Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 29 oktober 2011 tot 30 oktober 2011

Fjodor Dostojevski, Friedhelm Rathjen, Ezra Pound, Paul Valéry

De Russische schrijver Fjodor Michajlovitsj Dostojevski werd geboren ergens tussen 30 oktober en 11 november 1821 in Sint Petersburg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2010 en eveneens alle tags voor  Fjodor Dostojevski op dit blog.

 

Uit: Witte nachten (Vertaald door Marko Fondse)

 

„Neem hem eens van terzijde op, Nastjenka, en u zult meteen zien dat dit vreugdevolle gevoel reeds een gunstige uitwerking heeft gehad op zijn zwakke zenuwgestel en zijn ziekelijk overspannen fantasie. Kijk, zijn denken is reeds helemaal in de ban van een of ander… Wat denkt u, vertoeft hij in gedachten bij zijn avondmaal, bij de vrije avond die voor hem ligt? Wáár kijkt hij toch naar? Soms naar die deftig uitziende hier die zo’n schilderachtige buiging maakt voor die dame die in een schitterende, met snelvoetige rossen bespannen koets langs hem heen ijlt? Welnee, Nastjenka, wat kunnen dergelijke kleinigheden hem op dat moment eigenlijk schelen! Neen, momenteel is hij rijk omdat hij zijn eigen bijzondere leven leidt; hij heeft als het ware plotseling fortuin gemaakt en de laatste straal waarmee de uitdovende zon afscheid neemt heeft niet tevergeefs zo vrolijk voor hem gefonkeld en uit zijn warmgelopen hart een hele zwerm impressies te voorschijn geroepen. Op dat moment ziet hij amper de weg waarop hij loopt, hoewel er voordien op die weg niet het minste kon voorvallen, of het trof hem. Thans heeft ‘de godin fantasie’ (misschien heeft u Zjoekovski ook gelezen, Nastjenka) reeds met haar grillige hand haar gouden schering gegeven en is zij reeds doende voor zijn ogen de siermotieven van een sprookjesachtig, nog nooit geleefd bestaan aan te brengen – en wie weet, misschien heeft haar in luimen bedreven hand hem reeds opgeheven van het prachtig aangelegde granieten trottoir waarover hij huiswaarts wandelt, naar de kristallijnen zevende hemel. Probeert u hem nu maar eens staande te houden en hem opeens te vragen waar hij zich momenteel bevindt en welke straten hij is doorgekomen – dan zal zeker blijken dat hij daar niets meer van afweet, noch van waar hij geweest is, noch van waar hij momenteel is en blozend van ergernis zal hij een fatsoensleugentje verzinnen om de situatie te redden. Vandaar ook dat hij zo schrikachtig reageerde en bijna een kreet geslaakt had en ontzet om zich heenblikte, toen een allerbraafst oud vrouwtje hem op het trottoir staande hield om hem de weg te vragen. Met een frons van ergernis op zijn gezicht stapt hij verder, nauwelijks merkend dat meer dan één voorbijganger om hem moest glimlachen en hem nakijkt en dat een klein meisje, dat schuchter voor hem op zij gaat, met grote ogen staart naar de brede, contemplatieve glimlach en zijn gesticulerende handen en dat dan in lachen uitbarst.“

 

 

 

1021903-494d3ed82dd20af28f6f7975f2ef0760.jpg
Fjodor Dostojevski (30 oktober 1821 - 9 februari 1881)

Standbeeld voor de Nationale Bibliotheek in Moskou

 

 

 


De Duitse schrijver, vertaler en literauurwetenschapper
Friedhelm Rathjen werd geboren op 30 oktober 1958 in Westerholz. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2008 en ook mijn blog van 30 oktober 2009 en ook mijn blog van 30 oktober 2010

 

Uit: Quadratur des Kreises: wie Finnegans Wake übersetzen?

 

„Solange wir nicht wissen, worum es in Finnegans Wake eigentlich geht (falls es darin überhaupt um etwas geht und das Buch nicht einfach selbst ein Etwas ist), solange können wir auch nie sicher sein, ob nicht etwas verlorengeht, wenn wir irgend etwas im Text verändern. Deswegen sollte der Übersetzer so wenig verändern wie irgend möglich: also nicht frei übersetzen, wenn es eine Möglichkeit gibt, pedantischer zu übersetzen; sich nicht verpflichtet fühlen, in der Übersetzung einen guten deutschen Stil zu pflegen, wo schlechter deutscher Stil der Satzstruktur im Original näherkommt (dies ist übrigens auch der Grund dafür, daß ich glaube, ein guter Übersetzer und ein guter Wake-Übersetzer seien zwei ganz und gar unterschiedliche Paar Schuh); schließlich sollte man meines Erachtens versuchen, jeden Joyceschen Kalauer, jede Doppeldeutigkeit, jede Anspielung, jeden Klangeffekt oder was auch immer im Text vorkommt zu reproduzieren, und zwar möglichst genau an jener Stelle, wo es auch im Original auftritt (vielleicht ist die Stelle bedeutsam - wissen kann der Übersetzer das natürlich nicht, weil er nichts versteht.)
Meine Art und Weise, Finnegans Wake zu übersetzen, besteht also daraus, daß ich erstens alle Informationsschichten, die ich im Original vorfinde, identifiziere und voneinander ablöse, zweitens alle Informationsbrocken ins Deutsche übertrage und drittens soviel wie möglich von diesen übersetzten Informationsbrocken wieder miteinander vermenge. Dieser Ablauf klingt womöglich simpel (was er nur theoretisch ist), und er klingt folgerichtig, doch man sollte zur Kenntnis nehmen, daß manche Leute gänzlich andere Methoden bevorzugen. Manche Leute ziehen es vor, nur die offensichtlichste Sinnschicht des Textes herauszugreifen und alles andere wegzulassen; dies scheint die Methode des französischen Übersetzers Philippe Lavergne zu sein.“

 

 

1021903-e966d99492ee58d078d5896e4baccb03.jpg
Friedhelm Rathjen (Westerholz, 30 oktober 1958)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Ezra Pound werd geboren in Hailey, Idaho op 30 oktober 1885. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Ezra Pound op dit blog.

 

Uit: Canto II

 

The ship landed in Scios,

men wanting spring-water,

And by the rock-pool a young boy loggy with vine-must,

"To Naxos? Yes, we'll take you to Naxos,

Cum' along lad." "Not that way!"

"Aye, that way is Naxos."

And I said: "It's a straight ship."

 

And an ex-convict out of Italy

knocked me into the fore-stays,

(He was wanted for manslaughter in Tuscany)

And the whole twenty against me,

Mad for a little slave money.

 

And they took her out of Scios

And off her course...

And the boy came to, again, with the racket,

And looked out over the bows,

and to eastward, and to the Naxos passage.

 

God-sleight then, god-sleight:

Ship stock fast in sea-swirl,

Ivy upon the oars, King Pentheus,

grapes with no seed but sea-foam,

Ivy in scupper-hole.

 

Aye, I, Acœtes, stood there,

and the god stood by me,

Water cutting under the keel,

Sea-break from stern forrards,

wake running off from the bow,

And where was gunwale, there now was vine-trunk,

And tenthril where cordage had been,

grape-leaves on the rowlocks,

Heavy vine on the oarshafts,

And, out of nothing, a breathing,

hot breath on my ankles,

Beasts like shadows in glass,

a furred tail upon nothingness.

 

Lynx-purr, and heathery smell of beasts,

where tar smell had been,

Sniff and pad-foot of beasts,

eye-glitter out of black air.

 

The sky overshot, dry, with no tempest,

Sniff and pad-foot of beasts,

fur brushing my knee-skin,

Rustle of airy sheaths,

dry forms in the æther.

 

And the ship like a keel in ship-yard,

slung like an ox in smith's sling,

Ribs stuck fast in the ways,

grape-cluster over pin-rack,

void air taking pelt.

 

Lifeless air become sinewed,

feline leisure of panthers,

Leopards sniffing the grape shoots by scupper-hole,

Crouched panthers by fore-hatch,

And the sea blue-deep about us,

green-ruddy in shadows,

And Lyæus: "From now, Acœtes, my altars,

Fearing no bondage,

fearing no cat of the wood,

Safe with my lynxes,

feeding grapes to my leopards,

Olibanum is my incense,

the vines grow in my homage."

 

The back-swell now smooth in the rudder-chains,

Black snout of a porpoise

where Lycabs had been,

Fish-scales on the oarsmen.

 

And I worship.

 

I have seen what I have seen.

 

When they brought the boy I said:

"He has a god in him,

though I do not know which god."

And they kicked me into the fore-stays.

 

I have seen what I have seen:

Medon's face like the face of a dory,

Arms shrunk into fins. And you, Pentheus,

Had as well listen to Tiresias, and to Cadmus,

or your luck will go out of you.

 

Fish-scales over groin muscles,

lynx-purr amid sea...

And of a later year,

pale in the wine-red algæ,

If you will lean over the rock,

the coral face under wave-tinge,

Rose-paleness under water-shift,

Ileuthyeria, fair Dafne of sea-bords,

The swimmer's arms turned to branches,

Who will say in what year,

fleeing what band of tritons,

The smooth brows, seen, and half seen,

now ivory stillness.

 

 

 1021903-fe9b172c40e6e0054ea9b28b8d0f8332.jpg

Ezra Pound (30 oktober 1885 - 1 november 1972)

 

 

 

 

De Franse dichter en schrijver Paul Valéry werd geboren op 30 oktober 1871 in Sète Zie ook mijn blog van 30 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Paul Valéry op dit blog.

 

 

Poésie

 

Par la surprise saisie,

Une bouche qui buvait

Au sein de la Poésie

En sépare son duvet:

 

-Ô ma mère Intelligence,

De qui la douceur coulait

Quelle est cette négligence

Qui laisse tarir son lait?

 

À peine sur ta poitrine,

Accablé de blancs liens,

Me berçait l’onde marine

De ton coeur chargé de biens;

 

À peine, dans ton ciel sombre,

Abattu sur ta beauté,

Je sentais, à boire l’ombre,

M’envahir une clarté!

 

Dieu perdu dans son essence,

Et délicieusement

Docile à la connaissance

Du suprême apaisement,

 

Je touchais à la nuit pure,

Je ne savais plus mourir,

Car un fleuve sans coupure

Me semblait me parcourir...

 

Dis, par quelle crainte vaine,

Par quelle ombre de dépit,

Cette merveilleuse veine

À mes lèvres se rompit?

 

Ô rigueur, tu m’es un signe

Qu’à mon âme je déplus!

Le silence au vol de cygne

Entre nous ne règne plus!

 

Immortelle, ta paupière

Me refuse mes trésors,

Et la chair s’est faite pierre

Qui fut tendre sous mon corps!

 

Des cieux même tu me sèvres,

Par quel injuste retour?

Que seras-tu sans mes lèvres?

Que serai-je sans amour?

 

Mais la Source suspendue

Lui répond sans dureté:

-Si fort vous m’avez mordue

Que mon coeur s’est arrêté!

 

 

 

 1021903-8bc68525d67b7c1818123e58cd7b95fc.jpg

Paul Valéry (30 oktober 1871 – 20 juli 1945)



Zie voor nog meer schrijvers van de 30e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 19:23 Reageer op dit bericht

Georg Heym, Kostas Karyotakis, Michal Ajvaz, Richard Sheridan, Phillipe Aubert de Gaspé

De Duitse dichter Georg Heym werd geboren op 30 oktober 1887 in Hirschberg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Georg Heym op dit blog.

 

 

Die Stadt

 

Sehr weit ist diese Nacht. Und Wolkenschein

Zerreißet vor des Mondes Untergang.

Und tausend Fenster stehn die Nacht entlang

Und blinzeln mit den Lidern, rot und klein.

 

Wie Aderwerk gehn Straßen durch die Stadt,

Unzählig Menschen schwemmen aus und ein.

Und ewig stumpfer Ton von stumpfem Sein

Eintönig kommt heraus in Stille matt.

 

Gebären, Tod, gewirktes Einerlei,

Lallen der Wehen, langer Sterbeschrei,

Im blinden Wechsel geht es dumpf vorbei.

 

Und Schein und Feuer, Fackeln rot und Brand,

Die drohn im Weiten mit gezückter Hand

Und scheinen hoch von dunkler Wolkenwand.

 

 

 

An mein Herz...

 

An mein Herz! Auf daß es ruhig werde.

Daß es lerne, wieder ruhig schlagen.

Ruhlos ward's, ein Schiff, das Stürme jagen,

Nacht und Tag umwandert es die Erde.

 

Durch die Straßen werde ich getrieben,

Von der Leidenschaften Mörderkräften

Aufgejagt, es kreist in meinen Säften

Wie ein Gift, dich bitterlich zu lieben.

 

Ein Ahasver, der dem Tod nachrennet

Wie ein Pfeil, such ich nach deinem Kleide.

Ach, wo bist du, Herz ! Wo ist die Weide

Meiner Labsal, eh mein Geist verbrennet.

 

An mein Herz ! Ich kann an nichts mehr denken,

Als an dich, daß ich dich bald umarme,

Wie ein Blitz, der aus dem Wolkenschwarme

Blendend fällt, ins Meer sich zu versenken.

 

 

 

 1021902-f5ee6541a018f254c45291f61867560e.jpg

Georg Heym (30 oktober 1887 – 16 januari 1912)

 

 

 

 

De Griekse dichter en schrijver Kostas Karyotakis werd geboren op 30 oktober 1896 in Tripolis. Zie  ook mijn blog van 30 oktober 2008 en ook mijn blog van 30 oktober 2009 en ook mijn blog van 30 oktober 2010

 

 

Nobility

 

Make your pain into a harp.
Become a nightingale,
become a flower.
When bitter years arrive,
make your pain into a harp
and sing the one song.

 

Don't bind your wound
but with the branches of the rose.
I give you wanton myrrh
- for balm - and opium.
Don't bind your wound,
your purple blood.

 

Tell the gods to "let me die!"
but hold on to the glass.
Buck against your days when
there's a festival for you.
Tell the gods to "let me die!"
but say it with a laugh.

 

Make your pain into a harp.
Refresh your lips
at the lips of your wound.
One dawn, one evening,
make your pain into a harp
and laugh, and die.

 

 

 

Vertaald door Peter J. King en Andrea Christofidou

 

 


1021902-58b33d66134f2325121178a0bda023e7.jpg
Kostas Karyotakis (30 oktober 1896 – 21 juli 1928)

 

 

 

 

De Tsjechische dichter, schrijver, essayist en vertaler Michal Ajvaz werd geboren op 30 oktober 1949 in Praag. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2008 en ook mijn blog van 30 oktober 2010

 

 Uit: The Golden Age (Vertaald door Andrew Oakland)

 

“I was yet more afraid of the Book's peculiar tendency to uncontrollable proliferation and expansion. I knew the Book well enough to realise that it was unlikely that the long period it had spent in a remote part of my brain had sufficed for its deactivation. I knew that once I began bringing extracts from the Book out into the light I would need to proceed with the caution of an experienced pyrotechnician -- without careful handling any of them could explode, spraying over a wide area contents hitherto hidden. The light-minded narrator might have chosen a chapter from the Book and then found himself at the center of a blast, with pages raining down on him by the hundreds.

(…)

 

Genuine reality is the birth of reality, and the birth of reality is an act that is spun out of myth an alive with spirits. We see the world in the convex mirror of a weird obsession that belongs not to us but to the monster that stalks the halls of our consciousness; all plane mirrors are blind.

(…)

 

I should like to reveal to you -- my judicious reader, who is in no particular hurry -- that the most important aspects of any story reside in its digressions, even when connections between a digression and the main story are impossible to establish. This is one of the things I learned on the island, and I believe it to be true of more than just literature.”

 

 

 1021902-12dc5b0ca102f29072ce5b31934a9665.jpg

Michal Ajvaz (Praag, 30 oktober 1949)

 

 

 



De Ierse dichter, schrijver en politicus
Richard Brinsley Sheridan werd geboren in Dublin op 30 oktober 1751. Zie ook ook mijn blog van 30 oktober 2010

 

 

Had I a heart for falsehood framed

 

Had I a heart for falsehood framed,

I ne'er could injure you;

For though your tongue no promise claimed,

Your charms would make me true:

To you no soul shall bear deceit,

No stranger offer wrong;

But friends in all the aged you'll meet,

And lovers in the young.

 

For when they learn that you have blest

Another with your heart,

They'll bid aspiring passion rest,

And act a brother's part;

Then, lady, dread not here deceit,

Nor fear to suffer wrong;

For friends in all the aged you'll meet,

And lovers in the young.

 

 

1021902-3e51dc322c201408a3e36f5adc5f3fe1.jpg 

Richard Sheridan (30 oktober 1751 - 7 juli 1816)

Portret door Joshua Reynolds, 1788-89

 

 

 

 

De Canadese dichter en schrijver Phillipe Aubert de Gaspé werd geboren op 30 oktober 1786 in Quebec. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2006.  Zie ook mijn blog van 30 oktober 2008 en ook mijn blog van 30 oktober 2010

 

Uit: Mémoires

 

“Le soir, son mari arrive de l’ouvrage, tombe sur un coffret qui était au beau milieu de la porte d’entrée, se fait, dans sa chute, une bosse au front grosse comme un oeuf de poule, jure comme un possédé en criant à sa femme d’apporter la bouteille au vinaigre pour bassiner la contusion. Fanchette court au garde-manger ; on entend un bruit de vaisselle cassée, le mari s’égosille à crier : Apporteras-tu à la fin le vinaigre ; où le diable t’a-t-il emportée que tu ne reviens plus !

– Ce n’est rien, mon homme, répond Fanchette, j’avais laissé la bouteille sur le plancher, et j’ai eu le malheur de la casser, mais c’est égal, la saumure vaut encore mieux pour les bosses à la tête, et je cours à la cave.

La malheureuse Fanchette, dans son empressement, s’accroche les jambes quelque part, tombe la tête la première dans la cave et se casse le cou.

Je racontais un jour cette histoire à ma mère, laquelle, après en avoir ri d’assez bon coeur, elle, si propre et si rangée, me demanda où j’avais pris ce conte.

– Mais c’est ma grand-mère qui me l’a fait, lui dis-je.

– Fou que tu es, me dit-elle, tu avais à peine trois ans1, lorsque ma belle-mère mourut ; et ma mère est morte peu de mois après ta naissance.

– Ce qui n’empêche pas, répliquai-je, que j’ai bien connu ma grand-mère, la dernière décédée, s’entend : elle avait une grande paire de lunettes d’argent qui lui pinçaient tellement le nez que si j’eusse été assez fort, lorsque je les empoignais avec mes petites mains, j’aurais plutôt déraciné le nez de ma chère grand-mère qu’emporté les lunettes sans le nez.”

 

 

 1021902-e7b9bf5645facdfec82bfc76f9792c8d.jpg

Phillipe Aubert de Gaspé (30 october 1786 – 29 januari 1871)

Geschreven door Romenu om 19:17 Reageer op dit bericht

Georg-Büchner-Preis voor Friedrich Christian Delius

Georg-Büchner-Preis voor Friedrich Christian Delius 

 

 

Gisteren heeft de Duitse schrijver Friedrich Christian Delius in Darmstadt de Georg-Büchner-Preis in ontvangst genomen. De Georg-Büchner-Preis is de belangrijkste literaire prijs in Duitsland en het Duitse taalgebied. De Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung is verantwoordelijk voor de toekenning. Friedrich Christian Delius werd geboren in Rome op 13 februari 1943.Zie ook alle tags voor Friedrich Christian Delius op dit blog.

 

Uit: Die Frau, für die ich den Computer erfand

 

An einem heißen Julitag 1994 entdeckte ich auf der Terrasse des Gasthauses "Burg Hauneck", auf einer abgelegenen Höhe des hessischen Berglands, den alten Herrn, den ich seit Jahren zu sprechen suchte. Obwohl wir verabredet waren, glaubte ich im ersten Moment an eine Erscheinung: so weiß leuchtete sein Haar im Spätnachmittagslicht. Ich trat näher, schaltete das Aufnahmegerät ein, begrüßte ihn und fand später folgende Sätze auf sieben Tonbändern gespeichert:


(Zwischen Oberstoppel und Unterstoppel)

Ja, der bin ich. Aber sprechen Sie meinen Namen nicht so ehrfürchtig aus, junger Mann! Ich bin hier in Zivil, und Sie hoffentlich auch ... Setzen Sie sich! Nein, neben mich, damit Sie was von der Landschaft haben. Außerdem hör ich besser auf dem linken Ohr. Ich hab Ihnen ja gesagt, Sie werden mich auf Anhieb finden, so viele Doppelgänger hab ich nicht, jedenfalls nicht auf der Höhe zwischen Oberstoppel und Unterstoppel ... Ganz meinerseits. Ich freue mich, Sie wiederzusehen. Bitte, nehmen Sie Ihr Gert aus der Tasche, legen Sie es auf den Tisch, ich hab keine Angst vor diesen Maschinchen ... Dafür sind wir ja noch gut, wir Alten, dass wir die Mikrofone füttern, die unersättlichen Raubtiere ... Sie haben auch so ein winziges. Früher, die großen fand ich viel schnittiger, da kam man sich gleich irgendwie bedeutend vor ... Sie haben Ihr Zimmer bezogen? Alles in Ordnung? ... Ja, es ist einfach, aber solide, ich mag diese einfachen Landgasthöfe.

Das Schwimmbad im Keller hätten sie sich sparen können meinetwegen, Schwimmen auf dem Stoppelsberg, das passt irgendwie nicht, oder? ... Haben Sie die Hitze gut Überstanden? ... Ich hab uns den Ecktisch reservieren lassen, mein Stammplatz, bin oft hier oben. Ist doch schön, der weite Blick in die Rhön hinein, auf die spitzen Berge, direkt auf das Hessische Kegelspiel ... Sehr gut, ich sehe, Sie haben keine Frage im Gesicht, was das nun wieder sein soll, das Hessische Kegelspiel. Schon die Hessen aus Frankfurt oder Wiesbaden, keine Ahnung haben sie von den Schönheiten der Vorderrhön, von diesen Basaltkuppeln, den eleganten Basaltkuppeln, erloschne Vulkane, einer neben dem andern. Fast so anmutig wie die Hügel in der Toskana, finden Sie nicht? ... Ich weiß, das hab ich nicht vergessen ... Trotzdem, ich gratuliere, der Test mit dem Kegelspiel ist bestanden. Heimatkunde, das ist immer ein Pluspunkt bei mir. Auch das glaubt mir keiner ... Aber nicht dass Sie denken, ich hätte Sie nur deswegen hierher auf den Stoppelsberg eingeladen, weil Sie die Gegend kennen ... Das werd ich Ihnen noch verraten, später, weshalb Sie heute neben mir sitzen und kein anderer ...“

 

 

 

 1021431-dd4451819104495df13685ef4c479571.jpg

Friedrich Christian Delius (Rome, 13 februari 1943)
Geschreven door Romenu om 08:25 Reageer op dit bericht

Jan Van Loy

De Vlaamse schrijver Jan Van Loy werd op 30 oktober 1964 geboren te Herentals, in de Antwerpse Kempen. Plannen om striptekenaar of professioneel gitarist te worden liepen uit op niets. Na het lezen van De Kapellekesbaan en Catch-22 besloot hij om schrijver te worden. Na zijn burgerdienst ging hij naar de universiteit, begon met Rechten maar eindigde met een diploma Wijsbegeerte. In 2001 won hij met zijn verhaal De hel van Jan Foster de Nieuw Proza Prijs. Zijn roman Bankvlees werd bekroond met de Debuutprijs 2005. Alfa Amerika stond op de shortlist van de Gouden Uil 2006, De heining op de shortlist van de Gouden Uil 2009. Jan Van Loy woont en werkt in Antwerpen.

 

Uit: Bankvlees

 

„De wereld valt niet te veranderen, maar toch proberen we het nog een keer. Met soep.
‘De wereld valt wel te veranderen,’ zegt Anja, een mollige studente die, af te zien aan de heftigheid waarmee ze de uien te lijf gaat, heel wat energie uit haar vetreserves put. ‘Vergelijk maar eens hoe het nu is met hoe het was in de negentiende eeuw.’
‘Cosmetica,’ zeg ik. ‘Twee seconden beschaving verandert niks aan een uur dierlijkheid.’
Onze stemmen resoneren in een uitgestrekte keuken, opgetrokken uit roestvrij staal en witte tegels.
‘Jij bent een pessimist,’ zegt Anja, ‘en pessimisme is conservatief.’
Who cares? Ik sta hier alleen maar prei en penen te hakken omdat ik bijna dol was geworden van het alternatief: thuis zitten met een kop vol dissonanten en niemand om te luisteren.
‘Luister, Anja’tje, ik ben vrijwillig uit de ratrace gestapt. Vind jij dat conservatief?’
‘Noem me niet Anja’tje, oké?’
De groentesoep bevat schilfertjes van een stuk vlees dat in de supermarkt ‘zenuwstuk’ wordt genoemd. Waarom geven we ze geen flinke brokken te kauwen? Zo wordt die soep toch wat substantiëler, pleit ik.
‘Dat is een budgetkwestie,’ zegt Erik, grote baas van de soeponderneming, maar zelf noemt hij zich liever coördinator.“

 

 

1114529-6f830b827bb7d8f5edaab11e78df8ec0.jpg
Jan Van Loy (Herentals, 30 oktober 1964)

Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Harald Hartung, Matthias Zschokke, Claire Goll, Mohsen Emadi, Zbigniew Herbert

De Duitse schrijver, dichter en literatuurwetenschapper Harald Hartung werd geboren op 29 oktober 1932 in Heme. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Harald Hartung op dit blog.

 

 

Vergessene Zeile

 

Gestern sehr früh fiel mir eine Zeile ein
Sie handelte vom Tod und begann Der Tod…
dann folgte etwas wie eine Behauptung

 

Sie schien mir gut und tröstete mich zugleich
so daß ich liegen blieb und mein Glück genoß

 

Dann stand ich auf Der Tod ist … probierte ich
und hatte vergessen wie es weiterging

 

Der Tod ist eine vergessene Zeile.

 

 

 

Mantegnas Sebastian

 

Ich zählte alle Pfeile

die er an seinem Leib trägt

 

die Stellen wo sie eintreten

die Stellen wo sie austreten

auch die verdeckten

 

und vergaß über meinem Zählen

den eigenen Schmerz

 

Ich trat hinaus in das Licht des Kanals

Zwischen Schmutz

und dümpelnden Plastikflaschen

 

trieb bäuchlings ein Teddybär

Da trat mir das Salz ins Aug

 

 

 

Blick in den Hof

 

Während es anfängt zu schneien

schaukelt das Mädchen im Hof

schaukelt sich tief

ins wachsende weiße Dunkel

Glück ist ein Sekundenschlaf

Ich schaue auf, die leere Schaukel

schwingt noch ein wenig nach

 

 

 

 1021095-10cc159d43109886808606748dcfcd51.jpg

Harald Hartung (Herne, 29 oktober 1932)

 

 

 

 

De Zwitserse dichter, schrijver en filmmaker Matthias Zschokke werd geboren op 29 oktober 1954 in Bern. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Matthias Zschokke op dit blog.

 

Uit: Max

 

„Wenn es ihm gut geht, das heißt, wenn er die Seelenruhe findet, stellt er sich abends an eine Bar und hat gelegentlich das erhebende Gefühl, da seien Leute, welche glauben, er könne leben.

Dann versucht er, ein möglichst interessantes Gesicht zu machen.

Jeder macht sein Gesicht, Gesichter sind nicht.

Er versucht intensiv, einen Charakterkopf dar­zustellen, etwa den denkend-leidenden, um die vermeintlich Beobachtenden nicht zu enttäuschen, denn denkend leiden ist gefragt.

Es fällt ihm schwer. Er hat ein liebes, gesundes, reines Gesicht. Aber er macht ein Vakuum in seinem Mund, so daß es die Backen etwas zusammenzieht.

Wenn er dann an seinem Glas nippt, gibt es einen leisen Schmatzer, wegen dem Druckausgleich.

Auch wenn er zu sprechen anhebt, erklingt zuerst jeweils ein feines Plop.

Er beißt die Zähne zusammen (mehr bildlich gesprochen. Konkret würde er sich auf das eingesogene Backenfleisch beißen) und denkt: »Nur gut, daß ich nicht schlafe. Schlafend könnte mich jeder erkennen, da ist mein Gesicht nackt.«

Er heißt bestimmt Martin.

Nein, Martins mag ich zu wenig. Ich will ihn mögen, diesen jungen Mann, denn ich will über ihn schreiben, und dazu muß ich ihn mögen. Sonst gebe ich ihn bald auf

ich nenne ihn einmal Max

ich kenne einen Max. Der ist ganz anders, aber lieben muß ich ihn

jeder Name löst präzise Vorstellungen aus

ich werde den Namen ändern, sobald es nötig wird

wenn das Ganze nicht nur Größenwahn ist

eine schöne Frau sagt ihm das oft           eine  unsagbar schöne Frau, welche sogar schöne Hände besitzt          alles, alles                  und die bemüht sich ganz selten mal zu ihm, um ihn zu kränken. Aber er mag das sehr und versucht immer neu, in sie hineinzusehen. Überhaupt ist das einer der wenigen Gedankengänge in seinem Alpenseegesichtskopf. Und sie kommt dann zu ihm, um etwas ganz Bissiges zu sagen wie etwa: »Ich bin nur zufällig hier«, oder: »Du bist ähnlich wie Martin«. (Nehmen wir ruhig einen Martin, dadurch wird dem Leser die Bösartigkeit grob vor Augen geführt), wobei es Max viel mehr schmerzt, daß er ähnlich sein soll wie ..., nicht, daß er ähnlich sein soll wie Martin.

Ja - schreiben wir doch einmal von diesen Begegnungen. Irgendwo muß ich beginnen“

 

  

 1021095-b2c6c25c1f6b6eb20b02ac88126f8ffa.jpg

Matthias Zschokke (Bern, 29 oktober 1954)

 

 

 

 

De Duits – Franse schrijfster Claire Goll werd geboren op 29 oktober 1890 in Nürnberg. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Claire Goll op dit blog.

 

 

Du kommst

Du
Tötest alle Dezembernesseln
Mit März
Mein Herz rufet schon Hyazinthen
Süss-süsser Rausch
Vergehen

Aus allen Augen duften Narzissen
Mir
Weinen Lachen
Und Taumel
Ich scheine Sonne
Hin-gebend
Demut
Du kommst!

 

 

 

Liebe

Ich liebe die Stille zwischen uns
Dieselbe Stille wie zwischen Blumen.
Das leise Schweigen am Morgen,
Das lautere des Abends
Und das zitternde zu Mitternacht
Das um den Andern fürchtet.

Ich mag nicht, dass Menschen kommen
Und uns unsere Stille stehlen,
Die gross ist wie die Stille der Kathedralen.
Ach, wie sie es zerbrechen
Unser blaues Schweigen aus venetianischem Glas.
Ich könnte weinen, wenn Fremde kommen.
Nur die Vögel draussen verstehen uns
Und singen unsre Stille
Und machen uns noch stummer vor der Ewigkeit.
Stille, süsser Vorschuss auf den Tod,
Sag dem Geliebten wie ich ihn liebe.

 

 

 1021095-ecd2d517f99b468ac68d3be1e10f7263.jpg

Claire Goll (29 oktober 1890 – 30 mei 1977)

Yvan en Claire Goll 

 

 

 

De Iraanse dichter en vertaler Mohsen Emadi werd geboren op 29 oktober 1976 in Teheran. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2008 en ook mijn blog van 29 oktober 2009 en ook mijn blog van 29 oktober 2010

 

 

Blood’s Voice

 

If one day flood brings in a sad panther
and a shrine’s door,
if they sew up a shirt with the panther’s skin,
make a necklace with his teeth,
I know that whoever puts on the shirt
will disappear,
and whoever wears the necklace
would be obliged to carry
her own head under her arms.

 

I take the shrine’s door
install it on the threshold
of my house. It creaks open
to a circle of women,
heads on knees,
caressing their own hair.

 

Outside, body-less heads
surround a fire with songs.
I don’t recognize my own voice
and the door closes and opens
to the rhythm of the words I grunt.

 

It is raining.
A unclothed woman knocks on the door.
She carries a boat on her back.
I greet her between the panther’s roar
and the door’s groans.
Silently she unloads her boat in a corner,
climbs in and falls asleep.

 

The house is in water.
Water carries away corpses of women,
it carries away the door,
and my voice.

 

We paddle.
We row looking for the voice.

 

My legacy is a door through which
when a woman enters or leaves
my voice cracks,
and the house drowns in that alien sound.

 

Each time my bed is a boat
to attract the nudity of a woman.
A women’s nakedness is silent.
It is wet.

 

I uproot the door,
plant it on my rooftop.
The wind blows.
Guns appear on the threshold of the door.
They point themselves at my throat.

 

The wind blows
and a thousand wounded panthers
leap out from my mouth.
I am naked.

 

An unclothed woman,
wet,
draws herself out from among the guns,
kisses the door,
kneels before me.
Panthers leap out from her hair.

 

I caress your hair.
The door will shut,
voices and winds will pound on the door.
I will not open.
And the lost voice of the man
will become blood,
will flood through the cracks
and mingling with the rain
that will come pouring,
it will flow through the city’s gutters and veins.
I kiss you
and my blood leaps out with every breath,
out from my throat.
It becomes my voice.

 

You are silent.
You speak inside me.

 

There’s no one on the rooftop.
I stand there, collect all the photographs
the shirts, the photos of a thousand hands holding guns,
the portraits of women’s heads
and the narrow stream of blood
that flows on the paper’s edge.

 

I light a match,
throw into fire the shirts and the papers.
The fire has your shape.
I want to touch your hair.
I reach for you
and become a poet.

 

I pick up my pen
and blood flows from my hand.
The lines are your hair,
in every line a panther roars.

 

**

On the balcony
I fill my childhood cradle with soil,
plant roses inside it.
I water the roses,
rock the cradle.
The city is silent.

 

 

 1021095-44c6bbc655abdaa58e0c729ee978cf21.jpg

Mohsen Emadi (Teheran, 29 oktober 1976)

 

 

 

 

De Poolse dichter, schrijver en essayist Zbigniew Herbert werd geboren op 29 oktober 1924 in Lemberg. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2008 en ook mijn blog van 29 oktober 2009 en ook mijn blog van 29 oktober 2010

 

 

A Description of the King

 

The king's beard on which sauces and ovations

fell until it became heavy as an axe

appears suddenly in a dream to a man condemned to die

and on a candlestick of flesh shines alone in the dark.

 

One hand for tearing meat is huge as a whole province

through which a ploughman inches forward a corvette lingers

The hand wielding the sceptre has withered from distinction

has grown grey from old age like an ancient coin

 

In the hour-glass of the heart sand trickles lazily

Feet taken off with boots stand in a corner

on guard when at night stiiffening on the throne

the king heirlessly forfeits his third dimension

 

 

 

 

I Would Like to Describe

 

I would like to describe the simplest emotion

joy or sadness

but not as others do

reaching for shafts of rain or sun

 

I would like to describe a light

which is being born in me

but I know it does not resemble

any star

for it is not so bright

not so pure

and is uncertain

 

I would like to describe courage

without dragging behind me a dusty lion

and also anxiety

without shaking a glass full of water

 

to put it another way

I would give all metaphors

in return for one word

drawn out of my breast like a rib

for one word

contained within the boundaries

of my skin

 

but apparently this is not possible

 

and just to say -- I love

I run around like mad

picking up handfuls of birds

and my tenderness

which after all is not made of water

asks the water for a face

 

and anger

different from fire

borrows from it

a loquacious tongue

 

so is blurred

so is blurred

in me

what white-haired gentleman

separated once and for all

and said

this in the subject

this is the object

 

we fall asleep

with one hand under our head

and with the other in a mound of planets

 

our feet abandon us

and taste the earth

with their tiny roots

which next morning

we tear out painfully

 

 

 1021095-4705786bc766976c6216e1b6e2581694.jpg

Zbigniew Herbert (29 oktober 1924 – 28 juli 1998)





Zie voor nog meer schrijvers van de 29e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 18:57 Reageer op dit bericht

Dominick Dunne, Aleksandr Zinovjev, Georg Engel, Jean Giraudoux, André Chénier

De Amerikaanse schrijver Dominick Dunne werd geboren op 29 oktober 1925 in Hartford, Connecticut. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2008 en ook mijn blog van 29 oktober 2009 en ook mijn blog van 29 oktober 2010

 

 Uit: Another City, Not My Own

 

„Certainly, there are enough references to his obliteration in his journal in the months before he was found dead in the media room of his country house in Prud'homme, Connecticut, where he had been watching the miniseries of one of his novels, A Season in Purgatory. The book was about a rich young man who got away with murder because of the influence of his prominent and powerful father. Getting away with murder was a relentless theme of Gus Bailey's. He was pitiless in his journalistic and novelistic pursuit of those who did, as well as of those in the legal profession who created the false defenses that often set their clients free. That book, the miniseries of which he was watching, had brought Gus Bailey and the unsolved murder in Greenwich, Connecticut, which, to avoid a libel suit, he had renamed Scarborough Hill, a great deal of notoriety at the time of its publication, resulting in the reopening of the murder case by the police. Gus had fervently believed that the case remained unsolved because the police had been intimidated by the power and wealth of the killer's family, which extended all the way to the highest office in the land.
"It was exactly the same thing in the Woodward case," said Gus, who had written an earlier novel about a famous society shooting in the aristocratic Woodward family on Long Island in the fifties called The Two Mrs. Grenvilles. "The police were simply outdazzled by the grandeur of Elsie, whom I called Alice Grenville, and Ann Woodward got away with shooting her husband."
As always, when Gus's passions were involved in his writing, he ruffled feathers. Powerful families became upset with him. He created enemies.
"You seem to have annoyed a great many very important people," said Gillian Greenwood of the BBC, as a statement not a question, in the living room of Gus Bailey's New York penthouse, where she was interviewing him on camera for a documentary on his life called The Trials of Augustus Bailey“.

 

 

1021091-aa1a120802f37364d398d6801bbcf252.jpg 

Dominick Dunne (29 oktober 1925 - 26 augustus 2009)

 

 

 

 

De Russische schrijver en wetenschapsfilosoof Aleksandr Aleksandrovitsj Zinovjev  werd geboren in Pachtino op 29 oktober 1922. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Aleksandr Zinovjev op dit blog.

 

Uit: Global Suprasociety and Russia (Vertaald door Helen Shelestiuk)

 

„I will not expand on the desperate situation, in which Russia and the Russians found themselves as a result of the crisis in their history, which happened after 1985. This information is already known from numerous sources. But there still remains a shroud of secrecy over the fact that that situation did not happen merely as a result of untoward historical developments, but had been diligently planned by certain forces in the West and artificially imposed on the Russians. That condition is the consequence of one of the greatest tragedies in the social history of mankind. The tragedy which began in the mid 1980s may with high probability have a fatal end for Russia, but I do not count on my ability to turn the course of history and ward off this end. This may only be done by a great effort of millions of people, by persistent struggle and self-sacrifice. I am moved by the call of duty of a Russian person, who sees the tragic outcome of the Russian history and thinks it criminal to keep silence.
Actual historical developments are always a combination of two processes: 1) 'elemental', unplanned and uncontrolled; 2) conscious-volitional, planned and controlled. Their proportions and roles vary with certain limitations. The domination of the second type will lead to a situation, when the general line of development is monitored, and only less important components may be out of control.

If we intend to give a scientific description of these processes, we will require quite different methodologies and sets of concepts. 'Elemental', natural processes are described with the concepts and postulates of dialectic. For the conscious-volitional processes we would need a different methodology, based on the knowledge of what social plans (projects) are, how and why they are created, how they are executed, and by what rules. Though this other methodology does not exclude dialectic, it implies an essentially different focus of attention while examining social objects.”

 

 

 1021091-9e79c423238f9a9b966748584709efd8.jpg

Aleksandr Zinovjev (29 oktober 1922 - 10 mei 2006)

In 1938 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Georg Julius Leopold Engel werd geboren op 29 oktober 1866 in Greifswald.

Zie ook mijn blog van 29 oktober 2008 en ook mijn blog van 29 oktober 2010

 

Uit: Hann Klüth

 

„Doch ohne darauf zu achten, kaute der Lotse eine Zeitlang begierig weiter, dann spie er den Tabak wieder aus und schüttelte so mutlos das Haupt, daß die schweißnassen grauweißen Locken ihm struwlig über die Stirn fielen. – »Ne, Mudding,« stöhnte er und sank zusammen – »es wird nichts mehr. Fünfzig Jahre hab ich ihm nu gekaut. Und seit vier Tagen will's nich mehr – kuck' – das is ein Zeichen vom lieben Gott.«

»Ja, ja, was wollt's nich?« nickte die kleine, ältliche Frau und faltete wieder zerknirscht die Hände. Darauf strickte sie, wie erschreckt, an dem grauen Strumpf weiter.

Dicht unter den Fenstern des Lotsenhäuschens lag zur selben Zeit eine kleine Jacht am Bollwerk angeschlossen. Sie war von oben bis unten mit Kartoffeln beladen und gehörte Johann Christian Petersen. Wenigstens stand sein Name in goldenen Buchstaben vorne an der Schiffswand. Aber der eigentliche Kapitän des Fahrzeuges war Frau Dörthe Petersen, die eben in ihrer Küchenkajüte einen Eierkuchen gebacken hatte und nun von der Steuerbordseite aus der kleinen Line, die am Bollwerk stand, ein großes Stück heraufreichte.

In der bloßen Hand. Aber das schadete nichts.

»Nu iß, mein Döchting,« sagte die starkknochige Frau, die mit nackten Füßen und hochaufgeschürzt herumging, denn aus dem kleinen Schiff wurden von zwei halberwachsenen, strohblonden Söhnen der Frau Dörthe ununterbrochen Kartoffeln über das Landungsbrett gekarrt und draußen in Säcke gefüllt. Wenn es zu langsam ging, dann sprang Frau Dörthe selbst entschlossen hinzu, um ihren beiden Sprossen je einen freundlich-aufmunternden Puff unter die Rippen zu versetzen.

»Au, Mudding, das tut jo weh!«

»Das soll es ja auch. – Man immer zu.«

Und das Karren ging weiter.

So hielt sie alles im Gang. Nur ihr Mann hockte in einem braunen, fellartigen Anzug auf dem Kajütendach und spielte, ohne sich um etwas zu kümmern, die Handharmonika.“

 

 

 

 1021091-dbfe0d2ef72b8d430aeb12f4a4f3384d.jpg

Georg Engel (29 oktober 1866 – 19 oktober 1931)

Greifswald, Markt (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver, toneelauteur en beroepsdiplomaat Jean Giraudoux werd geboren op 29 oktober 1882 in Bellac/Haute-Vienne. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2006 en ook mijn blog van 29 oktober 2008 en ook mijn blog van 29 oktober 2010

 

Uit: Electre

 

“EGISTHE . Il n'est pas deux façons de faire signe, président, c'est de se séparer de la troupe, monter sur une éminence, et agiter sa lanterne ou son drapeau. On trahit la terre comme on trahit une place assiégée, par des signaux. Le philosophe les fait de sa terrasse, le poète ou le désespéré les fait, de son balcon ou de son plongeoir. Si les Dieux, depuis dix ans n'arrivent point à se mêler de notre vie, c'est que j'ai veillé à ce ce que les promontoires soient vides est les champs de foire combles, c'est que j'ai ordonné le mariage des rêveurs, des peintres et des chimistes ; c'est que, pour éviter de créer entre nos concitoyens ces différences de race morale qui ne peuvent manquer de colorer différemment le hommes aux yeux des Dieux, j'ai toujours feint d'attribuer une importance énorme aux délits et dérisoire aux crimes. Rien n'entretient mieux la fixité divine que la même atmosphère égale autour des assassinats et des vols de pain . Je dois reconnaître que sur ce point, la justice des tribunaux m'a abondamment secondé. Et toutes les fois où j'ai été obligé de sévir, de là haut on ne l'a point vu. Aucune de mes sanctions n'a été assez voyante pour permettre aux Dieux l'ajustement de leur vengeance. Pas d'exil. Je tue. L'exilé a la même tendance à grimper les chemins escarpés que la coccinelle. Et je ne monte pas mes supplices en évidence. Alors que nos pauvres villes voisines se trahissent elles-mêmes en érigeant leur gibet au faîte des collines, moi je crucifie au fond des vallées. Et maintenant, j'ai tout dit sur Electre..”.

 

 

 1021091-f096a5ae59965899cf4390b4cc02befc.jpg

Jean Giraudoux (29 oktober 1882 -  31 januari 1944)

 

 

 

 

De Franse dichter André Chénier (eigentlich André Marie Chénier ofde Chénier) werd geboren op 29 oktober 1762 in Galata bij Constantinopel. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2008 en ook mijn blog van 29 oktober 2010

 

 

A Fanny (I)

 

Non, de tous les amants les regards, les soupirs
Ne sont point des pièges perfides.
Non, à tromper des coeurs délicats et timides
Tous ne mettent point leurs plaisirs.
Toujours la feinte mensongère
Ne farde point de pleurs, vains enfants des désirs,
Une insidieuse prière.

Non, avec votre image, artifice et détour,
Fanny, n'habitent point une âme ;
Des yeux pleins de vos traits sont à vous. Nulle femme
Ne leur paraît digne d'amour.
Ah ! la pâle fleur de Clytie
Ne voit au ciel qu'un astre ; et l'absence du jour
Flétrit sa tête appesantie.

Des lèves d'une belle un seul mot échappé
Blesse d'une trace profonde
Le coeur d'un malheureux qui ne voit qu'elle au monde.
Son coeur pleure en secret frappé,
Quand sa bouche feint de sourire.
Il fuit ; et jusqu'au jour, de son trouble occupé,
Absente, il ose au moins lui dire

Fanny, belle adorée aux yeux doux et sereins,
Heureux qui n'ayant d'autre envie
Que de vous voir, vous plaire et vous donner sa vie,
Oublié de tous les humains,
Près d'aller rejoindre ses pères,
Vous dira, vous pressant de ses mourantes mains
Crois-tu qu'il soit des coeurs sincères ?

 

 

 

 1021091-357ffb3868b77f592aced188c5b8577d.jpg

André Chénier (29 oktober 1762 – 25 juli 1794)

Anoniem, Musée de Carnavalet, Parijs

Geschreven door Romenu om 18:52 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten