Jacques Brault, Denton Welch, Marcel Aymé, R. Dobru, Jenő Rejtő, Johann Musäus

De Canadese dichter, schrijver en vertaler Jacques Brault werd geboren op 29 maart 1933 in Montreal. Zie ook alle tags voor Jacques Brault op dit blog.
Je suis venue
Je suis venue faiseur d'ombre
pour posséder seulement l'obscur de toi
mes jambes ceinturent ta noirceur et serrent
comme flammes du jour enserrent la nuit
elles cernent les ombres certaines que tu étales
sur ma peau et sur les fibres de mes nerfs noircis
sans ces ombres je serais dissoute
dans l'air vague unique de ruineuse lumière
et la nuit par nombreuses bouches se fermerait
sur ma courbe stérile sans fin
faiseur d'ombre porte-moi partout
dans les espaces sombres
(ton visage est mon dernier abîme)
car je ne suis venue oui que pour posséder l'obscur
de toi seulement l'obscur
Laissez-moi dans la nuit
Laissez-moi dans la nuit
écouter la vieille histoire
du vent et de la pluie
et l'histoire d'un amour
mêmement vieilli
La marée monte et les vagues
montrent à nouveau les dents
je suis assis sur la plage
parmi des épaves à demi rongées
j'attends mon tour j'attends
Je désire quitter ce monde
sur la pointe des pieds
comme on sort de son lit
pour ne pas éveiller les dormeurs
qui rêvent de sommeil sans fin
Quand je n'étais pas mort
j'allais de bon matin
balayer les ravines d'ombre
maintenant poussière de poussière
je prends soin de mes ombres

Jacques Brault (Montreal, 29 maart 1933)
De Engelse schrijver Maurice Denton Welch werd geboren op 29 maart 1915 in Sjanghai. Zie ook alle tags voor Denton Welch op dit blog.
Uit: In Youth Is Pleasure
„One summer, several years before the war began, a young boy of fifteen was staying with his father and two elder brothers at a hotel near the Thames in Surrey. The hotel had once been a country house, and before that a royal palace. But now the central courtyard was glassed over to make a huge tea-lounge; there was a glistening range of downstairs cloakrooms, and a whole new wing with ballroom, and little box bedrooms above.
The hotel still stood in charming parkland, with terraced gardens and lawns sloping down to a little artificial lake almost entirely surrounded by huge overgrown brambles. Only the lake and its banks were neglected; the rest of the grounds, with the fountain, the grotto, the cottage orne, and the elaborate pets’ cemetery, were kept in very trim order.
The young boy, whose name was Orvil Pym, wandered out into these trim gardens on his first night at the hotel. He and his father had arrived that afternoon in one of those large black polished Daimlers which the suspicious always imagine have been hired.
Mr. Pym, home from the East for six months, had gone up to the Midlands to fetch Orvil from school. Orvil had been ill for the last few days of term. Being already very uneasy and anxious about life, he was one of the first to show signs of food-poisoning; but soon two wards in the Sanatorium were full of other boys from his House showing the same signs.“

Denton Welch (29 maart 1915 – 30 december 1948)
De Franse schrijver en toneelauteur Marcel Aymé werd geboren op 29 maart 1902 in Joigny. Zie ook alle tags voor Marcel Aymé op dit blog.
Uit: Le passe-muraille
“Cette étrange faculté, qui semblait ne répondre à aucune de ses aspirations, ne laissa pas de le contrarier un peu et, le lendemain samedi, profitant de la semaine anglaise, il alla trouver un médecin du quartier pour lui exposer son cas. Le docteur put se convaincre qu'il disait vrai et, après examen, découvrit la cause du mal dans un durcissement hélicoïdal de la paroi strangulaire du corps thyroïde. Il prescrivit le surmenage intensif et, à raison de deux cachets par an, l'absorption de poudre de pirette tétravalente, mélange de farine de riz et d'hormone de centaure.
Ayant absorbé un premier cachet, Dutilleul rangea le médicament dans un tiroir et n'y pensa plus. Quant au surmenage intensif, son activité de fonctionnaire était réglée par des usages ne s'accommodant d'aucun excès, et ses heures de loisir, consacrées à la lecture du journal et à sa collection de timbres, ne l'obligeaient pas non plus à une dépense déraisonnable d'énergie. Au bout d'un an, il avait donc gardé intacte la faculté de passer à travers les murs, mais il ne l'utilisait jamais, sinon par inadvertance, étant peu curieux d'aventures et rétif aux entraînements de l'imagination. L'idée ne lui venait même pas de rentrer chez lui autrement que par la porte et après l'avoir dûment ouverte en faisant jouer la serrure. Peut-être eût-il vieilli dans la paix de ses habitudes sans avoir la tentation de mettre ses dons à l'épreuve, si un événement extraordinaire n'était venu soudain bouleverser son existence.”

Marcel Aymé (29 maart 1902 – 15 oktober 1967)
De Surinaamse dichter, schrijver en politicus R. Dobru (pseudoniem van Robin Ewald Raveles)werd geboren in Paramaribo op 29 maart 1935. Zie ook alle tags voor R. Dobru op dit blog.
ik wil geen strand zijn
ik wil geen strand zijn
waarop de golfslag streelt
en weer verdwijnt
maar een strand van rotsen
waarop de storm woedt
zonder eind
Ik wil geen vlam zijn
van een lucifer
die eenmaal gloeit en sterft
maar een brand in een oliemijn
een zon
met een eeuwige schijn
Ik wil geen bries zijn
met een zucht
maar een orkaan met een vlucht
om te gieren langs het leven
bezeten van geluk
om het uit te gillen
Ik wil geen viool zijn
maar een drum
om te roffelen
door de aderen van mijn volk
en met ritme
de toekomst te voorspellen
Ik wil geen druppel zijn
maar een Waterval
om met geraas te storten
in de hersenen van de Natie
en de bast der blindheid
te verscheuren
in naam van de Waarheid
ik wil een hamer zijn
om te beuken
op konservatisme en
kolonialisme
in naam van progressie
en nationalisme
R. Dobru (29 maart 1935 - 17 november 1983)
De Hongaarse schrijver Jenő Rejtő (eig. Reich Lajos) werd geboren op 29 maart 1905 in Boedapest. Zie ook alle tags voor Jenő Rejtő op dit blog.
Uit: The 14-Carat Roadster (Vertaald door Patricia Bozsó)
„Naturally, not one word of all this was true. But the gullibility of very young girls and aged scientists is apparently boundless. The professor put on his pince-nez. "So, you are an emigrant."
"Definitely Professorovitch Uncleushka," Gorchev answered, with a sigh. "Once in high spirits, my father gave ten thousand roubles to the Tsar's ballet... And he was flown to Tsarskoe Selo in a troika with a gold escutcheon on it... Oh, kontusovka! Oh, Volga, if only I could be there once again..."
"But listen, you can't remember Russia if you are only twenty-one!"
"That makes it all the more difficult, Uncleushka Professorovska! Just imagine! I have never once seen that magnificent snowy land which so unforgettably lives in my memory..."
"And where are you en route to now, Mr. Gorchev?"
"I'm travelling for political purposes, disguised as a sailor."
If we have observed our hero scrupulously, then we will have noted something peculiar about him: he never told the truth, but then he never lied either. It was just that he said, without hesitation, anything and everything that came into his mind - a habit that plunged him into many astounding situations. His words rarely followed a logical line; nor, for that matter, did his actions.
"Unfortunately I'm travelling with very little money," he went on. "A scoundrel cheated me of everything."
"How on earth did it happen?"
"I was unsuspecting and stupid. One becomes acquainted with all sorts of shifty characters, without ever thinking of the consequences. It just happened that in London a crook taught me to play macao, and won all my money."

Jenő Rejtő (29 maart 1905 – 1 januari 1943)
De Duitse schrijver Johann Karl August Musäus werd geboren op 29 maart 1735 in Jena. Zie ook alle tags voor Johann Musäus op dit blog.
Uit: Vierte Legende von Rübezahl
„Allein der Schreier, der vorher auf der Mutter Rücken ritt, wollte sich durch nichts befriedigen lassen, war ein störrischer eigensinniger Junge, der die Erdbeere, die ihm die liebreiche Mutter darreichte, von sich warf, und dazu schrie als wenn er gespießt wär. Darüber riss ihr doch endlich die Geduld aus: »Rübezahl«, rief sie, »komm und friss mir den Schreier.« Augenblicks versichtbarte sich der Geist in der Köhlergestalt, trat zum Weibe und sprach: »Hie bin ich, was ist dein Begehr?« Die Frau geriet über diese Erscheinung in groß Schrecken, wie sie aber ein frisches herzhaftes Weib war, sammlete sie sich bald und fasste Mut. »Ich rief dich nur«, sprach sie, »meine Kinder schweigen zu machen, nun sie ruhig sind bedarf ich deiner nicht, sei bedankt für deinen guten Willen«. »Weißt du auch«, gegenredete der Geist, »dass man mich hier ungestraft nicht ruft? Ich halte dich beim Wort, gib mir deinen Schreier dass ich ihn fresse, so ein leckerer Bissen ist mir lange nicht vorgekommen.« Drauf streckt' er die rußige Hand aus, den Knaben in Empfang zu nehmen.“

Johann Musäus (29 maart 1735 – 28 oktober 1787)
Illustratie door Ludwig Richter

















































































2 reacties op dit bericht
De lamentabele onwaarheden van Michiel Van Kempen
Van Kempen heeft tegen mij als publicist aangifte bij de politie gedaan als zou ik hem hebben gedreigd met het verspreiden van pamfletten over hem met een lasterlijke inhoud. Van Kempen is zelf degene die mij al sinds 2006 op Wikipedia en Google.nl geheel straffeloos zit te beschimpen alsof hij zich zijn hoogleraarschap ten spijt dodelijk verveelt. Hij ervaart het zelf kennelijk niet als laster wanneer hij op zijn door de staat gesubsidieerde weblog Caraibisch Uitzicht karikaturale teksten over mij schrijft met de nadruk op gepleegde plagiaat en het pronken met nooit behaalde academische titels. Ik op mijn beurt verwijt Van Kempen er terecht van dat hij als hoogleraar nooit kaas heeft gegeten van vakken als onderzoeksmethoden ( kwalitatief/kwantitatief) waardoor hij ook niet over het geestelijke vermogen beschikt om naar allebei de door hem geuite beschuldigingen een onderzoek te doen. In feite spreekt Van Kempen zich tegen omdat hij eerder over mij schreef dat ik na aankomst in Nederland verschillende studies aanvatte en opeens zou dit door mijzelf bedacht en verzonnen zijn.
Gerechtelijke procedure
Het is juist dat ik rond 2010 een rechtszaak tegen Michiel van Kempen had aangespannen maar zelf wegens griep in persoon niet aanwezig kon zijn op de zitting. Hierdoor heb ik de ter zitting aangebrachte beweringen door Van Kempen ook niet kunnen weerleggen dan wel logenstraffen . Mijn advocaat had zich helaas niet goed voorbereid omdat hij er terecht op rekende dat ik zelf met tegenbewijzen zou komen. Het hoger beroep leverde eveneens niets op omdat ik aanwijzingen had dat mijn advocaat met Van Kempen collaboreerde en had tegen de advocaat een klacht ingediend bij de orde van advocaten.
Academische pretenties
Sindsdien loopt Van kempen overal als een schooljochie te kladden dat ik op de rechtszaak verscheen en mij tot twee keer toe zou hebben vergist in de titel van mijn proefschrift . Het feit dat Van Kempen zich kan verlagen tot zulk een lamentabele leugen siert hem als hoogleraar helemaal niet. In een interview aan het Surinaamse blad Parbode verklaarde Van Kempen dat ik volgens hem nooit een proefschrift zou hebben geschreven ondanks het feit dat hij in het bezit was van een verklaring van de universiteit te Wageningen waarin een lovend oordeel werd gegeven over de kwaliteit van mijn proefschrift en dito van de universiteit te Leuven. Bij de diplomabank van DUO te Groningen kan men zien dat ik aan de universiteit te Wageningen ben afgestudeerd terwijl ik ook nog een academische graad heb in sociologie. Overigens: aan de universiteit te Twente ( vakgroep toegepaste communicatiewetenschappen) had ik in januari 2011 de eerste hand gelegd aan mijn tweede dissertatie over de vrijheid van meningsuiting. Van Kempen kwam dit te weten en gebruikte zijn hoogleraarschap om promotor Menno De Jong te benaderen met het verzoek mij niet te begeleiden omdat ik niet over enige academische vooropleiding zou beschikken. Hiervoor had Het Parool op aandringen van Van Kempen er zelf ook gewag van gemaakt zonder een voorafgaand onderzoek. Van Kempen verzwijgt tegenover de buitenwereld dat hijzelf aan zijn zestien promovendi gekomen is middels telefonische werving. Niemand hoefde hem op te zoeken middels een promotievoorstel dat later op merites zou moeten worden beoordeeld.
plagiaat
Van Kempen heeft tegen mij als publicist aangifte bij de politie gedaan als zou ik hem hebben
gedreigd met het verspreiden van pamfletten over hem met een lasterlijke inhoud. Ik ga tegen betrokkene op mijn beurt ook aangifte doen wegens het plegen van een valse aangifte jegens mij. Hiermee heb ik voldoende gezegd! Het is overigens Van Kempen zelf die mij al sinds 2006 op Wikipedia en Google.nl zit te beschimpen alsof hij zich zijn hoogleraarschap ten spijt dodelijk verveelt. Van Kempen ervaart het zelf kennelijk niet als laster wanneer hij op zijn door de staat gesubsidieerde weblog Caraibisch Uitzicht karikaturale teksten over mij schrijft met de nadruk op gepleegde plagiaat en het pronken met nooit behaalde academische titels. Ik op mijn beurt verwijt Van Kempen er terecht van dat hij als hoogleraar nooit kaas heeft gegeten van vakken als onderzoeksmethoden ( kwalitatief/kwantitatief) waardoor hij ook niet over het geestelijke vermogen beschikt om naar allebei de door hem geuite beschuldigingen een onderzoek te doen. In feite spreekt Van Kempen zich tegen omdat hij eerder over mij schreef dat ik na aankomst in Nederland verschillende studies aanvatte en opeens zou dit door mijzelf bedacht en verzonnen zijn.
Over de positie van Surinaamse schrijvers
Inleiding
Toen ik rond 1980 begon met het schrijven van literaire kritieken, gold Albert Helman binnen het spectrum van de Surinaamse letteren als de grootste schrijver en essayist. Zijn status was vergelijkbaar met die van Simon Vestdijk in Nederland. Zijn voornamelijk in de Salamanderreeks van Querido uitgegeven werken hadden Helman een haast onaantastbare positie gegeven. Zelfs zijn postuum verschenen werken deelden in die reputatie. Desalniettemin werd Helman nooit als norm beschouwd voor het beoordelen van het werk van andere Surinaamse schrijvers. Surinamers verweten hem dat hij over hun land schreef zoals een buitenlander dat zou doen. Surinamers hebben de grote kwaliteiten van zijn werk, de veelzijdigheid, de intelligentie , de meerduidigheid van personages en situatie, de eruditie en de rijkdom van iedere afzonderlijke passage nooit kunnen inzien en begrijpen. Hierdoor is hij een onbegrepen monument gebleven in het drassige Surinaamse literaire polderlandschap.
Helman’s in 1952 gepubliceerde roman De Laaiende Stilte heeft de vorm van een dagboek waarin negerslaven de passieve slachtoffers zijn van de niet aflatende blanke willekeur en morbide plunderdrift. Ze haatten de negers als lastige dieren, een kudde van luie en trouweloze beesten, die te dom zijn om hun plicht, het eeuwige werk, te begrijpen en uit te voeren. In dit boek heeft Albert Helman de historische ontwikkeling van Suriname geschetst, zoals Cynthia Henri McLeod-Ferrier dat zou doen in haar roman Hoe duur was de suiker? (1987). In de roman van McLeod, waar de recensent Michiel van Kempen veel kritiek op had(zie artikel dWT-Literair: “Roman over de Boni-tijd mist persoonlijk stempel”)lopen de personages tegen de bekrompenheid van de koloniale maatschappij aan. Hoewel van Kempen zelf ook niet bepaald een criticus is met een uitgesproken literair-filosofische opvatting zonder distantie en zich door dit ingegroeide euvel blind laat geleiden door zijn eigen rudimentaire ingevingen, doet deze roman qua gebruikte taal- en uitdrukkingsvormen en exuberante taalemoties toch nogal gezwollen aan. De reden waarom ik de historische Helman en de modernere McLeod-Ferrier naast elkaar plaats is om aan te geven dat zij ondanks de scherpe inzichten die zij in hun werk etaleren, niet het fundament hebben weten te leggen voor een authentiek Surinaams literair bouwwerk. Helman was ambivalent en cynisch ten aanzien van het fenomeen ‘Surinaamse literatuur’. In 1983 had ik de eer deze grootheid in zijn woning te Hilversum te mogen bezoeken. Daar vertelde hij mij dat er geen Surinaamse literatuur kon bestaan doordat er geen sprake was van een Surinaamse natie. Hij vervolgde: ‘Wat is nou Surinaamse literatuur? Is dat literatuur voortgebracht door Surinamers die in Suriname wonen? Is dat literatuur die over Suriname gaat? Is dat literatuur voortgebracht door in het buitenland wonende Surinamers? Ten gevolge van de diffusiteit in de etno-demografische samenstelling van het land wordt het bewaken, beheren en promoten van het eigen territorium uitgangspunt van iedere Surinaamse bevolkingsgroep. Dan pas komt de natiekwestie in beeld, een fenomeen dat naar diepgang en uitleg doet snakken.’ Helman hield kennelijk rekening met de verscheidenheid aan etnische groepen en hun specifieke culturele eigenheden tengevolge waarvan hij de aandacht kennelijk in de eerste plaats richtte op het behoud en vergroting van het specifieke waarbij het nationale in vervolg daarop een keer schemerig in de verte zou gaan gloren.
Sinds de Surinamist Michiel van Kempen zich binnen de Surinaamse cultuur en letteren een aanzienlijke positie heeft weten te verwerven, is er een Surinaamse literaire hiërarchie ontstaan die voornamelijk op zijn voorkeuren berust. De punt van de piramide bestaat uit vertegenwoordigers van zich snel uitbreidende minderheidsgroepen. Voordat Van Kempen de nieuwe hiërarchie instelde, steunde de oude, geëerbiedigde structuur voornamelijk op maatschappelijke en politieke pijlers. De literaire nijverheid was dus een zaak van mensen die een goede positie bekleedden in de Surinaamse samenleving. Binnen die traditie werd de kwaliteit van de literatuur ondergeschikt geacht aan de eclatante positie die een persoon op politieke of andere gronden toebedeeld had gekregen, in welk geval hij deel was van de dynastie van Suriname.Enkele dynastieleden die hieruit voortkwamen waren Eddy Bruma, Ronald Venetiaan, Benny Ooft, Corly Verlooghen, Robin Ravales en Martinus Lutchman, die ondanks de benedenmaatse kwaliteit van hun verbale toebereidselen de Surinaamse literaire top-tien behaalden. Bea Vianen die met haar proza sterk tegen de streekromantraditie aangrensde kon de toets van de literaire kritiek toch doorstaan. Je moet in ieder geval niet te veel tijd steken in de vormaspecten en de psychologie van haar roman. Deze politieke gunning heeft het Surinaamse literaire landschap geen goed gedaan. Van Kempen gooide die hiërarchie om en bevoordeelde minderheidsgroepen. Ook als hun literatuur niet echt 'top' was. Van Kempens indeling komt overeen met het beginsel van gunning (niet zozeer de literaire argumenten gelden, als wel het feit dat je tot een minderheid behoort). Hierdoor is het Surinaamse gunningbeginsel niet verdwenen maar enkel van grondlegger veranderd en wel van één uit Brabant. Binnen de door Van Kempen geschapen Surinaams-hiërarchische structuur was het haast vanzelfsprekend dat na de dood van Helman anderen aan de top kwamen en dat de kwaliteitsnormen zouden veranderen. Deze ontwikkeling compliceerde de discussie over de Surinaamse literatuur aanzienlijk. Het leek er nu op alsof iedere ontwikkeling van Suriname en Surinamers onlosmakelijk verbonden zou blijven met het beginsel van gunning. Surinamers gebruiken graag de uitdrukking ‘je moet niet denken dat je hier automatisch en zonder iets goewweldig wordt.’ De kritische lezer mag mij terecht attaqueren met de solide vraag of Nederland consequent is bij de toepassing van enige aanwezige literaire criteria. De universiteit te Amsterdam kent sinds enkele jaren de leerstoel boekwetenschap waarvan de invoering hoofdzakelijk geïnspireerd werd door het gegeven dat de grootste literaire uitgeverij ervoor in de rij staat werk te willen uitgeven van een auteur die enkel faam heeft verworven door vaker op de televisie te verschijnen óf door diens/dier kanis te laten gebruiken als testbeeld. Hierdoor vraag je je af of Nederland net als Suriname niet een emotionele verzamelaar is van vermoedelijke kaskrakers . Het oncontroleerbare kun je makkelijk ondervangen door voorbeelden te geven van wat je verstaat onder goed of slecht. Zinledig zijn recensies tot op zekere hoogte altijd. Daar waar je mee bezig bent zijn interpretaties en evaluaties en die zijn per definitie subjectief. Nederlanders schijnen gewoon niet te snappen dat ook Surinaamse schrijvers zich overleveren aan fascinatie waardoor er een gevecht ontstaat tussen dat wat ze willen en dat wat ze kunnen. Hollandse literaire tijdschriften doen bij voorkeur dienst als een literair stamcafé in de vorm van hard copy en hebben daardoor ten opzichte van elkaar de onderscheidingsmarge van een blinde mol. Hun uniciteit hangt aan een kleine kring van vertrouwde auteurs, die het steeds hebben over een leestekentje meer of minder. Uit veiligheid bespreken Nederlandse critici werken die al goed in de markt liggen. Desalniettemin is de inferieure kwaliteit van het gemiddelde Surinaamse literaire werk niet goed te praten. Om te beginnen heeft de Surinaamse dichter bijvoorbeeld onvoldoende persoonlijkheid om zijn ideeën de moeite van het overdenken waard te maken. Hij/zij heeft niet het talent om die ideeën vorm te geven die op grond van “esthetische “normen aanvaardbaar zijn. De prozaschrijvers onder hen hebben geen eigen onverwisselbare stijl die een zekere mate van authenticiteit zou kunnen waarborgen. Zowel het Surinaamse gedicht als de roman is niet doortrokken van enige vormkracht. En vormkracht is in algemene zin een creatief fluïdum dat een boek uittilt boven de grauwe middelmaat. Tengevolge van dit technische euvel wordt de Surinaamse literatuur zelfs buiten de eigen landsgrenzen miskend. De vraag die nu rijst is of het terecht is dat literatuurargeloze Nederlandse recensenten Surinaamse schrijvers kwalificeren als beperkt in de keuze van hun thematiek. Volgens hen zouden hun werken doordrenkt zijn van pathetische thema's zoals de zoektocht naar de wortels van het zelf, verscheurdheid en het leed van ouders en kinderen. Daarbij gaan ze voorbij aan het feit dat de Nederlandse roman zelf mank gaat aan dit euvel. In de jaren zeventig en tachtig hebben Nederlandse uitgeverijen en literaire tijdschriften er steeds hoogzwanger bijgelegen middels werktuiglijke publicaties van werken van Nederlandse auteurs waarin jeugdcomplexen werden afgeschreven en/of traumatische Jappenkampervaringen tot en met bittere herinneringen aan de Duitse bezetting. De huidige generatie heeft haar blikveld weliswaar drastisch verbreed maar kan zich moeilijk losweken van Hollandse pathetiek als homodrama’s, een verloren dierbare, verloren liefde en noem maar op. Dit was dan ook de reden waarom wijlen hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, Martin van Amerongen die wijlen Anil Ramdas als redacteur onthaalde en hem verder bij de NRC en De Bezige Bij onderbracht, eens opmerkte: “Je zou met een Nederlandse roman naar een onbewoond eiland moeten…”. In de loop der jaren zijn thema’s als migratie en historie flink gaan meespelen in de werken van Surinaamse schrijvers, zowel woonachtig in Nederland als in Suriname. Zulke thema’s waren reeds eerder manifest in werken van Astrid Roemer, Ellen Ombre, Bea Vianen, Cándani, Edgar Cairo en Leo Ferrier. In het werk van Edgar Cairo werkte het begrip van ‘het negerverdriet’ door in zijn gehele oeuvre. In de roman Atman (1968) van Leo Ferrier zijn de thema’s van de zoektocht naar identiteit en verscheurdheid rijkelijk vertegenwoordigd. Ferrier’s schrijverschap kwam tot bloei in een periode toen Belcampo en Hubert Lampo met hun magisch realisme een nieuw tijdperk inluidden in de Nederlandse literatuur . Ook in Ferrier’s werk zag je daar duidelijke trekken van terug. In zijn beschrijving van bepaalde situaties sloeg de koele realiteit eensklaps om in een irreële bijzonderheid.
Astrid Roemer, Ellen Ombre en Cándani schetsen in hun werk beelden van armoede, gefrustreerde verhoudingen tussen ouders en kinderen, migrantenproblemen en een desastreus politiek beleid.
Roemer behandelt in haar trilogie, Gewaagd leven (1996), Lijken op Liefde (1997) en Was Getekend (1999) de zware problematiek van deze dekoloniserende samenleving en maakt daarbij gebruik van sterk symbolische motieven zoals dood, moord, zelfmoord, abortus en onvruchtbaarheid. Haar gevarieerde schrijftrant getuigt weliswaar van een behoorlijke taalvaardigheid, maar na lezing van haar literaire toebereidsel krijg je toch het gevoel dat je onderbedolven bent geraakt onder een massa gesmolten oude kaas.
Ombre en Roemer zien in de pluriforme samenleving en migratie de voornaamste oorzaken van potentiele stress bij personen en de de botsing van culturen, waarden en taal. Deze cultuurverschillen zijn meestal verweven met sociaal-economische ongelijkheid en gaan gepaard met sociale stereotypering en discriminatie van minderheidsgroepen. Migratie brengt veelal verlies met zich mee, zoals scheiding van gezin en familie, ontbinding van een sociaal netwerk en vermindering van maatschappelijke status.
In Cándani’s romans Oude onbekenden (2001) en Het huis van as (2002) is het drama in beide gevallen gefocust op de kleine wereld van gezin en familie. In Oude onbekenden brengt de hoofdpersoon, een jonge vrouw van Surinaams-hindoestaanse afkomst vanuit Nederland, waar ze werkt en woont, een bezoek aan haar vaderland Suriname. Ze zoekt naar de oplossing van vragen over het gezinsleven in haar vroege jeugd. In haar herinnering werd dat leven bepaald door de eenvoud van het districtsleven, midden in de natuur.