Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 31 oktober 2015 tot 1 november 2015

All-Saints' Day (Ada Cambridge)

 

Bij Allerheiligen

 

 1833470-c0348ec7b551bb3bdb5f6e8ae29c471b.jpg
Allerheiligen door Ludovico Brea, 1513

 

 

All-Saints' Day
"But they are at peace."

Never to weary more, nor suffer sorrow,—
Their strife all over, and their work all done:
At peace—and only waiting for the morrow;
Heaven's rest and rapture even now begun.

So tired once! long fetter'd, sorely burden'd,
Ye struggled hard and well for your release;
Ye fought in faith and love—and ye are guerdon'd,
O happy souls! for now ye are at peace.

No more of pain, no more of bitter weeping!
For us a darkness and an empty place,
Somewhere a little dust—in angels' keeping—
A blessèd memory of a vanish'd face.

For us the lonely path, the daily toiling,
The din and strife of battle, never still'd;
For us the wounds, the hunger, and the soiling,—
The utter, speechless longing, unfulfill'd.

For us the army camp'd upon the mountains,
Unseen, yet fighting with our Syrian foes,—
The heaven-sent manna and the wayside fountains,
The hope and promise, sweetening our woes.

For them the joyous spirit, freely ranging
Green hills and fields where never mortal trod;
For them the light unfading and unchanging,
The perfect quietness—the peace of God.

For both, a dim, mysterious, distant greeting;
For both, at Jesus' cross, a drawing near;
At Eucharistic gate a blessed meeting,
When angels and archangels worship here.

For both, God grant, an everlasting union,
When sin shall pass away and tears shall cease;
For both the deep and full and true communion,
For both the happy life that is "at peace.

 

 1833470-7e620c4a8cf24d26f6f35e127d211154.jpg
Ada Cambridge (21 november 1844 - 19 juli 1926)
St Mary the Virgin’s Church in Wiggenhall St Germans

 

 

De Australische dichteres en schrijfster Ada Cambridge werd geboren op 21 november 1844 in St Germans, Norfolk. Zie ook alle tags voor Ada Cambridge op dit blog. 

Zie voor de schrijvers van de 1e november ook mijn twee vorige blogs van vandaag.



Geschreven door Romenu om 12:25 Reageer op dit bericht

Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Huub Oosterhuis, Ilse Aichinger, Stefaan van Laere, Hermann Broch

De Nederlandse dichter Job Degenaar werd geboren in Dubbeldam op 1 november 1952.Zie ook alle tags voor Job Degenaar op dit blog.

 

Bij het ouder worden

zo broos jonge baksteen
in een wei vol ervaring, zo
leeg nog de ramen, de koeien
keken daar dwars doorheen

vader, jouw huis is gaan leven
toen de veestapel verdween
en het gras

zo wit is het nu, zo rood
de rozen, met plukjes vacht nog
aan het prikkeldraad

soms vind je tussen de struiken
een poppenarm, een lekke bal
of 't ruikt er weer naar jongenspies

dichtgegroeid tegen de buitenwereld
wordt 't weer vroeger, maar omgekeerd:
de wei het huis en wij verweid

om het huis wiegen nu de populieren,
duwen de katten hun rug
in je hand

 

 

Nachtzang

De dag laten voorbijgaan tot het
avond werd en in de fruitschaal
de vergeten mandarijn ontaardde

in de verte gloeide de stad, zich
ontstekend aan zichzelf

wat leefde in de beijsde weiden
kroop in cocons, zette stekels
tegen de sterren op

Alleen de hemeljagers van diamant
geluidloos snijdend in het graniet
namen ons mee, losten ons op

Tot de morgen brood en woorden
aandroeg, als vogels takjes

 

 1833468-fb4f2215e455c8e720f5cc8108d9eadf.jpg
Job Degenaar (Dubbeldam, 1 november 1952)

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en essayist Rudy Kousbroek werd op 1 november 1929 in Pematang Siantar in Indonesië geboren. Zie ook mijn blog van 1 november 2010 en eveneens alle tags voor Rudy Kousbroek op dit blog.

Uit: Tempat Soetji of de Geheime Tuin

“En daarachter, maar afgesloten van de grote tuin, ook weer omheind met een bamboehaag, lag een andere, een kleine tuin. Er moest eens een huis gestaan hebben, de stenen fundamenten lagen er nog, onder het onkruid verscholen; en er stond een waringinboom. Het was de “verboden” tuin.’
Zo'n geheime plek, dat is een pars pro toto voor heel Indië, voor wie daar als kind is opgegroeid - een tempat soetji, een lieu de mémoire: herinnerd, inwendig geworden, onzichtbaar maar niet verdwenen, een kasteel van Doornroosje met een slaapwandelende Doornroosje er binnenin. Niet ieder Indisch kind mag grootgebracht zijn met een lijfbaboe of in een betegeld paleis vol geruisloze bedienden, maar dat groene inwendige behang heeft iedereen die in Indië is opgegroeid. Nog een andere factor die zich zonder aanzien des persoons doet gelden is het permanente karakter van dat groen. Niet die vergankelijke natuur die jaarlijks haar haren verliest als een lijder aan een steeds terugkerende kwaadaardige ziekte; geen naakte grauwe stoppelvelden bezaaid met ondersteboven geplaatste kale bezems, niet die rusteloze wisseling maar een zichzelfblijvende wereld van eeuwig levende bossen, blauwe bergen, bruine rivieren; het is het altijd-groene landschap van Indië zelf, dat je ziet zodra je je ogen dichtdoet en dat je tot in einde van dagen bijblijft, wat er ook gebeurt.
Dat alles geldt ook voor Hella Haasse, en zij heeft zich er meermalen over uitgesproken. ‘Wat op mij een grote invloed heeft gehad,’ vertelde zij in 1984 aan Johan Diepstraten, ‘was de natuur. Dat is mijn referentiekader. Alles wat mij doet denken aan de natuur van Indonesië, wekt bij mij response. Hier in St-Witz heb je dat golvende terrein en dichte bossen waar van die parasietwingerd tussen de bomen hangt. Het lijkt natuurlijk niet op Indië, maar het wekt toch een bepaalde suggestie. De ruimte die ik hier in Frankrijk heb, doet me aan Indië denken.”

 

 1833468-f3a2d918a64c96f5d1212bfb11339ac0.jpg
Rudy Kousbroek (1 november 1929 - 4 april 2010)
Hier met Pramoedya Ananta Toer (rechts), rond 1990

 

 

 

De Nederlandse priester, theoloog en dichter Huub Oosterhuis werd geboren in Amsterdam op 1 november 1933. Zie ook alle tags voor Huub Oosterhuis op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Uit uw hemel zonder grenzen

Uit uw hemel zonder grenzen
komt Gij tastend aan het licht
met een naam en een gezicht
even weerloos als wij mensen.

Als een kind zijt Gij gekomen
als een schaduw die verblindt
onnaspeurbaar als de wind
die voorbijgaat in de bomen.

Als een vuur zijt Gij verschenen
als een ster gaat Gij ons voor
in den vreemde wijst uw spoor
in de dood zijt Gij verdwenen.

Als een bron zijt Gij begraven
als een mens in de woestijn.
Zal er ooit een ander zijn
ooit nog vrede hier op aarde?

Als een woord zijt Gij gegeven
als een nacht van hoop en vrees
als een pijn die ons geneest
als een nieuw begin van leven.

 

 1833468-d5640f3d4b5461e7f62b36ebd384627d.jpg
Huub Oosterhuis (Amsterdam, 1 november 1933)

 

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook mijn blog van 1 november 2010 en eveneens alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.

Uit: Kleist, Moos, Fasane

„Schnee ist ein Wort und Heu ist auch eins. Schnee ist ein Wort.
Es gibt nicht viele Wörter. Es gibt nicht viele, die nicht bezeichnen, womit sie eins sind, weil sie es nicht bezeichnen. Die nicht eins sind mit dem, was sie nicht bezeichnen, weil sie damit eins sind. Aber Schnee ist ein Wort. Ob er ausbleibt, zögernd zu fallen beginnt oder in Wirbeln herunteriagt, er kann sich nicht wehren. Er ist ein Wort. In den Fäusten der Kinder, auf den Dächern, auf den Kämmen der Gebirgsflüsse, mit denen er rasch eins wird, wo er ist, ist er ein Wort. Schnee! rufen die Kinder und manchmal rufen sie auch: Der Schnee!
Aber das ist ungenau. Das führt zu mein Schnee, dein Schnee, unser Schnee, zu diesen vielen besitzanzeigenden Ungenauigkeiten, die einem die Lust nehmen, den Mund aufzumachen. Es führt auch zu kein Schnee. Dann kommt wieder der lange Sommer. Ein Glück, daß wir Heu haben, denn Heu ist auch ein Wort. Und viele Wörter gibt es nicht. Aber bleiben wir beim Schnee. Unlängst erklärte mir ein Kämmerer, der wußte, daß ich auf der Suche nach Wörtern bin, was ein Kämmerer sei, und ich nickte zum Zeichen des Einverständnisses, weil ich es nicht verstanden hatte. Ich hatte nur verstanden, daß es kein Wort war. Aber das ist sehr viel und wir wären in Frieden geschieden, wenn der Kämmerer nicht plötzlich entziickt ausgerufen hätte: Das schöne heschneite Schulhaus! Das brachte mich in solchen Zorn, daß ich mich auf dem Absatz herumdrehte und davonrannte. Als ich mich nach einer Stunde besann und wieder auf dem Absatz herumdrehte. um ihn zu suchen, war er verschwunden. Er war so verschwunden wie das Dorf und auch sein Schulhaus verschneit waren. Beschneit war gar nichts mehr. Es gibt belegte Zungen und begossene Pudel, aber schon bei den Pudeln bin ich nicht so sicher, ob man nicht besser vergossen sagen sollte.“

 

 1833468-fcda6daefd771b2dde502179236dd91e.jpg
Ilse Aichinger (Wenen, 1 november 1921)

 

 

De Belgische dichter en schrijver Stefaan van Laere werd geboren op 1 november 1963 in Wetteren. Zie ook alle tags voor Stefaan van Laere op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: Botero

“De mist was eindelijk opgetrokken, maar het regende nu al dagen. Commissaris George Bracke strekte geconcentreerd zijn arm en keek koel over de loop van zijn pistool naar zijn in sjofel grijs geklede slachtoffer. Hij zag iets van paniek in diens waterige ogen, de radeloze angst van een konijn dat ’s nachts in het schijnsel van een lantaarn gevangenzit en met een trillende snuit op het onvermijdelijke genadeschot wacht. Nu hoefde hij alleen nog maar zijn zachtjes trillende wijsvinger te krommen.
BANG! BANG! Bracke hoorde de knallen naklinken. Hij wist maar al te goed hoe zijn slachtoffer zich moest voelen. Toen hijzelf nog maar een paar weken wijkagent was, had hij in een groezelig, mistig havendok plotseling oog in oog gestaan met het dreigende oog van een pistool. Een Lüger was het geweest, een achtergehouden stuk uit de laatste oorlog dat op wapenbeurzen onder de toonbank tegen waanzinnige prijzen verkocht werd. Dat wapen herkende hij van op honderd meter afstand.
Later had hij zich vaak afgevraagd of hij zijn blik had afgewend toen de vernielzuchtige schoten werden afgevuurd. BANG! BANG! Zijn spieren hadden prompt dienst geweigerd. Verbaasd had hij naar zijn gevoel pas een minuut later opgekeken en zijn eigen lijf wanhopig uitgetest, maar alles functioneerde nog; nergens waren zelfs maar bloedvlekken te bespeuren. Geen diepe kogelgaten die zich plompweg door zijn lijf hadden geboord, niet eens een schrammetje. Toen pas zag hij zijn aanvaller bewusteloos aan zijn voeten liggen, tegen de grond gemept door een nog nahijgende nachtwaker die met het eerste het beste voorwerp – een defecte schrijfmachine – brutaal had toegeslagen. Het gebeurde allemaal alsof hij er zelf niet echt bij betrokken was en achteraf had hij de bewaker van het overslagbedrijf niet eens voor zijn tussenkomst bedankt. Nu kon dat niet meer, korte tijd later was de man door een bende Russische matrozen bij een steekpartij meedogenloos afgemaakt. Bracke had zich voorgenomen op Allerheiligen een bloemetje naar het graf te brengen, maar was het weer vergeten.
BANG! BANG! Het was lang geleden dat Bracke de knallen nog eens in zijn hoofd gehoord had, maar daar waren ze weer, akeliger en realistischer dan ooit.
‘Zijn pistool ketste en toen heb je dus van dat buitenkansje gebruik gemaakt om hem neer te slaan.’ Bracke liet zijn zwaar wordende arm langzaam zakken en sprak met een lijzige, kalme stem. Een van de agenten die de menigte op een veilige afstand moest houden, keek verschrikt. Waarschijnlijk een van zijn eerste opdrachten, dat joch geloofde natuurlijk nog rotsvast in verheven begrippen als rechtvaardigheid en boontje komt om zijn loontje.“

 

 1833468-e8f37d9704765057fc631d17dc42d0c0.jpg
Stefaan van Laere (Wetteren, 1 november 1963)

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hermann Broch werd op 1 november 1886 in Wenen geboren. Zie ook Zie ook alle tags voor Hermann Broch op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: Der Tod des Vergil

„Plotia preßte ihre Hände noch inniger in die seinen und führte sie zu ihren Brüsten, deren Spitzen unter der Berührung hart wurden....friedlich war die Nähe der fraulichen Nacktheit Plotias. Nichts Furchteinflößendes war erspähbar. Er hatte sich entschieden zur Liebe, und auch Plotia fragte: kehrst du ein zu mir, Geliebter, du sollst mich begehren.
Aber da stand mitten in der Landschaft der Alexis, umtanzt von gliedstarren Satyrn: Schicke ihn fort, bat Plotia, schaue nicht zu ihm hin; du hältst ihn mit deinen Augen …Sind dir meine Brüste nicht begehrenswerter als die Hinterbacken des Knaben dort…und da verschwand die Jünglingsgestalt, . . . und er - war niedergekniet ...und er küßte die Spitzen ihrer Brüste ..leicht hingebettet …lagen sie Haut an Haut . . .Mund an Mund gepreßt . ..bis ihre Lippen bebend in die seinen flüsterten: Wir dürfen nicht; der Arzt beobachtet uns . . . unabwehrbar waren die Blicke, unabwehrbar die höhnisch ausgestreckten Finger …unabwehrbar… der Schatten der Fama, der Schatten ihrer gräßlichen, schamerregenden Riesengestalt... Mit ihrem Lachen schadenfroh …verkündend: Sie dürfen nicht ficken …; nur der Cäsar darf! …und ehe er noch Plotias Blick suchen konnte, war auch sie zu Lachen verwandelt …Es war nicht gelungen … der Donner ließ nicht nach; im Gegenteil, er wurde deutlicher und deutlicher.“

 

 1833468-00ac5109a3e38a34cf5add2f57478035.jpg
Hermann Broch (1 november 1886 - 30 mei 1951)
In 1909 

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook  mijn blog van 1 november 2009 en ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 12:23 Reageer op dit bericht

Jean-Simon DesRochers, Aras Ören, Günter de Bruyn, Henri Troyat, Jean Tardieu, Stephen Crane

De Canadese schrijver Jean-Simon DesRochers werd geboren op 1 november 1976 in Montréal, Québec, Canada. Zie ook alle tags voor Jean-Simon DesRochers op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: La canicule des pauvres

« Monique ouvre la porte et sort la tête pour répondre avec son sourire de convalescence. Oui, elle veut un café. Deux laits, deux sucres, comme d’habitude. Elle aurait aussi besoin d’un avis sur ses cicatrices, celles sous sa ligne de fesses. Christian en est conscient. Conscient aussi que ce premier juillet représente sa vingt-cinquième journée sans sexe. Dix de plus que sa limite acceptable, proclamée devant témoins à bord d’une Buick Skylark fraîchement volée, il y a plusieurs années.
Christian a les mains posées sur le comptoir de cuisine. Il attend la demande de Monique. Son œil demeure éteint. Il essaiera de tâter le terrain, se fera repousser une quinzième fois, reviendra au même bout de comptoir mettre du café dans le percolateur. Il s’en doute.
– Minou… j’aurais besoin de toi…
Monique pourrait se servir d’un petit miroir pour vérifier l’état de ses cicatrisations. Constater d’elle-même que tout se porte à merveille. Puisqu’il est là, aussi bien qu’il serve à quelque chose, le mâle… Elle contemple son visage parfaitement lisse, aussi tendu qu’à ses vingt ans, mais avec un petit quelque chose en plus. L’expérience… Le chirurgien avait fait un travail de maître. Il lui avait promis de lui enlever dix à quinze ans. Il avait réussi à lui effacer le double. Ce type est un génie… un artiste… vraiment…
Christian pousse la porte avec deux doigts. Monique se contemple dans le miroir. Elle est nue. Ses seins, refaits l’année passée, pointent fièrement vers le haut. Son ventre, liposucé il y a six mois, est aussi plat que celui d’une ballerine. Ses fesses, rondes et relevées, tiennent du miracle médical, dignes de figurer dans une revue spécialisée. L’intervention de début juin lui a sculpté un parfait cul de vierge."

 

 1833464-029883e7d297f395b28b049c87ebc4ae.jpg
Jean-Simon DesRochers (Montréal, 1 november 1976)

 

 

De Turkse schrijver Aras Ören werd geboren in Bebek bij Istanbul op 1 november 1939. Zie ook alle tags voor Aras Ören op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: Frau Rühles Schatulle (Vertaald door Wolfgang Riemann)

“Mitten im Winter, bei klarem, sonnigem Wetter. Mit der Kaffeetasse in der Hand sitze ich am Fenster meines Pensionszimmers und betrachte die Passanten auf der Straße und die nackten Lindenbäume gegenüber. Seit meiner Ankunft ist mir das zur Gewohnheit geworden. So gelingt es mir, mich ohne große Mühe abzulenken:
Ein kleines Kind im roten Anorak löst sich von der Hand einer jungen Frau, rennt los; es stolpert sogleich und fällt hin. Aufgeregt springt die Mutter zu dem auf dem Boden liegenden Kind und hebt es auf. Sie nimmt es auf den Arm und streicht ihm voller Mitgefühl über den Kopf.
Ein ganz gewöhnliches Bild, das nicht erkennen lässt, was sich vorher und nachher ereignet. Sie verschwinden ohnehin gleich darauf aus meinem Gesichtsfeld. Im Radio spielt man einen schwungvollen Pasodoble. Ich gehe eine Zeitlang unentschlossen im Zimmer auf und ab. Dann blättere ich mein in grünes Plastik gebundenes Telefon- und Adressbüchlein (Iris hatte es mir auf meinen Wunsch hin aus New York geschickt) von A bis Z durch und versuche herauszufinden, wen ich anrufen könnte. Da fällt mir ein, dass sich die Adressen und Telefonnummern längst geändert haben könnten. Nach dreizehn Jahren hatten hier zweifellos eine Menge der verzeichneten Personen eine neue Anschrift.
Jetzt gab ich es auf und warf das Notizbüchlein auf den Sessel. Ich musste eingestehen, dass es mir unerwartete Schwierigkeiten bereitete, die dreizehn Jahre einfach so zu überspringen. Ohne mich noch lange aufzuhalten, schaltete ich das Radio aus, zog mein kleingemustertes Sportsakko und meinen Mantel an und verließ das Haus. Als ich ins Freie trat, stellte ich fest, dass das klare, sonnige Wetter bei den Menschen einen falschen Eindruck hervorrief. Ein eisiger Wind aus Nordost nahm mir mit einem Mal alle Kraft.
Das kalte Wetter kann mich in meiner Unabhängigkeit nicht einschränken. Ich bin ein Stadtmensch und kann in dieser Kälte zu jedem gewünschten Ort gelangen, wenn auch nicht gerade zu Fuß, sondern mit der U-Bahn, dem Bus oder zur Not mit einem Taxi. Damit er dem Wind, der mir ins Gesicht peitschte, besser standhielt, zog ich meinen breitrandigen Filzhut tiefer in die Stirn, fast bis zu den Augenbrauen, stellte meinen Kragen hoch und lief die etwa zwanzig Meter bis zur Bushaltestelle. Dort standen zwei junge Verliebte, sie umarmten und küssten sich. Das Winterwetter machte ihnen nichts aus, es war eine Heraus-forderung für sie. Mir machte es Spaß, sie zu beobachten. Der Junge hatte seinen Kopf in den Haaren des Mädchens verborgen.“

 

 1833464-2cc0967379ebc78ab1421ce4c45b7918.jpg
Aras Ören (Bebek, 1 november 1939)
Portret door Sigurd Kuschnerus, 1999
 

 

De Duitse schrijver Günter de Bruyn werd op 1 november 1926 geboren in een katholiek arbeidersgezin in Berlijn. Zie ook alle tags voor Günther de Bruyn op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: Preußens Luise

“Johann Gottfried Schadow, 1764 in Berlin geboren, Schüler des Hofbildhauers Tassaert, seit 1788 dessen Amtsnachfolger, hatte schon Meisterwerke wie die Quadriga des Brandenburger Tores und das Zieten-Denkmal für den Wilhelmplatz in Berlin geschaffen, so daß der Minister von Heynitz, als er Friedrich Wilhelm II. vorschlug, die Schönheit der Schwestern von Schadow verewigen zu lassen, ihn mit Recht als einen Künstler bezeichnen konnte, »der jetzt unter allen Bildhauern Europas den ersten Platz« beanspruchen könne. Und der König, selbst vom Reiz seiner Schwiegertöchter beeindruckt, stimmte dem zu. Getraut wurde Luise, als habe man mit ihrem späteren Heiligenschein schon gerechnet, am Heiligen Abend 1793, ihre Schwester am zweiten Weihnachtstag. Danach wohnten die jungen Paare benachbart, Friedrich Wilhelm und Luise im Kronprinzenpalais Unter den Linden, Prinz Ludwig und Friederike in dem durch einen Torbogen verbundenen Nachbargebäude, das später, da Luises Töchter hier bis zu ihrer Verheiratung lebten, den Namen Prinzessinnenpalais erhielt. Schadow wurde ein Arbeitszimmer im Seitenflügel des Kronprinzenpalais angewiesen, und täglich um die Mittagsstunde kam Friederike, die jetzt Prinzessin Ludwig oder Louis genannt wurde, herüber, um ihm zu sitzen, mit ihm zu plaudern und die Reize ihrer knapp siebzehn Jahre auszuspielen, die manchen Männern des Hofes gefährlich wurden. Ihr Mann aber, der sie nur aus Gehorsam geheiratet hatte und sein Junggesellenleben auch in erotischer Hinsicht weiterführte, machte sich wenig aus ihr.
Die Arbeit mit der Kronprinzessin dagegen war weniger intim und gemütlich. Sie kam immer in Begleitung ihres steifen, mit Zeit und Worten geizenden Gatten, saß dem Künstler auch nicht in seinem Arbeitszimmer, sondern ließ sich von ihm während der Audienzen des Kronprinzenpaares studieren, so daß Schadow von seiner Saalecke her meist nur die offizielle Luise sah.
Zuerst entstanden die Büsten der Schwestern, von denen die Friederikes lebendiger wirkt. Vielleicht ist das auch ein wenig auf die unterschiedlichen Arbeitsbedingungen zurückzuführen, bestimmt aber entspricht es den von Schadow erkannten unterschiedlichen Charakteren der Schwestern. Luise, die ältere, hat trotz ihres jugendlich-vollen Gesichts etwas Feierliches und Hoheitsvolles, der geradeaus gerichtete Blick macht das schöne Gesicht unlebendig.“

 

 1833464-1f3ee0cbabe37c148bf4b3be5ac33c7e.jpg
Günter de Bruyn (Berlijn, 1 november 1926)
Koningin Luise von Preußen door Josef Maria Grassi, 1802

 

 

De Franse schrijver Henri Troyat werd geboren in Moskou op 1 november 1911. Zie ook alle tags voor Henri Troyat op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

Uit: La neige en deuil

"Déchiqueté, rompu, il gisait sur le ventre dans la neige, telle une bête blessée à mort. Le nez de l'appareil s'était aplati contre un butoir rocheux. L'une des ailes, arrachée, avait dû glisser le long de la pente. L'autre n'était plus qu'un moignon absurde, dressé, sans force, vers le ciel. La queue s'était détachée du corps, comme celle d'un poisson pourri. Deux larges trous béants, ouverts dans le fuselage, livraient à l'air des entrailles de tôles disloquées, de cuirs lacérés et de fers tordus. Une housse de poudre blanche coiffait les parties supérieures de l'épave. Par contraste, les flancs nus et gris, labourés, souillés de traînées d'huile, paraissaient encore plus sales. La neige avait bu l'essence des réservoirs crevés. Des traces d'hémorragie entouraient la carcasse. Le gel tirait la peau des flaques noires. Même mort, l'avion n'était pas chez lui dans la montagne. Tombé du ciel dans une contrée de solitude vierge, il choquait la pensée comme une erreur de calcul des siècles. Au lieu d'avancer dans l'espace, il avait reculé dans le temps. Construit pour aller de Calcutta à Londres, il s'était éloigné du monde d'aujourd'hui pour aboutir à un coin de planète, qui vivait selon une règle vieille de cent mille ans. »
(…)

Il n'avait jamais vu un avion de près. Celui-ci était de dimensions énormes. Trop grand pour les hommes. Trop lourd pour le ciel. Déchiqueté, rompu, il gisait sur le ventre, dans la neige, telle une bête blessée à mort. Le nez de l'appareil s'était aplati contre un butoir rocheux. L'une des ailes, arrachée, avait dû glisser le long de la pente. L'autre n'était plus qu'un moignon absurde, dressé, sans force, vers le ciel. La queue s'était détachée du corps, comme celle d'un poisson pourri. Deux larges trous béants, ouverts dans le fuselage, livraient à l'air des entrailles de tôles disloquées, de cuir lacérés et de fers tordus. Une housse de poudre blanche coiffait les parties supérieures de l'épave. Par contraste, les flancs nus et gris, labourés, souillés de traînées d'huile, paraissaient encore plus sales. La neige avait bu l'essence des réservoirs crevés. Des traces d'hémorragie entouraient la carcasse."

 

 1833464-948488ec731aa756d518a93e4035768f.jpg
Henri Troyat (1 november 1911 – 4 maart 2007)

 

 

De Franse dichter en schrijver Jean Tardieu werd geboren op 1 november 1903 in Saint German de Joux. Zie ook alle tags voor Jean Tardieu op dit blog en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Etude de voix d'enfant

Les maison y sont là
les deux pieds sous la porte
tu les vois les maisons?

Les pavé y sont là
les souliers de la pluie
y sont noirs mais y brillent.

Tout le monde il est là
le marchand le passant
le parent le zenfant
le méchant le zagent.

Les auto fait vou-hou
le métro fait rraou
et le nuage, y passe
et le soleil, y dort.

Tout le monde il est là
comme les autres jours
mais c'est un autre jour
c'est une autre lumière :

aujourd'hui c'est hier.

 

 

LA CONDAMNATION ou LE MEDECIN

Déshabillez-vous !
Déshabillez-vous complètement !
Ne gardez rien sur vous !

Restez debout, levez les bras, baissez-les !
Dites : trente-trois, trente-trois, trente-trois !
Regardez-moi !

Retenez votre souffle !
Un, deux trois, respirez maintenant !
Retenez votre souffle…respirez !
Respirez fort !

Respirez à fond !
Fermez les yeux !

 

 1833464-89bd5c5fc3d5c5ce716fe2355a082979.jpg
Jean Tardieu (1 november 1903 – 27 januari 1995)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Stephen Crane werd geboren op 1 november 1871 in Newark, New Jersey. Zie ook alle tags voor Stephen Crane op dit en ook mijn blog van 1 november 2010.

 

A Man Went Before A Strange God

A man went before a strange God --
The God of many men, sadly wise.
And the deity thundered loudly,
Fat with rage, and puffing.
"Kneel, mortal, and cringe
And grovel and do homage
To My Particularly Sublime Majesty."

The man fled.

Then the man went to another God --
The God of his inner thoughts.
And this one looked at him
With soft eyes
Lit with infinite comprehension,
And said, "My poor child!"

 


The Trees In The Garden Rained Flowers

The trees in the garden rained flowers.
Children ran there joyously.
They gathered the flowers
Each to himself.
Now there were some
Who gathered great heaps --
Having opportunity and skill --
Until, behold, only chance blossoms
Remained for the feeble.
Then a little spindling tutor
Ran importantly to the father, crying:
"Pray, come hither!
See this unjust thing in your garden!"
But when the father had surveyed,
He admonished the tutor:
"Not so, small sage!
This thing is just.
For, look you,
Are not they who possess the flowers
Stronger, bolder, shrewder
Than they who have none?
Why should the strong --
The beautiful strong --
Why should they not have the flowers?"
Upon reflection, the tutor bowed to the ground,
"My lord," he said,
"The stars are displaced
By this towering wisdom."

 

 1833464-5a298a22377fed0fc65036bade673ac0.jpg
Stephen Crane (1 november 1871 - 5 juni 1900)

 

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook ook mijn blog van 1 november 2009.

Geschreven door Romenu om 12:19 Reageer op dit bericht

A Rhyme for Halloween (Maurice Kilwein Guevara)

 

Bij Halloween

 

 1833111-04f21c91370d28fa97154a2638c8863c.jpg
Halloween door Emma Brownlow, 1860

 

 

A Rhyme for Halloween

Tonight I light the candles of my eyes in the lee
And swing down this branch full of red leaves.
Yellow moon, skull and spine of the hare,
Arrow me to town on the neck of the air.

I hear the undertaker make love in the heather;
The candy maker, poor fellow, is under the weather.
Skunk, moose, raccoon, they go to the doors in threes
With a torch in their hands or pleas: "O, please . . ."

Baruch Spinoza and the butcher are drunk:
One is the tail and one is the trunk
Of a beast who dances in circles for beer
And doesn't think twice to learn how to steer.

Our clock is blind, our clock is dumb.
Its hands are broken, its fingers numb.
No time for the martyr of our fair town
Who wasn't a witch because she could drown.

Now the dogs of the cemetery are starting to bark
At the vision of her, bobbing up through the dark.
When she opens her mouth to gasp for air,
A moth flies out and lands in her hair.

The apples are thumping, winter is coming.
The lips of the pumpkin soon will be humming.
By the caw of the crow on the first of the year,
Something will die, something appear.

 

 1833111-54b8ccfb98b5f7ab116549846706e9ad.jpg
Maurice Kilwein Guevara (Belencito, 5 november 1961)
The Bloomfield Halloween parade in Pittsburgh, 2012

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en hoogleraar Maurice Kilwein Guevara werd geboren op 5 november 1961 in Belencito, Colombia, en groeide op in de buurt van Pittsburgh, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Maurice Kilwein Guevara op dit blog.

Zie voor de schrijvers van de 31e oktober ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:24 Reageer op dit bericht

Joseph Boyden, Bruce Bawer, John Keats, Carlos Drummond de Andrade

De Canadese schrijver Joseph Boyden werd geboren op 31 oktober 1966 in Willowdale, Ontario. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Joseph Boyden op dit blog.

Uit: Through Black Spruce

“I hit hard ice this time, and it knocked the little breath left out of me. My jeans and jacket were already frozen worse than a straitjacket, and the shivers came so bad my teeth felt like they were about to shatter. I knew my Zippo was in my coat pocket but probably wet to uselessness. Push bad thoughts away. One thing at a time. First things first. I crawled quick as I could, trying to stand and walk, and I frankensteined my way to the trees and began snapping dry twigs from a dead spruce.
After I made a pile, I reached into my chest pocket, breaking the ice from the material that felt hard as iron now. My fingers had lost all feel. I reached for my cigarettes, struggled to pull one from my pack, and clinked open the lighter. I’d decided that if the lighter worked, I‘d enjoy a cigarette as I started a fire. It the lighter didn't work, I’d freeze to death and searchers would find me with an unlit smoke in my mouth, looking cool as the Marlboro Man. On the fifteenth thumb roll I got the lighter going. I was saved for the first time. I reached for my flask in my ass pocket and struggled to open it. Within five minutes I had a fire going. Within fifteen I’d siphoned fuel from my tank and had one of the greatest fires of my life burning, so hot I had to stand away from it, slowly rotating my body like a sausage.
The darkness of a James Bay night in January is something you two girls know well. Annie, you’re old enough to remember your grandfather. Suzanne, I don't know. I hope so.Your moshum, he liked nothing more than taking you girls out, bundled up like mummies, to look at the stars and especially the northern lights that flickered over the bay. He’d tell you two that they danced just for you, showed you how to rub your fists together to make them burn brighter. Do you remember?
My first crash ended good. My old friend Chief Joe flew out to me the next morning. found me by the smoky fire I’d kept burning all night. We got my plane unstuck and had a couple of good drinks and he gave me a spare pair of boots. Then Joe went to find those trappers and I got my gas lines unfrozen and flew home to Helen.
Joe quit flying soon after that. He was ready for something else. Me, I kept going. I had no other choice. A wife who wanted children, the idea of a family to feed coming to us like a good sunrise on the horizon. I made my choices. I was young still, young enough to believe you can put out your gill net and pull in options like fish.
The snow’s deep here, nieces. I'm tired, but I have to keep walking. I’m so tired, but I‘ve got to get up or I'll freeze to death. Talking to you, it keeps me warm.”

 

 1833108-5bea0abd4ef6b1cb710675a0ad241d07.jpg
Joseph Boyden (Willowdale, 31 oktober 1966)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en literatuurcriticus Bruce Bawer werd geboren op 31 oktober 1956 in New York. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Bruce Bawer op dit blog.

Uit: While Europe Slept

“Then came 9/11. Most Americans were quick to understand that they were at war and recognized the need for a firm response (though there was, and continues to be, much disagreement as to whether the response decided upon was the right one). Yet while most Western European countries participated in the invasion of Afghanistan and several helped topple Saddam, America's forceful approach alienated opinion makers across the continent and opened up a philosophical gulf that sometimes seemed as wide as the Atlantic itself. Why was there such a striking difference in perspectives between the two halves of the democratic West? One reason was that the Western European establishment--the political, media, and academic elite that articulates what we think of as "European opinion"--tended to regard all international disputes as susceptible to peaceful resolution. It was therefore ill equipped to respond usefully to sustained violence by a fierce, uncompromising adversary. Another reason was Western Europe's large immigrant communities, many of them led by fundamentalist Muslims who looked forward to the establishment in Europe of a caliphate governed according to sharia law--the law of the Koran--and who viewed Islamist terrorists as allies in a global jihad, or holy war, dedicated to that goal. A fear of inflaming minorities who took their lead from such extremists was one more reason to tread gently. Few European politicians had challenged this passivity. The Dutchman Pim Fortuyn had done so, and been murdered for it. Not even the March 2004 bombings in Madrid--"Europe's 9/11"--had fully awakened Europe's sleeping elite. True, not all European Muslims shared the terrorists' goals and loyalties. Many, one gathered, were grateful to be living in democracies. Yet even they seemed hamstrung by the belief that loyalty to the umma (the worldwide Islamic community) overrode any civic obligations to their kaffir (infidel) neighbors. Hence most European Muslims responded passively to van Gogh's murder. Few spoke up against the extremists in their midst. The pressure--from without and within--to stick by their own was, it appeared, simply too overwhelming. And the potential price for betrayal was an end not unlike that dealt out to Theo van Gogh. “

 

 1833108-4bc40f1b45c660b1e51ee5f6789206b2.jpeg
Bruce Bawer (New York, 31 oktober 1956)
 

 

 

De Engelse dichter John Keats werd geboren op 31 oktober 1795 in Finsbury Pavement in Londen. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2010 en eveneens alle tags voor John Keats op dit blog.

 

When I Have Fears

When I have fears that I may cease to be
Before my pen has glean'd my teeming brain,
Before high-piled books, in charactery,
Hold like rich garners the full ripen'd grain;
When I behold, upon the night's starr'd face,
Huge cloudy symbols of a high romance,
And think that I may never live to trace
Their shadows, with the magic hand of chance;
And when I feel, fair creature of an hour,
That I shall never look upon thee more,
Never have relish in the faery power
Of unreflecting love;--then on the shore
Of the wide world I stand alone, and think
Till love and fame to nothingness do sink.

 


Sonnet V. To A Friend Who Sent Me Some Roses

As late I rambled in the happy fields,
What time the skylark shakes the tremulous dew
From his lush clover covert;—when anew
Adventurous knights take up their dinted shields;
I saw the sweetest flower wild nature yields,
A fresh-blown musk-rose; 'twas the first that threw
Its sweets upon the summer: graceful it grew
As is the wand that Queen Titania wields.
And, as I feasted on its fragrancy,
I thought the garden-rose it far excelled;
But when, O Wells! thy roses came to me,
My sense with their deliciousness was spelled:
Soft voices had they, that with tender plea
Whispered of peace, and truth, and friendliness unquelled.

 

To A Cat

Cat! who has pass'd thy grand climacteric,
How many mice and rats hast in thy days
Destroy'd? How many tit-bits stolen? Gaze
With those bright languid segments green, and prick
Those velvet ears - but prythee do not stick
Thy latent talons in me - and tell me all thy frays,
Of fish and mice, and rats and tender chick;
Nay, look not down, nor lick thy dainty wrists, -
For all the wheezy asthma - and for all
Thy tail's tip is nick'd off - and though the fists
Of many a maid have given thee many a maul,
Still is thy fur as when the lists
In youth thou enter'dst on glass-bottled wall.

 

 1833108-1adf1d68924a7652cc53414b3c7924c9.jpg
John Keats (31 oktober 1795 – 23 februari 1821) 
Portrety door William Hilton, vóór 1839

 

 

De Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade werd geboren op 31 oktober 1902 in Itabira, een klein dorpje in de staat Minas Gerais. Zie ook alle tags voorCarlos Drummond de Andrade op dit blog en ook mijn blog van 31 oktober 2010

 

Souvenir Of The Ancient World

Clara strolled in the garden with the children.
The sky was green over the grass,
the water was golden under the bridges,
other elements were blue and rose and orange,
a policeman smiled, bicycles passed,
a girl stepped onto the lawn to catch a bird,
the whole world--Germany, China--
all was quiet around Clara.

The children looked at the sky: it was not forbidden.
Mouth, nose, eyes were open. There was no danger.
What Clara feared were the flu, the heat, the insects.
Clara feared missing the eleven o'clock trolley:
She waited for letters slow to arrive,
She couldn't always wear a new dress. But she strolled in the garden,
in the morning!
They had gardens, they had mornings in those days! 

 


Boy Crying In The Night

In the warm, humid night, noiseless and dead, a boy cries.
His crying behind the wall, the light behind the window
are lost in the shadow of muffled footsteps, of tired voices.
Yet the sound of medicine poured into a spoon can be heard.

A boy cries in the night, behind the wall, across the street,
far away a boy cries, in another city,
in another world, perhaps.

And I see the hand that lifts the spoon while the other holds the head,
and I see the slick thread run down the boy's chin,
and slip into the street, only a thread, and slip through the city.
And nobody else in the world exists but that boy crying.

 


Quadrilha (Square Dance)

João loved Teresa who loved Raimundo
who loved Maria who loved Joaquim
who loved Lili
who loved nobody.
João left to the United States,
Teresa to a convent,
Raimundo died in a crash,
Maria became an old maid,
Joaquim killed himself and Lili married J. Fernandes Pinto
who hadn't been in the story.

 

 1833108-f157923f440437f001b96ce70fa61e42.jpg
Carlos Drummond de Andrade (31 oktober 1902 – 17 augustus 1987)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 13:22 Reageer op dit bericht

Jean Améry, Nick Stone, Irina Denezhkina, Ernst Augustin

De Oostenrijkse schrijver Jean Améry werd geboren op 31 oktober 1912 in Wenen. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Jean Améry op dit blog.

Uit: Die Schiffbrüchigen

„Vollends verflogen war nun der Dämmer des Morgens, fordernd und hart war der Tag heraufgebrochen. Eugen hatte seinen Mantel genommen und das Fenster geöffnet. Nun also galt es fortzugehen, das Wehen des Aprilwindes, der durch das offne Fenster brach, die halbdunkle Stube reinigen zu lassen von Nacht und Traum und dem Duft von Agathe. An der Zeit war es nun, Überschriften der Morgenblätter zu ertragen, die tagblassen Mädchen, die Beamten – und Zughunde vor Fleischerwagen. Schwer ächzte draußen das Haustor. Eugen stand auf der Straße.
Die kommenden Stunden niederzuringen, war außerordentlich schwierig. Um diese Zeit saß Agathe gebückt vor einer grünbeschirmten Lampe und übertrug Zahlen aus vielen färbigen Zetteln in ein unmäßig großes Buch. Und unweit von dort, an einem niedrigen Pulte sitzend, schrieb Heinrich Hessl ebenfalls an Zahlen. So verschiedener Art die Zahlen auch waren, in deren engen Kreisen Agathe, die Geliebte, und Heinrich Hessl, der Freund, lebten, hielt sie doch der schmale Gurt irgend eines Gemeinsamen zusammen. Denn: wirklich waren die Geschäftsfälle gewesen, die Agathes Feder zu selbständigen geistigen Dingen machte, und wirklich waren die Kriege, Belagerungen und Stadteinnahmen gewesen, deren Jahrzahlen Heinrich Hessl kalt und entseelend in seine blauen Kolleghefte schrieb. Ein Mensch hatte von Agathes Firma am 16. Jänner fünf Fässer Wein gekauft und sie entsprechend bezahlt. Ein kleiner Mensch vielleicht, mit rundlich wintergerötetem Antlitz und blinkenden, dicken, ungefaßten Brillen. Unmenschlich aber und kalt, jedoch klar und bestimmt stand in Agathes Buch: Jänner 16., M. Korn & Sohn, 5 Faß Burgunder A.
Und auch aus Heinrich Hessls Zahlen stieg kein Geruch von Lagerküchen, oder Stampfen von Pferdehufen. Und dennoch waren Agathe, die Geliebte, und Heinrich Hessl, der Freund, noch hineinverwoben in ein Allgemeines, das man Sinn oder Leben oder Gesellschaft nennen mag, waren umstützt und gehalten von einer äußeren Gestalt der Dinge. Sorgsam geführt waren sie vom vorbestimmten Lauf ihrer Stunden, der hinführen mochte, wohin er wollte: in irgend einen Traum oder eine ferne Landschaft, der aber da sein mußte, den sie mitliefen, hungrig und voller Angst, ihn zu verlieren.“

 

 1833105-dd4b696b791b9eb3ae6cfe97b59fb6ac.jpg
Jean Améry (31 oktober 1912– 17 oktober 1978)
Cover

 

 

De Engelse schrijver Nick Stone werd geboren op 31 oktober 1966 in Cambridge. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2009 en ook mijn blog van 31 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Nick Stone op dit blog.

Uit: The Unarmed Robbery

"But...aren't you forgetting the money?"
I turned back and looked at her as if she'd grown a third eyeball. "How'm I suppose to take the money with an empty gun?"
"Aww c'mon, weren't you ever a kid? Didn't you ever pretend? I can simply pretend I never saw the empty chambers."
My face turned skeptical. "Why would you do that?"
"Well I can plainly see I'm moving a little too fast for you, so I'll demonstrate." She opened the register drawer and started filling my cloth bag with tens and twenties. "Now what are you suppose to say?"
"I, uhh... thank you?"
"No, you silly fucker! Damn dude, do I gotta do everything for you? You're suppose to tell me to grab the cash under the drawer too!" She lifted the plastic money tray, removed eight fifties and dropped them into the bag. She then removed five one-hundred-dollar bills from under the tray, and proceeded to stuff them in her socks. "And here's my cut."
"But...what about the cameras?" I asked, pointing to one right above her head.
"Oh...yeah, about the cameras. They're fake. $9.95 at Radio Shack. The owner's tight with money." She smiled. "I'm sure that'll change after tonight."
She handed me my big bag of unearned cash and offered her hand. "Name's Melissa."
I shook her hand. "And I'm Ni...not gonna tell you! Nice try."
"Good, you're learning! Well, I'd love to shoot the breeze with you all night, but I should probably call the cops now. Oh, hey! Gimmie your opinion on this first." She dropped to her knees, covered her face with her hands and began crying. "He was a relentless madman, officer! He kept waving the gun in my face and talked about killing my whole family! How could you guys let such a psycho walk the streets?!" She stood up. "How was that? Think they'll buy it?"

 

 1833105-814e914aaea2b514eeac20e31f04cba7.jpg
Nick Stone (Cambridge, 31 oktober 1966)

 

 

De Russische schrijfster Irina Denezhkina werd geboren op 31 oktober 1981 in Yekaterinburg. Zie ook alle tags voor Irina Denezhkina op dit blog en ook mijn blog van 31 oktober 2009 en ook mijn blog van 31 oktober 2010

Uit: Give Me: Songs for Lovers

"Hi!" he said in a low voice.
Aha ... His ears stick out from under his cap, a sharp face, mischievous eyes, brazen. Beautiful hands, the hands are something else. I like the hands.
"Right then, comrades," I said, squeezing my way between the little guy and the rapper. The beautiful hands instantly barred my way.
"Where do you live?"
"Zhenya Egorova Street."
The rapper opened his eyes wide and laughed. But he kept on standing there like a traffic barrier, with his arms spread wide.
"That's fucking far away, Nigger," the little kid announced gleefully.
"Give me your number," the rapper said to me, not listening to him.
I shrugged again and rattled off my number. The quicker you tell them, the quicker they lay off you. Nigger wrote the number on his hand and gave me back my pen.
"Denya lives there; he'll see her home," Nigger answered the kid confidently, maintaining the siege.
Half an hour later my ears were popping on the metro, and sitting there beside me staring into empty space was Denya, the one whose head Vova had put a hole in. The scar was clearly visible - stitched up and daubed with bright green ointment. Denya was like Ryan Gosling in The Believer. The same shaved head, eyes bunched together, straight nose, beaky lips. But on the whole not too bad, pretty tasty. At least he didn't come on to me. My nerves were already stretched worrying about my bare legs and skintight T-shirt. You can never tell.”

 

 1833105-3dade609bfb6267ee2055fbf3edc6ceb.jpg
Irina Denezhkina (Yekaterinburg, 31 oktober 1981)
Cover 

 

 

De Duitse schrijver Ernst Augustin werd geboren op 31 oktober 1927 in Hirschberg. Zie ook alle tags voor Ernst Augustin op dit blog en ook mijn blog van 31 oktober 2009 en ook mijn blog van 31 oktober 2010.

Uit: Die Schule der Nackten

„Das war am Montag. Am Dienstag war ich mit meinen chaldäisch-aramäischen Studien beschäftigt. Ein warmer, sogar heißer Dienstag war es, mit einem nahezu wolkenlosen Himmel, trotzdem hatte ich mich in meine Bibliothek im ersten Stock eingeschlossen, deren Fenster noch dazu nach Norden hinausgehen. Es war kühl hier drinnen, die lange Reihe der goldgepreßten Lederrücken, die ich mir zugelegt hatte – sechsundzwanzig Bände Pflugk-Hartung! – spiegelte das Licht der großen, grünen Sommerkugel wider. Ich gebe zu, es war wegen der Lederrücken, daß ich sie mir geleistet hatte, es hätte auch die gekürzte Ausgabe sein können, oder die broschierte, aber ich leistete mir die sechsundzwanzigbändige. Vielleicht heute nicht mehr. Dazu den Wieland-Kroll, der steht in Weinrot und Moosgrün auf der anderen Seite, achtzehnbändig. Meine Studien haben mich über Jahre systematisch in die Denkungsart vorderasiatischer Kulturen sowie überhaupt frühgeschichtlicher Menschheitsperioden eingeführt. Ich erheische, mit einigem Realitätsbezug, wie ein Hethiter aus der Zeit Darius des Ersten denken zu können – und, wenn es darauf ankäme, zu handeln. Beachtliches Echo erzeugte meine 98 im „History-Sheffield“ erschienene Abhandlung über Tempelprostitution im alten Ninife (genauer gesagt im „neuen“ Ninife), in der ich die Stellung der Frau spezifiziere, welche von Staats wegen ausnahmslos – verheiratet oder nicht verheiratet – ein Jahr lang in den Lustparks der Tempelbezirke ihren Dienst zu verrichten hatte. Das zog einiges Echo nach sich. Ich meine, es war die Veröffentlichung, bekannt war es natürlich. So wie ich auch auf zwei meiner Arbeiten über den Tantrakult an der indischen Ostküste (wedische Zeit) verweisen kann. Ebenfalls im Rahmen meiner frühhistorischen Studien.
An diesem Tag schrieb ich anderthalb durchschnittlich gute Seiten eines Skripts „Die Kinder Sems“, an dem ich seit vier Jahren arbeite und nachweise, daß das Hebräische, Aramäische und Arabische gemeinsamen Ursprungs im semitischen Sprachraum sind – beziehe mich auf die Genesis (Kap. 10), wo die Stammväter dieser Völkerschaften als Kinder des Sem, Sohn des Noah bezeichnet wurden. Alttestamentarisch. Vergleichbar mit dem sumerischen „Elam“   –  –   aber ich möchte hier nicht zu weit gehen, kam auch nicht mehr weit an diesem sehr schönen Morgen. Zwei Seiten weit. Bis zwölf Uhr.
Dann ging ich ins Jakobi-Bad.“

 

 1833105-57df233e267cccc3c246dfa475f483dd.jpg
Ernst Augustin (Hirschberg, 31 oktober 1927)

 

Geschreven door Romenu om 13:20 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten