Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
Uit: Onze vriend uit Oslo (Uit: Mag ’t een ietsje meer zijn)
“Het was John Barrymore die eens zeide: ‘Een vrouw kan drie dingen maken uit niets: een slaatje, een hoed en ruzie.’ Het vierde is zonder de geringste twijfel een cocktailparty. Te Rome was ik weer eens in de gelegenheid deze verticale ontspanning te beoefenen. Merendeels buitenlandse gasten hadden zich verenigd ten puissanten huize van een heer, die in het hart van de kwestie, stond te kijken als een boeiende persoonlijkheid, voor wie hem wist aan te snijden. Zijn echtgenote, die wij op een moeilijk levenstijdstip aantroffen, dwarrelde gastvrouwelijk rond en sloeg fonteinen geestdrift uit een rots van wanhoop. Men nipte aan verversingen, zoals vorstelijke personen maar niet kunnen laten het noenmaal te gebruiken. Er heerste een stemming van wellevend verbeten verveling. ‘Ah – en u is onze jonge vriend uit Oslo,’ kwam de gastvrouw tegen mij roepen. Ze had het al een keer éérder gedaan, maar mijn rectificatie was blijkbaar niet tot haar doorgedrongen. ‘Nee nee, uit Amsterdam,’ zei ik, op een toon of het maar een enkel breedtegraadje scheelde. ‘Ach, natuurlijk…’ Zij verdween weer in de menigte, mij overlatend aan een windstille heer op leeftijd, die als een uitgedwarreld blad in het leven lag, en mij aankeek of ik zijn twaalfde bord balkenbrij was. ‘How’s your king?’ vroeg hij eindelijk. ‘We have no king,’ zei ik. Hij zweeg ontmoedigd. ‘We have a queen,’ sprak ik, om hem tegemoet te komen. ‘Is that so…’ vroeg hij gehinderd, of ik hem lastig viel met lootjes op een rookworst. Daarop begaf hij zich neuriënd naar elders. Toen ik mijn glas ging neerzetten op een grote tafel, waar verscheidene personen de moeilijke spitzendans om de eetwaren uitvoerden, rees de gastvrouw weer op en riep met een nauwelijks gehavende glimlach: ‘Ah – en daar is onze jonge vriend uit Oslo!’ Zij stond in een groepje gezonde mannen, die keken of ze het onbetaalbaar vonden, daar vandaan te komen. Even wilde ik mijn rectificatie weer plaatsen, maar opeens leek het me een beetje querulant, het aldoor beter te willen weten. ‘Yes…’ zei ik en nam een nieuw glas van haar aan.”
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)
De kaarsen die zij in de grond stak, bakenden hun graf af, wees zij hem hun ruimte in de dood.
Ze zouden op het zuiden liggen met hun hoofden vol geluiden van de vogels in de oksels van het kerkje, aan de noordkant lag nog sneeuw.
Ze dronken Hemawijn uit plastic bekers, vlochten ijzerdraad tot ringen, beurden chips als heilig brood, neurieden Latijnse dingen.
Dronken wordend strekten zij zich in het mos uit, hielden eikaars adem in, vergingen. Gingen.
Recessie
Met verliefdheden gaat het als met je leven: ze willen steeds minder lukken. Hoe veelbelovend begonnen ze: evenwichtsstoornissen, braak- neigingen, smachtelijke blik op de nachtelijke eeuwigheid, scherp besef van god, samen dood willen, daarna alleen, langzaam herstellen, weer bomen en struiken zien staan, je vrouw, dat nam toch gauw een paar maanden tot een jaar.
Gaandeweg steeds minder ongelukkig geluk, alles bij elkaar twee weekjes, je blijft er noemenswaardig goed uitzien, let te snel weer op je kinderen. Verliefdheid niet veel meer dan een onschuldige aandoening: even erdoor van streek, je schraapt je keel, snuit je neus, simuleert wat snikken en gaat over tot de orde van het huwelijk.
Tocht
Zijn slapen sneeuwen in. Naast hem in hun wagen geeft zij hem niet veel meer dan een jaar
voordat zijn boordwit door- loopt in de berm van zijn haar.
Houdt zij het stuur dan gluurt hij naar haar perkamenten vel, het stikwerk van pigment.
Naar nieuwe verten onderweg ontkomen zij steeds minder aan het oude, zeer nabije
tot één de bocht vindt om te missen, de einders tegemoet.
Een tekst die de buitenlucht verdraagt, in de zon kan worden gelezen of in de regen, in de schreeuw of de nacht, in de naakte tijd.
Een tekst die de oneindigheid verdraagt, de kieren die zich verspreiden als stuifmeel, het meedogenloze lezen van de goden, het ongeletterde lezen van de woestijn.
Een tekst die de buitenlucht totaal weerstaat. Een tekst die zelfs gelezen kan worden in de dood.
De hond (Jan van Nijlen), Willem Jan Otten, Roberto Juarroz
Bij Dierendag
Pomeriaan teefje en puppy door Thomas Gainsborough, 1777
De hond
Pas uit de hand des Scheppen losgelaten beruikt hij in het gras een zedig dier en blaft ‘wat doet dit vreemde mormel hier?’ rent snuivend verder, dwaas en uitgelaten, toeft bij de zuilen van een olifant, holt dan maar door, langs boom en struik en heester, als zocht hij in dit onbekende land het verse spoor van zijn verloren meester.
Jan van Nijlen (10 november 1884 – 14 augustus 1965) Ingang van de dierentuin in Antwerpen, de geboorteplaats van Jan van Nijlen
Zij is op reis maar uit de eerste morgen van ons levenslange leven in één leven daar kwam uit mijn doezel opgeweld haar arm, vederduiflichtdalende gevleid op mij. Ik sliep beslist en iets sprak door mij heen en zei: je leven is van mij. Maar nu was zij niet eens in bed, toch sprak het met een stem: je leven is van mij. Geen juk zo licht als van degeen die, met haar arm op mij, dit zei.
De ene tel
Toen mijn vader bijkwam uit de coma volgend op gestorven zijn en weer pneumatisch teruggebeukt waarbij zijn borstbeen werd gekraakt, heeft hij mij tijdens een bezoekuur plotseling verteld dat daar, waar hij dus niet meer was, maar aangekomen was hij evenmin, dat daar een koor geklonken had.
Een koor, jawel. Gemengd. Onzichtbaar. Maar het zong.
Zelfs hij, die alle muziek bij naam en toenaam kende, wist niet wie zongen, noch de componist. Toch kende hij het stuk.
Het klonk, en hij begreep dat hij alleen maar op moest letten wachtend op de ene tel waarop hij in kon vallen.
Aller ogen, zei hij, waren nu op mij gericht, ik kende de muziek
en voelde hoe de ene tel mij naderde – de ene rust
waarin mijn inzet werd verwacht, en ja, deed ik het niet –
Hij keek me met opgetrokken schouders aan, verontschuldigend. Ik had niet ‘en?’ gezegd.
De apparaten van Intensive Care zoemden een tel rust. Toen zei hij glimlachend ik heb het niet gedaan.
Ach, goede moordenaar, niet hedenavond, nee, al gisteren ben jij in het koninkrijk gegaan, jij wachtende op de voorgoed jou naderende tel.
Mijn oma zwemt in de winterzee haar overvallers wilden dat niet geloven
ze had graag bij de maffia gewild want die zorgen tenminste goed voor hun familie
toen The Bold and the Beautiful er tijdelijk mee stopte dreigden mensen hun televisie uit het raam te gooien – de wereld is mooier in andermans kamers
mijn oma liet het hek zien waar mijn moeder ’s nachts overheen klom en thuiskwam met gaten in haar panty – ze wees ernaar of het de drinkplaats van een kudde was daarna haalde ze een schaar tevoorschijn
zwemmen is goed voor de weerstand zouden jullie ook eens moeten doen water verdraagt veel
Zure melk
Als de aarde is opgebrand hoelang duurt het dan voordat er opnieuw leven ontstaat bossen zijn teruggegroeid
eencelligen voeten krijgen rechtop leren staan beschutting zoeken
misschien is er voor een lange tijd alleen heel veel zwart doet iemand vanaf een andere planeet met zaklampen de sterren na
Finse meisjes zeggen zelden gedag maar ze zijn niet verlegen of arrogant. Je hebt alleen een beitel nodig om dichtbij te komen. Ze bestellen alleen bier voor zichzelf reizen de hele wereld af terwijl hun mannen thuis wachten.
Overwinteren doen ze op een bank onder de sneeuw. Als het lente wordt laten ze zich vollopen om de dikke laag beschaving van hun huid te krabben. Hangen rond in bushokjes en soms naakt in een meer.
In de nachtbus zetten ze hun tanden in de rubberen stoelleuning als ze niet in slaap gevallen zijn.
Ook de woorden vallen op de grond, als vogels die plotseling dol worden van hun eigen bewegingen, als voorwerpen die opeens hun evenwicht verliezen, als mensen die struikelen terwijl er geen obstakels zijn, als poppen vervreemd door hun stijfheid.
En in dat geval bouwen de woorden zelf een trap vanaf de grond om weer naar het betoog van de mens te klimmen, naar zijn gestamel of zijn laatste woorden.
Maar er blijven er een paar liggen. En soms vind je ze bijna verborgen achter hun schutkleur, alsof ze wisten dat iemand ze zou oppakken om een nieuwe taal met ze te maken, een taal die alleen uit gevallen woorden bestaat.
“Doe maar gewoon alsof ik er niet ben”, zei ik tegen het kind dat van de honger aan het sterven was en dat ik probeerde te fotograferen. Ik was zenuwachtig en wou dat ik een pil te slikken had die het beven van mijn handen zou stoppen. Ergens voelde ik dat dit mijn foto zou worden. Dé foto. Die foto die mijn grote doorbraak zou inluiden, waardoor ik mijn marktwaarde kon opdrijven, die het mij zou toestaan de grote baas van Reuters te vragen of hij mij eens terug kon bellen wanneer het mij beter paste. Een fotograaf voelt zoiets. De wereldberoemde Henri Cartier-Bresson voelde het toen hij dat jongetje met de twee wijnflessen in de Parijse rue Mouffetard vastlegde, Elliot Ervitt voelde het toen die neger voor het oog ronde camera zijn rong uitstak, Alfred Stieglitz voelde het toen dat mooie meisje met de nog mooiere vingers haar jas had dichtgeknoopt op het juiste moment, en Edward Steichen had honderden kiekjes van Greta Garbo geschoten maar had nog tijdens het scheepstellen van zijn lens gevoeld: dit wordt het enige, ware, schone, ultieme portret van de godin. Hetzelfde als wat ik voelde met het uitgehongerde kind in mijn vizier. Zalig. Op avonden die nergens voor deugen dan voor flauwekul hoor je weleens beweren dat fotografie veel, zo niet alles met geluk van doen heeft. En dan beginnen ze over de maker van de foto die iedereen kent: het naakte meisje, verbrand, rennend met de armen open. Christus met een kut. Als de fotograaf niet toevallig op de plaats van het napalmbombardement was geweest, zo redeneren ze, dan had hij nooit die foto kunnen schieten en dus heeft het te maken met geluk. Tja. U gaat toch niet mopperen dat ik het geluk had dat er voor mijn ogen een kind lag te creperen? Ik had dat geluk niet. Ik had dat talent. Zoals Robert Capa het talent had, de neus had, met zijn camera op de plaats te zijn waar een soldaat de hersenen uit de kop werden geschoten. Geluk, zeggen bergbeklimmers die een moordende steenlawine op drie centimeter van hun smikkel zagen voorbijrazen, geluk is op den duur een kwestie van bekwaamheid. ik weet dat ze daar gelijk in hebben. Dat stervende kind dat ik wou fotograferen, ik moet daar eerlijk in zijn, vormde een dramatisch en artistiek keerpunt in mijn leven. Het bekeerde mij tot de kleurenfotografie. Als student was ik opgeleid in de traditie van de zwartrotfotografie. Een kleurenfilmpje, dat werd omzeggens alleen gekocht voor vakantiekiekjes en huwelijksreportages.”
Supple and turbulent, a ring of men Shall chant in orgy on a summer morn Their boisterous devotion to the sun, Not as a god, but as a god might be, Naked among them, like a savage source. Their chant shall be a chant of paradise, Out of their blood, returning to the sky; And in their chant shall enter, voice by voice, The windy lake wherein their lord delights, The trees, like serafin, and echoing hills, That choir among themselves long afterward. They shall know well the heavenly fellowship Of men that perish and of summer morn. And whence they came and whither they shall go The dew upon their feet shall manifest.
VIII
She hears, upon that water without sound, A voice that cries, “The tomb in Palestine Is not the porch of spirits lingering. It is the grave of Jesus, where he lay.” We live in an old chaos of the sun, Or old dependency of day and night, Or island solitude, unsponsored, free, Of that wide water, inescapable. Deer walk upon our mountains, and the quail Whistle about us their spontaneous cries; Sweet berries ripen in the wilderness; And, in the isolation of the sky, At evening, casual flocks of pigeons make Ambiguous undulations as they sink, Downward to darkness, on extended wings.
Wallace Stevens(2 oktober – 1879 – 2 augustus 1955)
De Fransman, Patrice, wordt voorafgegaan door een reputatie voor het in kaart brengen en vastleggen van vulkanen Ik heb begrepen dat het niet zijn werk is, maar zijn passie. Terwijl ik de man ontmoet aan een Franse eettafel bij zijn zus, Cécile, geeft hij te kennen dat ook ravijnen hem en zijn camera in beweging brengen. Ik wijs op de steile hellingen die ravijnen en vulkanen gemeen hebben. Zijn zus wijst op een broer die altijd wankelt aan de rand van een afgrond. Een man op het randje.
Er wordt fruit aangeboden als dessert. Patrice begint de appel te schillen met zijn zakmes, en terwijl hij het vervolgens gebruikt om het vruchtvlees te snijden, roept het een vergeten flits van mijn vader op. Hij zat aan onze eettafel met zijn eigen zakmes en gaf me gul het beste stuk uit handen die gebarsten waren tot woeste ravijnen en ingesmeerd met vaseline. Pap, soms stond je op het punt om uit te barsten, maar ondanks elk brandend pak slaag dat je me gaf, heb ik er nooit aan getwijfeld dat je onvoorwaardelijk de rest van je leven zou opofferen om mij te redden.