Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
27-01-2018
Rudolf Geel, Paolo Cognetti, Ethan Mordden, Lewis Carroll, Arie van der Krogt, Harvey Shapiro
“3 Daar zal je het gedonder hebben. Vannacht heeft zij gedroomd van ‘allerlei Romeinse keizers’. En er slecht van geslapen natuurlijk. Ik kan nu onmogelijk bekennen (bij zoveel cultuur) dat ik droomde van een soort spionnage-affaire in een science-fictionachtige wereld, waarin een kopjeduikelende Chinese voorkwam met onder andere een bamboe-broekje aan.
4 Naast mij ligt een steentje. Ik haast mij eraan toe te voegen dat het afkomstig is van een tegen een muur gezet stuk mozaïekvloer in de thermen van Caracalla. Ik raakte het aan en zie: het liet los, in tegenstelling tot heel wat andere steentjes die ik met enige kracht probeerde te verwijderen. Wat ga ik met dit brokje handwerk beginnen? Uiteindelijk zal ik het toch ergens verliezen omdat ik er niets aan heb. Om de waarheid te zeggen, is het een onooglijk stukje grijze steen, 1 × 1 × 2. Er zit nog wat cement aan vast. Ik zal het aan mijn vriend, de classicus H. ter hand stellen en hem vragen enkele conclusies te trekken. Als het maar conclusies zijn, iets definitiefs, want ik heb het niet voor niets meegesjouwd. Ik had veel liever een mooi rood stukje meegenomen, of bruin, ik moet zeggen dat de vloeren van de thermen prachtig zijn, hoezeer het gebouw mij ook verder tegenvalt. Met die thermen is het zo, en ieder die er geweest is zal het beamen: ze zijn niet meer wat ze geweest zijn. In de reisgids worden ze ook omschreven als ‘de prachtige ruïnes van’ en dat is overdreven. Het zijn ruïnes, dat is niet te loochenen. Achter deze ruïnes wonen mensen en als ìk er woonde zou ik de gemeente opbellen om te vragen wanneer ze die troep voor mijn deur eens zouden komen weghalen. Dit spijt mij. Ik zou het natuurlijk niet werkelijk vragen. Ik had echter graag echte thermen gezien, zoals in Pompeji en Herculaneum. En dan veel groter, zoals ze in werkelijkheid ook waren. En dan had ik er kunnen rondlopen, vrijwel alleen. En ik had er die bolle koppen teruggezien en vrouwen, in rimpelend water gezeter op de mozaïek van een sater, maar nu heb ik alleen dit steentje en hoezeer ik het ook wrijf: er gebeurt niets. Het is gewoon een rotsteentje, gevonden in een door operarekwisieten verstoorde wildernis.”
Uit: De acht bergen(Vertaald door Yond Boekeen Patty Krone)
“Mijn vader had in de bergen zo zijn eigen manier van wandelen. Daar was weinig meditatiefs aan, het was een en al eigenzinnigheid en bravoure. Hij klom zonder zijn krachten te doseren, ging altijd met iemand of iets de strijd aan en als hij het pad te lang vond, klom hij gewoon recht omhoog. Als je met hem mee was, was het verboden te pauzeren en verboden te klagen over honger, vermoeidheid of kou, maar een lied zingen mocht wel, vooral als het onweerde of als er dichte mist hing. En ook joelen als je je over de sneeuwvelden omlaag stortte. Mijn moeder, die hem had leren kennen toen hij nog een jongen was, zei dat hij ook toen al op niemand wachtte en er altijd op gebrand was iedereen in te halen die hij boven zich zag: je moest dus stevige benen hebben om jezelf in zijn ogen aantrekkelijk te maken, en lachend liet ze doorschemeren dat zij hem op die manier had veroverd. Later ging ze, in plaats van bergtochten te maken, liever in het gras zitten, of stak ze haar voeten in een beekje, of bedacht ze hoe bepaalde grassen en bloemen heetten. Ook als ze boven op een berg stond, vond ze het vooral leuk om naar de toppen in de verte te kijken, te denken aan die uit haar jeugd en zich voor de geest te halen wanneer ze daar was geweest en met wie, terwijl mijn vader, eenmaal op een top aangekomen, werd overvallen door iets van teleurstelling en alleen nog maar naar huis wilde. Ik denk dat het tegengestelde reacties waren op eenzelfde gevoel van nostalgie. Mijn ouders hadden rond hun dertigste het platteland van de Veneto verlaten, de streek waar mijn moeder was geboren en waar mijn vader als oorlogswees was opgegroeid, en waren naar de stad getrokken. Hun eerste bergen, hun eerste liefde, waren de Dolomieten geweest. Ze noemden die soms in hun gesprekken, toen ik nog te klein was om de conversatie te volgen – maar sommige woorden sprongen eruit, klonken scheller, betekenisvoller. De Catinaccio, de Sassolungo, de Tofana, de Marmolada. Mijn vader hoefde maar een van die namen te noemen of mijn moeders ogen begonnen te glanzen.”
“My two younger brothers have driven up from Los Angeles to visit my folks in Sacramento; I call in from the metropolis, New York. Brother Andrew is on the phone, and in the background the dogs and Mother are barking. "No, you can't make pizza!" she cries. "Get out of the refrigerator! Where did you find that revolting shirt? Your socks don't match! Wash your hair! Who left these dishes in the sink? Don't you dare touch that cheese — I said you cannot make pizza! The kitchen is closed! And stop that belching; I'm not one of your contemporaries, you know!" "Guess who hasn't mellowed?" says Andrew. Actually, she has. My dad, as a character in my childhood, was as peaceful as a Rodin, ensconced in his chair, dreaming deep in a book (whereupon we kids would hit him for advances on our allowance — by my fourteenth birthday I was overdrawn through 1997). But Mother was a series of interrogations, moralistic harangues, and grouchings. She would even attempt making corporal correction upon us (we would simply head for the dining room and run around the table until she wore out or caught my littlest brother Tony). Two less alike parents there never were. Yet they agreed on the basics: love them, give them culture, and treat them for life as if they were permanently stuck at the age of eight. Parents are tyrants, even the nice ones. I recommend taking the offensive as surely and early as possible, never letting up — and my system works, for I had a reasonably cute childhood, an amusing adolescence, and a profitable teenage career. My oldest brother Ned, a vaguely Fitzgeraldian figure, made a stab at defining a code for us kids, but it wasn't a conquering code. It reflected too much, stuttered, yearned. A code should confront. Ned was more afraid of taking power than of suffering engulfment. Through trial and error, I trimmed his romantically elaborated novel of wistful resistance into a terse handbook whose name was Defiance: Rule One: Don't try to love Them; just get along with Them. Love in families only makes for ghastly scenes that will haunt you for life. Rule Two: Obeying Their rules only encourages Them to create new ones. Disobey as often as possible: for gain, for sport, for the art of it. Corollary: Pursue the rebellion by being perversely nonconformist in all things — try, in fact, to act as if you're committing an enormity even when what you are doing is technically permissible. For instance, on the day report cards come out, you — having achieved straight A's — arrive home with your face alternating looks of shame and dread. They will pounce on your card, gloating and drooling as they dream up new and terrible punishments. Then They'll see the honorable grades, perhaps Teacher's enthusiastic commentary ("... though he does insist on organizing chic brunches during blanket hour"), and They'll begin to blush, stutter, babble. Don't grin at Them, revealing the art of the stunt: look innocent and ever so slightly wounded. They'll avoid you in fear for days.“
Ethan Mordden (Pennsylvania, 27 januari 1947) Cover
'Would it be of any use, now,' thought Alice, 'to speak to this mouse? Everything is so out-of-the-way down here, that I should think very likely it can talk: at any rate, there's no harm in trying.' So she began: 'O Mouse, do you know the way out of this pool? I am very tired of swimming about here, O Mouse!' (Alice thought this must be the right way of speaking to a mouse: she had never done such a thing before, but she remembered having seen in her brother's Latin Grammar, 'A mouse — of a mouse — to a mouse — a mouse — O mouse!' The Mouse looked at her rather inquisitively, and seemed to her to wink with one of its little eyes, but it said nothing. 'Perhaps it doesn't understand English,' thought Alice; 'I daresay it's a French mouse, come over with William the Conqueror.' (For, with all her knowledge of history, Alice had no very clear notion how long ago anything had happened.) So she began again: 'Ou est ma chatte?' which was the first sentence in her French lesson-book. The Mouse gave a sudden leap out of the water, and seemed to quiver all over with fright. 'Oh, I beg your pardon!' cried Alice hastily, afraid that she had hurt the poor animal's feelings. 'I quite forgot you didn't like cats.' 'Not like cats!' cried the Mouse, in a shrill, passionate voice. 'Would you like cats if you were me?' 'Well, perhaps not,' said Alice in a soothing tone: 'don't be angry about it. And yet I wish I could show you our cat Dinah: I think you'd take a fancy to cats if you could only see her. She is such a dear quiet thing,' Alice went on, half to herself, as she swam lazily about in the pool, 'and she sits purring so nicely by the fire, licking her paws and washing her face — and she is such a nice soft thing to nurse — and she's such a capital one for catching mice — oh, I beg your pardon!' cried Alice again, for this time the Mouse was bristling all over, and she felt certain it must be really offended. 'We won't talk about her any more if you'd rather not.'
Lewis Carroll (27 januari 1832 – 14 januari 1898) Cover
Iedereen wil blauw op straat Zelfs in de Gouden Regenstraat Daar wil men blauw op straat Er is hier veel onveiligheid In onze mooie stad Je hebt je fiets nog niet op slot Of hij is alweer gejat Ook Peper was de dupe Van een overval Want, ze jatten hier gewoon De stenen uit je gal
Blauw op straat, blauw op straat Iedereen wil blauw op straat Ook in de Zwarte Paardestraat Daar wil men blauw op straat Soms ga ik wel eens stappen Op de Wilhelmina Pier En dan naar huis over de Zwaan Stomdronken van het bier Ze zeggen: Hij heeft een pyloon Maar ik zie er altijd twee En als het heeft gewaaid Dan hangt ie vol met macrame
Blauw op straat, blauw op straat Iedereen is blauw op straat In de Oranjeboomstraat Daar is men blauw op straat Ja, dronken op m'n fiets rij ik Naar huis over de Zwaan En altijd komt dan weer net Een blik agenten aan "Wilt u hier even blazen?" Vraagt een politieman "Helaas", zeg ik "ik denk niet Dat die brug daar tegen kan"
Blauw op straat, blauw op straat Iedereen wil blauw op straat Zelfs in de Joost van Geelstraat Daar wil men blauw op straat Je ziet het in de hele stad Daar barst het van het blauw En dat is, waarom ik zoveel Van toezichthouders hou Ja, toezichthouders dat is echt De club die ik verkies Want toezichthouders hebben Op hun broek een rooie bies Want toezichthouders hebben Op hun broek een rooie bies Want toezichthouders hebben Op hun broek een rooie.... streep
Drunk and weeping. It's another night at the live-in opera, and I figure it's going to turn out badly for me. The dead next door accept their salutations, their salted notes, the drawn-out wailing. It's we the living who must run for cover, meaning me. Mortality's the ABC of it, and after that comes lechery and lying. And, oh, how to piece together a life from this scandal and confusion, as if the gods were inhabiting us or cohabiting with us, just for the music's sake.
Walker Under Water
In the blue oxygen, what I saw, My valve fluttering its song, My ears tight to the static. I perceived that I was rocked In the body of the plane. Aquatic, The rarefied air frosted my lashes, Congealed breath sparkled my scarf. Deepsea diver, aware of the silvery fins.
So gloved and chuted, wired into my bones, I rode the day, Austria An ant's plan underfoot. In that perilous seat above cities I mixed into my own breathings And waited, exposed as a stone. Sunlight through plexiglass above my head Was light without sun, a blue wash of cold.
What I recall now, seated in my room, Having sloughed off the glory and the pose That place where the oxygen faltered And the diaphragm's pulse went closed, And they pried me, sleeping, from the sea. How to wake from such silence into singing? Such cold as I have known.
“Wer in leichter Gondel im stillen Meere schwimmt, das Element mit sich spielen, die schattenhaft gezeichneten Ufer des festen Landes, der Inseln hinter sich versinken läßt, die Luft über sich, ein zweites Meer mit wogenden Wolken ahnungsvoll schaut, wird mich vielleicht verstehen, wenn ich von der galizischen Fläche, dem winterlichen Schneeocean, der Fahrt in dem flüchtigen Schlitten berichte. Es zieht die Menschenseele wehmüthig sehnsuchtsvoll an, der Ocean wie die Ebene. Nur ist der Flug im Schlitten rascher, adlerhafter – während sich der Kahn im Wasser wie eine Ente in der Luft wälzt – nur ist die Farbe der unendlichen Fläche, ist ihre Melodie ernster, düsterer, drohender, man sieht die Natur in ihrer Nacktheit, den Kampf des Daseins, man fühlt den Tod näher, man empfindet seine Atmosphäre, man hört seine Stimmen. Mich lockte der lichte Winternachmittag hinaus. Ich hatte die Fahrt beschlossen, mein Fuchs war krank, nicht jedes Pferd geht gut im Schnee, ich ließ den Mausche Leb Kattun kommen, einen großen Kutscher vor dem Herrn, und seine verläßlichen Pferde vor meinen Schlitten spannen. Der Tag war prächtig, die Luft stand still, auch das Licht, die goldenen Sonnenwellen zitterten nicht im leichten Dunste der Erde. Luft und Licht waren ein Element. Auch im Dorfe war Alles still, kein Ton verrieth die Bewohner der schweigsamen Strohhütten, nur die Sperlinge flogen an den Zäunen in Schaaren auf und schrieen. Weiter stand ein kleiner Schlitten mit einem hinkenden Pferdchen bespannt, nicht größer als ein Fohlen; auf dem führte ein Bauer Holz aus dem Walde, sein halbgewachsenes Mädchen rief ihn und watete mit bloßen Füßen durch den ellenhohen Schnee nach einem kleinen Scheite, das er verloren hatte. Wie wir den kahlen Berg hinabflogen mit klingenden, hellen Glöckchen, lag die Ebene vor uns, unermeßlich, unfaßbar, unendlich. Der winterliche Hermelin gab ihr die höchste Majestät. Sie war ganz von ihm bedeckt, nur die kahlen Stämme der niederen Weiden, entfernter einzelne langatmige Heidebrunnen, in der Ferne ein paar verlorene rußige Hütten, zeichneten sich schwarz auf dem weißen Schneepelz. Mausche Leb Kattun schüttelte sich und schrie. Der erste Blick in die Ebene wirkte bei ihm wie schnelles Gift; seine palästinische Phantasie begann in biblischen Phrasen zu reden, sie kam mit einem einzigen Flügelschlag aus der Region der Pelzthiere in jene der Palmen und Zedern; es warf ihn auf dem Bocke wie einen Fieberkranken, er grub in seinem Hirn nach tausend Bildern für das eine Unfaßbare, das ihn quälte, er spuckte die Gleichnisse zu Dutzenden aus, bis ich ihn schweigen hieß. Jetzt murmelte er vor sich hin. Ich weiß nicht, ob er das Gespräch mit sich selbst fortsetzte, ob er betete? ob er endlich das Gleichniß gefunden? ein unendliches weißes Papier, auf das er seine unendlichen Rechnungen schrieb und zählte, und zählte.“
Leopold von Sacher-Masoch (27 januari 1836 – 9 maart 1895) Het huis in Lindheim waar von Sacher-Masoch de laatste jaren van zijn leven woonde.
„Jetzt keinen Fehler machen. Freundlich, aufgeräumt, klar, unverdächtig wirken. Immer wenn man das versucht, wirkt man natürlich besonders verdächtig. Ich fange an zu schwitzen. Schon bei dem Herrn vor uns hat es zehn Minuten gedauert, und der sah nun wirklich so aus, wie ein Zwölfjähriger einen seriösen Geschäftsmann malen würde. Erst jetzt bemerke ich, dass Udo tatsächlich Zigarre raucht, ganz lässig, beiläufig, im Flughafengebäude, im rauchparanoiden Amerika. Hi, hi, yeah, here we are, happy to be here again, how are you doing man, good looking, sagt Udo und pafft an seiner Zigarre. Und ich denke: Das war’s dann. Der Uniformierte ist nicht zu Späßen aufgelegt. Doch da kennt er Udo schlecht. Den aus der Ruhe zu bringen, da braucht es schon mehr, als missmutig zu gucken und zu bellen: No smoking, Sir! Oh, excuse me, yeahyeahyeah, sagt Udo friedlich – und lässt die Zigarre brennen, hält sie aber jetzt auf Gürtelhöhe, das ist sein Kompromissangebot. Ich versuche, das Schlimmste zu verhindern, und geselle mich dazu, werde aber streng zurück hinter die Absperrung geschickt, Einzelvernehmung. Und so kann ich nicht eingreifen und sehe und höre nur, wie alles immer schlimmer wird. Udo hört gar nicht auf zu reden. Der Uniformierte fragt Udo, was er beruflich mache. Schon toll, dass Udo das noch mal gefragt wird in seinem Leben. I’m a musician, started as a drummer, you know, back then, hundred years ago …“
Benjamin von Stuckrad-Barre (Bremen, 27 januari 1975) Hier tijdens een turbulente lezing van “Panikherz” in 2016
De Franstalige, maar oorspronkelijk Nederlandse schrijfster Neel Doffwerd geboren in Buggenum op 27 januari 1858. Zie ook alle tags voor Neel Doffop dit blog.
Uit:Keetje Tippel
“Hein en ik kwamen van de stalhouderij. We waren in de zevende hemel: vader had voor ons allebei een paar schoenen gekocht van dik zwaar leer, en twee maten te groot voor de groei. Wij liepen als pauwen de Nieuwendijk af, helemaal opgewonden van geluk en aan één stuk door over de schoenen pratend. Onze voeten sloften er bij iedere stap uit en weer in. We gingen natuurlijk ook op een stoeprand zitten om de veters opnieuw vast te maken. Toen ik thuiskwam, stond het klamme zweet op mijn voorhoofd. Ik deed mijn schoenen uit: mijn hielen waren helemaal opengeschaafd. Maar ja, wat zou dat! Ik kon die schoenen wel drie jaar dragen, had de vrouw gezegd, dus wat kon me dat velletje van mijn hielen schelen? Alles liever dan de klompen van moeder afdragen, waar ik om werd uitgelachen en waar ik trouwens steeds in viel. Hein zat ook naar zijn voeten te kijken: bij hem bloedden de tenen. ‘Maar wat hindert het, 't zijn prachtschoenen: leer zo dik als een vinger, en hárd dat het is! 't Zijn knotsen! En de mijne gaan ook drie jaar mee, die vrouw heeft het van alle twee de paren gezegd, niet alleen van de jouwe.’ Wij stopten vlug een prop papier in de neus en klommen de schoenen weer in om ze aan onze vriendjes op straat te laten zien. Die avond gingen Hein en ik kreunend en steunend naar bed, zo'n pijn deden onze ontvelde voeten. Vader was woest. Wie had ooit zulke kinderen meegemaakt! Als zijn moeder voor hém een paar klompen had gekocht, was hij daar zo blij mee geweest dat z'n voeten af hadden kunnen vallen eer hij klaagde. ‘Ik breng ze terug, dat zal ze leren!’ Wij sprongen uit bed. ‘Nee, vader, vadertje, nee hoor, niet terugbrengen, 't zijn onze mooie schoenen, ze doen helemaal geen pijn!’ En Hein en ik verborgen de schoenen onder onze strozak. En elke keer als we wakker werden, voelden we of ze er nog wel waren.”
Neel Doff (27 januari 1858 – 14 juli 1942) De Dorpsstraat in Buggenum rond 1910
« Nous avons tous des identités multiples. Nous venons tous d'un pays, d'une ville, ou d'une rue qui nous définit et nous marque à jamais. Nous sommes issus d'une culture ancestrale qui nous emprisonne autant qu'elle nous féconde. Dans la vie, nous jouons des rôles qui changent en fonction de la situation et de l'interlocuteur, du lieu et du moment : nous existons, multiples à nous-mêmes, ignorant l'origine de ces identités qui surgissent malgré nous, et qui nous déterminent, dans nos actions, nos pensées et nos sentiments. Nous sommes empruntés et confisqués par notre passé, que nous empruntons et confisquons à notre tour, essayant de savoir qui nous sommes, en cette quête infinie qui commence au premier cri, qui ne s'achève jamais — et qui s'appelle la vie. Nous sommes les acteurs d'une saga formée de toutes les histoires de notre passé, des gestes et des pensées de nos aînés, et chacun de nous peut dire : voilà quelle fut mon histoire, celle que j'ai vécue, celle qui m'a marqué durablement, celle qui me rend différent des autres, celle de mon authenticité car c'est par elle que je suis. Nous sommes le fruit des générations, le produit ultime de vies vécues et partagées, d'amours et de haines, de guerres et de paix, d'injustices et de joies, de drames et de délices, de révoltes et de réconciliations, de rêves et de rancoeurs, de secrets, de mots, de paroles qui se murmurent et se disent à travers nous, inconsciemment. Nous sommes l'Antiquité. Et si, par moments, certains s'avisent de critiquer cette histoire, ce n'est que pour se définir à travers elle en se définissant contre elle. D'autres, blessés, mortifiés, préfèrent la taire, sans savoir qu'elle se raconte à travers leur silence, si haut et si fort que toutes les autres paroles en deviennent inaudibles. Et d'autres encore — ce sont les écrivains, les romanciers — décident de la narrer, pour dire, pour former un écrin à cette culture qui nous habite, par laquelle nous existons, agissons, vivons, sentons et aimons, pour comprendre peut-être, au bout du chemin, qui nous sommes à travers ce que nous avons été, et aussi tout ce que les autres ont été, ceux de nos familles, ceux des ancêtres que nous n'avons jamais connus, qui sont morts à jamais, mais qui continuent d'exister à travers nous, ceux que nous connaissons intimement, et ceux que nous abritons sans le savoir, ceux qui nous font agir sans que nous le sachions, contre notre gré, alors même que nous croyons accomplir les choix les plus libres, sans savoir que nous sommes en train d'emprunter leur voie, et qu'en secret, nous sommes le vecteur indocile de leur immortalité. »
“Since he had first come to the school in 1927 — a tight-lipped young Scot with a red fussy face — many of Mr. MacPherson’s earliest students had, indeed, gone on to make their reputations in medicine, politics, and business, but there were no nostalgic gatherings at his home. The sons of his first students would not attend Fletcher’s Field High School, either. For making their way in the world his first students had also graduated from the streets of cold-water flats that surrounded F.F.H.S. to buy their own duplexes in the tree-lined streets of Outremont. In fact, that morning, as Mr. MacPherson hesitated on a scalp of glittering white ice, there were already three Gentiles in the school (that is to say, Anglo-Saxons; for Ukrainians, Poles and Yugoslavs, with funny names and customs of their own, did not count as true Gentiles), and ten years hence F.F.H.S. would no longer be the Jewish high school. At the time, however, most Jewish boys in Montreal who had been to high school had gone to F.F.H.S. and, consequently, had studied history out of The World’s Progress (Revised) with John Alexander MacPherson; and every old graduate had an anecdote to tell about him. (...)
He phoned Yvette and told her he was sending her a check for three hundred dollars in the morning. He said he was making the movie for Mr. Cohen, but he didn’t tell her that if Mr. Cohen didn’t like it there was no deal. He was so happy about Seigal, too, that he didn’t realize until he got home that the Seigal bar-mitzvah was six weeks off and even if got paid right away it would be too late. He still had to raise twenty-five hundred dollars to pay Brault and twenty days was all the time he had. In the next three days Duddy visited eight potential clients. They were interested. Nobody showed him the door exactly, but first they wanted to see one of his productions.”
Mordecai Richler (27 januari 1931 – 3 juli 2001) Affiche voor de gelijknamige film uit 1974
“Welcome Home, Jack! Jack Swyteck was standing outside the Freedom Institute, and the handwritten greeting on a Post-it was stuck to the front door. It was Monday morning, and Jack had moved in his office furnishings over the weekend. The doormat at his feet displayed a less welcoming message, but it summed up the sense of humor of the lawyers who worked there: COME BACK WITH A WARRANT. It made Jack smile, even if this wasn't the hill-blown homecoming that his former colleagues wanted. More than a decade had passed since Jack's resignation, but a four-year stint with the Freedom Institute had been his first job out of law school. At the time, "law-and-order" governor Harry Swyteck—Jack's father—was on his way toward signing more death warrants than any chief executive in Florida history. Their public clash was a political embarrassment. Harry might not have taken it so personally if Jack hadn't aligned himself with a ragtag group of former hippies who were under the mistaken impression that the state flower was cannabis and the national anthem was "Kumbaya." There was Eve, the only woman Jack had ever known to smoke a pipe. Brian, the gay surfer dude. And Neil Goderich, their fearless leader, a ponytailed genius who had survived Woodstock. To outsiders, Jack was the odd man out. But they became friends, and his resignation didn't change that. The split was more about style than substance. Forcing the government to prove its case beyond a reasonable doubt was enough for Jack. Getting another guilty man off death row didn't make him want to break out a three-dollar bottle of cold duck and throw a party. Or issue a press release. Jack pushed open the door and stepped inside. "Jack is back!" shouted Hannah. Neil's daughter was as young and idealistic as Jack had been when Neil had taken him under his wing. It was hard to believe that his mentor was gone forever, walking on over the hill with Abraham, Martin, and John. "I guess you could say I'm back," said Jack. "Sort of" Hannah was a foot shorter than Jack, and she raised up on her toes to give him a big hug and a peck on the cheek. Eve and Brian were standing right behind her, each with a small suitcase in hand. Jack would have bet money that Brian's corduroy jacket was the same one he'd worn on the day of Jack's resignation.“
“I'd be there now, getting soaked, if I wasn't so determined to speak to Jessica. If I can get her alone, there are a good few questions I'm going to ask, but it's as if she senses this. She's playing for time, Miss Florence Nightingale, helping Mum change the baby and scrub the vegetables for dinner. I'm in the doghouse, meanwhile, for dumping all the shopping in the rain. I watch Dad. I watch everyone. Suddenly I feel like a spy. I'm the one who's different, I'm the one with the knowledge — I wouldn't trust me, if I was them. What's changed? My mind is working overtime, reassessing everything. But Dad seems the same, snapping open a beer as he dumps himself into one of the cottage's chintzy armchairs to sort through a pile of unopened office mail. `How far would we have to go, do you think,' he ponders aloud, screwing his face up into a mask of weariness and disgust, `to get away from all this crap?' `Not much further,' Mum offers from the kitchen. 'Another phone call like yesterday's, and they'll probably take you at your word.' There's a long pause in which Dad seems to be replaying yesterday's phone call, enjoying the recollection of what was obviously a choice exchange. `They love it,' he says. 'Panics the accountants. They won't know what they've got unless they're made to sweat blood for it.' When it comes to work, Dad likes a bit of passion to enter into things. I don't think he's happy unless emotions are aroused, and certainly where his current scam is concerned — a bloody great steel and glass pyramid for a Korean bank in Docklands —he's played devil's advocate from day one. Bad enough that he has to work for these wankers, he says — no reason to make it easy for them. But I think it's a bluff. I think his work is what drives him, and coming down here to Devon has nothing to do with getting away from it all, it's just another way of giving them the finger. Dad peers in the direction of the kitchen, stuffing the torn envelopes he's been opening into one of the big manila ones.”
Alexander Stuart (Brighton, 27 januari 1955) Cover DVD
De Belgische, Franstalige, schrijver Guy Vaeswerd geboren op 27 januari 1927 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Guy Vaesop dit blog.
Uit : Une descente aux Enfers. À propos de Hugo von Hofmannsthal
« l renoncera donc au crépusculaire et maladif Böcklin, pour s’exposer aux clartés précaires de ceux qui expérimentèrent le pointillisme : Derain, Maurice Denis et Van Gogh qu’embrassera finalement la dévorante clarté du Midi. C’est ainsi que Jean-Yves Masson, sachant que si l’on a parlé du Haut on ne peut trop longtemps délaisser le Bas, crainte d’altérer la crédibilité du réel, insistera, sans jamais faire appel au jargon des philosophes, sur la symbolique des couleurs dans La Femme sans ombre. L’atelier d’un teinturier y tient une place, sinon un rôle, essentiel. D’où la conclusion de Masson : « La couleur est pour Hofmannsthal cet élément capable de réconcilier une jouissance parfaitement sensuelle du monde avec la dignité spirituelle de l’homme. » Et il ajoute : « Si ma Femme sans ombre ne pouvait rester un opéra, c’est peut-être parce qu’une telle thématique ne débouche pas sur un éloge implicite de la peinture. » Bref, encore un appel du monde réel, et même sinistrement réel, vers lequel nous glissons. Abordant ce que Hofmannsthal appelle « le mystère de la pleine lumière », phénomène qui risque d’amoindrir le visible pour peu qu’on incline vers l’abstraction, sinon vers une approche mystique, nous ferons à nouveau pencher la balance vers la couleur, elle qui constitue l’univers matériel, la harcelante abondance des formes qui en sont le support. Il est d’autant plus important de s’en imprégner qu’elle, la couleur, est promesse de guérison. Suivons Masson dans son analyse des deux dernières Lettres du voyageur à son retour : « Le voyageur dont l’âme est atteinte d’une maladie spirituel le qui caractérise toute la conscience européenne moderne entrevoit comme la possibilité d’une guérison en découvrant les toiles de Van Gogh, parce que celles- ci livrent, dans le discours muet de la couleur, la chair même du monde. Il ne fait pas de doute que c’est la genèse d’une telle perception régénérée que voudrait restituer l’écriture de La Femme sans ombre."
Guy Vaes (27 januari 1927 – 27 februari 2012) Scene uit een opvoering van de opera "Frau ohne Schatten“, Berlijn, 2017
Schon geh ich in die Knie, auf dem Buckel ein Bündel Toter Zwillinge, die zucken und gebärden sich, Als wären sie noch am Leben, die halbierten Vaterländer, ich meine das Meine und eure zwei, meine Brüder, Jetzt sind es schon vier, sie vermehren sich Schnell nach jeder Badekur, und die gevierteilten Städte Zu Lande und zu Wasser, im Himmel wie auch auf Erden, Wie heißt die eine, aus der ich gefallen bin? Sprich lauter, ich kann nichts verstehen, Die Fangschüsse, die Volltreffer, die Tellerminen Aus dem Staatshaushalt, so heißt sie nicht, wie heißt sie, die sich so viele Hunde hält Im Graben vor der schönen Akademie der schönen Künste, Zwölf Rudel, die dich verarbeiten ohne Wenn und Aber, Aher wenn du es hinter dir hast, darfst du kommen Drei Tage und ewig, mein zusammenhangloser Bruder, Ach, wie heißt sie, es ist ein schöner Name, Wenn du da bist in Sack und Asche Flüstere ich ihn dir ins fehlende Ohr.
Uit:The tempering of Russia (Vertaling door Alexander Kaun)
“JULY 18 I met the commander of a partisan detachment. There are among the partisans some peasants who had fought in such squads twenty-three years ago. These are regarded as professors. There are also mere kids. An army of grandfathers and grandchildren. An old forester leaped from a tree on a German motorcyclist, gripped his throat, and made him drive to our forces. Three German parachutists landed on a hilly field near a pioneers' camp. A group of children teased them and made them fire all their bullets while they kept hiding behind little mounds. When the Germans had no more bullets, the children jumped at them with threshing-flails and drove them to the nearest town. Soviet boy scouts: Here is an order of the German command: BURGHERS AND VILLAGERS! Should partisans be discovered on the territory of your town or village about whom you have failed to report to the German command, all of you, without exception, will be put down as spies of an enemy state and as such will be hanged. The "burghers and villagers" read the order, but they fail to report; they are Soviet people. In one village the Germans beat little children before their mothers' eyes in order to force information about the whereabouts of the partisans. The mothers keep silent.”
Ilja Ehrenburg (27 januari 1891 – 31 augustus 1967) Cover
“A kind of doom seems to hang over some families. One notices it particularly among the class of small landowners scattered all over Russia who, having no work to do, no connection with public life, and no political importance, were in their day sheltered by serfdom, but now, with nothing to shelter them, are ending their days in their crumbling country-houses. Everything in those pitiful families’ existence — success and failure alike — is blind, unexpected, haphazard. Sometimes such a family is suddenly caught up as it were by a wave of good luck. Some humble retired lieutenant and his wife vegetating in the wilds of the country suddenly produce a whole bevy of spruce, alert, sturdy children who show a wonderful aptitude for mastering the essentials of life. They are ‘"clever” children, all of them, both boys and girls. The young men do excellently at school and, while still there, form good social connections and find patrons. They know when to behave modestly {‘'J'aime cette modestier their superiors say) and when to show independence {''faime cette independancer) ; are very sensitive to every wind that blows and never break with any movement without leaving a safe loop-hole through which they can creep back if necessary. Thus they ensure that as long as they live they can either shed their skin at any time without any trouble at all, or, in case of emergency, to change back into it again. In short they are true children of the age who always begin by seeking favours and almost always end by perfidy. As to the girls, they, too, further the family fortunes in their special line, that is, they make good marriages and afterwards show so much tact in bestowing their charms that they easily win prominent positions in so-called society. Thanks to all these chance circumstances, luck simply pours upon the humble family. Its first successful members having won their way through bring up another spruce generation who find life easier because the path has not merely been marked for them but beaten down, too. That generation will be followed by others until at last the family naturally becomes one of those who regard a life of continual jubilation as their birthright.“
Mikhail Saltykov-Shchedrin (27 januari 1826 – 10 mei 1889) Cover
„Nehmt dem nordamerikanischen Continent die eingeborenen Jäger und die wandernden Bisonheerden, und er verliert die letzte Poesie, mit welcher ihn die freigebige Natur so reich bedachte und die weder durch Eisenbahnen, noch durch weithin sichtbare Schornsteine von Brennereien und Fabriken, weder durch eine nach manchen Richtungen hin gewissenlose innere Politik, noch durch salbungvolle Lehren fanatischer Priester ersetzt werden kann.“ Diese Ansicht sprach ich in einem frühern Werke aus, als ich des rücksichtslosen Vordringens der Civilisation und des in Folge dessen fast unvermeidlichen Unterganges einer ganzen Menschenrace erwähnte. Ganz dieselben Worte wiederhole ich hier, indem ich meine Blicke auf die bildliche Darstellung einer Gruppe von Assineboin-Indianern hefte; aus inniger, fester Ueberzeugung wiederhole ich sie, unbekümmert darum, ob der in denselben liegende harte, aber gerechte Vorwurf nur einzelne Individuen oder ganze Nationen trifft. – Oder sind die rothhäutigen Krieger und die zottigen Bisons vielleicht nicht würdig, als die Poesie bezeichnet zu werden, welche die endlosen Wildnisse, die oceanähnliche Prairie wie den undurchdringlichen Urwald, die anmuthigen, reich bewässerten Thäler wie die majestätischen, eisgekrönten Gebirgszüge so entsprechend, so romantisch belebt?“
Balduin Möllhausen (27 januari 1825 – 28 mei 1905) Een tekening van vier Indianenstammen door Möllhausen uit 1861
“SERJEANT. Why, hussy, you don't hint at your mother-in-law? CHARLOT. Indeed, Sir, but I do. SERJEANT. Ay; why this is point blank treason against my sovereign authority: but can you, Charlot, bring proof of any overt acts? CHARLOT. Overt acts! SERJEANT. Ay; that is any declaration by writing, or even word of mouth is sufficient; then let 'em demur if they dare. CHARLOT. I can't say that, Sir; but another organ has been pretty explicit. SERJEANT. Which? CHARLOT. In those cases a very infallible one—the eye. SERJEANT. Pshaw! nonsense and stuff.—The eye!—The eye has no authority in a court of law. CHARLOT. Perhaps not, Sir, but it is a decisive evidence in a court of love. SERJEANT. Hark you, hussy, why you would not file an information against the virtue of madam your mother; you would not insinuate that she has been guilty of crim. con.? CHARLOT. Sir, you mistake me; it is not the lady, but the gentleman I am about to impeach. SERJEANT. Have a care, Charlot! I see on what ground your action is founded—jealousy."
Samuel Foote (27 januari 1720 - 21 oktober 1777) Russell Beale als Samuel Foote in een uitvoering van “Mr Foote’s Other Leg”, Londen, 2015
De Nederlandse schrijfster en journaliste Jannetje Koelewijnwerd geboren in Amsterdam op 27 januari 1959. Koelewijn groeide op in Amsterdam en studeerde Nederlands aan de Vrije Universiteit. Hierna werkte ze twaalf jaar bij Vrij Nederland. In 1994 publiceerde zij het boek “Het koningsdrama van Fokker” over het conflict in de bestuurstop van de vliegtuigbouwer. In 1997 trad zij in dienst bij NRC Handelsblad. Later schreef zij onder meer “Alleen winnaars overleven” over topondernemers in het Nederlandse bedrijfsleven en “De alledaagse dood” over chronisch zieken en hun nabestaanden. Veel boeken van Koelewijn zijn gestaafd op interviews met direct betrokkenen bij de onderwerpen waarover zij schrijft. Koelewijn is verbonden aan Uitgeverij Atlas in Amsterdam. In 2011 publiceerde zij “De hemel bestaat niet” over het leven van haar ouders en voorouders in Spakenburg en Amsterdam. Een signeersessie in Spakenburg moest worden afgelast omdat een familielid van Koelewijn protest aantekende bij de boekhandelaar waar de sessie plaats zou hebben. Volgens het Reformatorisch Dagblad zou niet iedereen in het dorp zich kunnen vinden in de manier waarop zij het orthodox-protestantse geloof in het dorp besprak. Begin 2012 kwam Koelewijn in het nieuws na het publiceren van informatie over het ski-ongeval van prins Friso. Een zakelijke relatie van haar man had haar over de toestand van de prins medische informatie gegeven, die zij publiceerde in NRC Handelsblad.[4] Er kwam veel kritiek op zowel het handelen van haar man, de arts in kwestie, het artikel van Koelewijn als de uiteindelijke publicatie door NRC Handelsblad.
Uit: Heilbrons hel
“Laat in de middag, vroeg in het nieuwe millennium, een kilometer voor het Shell-tankstation langs de a2 ter hoogte van Breukelen. Lucas Pauw keek op zijn horloge, een verguld Omega-horloge dat nog van zijn grootvader was geweest, en daarna op het digitale klokje naast de snelheidsmeter op zijn dashboard. Twaalf over vijf. Tijd zat. Hij liet zijn blik van de binnenspiegel naar de buitenspiegel gaan, en vandaar verder naar rechts om te controleren of er geen medeweggebruiker in zijn dode hoek zat, gaf vervolgens het stuur een tikje in de richting van de uitvoegstrook en liet het gaspedaal los. Strikt genomen hoefde hij niet te tanken, maar je wist nooit hoe zo’n eerste avond zou verlopen. Beter trouwens om even een plastic wegwerphandschoen aan te trekken. Bij een gelegenheid als deze wilde je niet naar benzine ruiken. Hij haakte de slang los uit de houder, controleerde of er geen druppels aan het mondstuk hingen en stak het in de opening van de benzinetank. Terwijl hij in het handvat kneep om de pomp in werking te stellen keek hij gedachteloos naar de andere automobilisten die stonden te tanken en naar de Shell-shop, waar hij zo moest afrekenen. Het was al donker en er waaide een kille noordenwind, waardoor het binnen bij de kassa’s en de schappen met snoep en chips des te warmer en uitnodigender leek. Het licht viel in een wijde cirkel op het asfalt rond de glazen pui en scheen ook op de netten met houtblokken voor de open haard die daar lagen opgestapeld. Bij de ingang stonden emmers met in folie verpakte tulpen en chrysanten. Daarnaast: een schoolbord waarop in onhandige letters heden verse Vlaamse friet was geschreven. Rondom waren vlaggetjes getekend en in de hoeken stond afwisselend: Nieuw! lekker! nieuw! lekker! Hij huiverde. Hij had geen jas aan. Bij drieëntwintig liter sloeg de pomp af en hij liep naar binnen om te betalen. Het rook er naar vers brood en nog iets anders. Geen friet. Gebakken spek. Ham. De rij voor de kassa was lang. Achttien over vijf. Nog steeds tijd zat. Hij haalde zijn portefeuille uit zijn achterzak en stelde tevreden vast hoe los zijn broekband om zijn middel zat. Vijftien kilo in drie maanden. Het ging de goede kant op. Kijk nou eens naar die kerels die daar bij de counter met de warme snacks rondhingen. Ze vraten zich helemaal klem aan bamiballen en kroketten. Wat had die vent daar links nou op zijn bordje liggen?"
Hoe voelde dat voor je, soldaat in eigen huis in oorlog met de werkelijkheid bevelen opvolgen van je meerderen die in je elpees woonden?
Wist je nog wel pacifist voor wie je moeite deed, voor wie je aan het front streed dat elke ochtend oprukte tot aan je bed?
Was je bang toen je boos was, verdrietig toen het er niet toe deed?
Wie maande je om niet te deserteren, beval je om je helm af te zetten, schoot je door je hoofd?
De man aan de kade
Er hangt een man aan de kade, handen aan het stenen randje, gezicht naar de muur. Zijn voeten zoeken op het water naar steun, maar zijn al moe.
Soms kijkt hij een beetje schuchter over zijn linkerschouder stroomafwaarts naar de zee en denkt hij: ik hoef maar tot daar, minder nog dan tien minuten lopen.
“Mijn dankbaarheid jegens de poëzie in het algemeen is niet zeer groot. Dat ligt minder aan de poëzie dan aan de woordenzwendel, waarmee men haar placht en pleegt te omgeven. Er is in Nederland zoveel getheoretiseerd over het schoon van verzen, dat men zich als redelijk mens wel moet afvragen, welke grond er kan zijn voor al die theorie, als toch (volgens de theoretiserenden zelf!) onze poëzie zoo phaenomenaal in bloei is geweest, dat zij wel voor zich zelf zou kunnen spreken. Men begrijpe mij wel: ik loochen die bloei allerminst, maar ik sta er enigszins plantaardig tegenover; de vele verheven commentaren over het ‘wezen’ en de ‘magie’ der dichtkunst heb ik voor mij niet nodig om aan een bloeiperiode te geloven, evenmin als ik daaraan behoefte heb tegenover het thans weder alom ontluikende speenkruid. Wij zijn doorgaans weinig eerlijk tegenover onszelf, wanneer wij over het lezen van poëzie spreken. Niemand durft ronduit een beschrijving te geven van de wijze, waarop hij die poëzie eigenlijk geniet. Men kan echter onmogelijk poëzie lezen, zoals men een roman of een essay leest; daartegen verzet zich het ‘bezwerende’ karakter van het gedicht (ik denk nu aan het korte gedicht, dat volgens Poe de enig-mogelijke vorm van poëzie is), daartegen verzet zich ook de afgeronde vorm, die met de continuïteit van het romanproza en het essayistisch betoog maar betrekkelijk weinig uitstaande heeft. De wijze, waarop men een gedicht opneemt, is in veel opzichten meer verwant aan het zien van schilderijen dan aan het lezen van boeken. Men leest eigenlijk geen vers; men leest het hoogstens over; daarna behoort het in ons gevloeid te zijn als een geheel en voor ons te staan als een beeld. Alle poëzie, die poëtisch effect heeft, is een verbinding van (meestal niet overheersende) logische gedachtencombinaties met de toets van het op één moment aansprekende beeld. Bijna had ik gezegd: anders is zij geen poëzie, maar de herinnering aan de stoute beweringen van de zendelingen der ‘poésie pure’, doet mij nog juist bijtijds zwijgen. Ik geef deze observatie dus niet als een recept, maar als een persoonlijke indruk.”
Menno ter Braak (26 januari 1902 - 14 mei 1940) Cover
und ein Boot legt an Böcklin malt ein Boot, das anlegt, umschattet, soghaft. Ein Bootsmann, namenlos, allzu willig, sich preiszugeben. Hitler besaß eine Version, Utoya wurde eine Insel umschattet, soghaft. Ein Boot legt an, an Bord ein Tod ein Übergangsadvokat Böcklin malt ein Boot, das anlegt. Ein Bootsmann namenlos, Versionen von Breivik. An Bord ein Tod, friedlos, umsogen, schattenhaft, schemenlos, eine Insel und
Hab vergessen
Hab vergessen Zu benennen wie die Straßen Die Dingen auf denen die Tassen Im Regal dort hinten in der Auffahrt Steh ich nackt Die Haare offen trag ich deinen Ring Kommt ein Mann täglich Wie ein wie heißen die Will mich Kindlein wiegen Streichelt über meine Wange denk ich Mörder du Dieb Sie lassen Sie das Bitte weitermachen unablässig Riech ich nach Arnika alte Frau Rufen sie mir zu ich frage sie wen meint ihr damit Steh ich nackt in der Auffahrt Hab vergessen
Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)
« The Axe Boy lived downstairs. We were friendly because he was forever walking an ugly little dog I patted when I bumped into them in the hall. As you've seen from the pictures, he was nothing special to look at. The only odd thing I noticed was his eyeglasses: they were almost always dirty—that foggy, smudged look which makes you want to take out your own hanky and give them a good cleaning. "A good boy." Why do newspapers always use terms like that? "Everyone who knew him thought of the murderer as a good boy who loved his parents, was a member of the Eagle Scouts and spent his spare time collecting Asian stamps." Even my wonderful husband Danny said that after most of the grisly details came out. "He seemed like a good kid, didn't he, Cullen? ‘Axe Boy'? Jesus, what a thing to call someone!" "Danny, our young friend ‘Axe Boy' Alvin Williams chopped his mother and sister into pieces exactly one floor below our apartment. A good boy he is not." Danny had that quality and most of the time I loved him very much for it: the world is to be forgiven. Axe Boys, dogs that shit in the middle of the sidewalk, dangerous drivers…they know not what they do. I forgive nothing. If you stole my orange crayon in the fifth grade, you're still on my hit list, buster. We were eating breakfast and Danny was reading the story to me from the paper. The thought of that murderous creep snoozing below us not long before still made my fanny tingle. "He says he didn't know what came over him." "Oh, really? Well, I hope the next thing that comes over him is a noose!" "Cullen, you've interrupted me four times since I began reading this article to you. Would you like me to go on, or would you rather do a monologue?" But he smiled when he said this because he wasn't really angry. When Danny got angry, he became quiet. Then you ran and hid under the bed for a very long time until he spoke again. "You can go on, but he doesn't deserve any sympathy."
Jonathan Carroll (New York, 26 januari 1949) Cover
Wir genießen die himmlischen Freuden, Drum thun wir das Irdische meiden, Kein weltlich Getümmel Hört man nicht im Himmel, Lebt alles in sanftester Ruh; Wir führen ein englisches Leben, Sind dennoch ganz lustig daneben, Wir tanzen und springen, Wir hüpfen und singen, Sanct Peter im Himmel sieht zu.
Johannes das Lämmlein auslasset, Der Metzger Herodes drauf passet, Wir führen ein gedultigs, Unschuldigs, gedultigs, Ein liebliches Lämmlein zum Tod. Sanct Lucas den Ochsen thut schlachten, Ohn einigs Bedenken und Achten, Der Wein kost’t kein Heller Im himmlischen Keller, Die Engel, die backen das Brod.
Gut Kräuter von allerhand Arten, Die wachsen im himmlischen Garten, Gut Spargel, Fisolen, Und was wir nur wollen, Ganze Schüssel voll sind uns bereit Gut Äpfel, gut Birn und gut Trauben, Die Gärtner, die alles erlauben. Willst Rehbock, willst Hasen? Auf offner Straßen, Zur Küche sie laufen herbei.
Sollt’ etwa ein Fasttag ankommen, Die Fische mit Freuden anströmen, Da laufet Sanct Peter Mit Netz und mit Köder Zum himmlischen Weiher hinein; Willst Karpfen, willst Hecht, willst Forellen, Gut Stockfisch und frische Sardellen? Sanct Lorenz hat müssen Sein Leben einbüßen, Sanct Marta die Köchin muß seyn.
Kein Musik ist ja nicht auf Erden, Die unsrer verglichen kann werden, Eilftausend Jungfrauen Zu tanzen sich trauen, Sanct Ursula selbst dazu lacht, Cecilia mit ihren Verwandten, Sind treffliche Hofmusikanten, Die englische Stimmen Ermuntern die Sinnen, Daß Alles für Freuden erwacht!
Achim von Arnim (26 januari 1781 - 21 januari 1831) Bettina und Achim von Arnim-Museum, Künstlerhaus Schloss Wiepersdorf
De Surinaamse dichter Bhai (eig.James Ramlall) werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname. Zie ook alle tags voor Bhai op dit blog.
Prem-sangit (Liefdes-Muziek)
Are Maha-sagar! kwaad noch goed zijt Gij Uw uitgestrektheid vormt ons scheiden. Toch is zij in mij, ben ik in haar. Twee zijn wij één. Gelijk de gapend' aardwond en 't water d'oceaan.
Mamta (Moederliefde)
Buiten ritselen de bladeren, Een zachte wind speelt rondom het huis.
Binnen zit een vrouw De handen gevouwen op haar schoot, Kijkt stil tevreden voor zich uit....
Haar gedachten gaan naar hen, die zijn doch niet bij haar, maar wel ìn haar aanwezig zijn.
Bhai (District Suriname, 26 januari 1935) Het standbeeld van Kwakoe in Paramaribo, ter herdenking van de afschaffing van de slavernij.
“In ‘De Paardenwei’, waar de vloer een trede lager lag dan de straat, rook het naar bier en fijne zware en naar de stal, die aan de gelagzaal paalde. Op schabben tegen de wand waren de prijzen voor een lief dadigheidstombola tentoongesteld: postuurkens, schouw- en lavabogarnituren, gleiswerk. Als kind was ik steeds bekommerd om te weten wanneer al die fraaiigheden zouden verloot worden. Mijn vader kocht telkens loterijbriefjes, maar iets winnen deed hij niet. Aan de Paardenmarkt lagen grote herenhuizen. Voorbij ‘De Paardenwei’ woonde de huidenkoopman Königs-Gunther en aan zijn magazijn rook men ongelooid leder. Tussen het knechtjeshuis - nu de Nijverheidsschool - en het koopmanshuis is nu nog een tehuis voor oude vrouwen. Het knechtjeshuis was toen nog als jongensweeshuis in gebruik. Even een paar huizen nog scheiden het van de Rodestraat. Ik leerde de straat ontdekken, wanneer ik als kind met de meiden de wekelijkse was naar de bleek vergezellen mocht. De huisjes rond het grasplein in Sint Blasiusgodshuis of in het godshuis der Zeven Bloedstortingen hadden bloempotten voor de ramen en langs de geveltjes werden Spaanse kers en ‘bonjourmadammekens’ langs touw en latwerk opgeleid. Het was er zalig stil, rook naar frisse was en besproeid gras. Hier was alle drukte verbannen. De wijvekens fezelden er onder elkaar en de ventjes hadden enig knutselwerk of rookten gezapig de pijp, keken de wolken na of de rook die uit schouwen opsteeg. Tegen de muren hingen vogelkooien met vink of kanarie. De fijne zware mocht me nog zo erg de keel prikken of een hoestbui bezorgen, toch was ik geboeid door het knutselwerk en volgde Jeannette of Bertine maar met lome schreden. Een van beiden heeft me meegenomen naar het Begijnhof tegen de Ossenmarkt. We hebben er langs de straatjes geslenterd over kinderkopjes van keien... Een besloten stadje leek het me toen. Ik had er lang kunnen dwalen, nieuwsgierig en onbekommerd. Maar de meid meende, dat we ons verlaat hadden en we holden dan maar de straten door tot we buiten adem waren. Het mocht niet helpen, want mijn; geestdrift over de ontdekkingen was zo groot, dat ik het niet zwijgen kon. Aan de overzijde waren de zusters Apostellinen gevestigd. De tuin vormde de hoek met de Rijnpoortvest. In de papschool, dat wisten wij wel, moesten de kleuters op bevel met de klepper bidden, zingen, slapen en wat er verder nog te pas kwam.”
Lode Baekelmans (26 januari 1879 - 11 mei 1965) Knechtjeshuis en Stedelijke Nijverheidsschool aan de Paardenmarkt in Antwerpen
de winter is een vals wijf zonder kleren met een eng dun gerimpeld lijf een koude adem en een lage hartslag
ze heeft op alles iets aan te merken zelfs op de manier waarop je je tanden poetst en hoe je daarbij jezelf aankijkt in de spiegel kan anders verfijnder strenger ernstiger meer volwassen
Tags:Jos van Daanen, Menno ter Braak, Nora Gomringer, Jonathan Carroll, Achim von Arnim, Bhai, Lode Baekelmans, Michiel van Rooij, Martijn den Ouden, Romenu
De VSB Poëzieprijs 2018 is gewonnen door de Nederlandse dichter Joost Baars. Baars nam de prijs en het bijbehorende geldbedrag van 25 duizend euro gisteren in ontvangst in Den Haag uit handen van juryvoorzitter Maaike Meijer. Naast "Binnenplaats" van Baars waren ook "Nachtroer" van Charlotte Van den Broeck, "Vonkt" van Marije Langelaar, "Ja Nee" van Tonnus Oosterhoff en de bundel "Leger" van Mieke van Zonneveld genomineerd. Joost Baarswerd geboren op 2 oktober 1975 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Joost Baars op dit blog.
kosmologie van het tapijt
daar opende zich onder haar in wat genoemd was het tapijt een wormgat
daar taalde de materie naar die als vanzelfsprekend haar omgaf kamer tafel laminaat lamp boekenkast en cel voor cel het weefsel waarin ze was vervat
ze greep zich aan de polen vast
daar in die zwaartekracht waar wat genoemd is zwaartekracht en dat ons grondt aan wordt ontleend als een magnetisch veld rond de planeet dat er uiteindelijk niet tegen is bestand
daar 112’de ik de taal die ik nog had het adres (en er was) een ambulance (en er kwam) het is haar hart (ze was er nog) dat wegvalt (wormgat)
daar klonk een stem en er was tijd genoeg voor wat zich daar voltrekken moest
daar lag ze op het vloerkleed als een pasgeboren baby’tje dat naamloos op haar noemer wacht
dode hond
ik loop op een eiland genaamd dode hond en denk aan mijn broer
die op een snikhete dag zijn auto op slot deed
en daarbij zijn hondje vergat. dode hond heet zo omdat
er een hond ligt begraven. toen ik klein was hoorde ik ooit het gejank
van een krolse kat, hield die hartverscheurende klank voor gehuil van mijn broer, liep door de nacht
naar zijn kamer, deed de deur open en zag dat hij sliep, dat
hij het niet was. dode hond
is een kunstmatig eiland, net als mijn kamer in het huis waar wij opgroeiden,
net als mijn broer, net als ik,
als een auto met gesloten ramen in de zonzee geparkeerd.
De Roemeense schrijver, criticus, letterkundige en vertaler Florin Irimiawerd geboren in Iași op 26 januari 1976. Hij is assistent-professor aan de faculteit Letteren van de Alexander Jan Cuza-universiteit in Iași. Sinds 2001 heeft hij literatuurbesprekingen bijgedragen aan Observator Cultural, Roemenië Literara, Dilemateca, Timpul en Suplimentul de cultura, waarin hij een wekelijkse column schrijft. In 2009 debuteerde hij als schrijver in Noua Literatura (onder de naam Eduard Tautu) en in 2011 publiceerde hij zijn eerste roman, “Defekt”. Zijn roman “O fereastră întunecată” (“Een donker venster”) verscheen in 2012. Hij heeft “Oryx and Crake” van Margaret Atwood vertaald (2008) en mede-vertaalde, met Nicoleta Irimia, “Alias Grace” van dezelfde auteur (2013). Hij publiceerde kort proza in Familia, Steaua, Timpul, Zona Literara en Ziarul deIași. De roman "Câteva lucruri despre tine” (“Een paar dingen over jou”) verscheen in 2014.
Uit: A Few Things about You (Vertaald doorAlistair Ian Blyth)
"I wake up abruptly and it is dark. I am alone and something tells me that I ought not to be and that in a few seconds the fear will grip me once more. Fear and revulsion at something. Something I have done, something that ought not to have happened, but did happen, something horrible, like an incurable disease, like a premature and violent death. Something for which I will have to make a reckoning. My ears are hissing like I had two seashells bunged inside them, and somewhere, in my brain, a malevolent little man is crushing a mound of walnuts with a hammer. There ought to have been someone beside me in bed. Yes, a sleepy, naked woman, my guarantee that I have things under control. A trace of memory, a diffuse feeling, the memory of a reality that perhaps did not take place signals to me the absence. I try to detect a trail of perfume in the air, among the sheets, something to tell me that I am not mistaken, but when I inhale I smell only the ordinary odour of a hotel room. I close my eyes and my limbs begin to tremble, a fine, almost imperceptible tremor, which would be visible only on a sheet of transparent plastic. Then, I think I fall asleep. And I become thirsty. I dream I get out of bed and go to the bathroom to pour myself a large glass of water. The door is closed, but the light is on inside. As if somebody were in there already. As if that somebody were waiting for me. I can hear the tap running, evenly, monotonously, conveying to me some kind of message. I dream that I am afraid. I grip the doorknob and am about to turn it, but in that same instant I wake up. I lie motionless, waiting to ascertain where I am (in a hotel room), whether it is summer or winter outside (it is spring), what day and month of the year it is (3 April). I couldn’t remember any of all that. In the end I looked around for a clock (my wristwatch has vanished or perhaps I never had one) and I found one in the form of a mobile ‘phone, placed neatly on the bedside table. The hour, the day and the month. The year is the current year... As for the hotel, I know only that it is a tall building, because I looked out of the window just now. I couldn’t see much – the window is small and rather narrow – but I saw that it was snowing, I have no idea what town this is, in this country all the towns look the same – but I could see that I was high up. At least literally, if not otherwise. I have always liked to take a hotel room on an upper storey. That I remember. It is as if you are above your destiny, above what others have decided in your stead. Which is an illusion, obviously.”
Renate Dorrestein, Lisa Weeda, David Grossman, William S. Maugham, Virginia Woolf, Stephen Chbosky, Alessandro Baricco, Paavo Haavikkom, Robert Margerit
““Pal boven me hing een roofvogel te loeren op een prooi. Kale bomen, halfbezwijkend onder trossen maretak, strekten hun takken uit naar de vale hemel. Kraaien pikten met felle bewegingen in een omgeploegde akker. Je had hier vreemde grondsoorten, löss en mergel. En grottenstelsels waarin je voor altijd kon verdwalen, met als enig gezelschap de vleermuizen die er kwamen overwinteren. Eerder op de dag was ik langs gammele schuurtjes van geteerd hout gereden, met naast een ervan een pony die suïcidaal uit zijn ogen keek. En overal kruisbeelden en kapelletjes, opgetuigd met plastic bloemen die door de jaren heen hun kleur hadden verloren. Midden op de vijfsprong op de heuvel stond ook zo’n kruis. Op zoek naar houvast liep ik er over de onverharde weg naartoe. Het was niet groot, het reikte maar net tot mijn middel. Ik moest me bukken om de inscriptie te kunnen lezen: ‘Red ons, Heer.’ Schielijk draaide ik me weer om. Ik had nu ergens in een dorpscafé achter een biertje kunnen zitten, gebrouwen met water uit eigen bron en hop en gerst van eigen land. Als ik maar beter had opgelet. Als ik de tekenen niet veel te lang in de wind had geslagen, was ik hier zelfs nooit beland. Maar geluk maakt je lui en zelfgenoegzaam. Veel mensen schijnen het te betreuren dat je geluk niet kunt hamsteren, zoals bijen met hun honing doen, zodat je je opgeslagen voorraad kunt aanspreken als de nood aan de man komt. Die mensen realiseren zich niet dat het oprakelen van oud geluk juist een afschuwelijke bezigheid is. Ik ging weer in mijn auto zitten en tuurde onthand door de voorruit. Verder van huis dan hier in Zuid-Limburg had ik niet kunnen komen zonder de grens over te rollen. Kilometers maken. Afstand creëren. Moest ik rustig afwachten totdat er iemand langsreed die me zou kunnen vertellen dat er een paar kilometer verderop al een benzinepomp was, als je de weg tenminste wist? Zo ver kon ik nu ook weer niet van de bewoonde wereld vandaan zijn. Vanmiddag was ik door het ene dorp na het andere gereden, zonder dat een verblijf in een ervan me aantrekkelijk had geleken.”
“Mijn handen trillen om de plastic hengsels van mijn ALDI-tas. Ik schud ze los, recht mijn rug tegen de leuning van de bank. In mijn laatste schone T-shirt zit ik tegenover twee meisjes met doorschijnende blouses. Net werd een man met een ronde bril omgeroepen. De zaal gonst. ‘Heb je zo’n zenuwen jongen?’ Ik ken Annie net een half uur. Ik weet dat ze vierenzestig is, minstens negentig kilo weegt en inmiddels ook dat ze niet begrijpt hoe het opladen van een OV-chipkaart werkt, dat haar man gepensioneerd bouwvakker is en ze al weken naar deze dag uitkijkt. ‘Een beetje,’ mompel ik. ‘Wat ga jij bakken?’ Annie beweegt haar hand naar mijn meegebrachte spullen. ‘Een tarte tatin,’ zeg ik. ‘Met peren.’ Ik schuif de tas een stuk van haar weg en probeer daarbij geheimzinnig maar dwingend naar haar te lachen; optiefen, oude graftak. Annie gaat een stuk van me af zitten. Ik voel het bankje trillen wanneer ze haar billen opzij schuift. Het hout schokt, ik bibber als een kind op een duikplank. Een kort moment kijkt ze naar mijn vale shirt, mijn afgetrapte Nikes. ‘Je ziet er niet uit als iemand die bakt.’ Ik kijk terug. Haar borsten hangen minstens vijftien centimeter lager dan de borsten onder de blouses van de meisjes tegenover ons. ‘Ik doe het voor mijn moeder.’ Als mijn naam wordt omgeroepen sta ik op en klop Annie onhandig op haar schouder. De huid onder haar shirt trilt een beetje na wanneer ik mijn hand weghaal. Daarna loop ik richting de brede schuifdeuren.”
Uit: Komt een paard de kroeg binnen (Vertaald door Ruben Verhasselt)
“Goedenavond, goedenavond, goe-den-avond Caesareaaaaaa!’ Het podium is nog leeg. De schreeuw weergalmt achter de coulissen. De mensen in de zaal vallen langzamerhand stil en glimlachen verwachtingsvol. Een broodmagere, kleine, gebrilde man vliegt door een zijdeur het podium op, alsof hij erop wordt gesmeten of getrapt. Hij maakt struikelend nog een paar passen, valt bijna, vangt zijn val op met twee handen op de houten vloer. En dan steekt hij abrupt zijn achterste omhoog. Hier en daar wordt in de zaal gelachen en geklapt. Er komen nog steeds luidruchtig kletsende mensen binnen. ‘Dames en heren,’ roept iemand die van achter een controlepaneel met samengeperste lippen de belichting verzorgt, ‘geef hem een applaus, hier is Dovele G.’ De man op het podium staat nog voorovergebogen in een aapachtige houding, zijn grote bril scheefgezakt op zijn neus. Hij draait zijn gezicht langzaam naar de zaal en blijft lang kijken, zonder met zijn ogen te knipperen. ‘Aha,’ bromt hij, ‘geen Caesarea, hè?’ Er klinkt gelach. Hij komt traag overeind en klopt het stof van zijn handen. ‘Ben ik weer genaaid door mijn impresario?’ Er wordt geroepen vanuit het publiek. De man kijkt geschokt. ‘Wat? Wat zeiden jullie? Jij daar, tafel 7, ja, jij, gefeliciteerd met je lippen. Complimenten!’ De vrouw giechelt en houdt een hand voor haar mond. Hij staat aan de rand van het toneel, wiegt zachtjes naar voren en naar achteren. ‘Even serieus, schat, zei je echt: “Netanja”?’ Zijn ogen worden bijna zo groot als zijn brillenglazen. ‘Begrijp ik het goed? Je zegt hier bij je volle verstand botweg tegen me dat ik nu ongelogen in Netanja ben, en dat ook nog zonder kogelvrij vest?’ Hij houdt bang twee handen voor zijn kruis. Het publiek brult van plezier. Hier en daar wordt gefloten. Er komen nog een paar stellen binnen en daarna een luidruchtig groepje jongens, waarschijnlijk soldaten met verlof. De kleine zaal raakt vol. Bekenden zwaaien naar elkaar. Drie serveersters in shorts en glanzend paarse topjes komen uit de keuken en verspreiden zich tussen de tafels.”
“Nothing had prepared me for Honolulu. It is so far away from Europe, it is reached after so long a journey from San Francisco, so strange and so charming associations are attached to the name, that at first I could hardly believe my eyes. I do not know that I had formed in my mind any very exact picture of what I expected, but what I found caused me a great surprise. It is a typical western city. Shacks are cheek by jowl with stone mansions; dilapidated frame houses stand next door to smart stores with plate glass windows; electric cars rumble noisily along the streets; and motors, Fords, Buicks, Packards, line the pavement. The shops are filled with all the necessities of American civilisation. Every third house is a bank and every fifth the agency of a steamship company. Along the streets crowd an unimaginable assortment of people. The Americans, ignoring the climate, wear black coats and high, starched collars, straw hats, soft hats, and bowlers. The Kanakas, pale brown, with crisp hair, have nothing on but a shirt and a pair of trousers; but the half-breeds are very smart with flaring ties and patent-leather boots. The Japanese, with their obsequious smile, are neat and trim in white duck, while their women walk a step or two behind them, in native dress, with a baby on their backs. The Japanese children, in bright coloured frocks, their little heads shaven, look like quaint dolls. Then there are the Chinese. The men, fat and prosperous, wear their American clothes oddly, but the women are enchanting with their tightly-dressed black hair, so neat that you feel it can never be disarranged, and they are very clean in their tunics and trousers, white, or powder blue, or black. Lastly there are the Filipinos, the men in huge straw hats, the women in bright yellow muslin with great puffed sleeves. It is the meeting-place of East and West. The very new rubs shoulders with the immeasurably old. And if you have not found the romance you expected you have come upon something singularly intriguing. All these strange people live close to each other, with different languages and different thoughts; they believe in different gods and they have different values; two passions alone they share, love and hunger. And somehow as you watch them you have an impression of extraordinary vitality."
William Somerset Maugham (25 januari 1874 – 16 december 1965) Portret door Rinne Abrugena, 2014
'Now they have all gone,' said Louis. 'I am alone. They have gone into the house for breakfast, and I am left standing by the wall among the flowers. It is very early, before lessons. Flower after flower is specked on the depths of green. The petals are harlequins. Stalks rise from the black hollows beneath. The flowers swim like fish made of light upon the dark, green waters. I hold a stalk in my hand. I am the stalk. My roots go down to the depths of the world, through earth dry with brick, and damp earth, through veins of lead and silver. I am all fibre. All tremors shake me, and the weight of the earth is pressed to my ribs. Up here my eyes are green leaves, unseeing. I am a boy in grey flannels with a belt fastened by a brass snake up here. Down there my eyes are the lidless eyes of a stone figure in a desert by the Nile. I see women passing with red pitchers to the river; I see camels swaying and men in turbans. I hear tramplings, tremblings, stirrings round me. 'Up here Bernard, Neville, Jinny and Susan (but not Rhoda) skim the flower-beds with their nets. They skim the butterflies from the nodding tops of the flowers. They brush the surface of the world. Their nets are full of fluttering wings. "Louis! Louis! Louis!" they shout. But they cannot see me. I am on the other side of the hedge. There are only little eye-holes among the leaves. Oh Lord, let them pass. Lord, let them lay their butterflies on a pocket-handkerchief on the gravel. Let them count out their tortoise-shells, their red admirals and cabbage whites. But let me be unseen. I am green as a yew tree in the shade of the hedge. My hair is made of leaves. I am rooted to the middle of the earth. My body is a stalk. I press the stalk. A drop oozes from the hole at the mouth and slowly, thickly, grows larger and larger. Now something pink passes the eyehole. Now an eye-beam is slid through the chink. Its beam strikes me. I am a boy in a grey flannel suit. She has found me. I am struck on the nape of the neck. She has kissed me. All is shattered.' 'I was running,' said Jinny, 'after breakfast. I saw leaves moving in a hole in the hedge. I thought "That is a bird on its nest." I parted them and looked; but there was no bird on a nest. The leaves went on moving. I was frightened. I ran past Susan, past Rhoda, and Neville and Bernard in the tool-house talking. I cried as I ran, faster and faster. What moved the leaves? What moves my heart, my legs? And I dashed in here, seeing you green as a bush, like a branch, very still, Louis, with your eyes fixed. "Is he dead?" I thought, and kissed you, with my heart jumping under my pink frock like the leaves, which go on moving, though there is nothing to move them. Now I smell geraniums; I smell earth mould. I dance. I ripple. I am thrown over you like a net of light. I lie quivering flung over you."
Virginia Woolf (25 januari 1882 – 28 maart 1941) Cover
“December 23, 1991 Dear friend, Sam and Patrick left with their family for the Grand Canyon yesterday. I don't feel too bad about it because I can still remember Sam's kiss. It feels peaceful and right. I even considered not washing my lips like they do on TV, but then I thought it would get too gross. So, instead I spent today walking around the neighborhood. I even got out my old sled and my old scarf. There is something cozy about that for me. I walked over to the hill where we used to go and sled. There were a lot of little kids there. I watched them flying. Doing jumps and having races. And I thought that all those little kids are going to grow up someday. And all of those little kids are going to do the things that we do. And they will all kiss someone someday. But for now, sledding is enough. I think it would be great if sledding were always enough, but it isn't. I'm really glad that Christmas and my birthday are soon because that means they will be over soon because I can already feel myself going to a bad place I used to go. After my Aunt Helen was gone, I went to that place. It got so bad that my mom had to take me to a doctor, and I was held back a grade. But now I'm trying not to think about it too much because that makes it worse. It's kind of like when you look at yourself in the mirror and you say your name. And it gets to a point where none of it seems real. Well, sometimes, I can do that, but I don't need an hour in front of a mirror. It happens very fast, and things start to slip away. And I just open my eyes, and I see nothing. And then I start to breathe really hard trying to see something, but I can't. It doesn't happen all the time, but when it does, it scares me. It almost happened this morning, but I thought of Sam's kiss, and it went away.”
Uit: Oceaan van een zee (Vertaaldd door Manon Smits)
“Zand zover het oog reikt, tussen de laatste heuvels en de zee ‒ de zee ‒ in de koude lucht van een middag die bijna om is, en gezegend door de wind die altijd vanuit het noorden waait. Het strand. En de zee. Het zou perfectie kunnen zijn ‒ beelden bedoeld voor goddelijke ogen ‒ een wereld die plaatsvindt en meer niet, het zwijgende bestaan van water en land, een afgerond en volmaakt kunstwerk, waarheid ‒ Waarheid ‒ maar het is weer eens het verlossende deeltje dat mens heet dat het mechanisme van dit paradijs blokkeert, een kleinigheid die op zichzelf al volstaat om heel het enorme apparaat van onverbiddelijke waarheid op te heffen, het is iets van niks, maar het staat in het zand geplant, een onzichtbaar scheurtje in het oppervlak van die heilige icoon, een minuscule uitzondering op de perfectie van het oneindige strand. Vanuit de verte lijkt het niet meer dan een zwarte stip: in het niets, het niks van een man en een schildersezel. De schildersezel is door middel van dunne touwtjes met vier stenen in het zand verankerd. Hij zwaait onmerkbaar in de wind die altijd vanuit het noorden waait. De man draagt lieslaarzen en een lange vissersjas. Hij staat rechtop, met de zee voor zich, en draait een dun penseel tussen zijn vingers. Op de schildersezel, een doek. Hij is net een schildwacht ‒ dat moet duidelijk zijn ‒ die dat deel van de wereld staat te verdedigen tegen de zwijgende invasie van de perfectie, een kleine barst die dat spectaculaire decor van het bestaan versplintert.”
Whoever threatens the republic of Finland's lack of alliances is this nation's enemy, from the outside or from within. Alliedness is no stranger than the arrival of spring here in the North. The granite just begins to melt and crumble under our feet.
*
I am writing on the verso pages of a stock register. I find it hard to steal paper, even from myself. I do not know if it is possible to write about a war before it begins. Later, at least, it has already been buried, and the green grass grows over it. NATO has grown into a solidarity club sponsored by America. With its changing ranks, its aim is world domination. Join now, pay tomorrow.
*
What am I saying? I say what I mean. As if we could not remain at peace without a war, or at least a threat of war. Blood is in our blood. We are safe only when threatened, as in a bomb shelter. Low self-esteem, a poor sense of self, in secret. A good play, bad dialogue. Wavering mind, a small people afraid of silence. In silence, the sound of trembling can be heard, then the rattling of arms covers it up, and one feels better right away. That is why NATO is important to Finland, a test of manhood, a confirmation.
« Ils exigeaient un mariage par le ministère d'un prêtre de la religion traditionnelle, parce qu'ils demeuraient fidèles à leur tradition bourgeoise, peut-être aussi avec l'idée que le tribun reculerait là-devant. C'était mal le connaître. « Il me faut des femmes », disait-il, et il en avait eu pas mal, juste avant et depuis la mort de Gabrielle. Ce n'était pas celles-là qui lui convenaient. Il lui en fallait une à lui, dans son foyer. Ayant jeté son dévolu sur Louise, hier encore la petite Louise, à présent si délicieusement éclose, il n'avait pas hésité à se mettre entre les mains de cet abbé Kéravenant, ami des Gély. Le lendemain, dans la même mansarde, devant une table en guise d'autel, fut célébré le mariage clandestin, suivi peu après de la brève formalité au bureau de la section. C'est le catholique Lanjuinais, gallican, qui avait fait transformer les registres paroissiaux, tenus par les ecclésiastiques, en registres d'état civil, confiés aux officiers municipaux. Dans la relevée, les nouveaux époux reçurent quelques amis, cour du Commerce où le portrait de Gabrielle demeurait fleuri sur la cheminée du salon. Lise alla embrasser la mariée, féliciter Danton. Claude, venu un instant, repartit bien vite, appelé par le travail. La besogne, au pavillon de l'Égalité, augmentait sans cesse avec la complexité et les périls d'une situation terriblement confuse. Le 3 juin, quand les gendarmes expédiés par le Comité révolutionnaire s'étaient présentés au domicile des trente et un députés ou ministres en état d'arrestation provisoire, la plupart d'entre eux avaient disparu. Ils se cachaient encore dans Paris, assurément. On en aurait ressaisi un bon nombre si on l'avait voulu. »
Tags:Renate Dorrestein, Lisa Weeda, David Grossman, William S. Maugham, Virginia Woolf, Stephen Chbosky, Alessandro Baricco, Paavo Haavikkom, Robert Margerit, Romenu
“Stelle man sich auch an wie man wolle, nicht wegzuleugnen, nicht wegzubannen ist die bittre Überzeugung, daß nimmer – nimmer wiederkehrt, was einmal dagewesen. Eitles Mühen, sich entgegenzustemmen der unbezwinglichen Macht der Zeit, die fort und fort schafft in ewigem Zerstören. Nur die Schattenbilder des in tiefe Nacht versunkenen Lebens bleiben zurück, und walten in unserm Innern, und necken und höhnen uns oft, wie spukhafte Träume. Aber Toren! wähnen wir, das, was unser Gedanke, unser eignes Ich worden, noch außer uns auf der Erde zu finden, blühend in unvergänglicher Jugendfrische. – Die Geliebte, die wir verlassen, der Freund von dem wir uns trennen mußten, verloren sind beide für uns auf immer! – Die, die wir vielleicht nach Jahren wiedersehen, sind nicht mehr dieselben, von denen wir schieden, und sie finden ja auch uns nicht mehr wieder!« So sprach Lothar, indem er heftig vom Stuhl aufsprang, dicht an den Kamin hinanschritt und die Arme übereinandergeschlagen mit finsterm Blick in das lustig knisternde Feuer hineinstarrte. »Wenigstens«, begann jetzt Theodor, »wenigstens lieber Freund Lothar, bewährst du dich insofern ganz als denselben, von dem ich vor zwölf Jahren schied, als du noch ebenso wie damals geneigt bist, nur im mindesten schmerzlich berührt, dich allem Unmut rücksichtslos hinzugeben. Wahr ist es, und ich, Ottmar und Cyprian, wir alle fühlen es gewiß ebenso lebhaft als du, daß unser erstes Beisammensein nach langer Trennung gar nicht so erfreulich ist, als wir es uns wohl gedacht haben mochten. Wälze die Schuld auf mich, der ich aus einer unserer unendlichen Gassen in die andere lief, der ich nicht abließ, bis ich euch heute abend hier vor meinem Kamin zusammengebracht hatte. Gescheuter wäre es vielleicht gewesen, hätt ich unser Wiedersehn dem günstigen Zufall überlassen, aber unerträglich war mir der Gedanke, daß wir, die wir jahrelang durch herzliche Liebe, durch ein gleiches schönes Streben in Kunst und Wissenschaft innig verbunden zusammenlebten, die nur der wilde Orkan, wie er daherbrauste in der verhängnisvollen Zeit die wir durchlebt, auseinanderschleudern konnte, daß wir, sage ich, auch nur einen Tag in demselben Hafen geankert haben sollten, ohne uns mit leiblichen Augen zu schauen, wie wir es unterdessen mit geistigen getan. Und nun sitzen wir schon ein paar Stunden zusammen und quälen uns mörderlich ab mit dem Enthusiasmus unserer frischblühenden Freundschaft. Und keiner hat bis zu diesem Augenblick etwas Gescheutes zu Markte gebracht, sondern fades langweiliges Zeug geschwatzt zum Bewundern. Und woher kommt das alles anders, als daß wir insgesamt recht kindische Kinder sind, daß wir glaubten, es werde nun gleich wieder fortgehen in derselben Melodie, die wir vor zwölf Jahren abbrachen.“
E. Th. A. Hoffmann (24 januari 1776 - 25 juni 1822) Cover
De Joegoslavische schrijver, vertaler, diplomaat en journalist Ivan Ivanji werd geboren op 24 januari 1929 in Zrenjanin. Zie ook alle tags voor Ivan Ivanjiop dit blog.
Uit:Schlussstrich
“Die ersten Sonnenstrahlen am frühen Morgen des 19. August 1941 versprachen der Hauptstadt Serbiens, Belgrad, einen angenehmen Sommertag. Es würde hoffentlich nicht mehr so heiß werden wie in den vergangenen Wochen, als man mit nackten Füßen kaum auf den Asphalt hatte treten können und der wolkenlose Himmel wie ein blauer Deckel über dem siedenden Topf des Häusermeers gelegen war. Die deutsche Besatzungsmacht bemühte sich um Normalität, die Bevölkerung sollte ruhig und zufrieden mit der neuen Ordnung sein, das war einfacher als Gewaltanwendung, die Truppen wurden an der Ostfront benötigt. Im Widerspruch dazu stand, dass auf einem der wichtigsten Plätze der Stadt, dem Terazije, mitten im Zentrum, von den Masten, die die Straßenbahnleitungen hochhielten, die Körper von fünf gehängten Männern baumelten. Der Terazije-Platz mündet in den Hauptplatz, auf dem sich das Nationaltheater und die Reiterstatue des Fürsten Mihailo befinden. Junge Paare verabreden sich »unter dem Schwanz«, womit der Bronzeschweif der Skulptur gemeint ist. Man verliebt sich auch im Krieg. Vielleicht sogar erst recht im Angesicht der Gefahr? Vor dem sechsstöckigen Haus schräg gegenüber des Theaters wäre Rudi fast mit einem Dreiertrupp der deutschen Militärpolizei zusammengestoßen, doch er sah es rechtzeitig, bemühte sich, Ruhe zu bewahren, und ging einfach an ihm vorbei. Trotz der Hitze trug er einen grauen Zweireiher mit blauer Krawatte, es erwies sich jetzt als günstig, dass Mama darauf bestanden hatte, ihm für das Studium je einen seriösen Anzug für den Winter und für die warmen Tage nähen zu lassen. Damals hatte er es überflüssig gefunden, aber nicht widersprochen, weil er sie in Belgrad ohnehin nicht tragen musste, wenn seine Mutter ihn nicht sah. Den Hut hatte er in der Hand. Er rannte das Stiegenhaus hinauf, ohne wie früher stets zwei Stufen zu nehmen – nicht weil er es damals eilig gehabt hätte, sondern weil er seine Energie nicht hatte zügeln können; jetzt bewegte er sich absichtlich gesetzt, ruhig, gutbürgerlich. Nicht auffallen! Das Klingelzeichen hatten sie, lange bevor sie in die Illegalität abgetaucht waren, verabredet, nur so zum Scherz, dreimal kurz, dann länger und nach einer kleinen Pause noch zweimal ganz kurz. Petar, Kosename Pero, auch Mali genannt, der Kleine, öffnete tatsächlich fast sofort und sah ihn entsetzt an. »Bist du verrückt geworden? Du solltest nicht herkommen!« »Willst du mich nicht erst einmal reinlassen?«
Memento mori Ein Mensch, von Arbeit überhäuft, indes die Zeit von dannen läuft, hat zu erledigen eine Menge, und kommt, so sagt man, ins Gedränge.
Inmitten all der Zappelnot trifft ihn der Schlag, und er ist tot. Was grad so wichtig noch erschienen, fällt hin: Was bleibt von den Terminen? Nur dieser einzige zuletzt: Am Mittwoch wird er beigesetzt - und schau, den hält er pünktlich ein, denn er hat Zeit jetzt, es zu sein
Ein Mensch, von Arbeit überhäuft
Ein Mensch, von Arbeit überhäuft, indes die Zeit von dannen läuft, hat zu erledigen eine Menge, und kommt, so sagt man, ins Gedränge.
Inmitten all der Zappelnot trifft ihn der Schlag, und er ist tot. Was grad so wichtig noch erschienen, fällt hin: Was bleibt von den Terminen? Nur dieser einzige zuletzt: Am Mittwoch wird er beigesetzt - und schau, den hält er pünktlich ein, denn er hat Zeit jetzt, es zu sein.
„Vorsicht vor Religion und Humor! Weltweit im Vormarsch: Gottesstaaten als Motor, Fungesellschaften als Arabeske! Die einen schwingen Moralkeule und Weihrauchfaß, die andern Tanzbein und Fliegenklatsche. Die einen beten und verbieten zu viel, frommer als nötig; die andern lachen und meckern zu laut, so blasphemisch wie möglich. Aus jedem Massenmedium predigen und blödeln sie hervor: Unselige Päpste maßregeln die viel zu profane Welt, und unverdaulichen Entertainern ist nichts heilig. Beide müssen pausenlos missionieren und karikieren. Beide bedrängen die Menschheit mit dubiösen Bibeln und suspekten Pointen und lassen sie nie in Ruhe – wie indezent! Frechheit! Macht man das? Knöpfen Sie sich zu bis zur Kragenborte! Ja nicht mitsingen und mitblödeln! Lassen Sie sich nicht dauernd kreuzigen, und lachen Sie sich nicht ständig tot! Kaufen Sie Horror-Priestern und Terror-Clowns nichts ab! Je normaler der Mensch, desto lieber want er seine Mitbrüder vor gewissen Auswüchsen. Jede der 6000 USA-Sekten kann ein noch so absurdes Weltbild austüfteln und verballhornen – 1200 zahlende Mitglieder finden sich für jeglichen Spirit-Stuß. Wehret den Indizien und Anfängen im Keim! Nicht, daß es im Gebälk plötzlich unstatthaft knistert! Nicht, daß sich was einschleicht! Sobald Narren an den Grundpfeilern sägen und nagen – seid zur Not Stützen der Gesellschaft! 4 Mill. US-Bürger nahmen Anwälte und Therapeuten, weil sie von Aliens geschädigt wurden! Deshalb fordern wir: Minderheitenschutz für Normale! Wer wollte nicht mal ein bißchen normal sein dürfen? Wonnen der Gewöhnlichkeit – wo seid ihr? Merke: Die Normalität des Menschen ist unantastbar! Lassen Sie sich nie Ihre Normalität mit Füßen treten! Zum Glück trifft man im Leben relativ viele Normalbürger. Noch bilden sie in ihren Tiefgaragen und Flachdachbungalows ein gesundes Unterfutter, ein verläßliches Gegengift gegen unverantwortlichen Nonsens! Kein Bruttosozialprodukt treibt es lang ohne beständigen Nachschub an Normalbürgern.“
“It rose for them -- their honey-moon -- over the waters of a lake so famed as the scene of romantic raptures that they were rather proud of not having been afraid to choose it as the setting of their own. "It required a total lack of humour, or as great a gift for it as ours, to risk the experiment," Susy Lansing opined, as they hung over the inevitable marble balustrade and watched their tutelary orb roll its magic carpet across the waters to their feet. "Yes -- or the loan of Strefford's villa," her husband emended, glancing upward through the branches at a long low patch of paleness to which the moonlight was beginning to give the form of a white house-front. "Oh, come — when we'd five to choose from. At least if you count the Chicago flat." "So we had -- you wonder!" He laid his hand on hers, and his touch renewed the sense of marvelling exultation which the deliberate survey of their adventure always roused in her....lt was characteristic that she merely added, in her steady laughing tone: "Or, not counting the flat --for I hate to brag -- just consider the others: Violet Melrose's place at Versailles, your aunt's villa at Monte Carlo -- and a moor!" She was conscious of throwing in the moor tentatively, and yet with a somewhat exaggerated emphasis, as if to make sure that he shouldn't accuse her of slurring it over. But he seemed to have no desire to do so. "Poor old Fred!" he merely remarked; and she breathed out carelessly: "Oh, well --" His hand still lay on hers, and for a long interval, while they stood silent in the enveloping loveliness of the night, she was aware only of the warm current running from palm to palm, as the moonlight below them drew its line of magic from shore to shore.”
Edith Wharton (24 januari 1862 – 11 augustus 1937) Cover
Nay, sadness troubles not just souls whose woes in veils of tears gaze bitter at the dawn. More ingrained grief the smiling-faced enclose, who trundle on, deep ever-darkness borne.
No kiss as yet has hurt their lips, with pain of daggered cruel kindness. No change, where their brows unmarked, smooth as a snowy plain forever empty lie, forsaken, bare.
They kept just to themselves alone their rue, while they, in mankind’s midst, kept up the tone. No one betrayed them, nor let down, quite true.
Their embers waned, no days of theirs laid claim. Their dreams a jumbled ball, downcast and thrown, which to unravel no one ever came.
Vertaald door Václav Z J Pinkava
Jiří Karásek ze Lvovic (24 januari 1871 - 5 maart 1951)
De Engelse dichter John Donne werd ergens tussen 24 januari en 19 juni 1572 geboren in Londen. Zie ook alle tags voor John Donneop dit blog.
Oneindige liefde
Al heb ik al jouw liefde niet, Ik krijg die toch nooit helemaal; Alleen een eerste zucht beroert me, lief, Mijn tranen rollen nooit een tweede maal; En al mijn schatten waar ik jou mee won, Mijn zuchten, tranen, eden, elke brief, Voor alles wat ik jou ooit zond, Gold slechts een koopmanschapmotief. Wordt van jouw liefdesgift iets afgehaald En wordt dat deel aan anderen betaalt, Dan krijg ik jou nooit helemaal.
Ook als je mij ooit alles schonk, Was alles, alles wat je had; Maar als er nieuwe liefde is of komt Van andere mannen, dan vult dat jouw hart, Dan gaan hun zuchten en hun tranenzang, Hun eden en hun brieven mij te boven, Die nieuwe liefde maakt mij bang, Want dat is niet wat jij beloofde. Toch was het zo, jouw gift ooit was totaal; Wat ik van jouw grond, jouw hart, binnenhaal, Die oogst, lief, krijg ik helemaal.
Maar toch krijg ik nooit alles, want Vervuld is hij die alles heeft; En er moet ruimte zijn, omdat jouw land Van liefde daaglijks nieuwe vruchten geeft; Toch geef jij elke dag jouw hart niet weg, Ook niet, als jij dat kon, want het geheim Van liefde is, dat loslaten juist hecht, Dat ook verloren liefde winst kan zijn. Ons hart is vrij, en niet een kapitaal Dat wordt verkocht, niet eenmaal, andermaal, Nee, één en samen, helemaal.
Vertaald door Arie van der Krogt
John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631) John Donne House in Pyrford
When any mournful tune you hear That dies in ev'ry note, As if it sigh'd with each man's care For being so remote, Think then how often love we've made To you, when all those tunes were play'd-- With a fa, la, la, la, la!
In justice you cannot refuse To think of our distress, When we for hopes of honour lose Our certain happiness; All those designs are but to prove Ourselves more worthy of your love-- With a fa, la, la, la, la!
And now we've told you all our loves, And likewise all our fears, In hopes this declaration moves Some pity from your tears: Let's hear of no inconstancy, We have too much of that at sea-- With a fa, la, la, la, la!
Charles Sackville (24 januari 1638 – 29 januari 1706) Portret op een medaille door Lorenz Natter
De Australische schrijfster en journalisteHelen Darville(pseudoniem: Helen Dale) werd geboren op 24 januari 1971 in Brisbane. Zie ook alle tags voor Helen Darvilleop dit blog.
Uit: Kingdom of the Wicked
“The young boy, Saul notices, is standing, hands in pockets, watching. Yehuda tells him to go and mind the counter. He agrees, reluctantly, shrugging. ‘This is the transmitter.’ Yehuda picks up the bomb: it’s a smooth dull-grey cylinder, filled with nasty stuff. He points to the side. ‘This is the receiver, and this is the detonator. You need line of sight for it to work, so get up high.’ ‘Line of sight?’ Saul asks. Yehuda shakes his head. ‘You have no idea, do you? You need to be able to point this at the receiver, no obstacles, so they can talk to each other.’ He flaps his thumb and fingers together like a puppeteer. ‘Like so.’ ‘So that means it’ll go off?’ ‘It should go off. Pick a remote spot, that way you get the signal through urban radio interference.’ Saul struggles with himself, wondering at the course he’s chosen. KERIOTH SCRAPWORKS, SEPPHORIS the sign outside reads, in Aramaic and Greek. The fenced yard is filled with rusted metal, the detritus of industrialisation. It’s piled up next to the office with the sign, and there are even bits of it scattered around the entrance. He supposes the men of KERIOTH SCRAPWORKS, SEPPHORIS go around the villages shouting ‘ANY OLD IRON!’ until people come out with bent cutlery, burnt-through cooking pans, rusty chains and the occasional corpse of an ancient sewing machine. He can even see the odd car chassis, which means a rich Roman or Greek has responded to the call and the scrap merchants have loaded it up on their wagon or cart—or it’s stolen. ‘We were going to hit the Jerusalem–Jericho road,’ Saul says. ‘It’s pretty remote down there.’ ‘And another thing, when you send the signal through, make sure you send all of it.’ ‘What do you mean?’
Tags:E. Th. A. Hoffmann, Ivan Ivanji, Eugen Roth, Ulrich Holbein, Edith Wharton, Jiř,í Karásek ze Lvovic, John Donne, Charles Sackville, Helen Darville, Romenu