zie ook alle tags voor Alfred Douglas op dit blog.

 

Rejected (Fragment)

And He hid my soul at last
In a place of stones and (ears,
Where the hours like days went past
And the days went by like years.

And after many days
That which had slept awoke,
And desire burnt in a blaze,
And my soul went up in the smoke.

And we crept away from the place
And would not look behind,
And the angel that hides his face
Was crouched on the neck of the wind.

And I went to the shrine in the hollow
Where the lutes and the flutes were playing,
And cried : ' I am come, Apollo,
Back to thy shrine, from my straying.'

But he would have none of my soul
That was stained with blood and with tears,
That had lain in the earth like a mole,
In the place of great stones and fears.

And now I am lost in the mist
Of the things that can never be,
For I will have none of Christ
And Apollo will none of me.

 

 2187221-01c98a18193b885fddcb91fd53ad4fd9.jpg
Alfred Douglas (22 oktober 1870 – 20 maart 1945)
Portret door Marlene Dumas, 2016

 

 

De Schotse schrijfster Alison Louise Kennedy werd geboren op 22 oktober 1965 in Dundee. Zie ook alle tags voor A. L. Kennedy op dit blog.

Uit: Serious Sweet

“It was traditional to hate foxes, but she wasn’t sure why. She guessed it was a habit to do with guilt. They always sounded injured, if not tormented, and that could get you thinking about harms you’d done to others in your past. The foxes perhaps acted like a form of haunting by offering reminders of sin, and that was never popular. Or perhaps there was no logic involved, only free-form loathing, picking a target and sticking with it.
She enjoyed the warm din of the foxes, the bloody-and-furry and white-toothed sound—it was intense, and she appreciated intensity. This was her choice. In the same way, the Hill was her choice. The open dark had given her a cliff-top feeling as soon as she came within sight of the big skyline. It provided the good illusion that she could step off from here and go kicking into space, swimming on and up. Below her, opened and spread, were instants and chains of light apparently hung in a vast nowhere, a beautiful confusion. It was easy to assume that London’s walls and structures had proved superfluous, been let go, and that only lives, pure lives, were burning in midair, floating as stacks of heat, or color, perhaps expressions of will. What might be supporting the lives, you couldn’t tell.
Then, during the course of an hour, the sun had indeed pressed in at the east, risen, birds had woken and announced the fact, as had airplanes and buses, and the world had solidified and shut her back out. It was like a person. You meet someone at night and they won’t be the same as they will if you see them in daytime. Under the still-goldenish, powdery sky, buildings had become just buildings, recognizably Victorian in the foreground and repeating to form busy furrows, their pattern interrupted where bombs had fallen in the war. These explosive absences had then been filled with newer and usually uglier structures, or else parks. There were also areas simply left gapped. They had been damaged and then abandoned, allowed to become tiny wildernesses, gaps of forgotten cause. Rockets had hit in ’44—V-1s and V-2s. Somewhere under the current library—which wasn’t council anymore—there’d been a shattered building and people in pieces, dozens of human beings torn away from life in their lunch hour. It didn’t show. There was a memorial plaque if you noticed, but other human beings, not obviously in pieces, would generally walk past it and give it no thought.”

 

 2187221-ea1344412a7f4779f6e29939e2c9ac05.jpg
A. L. Kennedy (Dundee, 22 oktober 1965)

 

 

De Franse dichter en schrijver Charles Marie René Leconte de Lisle werd geboren op 22 oktober 1818 op het eiland Réunion. Zie voor ook alle tags voorCharles Leconte de Lisle op dit blog.

 

Hèraklès solaire

Dompteur à peine né, qui tuais dans tes langes
Les Dragons de la Nuit ! Cœur-de-Lion ! Guerrier,
Qui perças l'Hydre antique au souffle meurtrier
Dans la livide horreur des brumes et des fanges,
Et qui, sous ton œil clair, vis jadis tournoyer
Les Centaures cabrés au bord des précipices !
Le plus beau, le meilleur, l'aîné des Dieux propices !
Roi purificateur, qui faisais en marchant
Jaillir sur les sommets le feu des sacrifices,
Comme autant de flambeaux, d'orient au couchant !
Ton carquois d'or est vide, et l'Ombre te réclame.
Salut, Gloire-de-l'Air ! Tu déchires en vain,
De tes poings convulsifs d'où ruisselle la flamme,
Les nuages sanglants de ton bûcher divin,
Et dans un tourbillon de pourpre tu rends l'âme !

 

 

La résurrection d'Adonis

L'aurore désirée, ô filles de Byblos,
A déployé les plis de son riche péplos !
Ses yeux étincelants versent des pierreries
Sur la pente des monts et les molles prairies,
Et, dans l'azur céleste où sont assis les dieux,
Elle rit, et son vol, d'un souffle harmonieux,
Met une écume rose aux flots clairs de l'Oronte.
Ô vierges, hâtez-vous ! Mêlez d'une main prompte,
Parmi vos longs cheveux d'or fluide et léger,
Le myrte et le jasmin aux fleurs de l'oranger,
Et, dans l'urne d'agate et le creux térébinthe,
Le vin blanc de Sicile au vin noir de Korinthe.
Ô nouveau-nés du jour, par mobiles essaims,
Effleurez, papillons, la neige de leurs seins !
Colombes, baignez-les des perles de vos ailes !
Rugissez, ô lions ! Bondissez, ô gazelles !
Vous, ô lampes d'onyx, vives d'un feu changeant,
Parfumez le parvis où sur son lit d'argent
Adonis est couché, le front ceint d'anémones !
Et toi, cher Adonis, le plus beau des daimones,
Que l'ombre du Hadès enveloppait en vain,
Bien-aimé d'Aphrodite, ô jeune homme divin,
Qui sommeillais hier dans les champs d'asphodèles !
Adonis, qu'ont pleuré tant de larmes fidèles
Depuis l'heure fatale où le noir sanglier
Fleurit de ton cher sang les ronces du hallier !
Bienheureux Adonis, en leurs douces caresses
Les vierges de Byblos t'enlacent de leurs tresses !
Éveille-toi, souris à la clarté des cieux,
Bois le miel de leur bouche et l'amour de leurs yeux !

 

 2187221-bc6f6ebd878621ef687dcee4ffdc94a1.jpg
Charles Leconte de Lisle (22 oktober 1818 – 18 juli 1894) 

 

 

De Russische schrijver en dichter Ivan Aleksejevitsj Boenin werd geboren in Voronezj op 22 oktober 1870. Zie ook alle tags voor Ivan Boenin op dit blog.

 

As in a boundless sea in darkening fields and meadows

As in a boundless sea in darkening fields and meadows
The sunset's tristful rays fade and then sink from sight,
And in mute twilights wake, over the steppe the shadows
Creep swiftly, bringing night.

Soft sound the gophers' calls, and, ne'er the stillness waking,
Jerboas now appear - two or perhaps just one.
They ghost-like haunt the plain, great leaps across it taking,
And all at once are gone…

 

 

Youth

A whip cracks in the wood, and cattle low
And through the underbrush are heard to
Crash heavily. Leaves rustle. Snowdrops show
Their blue heads here and there. A sudden, furtive

Wind starts to blow, and ashen clouds are swept
Across the skies, a cool, fresh rain presaging…
The heart grieves and is glad that life is, strangely,
Vast like the steppe and empty like the steppe.

 

 

In den Alpen

Am Gipfel, in die schneebedeckten Höhen
Schnitt meine Messerklinge ein Sonett.
Vielleicht ist, wo die Tage schnell vergehen,
Einsam meine Spur noch nicht verweht.

Am Gipfel, wo der Himmel blauer leuchtet,
Wo's Winterlicht sich freudenvoll ergeht,
Sah nur allein die Sonne, wie's Stilett
In den smaragdnen Schnee den Vers gezeichnet.

Mich freut es, wenn der Dichter mich versteht;
Wenn auch die Masse tief im Tal, im Seichten,
Ein solches Werk niemals in Rausch versetzt …

Am Gipfel, wo der Himmel blauer leuchtet,
Schnitt ich zur Abendstunde ein Sonett
Für jene, die auch solche Höhn erreichten.

 

Vertaald door Eric Boerner

 

 2187221-3c60f3e14db3e0902186bb4ba7530871.jpg
Ivan Boenin (22 oktober 1870 – 8 november 1953)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver en journalist Timur Vermes werd geboren in 1967 in Neurenberg. Zie ook alle tags voor Timur Vermes op dit blog.

Uit: Die Hungrigen und die Satten

“Der Flüchtling versucht betont normal zu gehen, was nicht leicht ist, weil es sich nicht normal anfühlt. Ob sein Gang so natürlicher wird, kann er noch nicht sagen. Er weiß nur, dass das Normalgehen auch deshalb nicht klappt, weil ihn die Blicke der anderen nervös machen. Er zieht daraufhin den Kopf etwas ein, aber das ist der falsche Weg, das merkt er gleich an den Reaktionen: Wahrscheinlich sieht er jetzt aus wie ein buckliger Storch. Dann lieber Brust raus, Kopf hoch und grinsen.
Besser.
Er muss nur aufpassen, dass er nicht anfängt, huldvoll zu grüßen wie die alte Engländerkönigin. Hätte er es früher tun sollen? Ging eigentlich nicht. Es ist ja nicht so, dass er ewig darüber nachgedacht hat. Er ist auch jetzt noch nicht sicher, ob es richtig war. Ändern kann er es auf jeden Fall nicht mehr.
Er entspannt sich langsam, das Grinsen wird zu einem Lächeln. Er lässt sich allmählich in seine neue Rolle fallen. Ist ja logisch dass sie ihn ansehen. Wie sollte es auch anders sein: Wenn jeder Tag genauso ist wie der Tag zuvor, dann werden kleinste Veränderungen aufregend. Interessant ist, dass sein sichereres Auftreten andere Reaktionen hervorruft. Es wird weniger gekichert, und er bekommt öfter ein aufinunterndes Nicken oder Anerkennung. Zwei Kinder laufen ihm hinterher, so wie sie manchmal Autos nachlaufen. Es könnten noch mehr werden, aber dann kommt tatsächlich ein Auto, und seine Staubwolke reißt die Kinder mit sich fort.
Der Flüchtling beginnt mit der neuen Situation zu spielen. Ein Mädchen sieht ihn an, und er antwortet auf ihren Blick mit einem Tanzschritt. Sie lacht. Es fühlt sich gut an. Es war richtig. Es war's wert. Er kitte es wohl doch früher tun sollen. Der Flüchtling biegt um die Ecke und sieht Mahmoud. Mahmoud hockt auf dein Boden und beobachtet eine Gruppe von Mädchen. Der Flüchtling schiebt die Hände in die Hosentaschen und stellt sich neben Mahmoud.
Mahmoud bewegt sich nicht.
»Das bringt nix«, sagt der Flüchtling zu ihm.
»Das weiß man nicht«, meint Mahmoud, ohne aufzublicken.
»Das weiß man. Du guckst falsch.«
»Ich guck, wie alle gucken.«
»Eben«, sagt er.
»Alle gucken zu Nayla, alle gucken wie du. Woran soll sie merken, dass du besonders bist?«
»Weil es gar nicht um Nayla geht.«
»Sondern? Um Elani?«

 

 2187221-07292e042fba54863ab3471b84e8c4f7.jpg
Timur Vermes (Neurenberg, 1967)

Geschreven door Romenu om 18:38 Reageer op dit bericht

Eline van Haarenprijs 2018 voor Mieke van Zonneveld

Eline van Haarenprijs 2018 voor Mieke van Zonneveld

De Nederlandse dichteres en schrijfster Mieke van Zonneveld heeft de Eline van Haarenprijs 2018 gewonnen. Ze ontving de onderscheiding voor de beste dichteres onder de 35 jaar voor haar bundel “Leger”. De Eline van Haarenprijs, vernoemd naar de dichteres Eline van Haaren, wordt iedere vijf jaar door uitgeverij Conserve toegekend aan de beste bundel van een dichteres onder de 35 jaar. Mieke van Zonneveld werd op 5 april 1989 geboren in Hilversum. Zie ook alle tags voor Mieke van Zonneveld op dit blog.

 

 

Dagboek van een lentemeisje

ik wilde wel vergaan
in 't licht te loore
(Gorter)

I

Er was in mijn ogen de glinstering van één
die verlangend uit wandelen ging, het zonlicht
wenkte hoog en ver, ik wilde nooit meer
bij hem weg, er waren ook vogels en ergens
een vos, ik kon bij mijn leven niet meer
van hem los, de vogels waren opgestegen
ik kwam hem in hun hoogvlucht tegen,
de vos was in een struik gekropen
ik ben er rond om heen gelopen
de wind deed als devote zang
door heel de wereld ommegang

Alle dingen zijn zo vol verwachting en
mijn handen nog verlangensleeg
zo open vergeefs.

Hij had ook hele blauwe ogen die mij
aanblikten van boven en zijn aanraking
was zacht. Toen wilde ik verdwijnen in
de opbloeiende lentepracht.

 

 

 2187206-10ec75e1d7ac295ab5cd05fb1e7657bc.jpg
Mieke van Zonneveld (Hilversum, 5 april 1989)

Geschreven door Romenu om 14:32 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Hans Andreus, Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge

 

Dolce far niente

 

 

 2186942-5f2f93294f4d70122dca791bcb406826.jpg
Sheep grazing along a country road amongst a stand of birch trees door William Preston Phelps (1848-1923), z.j.

 

 

Kil

De herfst wordt nu kil.
De meeste bomen houden hun groen vol,
maar de berken, van vorm en tint toch al ijl,
slinken tot geesten.
Hun schemerende skeletten zijn behangen
met dunne gouden munten waar de zon doorheen schijnt,
versleten dukaten die zullen
vallen op vochtige hollandse zandgrond.

 

 

 2186942-2d087a09dfc041015e60497403679c45.jpg
Hans Andreus (21 februari 1926 – 9 juni 1977) 
Amsterdam, de geboorteplaats van Hans Andreus

 

 

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit: De rode jurk

“Het was in zo'n zomervakantie waar maar geen einde aan komt dat ik met hem bevriend raakte. Jaap Wagenaar. Er was iets met hem. Hij had geen moeder, en zijn vader een vriendin. Jaap had altijd pillen op zak. Van die ronde, witte. En soms geheimzinnige blauwgele capsules die je als je het voorzichtig deed uit elkaar kon schroeven. Dan kwam er poeder uit. Hij was ouder dan ik. Er ging iets dreigends van hem uit, en ook iets zieligs, omdat hij zo duidelijk eenzaam was. Hij had blond haar dat slordig op zijn hoofd stond, een spits gezicht. Brutale blauwe ogen. Een tanige jongen. Ik bewonderde hem. Jaap op zijn beurt zag ook iets in mij. Hij liet mij tenminste vaak zijn pillen zien. Na een tijdje nam hij me mee naar zijn huis.
Draaiden we platen.
Led Zeppelin. T-Rex.
Luisterden we naar de radio. Raar, maar we deden eigenlijk niets. Jaap vertelde stoere verhalen over het tehuis in Groningen waar hij een blauwe maandag in had gezeten. Zijn moeder was toen net dood, en zijn vader had nog geen vriendin. Jongens die slingerend als apen aan de lampen door de eetzaal vlogen, slaapzalen waar 's avonds iedereen lag te rukken. Het leek wel een film. Tegen vijven zaten we met de vriendin van zijn vader in de woonkamer en kregen we een biertje waar ik misselijk van werd. De vriendin kon niet koken. Ze aten bijna altijd Chinees dat Jaap moest ophalen, zijn vader kwam pas thuis als het donker was, of helemaal niet. Soms bleef ik eten, maar meestal moest ik naar huis. Het waren landerige dagen, de zomer op z'n retour.
Op een middag gingen we naar Groningen. Liften. We waren er zo. Het was warm. Jaap gaf me een bruine pil die hij van zijn vader had gepikt. Daar werd je wat sneller van. Ik merkte niets. Ik hoopte dat Jaap me het tehuis zou laten zien, maar het kwam er niet van. We liepen alleen maar op en neer door de Herenstraat, aten een saucijzebroodje bij de Hema en kwamen in de hoerenbuurt terecht. Het was een slome middag, weinig hoeren. Hier en daar zat er eentje voor een raam te gapen of haar nagels te lakken. Ik durfde nauwelijks te kijken. Het broodje kwam naar boven.
We belandden in een café. Een rokerig, oud kaal hol met een jukebox en een nurkse man achter de bar. We gingen bij het raam zitten en keken naar buiten.”

 

 2186942-91e0b8290fd641229f1cb7175486381a.jpg
Martin Bril (21 oktober 1959 – 22 april 2009)

 

 

De Nederlandse schrijfster Doeschka Meijsing werd geboren in Eindhoven op 21 oktober 1947. Zie ook alle tags voor Doeschka Meijsing op dit blog.

Uit: Dagboek

“11 augustus 1995 Inleiding

Wat is spel? Wat is werkelijkheid? Het onderscheid tussen die twee is voor mij sinds een paar jaar zo onbelangrijk geworden dat zelfs de vraag er niet meer toe doet. Toch blijft zij kwellen, de kop opsteken. Dat wil zeggen dat de vraag op een antwoord wacht, gedurende alle achter mij liggende jaren. Speelt de kwestie omdat men - ook ik - steeds meer belangstelling heeft voor het autobiografische element in fictie? Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Shakespeares tijd? Maar nee, ook Constantijn Huygens schreef autobiografisch over zijn Sterre. En daarom heb ik die grote zeventiende-eeuwer altijd bijzonderder gevonden dan Vondel of Hooft. Was Fellini autobiografisch? Ongetwijfeld in zijn film Amarcord. Maar in 8½ of La Strada? Of Satyricon? Allemaal verbeelding, alles spel, verkleedpartijen, droom.
Zijn er twee soorten schrijvers, filmers, acteurs? Zij die uitdrukking willen geven aan hun allereigenste emoties en ervaringen en zij die juist een situatie en een personage willen creëren waarin en waarmee een ander gestalte krijgt, een andere wereld die wellicht enige helderheid biedt in het raadsel dat ze voor zichzelf zijn?
Je moet wel een evenwichtkunstenaar zijn om op de eerste vraag van vandaag het antwoord te kunnen doorstaan. Ik ben daar slecht in: val dan weer aan de ene kant van het touw, dan weer aan de andere kant eraf. Maar ik blijf altijd met één voet aan de draad haken en klauter weer naar boven.
Hoeveel oprechtheid over zichzelf kan iemand aan? Veel, denk ik - niet tot eigen genoegen overigens.
De enige vraag waar ik echt een antwoord op weet is: waarom schrijf ik sinds jaar en dag een dagboek, vol onbenulligheden, weersbeschrijvingen, voorvallen die er eigenlijk niet toe doen, grote en kleine emoties, gigantische en minuscule ruzies? Vroeger dacht ik dat het was om in het bejaardenhuis, oud en versleten, mijn leven te kunnen overzien. Nu weet ik dat dat niet zo is, want als ik sporadisch iets nalees, om de datum van de eerste landing op de maan na te zoeken bijvoorbeeld, of het plotseling opduiken van een stier genaamd Herman, interesseert het geschrevene me op geen enkele manier. Het antwoord op de vraag luidt: om elke ochtend de hand te oefenen, opdat het blanco papier niet tot obsessie wordt. Omdat ik verliefd ben op een hand met een vulpen erin die letters en woorden tovert.”

 

 2186942-8f09ddf0e8ecea08424835ecc75eadef.JPG
Doeschka Meijsing (21 oktober 1947 – 30 januari 2012)

 

 

De Nederlandse dichter Daan Doesborgh werd geboren op 21 oktober 1988 in Steyl. Zie ook alle tags voor Daan Doesborgh op dit blog.

 

Man van rabarber

Mijn voeten zijn slepende moordmachines
van slijten en buigen
slijten en verschuiven, kraken
           slijten en vouwen en kreuken

Mijn hoofd is een plooienpot.
  een mondjesmaat gewatteerde schedel
een stormram van zorg
   een gemsbok van koppige donder

dus laat maar
ik ben een man van rabarber
een ring van stenen als een klok
rond mij neergelegd
ik ben een moederstuinen man
ik ben van vaders herfstbladeren
de bolsters van mijn broer tot naald
aaneen genaaid

Ik ben je lappenpop om weg te gooien
laat maar
ik ben een man van rabarber,
laat maar, nu hoeft het al niet meer.

Mijn handen hadden met de jouwe willen praten
ik had mijn wanten in je mond willen stoppen
waar je speeksel en je kaken ze tot karbonades
hadden kunnen maken
ik had nog zoveel willen zeggen maar ik
ik ben een sneeuwpop van zwijgen
ik ben een man van half af
ik ben een man van achteraf
dus je zei ga maar

jij bent een man van rabarber
hier heb je zeilen van krantenpapier
hier zijn mijn elektrische beloftes om mee te nemen
als je gaat kom ik je met stoffer en blik achterna
ga maar
ik zal je voetstappen snel van de stoeptegels vegen
heus niet om mijn dorp van je schoon te maken nee
maar om ze liefdevol te bewaren
want weet je
ik ben een vrouw
van een man van rabarber
ik ben een meisje van bamboe
wie luistert naar mijn ruisen meent daar woorden in te kennen
maar wie luistert naar mijn ruisen hoort

          ruis

 

 2186942-38d831885ac25068443c08544154ae82.jpg
Daan Doesborgh (Steyl, 21 oktober 1988)

 

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook alle tags voor Alphonse de Lamartine op dit blog.

 

Le lac (Fragment)

" Aimons donc, aimons donc ! de l'heure fugitive,
Hâtons-nous, jouissons !
L'homme n'a point de port, le temps n'a point de rive ;
Il coule, et nous passons ! "

Temps jaloux, se peut-il que ces moments d'ivresse,
Où l'amour à longs flots nous verse le bonheur,
S'envolent loin de nous de la même vitesse
Que les jours de malheur ?

Eh quoi ! n'en pourrons-nous fixer au moins la trace ?
Quoi ! passés pour jamais ! quoi ! tout entiers perdus !
Ce temps qui les donna, ce temps qui les efface,
Ne nous les rendra plus !

Éternité, néant, passé, sombres abîmes,
Que faites-vous des jours que vous engloutissez ?
Parlez : nous rendrez-vous ces extases sublimes
Que vous nous ravissez ?

Ô lac ! rochers muets ! grottes ! forêt obscure !
Vous, que le temps épargne ou qu'il peut rajeunir,
Gardez de cette nuit, gardez, belle nature,
Au moins le souvenir !

Qu'il soit dans ton repos, qu'il soit dans tes orages,
Beau lac, et dans l'aspect de tes riants coteaux,
Et dans ces noirs sapins, et dans ces rocs sauvages
Qui pendent sur tes eaux.

Qu'il soit dans le zéphyr qui frémit et qui passe,
Dans les bruits de tes bords par tes bords répétés,
Dans l'astre au front d'argent qui blanchit ta surface
De ses molles clartés.

Que le vent qui gémit, le roseau qui soupire,
Que les parfums légers de ton air embaumé,
Que tout ce qu'on entend, l'on voit ou l'on respire,
Tout dise : Ils ont aimé !

 

 2186942-6f544bc7b14a03c828a9eca02b51761e.jpg
Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869)  

 

 

De Engels dichter en criticus Samuel Taylor Coleridge werd geboren op 21 oktober 1772 in Ottery St. Mary, Devonshire. Zie ook alle tags voor Samuel T. Coleridge op dit blog.

 

Sonnet VIII. To Mercy

Not always should the tear's ambrosial dew
Roll its soft anguish down thy furrowed cheek!
Not always heaven-breathed tones of suppliance meek
Beseem thee, Mercy! Yon dark Scowler view,
Who with proud words of dear-loved Freedom came--
More blasting than the mildew from the south!
And kissed his country with Iscariot mouth;
(Ah! foul apostate from his Father's fame!)
Then fixed her on the cross of deep distress,
And at safe distance marks the thirsty lance
Pierce her big side! But oh! if some strange trance
The eye-lids of thy stern-browed Sister press,
Seize, Mercy! thou more terrible the brand,
And hurl her thunderbolts with fiercer hand!

 

 

Sonnet XV. To Schiller

Schiller! that hour I would have wished to die,
If thro' the shudd'ring midnight I had sent
From the dark Dungeon of the Tower time-rent
That fearful voice, a famished Father's cry--
That in no after moment aught less vast
Might stamp me mortal! A triumphant shout
Black Horror screamed, and all her goblin rout
From the more with'ring scene diminished past.
Ah! Bard tremendous in sublimity!
Could I behold thee in thy loftier mood,
Wand'ring at eve with finely frenzied eye
Beneath some vast old tempest-swinging wood!
Awhile with mute awe gazing I would brood,
Then weep aloud in a wild ecstasy!

 

 

Sonnet XX

The piteous sobs that choke the Virgin's breath
For him, the fair betrothed Youth, who les
Cold in the narrow dwelling, or the cries
With which a Mother wails her Darling's death,
These from our Nature's common impulse spring
Unblamed, unpraised; but o'er the piled earth,
Which hides the sheeted corse of gray-haired Worth,
If droops the soaring Youth with slackened wing;
If he recall in saddest minstrelsy
Each tenderness bestowed, each truth impressed;
Such Grief is Reason, Virtue, Piety!
And from the Almighty Father shall descend
Comforts on his late Evening, whose young breast
Mourns with no transient love the aged friend.

 

 2186942-6d01223990e54cf98408ae885a93dbe2.jpg
Samuel T. Coleridge (21 oktober 1772 – 25 juli 1834)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 11:15 Reageer op dit bericht

Patrick Kavanagh, Tariq Ali, Nikos Engonopoulos, Mehdi Charef, Allen Hoey, Martin Roda Becher, Pankaj Mishra

De Ierse dichter Patrick Kavanagh werd geboren op 21 oktober 1904 in County Monaghan. Zie ook alle tags voor Patrick Kavanagh op dit blog.

 

My Father Played The Melodeon

My father played the melodeon
Outside at our gate,
There were stars in the morning east
And they danced to his music.

Across the world bogs his melodeon called
To Lennons and Callans
As I pulled on my trousers in a hurry
I knew some strange thing had happened.

Outside in the cow-house my mother
Made the music of milking,
The light of the stable-lamp was a star
And the frost of Bethlehem made it twinkle.

A water-hen screeched in the bog,
Mass-going feet
Crunched the wafer-ice on the polt-holes -
Somebody wistfully twisted a bellow's wheel.

My child-poet picked out the letters
On Time's black stone,
In silver the wonder of a Christmas townland
The winking glitter of a frosty dawn.

Cassiopea was over
Cassidy's hanging hill.
I looked and three whin bushes rode acoss
The horizon - the Three Wise Kings.

My father played the melodeon,
My mother milked the cows
And I had a prayer like a white rose pinned
On the Virgin Mary's blouse.

 

 

Come Dance with Kitty Stobling

No, no, no, I know I was not important as I moved
Through the colourful country, I was but a single
Item in the picture, the name, not the beloved.
O tedious man with whom no gods commingle.
Beauty, who has described beauty? Once upon a time
I had a myth that was a lie but it served:
Trees walking across the crest of hills and my rhyme
Cavorting on mile-high stilts and the unnerved
Crowds looking up with terror in their rational faces.
O dance with Kitty Stobling I outrageously
Cried out-of-sense to them, while their timorous paces
Stumbled behind Jove's page boy paging me.
I had a very pleasant journey, thank you sincerely
For giving me my madness back, or nearly.

 

 2186936-e7b198297b6d5663af1a5b2cd93c419a.jpg
Patrick Kavanagh (21 oktober 1904 – 30 november 1967)
Portret door Liam O'Neill, 1989

 

 

De Pakistaanse auteur, journalist en filmmaker Tariq Ali werd geboren in Lahore op 21 oktober 1943. . Zie ook alle tags voor Tariq Ali op dit blog.

Uit: The Book of Saladin

“I have not thought of our old home for many years. It is a long time now since the fire. My house, my wife, my daughter, my two-year-old grandson—all trapped inside like caged animals. If fate had not willed otherwise, I too would have been reduced to ashes. How often have I wished that I could have been there to share the agony.
These are painful memories. I keep them submerged. Yet today, as I begin to write this story, the image of that domed room where every-thing once began is strong in me again. The caves of our memory are extraordinary. Things that are long forgotten remain hidden in dark corners, suddenly to emerge into the light. I can see everything now It comes to my mind clearly, as if time itself had stopped still.
It was a cold night of the Cairo winter, in the year 1181 according to the Christian calendar. The mewing of cats was the only noise fron-the street outside. Rabbi Musa ibn Maymun, an old friend of our family as well as its self-appointed physician, had arrived at my hous on his way back from attending to the Kadi al-Fadil, who had been in disposed for several days.
We had finished eating and were sipping our mint tea in silence, sur rounded by thick, multi-coloured woollen rugs, strewn with cushion covered in silk and satin. A large round brazier, filled with charcoal, glowed in the centre of the room, giving off gentle waves of heat. Reclining on the floor, we could see the reflection of the fire in the dome above, making it appear as if the night sky itself were alight.
I was reflecting on our earlier conversation. My friend had revealed an angry and bitter side, which had both surprised and reassured me. Our saint was human just like anyone else. The mask was intended for outsiders. We had been discussing the circumstances which had compelled Ibn Maymun to flee Andalus and to start on his long fifteen-year journey from Cordoba to Cairo. Ten of those years had been spent in the Maghrebian city of Fez. There the whole family had been obliged to pretend that they were followers of the Prophet of Islam. Ibn Maymun was angered at the memory. It was the decep-tion that annoyed him. Dissembling went against his instincts.
I had never heard him talk in this fashion before. I noticed the trans-formation that came over him. His eyes were gleaming as he spoke, his hand clenched into a fist. I wondered whether it was this experi-ence that had aroused his worries about religion, especially about a religion in power, a faith imposed on the point of a sword. I broke the silence.”

 2186936-2616a929c228e89ac322f09ae556bfa5.jpg
Tariq Ali (Lahore, 21 oktober 1943)

 

 

De Griekse dichter en schilder Nikos Engonopoulos werd geboren op 21 oktober 1907 in Athene. Zie ook alle tags voor Nikos Engonopoulos op dit blog.

 

BOLIVÁR (Fragment)

Yet, how many conspired against you, Bolivár,
How many traps did they not set for you to fall into and vanish,
One man, above all, a rogue, a snake, a native of
    Philippoupolis.
But what was that to you, like a tower you stood firm, upright,
    before Acongagua’s terror,
Holding a mighty cudgel and wielding it above your head.
The bald-headed condors, unafraid of the carnage and smoke of
    battle, took fright and flew up in terrified flocks,
And the llamas hurled themselves down the mountain slopes,
    dragging, as they fell, a cloud of earth and rocks.
And into the dark of Tartarus your enemies disappeared, lay
    low.
(When the marble arrives, the best from Alabanda, I’ll sprinkle
    my brow with Blachernae’s holy water,
I’ll use all my craft to hew your stance, to erect the statue of a
    new Kouros in Sikynos’ mountains,
Not forgetting, of course, to engrave on its base that famous
    “Hail, passer-by”.)

And here it should above all be stressed that Bolivar was never
    afraid, never, as they say, “lost his nerve”,
Not even at the most murderous hour of battle, nor in the bitter
    gloom of unavoidable treachery.
They say he knew beforehand, with unimaginable precision, the
    day, the hour, even the second: the moment,
Of the Great Battle that was for him alone,
In which he himself would be army and enemy, both
    vanquished and victor, triumphant hero and sacrificial
    victim.
(And the lofty spirit of such as Cyril Loukaris reared within
    him,
How he calmly eluded the despicable plots of the Jesuits and
    that wretched man from Philippoupolis!)

 

 2186936-6f30bf501e2de06529910da5bd5f79da.jpg
Nikos Engonopoulos (21 oktober 1907 – 31 oktober 1985)

 

 

De Frans-Algerijnse schrijver en regisseur Mehdi Charef werd geboren op 21 oktober 1952 in Maghnia in Algerije. Zie ook alle tags voor Mehdi Charef op dit blog.

Uit: A bras le coeur

“– Salam, Si Mbami Si Rachid, mon patron, te prie de lui payer tes dettes...
    Il m'ignore. Il reprend son souffle, et enfin il me fixe. À son regard vicieux, aux frottements rugueux de ses mains, à son teint rouge d'émotion qui s'éclaircit lentement, je comprends qu'il va essayer de me faire un coup tordu.
    – Tu sais où habitent ces deux filles ?
    – Je trouverai...
   Je suis surpris mais je réponds sans hésiter. Il s'interroge. Je suis sûr qu'il fantasme. Ça m'amuse... Et si je lui arrangeais le coup ?
    – Si Mbami, tu ne serais pas le premier à te les échanger au lit !
    Il blêmit, il écarquille ses billes de faux jeton ; les bras lui en tombent ; il s'écrie :
    – Quoi?
   – C'est Mimoun qui les a initiées à l'amour. Il les enfourchait dans l'orangeraie du colon Perret, ou sous le pont de l'oued Malha ! Mimoun les a draguées à la sortie de l'école, toutes les deux, elles ne se quittent pas. Après le bain au hammam, elles revêtent un haïk qui les camoufle des pieds à la tête et elles s'engouffrent dans l'Aronde de Mimoun qui les attend.
    – Les salopes !
    – Je te le répète, Si Mbami, je te les ramène quand tu veux!
    Il est tout excité, il se voit déjà avec elles.”

 

 2186936-778bbc22f5649f196c82ac732399af22.jpg
Mehdi Charef (Maghnia, 21 oktober 1952)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en criticus Allen Hoey werd geboren op 21 oktober 1952 in Kingston, New York. Zie ook alle tags voor Allen Hoey op dit blog.

Uit: Provençal Light, a long poem

 

After the Orchard: “Souvenir de Mauve” (fragment)

How can I thank Mauve--his early faith, beyond
what a cousin owes. A master of grey, he belongs to the North--brooding,
always the lowering sky, yet I would remember him
brightly for all the grief. And the pretense. Hypocrite!--
"A vicious character," he called me that day on the dunes--what he meant
but lacked courage to put into words was he would not set foot in the home
I had made with--say it as he would--a whore. How the bourgeois
revile those who ply their trade plainly, and revile
the warmth of two bodies, deny love could kindle between two
when one walked the streets to put food on the table.
For years
I watched them, remote and beautiful, and somehow sad
while beyond sadness. "Sorrow" I called a litho of Sien--that's the word.
And what if it was after rejection, no less for her than for me,
I admit my portion. "No, never," the other had said--why should I
believe it? Love, I'd thought, will always will out, as these blossoms
mastering snow and the mistral inch into sun and explode.
And she, pregnant when I found her and again when I left--who knew
the father? Does that deny love? There's a spark
beyond spirit that draws us, the joy come dawn of a body
drawn full-length beside you, its warmth more than the thin
rays of sun that fall on a quilt in The Hague. I've never denied it--
but there was affection, our small intimate moments, the touches
a husband I'm sure reserves for his wife, many though his mistresses be.

 

 2186936-1f50fd188436676afed9cd460fed67b4.jpg
Allen Hoey (21 oktober 1952 – 16 juni 2010)
Kingston, New York

 

 

De Zwitserse schrijver en criticus Martin Roda Becher werd geboren in New York op 21 oktober 1944. Zie ook alle tags voor Martin Roda Becher op dit blog.

Uit: Tod im Stadion

“Im Stadion angelangt, kannte ich neben dem “Neuesten”, den ich übrigens diesmal nicht besonders fand, bereits jeden, der zu dem Kellerfest Geladenen, das nächsten Samstag stattfinden sollte (ich war nicht eingeladen).
Anscheinend würde in dem Keller eine ungemein glatte Bande beisammen sein. Er freute sich schon darauf und schilderte mir einige Scherzartikel, wie Plastikspinnen und so fort, die er an diesem Abend zu präsenteiren gedenke und von denen er sich umwerfend erheiternde Wirkung versprach.
In einer kalten Garderobe, zu der uns ein alter Wärter den Schlüssel unter vielen Flüchen seinerseits und Beschwichtigungen unsererseits ausgehändigt hatte, zogen wir uns um.
Auch hier erzählte Ellenberger viel. Es war, als ob er sich verpflichtet fühlte, ohne Unterbrechung geistreich zu sein, Es tat meinen Nerven weh. Dabei interessierte ihn meine Person überhaupt nicht. Es war ihm, glaube ich, völlig egal, wessen Ohr seine Spässe vernahm. Was mochte er nur tun, überlegte ich, wenn er allein war.”

 2186936-13b45b3b6f5a0412c27d138e7d2df222.jpg
Martin Roda Becher (New York, 21 oktober 1944)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

 

De Indiase schrijver, journalist en essayist Pankaj Mishra werd geboren in 1968 in Jhansi, India. Zie ook alle tags voor Pankaj Mishra op dit blog.

Uit: Tijd van woede (Vertaald door Nico Groen)

“Sinds de Franse Revolutie hadden gefrustreerde mannen allerlei volledig nieuwe politieke stromingen uitgevonden, van nationalisme tot terrorisme. Vele Fransen voelden zich al heel lang gekrenkt door het schrille contrast tussen de glorie van de revolutie en het tijdperk van Napoleon aan de ene kant en de laffe compromissen van het economisch liberalisme en het politieke conservatisme die erop volgden aan de andere. Alexis de Tocqueville had herhaaldelijk opgeroepen tot een groot bezielend avontuur: de 'overheersing en onderwerping' van het Algerijnse volk en de stichting van een Frans rijk in Noord-Afrika. Terwijl het einde van de eeuw naderde, klom een onzin uitkramende demagoog, generaal Georges Boulanger, snel op door in te spelen op de massale verontwaardiging over morele schandalen, economische tegenslagen en militaire nederlagen; hij kwam gevaarlijk dicht in de buurt van de macht. In het laatste decennium van de negentiende eeuw, toen de eerste fase van de economische globalisering op stoom kwam, eisten xenofobe Franse politici protectionisme terwijl ze hun pijlen op buitenlandse arbeiders richtten. Boze Fransen slachtten in 1893 tientallen Italiaanse gastarbeiders af. Witte chauvinisten in de Verenigde Staten hadden Chinese arbeiders toen al gebrandmerkt met expliciet racistische wetgeving en retoriek, die net als het tegen de Afro-Amerikanen gerichte segregatiebeleid waren bedoeld om de waardigheid van het groeiende aantal witte loonslaven' te herstellen. Demagogen in Oostenrijk-Hongarije, die Joden als zondebok aanwezen voor het grootschalige leed dat was veroorzaakt door de anonieme krachten van het mondiale kapitalisme, streefden ernaar de tegen immigranten gerichte Amerikaanse wetten te kopiëren. De toeloop van het Westen op Azië en Afrika aan het einde van de negentiende eeuw toonde aan dat de politieke panacee die Cecil Rhodes bood — 'wie een burgeroorlog wil voorkomen moet imperialist worden' — steeds verleidelijker was geworden, vooral in Duitsland, dat, hoewel recentelijk met succes geïndustraliseerd en welvarend, een broedplaats was voor boze, ontevreden burgers en imperialisten in de dop. Aan het begin van de twintigste eeuw, toen de wereld te maken kreeg met de eerste grote crises als gevolg van de globalisering en met de eerste grootschalige internationale migratie uit de geschiedenis, zorgden anarchisten en nihilisten die de individuele wil uit oude en nieuwe kluisters wilden bevrijden voor een uitbarsting van terroristisch geweld. Ze vermoordden talloze staatshoofden, onder wie de Amerikaanse president (William McKinley), naast talloze burgers in overvolle openbare ruimtes. D'Annunzio was slechts een van de vele manipulators in een politieke cultuur die ontstond doordat het Westen overging op industrieel kapitalisme en massapolitiek, door de Indiase dichter Rabindranath Tagore op een tournee door de Verenigde Staten in 1916 een `benauwde, giftige sfeer van wereldwijde achterdocht, hebzucht en paniek' genoemd.”

 

 2186936-e8b42702901926ffd54b1265c7d1e083.jpg
Pankaj Mishra (Jhansi, 1968)

Geschreven door Romenu om 11:14 Reageer op dit bericht

The Mother Of Zebedee's Children (George MacDonald)

 

Bij de 29e zondag door het jaar

 

 

 2186929-c31657daacc3f89b8a2cd8703a63335b.jpg
De roeping van de zonen van Zebedeüs door Marco Basaiti, 1510

 

 

The Mother Of Zebedee's Children

She knelt, she bore a bold request,
Though shy to speak it out:
Ambition, even in mother's breast,
Before him stood in doubt.

'What is it?' 'Grant thy promise now,
My sons on thy right hand
And on thy left shall sit when thou
Art king, Lord, in the land.'

'Ye know not what ye ask.' There lay
A baptism and a cup
She understood not, in the way
By which he must go up.

Her mother-love would lift them high
Above their fellow-men;
Her woman-pride would, standing nigh,
Share in their grandeur then!

Would she have joyed o'er prosperous quest,
Counted her prayer well heard,
Had they, of three on Calvary's crest,
Hung dying, first and third?

She knoweth neither way nor end:
In dark despair, full soon,
She will not mock the gracious friend
With prayer for any boon.

Higher than love could dream or dare
To ask, he them will set;
They shall his cup and baptism share,
And share his kingdom yet!

They, entering at his palace-door,
Will shun the lofty seat;
Will gird themselves, and water pour,
And wash each other's feet;

Then down beside their lowly Lord
On the Father's throne shall sit:
For them who godlike help afford
God hath prepared it.

 

 2186929-70f92792b992ab3d3d76c05e696095f4.jpg
George MacDonald (10 december 1824 – 18 september 1905)
Christ Church in Huntly, Aberdeenshire, de geboorteplaats van George MacDonald

 


Zie voor de schrijvers van de 21e maart ook mijn twee volgende blogs van vandaag.



Geschreven door Romenu om 11:14 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Monika Rinck, Hans Warren, Mustafa Stitou, Hans Maarten van den Brink, Ela Angerer, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior

 

Dolce far niente

 

 2186757-9a60ce93d3cc15efa1c2b18541adc459.jpg
Ondergaande zon, herfst in Eragny door Camille Pissarro, 1900

 

 

es war vorbei

es war vorbei – der sommer war es sicherlich
die sonne kannte nur noch gegensätze
und wo sie fort war war sie fort.
ab sonntag deutlich kühler aber
jetzt noch nicht – was für ein licht
das uns verlängerte und die fassaden
in den rechten winkel brachte, harte schatten
geometrisches – ein enggeschnürtes päckchen
war die summe dieses sommers – warte doch
herr doktor benn fegt eben noch
die fetten rosen hin –

 

2186757-ee997341b0f00292a8475ce1d3e41c23.jpg 
Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)
Het station van Zweibrücken, de geboorteplaats van Monika Rinck

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek 1942 tot 2001

“27 nov.(1998) — 14.15 — M’n linkeroog ziet er nog afschuwelijk uit, er hangt een hele ‘zak’ aan. Het op. en afzetten van de bril dient met aandacht te gebeuren, en het neussteuntje zakt aan die kant weg in een soort stempelkussen. Ik kom er sneller overheen dan M., die blijft er maar over praten. Ik betrapte me er vanmorgen zelfs op dat ik een huppeltje maakte.
Die betreurenswaardige ruzie. M. moet enorm zijn geschrokken van mijn val, hij zag het vanuit de auto gebeuren. Hij rende naar binnen en zag me daar languit in een plas bloed. Dat ik een beetje krabbelde en bewoog, was het enige hoopgevende. Het bleef maar bloeden, hij zegt dat ik wel een liter heb verloren. Een voorbijganger, Jean-Michel Tesseron, zag het ook gebeuren. Hij kende een mevrouw die eerste hulp zou kunnen verlenen. De jonge vrouw (heel knap, voor zover ik dat zonder bril kon zien) maakte met de spullen uit M.’s verbanddoos een soort tulband rond m’n hoofd en stelpte zo goed mogelijk het bloeden.
Inmiddels waren ook de sapeur-pompiers er, een hele groep. Iedereen was uiterst aardig en hulpvaardig, er was een ventje bij, nog zo jong dat het me ontroerde, telkens vroeg hij of het toch ging. Ik werd op de voor mij te korte brancard gehesen, naar buiten gedragen en in de ambulance geschoven. Wat een marteling! Het sidderen van de motor, het ongelijke plaveisel in het hartje van Parijs, m’n hoofd dat geen steun had, de bochten. M’n angst in het ziekenhuis: ik wil naar huis, hoe kom ik nu toch nog thuis, arme Mario, hoe regel jij alles, hij kan niet zonder eten en het is al zo laat.
De dokter begon met vast te stellen: ‘Vous travaillez encore?’ Het eindigde ermee dat hij hoogstpersoonlijk m’n sokken weer aantrok. Ik moest allerlei komische oefeningen doen, onder andere met m’n armen zwaaien en dan met de wijsvinger m’n neuspunt raken, eerst met open, vervolgens met gesloten ogen. En je bent enorm trots als het je lukt en zo blij als een kind, want: ‘Cher docteur, je ne dois pas être hospitalisé?’ ‘Non, m.Warren, vous pouvez rentrer à la maison.’ Hij zal niet geweten hebben dat het minstens vier uur rijden was.
De ruzie, het is zo pijnlijk. Pas nu besef ik hoe diep M. is geschokt, hoe een traumatische ervaring het voor hem is geweest. Hij bleef maar vragen hoe het toch kwam dat ik viel. Ik zei dat het aan de al te drukke dag lag, dat daardoor m’n aandacht was verslapt. M. leidde eruit af dat ik hém de schuld gaf. Ik zei dat het onzin was, maar dat hij in m’n dagboek zou kunnen lezen hoe ik tegen zulke dagen opzag.”

 

 

Pestaradjah

Niet wakker worden
zei ik elke morgen
want je slapend hoofd op het kussen
was een edel javaans masker
waar ik niet op uitgekeken raakte.
Sloeg je je ogen op
dan vielen opeens
de eeuwen van je af.

 

 

Winterliefde

Wind vouwt zijn waaiers dicht over mijn nachtlijk dak.
Nooit zal ik weten of ik van je heb gehouden,
Mijn liefde zal als 't land haar maagdlijkheid behouden:
Vorst ging er over heen - zelfs je beeltenis brak,
Sinds je mij bent voorbijgegaan en als een boom
Je plaats genomen hebt in 't grote onbekende
Van een dode natuur, en je gelaat zich wendde
Traag naar het duister van een langgeleden droom.

 

 2186757-3bcb93077f6cbe946d396e52cfceb99d.jpg
Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)
Portret door Ad Duvekot, ca. 1956

 

 

De Marokkaans-Nederlandse dichter Mustafa Stitou werd geboren in Tétouan op 20 oktober 1974. Zie ook alle tags voor Moustafa Stitou op dit blog.

 

Voorvaderen, onderburen

Sommige voorvaderen, weten we, hebben God gedroomd
en daaruit is voortgekomen onze wereld van eindige dingen.
Zij waren het die ooit een kind offerden aan iets almachtigs en onzichtbaars.
Wij weten ook dat sommige honden -
dat sommige mensen gaan lijken op hun huisdier
na verloop van tijd. Soms
een grotesk gezicht, meestal blijft het onopgemerkt.
Mijn onderburen, een kinderloos stel toevallig, nemen
mijn boodschappen altijd aan en vragen mij fluisterend
of zij mij niet tot last zijn en soms ergens mee kunnen helpen.
Andere voorvaderen wisten zich met de dood geen raad
en met geboorte evenmin, zij zagen in een pasgeboren kind
een gestorven voorvader. En het verwarde geloof dat
zij stichtten spookt sindsdien door onze genen;
mijn onderburen hebben mij toevertrouwd te zullen en willen
reïncarneren in een diersoort met zachte zeden, in bijen.

 

 

Cinema

in een tijd
van verterende droogte
in een tijd
waarin een boer een automobiel
verlaten op zijn land
stro brengt uit berekening

vertrekt vader als jongetje
met zijn gedeserteerde oom
voor negen pesetas in de laadbak
van de camiona – oksels
van het metaal – naar Tetouan
het kleine Tetouan met de betrouwbare soek

in de vurige sobere moskee
bidden zij loom en zuchtend
na de klusjes in de vretende zon
zij drinken water van de waterverkoper
die triest grijnst en koelen af
in de Spaanse cinema met zonnepitten

het regende in de film
Allah el Akbar het regende
regen regen regen en ik dacht
regen viel buiten overal
verbeeldt vader spelend
met de remote control

buiten
siddert steen
smelt wind
worden lippen snavels
komen mensen om
die hongerzomer

 

 2186757-318c8c0f06de9362e2246be3e9d4f037.jpg
Mustafa Stitou (Tétouan, 20 oktober 1974)

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Hans Maarten van den Brink werd geboren in Oegstgeest op 20 oktober 1956. Zie ook alle tags voor Hans Maarten van den Brink op dit blog.

Uit: Een bidprent tot leven brengen

‘Ik kom alleen maar om te kijken,’ zegt de vrouw die heel Italië doorkruist heeft om tegenover Piero della Francesca's Madonna del Parto te staan.
‘Als men hier slechts voor zijn plezier komt, zonder enig gebed, dan gebeurt er niets,’ zegt de koster. ‘Je kunt op z'n minst knielen.’
De scène vormt de opmaat in Andrej Tarkovski's Nostalghia. Een film die niet alleen over godsdienst gaat en over het daarmee onverbrekelijk verbonden verlangen om ooit, ergens, helemaal thuis te komen, maar er meteen ook tekst en uitleg bij levert. Tarkovski speelt voor priester en koster tegelijk. Het gaat niet alleen om de intentie en het resultaat, maar evenzeer, of misschien wel meer, om de manier waarop het werk wordt uitgevoerd. Dat is zijn boodschap.
De vrouw brengt het niet op om voor het schilderij te knielen.
‘Ik weet het: je wilt zeker gelukkig zijn,’ luidt het honende commentaar op haar gebrek aan overgave. ‘Maar er zijn belangrijker zaken in het leven.’
Het was niet om deze scène dat de film, die ik zo'n vijfentwintig jaar geleden gezien zal hebben, in mijn herinnering is gebleven. Het was de oversteek die, kort voor het einde, de hoofdpersoon, een sombere Russische schrijver, door het zwavelige water van een vijver maakt met een kleine, flakkerende kaars in zijn hand. Het is, ook bij weerzien, een indrukwekkend, adembenemend tafereel. De man in zijn winterjas, wadend door modder, nevelflarden, water; zijn gezichtsuitdrukking, nu eens angstig, dan weer ingetogen, gelaten, weifelend, vastberaden, sereen - maar al die emoties binnen een ingehouden, beperkt register; zijn hand om de kaars, die steeds dreigt uit te gaan, dat op een gegeven moment ook doet, kort voor de overkant zou zijn bereikt; waarna de man, Gortsjakov heet hij, even aarzelt, dan toch het besluit neemt om terug te gaan en opnieuw te beginnen, ten slotte de tocht volvoert en de kaars voorzichtig neerzet, op een verweerde, aangevreten steen, in een nis waar de vlam nog even flakkert en dan uitgaat. Waarvoor? Daarvoor. Zoiets heet een ritueel: een handeling die op zichzelf geen doel heeft, maar louter door de voltrekking haar reden van bestaan bewijst. Het wordt gevat in één lange, bijna negen minuten durende camerabeweging, een van Tarkovski's bewuste stijlkenmerken. Een scène gebeeldhouwd in de tijd, om dan ook meteen zijn eigen bewoordingen maar te gebruiken.”

 2186757-97fdb2a09c230226f5647fc2cceedc10.jpg
Hans Maarten van den Brink (Oegstgeest, 20 oktober 1956)

 

 

De Oostenrijkse schrijfster Ela Angerer werd geboren op 20 oktober 1964 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ela Angerer op dit blog.

Uit: Und die Nacht prahlt mit Kometen

“Der Wagen raste auf eine entgegenkommende Straßenbahn zu; gut möglich, dass sie gleich mit den Verkehrsteilnehmern in den Waggons zusammengewürfelt wurden. Doch im letzten Moment bremste Bojan ab, riss das Lenkrad herum und reihte sich auf der rechten Fahrbahn hinter einem Lastwagen ein. »Gib es wenigstens zu!«, schrie er. Und schon donnerten weitere Postpakete im Rhythmus einer Maschinenpistole auf sie herunter. Inneres Klingeln unter der Schädeldecke, pulsierende Schläfe, Aufplatzen der Haut über dem Wangenknochen. Auf dem Asphalt zerspringende Marmeladengläser. Kuchenbrösel darüber. Die schöne Schrift der Großmutter (Pelikan-Füllfederhalter von 1931) auf weißem Karton. All das konnte Bojan mit einer einzigen Faust, an der freilich ein dicker Ring mit kantig geschliffenem Saphir steckte. Mit der linken Hand lenkte er weiter durch den Verkehr. Zwei Querstraßen noch, dann würden sie zu Hause sein. Jetzt schnell einen Parkplatz finden, dachte sie, während in ihrem Kopf starkes Rauschen einsetzte. Bitte lasst ihn einen Parkplatz finden, rief sie den Obersten Rat mit ihrer inneren Stimme an, dann wäre vielleicht alles wieder gut. Möglicherweise hatte sich etwas Feuchtes auf ihrer Wange gebildet, sie wusste es nicht. Jetzt bloß nicht! Wenn sie ihm mit ihrem Blut das neue Auto versaute, würde sich der Sturm in die Länge ziehen.
»Komm runter, wir machen eine Testfahrt«, hatte Bojan vorhin oben in der Wohnung gesagt und dabei seinen schweren Schlüsselbund am Zeigefinger durch die Luft wirbeln lassen. Als er ihn mit der ganzen Hand wieder auffing, klirrte das Metall laut durchs Vorzimmer. Dann standen sie unten in der Einfahrt, vor ihnen ein dunkelroter Sportwagen, dessen Front aussah wie die Schnauze eines riesengroßen, aggressiven Tapirs.
Bojan ging mit ihr um das Ungetüm herum, zog dabei eine herausgerissene Zeitungsseite aus seiner Jackentasche und las stolz das Inserat vor: »Chevrolet Corvette C3 mit dreistufigem Turbo-Hydramatic-Automatikgetriebe, garagengepflegt.« »Na, was sagst du jetzt?«, hatte er sie gefragt und ihr die Beifahrertür aufgehalten.”

 

 2186757-1746fc2e193a574ba1f8fbd1b39f3bd0.jpg
Ela Angerer (Wenen, 20 oktober 1964)

 

 

De Franse dichter Arthur Rimbaud werd geboren op 20 oktober 1854 in Charleville. Zie ook alle tags voor Arthur Rimbaud op dit blog.

 

De schamele droom

Een avond wacht mij nog misschien
Dat ik in zekere oude stad
Rustig wat drinken zal en dat
Ik kalmer dan de dood kan zien:
Geduld heb ik gehad.

Als ik in mijn pijn berust
Als ik ooit wat geld verover
Hoe dan, een Noordse kust
Of het land van wijngaardlover?
- Ach, dwaas is het te dromen

Het is maar tijd verdoen!
Wanneer ik als weleer
Ga reizen heinde en veer
Kan zich de herberg in het groen
Nimmer meer voor mij open doen.

 

Vertaald door Emmy van Lokhorst

 

 

Roman

I
On n'est pas sérieux, quand on a dix-sept ans.
- Un beau soir, foin des bocks et de la limonade,
Des cafés tapageurs aux lustres éclatants!
- On va sous les tilleuls verts de la promenade.

Les tilleuls sen tent bon dans les bons soirs de juin!
L'air est parfois si doux, qu'on ferme la paupière;
Le vent chargé de bruits, - la ville n'est pas loin, -
A des parfums de vigne et des parfums de bière...

 

 

Roman

I
Je bent niet al te serieus, met zeventien.
Een mooie avond. Bier noch fris meer ingenomen!
Weg van 't cafélawaai, en luchters bovendien!
Je slentert door de laan met groene lindebomen.

O mooie juninachten met je lindengeur!
De lucht is soms zo mild, je laat je ogen luiken.
De wind, vol van geluid - de stad is naast de deur -
draagt wingerdgeuren aan, en laat een bierlucht ruiken.

 

Vertaald door Jan Kal

 

 2186757-82ad46d4479dbabe87a14d91bd8682a3.jpg
Arthur Rimbaud (20 oktober 1854 – 10 november 1891)
A Season in Hell (Portrait of Arthur Rimbaud) door Leilani Bustamante

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Marnix Gijsen werd geboren op 20 oktober 1899 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Marnix Gijssen op dit blog.

Uit: Het boek van Joachim van Babylon

“Vandaag hebben wij Suzanna, mijn vrouw, begraven. Ik schrijf wij want het was inderdaad niet de echtgenoot alléén die haar uitgeleide deed, het was de heele natie. De hoogepriester en de burgerlijke gezagvoerders kwamen er bij te pas. Er is geen vereeniging zonder winstbejag in het land of zij had een afvaardiging gezonden. Ik, Suzanna's man, was slechts een bijkomend personage, haast niet veel meer dan een tooneelmeubel. Dat ben ik, jammer genoeg, geworden den dag toen Suzanna plotseling tot nationaal figuur werd bevorderd. Zij stapte van het bad recht in de geschiedenis en werd het symbool der deugd. Zij was de Deugd zelve in het gansche land. Dertig jaar lang, was ik met de Deugd getrouwd. - Het was lang niet grappig.
Wat de autoriteiten vanmorgen te vertellen hadden was wel eenigermate aan den vermakelijken kant, althans voor mij. Bij deze begrafenis woonde ik inderdaad het slottooneel bij van een tragi-comedie die ik alleen volkomen begreep en die mij licht amuseerde. Zelden heb ik zooveel bijvoeglijke naamwoorden in den overtreffenden trap hooren gebruiken, dikwijls foutief dan nog. Het ging maar aldoor over kuischheid, over getrouwheid, gehechtheid en liefde, alsof men min of meer kuisch, getrouw, toegehecht of liefdevol kan zijn. Daarbij hadden de redenaars meestal hun materiaal uit hetzelfde officieele relaas geput: de laatste aan de beurt was er haast niet toe te bewegen zijn rede af te dreunen. Zij leek inderdaad een bloemlezing uit de voorgaande toespraken. Daarna kwam een dichter aan het woord: ook hij volgde Daniël's tekst op den voet, maar hij nam hier en daar een lyrische vlucht. Over het gebeurde bij het bad gleed hij lichtjes heen, maar over de grijsaards weidde hij uit. De schildering van de ondeugd is natuurlijk altijd dankbaarder dan de afbeelding der deugd. Ik ben nu zelf wat de rabbijnen ‘zat van jaren’ noemen en voel mij met de grijsaards solidair. In zijn lange inleiding scheen de dichter te beweren dat de drang tot voortplanting bij een oud man een schandelijk verschijnsel is. Hij zei dat heel welsprekend, heel netjes ook, maar heel beslist. Dan daalde hij af van het algemeen naar het bijzondere en brandmerkte de houding der rechters in sterk beklemtoonde verzen. Ik overwoog of begeerlijkheid bij een zestiger niet veeleer een bewijs van levenskracht kan zijn dan een schande, maar toen begonnen een aantal jonge meisjes een treurlied te zingen. Het waren geen kinderen meer en nog geen vrouwen. Het was me onaangenaam die stemmen te hooren waarin zoo duidelijk het ontbreken van den man doorklinkt; dat onvolledige, dat onbepaalde en zelfs onbewuste wachten... en dan nog op een tekst waarvan ze blijkbaar niets begrepen.”

 

 2186757-333a8842c66e7bf21bd2e895d7fc34af.jpg
Marnix Gijsen (20 oktober 1899 – 29 september 1984)
Cover

 

 

De Duits-Roemeense schrijver Oskar Pastior werd in 1927 in Hermannstadt (Transsylvanië, Roemenië) geboren. Zie ook alle tags voor Oskar Pastior op dit blog.

 

fortschreitender metabolismus in einer sestine

hier sechs es als sich sieht
sieht hier sechs es als sich
es als sich sieht hier sechs
sich sieht hier sechs es als
als sich sieht hier sechs es
sechs es als sich sieht hier

sechs mal als sich sieht hier
hier sechs mal als sich sieht
als sich sieht hier sechs mal
sieht hier sechs mal als sich
sich sieht hier sechs mal als
mal als sich sieht hier sechs

mal wie sich sieht hier  sechs
sechs mal  wie sich sieht hier
sich sieht hier  sechs mal wie
hier  sechs mal wie sich sieht
sieht hier  sechs mal wie sich
wie sich sieht hier  sechs mal

wie mich  sieht hier sechs  mal
mal wie mich  sieht hier  sechs
sieht  hier sechs  mal wie mich
sechs mal  wie  mich sieht hier
hier  sechs mal wie mich  sieht
mich sieht  hier sechs mal  wie

mich sieht fast sechs mal  wie
wie  mich sieht fast sechs mal
fast sechs mal  wie mich sieht
mal wie mich sieht fast  sechs
sechs mal wie mich  sieht fast
sieht fast  sechs mal wie mich

faßt fast sechs mal wie  mich
mich faßt fast sechs  mal wie
sechs  mal wie mich faßt fast
wie mich  faßt fast sechs mal
mal wie mich  faßt fast sechs
fast sechs mal  wie mich faßt

sechs es als sich hier sieht
sieht hier sechs mal wie sich
sechs mal wie mich fast faßt

 

 2186757-3fa78ee89c4245e19cede247d3205f21.jpg
Oskar Pastior (20 oktober 1927 – 4 oktober 2006)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:06 Reageer op dit bericht

Robert Pinsky, Elfriede Jelinek, John von Düffel, Theresia Walser, O. P. Zier, Belle van Zuylen, Lewis Grizzard

De Amerikaanse dichter, vertaler en essayist Robert Pinsky werd geboren op 20 oktober 1940 in Long Branch, New Jersey. Zie ook alle tags voor Robert Pinsky op dit blog.

 

Glory

Pindar, poet of the victories, fitted names
And legends into verses for the chorus to sing:
Names recalled now only in the poems of Pindar:

O nearly unpronounceable immortals,
In the dash, Oionos was champion:
Oionos, Likmynios's son, who came from Midea.
In wrestling, Echemos won—the name
Of his home city, Tegea, proclaimed to the crowds.
Doryklos of Tiryns won the prize in boxing,
And the record for a four-horse team was set
By Samos from Mantinea, Halirothios's son.

And Pindar, poet of the Olympian and Isthmian
And Pythian games, wrote also of the boundless
And forgetful savannas of time. What is someone?
The chorus sing in a victory ode—What is a nobody?

Creatures of a day, they chant in answer, Creatures
Of a day. So where is the godgiven glory Pindar says
Settles on mortals?—Bright as gold among the substances,
Say the chorus, paramount as water among the elements.

Not in the victory itself, petty or great,
Of rich young Greeks contending in games.
Not in the poetry itself, with its forgotten dances
And Pindar spinning among tiresome or stirring
Myths and genealogies, the chanted names
Of cities and invoked gods and dignitaries—

Striving, O nearly unpronounceable athletes,
To animate the air with dancing feet raising
A golden pollen of dust: a pervasive blur
Of seedlets in the sunlight, whirling—beyond mere
Victory or applause or performance,
As victory is beyond defeat.

The one who threw the javelin furthest
Sang the chorus, chanting Pindar's incantation
Against envy and oblivion, was Phrastor.
And when Nikeus grunting whirled the stone
Into the air and it flew past the marks
Of all the competitors, Nikeus's countrymen
Shouted his name after it, Nikeus,
Nikeus, and the syllables so say the lines Pindar
Composed for the sweating chorus to chant—radiated
For a spell like the silvery mirror of the moon.

 

 2186749-8946d7cc2a9911cf73f0a0b138ec6cc6.jpg
Robert Pinsky (Long Branch, 20 oktober 1940)

 

 

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Elfriede Jelinek werd geboren op 20 oktober 1946 in Mürzzuschlag, een kleine stad in de deelstaat Stiermarken. Zie ook alle tags voor Elfriede Jelinek op dit blog.

Uit: Neid

“Ein Bild ist kein Spiegel, daher erkennen sich die Menschen darin nicht.  Diese Stadt ist unter der harten Peitsche der Bergmänner langsam gestorben, unter der Peitsche dieser Alraunmännchen, des Wassermanns im nahen See und andrer sagenhafter Gestalten, nachdem sie unter der Peitsche, welche die Knochen von Menschen freigelegt hat, jahrhundertelang immer wieder zum Leben erweckt worden ist; das ging sehr leicht, es war ja alles da, das Erz faktisch auf einem Tablett serviert, und sie ersehnt jetzt die Geißeln des Tourismus, die Stadt, nach dessen feineren Schlägen, der aber nicht kommt. Sie öffnet jeden Tag den Mund, als begriffe sie sich selbst nicht, die Stadt, die immer kleiner wird und abgebaut wird wie der Berg, der früher immer zuverlässig das Erz geliefert hat, bis andre das Erz billiger gaben, sie öffnet den Mund, aber was ihr hereinkommt, ist nicht: Sie werden es auch noch billiger geben! Nein, was wir heute wieder hereinbekommen haben, ist nur die übliche Nahrung an Verstauchungen, Prellungen, Brüchen, von denen ich schon oft gesprochen habe (man hätte auf den Sport nicht setzen sollen, man hätte lieber sitzenbleiben sollen, nicht in der Schule des Lebens, aber vorm Fernseher, das wäre ungefährlicher gewesen und hätte die Krankenkassen nicht soviel gekostet), und Infarkten neben tränenüberströmten Frauen, von denen ich verhältnismäßig selten gesprochen habe, und die froh sind, an diesem Nachmittag, da der Mann, noch im Rohr des Berges, schwer verletzt wurde (nach den Verletzungen des Berges selbst fragt ja doch keiner), niemanden zum Kaffee eingeladen zu haben und frei zu sein, denn auch der Mann hat ein Recht auf einen Mangel, die Freundinnen haben es sowieso, sie haben in unsren Augen nur Mängel. Aber die Infarkte kommen eh rücksichtsvollerweise fast immer zeitig in der Früh.”

 

 2186749-f55d65d96139191e1f6434dcec6fe941.jpg
Elfriede Jelinek (Mürzzuschlag, 20 oktober 1946)
Mürzzuschlag op een ansichtkaart

 

 

 

De Duitse schrijver John von Düffel werd geboren op 20 oktober 1966 in Göttingen. Zie ook alle tags voor John von Düffel op dit blog.

Uit: Klassenbuch

“Busensuche negativ. Über der H&M-Bikini-Frau an der Bushaltestelle klebt Autowerbung – ein Kombi + Familie, vierköpfig. Die Bedienung vom Backshop mit dem tiefen Ausschnitt ist plötzlich ein Mann mit Vollbart (der Bäcker, schätzungsweise). Und sexy Leyla fehlt »wegen Frauenleiden«, meint ihre kleine Schwester, das Gerippe, grinst hämisch und schiebt sich beide Fäuste untern Pulli.
Schön wär’s.
Im Schulbus treffe ich Henk, der mir den Platz neben sich freihält und ein In-Ear abgibt mit dem Neuesten von den Spunks, so weit die gute Nachricht. Nicht so gut: Sein Vater vermisst den Benzinkanister, den wir gestern abgefackelt haben. Super Lagerfeuer, aber meine Unterarme sind enthaart bis zu den Ellbogen. Die Stöckelschuhe meiner Mutter, in denen Henk ums Feuer getanzt ist, sind auch hin. Absatz abgebrochen, sagt er. Ich glaube ihm kein Wort und zucke mit den Achseln. Waren sowieso schon alt + stanken. Mamas Fußschweiß, unverwechselbar, nicht muffig-käsig wie bei anderen Leuten, sondern scharf wie Pferdepisse. Kommt angeblich von den Billigstrümpfen, Perlon oder so, das ätzt. Henk steht drauf.
Er ist total verrückt nach Frauenfußgeruch. Wenn er eine Weile herumgestöckelt ist, kickt er die Schuhe weg und riecht an seinen Mauken, die nach den Mauken meiner Mutter riechen. Voll süchtig, der Mann, wobei ich mir nicht sicher bin, ob es ihm speziell die Stöckelschuhe angetan haben oder der Geruch von Pferdepisse oder meine Mutter.
Soll gesund sein, meint Henk, gesünder jedenfalls als Klebstoff und Benzin und was er sonst noch schnüffelt, Schweiß ist »bio«, sagt er (haha), und dass er meiner Mutter dankbar sein muss, weil sie ihm geholfen hat, von der Chemie loszukommen, von der man Löcher im Gehirn kriegt. Ich glaube ihm wirklich kein Wort. Ich glaube, er ist in sie verliebt. Henk ist süchtig nach meiner Mutter. Soll er ruhig. Ich misch mich da nicht ein. Aber ich kapier’s nicht. Meine Mutter hat keinen Busen, wirklich null, seit ihrer letzten Diät. Früher hatte sie angeblich mal einen, und ein bisschen sieht man es auch auf den Babyfotos, als ich ganz klein war und mein Vater noch da, hinter der Kamera. Doch sogar mein Mini-Kopf ist größer als ihre Hubbel, wenn sie mich im Arm hält, und mein Windelhintern praller.
Ich war damals schon auf Busensuche.
Die Bilder sind trotzdem irgendwie scharf, findet Henk. Er hat sie abfotografiert mit seinem Handy. Was Verliebte eben so tun. Doch das verstehe ich ein bisschen. Mama lächelt darauf so süß, als gäbe es die Kamera gar nicht, sondern nur sie + Kind.”

 

 2186749-a86be475e5bd5040015677d96250155b.jpg
John von Düffel (Göttingen, 20 oktober 1966)

 

 

De Duitse schrijfster Theresia Walser werd geboren op 20 oktober 1967 in Friedrichshafen. Zie ook alle tags voor Theresia Walser op dit blog.

Uit: A Playwright’s Worries (Vertaald door Claudia Wilsch Case)

“Often when I am working on a new play, my characters suddenly start acting more erratically than I had planned. They upset my designs; they thwart my intentions and ideas. This moment is a struggle, but always a fortunate one, because it signals the adventure of a play that is yet to be written. Once it is finished, the process starts again: I have created something that can only reveal itself in practice. Until it is staged, a play remains unformed; the same is true of the playwright. Sometimes I even think that each performance is actually an attack on the playwright, and that I have no other choice but to answer with another play.
When I give a play to a director, I tremble as I think of what is to come. On the one hand, it is a relief to know that from that point on, someone else's imagination will propel the play, discovering things that I did not even know were there. On the other, I am anxious that a director might suddenly discover too much, might burden the characters with other people's social tragedies, or impose deep meaning on an otherwise lighthearted play.
Novels are protected by the covers of a book, but plays are offered no such security. It has been said that each reader stages his own version of a novel. However, we don't mean that a reader clips different passages from the book and pastes the end at the beginning, or that he cuts characters or entire subplots that he thinks will only distract him from what is essential, or that he suddenly inserts a topical newspaper article in the middle. A reader also doesn't cover the margins of a book with the titles of musical numbers that he feels an urgent need to listen to while reading. And even if such a reader existed, he wouldn't think to pester other readers with his private enjoyment.
A director is first and foremost a reader, the most influential reader a playwright has. All plays need a director who is sensitive to language, especially plays that don't rely on a solidly constructed plot but instead use language to convey the action, plays where the characters are defined by the music of their language, plays where form and content cannot be separated, and plays where language itself determines the content. I don't mean that plays should be celebrated obediently, or that directors should drown them in the kinds of musical sauces that have become popular recently, all the while believing they are taking the language particularly seriously. Both of these extremes signal an unwillingness by directors to confront language as an event onstage.”

 

 2186749-63a9fd65642468cbfb0ecf497e82fa54.jpg
Theresia Walser (Friedrichshafen, 20 oktober 1967)

 

 

De Oostenrijkse schrijver O. P. Zier werd geboren in Schwarzach im Pongau op 20 oktober 1954 en groeide op in Lend. Zie ook alle tags voor O. P. Zier op dit blog.

Uit: Komplizen des Glücks

“An einem frostigen Winternachmittag stand ein wildfremderMann vor unserer Haustür und behauptete, mein Onkel zu sein.
Das heißt, zuerst sagte er lange gar nichts, bevor er so verzagt, mit sich kaum bewegenden Lippen murmelte, dass ich große Mühe hatte, seine Worte zu verstehen: »Die Mutti lebt nicht mehr …«
Nach einer mehrtägigen Tauwetterphase war es hier bei uns im Salzburger Gebirge wieder schneidend kalt geworden, und schon seit Stunden schneite es in feinen Flocken. Doch der Fremde mit dem altertümlich aussehenden Koffer in der Hand, den er nicht abstellte, als wäre er es gewohnt, ohnehin sofort an der Tür abgewiesen zu werden, trug einen für diese Witterung viel zu dünnen marineblauen Staubmantel, eine leichte, hellgraue Sommerhose, ausgetretene Halbschuhe und weder Kopfbedeckung noch Handschuhe. Auf seinem schütteren, dünnen, fettig wirkenden Haar und seinen Schultern sammelten sich die harten Kristalle der Schneeflocken, die kaum größer waren als Schuppen. Der Teint des Fremden wirkte ungesund; die blasse, rot gefleckte Gesichtshaut war trotz der Kälte von einem dünnen Schweißfilm überzogen.
Natürlich suchte ich in den Gesichtszügen des Unbekannten sofort nach Ähnlichkeiten mit meinem Opa, kaum dass der Mann die ungeheuerliche Behauptung ausgesprochen hatte, dass Pete Wire sein Vater sei. Und unerwartet schnell erinnerte mich der Anblick des Gesichtes dieses Fremden tatsächlich an meinen Großvater. Ins Haus bat ich ihn allerdings erst, nachdem er beiläufig erwähnt hatte, auf der Durchreise zu sein.
Als er mir auf meine Einladung hin seine knochige kalte Hand reichte, fühlte auch sie sich feucht an. Beim Drücken der roten, verfrorenen Finger überkam mich einen Moment lang die Vorstellung, ein dem Tiefkühlschrank entnommenes und nur angetautes, rohes Kotelett angefasst zu haben.”

 

 2186749-e34f64a590104a129792e536864349c2.jpg
O. P. Zier (Schwarzach im Pongau, 20 oktober 1954)

 

 

De Nederlandse schrijfster Belle van Zuylen werd op 20 oktober 1740 geboren in slot Zuylen, gemeente Maarssen bij Utrecht. Zie ook alle tags voor Belle van Zuylen op dit blog.

Uit: De geschiedenis van Caliste

“Brief IV

Mijn historie is even romantisch als droevig, mevrouw, en u zult onaangenaam verrast zijn als u ziet hoe omstandigheden, die nauwelijks waarschijnlijk zijn, slechts een gewonen man voortbrengen.
Een broer dien ik gehad heb en ik werden bijna tegelijkertijd geboren, en onze geboorte veroorzaakte mijn moeders dood. De uitermate groote smart van mijn vader en de onrust, die eenige oogenblikken in ons heele huis heerschte, waren oorzaak dat de twee pasgeboren kinderen met elkaar werden verward. Men is er nooit achter kunnen komen wie van ons beiden de oudste was. Een van onze familieleden heeft altijd gemeend, dat het mijn broer was, maar zonder er zeker van te zijn, en daar haar getuigenis door niemand ondersteund noch tegengesproken werd, heeft het een soort van vermoeden teweeggebracht en niets meer; want de meening die had postgevat hield geen stand, telkens wanneer men wilde nagaan waarop zij gegrond was. Op mij maakte ze eenigen indruk, maar nooit den minsten op mijn broer. Hij nam zich voor nooit iets tenzij samen met mij te hebben, en niet te trouwen als ik trouwen zou. Ik deed aan mijzelf en aan hem dezelfde belofte; zoodat, daar wij samen slechts één familie hadden en slechts dezelfde erfgenamen konden hebben, de wet zich nooit zou hoeven uitspreken over onze rechten of aanspraken.
Zoo het lot alle mogelijke gelijkheid tusschen ons had beschikt, had het daarin slechts de natuur gevolgd; deze band werd nog vermeerderd en versterkt door de opvoeding. We leken op elkaar van gezicht en van stemming, onze smaak was dezelfde, onze bezigheden waren ons gemeenzaam evenals onze spelen; de een deed niets zonder den ander, en de vriendschap tusschen ons kwam eer uit onze natuur dan uit onze keus voort, zoodat we haar nauwelijks bemerkten; veeleer spraken de anderen erover, en wij erkenden haar eerst recht toen er sprake van was dat we uit elkaar moesten. Mijn broer werd bestemd voor het bekleeden van een plaats in het parlement, en ik om in het leger te dienen; hem wilde men naar Oxford zenden, en mij aan huis doen bij een ingenieur; maar toen het oogenblik der scheiding was gekomen bewerkten ons verdriet en onze smeekbeden dat ik hem naar de universiteit zou volgen, en ik had er deel aan zijn heele studie gelijk hij aan de mijne.”

 

2186749-b08979cb863cff357437b1e8539ae138.jpg
Belle van Zuylen (20 oktober 1740 – 27 december 1805)
Cover biografie

 

 

De Amerikaanse (humoristische) schrijver en columnist Lewis McDonald Grizzard Jr. werd geboren op 20 oktober 1946 in Columbus, Georgia. Zie ook alle tags voor Lewis Grizzard op dit blog.

Uit: Don't Bend Over in the Garden, Granny, You Know Them Taters Got Eyes

“This book will, incidentally, offer an occasional joke or story with sexual overtones. There are a lot of reasons for that, too. Mainly, it’s because most people find jokes with sexual overtones amusing . . . that and the fact that 98 percent of the jokes I’ve ever heard had sexual overtones.
In other words, jokes without sexual overtones are hard to find, and most of them aren’t funny.
Example: What do you call a boomerang that won’t come back? A stick.
3. I was considering ideas for books and somebody suggested I do one on sex.
“You don’t need to write something that is filthy,” I was told. “Just get in there and point out how sex makes the world go around and how much a part of everybody’s life it is and how we’re always talking about it and laughing about it and getting totally confused by it.”
“But,” I pointed out, “there have already been tons of books about sex.”
“Yes,” my counsel continued, “but all those books were by alleged experts on the subject. Are you an expert on sex?”
“Of course not,” I said, “I wasn’t in the army and I missed all those training films.”
“Then that’s the angle you take. You’re just as dumbfounded and lost about sex as most of the rest of the population. Your book can make others who are confused feel like they are not alone out there in the great sexual cosmos. Think of yourself as a public service announcement.”
“Like a message from the National Health Institute about condoms?”
“That’s it. You’re one of those, a brief pause in next year’s literary world that says, ‘Listen up, people. We’ve got to talk about sex here. We’ve got to have a few laughs about it, we’ve got to put it in perspective, and we’ve got to discuss ways to keep from getting killed by it.’ Did you see the movie Fatal Attraction, incidentally?”
“I did.”
“Did you know the rabbit was going to get it?”
“As soon as I saw that rabbit, I knew it was a goner, but I never thought Glenn Close would stoop so low as to boil it alive.”

 2186749-22a4e87d7c9d0b4c1a55d60285f6ca9f.jpg
Lewis Grizzard (20 oktober 1946 – 20 maart 1994)

Geschreven door Romenu om 13:04 Reageer op dit bericht

David Vann, Philip Pullman, Miguel Ángel Asturias, Fannie Hurst, Leigh Hunt, Nardo Aluman, Andrew Vachss, John le Carré, Adam Lindsay Gordon

De Amerikaanse schrijver David Vann werd geboren op 19 oktober 1966 op Adak Island, Alaska. Zie ook alle tags voor David Vann op dit blog.

Uit: Legend of a Suicide

“My mother gave birth on Adak Island, a small hunk of rock and snow far out on the Aleutian chain, at the edge of the Bering Sea. My father was serving two years as a dentist in the Navy; he had wanted Alaska because he liked hunting and fishing, but he obviously had not known about Adak at the time of his request. Had my mother known, she would have scratched out the request herself. Given enough information, my mother has never made the wrong choice.
So it was that she refused to have her sweltering, jaundiced baby yanked out of Adak's underground naval hospital and thrown into the jet that sat waiting on the runway for more than six hours. Because my temperature was 105 degrees and still climbing, the doctors and my father recommended I be flown to the mainland, to a real hospital (no one on Adak survived even a mild heart attack while we were there — no one), but my mother refused. She was certain, with what my father always described as an animal, instinctive fear, that the moment I was borne aloft, I would perish. She placed me in an ordinary white bathtub filled with cold water, and there I survived. Flourished, even. My orange, blotchy skin gradually calmed to a healthy baby pink, my limbs unlocked, and I flailed my legs in the waters until she lifted me out and we both slept.
When my father had finished his sentence with the Navy, we moved to Ketchikan, an island in southeastern Alaska, where he bought a dental practice and, three years later, a fishing boat. The boat was a new twenty-three-foot Uniflite fiberglass cabin cruiser. Still wearing his dental smock beneath his jacket, he launched the boat late on a Friday afternoon as we cheered from shore. He slipped it into its stall in the docks, and the next morning he stood on the edge of those docks looking down thirty feet through clear, icy Alaskan water to where the Snow Goose sat like a white mirage on the rounded gray stones. My father had named it the Snow Goose because he had been filled with dreams of its white hull flying over the waves, but he had forgotten to put in the drain plugs the afternoon of the launching. Unlike my mother, he had neither eyes nor ears for matters below the surface.
That summer, as we flew back over the waves from a day of fishing (my father had had the Snow Goose raised and cleaned, proof that persistence sometimes can make up for a lack of vision), I would be on the open but high-sided back deck with the day's catch of halibut, flopping into the air with them each time my father sailed over one wave and smashed into the next. The halibut themselves lay flat, like gray-green dogs on the white deck of the boat, their large brown eyes looking up at me hopefully until I whacked them with a hammer.”

 

 2186609-fc9a8bd3900abd2837a39da1e823d73a.jpg
David Vann (Adak Island, 19 oktober 1966)

 

 

De Britse schrijver Philip Pullman werd geboren op 19 oktober 1946 in Norwich als zoon van een luchtmachtofficier. Zie ook alle tags voor Philip Pullman op dit blog.

Uit: Daemon Voices. On Stories and Storytelling

“The first responsibility to talk about is a social and financial one: the sort of responsibility we share with many other citizens—the need to look after our families and those who depend on us. People of my age will probably remember that wonderfully terrifying advertisement they used to have for Pearl Assurance. It told a little story which I used to read all the way through every time I saw it. When many years later I learned the meaning of the word catharsis, I realised what it was that I’d been feeling as I read that little story: I had been purged by pity and terror. 
The advertisement consisted of five drawings of a man’s face. The first was labelled “At age 25,” and it showed a bright-eyed, healthy, optimistic young fellow, full of pep and vigour, with a speech balloon saying “They tell me the job doesn’t carry a pension.”
Each succeeding drawing showed him ten years older, and the speech balloons changed with each one. At forty-five, for example, he was looking sombre and lined and heavy with responsibility, and saying “Unfortunately, the job is not pensionable.” It ended with him at sixty-five: wrinkled, haggard, wild-eyed, a broken-down old man staring into the very abyss of poverty and decrepitude, and saying, “Without a pension I really don’t know what I shall do!” 
Well, I’m not going to sell you a pension. I’m just going to say that we should all insist that we’re properly paid for what we do. We should sell our work for as much as we can decently get for it, and we shouldn’t be embarrassed about it. Some tender and sentimental people—especially young people—are rather shocked when I tell them that I write books to make money, and I want to make a lot, if I can. 
When we start writing books we’re all poor; we all have to do another job in the daytime and write at night; and, frankly, it’s not as romantic as it seems to those who aren’t doing it. Worry—constant low-level unremitting anxiety about bank statements and mortgages and bills—is not a good state of mind to write in. I’ve done it. It drains your energy; it distracts you; it weakens your concentration. The only good thing about being poor and obscure is the obscurity—just as the only trouble with being rich and famous is the fame.

 

 2186609-658ff4d923b5eb2f8c3a8781e4f41dc4.jpg
Philip Pullman (Norwich, 19 oktober 1946)

 

 

De Guatemalteekse dichter en schrijver Miguel Ángel Asturias werd geboren op 19 oktober 1899 in Guatemala-Stad. Zie ook alle tags voor Miguel Ángel Asturias op dit blog.

 

In the Light of the Goldthinking-Stars (Fragment)

The rain scorched the whites of his eyes,
the quicklime corneas,
in the presence of those who bejewel the earth
with water tattoos,
tattoos in motion, navigable tattoos,
Fluvial Tattooers;
before those who pearl the fields with tearful dust,
Tattooers of the Dew;
before those who set out to tattoo the beaches
with snails, sponges and sargassos,
the raucous skeleton of the sea,
Oceanic Tattooers;
before those who steal from serpentariums
tattoos that shorten distance
and move away the near,
Tattooers of Roads;
before the Tattooers of the Dusk,
their hands with handfuls of sunset clouds...
Before the Tattooers of the Night,
their hands with amulets of fire...

The Night, Nothingness and Life,
those Immense Widows
in the light of the Goldthinking-stars,
Emissaries who lost their way in the nickel sky,
without revealing their message,
and the Twohanded Tattooer
with his hollow pupils,
craters of extinct volcanoes
in the cemetery of his corneas,
on the move - Blinded by Fresh Rain,
those Blinded by Fresh Rain see what they dream -
in all the white shadow his steps provided,
his countless feet moving beneath the tunic woven
with amnesia of silkworms,
the silver-dust cloak in the wind at his shoulders,
to keep from losing the thread of the tattoo
when crossing the shadowy world
where touch is demagnetized
and one must dodge, transformed into dream,
jaguars forged of fire,
blue turkeys forged of sky,
corals of coral vipers,
breathless jades,
women cut into islands,
masks pockmarked with rubies,
skulls with teeth encrusted with jadeites,
horoscopes of breeze
and cities of white copal ,
until one emerges at respiration,
at respirations,
at scent,
at pollen,
at the calendar of ashes,
at the hailstorm of hieroglyphics...

 

Vertaald door Robert W. Lebling

 

2186609-31d5ea6c146fc9cdde11e90f34c280c0.jpg
Miguel Ángel Asturias (19 oktober 1899 – 9 juni 1974)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Fannie Hurst werd geboren op 19 oktober 1889 in Hamilton, Ohio. Zie ook alle tags voor Fanny Hurst op dit blog.

Uit: Back Street

“One evening in one of those Over-­the-­Rhine cafés which were plentiful along Vine Street of the Cincinnati of the nineties, a traveling salesman leaned across his stein of Moerlein’s Extra Light and openly accused Ray Schmidt of being innocent.
“I know! You’re one of those cheating girls who act fly but aren’t. You’ll lead a man on, but you won’t go all the way.”
At the implication and all that went with it, Ray’s hand flew to her tippet, color ran beneath her tan pallor, and as usual when under stress, she rolled her eyes and became flippant.
“Try me,” was what she said, with little sense of the outrageousness of such a remark.
“That’s exactly what I have been trying to do all evening,” said the traveling salesman who, having exhibited what was for him an unprecedented astuteness in his summary of Ray Schmidt, now leaned to pinch her knee softly underneath the table.
Ray was forever being pinched underneath tables. As far back as she could remember, as a child and then as a girl growing up on Baymiller Street, boys had been fond of pinching and pulling her toward them for kisses.
“Spooning” was not unpleasant, particularly in the evening, when somehow the boys’ faces receded out of a pimply reality into the velvet tunnels of Cincinnati’s low kind of darkness. With the boys whose faces persisted in jutting lumpily, even out of cover of nighttime, Ray simply had not the heart to follow the slightly disgusted impulse to push them away.
One “spooned” to be kind. It gave you the reputation of being “fly,” no doubt of that, particularly if, like Ray, you were endowed with that subtle womanish dimension known as “style.” Ray had that. When she even so much as walked past the Stag Hotel, skirts held up off the sidewalk with that ineffable turn of wrist which again denoted “style,” there was that in her demeanor which caused each male head and eye to turn.
Sometimes they made kissing sounds with their lips, past which she sailed with her head high.”


 2186609-fc83d45ca2ef5e2fffb3b668d522ec93.jpg
Fannie Hurst (19 oktober 1889 – 23 februari 1968)

 

 

De Engelse dichter, schrijver en essayist James Leigh Hunt werd geboren op 19 oktober 1784 in Southgate, Middlesex. Zie ook alle tags voor Leigh Hunt op dit blog.

 

The Olive Of Peace

Now sheath'd is the Sword that was wild as the blast:
The Tempest of Slaughter and Terror is past;
Old ALBION her Neighbour all smilingly hails—
For the OLIVE of PEACE blooms again in our Vales!
Beam on the day,
Thou Olive gay:
'Matchless is he
Who planted thee;
And mayst thou like him immortal be!'

Divinest of Olives, O, never was seen
A bloom so enchanting, a verdure so green!
Sweet, sweet do thy Beauties entwiningly smile
In the Vine-tree of France and the Oak of our Isle!
Beam on the day,
Thou Olive gay, &c.

Long, long did thy envied Exotic delay,
'Till the voice of HUMANITY charm'd thee away;
And here, ever here mayst thou bloom in repose,
As firm as our Oak-tree, and gay as the Rose!
Bloom on the day,
Thou Olive gay, &c.

Let ALCIDES his Poplar of Majesty prize,
And VENUS her Myrtle exalt to the skies:
FRANCE and ALBION excell all the Gods of old Greece—
For they crown their wise heads with the OLIVE of PEACE!
Bloom on the day,
Thou Olive gay, &c.

The delicate Lily may gracefully mount,
And the Pink all her charms with the Rainbow recount;
Green, green is the Olive on ALBION'S brow,
And the Lily and Pink to the Olive must bow!
Bloom on the day,
Thou Olive gay, &c.

Thou Olive divine, may Eternity's Sun
Beam warm where thy roots thro' the ages shall run;
The Dew of Affection 'light soft where they twine,
And the Love of an Universe stamp thee divine!
Bloom on the day,
Thou Olive gay:
'Matchless was he
Who planted thee;
And mayst thou like him immortal be!'

 

 2186609-e5c744bbbae713b9b60fdbe7a280726f.jpg
Leigh Hunt (19 oktober 1784 – 28 augustus 1859) 
Portret door Margaret Gillies in de National Portrait Gallery, Londen, 1838-1846

 

 

De Surinaamse schrijver Nardo Aluman (eig. Ronald Renardo Aloema) werd geboren in Christiaankondre op 19 oktober 1946. Zie ook alle tags voor Nardo Aluman op dit blog.

Uit: Julawai / De strijd tussen goed en kwaad

“Bij het water aangekomen had hij toch wel spijt dat hij geen lamp had meegenomen, want het was pikdonker. Toen hij enkele ogenblikken genoot van de stilte van de nacht en aanstalten maakte om zijn lange blauwe kamisa (lendendoek) uit te trekken, kreeg hij het gevoel dat hij door iemand benaderd werd. Hij kreeg kippevel. Op korte afstand klonk ineens een mannenstem. De stem zei dat hij een goede vriend was. Julawai zag hoe in het donker een mannelijke figuur hem naderde. De stem vroeg of Julawai geen zin had om bij hem thuis te komen.
‘Er is voldoende eten en drinken thuis’, zei de onbekende. Julawai kon niet antwoorden, hij voelde zich lamgeslagen. Zijn oren begonnen te suizen. De omgeving werd donkerder voor hem. In zijn lichaam voelde hij geen botten meer. Ineens pakte de onbekende man hem bij zijn schouders en zette een hoofdtooi op zijn hoofd. Toen pas realiseerde Julawai zich dat er iets onheilspellends gebeurde, dat hij in de handen van een kwaadwillige gevallen was. Hij begon om hulp te schreeuwen. Zijn vrouw werd hierdoor wakker. Zij herkende de stem van haar man. Samen met andere dorpelingen holde zij naar de plaats des onheils. Ondertussen werd Julawai door de onbekende man bij zijn arm gepakt en gedwongen om mee te gaan. Vanaf het moment dat hij de hoofdtooi op zijn hoofd kreeg, kon hij alles weer helder zien. Hij zag dat de man die hem bij zijn arm vastpakte niet alleen was, maar dat er nog twee anderen bij waren. De drie mannen zagen er vriendelijk uit. Maar nog steeds vertrouwde Julawai de zaak niet en hij begon harder te roepen.
De Byjai, de vrouw van Julawai en enkele anderen waren inmiddels aan de waterkant aangekomen. Ze zagen Julawai niet, maar hoorden hem om hulp roepen. Met een olielamp op het hoofd zette het groepje koers in de richting van het geschreeuw. Julawai riep dat hij meegenomen werd door onbekenden. Sneller en sneller zetten ze de achtervolging in. Ze hadden al een behoorlijke afstand gelopen, toen ze het geroep van Julawai net enkele meters van hen vandaan hoorden. Julawai zag zijn vrouw aankomen, maar zijn vrouw en de anderen konden hem niet zien. Hij begreep toen dat hij onzichtbaar was gemaakt door zijn ontvoerders. De Byjai en zijn vrouw vroegen hem om terug te keren naar huis. Hij zei dat hij dat graag wilde, maar dat hij werd vastgehouden door drie mannen. De Byjai begreep dat Julawai door ewarumyn (boze geesten) onzichtbaar was gemaakt en dat hij nu in de ban was van de slechte geestelijke krachten van het oerwoud. Julawai sprak nog een laatste woord tot zijn vrouw. Hij zei dat alleen de hoofdtooi hem belemmerde om zichtbaar te zijn. De Byjai wist dat het zinloos was Julawai verder te volgen en dat ze beter naar het dorp konden terugkeren.”

 

 2186609-6c1b2570d0cd008ff9f82671c5ac8507.jpg
Nardo Aluman (Christiaankondre, 19 oktober 1946)

 

 

De Amerikaanse schrijver Andrew Vachss werd geboren op 19 oktober 1942 in New York. Zie ook alle tags voor Andrew Vachss op dit blog.

Uit: Blue Belle

“Spring comes hard down here. The switchman was in the lo-tus position—serenely posed on an army blanket he had neatly folded into quarters before he assembled his tools and took up his post for the day. A black man with glowing bronze skin, hair falling straight and glossy down either side of his head like a helmet, framing a face that was mostly skull. He held a thick pad of graph paper open on his lap, carefully filling a page with finely shaded symbols—a covert calligraphy all his own. He didn't bother to hide his work from passing citizens. His half-smile said it all—the simple slugs thought him insane; they could never understand the difference between the messenger and the message. A pale-blue quilt covered his shoulders. He placed three identical blue china bowls on the blanket around him. To his right, the bowl sported a generous supply of fine-point felt-tip pens in different colors. The bowl on his left held a heavy Zippo cigarette lighter and some loose cigarettes—various brands. Directly in front was a bowl with some coins, encouraging the passing citizens to make a contribution to his mystical cause.
He had long tapering fingers, clean and smooth, the nails man-icured and covered with clear polish. I got a good look at his hands yesterday when I stopped to look over his shoulder and watch him work. He filled a quarter of the page with symbols, never using the same one twice, working in five separate colors, not acknowledging my presence. I helped myself to one of his cigarettes, lit it with his lighter. He never moved. I tossed some coins into his china bowl and moved on, smoking his cigarette. It tasted like it was about my age. I didn't need the polished nails to tell me he was the switchman. The neighborhood is full of halfway houses for discharged mental patients—they disgorge their cargo into the streets each morning, but this guy wasn't part of that herd. He wasn't talking to himself and he hadn't tried to tell me his story. And he didn't look afraid. The little piece of winter chill still hanging around in April didn't seem to bother him. He worked the same post every day—starting around eleven in the morning and staying on the job until about three. The switchman had a choice spot, always setting up his shop at the edge of a tiny triangle of dirt on West Broadway, between Reade and Chambers. The slab of dirt had a couple of broken backless benches and a runty tree that had been bonsai'ed by years of attention from pigeons, dogs, squirrels, and winos. An alley without walls. Down in this part of the city, they call it a park. At eleven, he would still be in shadow, but the sun would make its move from the East River over to the Hudson past noon, and things would warm up.”

 

 2186609-f52ac532e80709998d3846cdb75c3598.jpg
Andrew Vachss (New York, 19 oktober 1942)

 

 

De Britse schrijver John le Carré werd geboren op 19 oktober 1931 in Poole, Dorset, Engeland. Zie ook alle tags voor John le Carré op dit blog.

Uit: The Constant Gardener

“The news hit the British High Commission in Nairobi at nine-thirty on a Monday morning. Sandy Woodrow took it like a bullet, jaw rigid, chest out, smack through his divided English heart. He was standing. That much he afterwards remembered. He was standing and the internal phone was piping. He was reaching for something, he heard the piping so he checked himself in order to stretch down and fish the receiver off the desk and say, "Woodrow." Or maybe, "Woodrow here." And he certainly barked his name a bit, he had that memory for sure, of his voice sounding like someone else's, and sounding stroppy: "Woodrow here," his own perfectly decent name, but without the softening of his nickname Sandy, and snapped out as if he hated it, because the High Commissioner's usual prayer meeting was slated to start in thirty minutes prompt, with Woodrow, as Head of Chancery, playing in-house moderator to a bunch of special-interest prima donnas, each of whom wanted sole possession of the High Commissioner's heart and mind.
In short, just another bloody Monday in late January, the hottest time in the Nairobi year, a time of dust and water shortages and brown grass and sore eyes and heat ripping off the city pavements; and the jacarandas, like everybody else, waiting for the long rains.
Exactly why he was standing was a question he never resolved. By rights he should have been crouched behind his desk, fingering his keyboard, anxiously reviewing guidance material from London and incomings from neighboring African missions. Instead of which he was standing in front of his desk and performing some unidentified vital act -- such as straightening the photograph of his wife Gloria and two small sons, perhaps, taken last summer while the family was on home leave. The High Commission stood on a slope, and its continuing subsidence was enough to tilt pictures out of true after a weekend on their own.
Or perhaps he had been squirting mosquito spray at some Kenyan insect from which even diplomats are not immune. There had been a plague of "Nairobi eye" a few months back, flies that when squidged and rubbed accidentally on the skin could give you boils and blisters, and even send you blind.”

 

 2186609-6962e9d8411d119ba9f883835d2a7856.jpg
John le Carré (Poole, 19 oktober 1931) 

 

 

De Australische dichter Adam Lindsay Gordon werd geboren op 19 oktober 1833 op de Azoren. Zie ook alle tags voor Adam Lindsay Gordon op dit blog.

 

Hippodromania; or, Whiffs from the Pipe

Part I: Visions In The Smoke (Fragment)

Rest, and be thankful ! On the verge
Of the tall cliff rugged and grey,
But whose granite base the breakers surge,
And shiver their frothy spray,
Outstretched, I gaze on the eddying wreath
That gathers and flits away,
With the surf beneath, and between my teeth
The stem of the 'ancient clay'.

With the anodyne cloud on my listless eyes,
With its spell on my dreamy brain,
As I watch the circling vapours rise
From the brown bowl up to the sullen skies.
My vision becomes more plain,
Till a dim kaleidoscope succeeds
Through the smoke-rack drifting and veering,
Like ghostly riders on phantom steeds
To a shadowy goal careering.

In their own generation the wise may sneer,
They hold our sports in derision ;
Perchance to sophist, or sage, or seer,
Were allotted a graver vision.
Yet if man, of all the Creator plann'd,
His noblest work is reckoned,
Of the works of His hand, by sea or by land,
The horse may at least rank second.

Did they quail, those steeds of the squadrons light,
Did they flinch from the battle's roar,
When they burst on the guns of the Muscovite,
By the echoing Black Sea shore ?
On ! on ! to the cannon's mouth they stride,
With never a swerve nor a shy,
Oh ! the minutes of yonder maddening ride,
Long years of pleasure outvie !

 

 2186609-64ff20c50d00e22b830e951af8759674.jpg
Adam Lindsay Gordon (19 oktober 1833 – 24 juni 1870)
Cover

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e oktober ook mijn blog van 19 oktober 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Geschreven door Romenu om 18:34 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Rainer Maria Rilke, Kees Fens, Nic Pizzolatto, Jan Wagner, Isabelle Autissier, Ntozake Shange, Terry McMillan, Heinrich von Kleist

 

Dolce far niente

 

 

 2186355-f18d61435146713bda286d557b16e549.jpg
Een herfstavond in Parijs door Eugen Galien-Laloue (1854 - 1941), z.j.

 

 

Herbstabend

Wind aus dem Mond,
plötzlich ergriffene Bäume
und ein tastend fallendes Blatt.
Durch die Zwischenräume
der schwachen Laternen
drängt die schwarze Landschaft der Fernen
in die unentschlossene Stadt.

 

 

 2186355-6693d953fbde61e9e03cbfdc5632f1c7.jpg
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Praag, de geboorteplaats van Rainer Maria Rilke

 

 

De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook alle tags voor Kees Fens op dit blog.

Uit: De nasmaak van het onsterfelijke

“Vondels gedicht is een specimen van een soort literatuur die wij kwijt zijn, niet literair, maar literair beschouwelijk en dat is levensbeschouwelijk. Het is de literatuur die eenheidscheppend is, niet, alweer, in de literaire en daarvan afgeleide literair-kritische betekenis, maar een die eenheid ontleent aan een samenhangend wereldbeeld, in het geval van Vondel het alles insluitende en alles met elkaar in relatie brengende rooms-katholicisme, dat zich in zijn universele greep in elk deel ervan manifesteert, in het sacrament van het altaar dus ook. Misschien daar vooral, omdat daar de stofwisseling van hemel en aarde - brood wordt lichaam van Christus, wie het brood eet, neemt Christus in zich op, transformeert diens bloed in zijn eigen bloed - het meest zichtbaar is. In de ‘Koorzang’, die aan het eerste boek van Altaergeheimenissen voorafgaat, staan de regels:

Alwaar zijn uitgestorte dierbaar bloed
Rantsoen is voor zijn ledematen

De transformatie door vlees en bloed gaat het hele lichaam van alle gelovigen aan die kunnen eten en drinken. Ik citeerde de regels niet zonder opzet: het sacrament van eten en drinken staat centraal in Kellendonks roman Mystiek lichaam. De grote eenheid-scheppende conceptie van het kerklichaam, die indrukwekkende mythe, die hemel en aarde, leven en dood samenbrengt en met elkaar verzoent, maar in zijn afstoting van de maaltijd ook sommigen buitensluit, wordt zichtbaar in deze roman, vertekend en verpulverd, maar nog altijd barstend van de verwijzingen naar het grote geheel, dat de hoofdfiguren nog altijd in de greep houdt. In het verbeeldingswerk dat de roman is.
Kellendonk had nog een andere reden voor de keuze van Vondels leerdicht. Ze lijkt een toevallige, ze werd een in meer opzichten essentiële. Hij had een editie van het werk, verzorgd door de priesterdichter A. van Delft, in zijn bezit. Het bleef vijfentwintig jaar ongelezen, het boek ongeopend. In die periode las hij veel poëzie. Het boek werd een droom, maar ook het archetype van poëzie, juist doordat het ongelezen bleef, en daarbij het werk van een dichter die al even archetypisch was: monumentaal en ongelezen, een dichter die er is, omdat elk land een groot dichter moet hebben: ‘Vondel is de naam die we aan die leemte gegeven hebben.’ Altaergeheimenissen was de naam die Kellendonk aan de behoefte tot grote poëzie had gegeven.
Ik denk dat in ieders leven een ongelezen boek moet zijn; dat het literaire lezen levend blijft door het uitstel van het lezen van dat ene boek: het boek dat de leemte zou kunnen vullen die al dat lezen nodig maakt. Kellendonk sloeg het tenslotte open en hij kreeg daar ineens, vermoed ik, veel meer gelijk van een gedicht dan hij ooit verwacht had. Hij heeft, de inhoud van zijn drie colleges bewijzen het, een zeer eigen Vondel en ook diens Altaergeheimenissen voor ons ontdekt, hij heeft ook, gezien de nabeschouwing, een in zijn eigen schrijverschap passende ontdekking gedaan, in elk geval zag hij zijn eigen wereldbeeld uitgedaagd door dat van Vondels poëzie, maar daarin ook bevestigd. Vijfentwintig jaar lijkt hij de rechtvaardiging van eigen schrijverschap in huis te hebben gehad.”

 

 2186355-76a0c94b78858974b24f95d46132a1f3.jpg
Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

 

 

De Amerikaanse schrijver Nic Pizzolatto werd geboren op 18 oktober 1975 in New Orleans, Louisiana. Zie ook alle tags voor Nic Pizzolatto op dit blog.

Uit: Between Here and the Yellow Sea

"You said it," Coach says, and I wonder if I was thinking out loud. He nods at the windshield, where rain spatters. I'm used to thinking out loud, especially in a moving truck. At this time I still work for Lone Star Environmental, in Port Arthur, and my days are spent driving back roads with a clipboard, noting phosphorus and ammonia levels in the watershed, making sure farmers aren't spreading chicken shit over their fields. In the evening you might catch me at Petro Bowl or Chili's, trying to buy drinks for grade school teachers and secretaries, but at work I drive alone, five to seven hours, and on those days I tend to narrate my thoughts, turning observations into stories. Rilke wrote, "Love your solitude, for solitude is difficult." I remind myself not to think out loud.
Rain builds, and before we reach Las Cruces a torrent lets loose, hiding the road under a curtain of water. Metal writhes in my jawbone. The wipers don't do much, and Coach leans close, squinting. He takes a pill from a brown plastic bottle.
"It's late enough." He swallows. We pull over onto the shoulder, rain drumming. He slouches against the window and tugs his baseball cap down. Coach doesn't coach anymore, but he receives a generous stipend from Port Arthur High and the honorary title of athletic coordinator, which is what eight district championships and three state titles get you in East Texas. I watch him breathe, softened, rain making the windows look like creeks, and I try to connect this man sleeping so calmly with the man I used to see, the fuming, granite-faced commander on the edges of hallways, on the sidelines of a game. I try to figure how he got from there to here. I do that because at this age one of my essential habits is to look for causal links, find stories, and I spend a great deal of time combing through the past, as if answers were there. I'm at an age when I drive in circles, and I take the words of poets and famous men at face value. I'm four years out of high school, living in the house my grandmother left me, and not until sometime after Coach and I reach Los Angeles will I stop looking for answers.
My cheek rests against the window, because it's cold and dulls my jaw's throbbing. Coach starts to snore.
I was there the day she left. I mowed lawns back then, and on that Sunday I worked the yard next to Coach Duprene's house. A red Chevy Blazer parked in their driveway. Four boys I knew from school were in that truck. The back end sagged with boxes and bags, a surfboard. High school was over, and they were all moving to California. Coach Duprene watched from the porch and didn't wave as the truck rolled away”.

 

 2186355-f5f3ac71062311499703da45966919da.jpg
Nic Pizzolatto (New Orleans, 18 oktober 1975)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

Quittenpastete

wenn sie der oktober ins astwerk hängte,
ausgebeulte lampions, war es zeit: wir
pflückten quitten, wuchteten körbeweise
gelb in die küche

unters wasser. apfel und birne reiften
ihrem namen zu, einer schlichten süße -
anders als die quitte an ihrem baum im
hintersten winkel

meines alphabets, im latein des gartens,
hart und fremd in ihrem arom. wir schnitten,
viertelten, entkernten das fleisch (vier große
hände, zwei kleine),

schemenhaft im dampf des entsafters, gaben
zucker, hitze, mühe zu etwas, das sich
roh dem mund versagte. wer konnte, wollte
quitten begreifen,

ihr gelee, in bauchigen gläsern für die
dunklen tage in den regalen aufge-
reiht, in einem keller von tagen, wo sie
leuchteten, leuchten.

 

 

Champignons

wir trafen sie im wald auf einer lichtung:
zwei expeditionen durch die dämmerung
die sich stumm betrachteten. zwischen uns nervös
das telegraphensummen des stechmückenschwarms.

meine großmutter war berühmt für ihr rezept
der
champignons farcis. sie schloß es in
ihr grab. alles was gut ist, sagte sie,
füllt man mit wenig mehr als mit sich selbst.

später in der küche hielten wir
die pilze ans ohr und drehten an den stielen -
wartend auf das leise knacken im innern,
suchend nach der richtigen kombination.

 

 2186355-52bd75ef36d94f0a1f81af5be0ffc346.jpg
Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

 

De Franse schrijfster en zeilster Isabelle Autissier werd geboren op 18 oktober 1956 in Parijs. Zie ook alle tags voor Isabelle Autissier op dit blog.

Uit: Plotseling, alleen (Vertaald door Floor Borsboom)

“Ze zijn vroeg vertrokken. Het belooft een schitterende dag te worden zoals wel vaker op die onstuimige Zuidpoolzee, de hemel van een diep, vloeibaar blauw, van een transparantie die je alleen aantreft rond de vijftigste breedtegraad zuid. Geen rimpeltje op het wateroppervlak, de Jason, hun boot, lijkt te zweven over een tapijt van donker water. Bij gebrek aan wind peddelen albatrossen kalmpjes rond de romp.
Ze hebben de rubberboot hoog op het strandje getrokken en zijn langs het voormalige walvisstation gelopen. De verroeste staalplaten, verguld door de zon, hebben iets vrolijks, met hun mengeling van oker, lichtbruin en vaalrood. Het door de mensen verlaten station is wederom in bezit genomen door de dieren, dezelfde als waarop eeuwenlang jacht is gemaakt, die zijn afgemaakt, geslacht en te koken gelegd in enorme traanovens die nu op instorten staan. Rond elke hoop bakstenen, in half ingestorte krotten, te midden van een wirwar van pijpen die nergens meer heen gaan, nestelen groepen behoedzame pinguïns, families pelsrobben en zeeolifanten. Ze hebben de dieren een tijdlang gadegeslagen en zijn pas laat in de ochtend uit het dal omhooggeklommen.
‘Een dikke drie uur,’ had Hervé tegen hen gezegd, een van de weinigen die hier ooit is geweest. Zodra je op het eiland de kustvlakte achter je laat, verlaat je het groen. De wereld wordt mineraal; rotsen, kliffen, met gletsjers bedekte bergtoppen. Ze zetten er stevig de pas in, giechelend als middelbare scholieren op schoolreisje bij het zien van de kleur van een steen, het heldere water van een bergbeekje. Bij de eerste hoge piek, voordat ze de zee uit het oog verliezen, lassen ze nogmaals een pauze in. Het is van zo’n eenvoud, zo mooi, haast niet te beschrijven. De baai omgeven door donkere rotswanden, het water dat glinstert als kwikzilver in het briesje dat opsteekt, de oranje vlek van het oude station en de boot, hun goeie ouwe boot, die met toegevouwen vleugels ligt te soezen, net als de albatrossen van vanochtend. Op volle zee glanzen roerloze gevaartes, witblauw, in het licht. Niets is vrediger dan een ijsberg bij rustig weer. De hemel wordt doorkliefd door immense schrammen, schaduwloze wolken op grote hoogte die de zon met goud omrandt.”

 

 2186355-39171602cd372baa95fad87d684ca8a5.jpg
Isabelle Autissier (Parijs, 18 oktober 1956)

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Ntozake Shange werd geboren als Paulette Williams op 18 oktober 1948 in Trenton, New Jersey. Zie ook alle tags voor Ntozake Shange op dit blog.

 

you are sucha fool

you are sucha fool/ i haveta love you
you decide to give me a poem/ intent on it/ actually
you pull/ kiss me from 125th to 72nd street/ on
the east side/ no less
you are sucha fool/ you gonna give me/ the poet/
the poem
insistin on proletarian images/ we buy okra/
3 lbs for $1/ & a pair of 98 cent shoes
we kiss
we wrestle
you make sure at east 110 street/ we have cognac
no beer all day
you are sucha fool/ you fall over my day like
a wash of azure

you take my tongue outta my mouth/
make me say foolish things
you take my tongue outta my mouth/ lay it on yr skin
like the dew between my legs
on this the first day of silver balloons
& lil girl's braids undone
friendly savage skulls on bikes/ wish me good-day
you speak spanish like a german & ask puerto rican
market men on lexington if they are foreigners

oh you are sucha fool/ i cant help but love you
maybe it was something in the air
our memories
our first walk
our first...
yes/ alla that

where you poured wine down my throat in rooms
poets i dreamed abt seduced sound & made history/
you make me feel like a cheetah
a gazelle/ something fast & beautiful
you make me remember my animal sounds/
so while i am an antelope
ocelot & serpent speaking in tongues
my body loosens for/ you

you decide to give me the poem
you wet yr fingers/ lay it to my lips
that i might write some more abt you/
how you come into me
the way the blues jumps outta b.b.king/ how
david murray assaults a moon & takes her home/
like dyanne harvey invades the wind

oh you/ you are sucha fool/
you want me to write some more abt you
how you come into me like a rollercoaster in a
dip that swings
leaving me shattered/ glistening/ rich/ screeching
& fully clothed

you set me up to fall into yr dreams
like the sub-saharan animal i am/ in all this heat
wanting to be still
to be still with you
in the shadows
all those buildings
all those people/ celebrating/ sunlight & love/ you

you are sucha fool/ you spend all day piling up images
locations/ morsels of daydreams/ to give me a poem

just smile/ i'll get it

 

 2186355-137db7df09ebb71ae4af42884f0672df.jpg
Ntozake Shange (Trenton, 18 oktober 1948)

 

 

De Afrikaans – Amerikaanse schrijfster Terry McMillan werd geboren op 18 oktober 1951 in Port Huron, Michigan. Zie ook alle tags voor TerryMcMillan op dit blog.

Uit: I Almost Forgot About

“I hate to admit it, but if I had the energy, I’d kill to have sex with the first one who walked into my bedroom tonight. I’d let him do anything he wanted to do to me. It’s been centuries since I’ve had sex with a real man, and I’m not even sure I’d remember what to do first should I ever get so lucky again. In fact, I think I’d be too uncomfortable, not to mention scared of getting all touchy-feely, and don’t even get me started on him seeing me naked. Hell, this is why I sleep with the remote.
When I hear the doorbell, I glance over at the broken blue clouds inside the clock on the night table. I’ve been waiting 40 minutes for this pizza, which means they’re going to owe me a free one! I roll off the bed on my side, even though the other side has been empty for years. I walk over to the door and yell, “Be right there!” Then I grab my wallet out of my purse and beeline it to the front door, because I’m starving. That is so not true. I’m just a little hungry. I’m trying to stop lying to myself about little things. I’m still working on the big ones.
I open the door, and standing there sweating is a young Black kid who can’t be more than 18. His head looks like a small globe of shiny black twists that I know are baby dreadlocks. His cheeks are full of brand-new zits. His name tag says “Free.”
“I’m so sorry for the delay, ma’am. There was a accident at the bottom of the hill, and I couldn’t get up here, so this one’s on the house.”
He looks so sad, and I’m wondering if the price of this pizza is going to be deducted from his little paycheck, but I dare not ask.
“I don’t mind paying for it,” I say. “It wasn’t your fault there was an accident.” I take the pizza from him and set it on the metal stairwell.
“That’s real thoughtful of you, but I’m just glad this is my last delivery for the night,” he says, leaning to one side as if he’s pretending not to look behind me, but of course he is. “This a real nice crib you got here. I ain’t never seen no yellow floors before. It’s downright wicked.”

 

 2186355-65f62387b4a001ff982392057e2205c6.jpg
Terry McMillan (Port Huron, 18 oktober 1951)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Heinrich von Kleist werd geboren op 18 oktober 1777 in Frankfurt an der Oder. Zie ook alle tags voor Heinrich von Kleist op dit blog.

Uit: Michael Kohlhaas

“Der Junker, den der mächtige Schweißhengst sehr reizte, befragte ihn auch um den Preis; der Verwalter lag ihm an, ein Paar Rappen zu kaufen, die er wegen Pferdemangels in der Wirtschaft gebrauchen zu können glaubte; doch als der Rosskamm sich erklärt hatte, fanden die Ritter ihn zu teuer, und der Junker sagte, dass er nach der Tafelrunde reiten und sich den König Arthur aufsuchen müsse, wenn er die Pferde so anschlage. Kohlhaas, der den Schlossvogt und den Verwalter, indem sie sprechende Blicke auf die Rappen warfen, miteinander flüstern sah, ließ es aus einer dunkeln Vorahndung an nichts fehlen, die Pferde an sie loszuwerden. Er sagte zum Junker: »Herr, die Rappen habe ich vor sechs Monaten für 25 Goldgülden gekauft; gebt mir 30, so sollt Ihr sie haben.« Zwei Ritter, die neben dem Junker standen, äußerten nicht undeutlich, dass die Pferde wohl so viel wert wären; doch der Junker meinte, dass er für den Schweißfuchs wohl, aber nicht eben für die Rappen Geld ausgeben möchte und machte Anstalten aufzubrechen; worauf Kohlhaas sagte, er würde vielleicht das nächste Mal, wenn er wieder mit seinen Gälen durchzöge, einen Handel mit ihm machen sich dem Junker empfahl und die Zügel seines Pferdes ergriff, um abzureisen.
In diesem Augenblick trat der Schlossvogt aus dem Haufen vor und sagte, er höre, dass er ohne einen Passschein nicht reisen dürfe. Kohlhaas wandte sich und fragte den Junker, ob es denn mit diesem Umstand, der sein ganzes Gewerbe zerstöre, in der Tat seine Richtigkeit habe? Der Junker antwortete mit einem verlegnen Gesicht, indem er abging: »Ja, Kohlhaas, den Pass musst du lösen. Sprich mit dem Schlossvogt und zieh deiner Wege.« Kohlhaas versicherte ihn, dass es gar nicht seine Absicht sei, die Verordnungen, die wegen Ausführung der Pferde bestehen möchten, zu umgehen, versprach bei seinem Durchzug durch Dresden den Pass in der Geheimschreiberei zu lösen und bat, ihn nur diesmal, da er von dieser Forderung durchaus nichts gewusst, ziehen zu lassen. »Nun!«, sprach der Junker, da eben das Wetter wieder zu stürmen anfing und seine dürren Glieder durchsauste, »lasst den Schlucker laufen. Kommt!«, sagte er zu den Rittern, kehrte sich um und wollte nach dem Schlosse gehen. Der Schlossvogt sagte, zum Junker gewandt, dass er wenigstens ein Pfand zur Sicherheit, dass er den Schein lösen würde, zurücklassen müsse. Der Junker blieb wieder unter dem Schlosstor stehen. Kohlhaas fragte, welchen Wert er denn an Geld oder an Sachen zum Pfande wegen der Rappen zurücklassen solle? Der Verwalter meinte, in den Bart murmelnd, er könne ja die Rappen selbst zurücklassen.”

 

 2186355-d05a9d5d046f79a09d6f1d06881d20c5.jpg
Heinrich von Kleist (18 oktober 1777 – 21 november 1811)
Monument in Frankfurt an der Oder

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e oktober ook mijn blog van 18 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 18 oktober 2015 deel 2.


Geschreven door Romenu om 18:25 Reageer op dit bericht

Dolce far niente, Simon Vestdijk, Pieter Waterdrinker, Georg Büchner, Mark Gatiss, Arthur Miller, Nel Noordzij, Tom Rachman

 

Dolce far niente

 

 2186132-92f8406cee9d2d95562654313645f70e.jpg
Autumn Mists door Jef Dutilleux (1876 – 1960), z.j.

 

 

Herfstnevel

Waar geen lied de bronnen wekt
En wij droomverloren dolen,
Waar de vormen zijn bedekt,
Ligt de gouden schat verscholen
Van ons jong geluk.

Gaan wij rustig, gaan wij zacht,
Ademen is zoet en ruimer,
Nu wij weten, wat ons wacht,
Nu de wereld in haar sluimer
Draagt ons jong geluk.

Een enk'le klank, die door de stilte fluistert,
Een enk'le lamp, die door den nevel gloeit,
En in ons hart, dat zwijgend waakt en luistert,
Is reeds het feest der liefde vol ontbloeid.

Wij zijn van hare heerlijkheid vervuld,
Een vlucht'ge glans is ons een godlijk teeken;
Wachten wij stil, tot gansch ons is onthuld
Het licht geheim, waarvan uw oogen spreken.

 

 2186132-6ac623a706d756296e5fc94c920406a8.jpg
H.W.J.M. Keuls (19 mei 1883 – 28 oktober 1968)
Molen bij Obdam, de geboorteplaats van H.W.J.M. Keuls

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

Uit: De koperen tuin

“Het eerste wat ik mij van W... herinner, waar even na mijn vijfde verjaardag mijn vader tot rechter was benoemd; is de warme voorzomermiddag, toen de bal van mijn broer over de ijzeren krullen van het balkonhek vloog, de verlaten huiskamer in. Op de grond, vlak bij het balkon, had ik in een sprookjesboek zitten lezen. Hoe verwonderlijk, ja zelf sprookjesachtig, waren de sprongen, waarmee de bal de kamer doorkruiste. Wanneer men dacht dat hij tot rust zou komen en in een bepaalde richting verderrollen, tot op dat geheimzinnige punt, waar een bal helemaal is uitgerold, bereikte hij opnieuw aanzienlijke hoogten. Ik weet nog hoe hij vlak naast de waterkaraf op de tafel neerkwam: de karaf bleef ongedeerd, de bal begaf zich naar een boslandschap in gouden lijst. Natuurlijk was ik geschrokken; maar het gedrag van de bal, zo schrander en behoedzaam, zo jong en veerkrachtig tevens, stelde mij in zekere mate gerust, alsof een onzichtbare goochelaar met mij en de breekbare dingen wel rekening wilde houden.
Toen het gekrijs voor het huis een dreigend hoogtepunt had bereikt, - ‘Nol, de bal! Nol, de bal!’ - zij hadden mij niet kunnen zien, maar mijn broer wist, dat ik daar zat, - krabbelde ik overeind en haalde de bal om hem terug te gooien. Wat zou men anders doen, zó uit een sprookjesboek vandaan? Wonderen maken gedwee. Met de bal in de hand stond ik op de blauwstenen balkondrempel, en beneden mij woelden en schreeuwden de jongens, en ik zag ze rechtstandig omhoogspringen om mij in het oog te krijgen, de haren wapperend. Maar midden in zo'n sprong schenen zij met blindheid geslagen: ìk zag hen wel, zij mìj niet. Zij tierden, en riepen ‘Nol, de bal!’ - en onderwijl luisterde ik naar de rij olmen, die zachtjes ritselden in de warmte, en naar een tufbootje in het, aan het uiteinde van onze korte straat zich openende kanaal. Hoger en hoger sprongen de jongens, zij zagen mij niet, het was allerwonderlijkst. In een plotseling invallende stilte kwam de snijdende stem van Chris: ‘Verdomme Nol, gooi die bal naar beneden. En gauw!’ (Mijn vader zei óók altijd: en gauw; hij zei het zelfs als het helemaal niet nodig was). Hoewel ik begreep de bal terug te moeten geven, was ik niet van plan Chris te gehoorzamen. Ik was toen al begonnen hem een beetje belachelijk te vinden; ik kende de woorden ‘kouwe drukte’ ik wist, dat hij mijn moeder vermoeide en dat mijn vader hem voortrok, en daarmee eens zou moeten ophouden, omdat mijn moeder op den duur merken zou, dat tijdens het eten Chris mij tegen mijn blote beentjes schopte, onder de tafel. Ik wist, dat Chris eens ten val zou worden gebracht.”

 

 2186132-ec3136a4bbc06861a5f8700c2381b4e3.jpg
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)
Cover

 

 

De Nederlandse schrijver Pieter Waterdrinker (pseudoniem van Pieter Arie Johannes van der Sloot – Waterdrinker is de achternaam van zijn moeder) – werd op 17 oktober 1961 in Haarlem geboren. Zie ook alle tags voor Pieter Waterdrinker op dit blog.

Uit: Tsjaikovskistraat 40

“Op een late oktoberochtend in het jaar 1988 vroeg een heerschap uit Leiden mij of ik in staat was een kleine zevenduizend bijbels af leveren in de Sovjet-Unie. Hoe hij mij gevonden heeft weet ik nog steeds niet. In die tijd waren er maar weinigen in Nederland die Russisch spraken, die ooit de ussr hadden bezocht. Ik was er slechts één keer geweest, ruim zeven jaar ervoor. Misschien berustte alles ook wel op zuiver toeval, want dat is wat het leven mij heeft geleerd: deze wereld wordt geregeerd door willekeur.
Ik was zesentwintig; kort ervoor was ik weer bij mijn ouders ingetrokken, nadat ik ruim anderhalf jaar lang op de Canarische Eilanden en in een bergdorpje op het Spaanse vasteland had gewoond. Ik was terug op mijn akelige jongenskamer, twee bij drieënhalve meter.
‘Mag ik even binnenkomen?’
De man had natte zwarte haren, zorgvuldig naar één richting gekamd. De scheiding leek er met een tang in gebrand. Hij droeg een bruine regenjas, met bruine knopen.
‘Mijn ouders zijn niet thuis,’ antwoordde ik. ‘Ze zijn in Haarlem, naar het ziekenhuis.’
Hij kwam niet voor hen, hij kwam voor mij.
‘Siderius,’ zei de vooroorlogse verschijning toen.
Een paar tellen later zat hij op de bank, zich in zijn regenjas breed makend, als een roofvogel op zijn nest; hij stak een sigaret op en blies de rook door zijn haakneus naar buiten.
‘Mijn tijd is beperkt,’ begon Siderius. ‘En de kwestie waarvoor ik ben gekomen is eigenlijk nogal simpel. Kunt u over – laten we zeggen – een week of drie zorg dragen voor de aflevering van een partij Russische bijbels in de haven van Leningrad?’
De vraag was absurd, ongerijmd.
Ik knikte enigszins wezenloos; de sigarettenrook hing als blauwe vitrage tussen mij en de man in.
‘God Onze Vader, de Schepper die Zijn enige zoon naar de aarde heeft gezonden om ons te redden, verkeert in zwaar weer. Het oosten is op drift. Ik neem aan dat u het allemaal volgt. Maar het is net als bij een oorlog: de zege is er pas als de victorie is bereikt.”

 

 2186132-ad84bbcb12c21d0741494b5386cb5612.jpg
Pieter Waterdrinker (Haarlem, 17 oktober 1961)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Georg Büchner werd geboren op 17 oktober 1813 in Goddelau. Zie ook alle tags voor Georg Büchner op dit blog.

Uit: Lenz

“Endlich war es Zeit zum Gehen, man führte ihn über die Straße, das Pfarrhaus war zu eng, man gab ihm ein Zimmer im Schulhause. Er ging hinauf, es war kalt oben, eine weite Stube, leer, ein hohes Bett im Hintergrund, er stellte das Licht auf den Tisch, und ging auf und ab, er besann sich wieder auf den Tag, wie er hergekommen, wo er war, das Zimmer im Pfarrhause mit seinen Lichtern und lieben Gesichtern, es war ihm wie ein Schatten, ein Traum, und es wurde ihm leer, wieder wie auf dem Berg, aber er konnte es mit nichts mehr ausfüllen, das Licht war erloschen, die Finsternis verschlang Alles; eine unnennbare Angst erfaßte ihn, er sprang auf, er lief durchs Zimmer, die Treppe hinunter, vor's Haus; aber umsonst, Alles finster, nichts, er war sich selbst ein Traum, einzelne Gedanken huschten auf, er hielt sie fest, es war ihm als müsse er immer »Vater unser« sagen; er konnte sich nicht mehr finden, ein dunkler Instinkt trieb ihn, sich zu retten, er stieß an die Steine, er riß sich mit den Nägeln, der Schmerz fing an, ihm das Bewußtsein wiederzugeben, er stürzte sich in den Brunnstein, aber das Wasser war nicht tief, er patschte darin. Da kamen Leute, man hatte es gehört, man rief ihm zu. Oberlin kam gelaufen; Lenz war wieder zu sich gekommen, das ganze Bewußtsein seiner Lage, es war ihm wieder leicht, jetzt schämte er sich und war betrübt, daß er den guten Leuten Angst gemacht, er sagte ihnen, daß er gewohnt sei kalt zu baden, und ging wieder hinauf; die Erschöpfung ließ ihn endlich ruhen.
Den andern Tag ging es gut. Mit Oberlin zu Pferde durch das Tal; breite Bergflächen, die aus großer Höhe sich in ein schmales, gewundnes Tal zusammenzogen, das in mannichfachen Richtungen sich hoch an den Bergen hinaufzog, große Felsenmassen, die sich nach unten ausbreiteten, wenig Wald, aber alles im grauen ernsten Anflug, eine Aussicht nach Westen in das Land hinein und auf die Bergkette, die sich grad hinunter nach Süden und Norden zog, und deren Gipfel gewaltig, ernsthaft oder schweigend still, wie ein dämmernder Traum standen. Gewaltige Lichtmassen, die manchmal aus den Tälern, wie ein goldner Strom schwollen, dann wieder Gewölk, das an dem höchsten Gipfel lag, und dann langsam den Wald herab in das Tal klomm, oder in den Sonnenblitzen sich wie ein fliegendes silbernes Gespenst herabsenkte und hob; kein Lärm, keine Bewegung, kein Vogel, nichts als das bald nahe, bald ferne Wehn des Windes.”

 

2186132-f5557001cfb4d90aa59fabfa7afcb839.jpg 
Georg Büchner (17 oktober 1813 – 19 februari 1837)
Cover

 

 

De Engelse schrijver, acteur en komiek Mark Gatiss werd geboren op 17 oktober 1966 in Sedgefield. Zie ook alle tags voor Mark Gatiss op dit blog.

Uit:The Devil in Amber

“So much for Art! Happily I had other interests and when not exhibiting my daubs to an increasingly bored public, I was engaged, as I've said, doling out death and violence as gleefully as I did Crimson Alizarin or Mars Yellow. Every man should have a hobby.
Trouble was, of late the glee had rather gone out of this too. But I mustn't get ahead of myself.
The chap I'd been assigned to bump off on this charming December day was called Hubbard. Hubbard the Cupboard, don't you know (the Colonials like their schoolyard nick-names), his curious moniker coming not only from his ungainly shape but from his being a dealer in stolen goods. It was said Hubbard's cupboard was never bare.
The fat fool, however, had strayed somewhat from his usual territory of filched diamanté and crudely forged Demuths, being the brains, it was said, behind an influx of cheap cocaine that was currently drowning New York's nightspots. So, before the hooters of all the hoofers were irretrievably rotted, Hubbard was to be removed from the scene forthwith.
I was in town, tying up the loose ends of another job (the startling history of the Sumatran Automata will have to wait for another day), and, at its conclusion, had been hastily shunted off in pursuit of this nefarious drug baron.
I kept my head low as the car slowed down. The fat man's blood was visible in the snow, trailing in neat crimson curlicues as if fallen from a leaking paint tin. If I could finish him off by lunchtime, I knew a place down in the Bowery that did a smashing shad-roe-caviar club sarnie.
Dropping from the running board, I flattened myself against the grimy wall of the nearest brownstone and watched as the flivver chugged off with a backfire like a Lewis gun.
Inclining my trilby at a rakish angle, I paused a moment, knowing I cut quite a dash. I'm afraid I rather fancied myself - but then everyone else did, so why should I be left out of the fun?
The trail led off the pavement - or 'sidewalk' as I suppose I must call it - and I moved off, my breath billowing like exhaust before me. The air was heavy with the stink of Polish cooking and uncollected rubbish.
Hurrying through the churned-up, brown drifts and following the trail as it swung right, I found myself in a light-starved courtyard. At its centre, smothered in snow, stood a quaint little clapboard church, fragile and unremarkable - save for the polka-dot pattern of bright blood on the steps. The door to the church was slightly ajar. I had him.”

2186132-40f975c283a304de0319bdf99dc9faf3.jpg 
Mark Gatiss (Sedgefield.17 oktober 1966)
Cover

 

 

De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller werd geboren in New York op 17 oktober 1915. Zie ook alle tags voor Arthur Miller op dit blog.

Uit: All My Sons

“CHRIS: Then why'd you ship them out?
KELLER: By the time they could spot them I thought I'd have the process going again, and I could show them they needed me and they'd let it go by. But weeks passed and I got no kick-back, so I was going to tell them.
CHRIS: Then why didn't you tell them?
KELLER: It was too late. The paper, it was all over the front page, twenty-one went down, it was too late. They came with handcuffs into the shop, what could I do? He sits on bench at center. Chris ... Chris, I did it for you, it was a chance and I took it for you. I'm sixty-one years old, when would I have another chance to make something for you? Sixty-one years old you don't get another chance, do ya?
CHRIS: You even knew they wouldn't hold up in the air.
KELLER: I didn't say that ...
CHRIS: But you were going to warn them not to use them ...
KELLER: But that don't mean ...
CHRIS: It means you knew they'd crash.
KELLER: It don't mean that.
CHRIS: Then you thought they'd crash.
KELLER: I was afraid maybe ...
CHRIS: You were afraid maybe! God in heaven, what kind of a man are you? Kids were hanging in the air by those heads. You knew that!
KELLER, For you, a business for you!
CHRIS, with burning fury: For me! Where do you live, where have you come from? For me!—I was dying every day and you were killing my boys and you did it for me? What the hell do you think I was thinking of, the Goddam business? Is that as far as your mind can see, the business? What is that, the world—the business? What the hell do you mean, you did it for me? Don't you have a country? Don't you live in the world? What the hell are you? You're not even an animal, no animal kills his own, what are you? What must I do to you? I ought to tear the tongue out of your mouth, what must I do? With his fist he pounds down upon his father's shoulder. He stumbles away, covering his face as he weeps. What must I do, Jesus God, what must I do?
KELLER: Chris ... My Chris . .
CURTAIN”

 

 2186132-662c94212b575224520bdee223437244.jpg
Arthur Miller (17 oktober 1915 – 10 februari 2005) 
Scene uit een opvoering in Londen, 2010

 

 

De Nederlandse schrijfster en dichteres Nel Noordzij (Eig. Pieternella Margaretha Breevoort-Noordzij) werd geboren in Rotterdam op 17 oktober 1923. Zie ook alle tags voor Nel Noordzij op dit blog.

Uit: Het kan me niet schelen 

“Renée begreep niet waarom ze zo boos was, dat ze haar gedachten vier, vijf maal moest herhalen; klopgeesten die tegen haar schedel sloegen.
Het had geen zin om langer in de cigarenwinkel te blijven staan. Ze wist van te voren dat ze haar beurt niet af zou wachten.
Misschien laat iemand mij zomaar voorgaan, hoopte ze zinloos.
In de hoek van de winkel was een postloketje waarvoor enige vrouwen stonden. Zij trokken vijandige gezichten, die bedoelden: eerst de P.T.T., dan de cigarettenverkoop. Renée probeerde sloom te kijken. Ze rekte zich uit en bleef breed midden in de winkel staan.
Die wijven zijn stuk voor stuk oud, dacht ze tevreden, ze zouden me alleen al niet voor laten gaan, omdat ik geen grijs vel op mijn wangen heb.
Wanneer een der wachtende vrouwen haar aankeek, trok ze haar oogleden samen en keek vaag en lang terug: - Je bent muffe lucht voor me.
Toen ze bijna aan de beurt was, stapte ze opgewekt de winkel uit.
Nu laat ik iedereen achter met de gedachte, dat er te weinig personeel in de winkel is. Ze zullen er wel blijven komen, maar ze zullen er toch over nadenken en er op visites over praten. En de juffrouw achter het loket zal zich onrustig voelen.
Haar hoofddoek gleed opzij toen ze haar fiets van het slot deed en ze wist dat ze er slordig uitzag.
Ik kan er op gaan zitten, ik kan er ook naast blijven lopen. Trillen doe ik toch. Ik ben verdomd zenuwachtig.
Ze ging er op zitten en reed traag langs het trottoir. Het was kinderachtig van me om die roos af te knippen en in een kopje te leggen. Toen hij eindelijk open ging vielen de blaadjes ook meteen af, er was toch geen redden aan. Het was schijn. Alles wat ik doe is schijn, dacht ze met wrevel.”

 

 2186132-c6e4f6c2d8be17d8fcecf7bddf61d704.jpg
Nel Noordzij (17 oktober 1923 – 7 september 2003)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Engelse schrijver Tom Rachman werd geboren in Londen in 1974. Zie ook alle tags voor Tom Rachman op dit blog.

Uit: The Italian Teacher

“Seated in a copper bathtub, Bear Bavinsky dunks his head under steaming water and shakes out his beard, flinging droplets across the art studio. He thumbs a bolt of shag into his pipe and flicks a brass Zippo lighter, sucking hard to draw down the flame, tobacco glowing devil-red, smoke coiling toward the wood-beam ceiling. He exhales and stands. Beads of water rain off his torso.
His five-year-old son, Pinch, hoists a thick bath towel, arms trembling under the weight. Bear runs his fingers through receding reddish-blond hair and—hand on the boy’s head for balance—steps onto newspapers previously used for wiping paintbrushes. His wet footprints bleed across the print, encircling dabs of oily blue and swipes of yellow.
“That’s final!” Natalie declares from across the studio, chewing her fingernail.
“Final, is it? You certain?” Bear asks his wife. “Not the slightest doubt?”
“All I’ve got is doubts.”
He proceeds to the iron front door and shoulders it open, dusky light from the alleyway pushing past him, glinting off glass pigment jars, illuminating abused paintbrushes in turpentine and canvases drying along the bare-brick walls. In the early-evening air, he stands in place, a fortyish male animal, naked but for the towel twisted around his neck, his shadow narrowing up the studio, hurdling the tub, darkening his wife and their little boy. “Absolutely positive then?”
Natalie yanks a strand of black hair over her eyes, wraps it around her baby finger, whose tip reddens. She darts into the WC at the back of the studio and closes the warped door, her head bumping the bare bulb, which alternates glare and gloom as she consults the mirror: emerald ball gown cinched at the waist, box-pleated skirt, polka-dot overlay. It’s as if she were wearing three outfits at once, none of them hers. She tucks her hair under a cream beret but it hardly helps, the same gawky twenty-six-year-old looking back, all elbows and knees, a manly jaw, deep- set black eyes, as uncertain as if drawn with smudged charcoal, the worry lines added in fine- nib pen.
She joins Bear, who remains naked in the doorway, a puff of smoke released from his pipe. “I’m not even acceptable,” she tells him, and he rests a rough palm against the swell of her bosom, firmly enough to quicken her pulse. He strides to his leather suitcase and plucks out neckties, one for himself, one for their son.”

 

 2186132-e018642fe56fb8573f5f30007bb6dfb5.jpg
Tom Rachman (Londen, oktober 1974)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e oktober ook mijn blog van 17 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 17 oktober 2015 deel 2.

 

Geschreven door Romenu om 18:18 Reageer op dit bericht

Man Booker Prize 2018 voor Anna Burns

 

Man Booker Prize voor Anna Burns

 

De Man Booker Prize, de belangrijkste prijs voor Engelstalige literatuur, gaat dit jaar naar de Noord-Ierse schrijfster Anna Burns. Ze krijgt de onderscheiding voor haar roman "Milkman", die speelt in het Noord-Ierland van de jaren 70. Zie ook alle tags voor Anna Burns op dit blog.

Uit: Milkman

“Third time of the millanan was when he appeared not long after my adult evening French class. This dass was downtown and it had surprising things. Often these would not be French things. Often too, there would be more of Litern than would be the French things. At this latest lesson, which took place on Wednes-day evening, teacher was reading from a book. This was a French book, a proper French book — one that native speakers cottld read without considering it beneath them — and wacher said she was reading from it to get us used to what authentic French sounded like when strung together in Full-on passages — in this rase, a lit-erary passage. Thing was though, the sky in this passage she was reading from wasn't blue. Eventually she got interrupted because someone in the dass — spokesperson for the test of us — naturally couldn't stand it. Something was wrong and he had a need, for the sake of all things generic, to point it out. '1'm confused,' he said. '1s that passage akut the sky? lf it is about the sky then why doesn't the writer just say so? Why is he complicating things with fang footwork when all he need say is that the sky is blue?' 'Hear! Hear!' cried us oti if some of us, like me, didn't cry it, certainly we agreed in sentiment. 'Le ciel est bleu! Le ciel est bleu!' shouted many of the others. 'That would have deared matten. Why didn't he just put that?' We were disturbed, and not a little, but wacher, she laughed which was something she did a lot. She did this because she had an unnerving amount of humour — another thing which ruffled us as well. Whenever she laughed, we weren't sure whether to laugh along with her to be curious and engaged and to ask why she was laughing, or to be sulky and offended and seriously up in ums. This time, as usual, we opted for up in arms. 'What a waste of time and a confusion of subjects; complained a woman. 'That writer ought not to be featuring in a French lesson even if he is French if he's not doing anything about teaching it. This is"learning a foreign language" dass, not a dass on burdening us with taking things apart which are in the saure language to find out if they're a poem or something. If we wanted figttres of speech and rhetorical flourishes, with one thing representing another thing when the represented thing could easily have been itself in the first place, then we'd have gone to English Literature with Chose weirdos down the hall."Yeah!' cried us and also we cried, 'A spade's a spade!', also the popular 'JA ciel est Neurand 'What's ihe point? There's no point!' continued to come out of us. Everyone was nodding and slapping desks and murmuring and acclaiming. And now it was time, we thought, to give our spokespeople and ourselves a jolly good round of applause. 'So, dass,' said wacher after this applause had diel down, 'is it that you think the sky can only be blue?' The sky is blue,' warne us. 'What colour eise can it be?'

 

 2186011-e7cb1e9b7373c291f66828800f0d4c04.JPG
Anna Burns (Belfast, 1962)

Geschreven door Romenu om 08:18 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten