Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 29 november 2017 tot 30 november 2017

Dennis Gaens, Christophe Vekeman, James Worthy, Y.M. Dangre, Reinier de Rooie, David Nicholls, Yasmine Allas, Jan G. Elburg, Jesús Carrasco

De Nederlandse dichter Dennis Gaens werd geboren in Susteren op 30 november 1982. Zie ook alle tags voor Dennis Gaens op dit blog.

 

met vertrouwen, vrienden en hamers

Komende zomer doen we dat anders.

De dresscode: kleren die kapot kunnen, stevige schoenen, vieze handen
en een riem waaraan een hamer hangt. We halen hout (massaal en in alle
maten), klimmen in ladders en leggen verlengkabels van de radio's naar de
aggregaten. Gesprekken staken we tot 's avonds - met je mond vol spijkers
is het lastig praten.

Die drie maanden vallen we samen met de splinters in onze vingers, de
schaafwonden op onze schenen, de blaren op onze handen en een handvol
gebroken benen - met alles op onze namen na.

Dit ding gaat groot worden.

Wat het ook wordt - als het af is, klimmen we erin, trekken kratten bier
omhoog met touwen, kijken omlaag en zullen zien dat het goed is.

Als wij het niet doen, doet niemand het.

 

 

bezet gebied

onze benen over de rand van het perron geklemd
kijken we langs het spoor dat van elke bestemming
een verdwijnpunt langs een vluchtlijn maakt

kijken in de trein naar een dwarsdoorsnede
van steden die als kralen aan het spoor
worden geregen totdat de knoop compleet is

komen overal langs iets ander glas in hetzelfde beton
spiegels voor wolkenkrabbers en kranen
een enkele helikopter en een blauwdruk voor later

leven in steden gegijzeld door morgen
elke bouwgrond bezet gebied
prikkeldraad de rode lijn

lopen over ruitjespapier en rijden over
steeds nog niet gesleten asfalt
eeuwig onslijtbaar asfalt

en wij met onze benen geklemd om de rand van het perron
zoeken ons verdwijnpunt langs een vluchtlijn
en praten van bestemming

 

 2097305-f5042431a5cf6875c31bd4a7bb0487ce.jpg
Dennis Gaens (Susteren, 30 november 1982)

 

 

De Vlaamse schrijver, dichter en performer Christophe Vekeman werd geboren in Temse op 30 november 1972. Zie ook alle tags voor Christophe Vekeman op dit blog.

 

De vreemdeling

1
Het was ochtend toen hij arriveerde
Wij namen beleefd de hoed af en groetten
Het was de allereerste keer
Dat wij iemand als hij ontmoetten

We wilden weten wat hij wenste te drinken
Konden wij hem plezieren met dit of met dat?
De moed begon ons algauw in de schoenen te zinken
Toen hij ons vertelde dat hij geen behoeftes had

Het was middag en wijzelf waren de radeloosheid nabij
Hij zat daar maar te zitten en te zwijgen, uren-, urenlang
De school was dicht die dag, alle kinderen waren vrij
En stonden buiten op hun tenen door de bewasemde ruiten te gluren, nieuwsgierig en bang

Wij wilden actie ondernemen en we staken de koppen bijeen
Elkeen was het erover eens dat er iets moest gebeuren
Maar hoe wij ook zochten, we vonden geen oplossing, neen
En al onze dorpsgenoten vergrendelden ondertussen hun ramen en deuren

De avond viel, de zon, zij vluchtte, maar de man bleef zitten, pontificaal
Velen van ons planden om zich van het leven te beroven
Zij bakten eieren en vlees: hun laatste avondmaal
Sommigen bekeerden zich en begonnen eensklaps in God te geloven

Mijn eigen vrouw, bijvoorbeeld: ik zweer het, ik vergeet nooit meer
Hoe zij de armen hief en bad en met een grafstem zei:
'Ik heb getracht om U te dienen Heer,
Maar het is niet gelukt. Straf mij!'

De nacht was diep en donker, zonder sterren aan het firmament
Omdat de man niet sliep, was geen van ons in staat in slaap te geraken
Wij wachtten angstig wakend af, ons lot vooralsnog onbekend
Uitsluitend zij die waren gestorven, hoefden zich niet langer zorgen te maken

's Ochtends echter begonnen wij luid te lachen en druk te praten
Zijn stoel stond leeg en wij voelden ons onoverwinnelijk plots, en onkwetsbaar
Hoe blij waren wij allen dat hij had verkozen ons achter te laten
Ten prooi aan onszelf, ten prooi aan elkaar

 

 2097305-6044b5fdb3fe37f4fd5fad718c1b6337.jpg
Christophe Vekeman (Temse, 30 november 1972)

 

 

De Nederlandse schrijver James Worthy werd geboren in Amsterdam op 30 november 1980. Zie ook alle tags voor James Worthy op dit blog.

Uit: Zwarte Sylvester

`Dus u trof mevrouw Slootweg op 8 juni aan' Hangend in de appelboom van opa Opperman? En u hebt ons pas op de 22e gebeld? Waarom zo laat?' vroeg een agent.
`Ik wilde afscheid nemen. Ze had vrede gevonden in die boom, zoveel vrede dat ik soms dacht dat ze weer wakker zou worden. Dat haar oude lichaam open zou scheuren als een cocon en dat er een nieuwe Charlotte tevoorschijn zou komen.'
`En die blauwe plekken?' De agent wees naar het beurse middenrif van Lotje. 'Hebt u daar iets mee te maken?'
`Ik was boos. Zou u niet boos zijn? We hebben een zoon, we hebben een hypotheek, we hadden een toekomst. Ja, ik ben verantwoordelijk voor die blauwe plekken. Ik ben een alleenstaande vader in een veel te duur huis. En hebt u haar afscheidsbriefje al gelezen? "Duizendmaal sorry, maar ik moest dit doen"? Mevrouw Slootweg had recht op die tikken. Ons gezin zat in een rijdende auto, een rijdende auto naar een gelukkige bestemming. Mevrouw Slootweg moest zo nodig uit een rijdende auto springen.'
`En uw zoon? Sylvester? Hoe gaat het met Sylvester?'
`Sylvester is mijn alles. Syl komt helemaal niets tekort. Ja, een moeder. Gisteren sprak hij zijn eerste woordje. Die jongen komt er wel. We gaan het niet makkelijk krijgen, maar we heten niet voor niets Opperman van achteren.'
`Wat was zijn eerste woordje?' vroeg de agent terwijl hij de lege pillendoosjes in een plastic zakje deponeerde.
`Kent u 'De wilde zwanen" van Hans Christian Andersen? Dat is zijn favoriete sprookje.' Rufus pakte het sprookjesboek erbij en begon voor te lezen. "Wij broers," zei de oudste, "vliegen als wilde zwanen zolang de zon aan de hemel staat; zodra ze onder is worden we weer mens; daarom moeten we bij zonsondergang ervoor oppassen dat we grond onder de voeten krijgen; want als we dan hoog in de
wolken zouden vliegen, zouden we ook, als mensen, in de diepte storten." Als ik het woord "zwaan" uitspreek begint mijn zoon te lachen. Sylvester is net één, en zijn eerste woordje is dus "swaaht". Hij probeert "zwaan" te zeggen, maar het klinkt als zwart.”

 

 2097305-fd70adc900fab3a8eebc99ffa8d4b591.jpg
James Worthy (Amsterdam, 30 november 1980)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Y.M. (Yannick) Dangre werd op 30 november 1987 geboren in Kapellen. Zie ook alle tags voor Y.M. Dangre op dit blog.

Uit: Vulkaanbreuk

“Ze sloeg haar armen om het potige lijf heen, want zelfs voor liefde in ongezonde, wild romantische hoeveelheden zei je 'dank u wel'. Zulke amoureuze gulzigaards moest je juist geduldig leren matigen, zoals je een hond trainde om met steeds schameler porties tevreden te zijn. Tot haar verbazing liet de hond al snel los. Robert porde haar aan om te vertrekken, om zeker tijdig terug te zijn vanavond, voor Amedeo: de zoon met de bespottelijke naam, die iedereen meteen aan Mozart linkte, aan Roberts passie voor klassieke muziek, aan zijn indrukwekkende cd-collectie die in de woonkamer stond te glimmen in enkele getrapte rekken, volgestouwd met voornamelijk hooggestemde negentiende eeuwers, Beethoven — waarschijnlijk had de jongen nog geluk dat hij niet Ludwig heette; de zoon door wie Robert halsoverkop weer naar Italië moest, naar het huis van zijn stukgelopen huwelijk — tot de dood u scheidt — en gezinsleven; de zoon zonder moeder, want haar auto en leven had ze aan diggelen gereden, waarna vruchteloze reanimatiepogingen volgden op de snelweg, in het ziekenhuis vol behulpzame verpleegsters, vol doktershanden, die het leven enkel sneller uit Amedeo's moeder hadden geknepen. Dat zei Robert haar dezelfde avond nog, aan de telefoon, met een snik en zelfmedelijden in zijn stemgeluid terwijl ze hem, half tegen haar zin, aan de andere kant van de lijn volpompte met troostwoordjes. Wat erg voor de jongen. Arme spruit. Moederloze stumperd, zo alleen nu naast zijn dode mammie in de kliniek. Zou hij veel van zijn mammie gehouden hebben? Haar keel werd droog. Ze voelde woede opkomen. Fragmenten van een nooit ophoudende, voortgalopperende beeldenstroom drongen zich op, vulden haar hersens met witheid. De witheid van ziekenhuisbedden. Van Papa. Van haar moeder die hem haatte. Goed dat je morgenochtend de eerste vlucht pakt. Of ze meeging.”

 

 2097305-3b8ce5dbce43b26f2958036c81e884cf.jpg
Y.M. Dangre (Kapellen, 30 november 1987)

 

 

De Nederlandse dichter Reinier de Rooie werd geboren op 30 november 1961 in Hengelo. Zie ook alle tags voor Reinier de Rooie op dit blog.

 

Hiephiep

Tussentijds staat men hier bij een denkbeeld van poort.
Uitvlucht voor wie wereld wil, thuiskomst
In pace en peace, hoewel soms dan hormonen
Na marktbezoek of ketelgelap, boeren c.q. beren
Denk dan eens aan weleer die dagen van ’11:
Omgeven door landelijk liederlijk breekbaar
Riep de Tijdgeest ‘vooruit hup en hopsa’.
Plant dan maar eens een boom en zie om!

’t Was in het herfsttij van Britain…

Langs karrensporen vleide zich steen.
Aan het vuur werd het ijzer gekromd.
Niemand ontkwam aan de stoomloc.
Socialisme schokte met schouder.
Industriëlen kozen ei, zagen ruimte,
Namen het dorp alsleidraad.
Kinderen ademden groen.

Hoe nu nu alles is anders en om?
Ook vandaag schijnt magnifiek de zon!
Neem een duik in het spetterend zwembad.
Doe uw schoenen uit doe uw angsten uit
En dans op de tafel wat de pot schaft.
Ruim alles nadien in gemoedsrust en
Droom van een wereld als hier maar alom.

 

 2097305-4971ade53f24185d4284d2c80e57b421.jpg
Reinier de Rooie (Hengelo, 30 november 1961)

 

 

De Engelse schrijver David Nicholls werd geboren op 30 november 1966 in Eastleigh, Hampshire. Zie ook alle tags voor David Nicholls op dit blog.

Uit: Us

“Last summer, a short time before my son was due to leave home for college, my wife woke me the middle of the night.
At first I thought she was shaking me because of burglars. Since moving to the country my wife had developed a tendency to jerk awake at every creak and groan and rustle. I’d try to reassure her. It’s the radiators, I’d say; it’s the joists contracting or expanding; it’s foxes. Yes, foxes taking the laptop, she’d say, foxes taking the keys to the car, and we’d lie and listen some more. There was always the ‘panic button’ by the side of our bed, but I could never imagine pressing it incase the alarm disturbed someone – say, a burglar for instance.
I am not a particularly courageous man, not physically imposing, but on this particular night I noted the time – a little after four – sighed, yawned and went downstairs. I stepped over our useless dog, padded from room to room, checked windows and doors then climbed the stairs once more.
‘Everything’s fine,’ I said. ‘Probably just air in the water pipes.’
‘What are you talking about?’ said Connie, sitting up now.
‘It’s fine. No sign of burglars.’
‘I didn’t say anything about burglars. I said I think our marriage has run its course. Douglas, I think I want to leave you.’
I sat for a moment on the edge of our bed.
‘Well at least it’s not burglars,’ I said, though neither of us smiled and we did not get back to sleep that night.”
 

 2097305-e6fbd498e68d31f6aa59ba90e0b47690.jpg
David Nicholls (Hampshire, 30 november 1966)

 

 

De Nederlandse schrijfster en actrice Yasmine Allas werd geboren op 30 november 1967 in Mogadishu in Somalië. Zie ook alle tags voor Yasmine Allas op dit blog.

Uit: A Handed-Down History (Een nagelaten verhaal, vertaald doorJoni Zwart)

“Two days later, towards the end of the morning, Zeyneb’s father was waiting for her and the Stranger on the veranda.
Normally she would have given her father a warm embrace and quickly breathed in his scent but now, for the first time in her life, she hesitated.
‘Abo, iska waran? Father, how are you?’ was all she could say.
Diiriye nodded, brief and stiffly.
Then the Stranger and he shook hands. Brief and stiffly.
Maryam’s most beautiful carpets were spread out on the wooden floor of the
reception room.
The classic rose shades delighted the eye; the blue, brighter than the sky of Hardu, was a joy to see, and the mysterious purple was an invitation to look deeper and read the story that was woven in the fabric. An invitation to discover the long-legged orange birds that prodded the tall bilious-green grass with hooked beaks, or the snakes showing their forked tongue to children at play in the arbours. The carpets were a feast for the eye, an enticement to the imagination. Maryam only brought them out on religious feast days - and for distinguished visitors of course.
Today the two oldest of the Three Lucifers were seated on those carpets, to one side of the room, stiff legs folded beneath their sarongs. On the other side sat Guuleed.
The eldest Lucifer, a cross-eyed looking man with ash-coloured, tightly curled hair, beckoned Zeyneb and the Stranger, inviting them to take their place on the carpets opposite.
While Maryam poured out sweet ginger tea, Zeyneb managed to whisper to the Stranger: ‘The situation is different from what I had expected. The best thing would be to give them the marriage certificate right away. Trust me.’

 

 2097305-c4eb367067160d3909d9f935aaea9611.jpg
Yasmine Allas (Mogadishu, 30 november 1967)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan G. Elburg werd geboren op 30 november 1919 te Wemeldinge. Zie ook alle tags voor Jan G. Elburg op dit blog en de overige tags voor Jan G. Elburg.

 

Serenade voor Lena

Weemoedig minnelied in drie accoorden:
Een vrouwenbeeld, een dichter en de maan,
Dat sinds de hand de snaren leerde slaan
De samenslaap van de gelieven stoorde.

En zwichtte zij ooit die zijn klachten hoorde,
Als wist zij hem in 't foltervuur te staan,
Ter dood gezengd en hulploos wrikkend aan
De blauwe pijl die hem het hart doorboorde?

Zij neuriet wel zijn lied maar weet geen woorden;
Zij neemt tot sieraad de vergoten traan,
Maar stuurt den zanger bij haar poort vandaan

Langs eeuwenoude kronkelwegen door de
Verlatenheid , waar mijl na mijl ontspoorde
Gedichten tussen wingerdblad vergaan.

 

 

Het vers

Dit noemt men vers, maar onverstoord
Blijf ik tussen de regels zingen:
De dichter die mij aangeboord
Heeft, wil, door eigen durf bekoord,
Om naar de eeuwigheid te dingen,
Mijn klanken naar zijn woorden dwingen.
Het lijkt er op, maar onverstoord
Blijf ik tussen de regels zingen.

Zou 'k mij verminkt en halfvermoord
Tot dwaze bochten moeten wringen
In 't eigenwijs, onwillig woord?
Ha, alle woorden staan op springen
En ik blijf zingen, onverstoord.

 

*

Wat een landschap voor lange stelten.
De vlakte heeft,
uit plooien, zich bevuild
met puntpoep, keutels van sintels.

Slim heiligdom van een doos:
bebrilde ramen.
En de zwarte slagroom
van de schaduw,
de zware.

Wat een landschap
om over de schreef van de horizon
te gaan.

 

 2097305-a356f19d5227639c6e5961190d7fc2a1.jpg
Jan G. Elburg (30 november 1919 – 13 augustus 1992)

 

 

De Spaanse schrijver Jesús Carrasco werd geboren in Badajoz, Extremadura, op 30 november 1972. Zie ook alle tags voor Jesús Carrasco op dit blog.

Uit: De vlucht (Vertaald door Arie van der Wal)

“De honden liepen met hem mee aan een gerafeld touw om hun nek. Het was pijnlijk om te zien hoe de man zich voortbewoog in zijn lompe apparaat, en hij had zich altijd afgevraagd waarom hij de dieren die kar niet liet trekken. Op school zeiden ze dat als een van de beesten hem niet langer beviel, hij het ophing aan een olijfboom. In zijn korte leven had hij al tientallen honden in een of andere afgelegen boom zien bungelen. Huidzakken vol ontwrichte botten als reusachtige ingesponnen poppen.
Hij merkte dat de mannen al dichtbij waren en maakte zich gereed om doodstil te blijven liggen. Hij hoorde hoe zijn naam zich vermenigvuldigde tussen de bomen als druppels op het wateroppervlak. Weggedoken in zijn schuilplaats bedacht hij dat dit misschien zijn hele beloning zou zijn: horen hoe ze hem bij het aanbreken van de ochtend keer op keer riepen tussen de olijfbomen. Hij herkende de stem van de kastelein en die van een van de ezeldrijvers die de zomer in het dorp doorbrachten. En hoewel hij ze niet kon horen, nam hij aan dat ook de stemmen van de postbode en de mandenmaker erbij waren. Hij ervoer een onverwacht leedvermaak, vochtig en warm, op de bodem van zijn kuil. Een soort doffe, kinderlijke opgewondenheid die hem kippenvel bezorgde. Hij vroeg zich af of ze op dezelfde manier naar zijn broer zouden zoeken, of híj zoveel mannen op de been zou kunnen brengen voor een speurtocht. Bij dat koor van stemmen had hij het gevoel dat hij misschien een vorm van gemeenschapszin had losgemaakt, en heel even trok zijn wrok zich terug tot ergens diep in zijn maag. Hij had de mannen van het dorp om zich heen verzameld, al die sterke, gebruinde armen die voren trokken in het land en zorgden voor het graan in de platte broden. Hij had iets teweeggebracht. Hij dacht dat de noodzaak om die groep mensen bijeen te brengen oude vijanden mogelijk had gedwongen de mouwen op te stropen en schouder aan schouder naar hem op zoek te gaan. Hij vroeg zich af of er over een paar jaar of over een paar weken iets zou overblijven van dat moment. Of het een gespreksonderwerp zou zijn bij het uitgaan van de mis of in de kroeg. Toen dacht hij aan zijn vader en hij stelde zich voor hoe hij links en rechts uitleg gaf. Hij zag hem, zoals zo vaak, hulpeloosheid veinzen, waarbij hij iedereen probeerde te laten geloven dat de jongen, terwijl hij achter een jonge patrijs aan rende, vast en zeker in een beerput gevallen was.”

 

 2097305-f36412a97f7f741d8195e9be436df3e7.jpg
Jesús Carrasco (Badajoz, 30 november 1972)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e november ook mijn blog van 30 november 2016 en ook mijn blog van 30 november 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 30 november 2008 en ook mijn blog van 30 november 2008 deel 2, en ook mijn blog van 30 november 2007 en mijn blog van 30 november 2006.

Geschreven door Romenu om 18:11 Reageer op dit bericht

Mario Petrucci, George Szirtes, Jean Senac, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis, Wilhelm Hauff, Louisa May Alcott, Franz Stelzhamer

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook alle tags voor Mario Petrucci op dit blog.

 

Gene

With pollution and GM, future seas may change colour.

Worl alway same me rekon
nuttin much-change Dere alway green
melon-anana Alway yelow-sea

Me granee she live-be twennysix
wit ray hair Me tel me-babee
we not die-soon We like granee –

we live-long An me caree-she
for look-see thru eave – for look
yelow-sea An me tel-she

wen de-Life tek-you you com
yelow like you fall-in yelow-sea An
you stopp Dat all

An me tel-she bout ol-peepol
hoo-liv wen Worl dri Me tel-she
storee bout way ting used-be

wen ol-peepol walk in air an walk
wid weel An way dem ol-peepol talk
in riddl An way dem stepp in someting

dey call Gene Yeh Dem mess-up
reel-bad someting call Gene An dem
rising-now for meet-us in yelow-sea

An me-babee say – Dees storee
all troo? Dem ol-peepol all stopp? All
com-yelow like ye’ow-sea? Butt me

know nuttin mor Cept
dey bildin tall Dey much-like carr
much-like Wor Dem tuch ev-where

dem stepp ev-where Butt
me tel-me-babee – me-tink
dem ol-peepol dem juss-walk

one Gene too-farr

 

 2096969-e95b53fb7a828d8abfe5b2b389b516a4.png
Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

 

 

De Britse dichter en schrijver George Szirtes werd geboren op 29 november 1948 in Boedapest. Zie ook alle tags voor George Szirtes op dit blog.

 

Esprit de l'Escalier

Suddenly there we all were, talking together
but not to each other. It might have been I
who had started it, muttering as I do
to myself, or rather to a figure to whom
I have something to say in the manner known
as l’esprit de l’escalier, that ghostly meeting

on the staircase with a person already past meeting
for whom we now have an altogether
brilliant answer, one we have always known
but had failed to produce when required. And now, I
and the others were talking, all of us, to whom
it would finally concern us to talk to, as we do

each day on the bus, knowing just what to do
and to say at this and every other such meeting.
There were friends, fears, ghosts, and past selves whom
each of us had to answer, all of us speaking together
every which one a distinct and separate I
in a world where everything has always been known.

The air was packed solid with voices we had once known
or were ours, it was hard to tell which, for how do
you tell the inner from the outer, or distinguish the I
from the not-quite-I? And soon each intimate meeting
had spilled onto the street, all voices singing together
to make one thundering chorus, each who with its whom,

in doorways, on staircases, singing to whom-
soever could hear and respond to the known-or-unknown
harmonies we were producing as if we were together.
We were ghosts. We were dead. There was little to do
but to listen and sing and be dead and be meeting
each ghost on its staircase. And so it was I

myself spoke to the dead ones within me since I
was their only voice, the lost hum of their whom.
It was crazy this sound, the music of meeting
all of them now, there on the bus, having known
only the steps to the top deck, knowing what to do
only in emergencies when we’re all thrown together

and have to make do as we are, no matter with whom
we travel or have known, these voices with their I,
their you, their singing together at each and every meeting.

 

 

Stoelen

De lege stoelen vreesde hij
niet die met leuningen in hen geplant,
niet die bestrooid met kruimels of papiertjes.

De stemmen die niet spraken,
de piepjes en kraakjes die de stoelen niet maakten,
het overhellen, het omvallen,
de gebroken stoelpoten, het dagelijks gedoe.

Ze rond een tafel zien geschaard,
in zichzelf gekeerd als voor een ritueel
dat was het onrustbarende, en dat er een,
ja, die met open armen
en z’n uitnodiging om te gaan zitten,
z’n slaperigheid, zijn steek naar waardigheid,
zijn ledigheid, de duivel zelve was.

 

Vertaald door Rob Schouten

 

 2096969-93c347020b4dfd1a222dc037da5bbca6.jpg
George Szirtes (Boedapest, 29 november 1948)

 

 

De Algerijnse, Franstalige, dichter en schrijver Jean Senac werd geboren op 29 november 1926 in Beni Saf in de regio Oran. Zie ook alle tags voor Jean Senac op dit blog.

 

Le chant de Robert

L’odeur ouvre le front
met dans la main une rumeur ancienne
la simple odeur longtemps retenue de la laine
et la tranquille ampoule où brûle le limon

L’oreille ouvre le temps
quel genêt bouge alors dans le cœur quelle pierre
frappe la jambe quel printemps
remet au centre la misère

La bouche ouvre la nuit
libère un vieux galion sous la dure falaise
une fille s’endort le bruit
des mers inachevées la conduit la protège

Le cœur ouvre l’étui
où rêvait le poète à ses futures frondes
pareil au garve enfant que la mort dévergonde
sourd à ses animaux sourd aux dieux, sourd aux fruits

La chaleur ouvre le monde
dans le signe de l’ami

 

 

Le temps des mots

Cœur percé d’une hirondelle
mes camarades sont en prison
mon image n’est pas belle
s’ils doivent y rester longtemps

La beauté est difficile
deux cœurs ne font pas une île
mais une flèche un tison
Au-dessus de la ville
mes camarades sont en prison

Pourquoi chanter quand nous menace
le cri funèbre d’un innocent
la beauté est une impasse
l’hirondelle un mot sans passe
si la poésie n’arrête pas le sang

Cœur percé d’une hirondelle
ma patrie est en prison
mon image n’est pas belle
si elle n’ouvre pas le temps
de la liberté et de la raison

Cœur percé d’une hirondelle
la vie au bout de la chanson.

 

 2096969-ff32bc16281a320c197abe1b48aab794.jpg
Jean Senac (29 november 1926 – 30 augustus 1973)

 

 

De Italiaanse schrijver, schilder, arts en politicus Carlo Levi werd geboren op 29 november 1902 in Turijn. Zie ook alle tags voor Carlo Levi op dit blog.

Uit:Christ Stopped at Eboli (Vertaald door Frances Frenaye)

„Many years have gone by, years ol war and of what men call History. Buffeted here and there at random I have not been able to return to my peasants as I promised when I left them, and I do not know when, if ever, I can keep my promise. But closed in one room, in a world apart, I am
glad to travel in my memory to that other world, hedged in by custom and sorrow, cut off from History and the State, eternally patient, to that land without comfort or solace, where the peasant lives out his motionless civilization on barren ground in remote poverty, and in the presence of death.
"We're not Christians," they say. "Christ stopped short of here, at Eboli." "Christian," In their way of speaking means "human being," and this almost proverbial phrase that I have so often heard them repeat may be no more than the expression of a hopeless feeling of inferiority. We're not Christians, we're not human beings; we're not thought of as men but simply as beasts, beasts of burden, or even less than beasts, mere creatures of the wild. They at least live for better or for worse, like angels or demons, in a world of their own, while we have to submit to the world of Christians, beyond the horizon, to carry its weight and to stand comparison with it. But the phrase has a much deeper meaning and, as is the way of symbols, this is the literal one.
Christ did stop at Eboli, where the road and the railway leave the coast of Salerno and turn into the desolate reaches of Lucania. Christ never came this far, nor did time, nor the individual soul, nor hope, nor the relation of cause to effect, nor reason nor history. Christ never came, just as the Romans never came, content to garrison the highways without penetrating the mountains and forests, nor the Greeks, who flourished beside the Gulf of Taranto. None of the pioneers of Western civilization brought here his sense of the passage of time, his deification of the State or that ceaseless activity which feeds upon itself.”

 

 2096969-51d12f4fdf39180113450f3d62bc4f81.jpg
Carlo Levi (29 november 1902 – 4 januari 1975)
Cover

 

 

De Belgische schrijver Jean-Philippe Toussaint werd op 29 november 1957 geboren in Brussel. Zie ook alle tags voor Jean-Philippe Toussaint op dit blog.

Uit: Nue

« Tel, du moins, était le principe. En pratique, les difficultés s’étaient multipliées, et la présentation de la robe en miel au Spiral de Tokyo avait nécessité des mois de travail et la mise en place d’une petite cellule spécialisée qui s’étaient consacrés exclusivement au développement du projet de la robe en miel. Dès le départ, il avait fallu choisir entre travailler avec de vraies abeilles ou faire appel à un système de faux insectes téléguidés, en s’appuyant sur les travaux les plus récents de biorobotique, qui permettent d’envisager de minuscules robots aériens dotés de capteurs électroniques ventraux. Après examen de la question, et de nombreux échanges de courriers électroniques entre Tokyo et Paris, agrémentés de documents joints croquignolets qui contenaient des schémas complexes de prototypes volants miniaturisés, à l’allure sibylline de machines à voler de Léonard de Vinci, il apparut qu’il était technique- ment possible de faire voler un essaim d’abeilles sur un podium de mode. Le principal point positif mis en lumière par les collaborateurs de Marie était que les colonies d’abeilles sont dociles et suivent partout aveuglément leur reine (si une reine parvient à s’échapper d’une ruche, toute la colonie la suit dans la nature, de sorte que certainsapiculteurs n’hésitent pas à couper les ailes de leurs reines pour éviter de tels exodes). Lors d’un premier voyage préparatoire que Marie avait fait au Japon, son assistant lui avait arrangé un ren- dez-vous avec un apiculteur corse qui vivait à Tokyo, et Marie s’était retrouvée à déjeuner dans un restaurant panoramique de Shinjuku avec un certain M. Tristani, ou Cristiani (dont le prénom n’était rien de moins que Toussaint), petit homme sympathique, débonnaire, vêtu de tweed, de chevrons, de beige et de bordeaux. M. Tristani avait le poignet dans le plâtre et le bras en écharpe, il portait d’épaisses lunettes jaunes aux verres fumés qui cachaient un regard aigu, rusé et méfiant.M. Tristani avait commandé l’apéritif dans la grande salle à manger déserte du restaurant panoramique, et il devait s’attendre à quelque déjeuner galant en compagnie d’une jeune femme qui s’intéressait à la fabrication du miel, mais Marie n’avait pas l’habitude de badiner pendant les déjeuners de travail. Dès que le maître d’hôtel était venu prendre la commande, elle lui avait exposé d’une voix décidée les grandes lignes de son projet. M. Tristani, dont les ardeurs s’étaient très vite éteintes, l’écoutait gravement, en hochant la tête, le poignet dans le plâtre, détachant detemps à autre maladroitement un filet de sole de sa main valide, puis, posant son couteau à poisson sur la nappe, il ramassait sa fourchette et avalait une bouchée d’un air douloureux, et même préoccupé, car, s’il avait bien compris, l’idée consistait à recouvrir un top-model de miel. »

 

 2096969-adf481fc2534ee727cae190f6c4e91ee.jpg
Jean-Philippe Toussaint (Brussel, 29 november 1957)

 

 

De Ierse schrijver C.S. Lewis werd geboren op 29 november 1898 in Belfast. Zie ook alle tags voor C. S. Lewis en de overige tags voor C, S. Lewis op dit blog.

Uit: The Chronicles Of Narnia

"What's that noise?" said Lucy suddenly. It was a far larger house than she had ever been in before and the thought of all those long passages and rows of doors leading into empty rooms was beginning to make her feel a little creepy.
"It's only a bird, silly," said Edmund.
"It's an owl," said Peter. "This is going to be a wonderful place for birds. I shall go to bed now. I say, let's go and explore tomorrow. You might find anything in a place like this. Did you see those mountains as we came along? And the woods? There might be eagles. There might be stags. There'll be hawks."
"Badgers!" said Lucy.
"Foxes!" said Edmund.
"Rabbits!" said Susan.
But when next morning came there was a steady rain falling, so thick that when you looked out of the window you could see neither the mountains nor the woods nor even the stream in the garden.
"Of course it would be raining!" said Edmund. They had just finished their breakfast with the
Professor and were upstairs in the room he had set apart for them - a long, low room with two windows looking out in one direction and two in another.
"Do stop grumbling, Ed," said Susan. "Ten to one it'll clear up in an hour or so. And in the meantime we're pretty well off. There's a wireless and lots of books.""Not for me” said Peter; "I'm going to explore in the house."
Everyone agreed to this and that was how the adventures began. It was the sort of house that you never seem to come to the end of, and it was full of unexpected places. The first few doors they tried led only into spare bedrooms, as everyone had expected that they would; but soon they came to a very long room full of pictures and there they found a suit of armour; and after that was a room all hung with green, with a harp in one corner; and then came three steps down and five steps up, and then a kind of little upstairs hall and a door that led out on to a balcony, and then a whole series of rooms that led into each other and were lined with books - most of them very old books and some bigger than a Bible in a church.”

 

 2096969-9af64a152816fa7580b9b945a4332f0a.jpg
C.S. Lewis (29 november 1898 – 22 november 1963)
Scene uit de film “The Chronicles of Narnia: The Lion, the Witch, and the Wardrobe”, 2005

 

 

De Duitse dichter en schrijver Wilhelm Hauff werd geboren inStuttgart op 29 november 1802. Zie ook alle tags voor Wilhelm Hauff op dit blog.

Uit: Die Bettlerin vom Pont des Arts

„Wer im Jahr 1824 abends hie und da in den Gasthof »Zum König von England« in Stuttgart kam, oder nachmittags zwischen 2 und 3 Uhr in den Anlagen auf dem breiten Weg promenierte, muß sich, wenn anders sein Gedächtnis nicht zu kurz ist, noch einiger Gestalten erinnern, die damals jedes Auge auf sich zogen. Es waren nämlich zwei Männer, die ganz und gar nicht unter die gewöhnlichen Stuttgarter Trinkgäste oder Anlagenspaziergänger paßten, sondern eher auf den Prado zu Madrid oder in ein Café zu Lissabon oder Sevilla zu gehören schienen. Denket euch einen ältlichen, großen, hageren Mann mit schwärzlich grauen Haaren, tiefen, brennenden Augen, von dunkelbrauner Farbe, mit einer kühngebogenen Nase und feinem, eingepreßtem Mund. Er geht langsam, stolz und aufrecht. Zu seinen schwarzseidenen Unterkleidern und Strümpfen, zu den großen Rosen auf den Schuhen und den breiten Schnallen am Kniegürtel, zu dem langen, dünnen Degen an der Seite, zu dem hohen, etwas zugespitzten Hut mit breitem Rande, schief an die Stirne gedrückt, wünschet ihr, wenn euch nur einigermaßen Phantasie innewohnt, ein kurzes geschlitztes Wams und einen spanischen Mantel, statt des schwarzen Frackes, den der Alte umgelegt hat.
Und der Diener, der ihm ebenso stolzen Schrittes folgt, erinnert er nicht durch das spitzbübische, dummdreiste Gesicht, durch die fremdartige, grelle Kleidung, durch das ungenierte Wesen, womit er um sich schaut, alles angafft und doch nichts bewundert, an jene Diener im spanischen Lustspiel, die ihrem Herrn, wie ein Schatten treu, an Bildung tief unter ihm, an Stolz neben ihm, an List und Schlauheit über ihm stehen? Unter dem Arm trägt er seines Gebieters Sonnenschirm und Regenmantel, in der Hand eine silberne Büchse mit Zigarren und eine Lunte.“

 

 2096969-4959ce6c649d75a2a9c6132679ef9827.jpg
Wilhelm Hauff (29 november 1802 - 18 november 1827)
Portret door Jiří Běhounek, 1985.

 

 

De Amerikaanse schrijfster Louisa May Alcott werd geboren op 29 november 1832 in Germantown, Pennylvania. Zie ook alle tags voor Louisa May Alcott op dit blog.

Uit:A Garland for Girls

“Being Boston girls, of course they got up a club for mental improvement, and, as they were all descendants of the Pilgrim Fathers, they called it the Mayflower Club. A very good name, and the six young girls who were members of it made a very pretty posy when they met together, once a week, to sew, and read well-chosen books. At the first meeting of the season, after being separated all summer, there was a good deal of gossip to be attended to before the question, “What shall we read?” came up for serious discussion.
Anna Winslow, as president, began by proposing “Happy Dodd;” but a chorus of “I’ve read it!” made her turn to her list for another title.
“‘Prisoners of Poverty’ is all about workingwomen, very true and very sad; but Mamma said it might do us good to know something of the hard times other girls have,” said Anna, soberly; for she was a thoughtful creature, very anxious to do her duty in all ways.
“I’d rather not know about sad things, since I can’t help to make them any better,” answered Ella Carver, softly patting the apple blossoms she was embroidering on a bit of blue satin.
“But we might help if we really tried, I suppose; you know how much Happy Dodd did when she once began, and she was only a poor little girl without half the means of doing good which we have,” said Anna, glad to discuss the matter, for she had a little plan in her head and wanted to prepare a way for proposing it.
“Yes, I’m always saying that I have more than my share of fun and comfort and pretty things, and that I ought and will share them with some one. But I don’t do it; and now and then, when I hear about real poverty, or dreadful sickness, I feel so wicked it quite upsets me. If I knew HOW to begin, I really would. But dirty little children don’t come in my way, nor tipsy women to be reformed, nor nice lame girls to sing and pray with, as it all happens in books,” cried Marion Warren, with such a remorseful expression on her merry round face that her mates laughed with one accord.”

 

 2096969-42305ac9b1151870082e9fd7b7350947.jpg
Louisa May Alcott (29 november 1832 – 6 maart 1888
Cover

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Franz Stelzhamer werd geboren in Großpiesenham op 29 november 1802. Zie ook alle tags voor Frans Stelzhammer op dit blog.

Uit: Reisel, der Wildschütz und Geiger

Im gesegneten Oberösterreich, unfern des Hausrucks, an einem lustigen Landsträßchen liegt das trauliche Bad St. Thomas mit seinen weitläufigen Gast- und Wirtschaftsgebäuden. – Ach, rücke dich mir näher, du baumgekrönter, blumengeschmückter Hügel, aus dessen geheimnisvoller Tiefe die lauterste Quelle hervorbricht, die nicht nur weithin den Wiesgrund erfrischt und die rotsprengelige Forelle ernährt, sondern selbst der leidenden Menschheit so ersprießliche Labung bietet; ja, rücke dich näher und gewähre mir Raum in deiner kühlen Laubenhalle und fröhlichen Ausblick in die vielbefreundete schöne Landschaft! – Ha, wie die Saaten wogen, dem fließenden Golde gleich, und wie das Sträßchen so saumselig sich krümmt und schlendert, um nur nicht allzu bald aus der lichten, lebensfrohen Landschaft in den großen Wald zu müssen, wo die düsteren Schatten lagern und die rätselhafte Stille herrscht. – Genug! Oder nein, ich will gütig sein und noch einen letzten lohnenden Blick erlauben auf das heitere Bild im mächtigen Waldesrahmen; denn kaum daß unsere düstere Geschichte beginnt, ist all die Lieblichkeit verschwunden: die Felder leer, die Blumen dürr, die Bäume kahl, der Himmel trüb und kalt – es ist Herbst und frostige, lichtarme Abendzeit.
Wie die Lebenswärme bei eintretender Kälte aus den Extremitäten sich gegen die Mitte des Körpers zurückzieht, so war es jetzt in der weitschichtigen Gehöftschaft und freundlichen Umfriedung von St. Thomas ebenfalls: die Zimmer, wo die verschiedenen Badegäste aus nah und fern gewohnt, die Säle, wo sie sich gemeinschaftlich unterhalten, die Laubgänge, wo sie abwechselnd kühle Rast und luftigen Wandel gepflogen – alles, alles leer und verlassen; nur in der großen Gemein- oder Gaststube ist einiges Leben, und zwar, wie es gewesen sein mochte, einzig und allstets, ehe noch die Heilkraft der Quelle entdeckt und der schlichte Bauer von Wirt im grünen Samtkäppchen seinen lieben paar Gästen das edle Braunbier oder das Branntweingläschen höchst eigenhändig mit einem stereotypen »Gottgesegns!« kredenzt und dargebracht hatte."

 

 2096969-0b14b09d4f521aed4c4cddb17db73bdd.jpg
Franz Stelzhamer (29 november 1802 – 14 juni 1874)
Standbeeld in Linz (detail)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e november ook mijn blog van 29 november 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 29 november 2008, en ook mijn blog van 29 november 2007 en mijn blog van 29 november 2006.



Geschreven door Romenu om 18:12 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten