In mijn blogs ga ik ervan uit dat dit België in zijn huidige vorm niet kan blijven bestaan en dat we best – op zijn laatst na de verkiezingen van 2024 –tot een gesprek zouden komen tussen de vier gewesten: Vlaanderen, Wallonië, Brussel en de Duitstalige Oostkantons over hoe het verder moet. Wat die laatste regio betreft, stond er in de weekeindeditie van De Standaard een interessant artikel aan de hand van Klaas De Brucker, transporteconoom KU Leuven, campus Brussel.
De heer De Brucker gaat ervan uit dat we de Duitstalige Oostkantons best terug aan Duitsland zouden geven. Daartoe behoorden ze historisch al tot het verdrag van Versailles uit 1919, na WO I, toen België de streek kreeg als oorlogsbuit. Er wordt wel eens gezegd dat de Oostkantonners tegenwoordig de beste Belgen zijn. Ze worden hier gewoon gepamperd en kosten België enorm veel geld, in de eerste plaats door het aantal extra ministerposten, parlementsleden en ambtenaren die we er moeten betalen. Daarbij komen dan nog de vertaalkosten van de federale overheid en de provincie Luik, waarbij alle wetten en alles wat ermee samenhangt moet worden vertaald naar het Duits.
En daar houdt het niet bij op. Toen dat stukje Duitsland in 1919 bij België werd gevoegd was er het probleem van de spoorlijn Keulen – Luxemburg die meermaals over de nieuwe staatsgrenzen liep. Om te vermijden dat de trein daar telkens zou moeten stoppen, werd dat hele spoorwegtraject Belgische grondgebied. Vandaag de dag is het nog een wandel- en fietspad, maar blijft het nog steeds een Belgische enclave in Duitsland, inbegrepen het voormalig station en stationsplein van Monschau.
Tenslotte heeft Vlaanderen bij die Oostkantons niets te winnen. In de discussie over Brussel-Halle/Vilvoorde koos toenmalig minister-president Karl-Heinz Lambert voor de francofone versie, dus tégen Vlaanderen. Als na de verkiezingen van 2024 de kans zich voordoet zouden we dat stukje Duitsland best terug aan Duitsland moeten geven, waar het thuishoort.
|