Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
akke.beakke.be

Berichten van 7 oktober 2018 tot 8 oktober 2018

Dolce far niente, Richard Eberhart, Alexis de Roode, Thijs Feuth, Martin van Amerongen, Benjamin Cheever, Jakob Arjouni, Atticus Lish

 

Dolce far niente

 

 

 2183649-66cc491ca80914408f33a0457f961fec.jpg
Gelée blanche - Été de la Saint-Martin door Alfred Sisley, 1874

 

 

Indian Summer

I saw my days as passionate integers,
They leaped upon the wind as leaves
Leaping upon the wind; not Spring leaves
Fixed; I see them all as Autumn leaves.

It is the season of my mellowest appetite,
And germane to my soul; cruel times forgot,
Unvexing, the joyful. Plain days unspecified.
The clear enchantment of dry exhalations!

I would speak a word deep and pure,
Pure and deep, deep, deep and pure.
And these Autumnal days speak for me here —
Realization — else what is Autumn for?

I think the Indian Summer's long regard
Flanks all the days with resonance —
That I shall never be more richly blessed
Than I am breathing in it now.

 

 

 2183649-95cd6f2d6ba0669499b89e3c3f4bf929.jpg
Richard Eberhart (5 april 1904 - 9 juni 2005)
Austin, Minnesota, de geboorteplaats van Richard Eberhart, in 1933

 

 

 

De Nederlandse dichter Alexis de Roode werd geboren op 8 oktober 1970 in Hulst. Zie ook alle tags voor Alexis de Roode op dit blog.

 

Mechaniek

Een klein metronoom die tikt en draait,
dat is de klok. Neutraal als hekwerkstaal.
Niet wreed zoals het weer, de vrouw, de man..
De klok maakt niemand oud of gek of kaal.

Het koele mechaniek heeft niets met ons
van doen. De wijzers draaien stijfjes door.
Hij komt uit onze hand, maar luistert niet
naar onze nood; hij volgt zijn tandenspoor.

Waarom gehoorzaamt u dat polsgeval?
Waarom zo zweten, janken, al die last?
Wanneer er van je neus een traan in drupt
verliest het ding meteen de maat. Roest vast.

 

 

Reis

Ik ga niet weg,
maar blijf ook niet hier.
Er kan dus niemand mee.

Ik ga op reis in een kleerkast
zonder hout, met alleen
maar nacht en ruimte.

Een lange reis
over geringe afstand,
steeds verder naar binnen.

Er blinkt iets in de verte,
onbereikbaar
maar zeer nabij.

Het is de robijn
in de ring van Sinterklaas,
gemaakt van 600 jaar oud plastic.

Hij lijkt op de bloemdieren
in de diepzee
die licht geven in de onderstroom.

Dat is de enige plek op de wereld
waar ik heen kan;
die plek is overal.

En als ik aan zal komen,
is iedereen die niet mee kon
al daar.

 

 

Kraai in winterlandschap

In een gedicht heeft nog nooit
een vogel op een tak gezeten
zoals de kraai die ik daar zie.
Zwart tegen ijskoud blauw,
doodstil in elkaar gedoken.

Later zal ik deze woorden opschrijven,
enals ik ze opschrijf, zal ik liegen.
Wantik loop hier langs het jaagpad
en waar ik loop, daar schrijf ik niet.
En waar u leest, daar ben ik niet.

Dit gedicht is nergens waar wij zijn.
Het is niet bij u en evenmin bij mij.
Alles is zo groot en ver als nodig.
Zo koud en leeg als nodig.

Maar mijn kraai is hier.
Zwart. Warm. Op een tak.
Ik ben de kraai.
Hier zit ik.

 

 2183649-b25ffc69dc1d1c8fb09a2b5d3db98af7.jpeg
Alexis de Roode (Hulst, 8 oktober 1970)

 

 

De Nederlandse schrijver en arts Thijs Feuth werd geboren in Nijmegen op 8 oktober 1981. Zie ook alle tags voor Thijs Feuth op dit blog.

Uit: Achter de rug van god

“De bossen zijn groener dan ik me had voorgesteld, groener en voller. Hoe kan een streek als deze, die de helft van het jaar met sneeuw bedekt is, zich in enkele maanden tijd zo volzuigen met vocht, met leven? Leven dat zich dikwijls zo kwetsbaar toont, onderhevig aan verleidingen, vatbaar voor ziekten, bedreigd door de dood.
Duizenden jaren geleden, tijdens de laatste ijstijd, kneedden en vormden gigantische ijsmassieven het land, ze schraapten al het leven van de bodem, groeven meren en wierpen heuvels op. Niet lang nadien vestigden zich hier de eerste mensen. Vissers, nomaden. Zij trokken naar het noorden langs de oevers van het Ancylusmeer, dat later de Oostzee zou worden, en kwamen uit in Lapland, in een streek waarvan de condities onmenselijk aandoen.
Terwijl ik dat overweeg, ontrolt de weg zich als een lange mat, dof en grijs, en aan weerszijden ervan ontvouwt zich een vlakte, een uitgestrekt helderblauw meer. Een smalle landstrook, nauwelijks breder dan de weg, deelt de watervlakte in tweeën. livojärvi, verraadt een bord langs de weg, het Livomeer. Aan de linkerkant van de weg ligt een okergele strook fijn zand van een paar meter breed, daarachter reikt het blauw haast tot aan de einder. Een groepje eenden en twee grote witte zwanen dobberen op een steenworp afstand. De horizon wordt gevormd door verre heuvels en een bosrand. Er is geen mens te zien. Wel een houten huisje, rechts van ons, beschut door een bosje naaldbomen, berken en lijsterbessen.
‘Nog twintig kilometer,’ mompelt Laura. Het is niet ver meer naar Posio.
Ze heeft Finse jukbeenderen, hoog en hoekig, en haar blanke, bijna bleke huid glimt een beetje. Ik wil haar in haar eigen taal antwoorden, twijfel even over de grammatica en dan is het te laat. Meestal schakel ik al gauw over naar het Engels en dan volgt zij. Liever heeft ze dat ik Nederlands spreek, maar dat vind ik ongemakkelijk, alsof ik tegen een kind praat. Engels is neutraal, in die taal zijn we gelijkwaardig.
‘Zullen we toch even...?’
Voordat ik mijn zin kan afmaken parkeert ze de auto langs de kant van de weg. We trekken onze schoenen en sokken uit. Het zand is koel, het water helder en fris. De zon projecteert lichte en donkere krullen op de bodem, op onze voeten, ze kronkelen als een slangennest.”

 

 2183649-aefd8d4963bc2e60f5235731bc715de5.jpg
Thijs Feuth (Nijmegen, 8 oktober 1981)

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Martin van Amerongen werd geboren op 8 oktober 1941 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Martin van Amerongen op dit blog.

Uit: Enige Opmerkingen Over De Residentiële Taalschurft

“Onlangs was ik getuige van een deftige discussie in de Amsterdamse Balie waar een drietal specialisten, een jurist, een politicoloog en een rechtstheoreticus, publiekelijk hun ongenoegen uitspraken over de rhetorische machteloosheid van het politieke debat.
Het politieke debat is, zo vat ik de conclusies ruwweg samen, vrijwel versteend. Het is eerder op vermaak dan op oordeelsvorming gericht. Hoewel, vermaak? Het taalgebruik is gewichtigdoenerig en schijndeskundig, exclusief voorbehouden aan diegenen ‘die een cursus hebben gevolgd’. Er wordt gegoocheld met metaforen. De tegensputterende actualiteitenrubrieken zijn voornamelijk een doorgeefluik van verbale ruis. ‘Het Haagse dialect is, net als het Franse patois, slechts begrijpelijk voor intimi.’
Het is een klassieke klacht. Menno ter Braak herkende in de politieke rhetoriek ‘een verleden van studentikoze geestelijkheid en een heden van hompelend opportunisme’. Gerrit Komrij beschuldigt de Nederlandse politici van het gebruik van ‘steno-Hottentots’ en een verslaafdheid aan wezenloze platitudes. ‘De politicus heeft met de souteneur en de architect gemeen dat ze geen van drieën een beschermd beroep uitoefenen. Jan en alleman kan zich aldus noemen. Hetgeen dan ook aan de hoeren, het stadsgezicht en het landsbestuur te merken valt.’ Henry Faas is, zegt hij, als politiek journalist langzamerhand uitgekeken op de naar niets smakende grijze pap, bestaande uit ‘het verpulverde partijwezen, gemengd met verwaterde wijn, wijwater, versuikerde wodka, chocolade en jenever’. Is het erg, vraagt hij, dat wij onze volksvertegenwoordigers niet kunnen verstaan. Om vervolgens zelf het antwoord te geven: ‘Ja, dat is erg.’
Zijn conclusie heeft de charme van de vanzelfsprekendheid. Maar is het erg? Anders gezegd: Is de residentiële kletsmeierij, zoals wij die vrijwel dagelijks moeten ondergaan, een beletsel voor het bevredigend functioneren van de parlementaire democratie?
Het Politiek Woordenboek van Marco Bunge signaleert het bestaan van een soort Binnenhofs. ‘Deze vreemde taal vindt zijn oorsprong in onze volksvertegenwoordiging. Het adres hiervan is Binnenhof 1a, 2513 AA, Den Haag. Het taalgebied is in de loop der jaren aanmerkelijk uitgebreid. Niet alleen op de Haagse, Leidschendamse, Rijswijkse en Zoetermeerse ministeries, maar ook in alle andere plaatsen van ons land met ambtelijke instellingen of politieke organen, zal men u in het Binnenhofs verstaan.’

 

 2183649-49b9355851d880d6fda26a0a934a79c1.jpg
Martin van Amerongen (8 oktober 1941 – 11 mei 2002)
Cover: Politiek Woordenboek van Marco Bunge

 

 

De Amerikaanse schrijver Benjamin Cheever werd geboren op 8 oktober 1948 in New York. Zie ook alle tags voor Benjamin Cheever op dit blog.

Uit:The Good Nanny

"Where do you write?" asked Wallace Stevens, when the party reached the top of the stairs.
"Actually," said Stuart, "I haven't written a word since we moved in, but I have picked the spot."
"I think the places where creative people work are sacred," the agent said, looking into the faces of the other guests for confirmation. None was forthcoming. But Stuart led the group into a small bedroom off the hallway. This had a dark oak table with one center drawer and a chair with a cane bottom.
Stevens went to the desk. "Do you mind?" he asked, looking back over his shoulder at Stuart.
His host said nothing.
The agent opened the drawer, found it empty, took a card out of his wallet, wrote something on the back, put the card in the drawer, and closed it. Then he backed away from the desk and brought his face close to Stuart's "That's my home number," he said.
"Thanks," said Stuart, wiping spittle from his cheeks as he turned and went into the hall.
"Instead of the river view," he said, "we have a master-bedroom-suite-to-die-for. That's what the realtor was always saying, 'a master-bedroom-suite-to-die-for.'"
"Die happy," one of the guests chimed in.
"Somehow I don't think Joy will die happy," said Stuart, "but I accept the compliment."
He led the group down the hall and into the bedroom. This was large and with floor-to-ceiling windows on one wall. An ebony sleigh bed stood in the center of the room. A small, clever wooden desk with pillars, cubbies, and a Hepplewhite chair was set in a corner. "It's a reproduction," Stuart said, before moving out of the sleeping area and through the first phase of the bathroom-two sinks, and a long mirror lined with light bulbs, in a style reminiscent of a theatrical dressing room.
"It's fabulous," one of the guests enthused. "The dream house for the dream couple."
"And we dream big these days," Stuart said. "Five people, four thousand square feet. Lucky Karl Marx has been discredited. Else we'd all be murdered in our beds."
"Would they murder the nanny?" asked Kick Massberg, a colleague from the city and Stuart's protégé.
"I think she'd be the one to let them in, while we slept," said Stuart. "Or that's my understanding of class war. We've got the walk-in closet," he continued, leading the party deeper into the bathroom, "the Jacuzzi, steam shower ..."
"Do you ever really use the steam shower?" asked a cleft-chinned blonde named Heather who worked for the Bathos Literary Agency in Manhattan.”

 

 2183649-c9b35f4581dc61d39c74bf779fbd0661.jpg
Benjamin Cheever (New York, 8 oktober 1948)
Cover

 

 

De Duitse schrijver Jakob Arjouni (pseudoniem vanJakob Bothe) werd geboren op 8 oktober 1964 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Jakob Arjouni op dit blog.

Uit: Ein Mann ein Mord

“Herr Kunze war mein Vermieter. Durch den Hörer rechnete er mir vor, weshalb die Miete ab nächsten Monat erhöht werden müßte – um dreißig Prozent – und warum das Leben kein Zuckerschlecken sei. »Frau und Kinder«, stöhnte es aus der Muschel, und ich setzte Sieloff, Mill, Kamps und mich auf die Ersatzbank, Weisweiler auf eine Wolke. Dann unterbrach ich. »Wenn ich Sie richtig verstanden habe, Herr Kunze, bin ich für Sie der beste Mieter auf der Welt, und am liebsten würden Sie mir was draufzahlen, damit ich das Büro behalte. Auf der anderen Seite kann Ihre Frau mit weniger als zehn Pelzen nicht leben, [6] ohne daß sie Migräne bekommt und Ihnen die Hölle heiß macht. Schön, jeder muß sehen, wo er bleibt. Trotzdem finde ich tausend Mark für ein Zimmer mit Waschbecken und regelmäßigem Stromausfall übertrieben.«
»Völlig Ihrer Meinung, mein Lieber, völlig! Ich sage immer, Arbeitsplatzqualität macht fünfzig Prozent Lebensqualität aus, dann die Wohnqualität und das Zwischenmenschliche – das natürlich ganz besonders. Aber nun versetzen Sie sich mal in meine Lage: elf Häuser in Frankfurt, der Reitstall, vier Autos – was das allein an Steuern kostet! Und dann die Reparaturen, und, und, und …«
Ich legte ein Kissen auf den Hörer, kramte zwei Aspirin aus der Schublade, warf sie in ein Glas Wasser und sah, den Kopf in beide Hände gestützt, zu, wie es sprudelte. Herrn Kunzes Stimme kam wie eine gefangene Hummel unter dem Kissen hervor.
Es war der einunddreißigste März neunzehnhundertneunundachtzig, neun Uhr morgens. Ich hatte Schulden und keine Aufträge. Der Wasserhahn tropfte, die Kaffeemaschine war kaputt und ich und ich müde. Mein Büro glich einer Arbeitsbeschaffungsmaßnahme für Anonyme Alkoholiker. Aktenordner und leere Bierflaschen waren über Boden und Regale verteilt, die unbeschriebenen Karteikarten rochen nach verschüttetem Whisky. Einziger Wandschmuck ein vier Jahre alter Chivas-Regal-Kalender und eine Postkarte von den Bahamas.”

 

 2183649-f247fb086bcc777429b0533d7eb94d51.jpg
Jakob Arjouni (8 oktober 1964 – 17 januari 2013)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijver Atticus Lish werd geboren in 1972 in New York. Zie ook alle tags voor Atticus Lish op dit blog.

Uit: Preparation For The Next Life

“I didn’t kill it, Skinner said. Another round?
You are crazy.
I’ve got trigger control.
You are strong boy.
He pulled her to him and they stood swaying with his arms locked around her waist and his face against the back of her skull, smelling her hair.
Okay, it’s enough.
The bartender, in her cowboy hat, collected their empty bottles into a tub, bending forward, her maternal breasts hanging in the red light.
Another one, Skinner yelled to her, still trying to hold onto Zou Lei, who was beginning to wrestle him.
Here’s to us!
Here to you!
To getting shitfaced in a strange place!
To America! she cried out. Your country!
They drank.
You’re okay, he told her.
Zou Lei’s face had gotten alcohol-flushed to the point that it looked as if she might be sunburned.
My country is the friend of you country. It’s like one. The brother to one another, we come here to make our life. No matter what happen, we are still brother.
I feel you.
He twined his fingers in her hair again and she let him do it.
When he tried to give his bank card to the bartender, she gave it back and pointed behind him. They journeyed across the bar, wondering what they would find. They found an ATM padlocked to the far wall. Zou Lei went to the bathroom while he paid the bill. She held herself on the sink in the tiny green room. Scratched into the paint on the stall, it said Cholo BCB. Mi Corazon. A pierced heart.
They were outside now, taking reeling steps under the subway tracks and laughing. He did his dance.
Run! she yelled.”

 

 2183649-77e08323c0e5343ff28f904ee6356e11.jpg
Atticus Lish (New York, 1972)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e oktober ook mijn blog van 8 oktober 2017.

Geschreven door Romenu om 18:49 Reageer op dit bericht

In Memoriam Dirk Ayelt Kooiman

 

In Memoriam Dirk Ayelt Kooiman

 

De Nederlandse schrijver en essayist Dirk Ayelt Kooiman is vorige week dinsdag, 2 oktober, op 72-jarige leeftijd overleden. Dirk Ayelt Kooiman werd geboren in Amsterdam op 3 januari 1946. Zie ook alle tags voor Dirk Ayelt Kooiman op dit blog.

Uit: Montyn

"Het zijn gevoelige klanten, die contactmijnen,’ zegt een stem uit het verleden. ‘Ze hebben al voldoende aan de kracht van stroom of wind...’ - En tegelijk zie ik de scheepswand. Spanten. Klinknagels. Roestig plaatijzer, nog geen vinger dik. Die mijn. Die broze wand. Ik moet ze uit elkaar houden, die twee... Met alle kracht die in mij is.
Ik houd mijn ogen strak gevestigd op een in draadijzer gevat lampje, hoog boven me. En ik tel. Ik tel tot drie.
Langzaam, maar ook weer niet té langzaam. En ik wacht een ogenblik. Niets. Geen droge tik. Geen dreun. Het plaat-ijzer wijkt niet. Geen muur van water die ons bedelven zal. Dan tel ik tot vier. En wacht een ogenblik. Het plaatijzer wijkt niet. Ik tel tot vijf, steeds van voor af aan, tot zes, tot zeven, acht. En wacht een ogenblik. Niets dan het gekabbel van water tegen de waterlijn. Ik tel door. Eenentwintig, tweeëntwintig. Achtendertig. Negenendertig. Veertig. En ik wacht en luister...
Drie uur. Acht uur. Dertien uur. - Maar ik wist van geen uren. Voor mij gold uitsluitend het moment. En het volgend moment. Momenten die ik telde.
Al die uren lag ik, badend in het zweet, met gloeiende ogen, turend naar de lichtkring op het roestige ijzer, geworpen door de zwakke gloeidraad van een onooglijk lampje hoog boven me, vechtend tegen de uitputting. Want ik zou het noodlot afgewend weten te houden zolang ik keek. Zolang ik telde. Wanneer mijn aandacht niet verslapte, zouden we behouden blijven. Ik was het die het ene moment aan het andere reeg, momenten waarin niets gebeurd was - geen explosie, geen muur van water. Zolang ik telde, de oren spitste, vaststelde dat er niets gebeurd was - en opnieuw begon. Van één tot negentig. Van één tot eenennegentig. Tweeënnegentig... Zo telde ik. En zo vervloeide ik al tellend in de tijd. Mijn ogen werden zwaar. Het licht vervaagde. Het duister sloot zich.
Het was zwart geworden om mij heen. Ik zweefde. Ik zweefde, al tellend, in een eindeloze tunnel van duisternis. Een ijskoude wind joeg langs mij heen.
Maar er gloorde licht, eerst heel ver weg, onzeker flakkerend als een ster. Dan dichterbij. Het licht kwam op mij af. Of zweefde ik erheen? Het schijnsel werd feller en feller. Een zee van licht. Schitterend. Oogverblindend.”

 

 2183689-c619afb589d0be4f7b3570df0e2216d4.jpg
Dirk Ayelt Kooiman (3 januari 1946 – 2 oktober 2018)

Geschreven door Romenu om 18:43 Reageer op dit bericht

Sybren Poletprijs 2018 voor Peter Verhelst

 

Sybren Poletprijs voor Peter Verhelst

 

De Vlaamse dichter, romancier en theaterschrijver Peter Verhelst krijgt dit jaar de Sybren Poletprijs. De Sybren Poletprijs is een prijs voor experimentele literatuur die in januari 2018 in het leven is geroepen door de Sybren Polet Stichting. De prijs is vernoemd naar de experimentele schrijver Sybren Polet. De prijs wordt beschouwd als een oeuvreprijs die elke drie jaar zal worden toegekend aan een schrijver, dichter, essayist of toneelschrijver die in de geest of traditie van Polets werk schrijft. Aan de prijs is een geldbedrag van 35.000 euro verbonden, hiermee is het direct na de P.C. Hooft-prijs, Libris Literatuur Prijs en de ECI Literatuurprijs een van de grootste literaire prijzen van Nederland. Peter Verhelst werd geboren op 28 januari 1962 in Brugge. Zie ook alle tags voor Peter Verhelst op dit blog.

Uit: Voor het vergeten

“De vertrouwde jetlag na het wakker worden. Ik ga in de douchecel onder heet water staan, tot de tijd eindelijk weer synchroon begint te lopen met de ruimte. Stoomsluiers en bleke schaduwen van bad, wastafel, handdoeken en muren.
Voorovergebogen sta ik te druipen. Het witte matje zuigt zich aan mijn natte voetzolen vast als kroepoek aan een tong. Ik ga naar beneden, drink een glas water en neem een appel, zie dat het licht niet brandt in het atelier – mijn vrouw werkt die dag dus buitenshuis.
Ik lees teksten over de aanslagen in Parijs, commentaren, getuigenverslagen, beledigingen, uitspraken van politici, terwijl ik de eerste sigaret van de dag rook. Na een halfuur heb ik uit de teksten enkele vragen kunnen destilleren – ik begin te begrijpen wat de aanslagen zouden kunnen betekenen. De kat ligt opgekruld te ademen naast mijn toetsenbord. Haar rechteroor schiet overeind als de telefoon in de oplader trilt. Ik zie de foto van mijn vader op het scherm, maar nog voor ik iets kan zeggen, hoor ik hem roepen: ‘Ik denk dat ma aan het doodgaan is.’
Je vindt de sleutels niet die voor je neus liggen. Je vindt je jas niet. In de auto bel je naar je vrouw, maar ze neemt niet op. Je kunt alleen maar schreeuwen en op je stuur slaan, omdat iedereen veel te traag rijdt en alle verkeerslichten op rood springen. Je belt nog een keer naar je vrouw. Je probeert niet te roepen om haar niet bang te maken, maar je weet nu al dat je te laat zult komen. Je moet je ademhaling in bedwang zien te krijgen. Je kunt de zwaailichten al van ver zien boven het fluogeel van de ambulance (achterdeuren open/lege binnenkant/ oplaaiende hoop). Als je over de straat naar het huis rent waar je geboren bent, komt je zus net door de openstaande voordeur naar buiten, hoofdschuddend, met de handen voor haar open mond. Toch ren je de treden op, ren je tegen beter weten in de met beige tapijt beklede treden op. Voorbij het geel geaderde, geëmailleerde bloempotje ren je, voorbij de steen waarin een tekst gehakt staat over de tijd, de met beige tapijt beklede treden op. Bijna op handen en voeten, zo snel wil je, rakelings langs de muur met de ossenbloedkleurige zeefdruk vol cyrillische letters.”

 

 2183495-02a927e43a2a4d30dfbc062d87095fb1.jpg
Peter Verhelst (Brugge, 28 januari 1962)

Geschreven door Romenu om 08:00 Reageer op dit bericht

Luuk Imhann

De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Luuk Imhann werd geboren in Monster op 8 oktober 1986. Zie ook alle tags voor Luuk Imhann op dit blog.

 

LELIE

laat ik groots beginnen
vijfhonderd opzichters bezochten vijfhonderd kerken
om de liefde te vangen
ze kwamen zonder handen terug –

mijn glazen raam
kijkt uit op een spoorbaan
zullen we nieuwe bossen planten
met witte bladeren
zie je ons er lopen
ik heb je lief zoals
ik lelies lief zou hebben

 

 2213102-6fa61812f4a4c7bf18e3ecbaaf1f3d63.jpg
Luuk Imhann (Monster, 8 oktober 1986)



Geschreven door Romenu om 00:00 Reageer op dit bericht

Simon Carmiggelt, Rachel Kushner, Thomas Keneally, Dirkje Kuik, Steven Erikson

De Nederlandse schrijver en dichter Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Simon Carmiggelt op dit blog.

Uit: Mooi weer vandaag?

“Het aardige van het ambacht schrijven is, dat je het nóóit leert.
Je kunt leren hoe je onovertrefbaar een haring schoonmaakt of een plank afschaaft.
Maar de schrijver die op een middag, behaaglijk handenwrijvend, zijn werkvertrek verlaat en tegen zijn vrouw zegt: ‘Marie, goed nieuws, ik ben zojuist gereed gekomen met de letterkunde, ik kán het nu’ bestaat niet. En als hij (onverhoopt) wél bestaat, steek ik mijn hand niet in het vuur voor zijn proza.
Nee, schrijven leer je nóóit.
Het is een eeuwig proberen of het vandaag misschien lukt - op hoop van zegen. En dat is er nu juist het heerlijke van. Want veronderstel eens, dat je het, op een bepaalde dag, kón, net als haring schoonmaken en planken afschaven. Dat zou gruwelijk zijn. Want dan ging je een woestenij van dorre verveling tegemoet. Het zou uit zijn met die schone en gruwelijke, gruwelijke schone vorm van gevaarlijk leven, die schrijven nu eenmaal is. Je zou een metier perfekt beheersen en het, met je linkerhand, tot je laatste dag geeuwend moeten volhouden.
Ik mag er niet aan denken.
Nee, de schoonheid van schrijven als ambacht is juist de onmogelijkheid om ‘het’ ooit te bereiken, want juist dát garandeert je die onafzienbare stoet van lichte, grijze en zwarte dagen, die alleen kan worden afgesloten door Vader Dood.
Proberen, meer is het niet.
Proberen of het lukt.
En soms, als je dénkt dat het lukt, een soort geluk voelen dat niets anders je geven kan. En vaak - blijkt later - heb je toen volkomen ten ónrechte gedacht dat het lukte. Dan blijft de mooie vuurpijl die je af schoot, en waarbij je zelf maar vast blij en voorbarig ‘Aaaah’ riep, helemaal nergens te zijn aangekomen.
Maar ook dát is erg goed.
Het houdt de wind eronder.
De eeuwig waaiende wind van de bitter-zoete twijfel.”

 

 2183285-08e0c7c30c9e75e0720950e604caae16.jpg
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)
Cover van een LP met verhalen

 

 

De Amerikaanse schrijfster Rachel Kushner werd geboren op 7 oktober 1968 in Eugene, Oregon. Zie ook alle tags voor Rachel Kushner op dit blog.

Uit: The Mars Room

“The trouble with San Francisco was that I could never have a future in that city, only a past.
The city to me was the Sunset District, fog-banked, treeless, and bleak, with endless unvaried houses built on sand dunes that stretched forty-eight blocks to the beach, houses that were occupied by middle- and lower-middle-class Chinese Americans and working-class Irish Catholics.
Fly Lie, we’d say, ordering lunch in middle school. Fried rice, which came in a paper carton. Tasted delicious but was never enough, especially if you were stoned. We called them gooks. We didn’t know that meant Vietnamese. The Chinese were our gooks. And the Laotians and Cambodians were FOBs, fresh off the boat. This was the 1980s and just think what these people went through, to arrive in the United States. But we didn’t know and didn’t know to care. They couldn’t speak English and they smelled to us of their alien food.
The Sunset was San Francisco, proudly, and yet an alternate one to what you might know: it was not about rainbow flags or Beat poetry or steep crooked streets but fog and Irish bars and liquor stores all the way to the Great Highway, where a sea of broken glass glittered along the endless parking strip of Ocean Beach. It was us girls in the back of someone’s primered Charger or Challenger riding those short, but long, forty-eight blocks to the beach, one boy shotgun with a stolen fire extinguisher, flocking people on street corners, randoms blasted white.
If you were visiting the city, or if you were a resident from the other, more admired parts of the city and you took a trip out to the beach, you might have seen, beyond the sea wall, our bonfires, which made the girls’ hair smell of smoke. If you were there in early January, you would see bigger bonfires, ones built of discarded Christmas trees, so dry and flammable they exploded on the high pyres. After each explosion you might have heard us cheer. When I say us I mean us WPODs. We loved life more than the future. “White Punks on Dope” is just some song; we didn’t even listen to it. The acronym was something else, not a gang but a grouping. An attitude, a way of dressing, living, being.”

 

 2183285-4ac761e80066cfb72d31e230c6450b0f.jpg
Rachel Kushner (Eugene, 7 oktober 1968)

 

 

De Australische schrijver Thomas Keneally werd geboren op 7 oktober 1935 in Sydney. Zie ook alle tags voor Thomas Keneally op dit blog.

Uit: Schindler’s Ark

“Trying still to find, in the shadow of Himmler, some hint of Oskar's later enthusiasms, we encounter the Schindlers' next-door neighbor, a liberal rabbi named Dr. Felix Kantor. Rabbi Kantor was a disciple of Abraham Geiger, the German liberalizer of Judaism who claimed that it was no crime, in fact was praiseworthy, to be a German as well as a Jew. Rabbi Kantor was no rigid village scholar. He dressed in the modern mode and spoke German in the house. He called his place of worship a "temple" and not by that older name, "synagogue." His temple was attended by Jewish doctors, engineers, and proprietors of textile mills in Zwittau. When they traveled, they told other businessmen, "Our rabbi is Dr. Kantor—he writes articles not only for the Jewish journals in Prague and Brno, but for the dailies as well."
Rabbi Kantor's two sons went to the same school as the son of his German neighbor Schindler. Both boys were bright enough eventually, perhaps, to become two of the rare Jewish professors at the German University of Prague. These crew-cut German speaking prodigies raced in knee pants around the summer gardens. Chasing the Schindler children and being chased. And Kantor, watching them flash in and out among the yew hedges, might have thought it was all working as Geiger and Graetz and Lazarus and all those other nineteenth-century German-Jewish liberals had predicted. We lead enlightened lives, we are greeted by German neighbors—Mr. Schindler will even make snide remarks about Czech statesmen in our hearing. We are secular scholars as well as sensible interpreters of the Talmud. We belong both to the twentieth century and to an ancient tribal race. We are neither offensive nor offended against.
Later, in the mid-1930s, the rabbi would revise this happy estimation and make up his mind in the end that his sons could never buy off the National Socialists with a German-language Ph.D.—that there was no outcrop of twentieth-century technology or secular scholarship behind which a Jew could find sanctuary, any more than there could ever be a species of rabbi acceptable to the new German legislators. In 1936 all the Kantors moved to Belgium. The Schindlers never heard of them again.”

 

 2183285-f2b975ff42634075b923f468348a58fd.jpg
Thomas Keneally (Sydney, 7 oktober 1935) 

 

 

De Nederlandse schrijfster en beeldend kunstenares Dirkje Kuik werd geboren in Utrecht op 7 oktober 1929. Zie ook alle tags voor Dirkje Kuik op dit blog.

 

2183285-220443ce1a4437eb715c1b2633fd7745.jpg
Kromme Rijnlandschap

 

 

Ode aan de Rijnlaan

1
Dat vond ik wel aardig, hel logeren.
de keuken van mijn tante,
de tante van mijn keuken, wit,
een snit die ik niet kende.
Gestreept was het eigen nest.
Men moet mij goed verstaan
ik had geen hekel, in tuin en veld
een relmuis kan zich best
bedruipen, snuift door de neus.
Het was het geweld van pikkerup de naaimachine,
pikkeraan de leren muts, de motorkap. de winterienen,
geven is de goudsblom, gek.
Onvergetelijk de blikken trom, het vaandel,
de krijgstrompet; liefde doet trombone blazen:
twee figuren aan het hek, twee brilleglazen.
Oom Jan, Wieb, hoe was het.

 

 2183285-fecaebbfe24bc990e78553483c907598.jpg
Dirkje Kuik (7 oktober 1929 – 18 maart 2008)

 

 

De Canadese schrijver, archeoloog, antropoloog Steven Erikson (pseudoniem van Steve Rune Lundin) werd geboren in Toronto op 7 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Steven Erikson op dit blog.

Uit:The Crippled God

“Dust lifted, twisting, in her wake. From her shoulders trailed dozens of ghastly chains: bones bent and folded into irregular links, ancient bones in a thousand shades between white and deep brown. Scores of individuals made up each chain, malformed skulls matted with hair, fused spines, long bones, clacking and clattering. They drifted out behind her like a tyrant’s legacy and left a tangled skein of furrows in the withered earth that stretched for leagues.Her pace did not slow, as steady as the sun’s own crawl to the horizon ahead, as inexorable as the darkness overtaking her. She was indifferent to notions of irony, and the bitter taste of irreverent mockery that could so sting the palate. In this there was only necessity, the hungriest of gods. She had known imprisonment. The memories remained fierce, but such recollections were not those of crypt walls and unlit tombs. Darkness, indeed, but also pressure. Terrible, unbearable pressure.Madness was a demon and it lived in a world of helpless need, a thousand desires unanswered, a world without resolution. Madness, yes, she had known that demon. They had bargained with coins of pain, and those coins came from a vault that never emptied. She’d once known such wealth.And still the darkness pursued.
Walking, a thing of hairless pate, skin the hue of bleached papyrus, elongated limbs that moved with uncanny grace. The landscape surrounding her was empty, flat on all sides but ahead, where a worn-down range of colourless hills ran a wavering claw along the horizon.
She had brought her ancestors with her and they rattled a chaotic chorus. She had not left a single one behind. Every tomb of her line now gaped empty, as hollowed out as the skulls she’d plundered from their sarcophagi. Silence ever spoke of absence. Silence was the enemy of life and she would have none of it. No, they talked in mutters and grating scrapes, her perfect ancestors, and they were the voices of her private song, keeping the demon at bay. She was done with bargains.Long ago, she knew, the worlds – pallid islands in the Abyss – crawled with creatures. Their thoughts were blunt and simple, and beyond those thoughts there was nothing but murk, an abyss of ignorance and fear.”

 

 2183285-db3e390a79ac05a7269e81f723dbb293.jpg
Steven Erikson (Toronto, 7 oktober 1959)

 

 

Zie voor nog meer schjrijvers van de 7e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 12:26 Reageer op dit bericht

Georg Hermann, James Whitcomb Riley, Wilhelm Müller, Sohrab Sepehri, Chigozie Obioma

De Duitse schrijver Georg Hermann (oorspronkelijk Georg Hermann Borchardt) werd op 7 oktober 1871 in Berlijn geboren. Zie ook alle tags voor Georg Hermann op dit blog.

Uit:Einen Sommer lang

“Eginhard Meyer hatte durchaus nicht die Absicht, sich einmal später auf dem Brotbaum der Advokatur anzusiedeln. Auch Öler, Bediener, Werkmeister, Ingenieur der großen preußischen Rechtsmaschine zu werden verschmähte er; trotzdem für ihn väterliche Fürsorge schon frühzeitig gewisse Schritte unternommen hatte, daß ihm die Tore dieses Maschinensaals nicht verschlossen blieben. Nein, Eginhard Meyers Streben ging danach, selbst wieder einmal Lehrer nachwachsender Generationen von Rechtsverständigen zu werden, neuen Wein in die alten Schläuche zu füllen und die Zahl der Bücher über die Rechtswissenschaft um einige zu vermehren.
Wenn Nietzsche recht hat, so er sagt: »Je größer der Mann, desto größer seine Verachtung«, so mußte unser Mann, Eginhard Meyer – das heißt, durch Rückschluß festgestellt – sehr groß sein. Denn er hatte eine maßlose Verachtung für alles, was Leute vor ihm in seinem Gebiete geschaffen hatten; eine Verachtung, die nur noch durch die übertroffen wurde, die er für jene hegte, die heute auf dem gleichen Gebiete sich betätigten. Daß er am Rande dieses keineswegs dornenfreien Weges, den er zu betreten beabsichtigte, die ersten fünfundachtzig Jahre seines Lebens kaum große Reichtümer sammeln würde, war allen Beteiligten und auch ihm klar. Er fand sich aber mit dieser Tatsache in dem harten, entsagungsreichen Stolze des Idealisten ab.
Auch seine Braut, Hannchen Lindenberg – man muß das auseinanderhalten! – ein sehr junges Wesen, die von ihrer Mutter einen großen Wortreichtum von Pflichtbezeichnungen und sittlichen Erwägungen erblich überkommen und zeitgemäß ausgebaut hatte, fand gerade hierin einen Anreiz mehr, sich auf das pastorale Jahrzehnt einer gemeinsam durchkämpften Brautzeit vorzubereiten und zu versteifen. Es war eine Märtyrerkrone, die Hannchen Lindenberg sich mit redereicher Wollust auf die wundervollen kastanienbraunen Flechten ihres großäugigen Hauptes stülpte. Hannchen Lindenberg liebte (vielleicht mehr als ihren Bräutigam) solche Märtyrerkronen. Sie hatte das von je getan. Hannchen Lindenberg brauchte sie und suchte sich, wie spätere Jahre zeigten, stets wieder eine neue, wenn die alte schadhaft und unansehnlich geworden war und die Blicke der Umwelt nicht mehr genügend auf sich zog.
Zum Schluß lag aber nach menschlichem Ermessen der Fall keineswegs so verzweifelt und aussichtslos, wie die beiden – Egi Meyer und Hannchen Lindenberg – in langen Spaziergängen selbstzerfleischend sich ausmalten. Denn da die Eltern des jungen Herrn Meyer für recht wohlhabend gehalten wurden – es auch wohl waren –, so war anzunehmen, daß sie im Verein mit Frau Luise Lindenberg ein Machtwort sprechen würden, um eines schönen Tages den entnervenden Stellungskrieg der Brautzeit in die offene Feldschlacht der Ehe zu überführen.”

 

 2183283-9362a53bd5168189e45133d85b041d1f.jpg
Georg Hermann (7 oktober 1871 – 19 november 1943)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Whitcomb Riley werd geboren op 7 oktober 1849 in Greenfield, Indiana. Zie ook alle tags voor James Whitcomb Riley op dit blog.

 

Plain Sermons

I saw a man--and envied him beside--
Because of this world's goods he had great store;
But even as I envied him, he died,
And left me envious of him no more.

I saw another man--and envied still--
Because he was content with frugal lot;
But as I envied him, the rich man's will
Bequeathed him all, and envy I forgot.

Yet still another man I saw, and he
I envied for a calm and tranquil mind
That nothing fretted in the least degree--
Until, alas! I found that he was blind.

What vanity is envy! for I find
I have been rich in dross of thought, and poor
In that I was a fool, and lastly blind
For never having seen myself before!

 

 

Sister Jones's Confession

I thought the deacon liked me, yit
I warn't adzackly shore of it--
Fer, mind ye, time and time agin,
When jiners 'ud be comin' in,
I'd seed him shakin' hands as free
With all the sistern as with me!
But jurin' last Revival, where
He called on _me_ to lead in prayer,
An' kneeled there with me, side by side,
A-whisper'n' 'he felt sanctified
Jes' tetchin of my gyarment's hem,'--
That settled things as fur as them-
Thare other wimmin was concerned!--
And--well!--I know I must a-turned
A dozen colors!--_Flurried_?--_la_!--
No mortal sinner never saw
A gladder widder than the one
A-kneelin' there and wonderun'
Who'd pray'--So glad, upon my word,
I railly could n't thank the Lord!

 

 2183283-6d8d522668f1f040f38022e157ec7527.jpg
James Whitcomb Riley (7 oktober 1849 – 22 juli 1916)
Portret door T. C. Steele, 1891

 

 

De Duitse, romantische dichter Wilhelm Müller werd geboren op 7 oktober 1794 in Dessau. Zie ook alle tags voor Wilhelm Müller op dit blog.

 

Am Feierabend

Hätt ich tausend
Arme zu rühren!
Könnt ich brausend
Die Räder führen!
Könnt ich wehen
Durch alle Haine!
Könnt ich drehen
Alle Steine!
Daß die schöne Müllerin
Merkte meinen treuen Sinn!

Ach, wie ist mein Arm so schwach!
Was ich hebe, was ich trage,
Was ich schneide, was ich schlage,
Jeder Knappe tut mir′s nach.
Und da sitz ich in der großen Runde,
In der stillen kühlen Feierstunde,
Und der Meister spricht zu allen:
Euer Werk hat mir gefallen;
Und das liebe Mädchen sagt
Allen eine gute Nacht.

 

 

Des Finken Abschied

Es saß ein Fink auf grünem Zweig,
Der war so frisch und blätterreich,
Und sang wohl dies und jenes;
Durch Lenz und Sommer und Herbst er sang,
Hätt da gesungen sein Lebelang,
Wär nicht der Winter kommen.

Der Winter kam mit Saus und Braus:
»Ihr Müßiggänger, zum Reich heraus,
Ihr Flattrer und Sänger und Horcher!
Herab vom Baum, du grünes Blatt!
Zum Bauen und zum Brennen hat
Der Herr das Holz erschaffen.«

Da geht im Hain das Schütteln los,
Und flugs steht alles blank und bloß,
Bis auf den Zweig des Finken.
Jetzt, naseweises Vöglein, flieh!
Mit solcher Staatsökonomie
Da ist nicht viel zu spaßen.

Und ′s Vöglein flog und sang: »Ade!«
Da warf der Winter Reif und Schnee
Ihm hintendrein, und trafs nicht.
Der Finke lacht′ aus voller Kehl:
»Bewahre Gott jede Christenseel
Vor diesem Landesvater!«

Und als ich ′mal nach Welschland zog,
Manch Vöglein mit dem Wandrer flog,
Da war auch jenes drunter:
Und wär′s gewest eine Nachtigall,
So hätt mein Lied einen bessern Schall,
Ich hab′s ihm nachgesungen.

 

 2183283-bc30faaf775846dc20dc87381c3978d2.jpg
Wilhelm Müller (7 oktober 1794 – 1 oktober 1827)
Monument in in Dessau

 

 

De Iraanse dichter en schilder Sohrab Sepehri werd geboren op 7 oktober 1928 in Kashan. Zie ook alle tags voor Sohrab Sepehri op dit blog.

 

Morning Glory

Past the border of my dream
The shadow of a morning glory
Had darkened all these ruins
What intrepid wind
Transported the morning glory seed to the land of my Nod?

Beyond glass gates of dream
In the bottomless marsh of mirrors
Wherever I had taken a piece of myself
A morning glory had sprouted
Forever pouring into the void of my soul
And in the sound of its blossoming
I was forever dying in myself

The veranda roof caves in
And the morning glory twines about all columns
What intrepid wind
Transports this morning glory seed to the land of my Nod?

The morning glory germinates
Its stem rising out of my transparent sleep
I was in a dream
Flood of wakefulness overflowed.
To the view of my dream ruins I opened eyes:
The morning glory had twined all about my life.
I was flowing in its veins
It rooted in me
It was all of me
What intrepid wind
Transported this morning glory seed to the land of my Nod?

 

Vertaald door Ismail Salami

 

 2183283-bc438d47333ce7623249ffbe5577dcd5.jpg
Sohrab Sepehri (7 oktober 1928 – 21 april 1980)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

 

De Nigeriaanse schrijver Chigozie Obioma werd geboren in 1986 in Akure. Zie ook alle tags voor Chigozie Obioma op dit blog.

Uit: The Fishermen

“Glimpses of it mostly came like a locomotive train treading tracks of hope, with black coal in its heart and a loud elephantine toot. Sometimes these glimpses came through dreams or flights of fanciful thoughts that whispered in your head—I will be a pilot, or the president of Nigeria, rich man, own helicopters—for the future was what we made of it. It was a blank canvas on which anything could be imagined. But Father's move to Yola changed the equation of things: time and seasons and the past began to matter, and we started to yearn and crave for it even more than the present and the future. He began to live in Yola from that morning. The green table telephone, which had been used mainly for receiving calls from Mr Bayo, Father's childhood friend who lived in Canada, became the only way we reached him. Mother waited restlessly for his calls and marked the days he phoned on the calendar in her room. Whenever Father missed a day in the schedule, and Mother had exhausted her patience waiting, usually long into midnight, she would unfasten the knot at the hem of her wrappa, bring out the crumpled paper on which she'd scribbled his phone number, and dial endlessly until he answered. If we were still awake, we'd throng around her to hear Father's voice, urging her to pressure him to take us with him to the new city. But Father persistently refused. Yola, he reiterated, was a volatile city with a history of frequent large-scale violence especially against people of our tribe—the Igbo. We continued to push him until the bloody sectarian riots of March 1996 erupted. When finally Father got on the phone, he recounted—with the sound of sporadic shooting audible in the background—how he narrowly escaped death when rioters attacked his district and how an entire family was butchered in their house across the street from his. "Little children killed like fowls!" he'd said, placing a weighty emphasis on the phrase "little children" in such a way that no sane person could have dared mention moving to him again, and that was it. Father made it a tradition to visit every other weekend, in his Peugeot 504 saloon, dusty, exhausted from the fifteen-hour drive. We looked forward to those Saturdays when his car honked at the gate, and we rushed to open it, all of us anxious to see what snack or gift he had brought for us this time. Then, as we slowly became accustomed to seeing him every few weeks or so, things changed. His mammoth frame that commandeered decorum and calm, gradually shrunk into the size of a pea. His established routine of composure, obedience, study, and compulsory siesta—long a pattern of our daily existence—gradually lost its grip.”

 

 2183283-d03c09d35eab1289d53aeb741b4389d6.jpg
Chigozie Obioma (Akure, 1986)

Geschreven door Romenu om 12:26 Reageer op dit bericht

A Child’s Prayer (Matilda Betham-Edwards)

 

Bij de 27e zondag door het jaar

 

 

 2183281-eae9c350774f67dcb6d65adc89d4c861.jpg
Jezus veroordeelt de schijnheiligheid van de Farizeeërs door Jacob Jordaens, 1660-1670

 

 

A Child’s Prayer

God make my life a little light,
    Within the world to glow,—
A tiny flame that burneth bright,
    Wherever I may go.

God make my life a little flower,
    That giveth joy to all;—
Content to bloom in native bower
    Although its place be small.

God make my life a little song,
That comforteth the sad;
That helpeth others to be strong,
And makes the singer glad.

God make my life a little staff
    Whereon the weak may rest,—
That so what health and strength I have
    May serve my neighbor best.

God make my life a little hymn
    Of tenderness and praise,—
Of faith, that never waxeth dim,
    In all His wondrous ways.

 

 

 2183281-5827b948f8aa9959f93f4fbce7015df9.jpg
Matilda Betham-Edwards (4 maart 1836 - 4 januari 1919)
Church of St Mary Magdalene in Westerfield, de geboorteplaats van Matilda Betham-Edwards

 

 

Zie voor de schrijvers van de 7e oktober ook mijn volgende twee blogs van vandaag.

Geschreven door Romenu om 12:25 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten