Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
“One night I was in the dream jungle. It was not a dream, but a memory that jump up in my sleep to usurp it. And in the dream memory is a girl. See the girl. The girl who live in the old termite hill. Her brothers three, who live in a big hut, say that the hill look like the rotting heart of a giant turn upside down, but she don’t know what any of that mean. The girl, she is pressing her lips tight in the hill’s hollow belly, the walls a red mud and rough to the touch. No window unless you call a hole a window and, if so, then many windows, popping all over and making light cut across her body up, down, and crossway, making heat sneak in and stay, and making wind snake around the hollow. Termites long ago leave it, this hill. A place nobody would keep a dog, but look how this is where they keep her. Two legs getting longer but still two sticks, head getting bigger but chest still as flat as earth, she may be right at the age before her body set loose, but nobody bother to count her years. Yet they mark it every summer, mark it with rage and grief. They, her brothers. That is how they mark her birth, oh. At that time of year they feel malcontent come as a cloud upon them, for which she is to blame. So, she is pressing her lips together because that is a firm thing, her lips as tight as the knuckles she squeezing. Resolve set in her face to match her mind. There. Decided. She is going to flee, crawl out of this hole and run and never stop running. And if toe fall off, she will run on heel, and if heel fall off, she will run on knee, and if knee fall off, she will crawl. Like a baby going back to her mother, maybe. Her dead mother who don’t live long enough to name her. With the small light coming and going through the entry holes, she can count days. With the smell of cow shit, she can tell that one brother is tilling the ground to plant new crops, which can only mean that it is either Arb or Gidada, the ninth or tenth day of the Camsa moon. With one more look around, she see the large leaf on which they dump a slop of porridge last evening, one of only two times every quartermoon that they feed her. When they remember. Most of the time they just let her starve, and if they finally remember, late in the night, they say it’s too late anyway, let some spirit feed her in dreams.”
Marlon James (Kingston, 24 november 1970)
De Duits-Roemeense dichter Paul Celanwerd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celanop dit blog.
Zwarte vlokken
Sneeuw is gevallen, zonder licht. Een maan of twee, dat de herfst, onder een monnikspij, een boodschap bracht, ook mij, een blad van Oekraïense hellingen:
“Denk eraan dat het wintert ook hier, voor de duizendste keer nu in het land waar de breedste rivier stroomt: Jakobs hemelse bloed, gezegend door bijlen… O ijs van onaards rood – haar hetman waadt met zijn hele gevolg de verduisterende zonnen in… Kind, ah, een doek, om me erin te wikkelen, wanneer het glinstert van helmen, wanneer de kluit, de roze, barst, wanneer sneeuwachtig stuift het gebeente van je vader, onder de hoeven verbrijzelt het lied van de ceder… Een doek, slechts een smal doekje, dat ik bewaar nu, dat je leert huilen, aan mijn zijde de engte van de wereld die nooit groen wordt, mijn kind, voor jouw kind!”
Bloedde, moeder, de herfst mij weg, verbrandde de sneeuw me: zocht ik mijn hart om te wenen, vond ik het vleugje, ah, van de zomer, was het zoals jij. Liet ik een traan. Weefde ik het doekje.
König der Könige (Albert Knapp), Paul Celan, Gayl Jones
Bij Christus Koning
Christus Koning-beeld bij de ingang van de Sint-Bonifatiuskerk in Leeuwarden
König der Könige
König der Könige, sei uns im Staube willkommen! Nicht bei den Engeln erscheinest du, nicht bei den Frommen; Sünder sind´s nur, wo du auf niedriger Spur huldreich den Einzug genommen.
Heil uns, das Leben will arm und in Sanftmut erscheinen; Herrlichkeit will mit dem Elend sich liebend vereinen. Ehre sei dir! Anders, Herr, würden ja wir ewiglich nimmer die Deinen.
Seliger Anblick, wie mild auf den irdischen Auen läßt der Beherrscher der himmlischen Heere sich schauen! Seht, er empfiehlt liebevoll Gruß und Gebet aller, die kindlich ihm trauen.
Komm zu den Deinen, o Herr, die dich innig begehren! Feinde noch triffst du genug, die das Herz uns beschweren; aber dein Blick scheucht sie allmächtig zurück. Hilf uns, du König der Ehren.
Hebe dein Antlitz auf deine versöhnte Gemeinde, treibe hinweg die Verblendung, vernichte die Feinde, bis wir befreit, ganz dir zum Dienste bereit, unserm Erlöser und Freunde!
Pflanze die Palmen des Glaubens im Grunde der Seelen, wo mit den Blüten sich reisende Früchte vermählen; Frieden und Ruh, siegende Hoffnung dazu laß dem Gemüte nicht fehlen!
Komm, Hosianna! So tönt dir´s von Orten zu Orten. Komm, Hosianna! Begrüß uns mit gnädigen Worten! Dort nach dem Lauf tu uns in Herrlichkeit auf, Jesu, die himmlischen Pforten!
Albert Knapp (25 juli 1798 – 18 juni 1864) De Aegidiuskerk in Tübingen, de geboorteplaats van Albert Knapp
De Duits-Roemeense dichter Paul Celanwerd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celanop dit blog.
De helling
Naast mij leef jij, net als ik: als een steen in de ingevallen wang van de nacht.
O deze helling, geliefde, waarlangs wij doorlopend rollen, wij stenen, van bedding naar bedding. Keer op keer ronder. Gelijkvormiger. Vreemder.
O dit dronken oog dat hier rondwaart als wij en ons bij vlagen verwonderd als één ziet.
Vertaald door J.W. Niemeijer
Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Gayl Joneswerd geboren op 23 november 1949 in Lexington, Kentucky. Zie ook alle tags voor Gayl Jonesop dit blog.
Uit: The Unicorn Woman
“It was at a spring carnival in Central Kentucky, sometime after the Second World War, that I first saw her. Alone, but nevertheless in a holiday-making mood, I was strolling about eating a burger and drinking a coke when suddenly I spotted a large billboard advertising “The Unicorn Woman.” Like most of you, I had seen crocodile women, bearded ladies, and assorted other freaks or, I should say oddities, but I’d never seen a unicorn woman, genuine or not. Thus, I was curious, especially since there was no photograph or drawing on the billboard to give a clue, not even the most ambiguous one, nor did the name Unicorn Woman provide an easy giveaway, like say, for instance, the Bearded Lady: stick a beard on any woman you see, and that’s what you have. Usually it was quite obviously fake. Standing in front of the tent, I finished the burger, drank the Coke, and watched other men enter. Some entered straightaway, others waited nonchalantly at the edges of the crowd, still others glanced about furtively as if it mattered who saw them go in: Their preachers? Their wives? Their sweethearts? Any stranger? One man even looked thoughtful, as if he were meditating—contending only with himself about whether or not to enter. Most of the men wore ordinary workers’ or farmers’ clothes, but there was an occasional fancy young man or dandy. There were even a few obviously wealthy men who entered. After a while, I paid my dime and started to trot inside. “Your change, buddy. It’s just a nickel.” “Thanks.” “You’ll be glad you went in. She’s lovely.” I put the change in my pants pocket and entered. Of course, I had expected to find either a woman in a cage or a unicorn in one, even though I’d read somewhere that the unicorn was a mythical beast, which had only existed in the collective imagination. a fabled creature. A creature of fables, of legend. It appeared only in art and literature, some ancient myth that had origins in India or China. and then had inspired the imaginations of people everywhere.”
“Geen beter meetpunt voor de spectaculaire vooruitgang van de moderne techniek dan de schrijfmachine. Want iedereen weet: na de schrijfmachine kwam de computer. Op de een kon je, zij het behoorlijk moeizaam, schrijven; en niets anders. Voor de computer is schrijven kinderspel. Hij doet er van alles bij: bankbetalingen afhandelen, videospellen en films afspelen, een muziekbibliotheek en alle gezinsfoto’s opslaan en ordenen. Maar het echte mirakel is dat de computer via het internet onmiddellijke toegang geeft tot duizelingwekkende hoeveelheden informatie en miljarden mensen. Daar steekt de Olympia sg1 uit 1959 waarop ik dit schrijf lachwekkend bij af. Ze weegt een kilo of tien en kan ondanks al dat staal en die honderden hefbomen en stangen niets anders dan letters en cijfers op een rijtje zetten. Ja, je kunt de regelafstand veranderen en tabulatorstops instellen, maar een typefout verbeteren is al onmogelijk. Het ding werkt op spierkracht. Hoe hebben mensen daar ooit aan kunnen werken, vraagt een digitale inboorling zich verbijsterd af. Technisch gezien is de vergelijking met over de autosnelweg in een Porsche naar Parijs, of dezelfde reis op de rug van een pakezel over een zandweg, niet overdreven. De schrijfmachine is sinds de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw een verschrikkelijk overbodig apparaat. In 1988 verscheen er een boek waarvan de titel die triomfantelijke overwinning uitspreekt. The Mac is not a Typewriter, door Robin P. Williams. Het is een boek dat haarfijn uitlegt hoe je professioneel ogend drukwerk maakt met behulp van een tekstverwerkingsprogramma. Het gaat over het gebruik van leestekens, witregels, lettertypes, kolommen en voetnoten. In hetzelfde jaar, 1988, opende het Scryption zijn deuren. Het Tilburgse museum voor schrifttechnologie is onlangs hardvochtig wegbezuinigd, ondanks goede bezoekersaantallen en een Europese onderscheiding voor het erbij betrekken van de jeugd. Daar dus, drieëntwintig jaar geleden, hield Rudy Kousbroek een lezing ter gelegenheid van de feestelijke opening. Niet veel later stond die afgedrukt in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad.”
en hoor het van boven rinkelen, tien keer: Vader! Vader? – Staat hij achter het hek, achter het raam, achter het gordijn, het vergeelde, op zijn tenen? Kijkt naar buiten en door mij heen, door niets anders dan zichzelf, net zoals ik hem alleen door mezelf zie. Vergeeld: Ik zie het gordijn als een raam, een hek, een spiegel van de lucht. (Fata) Sigaret links de rechterhand pakt het gordijn, nu zwaait hij – Hé papa van de Batschka! – veegt me weg… Ja, heeft hij wel echt gezwaaid? Het doek valt… Weg! Weg! Misschien was hij dronken? Misschien komt hij zo meteen naar beneden? Dreigend Daarboven, verstrooien, verstrooid… Nee, naar beneden kan hij van daarboven niet komen zolang hij degene van daarboven nog blijft. Veel te hoog voor hem, voor mij, gezien vanaf hier vanaf het raam, vanaf het hek gezien: In elk geval! Vader maal tien. Van hier beneden ben ik een vreemde misschien voor hem als een dar die (Gogols Streetview) zijn schaamte gadeslaat.
De Amerikaanse dichter, essayist en docent Liam Rectorwerd geboren als Ronald Edward Rector op 21 november 1949 in Washington, D.C. Zie ook alle tags voor Liam Rectorop dit blog.
Mental Mommy
Home from school at six years old, first grade, And uncle there to tell me Mommy Gone, Mommy not be coming back any Time soon, Liam, Mommy had to go to Mental hospital. Nervous breakdown. Years later Mommy, when she gets out Of mental, often says, “If you’re A bad boy for me Liam you’re Going to send me back, back Into mental hospital, like you did First time.” At 13 I find out Mom had been doing years In a federal prison all that time, For stealing, so no mental hospital for Mommy. Breakdown ours alone. I was on my one.
Hans Reading, Hans Smoking
My mother, poised around behavior, would say You are sitting there reading and smoking, Hans, And this would describe for her, to her utter Satisfaction, what it is you are doing. Knowing you I guess you are stationed there In grief, reverie, worry- your car broken Down, the mechanic wanting money, and you without, For the moment, what it takes- and you thinking Of love lost as you read that impossible book Your father last gave you….I see you smoking And as an addict myself I know this is something You are barely doing…. The habit smokes itself And you, you are turning the page where the woman From New Orleans, like your woman, goes to Manhattan. I suppose my mother, in her mania, could never afford To think there was anything hovering around, anything Behind behavior. Unable to sit, to go into that sorrow Where what failed to happen presses against what did, She would get up, go out looking for ‘Something Different,’ do anything to keep moving, behaving… Going. But you, Hans, you are a sitter, and I know You will not be getting up until you have put this time Behind you. And so your friends pass by waiting, Wanting to know what you will come up with when you rise From your stationary chair, our Hans reading and smoking.
Merkwaardig genoeg is alles weer onopgemerkt voorbijgegaan: de dag zonder zorgen, ’s morgens met het scheermesje mijn tanden gepoetst. De trillende nekharen onmerkbaar verwijderd zonder pincet. De bewuste vingers. Ze zijn getrimd. De aandachtige knie kwam onopgemerkt dichterbij: De nacht zonder aandacht daarna met het gordijn de sporen uitgewist. In bewuste uren: Ze zijn weer verstreken onopgemerkt verstreken zonder iets noemenswaardigs.
As I walk in the streets of Kabul, behind the painted windows, there are broken hearts, broken women. If they don’t have any male family to accompany them, they die of hunger while begging for bread, the once teachers, doctors, professors are today nothing but walking hungry houses. Not even tasting the moon, they carry their bodies around, in the covered coffin veils. They are the stones in the back of the line … their voices not allowed to come out of their dried mouths. Butterflies flying by, have no color in Afghani women’s eyes for they can’t see nothing but blood shaded streets from behind the colored windows, and can’t smell no bakery’s bread for their sons bodies exposing, cover any other smell, and their ears can’t hear nothing for they hear only their hungry bellies crying their owners unheard voices with each sound of shooting and terror. Remedy for the bitter silenced Amnesty, the bloodshed of Afghani woman’s life on the-no-limitation-of-sentences-demanding help as the voices break away not coming out but pressing hard in the tragic endings of their lives.
“Woman, are you the brown March Violets?” “I saw an angel in the Miramar I carved and carved until I freed her out”. -Michele Angelo
My utopia brushed an unusual current turned into autobiographical circulation of devilish misplaced luck
as a woman today I have never had much fruit much happiness
My parents’ ambition not to see me sealing my body to the sad painted windows
Men with unknown identity without faces decide for my very existence
My voice a recorded statement I am a hopping sparrow ………. Maybe tomorrow behind the veil the flesh dies away all the pain the sorrow of being a woman in Afghanistan in the year zero, zero, zero
I tried I tried to pour burning oil on the crying cells on my body Inside only inside the burning oil were the poisoned houses of wishes!
A mushroom in the city-world-of universe From trying to pass the dying the head first and then dripping bread comes
Shifting from one age to another Lively playing with death
I die-to-die and live to live If I could only live a noble life.
Inderdaad, je begroting begint op leeftijd te komen. Bejaarden wordt aangeraden hun eigen dood af te betalen, hun huis op orde te brengen, alles vroegtijdig na te laten, zich misschien zelfs te laten verzorgen, voor het vergeten. Deze methode is populair in oude streken van Europa, zoals Zuid-Tirol of Vlaanderen. Hier zie je geen tijdloze waarden verdwijnen. Hier liggen ze nog steeds in staven, in bank- kluizen, achter onschuldige bakstenen gebunkerd. In Vlaanderen had ook ik een eenzame oudtante die mij , op een van de laatste dagen van haar bewustzijn (dementie), tot haar executeur-testamentair benoemde en wilde dat ik van haar spaargeld de komende tien jaar gedichten zou schrijven. Zij zag in mij de ongeboren Servische zoon, ik zag in haar de uitweg uit de familiesleur. Maar nauwelijks had ik de rekeningen, volmachten en alle benodigde subsidies in handen, of een man uit het verre Hongkong, die zichzelf haar neef noemde, schreef: “We need more control about checks & balances!“ De e-mail was ondertekend met „Vice Chairman of the Anglo Eastern Group Hongkong“. Zoals u zich kunt voorstellen: waar as ligt, zijn verre verwanten nooit ver weg. Ik heb me tot de Belgische staat gekeerd, die nu de volledige nalatenschap beheert. Van alle vorderingen jegens Bewindvoerder & Vrederechter werd afstand gedaan. Sindsdien wordt hier ook geheel officieel alle poëzie gratis geschreven.
De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairnswerd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.
Our Lost Angels
Ages ago, clouds brought them near and rain brought them to our lips; they swam in every vase, every cupped palm. We took them into ourselves and were refreshed. For those luckier generations, angels were the sweet, quickening substance in all light, all water, every morsel of food. Until the day the sun changed some, as it had, took them skyward, but thereafter the clouds failed to restore them. In time, streams gave up every spirit, and the sea, unreplenished, finally became the void we had feared it would become, the void we had imagined. And, as now, clouds brought only rain, and the emptied rain brought only the chill in which we must now be wrapped.
A Lot
A little loam and topsoil is a lot. —Heather McHugh
A vacant lot, maybe, but even such lit vacancy as interstate motels announce can look, well, pretty damned inviting after a long day’s drive, especially if the day has been oppressed by manic truckers, detours, endless road construction. And this poorly measured, semi- rectangle, projected and plotted with the familiar little flags upon a spread of neglected terra firma also offers brief apprehension, which—let’s face it, whether pleasing or encumbered by anxiety—dwells luxuriously in potential. Me? Well, I like a little space between shopping malls, and while this one may never come to be much of a garden, once we rip the old tires from the brambles and bag the trash, we might just glimpse the lot we meant, the lot we hoped to find.
Homeland of the Foreign Tongue
Each morning we begin again. My wife wakes me with a shove, and condescends to try her sorry Deutsch with me; she’s chewing mud. God, she’s dumb. I tell her so, but mostly in a dialect she never understands. Carefully now, she mouths her thanks and takes me
by the hand to the dampness of the trough, where she leaves me throwing water on my face. I wash those parts I want to wash, begin my bump along the wall to the sour kitchen, where coffee waits and something tasteless chills against the plate. Grace is blind, and probably
deaf as well, happens only where angels let it—nowhere you’ll ever find in time. I’ve never seen the woman’s face, though once, too far from here to count for much, I wished I could. But it’s morning come again, and she, as is her habit, begins to sing above the soup.
Somewhere, some angel pities me, as God must once have pitied her: Her voice forgets its tenement, and I neglect the words.
Idiote Psalmen
4
Isaaks boetepsalm, zonder begeleiding.
Opnieuw, en ja, opnieuw, o Onophoudelijke Verdraagzame van onze troosteloze terugkomsten o Eeuwig Verzakende Verlatene (zonder conclusie), o Onuitputtelijke, vind ik mijn gezicht tegen de grond, en opnieuw ontsnapt mijn smeekbede aan onreine lippen, en aan een hart dat is aangekoekt en vernauwd door zijn eigen bezoedelde resten. U bent voor eeuwig, en voor eeuwig gezegend, en ik verlang ernaar op een dag mijn knoop te ontwarren en de zaken te veranderen, om minstens één laatste seizoen zondeloos te doorstaan, om nog één keer zonder hartzeer voor u te buigen.