Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
08-05-2018
Gerrit Kamphuis
De Nederlandse dichter en essayist Gerrit Kamphuis werd geboren in Zwolle op 8 mei 1906. Kamphuis stamde uit een gereformeerd gezin. Hij studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en werd vervolgens leraar. Later werd hij hoofd van de afdeling kunstzaken van de gemeente Den Haag. Kamphuis debuteerde met de poëziebundel “Het duistere licht” (1930). In zijn vroege gedichten lijkt hij te zijn beïnvloed door de poëzie van Martinus Nijhoff. Later zou hij samen met Gerrit Borgers het Verzameld werk van Nijhoff bezorgen. In 1963 publiceerde hij een studie over het werk van Nijhoff. Kamphuis behoorde rond 1930 tot de groep Jong Protestantse dichters van het tijdschrift Opwaartsche Wegen, waarvan hij ook redacteur was. In die kringen leerde hij ook de dichter Gerrit Achterberg kennen met wie hij veel correspondeerde. Samen met R.L.K. Fokkema werden die brieven door hem in 1987 uitgegeven. Kamphuis schreef ook veel kritieken, essays en monografieën, onder meer over J.K. van Eerbeek, Aernout Drost en over Willem de Mérode (1973). Tijdens WO II was hij een van de eerste verzetsdichters en medesamensteller van het Nieuw Geuzenliedboek (1941). In 1945 verscheen zijn “Lied bij de bevrijding van Nederland”. Na WO II brak Kamphuis met het protestantisme, maar bleef hij trouw aan de groep waarmee hij eerder verbonden was. Samen met Jan Wit en Ad den Besten droeg hij met psalmberijmingen bij aan het Liedboek voor de Kerken (1971). Bij het vijfentwintigjarig jubileum van het Letterkundig Museum en zijn afscheid van het bestuur van dit museum, werd hem door Kees Fens het Officierschap in de Orde van Oranje Nassau uitgereikt.
Het late najaar
Het late najaar vaart door hooge boomen En bleeke blaadren huivren hulploos heen. Winter is zwart en kil om ons gekomen, Ik ben nu zeer alleen.
Peinzend staar 'k op naar grauwe wolkenstoeten En denk wat henenging: aan haar en mij - En doode blaadren dwerrlen voor mijn voeten, Het is nu àl voorbij.
Het grauwe weer jaagt voort langs aardewegen En over mijn hart en heen langs haar woon. Tegen dit eenzaam huis siddert de regen En 'k denk een late droom.
Rembrandt is oud
De avond wordt grijs achter kleine ruiten. zijn handen houden doelloos het burijn. als blaad'ren langs de gracht vallen zijn gedachten bij 't vermoeid de oogen sluiten.
o laat alleenzijn, als uit donk're hoeken 't verleden grijs ontwaakt als uit een graf - hij lacht en vreest, zijn handen weren af, wat hem uit jaren leed en lust komt zoeken.
hoe wordt in hem dan 't vuur van vroege droomen, als schemergoud en gloed van ouden wijn wakker tot dieper drift? zie, zie hoe zijn visioenen branden in een vlamstil stroomen.
maar later, als hij moe zich schikt tot slapen, komt uit de schemer stille Jezus met Zijn grondelooze blik; en aan zijn bed begint Hij zacht als met een kind te praten.
Gerrit Kamphuis (8 mei 1906 - 25 april 1998) Midden jaren 1920
“Trouwens, ginder ver is geen plaats voor kerels met een schorre stem, die weten hoe 't in 't leven gaat. Ook dáár voelt zoo een zich tenslotte verlaten. Ook dáár is hij eindelijk nog slechts een vieze vlek in een onbezoedeld landschap, een hoopje vuil in de feestzaal. En zal ik niet geruster bij den haard stinken dan in dat paradijs? Ik heb dus mijn taak als razend aangepakt, mijn ridderorde weer opgestoken en mijn zaken gedreven als een die nooit dat land heeft bereisd. Ik schreef mijn rekeningen met vaste hand, groette al wie mij groette, had een minzaam woord voor vriend en vijand en liet mijn schuldenaars afmaken door een deurwaarder, zooals het hoort. Tot ik op een heilloozen dag dat mormel van een kleinzoon in huis gewaar werd, die met zijn gekraai en zijn bloote billen aan ons rotten een eind heeft gemaakt. Toen heb ik mezelf betrapt bij 't sluipen naar den zolder waar ik mijn stok heb opgezocht in stof en spinrag. En nu zullen mijn klanten wachten en niets zien komen. Die nog niet betaald hebben kunnen stikken in mijn geld. Ik heb eerst met de keel een toonladder geschraapt en dan met zijn kraaien ingestemd. En mijn beenen jeuken. Kom, jongen, vooruit is de weg. Mogen vrouw en kinderen mij vergeven dat ik hen een laatste maal verloochen voor die vermaledijde heerlijkheid waar een gouden vogel jubelt, véél hooger dan de leeuwerik. Ik herinner mij niet precies meer hoe en wanneer de vreemdeling in huis gekomen is, maar hij loopt hier nu voortdurend rond. Zeker heb ik zijn aanwezigheid in 't begin niet opgemerkt en zat hij boven als ik beneden was. Nu echter ontmoet ik hem op de trap, bots in de gang tegen hem aan en zit tegenover hem aan tafel, want hij eet nu ook mee. Mijn oudste dochter, die hem in huis heeft gehaald, zit naast hem. Zij zijn beiden op de Handelsschool en ik geloof dat hij in 't begin kwam om met haar te blokken. Hij was zwak in de Fransche taal en zij in Staathuishoudkunde en zij zouden trachten elkander te helpen. Ik heb toen tenminste zoo iets gehoord. Mijn gesprekken met hem loopen steeds over 't zelfde: het studeeren aan de Handelsschool en de Europeesche politiek, vooral in en rond Polen. Ik zou goed doen daar wat meer over te lezen want ik val nog al eens stil en kan dan soms, met den besten wil, niet opnieuw demarreeren. Maar tusschen ons in, als een dreigend vraagteeken, staat die dochter. Over haar wordt niet gerept, maar alleen aan haar denken wij beiden. En als ik hem zijn meening vraag over den Poolschen corridor dwars door Duitschland, dan verwacht ik dat hij eindelijk zeggen zal ‘ja, ik bemin Adele en verlang met haar te trouwen."
Uit:De drie bruiloften van Manolita (Vertaald door Mia Buursma en Rikkie Degenaar)
“In goede tijden trouwen meisjes uit liefde. In slechte tijden doen ze dat vaak om er beter van te worden. Ikzelf trouwde in de allerslechtste tijd met een gevangene vanwege twee stencilmachines die niemand aan de praat kon krijgen. Ik was achttien, en totdat mijn broer het in zijn hoofd kreeg mijn leven moeilijk te maken, wist ik niet eens dat er apparaten met die naam bestonden. ‘Hé, zeg, ben je wel goed bij je hoofd?’ onderbrak ik hem luidkeels. ‘Toe maar, alsof ik nog niet genoeg...’Problemen heb, wilde ik gaan zeggen, maar Toñito sprong op en greep met zijn ene hand mijn hoofd vast terwijl hij met de andere mijn mond dichtklemde. ‘Schreeuw niet zo hard,’ siste hij fel, alsof hij elke lettergreep tussen zijn kiezen wilde vermalen. ‘Weet je wel hoeveel agenten er hier beneden kunnen zitten?’ Ik knikte met gesloten ogen, en heel langzaam liet hij me weer los. ‘Jíj bent niet goed bij je hoofd, Manolita.’ ‘Señor farolero que enciende el gas, dígame usted olé por caridad, por caridad...’ De stem van Jacinta, een scherp, enigszins vals gepiep dat vooral was bedoeld om de danseressen van het gezelschap de gelegenheid te geven met één hand de stroken van hun rok bijeen te nemen en hun benen te laten zien en intussen met hun hakken te tikken alsof ze een rekening hadden te vereffenen met de planken vloer, was voor ons net zo duidelijk hoorbaar als wanneer we gasten waren geweest van de commissaris van politie, die altijd een gereserveerde tafel had vlak bij het voetlicht, pal onder de kleedkamer waar de meisjes mijn broer verborgen hielden.”
„Wir fuhren die Straße hinab und das Küstenstädtchen kam langsam näher. In der Ferne konnte ich ein paar Kutter und Boote ausmachen; nördlich von Seals Head ragte eine bewaldete, zerklüftete Halbinsel tief in das blaue Grau der Penob scot Bay hinein. »Das ist der Point.« Ich schenkte Ben ein fröhliches Lächeln. Kaum zu glauben, ich war wirklich angekommen. »Der erste Eindruck«, meinte er, »ist meistens derjenige, der bleibt.« Ja, dachte ich. »Damit kann ich leben.« Die Stadt war wie ein Gemälde, eine Fülle von Eindrücken, die wie die wilde Brandung über mich hinwegspülten. Ein Geflecht aus Straßen an einer Meerenge, weiß gestrichene Holzhäuser, ein Hafen mit einer kleinen Werft, hier und da Stege, die ins Meer ragten. Es gab schnörkelreiche Bauten aus festem Stein aus der Zeit von Königin Victoria, Pfefferkuchenhäuser, so nannte man sie hier, erinnerte ich mich. Drüben, auf dem Point, ein Leuchtturm. Hübsch gestaltete Schilder wiesen den Weg zu Gaststätten, die Namen trugen wie Old Port Tavern, The Harborage Inn, Mama & Leenie’s und Seaman’s Home. Am Ortseingang mit dem Schild Einwohner: 7.297 empfing uns eine riesige hölzerne Indianer-Statue, die mit fest verschränkten Armen, einem feierlichen Federkopfschmuck und einem strengen, grimmigen Gesichtsausdruck auf die Verkehrsschilder und Geschwindigkeitsbegrenzungen hinabblickte. Manche Häuser waren geschmückt mit Hummerbojen und Fangkörben, in den Vorgärten standen kleine Leuchttürme oder Kutter aus Holz, in denen Blumen wuchsen. Es gab ein paar Lobster-Pot-Buden, die meisten davon geschlossen, und auf einer Anhöhe, drüben am Waldrand, eine kleine Kirche mit einem wirklich sehr spitzen Turm.“
“Op de late middag. Voetstappen vanaf het achter-erf. Even later: ‘Kokokokoko...!’ ‘Ja? W'is daar?... Jonge ga fo me kijke!’ Koba stuurde die jongste zoon van d'r naar die gaanderij. En eventjes daarna: ‘Tan! Ik wist nie dat 't Tant' Lien was... Kom door dan!’ Hoor Tante Lien: ‘Ija baja! Is ik kom je storen. Me nek doet me pijn dezer dagen. Ma' toch zing ik een beetje me verdriet uit.’ Plotseling zo zei die kleine jongen: ‘Is geen nek! Is keel moet Ouma-Tant'-Lien zeggen!’ ‘Mars gwe te bigisma e taki tori! Donder op jonge...!, voor ik je baks...! Zo! En Koba van me, hoe gaat 't met je, goedoelobi?’ Voordat Koba kon antwoorden, zei Tant' Lien rondkijkend: ‘Hoe lijkt 't of je huis is veranderd?’ Koba: ‘Ija! Me man is gelukkig meer gaan verdiene...’ Lina zweeg, trok een stoel naar zich toe en ging zitten. Ondertussen nam ze de hele inboedel op met zeer begerige blikken. ‘Ja Koba. Matrieel gaat 't goed met je! En hoe is 't met je kinderen dan?’ ‘Johnnie en Armand gaan dit jaar van school. Ik weet nie wat ik met ze ga doen. Die Technische School heeft geen plaats meer fo ze en Mulo ook niet. En buitendien, ze willen ook nie zo goed meer hun schoolles leren. Hoofdbrekens tot en met! Tante weet zelf dat er is geen werk fo ze.’ Tante Lien was bij het raam gaan zitten. Ze luisterde met een half oor. Plotseling zo, begon ze met een heel andere tori. ‘Tan! Wachte hoor! Dat meisje die daar loopt... ik ken z'n moeder! Een tante fan d'r zong lobisingi. D'r oom sleept z'n voet en d'r moeder verkocht knepa's aan de Gravenstraat onder balkon. Een zuster van d'r - mooie meid zo - werkt bij Bata. En als ik me goed heug, zit d'r man op dit moment in die wèri wèri gevangenis van Santo Boma. Laast zag ik d'r nog met andere manne die donkere bakabini's opzoeken!”
Edgar Cairo (7 mei 1948 – 16 november 2000) In 1982
„10. 1. 77 zu troike, plakatentwurf f“r GUEVARA. kein poster: eine graue schemenhafte gestalt auf dem stuhl sitzend, die viele gesichter tragen kann, ein modellfall. die haltung ist konzentrierte ruhe. abends mit weigel zu berg in die bergstraße. viel rotwein, wenig rationalität. berg macht eine IPHIGENIE, der schluß noch idealischer als goethe. nicht thoas, das volk entsagt den barbarischen riten.
13. 1. 77 niemann, ortsverein sondershausen der goethe-gesellschaft, wünscht ≫ein wort der aufklärung≪, warum mein vortrag vom schuldirektor untersagt worden sei. das wort lautet: strafe – und was habe ich von den schulmeistern in sondersund andershausen sonst zu erwarten? (es gibt mehr solche geschichten; ich will nicht sagen niemand, nur niemand sagt es mir.) poststempel 30. 12. 76, zwei wochen muß man der verantwortungsbewußten deutschen post zugestehn. Mit einem stempel ist es doch nicht getan. höpcke der hauptverwalter läßt das gespräch über GUEVARA zum drittenmal verschieben. verträge sind kraftlose wische. wozu überhaupt diese plaudereien? um verständnis zu erarbeiten, daß er machtlos ist, und vergessen zu machen, daß schließlich er ein amt hat. die lizenzersuchen für die UNVOLLENDETE GESCHICHTE liegen bei ihm wie stinkende fische. da er den hallenser vertrag annulliert hat, muß die geschichte ganz aus der welt. so erwecken wir den richtigen eindruck, die autoren kcnnten hier nicht über ihre arbeit verfügen“.
III. Then I, as was meet, Knelt down to the God of my fathers, and rose on my feet, And ran o'er the sand burnt to powder. The tent was unlooped; I pulled up the spear that obstructed, and under I stooped Hands and knees on the slippery grass-patch, all withered and gone, That extends to the second enclosure, I groped my way on Till I felt where the foldskirts fly open. Then once more I prayed, And opened the foldskirts and entered, and was not afraid But spoke, ``Here is David, thy servant!'' And no voice replied. At the first I saw nought but the blackness but soon I descried A something more black than the blackness---the vast, the upright Main prop which sustains the pavilion: and slow into sight Grew a figure against it, gigantic and blackest of all. Then a sunbeam, that burst thro' the tent-roof, showed Saul.
IV. He stood as erect as that tent-prop, both arms stretched out wide On the great cross-support in the centre, that goes to each side; He relaxed not a muscle, but hung there as, caught in his pangs And waiting his change, the king-serpent all heavily hangs, Far away from his kind, in the pine, till deliverance come With the spring-time,---so agonized Saul, drear and stark, blind and dumb.
Robert Browning (7 mei 1812 – 12 december 1889) Cover
De Australische schrijver Peter Careywerd geboren in Bacchus Marsh, Victoria, op 7 februari 1943. Zie ook Zie ook alle tags voor Peter Careyop dit blog.
Uit:A Long Way from Home
“For a girl to defeat one father is a challenge, but there were two standing between me and what I wanted, which was—not to fiddle-faddle—a lovely little fellow named Titch Bobs. The first father was my own. When he discovered that I, his teeny Irene, his little mouse, his petite sized mademoiselle, had, all by herself, proposed matrimony to a man of five foot three, he spat his Wheaties in his plate. Titch’s father was number two. He came out of the gate at a gallop, one hundred percent in favour. I was a beauty, a bobby-dazzler until, in the hallway by the coat stand, he gave me cause to slap his face. My sister was older and more “experienced.” She could not see why I would want so small a husband. Did I plan to breed a team of mice? Ha bloody ha. Beverly was five foot two and a half, and always breaking off engagements to lanky Lurch or gigantic Dino, or the famous football player whose name I am not ignorant enough to mention. I would have been afraid to shake his hand, forget the other business. Beverly made her bed and got what you might expect i.e. thirty- hour labours and heads as big as pumpkins. My own children were as tiny and perfect as their daddy, ideal in their proportions, in the lovely co-ordination of their limbs, in the pink appley cheeks they inherited from Titch, the smile they got from me. My sister could not abide my happiness. She would spend years looking for evidence that it was “fake.” When the first husband ran away to New Zealand she wrote me a spiteful letter saying I was more interested in my husband than in my kiddies.“
Have Gentlemen perhaps forgotten this?- We write the histories.
Do Gentlemen who snigger at the poets, Who speak the word professor with guffaws- Do Gentlemen expect their fame to flourish When we, not they, distribute the applause?
Or do they trust their hope of long remembrance To those they name with such respectful care- To those who write the tittle in the papers, To those who tell the tattle on the air?
Do Gentlemen expect the generation That counts the losers out when tolls the bell To take some gossip-caster's estimation, Some junior voice of fame with fish to sell?
Do Gentlement believe time's hard-boiled jury, Judging the sober truth, will trust again The words some copperhead who owned a paper Ordered one Friday from the hired men?
Have Gentlemen forgotten Mr. Linoln?
A poet wrote that story, not a newspaper, Not the New Yorker of the nameless name Who spat with hatred like some others later And left, as they, in his hate his shame.
History's not written in the kind of ink The richest man of most ambitious mind Who hates a president enough to print A daily paper can afford or find.
Gentlemen have power now and know it, But even the great and most famous kings Feared and with reason to offend the poets Who songs are marble and who marble sings.
Uit:The Hungry Stones (Vertaald door Charles Freer Andrews)
“My kinsman and myself were returning to Calcutta from our Puja trip when we met the man in a train. From his dress and bearing we took him at first for an up-country Mahomedan, but we were puzzled as we heard him talk. He discoursed upon all subjects so confidently that you might think the Disposer of All Things consulted him at all times in all that He did. Hitherto we had been perfectly happy, as we did not know that secret and unheard-of forces were at work, that the Russians had advanced close to us, that the English had deep and secret policies, that confusion among the native chiefs had come to a head. But our newly-acquired friend said with a sly smile: "There happen more things in heaven and earth, Horatio, than are reported in your newspapers." As we had never stirred out of our homes before, the demeanour of the man struck us dumb with wonder. Be the topic ever so trivial, he would quote science, or comment on the Vedas, or repeat quatrains from some Persian poet; and as we had no pretence to a knowledge of science or the Vedas or Persian, our admiration for him went on increasing, and my kinsman, a theosophist, was firmly convinced that our fellow-passenger must have been supernaturally inspired by some strange "magnetism" or "occult power," by an "astral body" or something of that kind. He listened to the tritest saying that fell from the lips of our extraordinary companion witwas a little pleased with it. When the train reached the junction, we assembled in the waiting room for the connection. It was then 10 P.M., and as the train, we heard, was likely to be very late, owing to something wrong in the lines, I spread my bed on the table and was about to lie down for a comfortable doze, when the extraordinary person deliberately set about spinning the following yarn. Of course, I could get no sleep that night. When, owing to a disagreement about some questions of administrative policy, I threw up my post at Junagarh, and entered the service of the Nizam of Hydria, they appointed me at once, as a strong young man, collector of cotton duties at Barich. Barich is a lovely place. The Susta "chatters over stony ways and babbles on the pebbles," tripping, like a skilful dancing girl, in through the woods below the lonely hills. A flight of 150 steps rises from the river, and above that flight, on the river's brim and at the foot of the hills, there stands a solitary marble palace. Around it there is no habitation of man—the village and the cotton mart of Barich being far off.”h devotional rapture, and secretly took down notes of his conversation. I fancy that the extraordinary man saw this, and
Rabindranath Tagore (7 mei 1861 – 7 augustus 1941) Borstbeeld bij het Tagore House in Kolkata
Tags:Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey, Archibald MacLeish, Rabindranath Tagore, Romenu
De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein is op 64-jarige leeftijd overleden. Ze leed al enige tijd aan slokdarmkanker. Dorrestein overleed vrijdagavond in haar woning in Aerdenhout in het bijzijn van haar dierbaren, zo maakte haar uitgeverij Podium bekend. Renate Dorresteinwerd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Zie ook alle tags voor Renate Dorresteinop dit blog.
Uit: Is er hoop
“Igor is toegelaten op de sociale werkplaats. Zijn oma leest en herleest de brief waar het zwart op wit in staat, en dan leest ze hem voor alle zekerheid nog een keer. Het ongeloof staat op haar gezicht geschreven. Iets voetstoots aannemen is niks voor haar, maar de boodschap is glashelder, onomwonden en voor maar één uitleg vatbaar: Igor is toegelaten op de sociale werkplaats. Ze gooit haar armen in de lucht en rent juichend door hun flat. `Ik zei het toch,' zegt hij. Buiten adem strijkt ze de gekreukelde brief glad. Ze zegt dat ze hem gaat inlijsten en boven haar bed ophangen. Dan weet ze iedere ochtend zodra ze wakker wordt, tenminste zeker dat ze het niet heeft gedroomd. Bewaart hij zelf gewoon de envelop. Daar staat zijn naam óók op. Volgens de brief zijn ze welkom om op de werkplaats te komen kennismaken, als ze daar zin in hebben. Reken maar, tettert zijn oma. Ze zal direct een afspraak maken en een halve dag vrij nemen. 'Ben je niet blij?' vraagt ze. Dat is hij altijd al. Er bestaan wel honderd verschillende ziekten en hij heeft ze geen van alle. Sommige mensen zijn kaal, maar hij niet. En stel dat er een aardbeving komt en het licht uitvalt, dan heeft hij altijd nog zijn zaklantaarn. Die heeft hij voor zijn verjaardag gekregen. Er zit een knoeperd van een batterij in. Om te testen of een batterij nog goed is, moet je eraan likken. Lang niet iedereen weet dat. Je hebt er een iq van minstens zestig voor nodig. Hij gniffelt even in zichzelf. Zestig! Stel dat je zestig batterijen moest vasthouden: daar zouden de meeste mensen niet eens genoeg handen voor hebben. Sukkels. Met haar pols wist zijn oma het zweet van haar voorhoofd. Ze ploft naast hem neer op de bank en legt haar voeten op het tafeltje waaronder het snoer van de televisie met leukoplast is vastgeplakt. 'Rustig doorgaan met ademhalen,' zegt ze, 'anders blijven we erin, Igor.' Diep ademen, want een zucht geeft lucht. En hoe harder je zucht, des te sneller gaat de tijd. Dat beweert ze altijd, en het klopt nog ook. Na flink wat zuchten zitten ze samen al in de metro, op weg naar de werkplaats. Zij heeft haar haar heel anders dan normaal, het lijkt wel een taart. Ze blijft maar naar het zijne loeren, met samengeknepen ogen, alsof ze van plan is het met spuug achter zijn oren te plakken. Hij moet haar scherp in de gaten houden, wil hij zo meteen niet voor paal komen te staan. We zijn op weg naar je toekomst,' zegt ze terwijl ze uitstappen.”
Beloved, let us love one another,' says St. John (Christina Rossetti)
Bij de vijfde zondag na Pasen
Ikoon van Jezus met St. Johannes de Geliefde Discipel door Ann Chapin, 2012
Beloved, let us love one another,' says St. John
'Beloved, let us love one another,' says St. John, Eagle of eagles calling from above: Words of strong nourishment for life to feed upon, 'Beloved, let us love.'
Voice of an eagle, yea, Voice of the Dove: If we may love, winter is past and gone; Publish we, praise we, for lo it is enough.
More sunny than sunshine that ever yet shone, Sweetener of the bitter, smoother of the rough, Highest lesson of all lessons for all to con, 'Beloved, let us love.'
Christina Rossetti (5 december 1830 - 27 december 1894) St John's Church, Waterloo, Londen, de geboorte plaats van Christina Rossetti
XIII O, dat ik haten moet en niet vergeten! O, dat ik minnen moet en niet vergaan! Ach! Liefde-in-Haat moet ik mijzelven heeten, Want geen kan de andere in mijn hart verslaan.
In droef begeeren heb ik neêrgezeten, In dreigend gillen ben 'k weêr opgestaan. Wee! dat ik nooit dát bitt're brok kon eten, Van stil te zijn en héél ver weg te gaan.
Eén hoop slechts, één, één enkel zoet vermeenen, Eén weten, maar ik kán het niet gelooven.....
Ach, dit: dat rusten onder groene steenen Een eeuwig rusten is, in één verdooven,
En dat de dooden niet in donker weenen Om 't zoete leven met hun lief daarboven.
XIV Want Ik, die Ik ben, haat u om uw slechtheid, Maar houd u dierbaar om mijn eigen pracht: Gij zijt de toets-steen van mijn eigene echtheid, De steen waarop ik trap, om mijne kracht
Te laten zien aan 't volk, èn mijn oprechtheid, Waarmede ik alles, wat ik voelde en dacht, Verloochende om de Waarheid en Gerechtheid, Die niet gedoogt, dat één mensch de' and'ren slacht.
Gij deert mij niet, want wat gij deedt is zonde, Gij weet mij niet, want hooger is mijn Ziel...
Gij zijt het Beest dier oude, schrikb're Oorkonde Uit Gods Boek-zelf, dat van den Hemel viel...
En alle Goeden hebben eene wonde, Nu-dat Mijn Licht op úw gestalte viel.
XV Gij zijt niet slecht geweest: gij waart slechts zwak, Om niet in Mij te g'looven, die u liefde. Gij waart een kind, dat àl zijn speelgoed brak, Wanneer het langer niet zijn speelgoed b'liefde.
O, kind... Ik wàs geen kind! Ik ben 't, die kliefde Dit mijn schoon hoofd, zoo sterk eens, tháns zoo wrak, Omdat Ik niet met mijne groote Liefde Alleen wil zijn, bij al dat volk, zoo mak.
Gij woudt mijn dood, en ik, ik wilde uw leven: 't Is goed; ik ben gevallen in mijn pracht... Maar om Mijzelven, nimmermeer door U.
Thans is het úwe beurt van kracht. Welnu: Tracht éven sterk, als ik nu stérf, te léven In de eenzaamheid van 't leven, dat u wacht.
Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938) Lodewijk van Deyssel (l.) en Willem Kloos feliciteren elkaar met hun eredoctoraat in de letteren en wijsbegeerte, 1935.
schreef ik mijn gedichten maar niet zo traag ik zou vertellen hoe een man zegt: er hangt een rare mevrouw aan mijn kont ik noem geen namen - ik zou vertellen hoe de rare vrouw de man in de nek bijt zich knauwend in hem een weg baant hoe hij de rare in gezelschap vraagt zoek je ruzie? en zo haar mond weer lokt
ik zou op tijd vertellen hoe warm onze ogen stemmen - hoe graag de nek de mond ik zou op tijd vertellen hoeveel liefde in het knauwen - hoe fijn door jou gelokt ik zou je op tijd vertellen dat ik ruzie zoek en het echt meen
maar ik schrijf mijn gedichten traag en vertel iets anders dan ik je zou vertellen
Uit zicht
er rent een man in de tuin hij vangt kinderen maar haar niet
er rent een man op haar feest een man die wel vaker rent
dit maal vlucht niet zij vluchten speelkameraadjes door het dolle heen
het is feest dit maal vlucht zij niet weg van het feest
Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)
De Nederlandse dichteres en schrijfster Sasja Janssen werd geboren op 6 mei 1968 in Venlo. Zie ook alle tags voor Sasja Janssen op dit blog. Zie ook alle tags voor Sasja Janssenop dit blog.
Ballade van de alfahulp 1
Ik trek de gordijnen dicht als een lijkzak, de tengere sigarettenhulzen van het bed, snijbloemgroen de deken die makkelijk vuurt, het moet meteen.
Het moet, de traagheid, mijn kinderhand tussen haar benen en ik lach met haar mee, want voor mij is het erger. Ik ben ingehuurd, niet ik ga over twee dagen dood.
In de middag pakt ze me terug wanneer de hulzen uit me blijven vloeien en ik de man doe van wie de dochters uit de oceaan komen omdat hij crepeert.
Weer dat gelamenteer om hun moeder die het bed met anderen houdt, de zusjes getrouwd met vreemdelingen, ik schuil in de hal met de stofzuiger.
En de donkere huilt op het hete balkon, terwijl de lichte de deur opent voor de keisnijder, die mij het eerst bevrijdt.
Ballade van de alfahulp 3
Een met wanen ver in West, een schooljuffrouw op hoge poten in de Clauskindereweg, maak met haar niet die grap een stewardess aan de Sloterplas met twee jongen nog een haperend hoofd, een toetje als je het ons vraagt.
In de eerste keuken van die dag schuur ik het gele vet van de tegels, wat geheid het hele zomerrantsoen van twee uur kost, maar de vrouw stoot me steeds aan zodat ik tussen haar lamellen gluur, ik zie mijn fiets alleen staan.
Binnen schemeren de rode lachjes op elke stoel en vensterbank, sommige poppen ongekleed, hun romp van stro een distel in een porseleinen babyhoofd, geen enkele hulp wil vast bij haar, wij hopen op jou.
Ik schrobde tot honderd wanneer ze in een achterkamer verdwijnt en zie hoe ze op een los laken wijdbeens slaapt met links en rechts een poppenlijk en al op de fiets krijg ik berouw dat ze waken moet zonder mij en wil ik mijn toetje kwijt.
Sasja Janssen (Venlo, 6 mei 1968)
De Chileens-Amerikaanse toneelschrijver, essayist, dichter, novellist, cartoonist Ariel Dorfmanwerd op 6 mei 1942 in Buenos Aires geboren. Zie ook alle tags voor Ariel Dorfmanop dit blog.
Uit:Feeding on Dreams: Confessions of an Unrepentant Exile
“And then had come the arrest of General Pinochet in London in 1998, and his year and a half of captivity, and all of a sudden my public persona was more valuable than ever, on the BBC and Charlie Rose and Chilean TV. You see, I said to my wife, ya ves, if I were an American citizen, how could I possibly write publicly to Pinochet and tell him that this was the best thing that could have happened to him, that he has been afforded an implausible chance to repent. It is only feasible to write words like those as a Chilean, that’s why I could write to an unknown Iraqi dissident in the Washington Post and say that I understood why he wanted to be rid of the tyrant Saddam but not at the price of an intervention from abroad, explain that I would have rejected such a solution for my Chile in the days of our dictatorship, even if it had meant that friends were to die. I felt that my role as a public intellectual depended on keeping my distance from any official association with a United States misruled by George W. Bush, that Chile was more relevant than ever, the glass darkly through which I saw torture and the erosion of civil rights and ‘extraordinary rendition’, again the outrageous familiarity. I had grown accustomed to the idea that the United States, with all its blemishes and shortcomings, was a haven against persecution, at least for someone like me, and now it was threatening to turn into a police state, foreigners were being rounded up, permanent residency was no guarantee against abuses and Guantánamo, my Lord, and Dick Cheney, no longer a congressman receiving my copy of Widows in 1983, was churning out real widows all across the oil homelands of the planet twenty years later. Angélica would hand me clippings, as if I couldn’t read, as if I didn’t know: Listen to this provision of the Patriot Act, no, Ariel, I want you to listen. And also: You want to be effective? Then break out of the snug cocoon, say we when you speak to Americans, include yourself in that we. And she was worrying, my wife, Escúchame, Ariel, if they expel you, I’m not leaving, this time I’m not following you, you want to never see your granddaughters again? Angélica would not give up. It was absurd, there was no chance of anything of the sort happening to me, not with my contacts, not with my profile, not with — it can’t happen here? Wait, wait, hadn’t I written, just last year, that it can happen anywhere, make people afraid enough and they’ll let the government do anything in their name?”
Ariel Dorfman (Buenos Aires, 6 mei 1942)
De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertalerErich Friedwerd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.
Reden
Zu den Menschen vom Frieden sprechen und dabei an dich denken Von der Zukunft sprechen und dabei an dich denken Vom Recht auf Leben sprechen und dabei an dich denken Von der Angst um Mitmenschen und dabei an dich denken - ist das Heuchelei oder ist das endlich die Wahrheit?
Einleuchtend
Es kann nicht sein daß die Amerikaner ohne Notwendigkeit vietnamesische Kinder verbrennen
Es kann nicht sein daß die Amerikaner Marschall Ky unterstützen wenn er wirklich ein Schurke ist
Sie unterstützen ihn wirklich er kann also nicht so schlimm sein und was er sagt kann nicht so unrichtig sein
Er sagt wirklich sein Vorbild ist Adolf Hitler also kann es gar nicht so schlecht sein wenn man Hitler zum Vorbild nimmt
Doch auch Hitler hat Kinder verbrannt und nicht in Vietnam sondern näher Warum also regt man sich auf wenn die Amerikaner das tun
Einer Singt
Einer singt aus Angst gegen Angst
Einer singt aus Not gegen Not
Einer singt aus der Zeit gegen die Zeit Einer singt aus dem Staub gegen den Staub
Einer singt von den Namen die Namen namenlos machen
Uit:Het jachtgeweer (Vertaald door Jacques Westerhoven)
“Mijn vriend stuurde me de aflevering waarin dit gedicht stond opgenomen toe, en terwijl ik het doorbladerde besefte ik voor het eerst hoe kortzichtig ik was geweest. ‘Het jachtgeweer’ was weliswaar een toepasselijke titel voor mijn gedicht, maar in dit blad hoorde het niet thuis. In een tijdschrift waarin kwistig werd gestrooid met termen als ‘de weg van de jager’, ‘sportsmanship’, en ‘gezonde hobby’ stak het zo schril tegen zijn omgeving af dat de bladzijde waarop mijn gedicht stond afgedrukt de indruk maakte van een geïsoleerde enclave – een onafhankelijke, volledig op zichzelf aangewezen speciale zone. Natuurlijk beschrijft dit gedicht het wezenlijke karakter van een jachtgeweer zoals ik dat met mijn dichterlijke intuïtie had aangevoeld – dat was in elk geval mijn bedoeling geweest – en ik zag geen enkele reden om me te verontschuldigen. Ik was trots op dit werk. Als ik het in een ander blad had gepubliceerd, was er geen enkel probleem geweest, maar in het orgaan van de Japanse Jagersvereniging, die zich tot doel stelt de jacht te propageren als een oergezond tijdverdrijf, kwamen mijn opvattingen over het jachtgeweer over als ietwat onorthodox, bedenkelijk zelfs. Het was nu te laat om er nog iets aan te doen, maar als ik eraan dacht hoe raar de vriend die mij om deze bijdrage had verzocht moest hebben opgekeken toen hij mijn manuscript voor het eerst onder ogen kreeg en hoe lang hij had geaarzeld voor hij met zijn karakteristieke edelmoedigheid besloot om het toch maar op te nemen, ging mijn hart naar hem uit. Ik verwachtte half een verontwaardigd schrijven van een van de leden van de Jagersvereniging, maar ik bleek meonnodig zorgen te hebben gemaakt: ik kreeg zelfs geen briefkaart. Gelukkig of niet, mijn gedicht werd door jagers in het hele land genegeerd. Of misschien is het beter te zeggen dat ze het helemaal niet lazen. Er verstreken twee maanden, en ik was deze hele geschiedenis alweer zo goed als vergeten, toen ik een brief ontving van een volslagen onbekende, Jo¯suke Misugi genaamd. Ik heb ooit gelezen dat een geschiedschrijver de karakters gebeiteld op een van de rotswanden op de Taishan-berg beschreef als ‘de witte gloed van de zon na een woeste herfststorm’. Het klinkt enigszins overdreven, maar de karakters op de grote envelop van wit Japans papier die ik in mijn hand hield maakten precies die indruk op me. De inscriptie op die rotswand is nu helemaal afgesleten en er bestaan zelfs geen rubbings van, dus ik kan me natuurlijk niet voorstellen hoe verfijnd of krachtig die karakters waren, maar hoewel Jo¯suke Misugi’s vloeiende, cursieve handschrift bijna te groot leek voor de envelop en op het eerste gezicht een zelfverzekerde indruk maakte,voelde ik hoe langer ik ernaar keek van elk karakter een zekere leegheid opstijgen die me opeens deed denken aan wat die oude historicus over het opschrift op de Taishan had gezegd.”
3 A swerve to clear the Hondo asteroid (herewith proclaimed discovered) took us off our course. We came too wide of Mars, slipped from its orbit and, to avoid the field of Jupiter, we settled on the curve of I.C.E.-twelve within the Magdalena Field’s external ring; but, meeting with great swarms of leonids, we headed farther off to Yko-nine. In the Field of Sari-sixteen we gave up attempts to turn around. As we held our curve, a ring of rocks echographically gave back a torus-image whose empty center we sought eagerly. We found it too, but at such dizzying angles that the passage to it led to breakdown of the Saba Unit, which was hit hard by space-stones and great swarms of space-pebbles. When the ring had moved off and space had cleared, turning back was possible no longer. We lay with nose-cone pointed at the Lyre nor could any change in course be thought of We lay in dead space, but to our good fortune the gravitation-works were still in service, and heating elements as well as lighting were not disabled. Of other apparatus some was damaged and other parts less damaged could be mended. Our ill-fate now is irretrievable. But the mima will hold (we hope) until the end.
Vertaald door Stephen Klass en Leif Sjöberg
Harry Martinson (6 mei 1904 – 11 februari 1978) Cover
Ein Hase sitzt auf einer Wiese, des Glaubens, niemand sähe diese. Doch im Besitze eines Zeißes, betrachtet voll gehaltnen Fleißes vom vis-à-vis gelegnen Berg ein Mensch den kleinen Löffelzwerg. Ihn aber blickt hinwiederum ein Gott von fern an, mild und stumm.
Stilles Reifen
Alles fügt sich und erfüllt sich, mußt es nur erwarten können und dem Werden deines Glückes Jahr und Felder reichlich gönnen. Bis du eines Tages jenen reifen Duft der Körner spürest und dich aufmachst und die Ernte in die tiefen Speicher führest.
Segelfahrt
Nun sänftigt sich die Seele wieder und atmet mit dem blauen Tag, und durch die auferstandnen Glieder pocht frischen Blut erstarkter Schlag.
Wir sitzen plaudernd Seit an Seite und fühlen unser Herz vereint; gewaltig strebt das Boot ins Weite, und wir, wir ahnen, was es meint.
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914)
“Paris, den 17. September 1830 Dann sehe ich in das Zimmer einer Demoiselle; in eine Schneiderswohnung; in einen Roulettesaal und in eine lange Galerie von Cabinets inodores. Wie schön, freundlich und glänzend ist alles nach der Gartenseite des Palais Royal: nach hinten aber, wie betrübt und schmutzig alles! Ich werde mich eilen, aus diesen Kulissen zu kommen, und mich nach einer andern Wohnung umsehen. Sie können es sich denken, daß ich nicht lange zu Hause geblieben, sondern gleich forteilte, die alten Spielplätze meiner Phantasie aufzusuchen und die neuen Schlachtfelder, die ihr Wort gehalten. Aber ich fand es anders, als ich erwartete. Ich dachte, in Paris müsse es aussehen wie am Strande des Meeres nach einem Sturm, alles von Trümmern bedeckt sein, und das Volk müsse noch tosen und schäumen. Doch war die gewohnte Ordnung überall und von der Verheerung nichts mehr zu sehen. Auf einigen Strecken der Boulevards fehlen die Bäume, und in wenigen Straßen wird noch am Pflaster gearbeitet. Ich hätte die Stiefeln ausziehen mögen; wahrlich, nur barfuß sollte man dieses heilige Pflaster betreten. Die vielen dreifarbigen Fahnen, die man aufgesteckt sieht, erschienen mir nicht als Zeichen des fortdauernden Krieges, sondern als Friedenspaniere. Die Fahne in der stolzen Hand Ludwigs XIV. auf dem Place des Victoires machte mich laut auflachen. Wir haben die Reiterstatue vor acht Jahren zusammen aufrichten sehen. Wer hätte das damals gedacht? Träume von Eisen und Marmor – – und doch nur Träume! – Noch schwebt jener Tag mir vor, noch höre ich den Polizeijubel, höre alle die Lieder mit ihren Melodien, welche bezahlte Bänkelsänger auf dem Platze sangen. Das eine Lied fing an: Vive le roi, le roi, le roi, que chante le monde à la ronde – jetzt müßte es heißen statt que chante, que chasse le monde à la ronde."
Ludwig Börne (6 mei 1786 – 12 februari 1837) Borstbeeld op Père-Lachaise, Parijs
Tags:Willem Kloos, Hélène Gelèns, Sasja Janssen, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Christian Morgenstern, Carl Ludwig Börne, Romenu
Welches Glück, am Sonntagsmorgen In den Tag hinein zu schlafen, Ruhig liegen in dem Hafen, Von der Alltags-Noth geborgen. Langsam wird sich angekleidet Unter Singen, unter Pfeifen, Und kein Schmollen und kein Keifen Unser Wohlsein uns verleidet. Mit unsäglichem Vergnügen, Angethan mit neuem Rocke, Mit dem Hute, mit dem Stocke Steigen wir hinab die Stiegen. Doch um Eins nicht zu vergessen, Stecken wir in uns're Taschen Uns ein hübsches Buch zum Naschen, Bis es später Zeit zum Essen. D'rauf wird in dem Sonnenscheine Hingeschlendert durch die Gassen, Ganz gemütlich und gelassen; Denn sie sind so blank und reine.
Jene grünen Jalousien Sind geschlossen - ach die Schönen, Die sich dort auf Flaumen dehnen, Träumen wohl von Harmonien! Laß sie träumen! - die Geliebte Denket doch des treuen Schäfers, In der Ruh' des Siebenschläfers, - Daß ihr nichts den Frieden trübte! Doch ein winzig Kieselsteinchen Will ich an's Gesimse schleudern, Etwa, daß sie schon in Kleidern Tänzelt niedlich auf den Beinchen. Sieh, da öffnet sie die Balken Mit den zarten Fingerspitzen, Spähet furchtsam durch die Ritzen, Wie die Taube auf den Falken. Ha, nun hat sie mich erblicket, Wirft mir mit dem lieben Händchen Küsse zu als süße Pfändchen, Wer ist wohl wie ich entzücket?! Und ich wand're selig weiter Bis hinaus zu den Alleen, Die vor jenem Thore stehen, Und das Glück ist mein Begleiter.
Ferdinand Sauter (6 mei 1804 – 30 oktober 1854) Cover
« MACHUT, à part. — Il ne me voit pas... il creuse. CABOUSSAT, lisant et à lui-même. — «Nota. — On reconnaît mécaniquement que le participe suivi d’un infinitif est variable quand on peut tourner l’infinitif par le participe présent.» (Parlé.) Il faut tourner l’infinitif par le participe... Ah! j’en ai mal à la tête! MACHUT, à part. — Je parie que c’est du latin... ou du grec. (Il tousse.) Hum! hum! CABOUSSAT, cachant son livre dans sa poche. — Ah! c’est toi, Machut? MACHUT. — Je vous dérange, monsieur Caboussat? CABOUSSAT. — Non... je lisais... Tu viens pour la vache? MACHUT. — Oui... et j’ai appris l’événement. CABOUSSAT. — Un morceau de verre... est-ce drôle? Une vache de quatre ans. MACHUT. — Ah! monsieur, les vaches... ça avale du verre à tout âge... J’en ai connu une qui a mangé une éponge à laver les cabriolets... à sept ans! Elle en est morte. CABOUSSAT. — Ce que c’est que notre pauvre humanité! MACHUT. — Ah çà! j’ai à vous parler de votre élection... Ca marche. CABOUSSAT. — Ah! vraiment? Ma circulaire a été goûtée? MACHUT. — Je vous en réponds!... On peut dire qu’elle était joliment troussée, votre circulaire! Je compte sur une forte majorité. CABOUSSAT. — Tant mieux! quand cela ne serait que pour faire enrager Chatfinet, mon concurrent. MACHUT. — Et puis, savez-vous que, nommé, pour la seconde fois, président du comice agricole d’Arpajon, vous pouvez aller loin... très loin. CABOUSSAT. — Où ça? MACHUT. — Qui sait?... Vous êtes déjà du conseil municipal... Vous deviendrez peut-être notre maire un jour!” CABOUSSAT. — Moi? Oh! quelle idée... D’abord, je ne suis pas ambitieux... et puis la place est occupée par M. Rognat, depuis trente-cinq ans."
Eugène Labiche (6 mei 1815 – 22 januari 1888) Scene uit een uitvoering in Brussel, 2015
"Et voici ce que Joseph Buquet a dit du fantôme à qui voulait l’entendre : « Il est d’une prodigieuse maigreur et son habit noir flotte sur une charpente squelettique. Ses yeux sont si profonds qu’on ne distingue pas bien les prunelles immobiles. On ne voit, en somme, que deux grands trous noirs comme aux crânes des morts. Sa peau, qui est tendue sur l’ossature comme une peau de tambour, n’est point blanche, mais vilainement jaune ; son nez est si peu de chose qu’il est invisible de profil, et l‘absence de ce nez est une chose horrible à voir. Trois ou quatre longues mèches brunes sur le front et derrière les oreilles font office de chevelure. » En vain Joseph Buquet avait-il poursuivi cette étrange apparition. Elle avait disparu comme par magie et il n’avait pu retrouver sa trace. Ce chef machiniste était un homme sérieux, rangé, d’une imagination lente, et il était sobre. Sa parole fut écoutée avec stupeur et intérêt, et aussitôt il se trouva des gens pour raconter qu’eux aussi avaient rencontré un habit noir avec une tête de mort. Les personnes sensées qui eurent vent de cette histoire affirmèrent d’abord que Joseph Buquet avait été victime d’une plaisanterie d’un de ses subordonnés. Et puis, il se produisit coup sur coup des incidents si curieux et si inexplicables que les plus malins commencèrent à se tourmenter. Un lieutenant de pompiers, c’est brave ! Ça ne craint rien, ça ne craint surtout pas le feu ! Eh bien, le lieutenant de pompiers en question, qui s’en était allé faire un tour de surveillance dans les dessous et qui s’était aventuré, paraît-il, un peu plus loin que de coutume, était soudain réapparu sur le plateau, pâle, effaré, tremblant, les yeux hors des orbites, et s’était quasi évanoui dans les bras de la noble mère de la petite Jammes. Et pourquoi ? Parce qu’il avait vu s’avancer vers lui, à hauteur de tête, mais sans corps, une tête de feu ! Et je le répète, un lieutenant de pompiers, ça ne craint pas le feu."
Gaston Leroux (6 mei 1868 – 15 april 1927) Cover Nederlandse uitgave
“It is necessary, however, to have eyes to see it, intelligence to understand it, and spirit to wonder at it. The rude Bedouin sees geometric forms but does not understand them; the Sunni under stands them but does not admire them; the artist, finally, perceives the perfection of figures, understands beauty, and admires order and harmony. God was the Great Geometer. He geometrized heaven and hearth. In Persia there exists one plant, much sought as food by camels and sheep, whose seed . . .” And so, holding forth enthusiastically on the multiple beauties embraced by geometry, Beremiz walked along the long and dusty road from the palace of the merchant to the bridge of victory. I accompanied him in silence, enchanted by his curious enlightenment. After crossing Muazin Square, which is also known as the shelter of the camel drivers, we deserted the beautiful Inn of the Seven Sorrows, much frequented in the hot weather, by Bedouins and travelers from Damascus and Mosul. Its most elegant feature was its inner patio, with good shade in summer, its four walls covered with plants of all colors from the mountains of Libya it had an air of peace and repose. On an old wooden sign, beside which the Bedouins tied their camels, we read: Inn of the Seven Sorrows. “Seven sorrows,” murmured Beremiz. “Strange! Do youby any chance know the owner of this inn?” “I know him well,” I replied. “He is a former rope merchant from Tripoli whose father served under Sultan Quervan. They call him the Tripolitan. He is very well thought of, for his simple, open nature, a fine and kindly man.”
Júlio César de Mello e Souza (6 mei 1895 – 18 juni 1974)
« Lorsque Barthélemy retourna au salon, douché et presque de bonne humeur, il trouva les enfants Morlevent déjà bien installés. Venise avait étalé sa collection de poupées Barbie et se racontait toute seule des histoires où le passé simple était mis à forte contribution. — Shelly débouchonna la bouteille et buva tout le champagne. Alors, Barbie arriva en colère et dira : « Qui a prendu tout le vin ? — C'est pas moi ! se défendit Bart, en prenant la voix haut perchée de Shelly. — Tu veux jouer ? — Non, ça va, refusa Barthélemy. Mais il s'accroupit, attrapa une Barbie en body moulant et murmura : — Dis donc, elle a de ces airbags, celle-là. Venise pressa les seins de la Barbie en faisant « pouin pouin ». Le grand frère et la petite soeur se mirent à rire. Ils avaient manifestement les mêmes centres d'intérêt. Siméon se racla la gorge dans leur dos. Bart se retourna. Les cadets Morlevent étaient assis côte à côte sur le divan et ils lisaient. La Petite Maison dans la prairie pour Morgane et Le Contrat social pour Siméon. — Vous êtes surdoués, tous les deux ? questionna Bart. Ou c'est seulement Siméon ? — J'ai un an d'avance, fit Morgane, et je suis la première partout. — Sauf en gynnastique, lui rappela charitablement Venise. — Le sport, c'est pour les cons, trancha Siméon. — J'en fais beaucoup, dit Bart pour voir. — Alors, t'es con, pouffa Venise. — Marre-toi, grommela Bart. Tu n'as pas remarqué que les gens vont par deux dans cette famille 9 Il y a Morgane et Siméon qui sont très intelligents et très moches et il y a nous deux qui sommes cons... — Et très belles, conclut Venise sans mauvaise intention. Morgane fit observer que c'était comme dans le conte de Riquet à la houppe. — Riquet, il est très moche et très intelligent. La princesse, elle est très belle, mais elle est bête. — Ça se finit comment ? s'enquit Barthélemy. — Ils se marirent et eurent beaucoup d'enfants, récita Venise. — Oh, boy ! gémit Bart. Ils sont devenus cons, tous les deux. Les enfants Morlevent éclatèrent de rire. Bart alla chercher l'orangeade en sifflotant. Pourquoi était-il soudain si content ? C'était arrivé d'un seul coup lorsqu'il avait vu les trois enfants campant dans son salon. Il était l'aîné des Morlevent et c'était épatant. »
Marie-Aude Murail (Le Havre, 6 mei 1954) Scene uit een televisiebewerking onder de titel “On choisit pas ses parents”, 2008
„An Ende der Welt ist das Schlaftürlein. Jeden Abend, wenn es dunkel wird, tut es sich auf Dann kommen aus der ganzen Welt die Kinderlein herbeigelaufen, denn alle Kinder, die schlafen wollen, die müssen durch das Schlaftürlein hindurch. Weil es aber nicht sehr breit ist, darum muss es immer eine ganze Weile offen bleiben, bis alle Kinder hindurch sind. Manchmal sind auch schon welche da, bevor es aufgemacht wird, und möchten gerne hinein und schlafen. Aber die müssen warten. Sie sitzen dann auf dem Wartebänkchen gleich draußen davor und freuen sich schon darauf, dass aufgemacht wird. Manchmal versuchen sie auch, schon ein Weilchen vorauszuschlafen. Sie stecken dann den Daumen in den Mund, weil es ja keiner sieht, und lehnen sich mit den Köpfen aneinander, immer zwei und zwei, und machen die Augen zu. Aher es ist doch noch nicht das Richtige. Richtig schlafen, ganz dick und still, kann einer eben nur, wenn er durch das Türchen hindurch ist.“
Paul Alverdes (6 mei 1897 – 28 februari 1979) Cover
“Er was een feest op school en Anton ging er heen want hij was verliefd. Zo verliefd als een kameel kan kijken. De avond was vol van duisternis en een sneeuwtapijt viel loodrecht naar beneden. Alle geluiden waren verstomd. De straat was een schimmenspel. Een vader liet de hond uit. Zie de maan schijnt, en de sterrren ook, lichtjes opgestegen uit de bomen. Wij schrijven. Een provinciestad zuidoost ten noorden van de hoofdstad. Op het breekpunt van de jaren zeventig en tachtig van deze eeuw. Daar waar de journalisten zich uitputten de tien jaar ervoor in snedige zinnen samen te vatten en de tekenen te wichelen van deze tijd, die de geschiedenis ingaat als een slappe. Jaren waarin overal in het land immense ijzeren wimpels en stalen vlaggen verschijnen op plantsoenen en in perkjes. Ze bleken niet bestand tegen het weer en roestten snel weg. Veel belangrijker is, dat het de tijd was waarin Anton opgroeide, zijn allerwildste haren verloor en na de lagere de middelbare school doorliep. De zijne was een steenkolos met veel ramen en een grote deur. Iedere dag legde hij op de fiets kilometers af om er te komen. Langs de berm stonden struiken en lantarenpalen. Over de grote weg raasden forenzen. Op de eenzame fiets zat: Anton. Hij haalde een boel mensen in, die op een andere school zaten en die hij dus ook niet kende. Meestal fietsten ze in groepjes naast elkaar over het fietspad. Het was dan bellen geblazen als hij er langs wilde. Hij zat in zijn eindexamenjaar, de arme jongen. Hij leerde lesjes en las boeken tot hij erbij in slaap viel. Gek werd hij er van. (Wie heeft het niet meegemaakt?) Behalve dat liep het tegen kerst en dat was een gedachte die Anton met huiver vervulde. - Ik haat kerst.”
Erik Bindervoet (Oostzaan, 1962) Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet tijdens een voorleessessie
De Weduwe van Indië verkwijnt Achter de ramen van haar vele huizen; Men hoort nog zachtjes de verwarming suizen Terwijl zij indut en het licht verdwijnt
Dit was haar lot: van elegant tot log, Van grootsteeds dorp tot dorpse stad te keren Was dit de stad dan van Eline Vere? Wat van waarlijk belang gebeurt hier nog?
De geest van wie haar maakte waart hier niet; Die drinkt in Nice zijn kelkjes anisette Of zweeft in de gewelven vol rozetten Van Florentijnse kerken, en hij ziet:
Niets van belang gebeurt daar nog; groot zeer Noch groot geluk, noch echt gevaar Zoo hij íets was, was hij een Hagenaar, Maar ’s Gravenhage is zichzelf niet meer
Tags:Ferdinand Sauter, Eugène Labiche, Gaston Leroux, Júlio César de Mello e Souza, Marie-Aude Murail, Paul Alverdes, Erik Bindervoet, Simon Mulder, Romenu