Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
03-10-2017
Peter Terrin, Gore Vidal, Kira Wuck, James Herriot, Stijn Streuvels, Alain-Fournier, Sergej Jesenin, Bernard Cooper, Louis Aragon
“De prins glundert. De belangrijkste dag van het jaar verloopt helemaal volgens plan. Met het verplichte diner achter de rug, met de praatjes tot een bevredigend einde gebracht, zoekt hij de hand van zijn Amerikaanse vrouw. Ze is zo elegant als haar ouders met haar naam hebben voorspeld. De sfeer is gemoedelijk, het gezelschap is inmiddels aan elkaar gewend. Door de grote glaspartijen van de ontvangstruimte stroomt het zonlicht naar binnen, in de verte weerkaatst door de azuurblauwe zee, een schittering die men bijna kan horen. Een vogel in zweefvlucht trekt zijn aandacht, hoog tegen de hemel maakt hij steeds opnieuw rondjes, glijdt hij met de luchtstroom mee en keert zich er weer tegenin, als naait hij met zijn scherpe snavel lus na lus een onzichtbare scheur in de luchtlagen. En de prins wordt die vogel, hij kijkt neer op dit lapje grond tegen de flank van een berg, als een adelaar, hij kijkt mee over Gods schouder naar de menselijke bedrijvigheid, deze concentratie van inspanning en energie en intellect, deze roemruchte opeenhoping van buitengewone welvaart en architectuur, het romantische rijm met de kleuren van het gesteente hogerop, het verblindende wit van de gerangschikte jachten in de haven eronder - een prinsdom, bedenkt hij ouder en wijzer, en nostalgisch door de wijn, als een voortdurende, nooit in te lossen belofte. Daar pal middenin, haarscherp afgetekend, het circuit voor de grand prix. Een grillige ring van geladen afwezigheid. Hij neemt de trouwring van zijn vrouw tussen de vingers en spreekt in stilte de hoop uit dat er vandaag geen doden zullen vallen, niet zoals vorig jaar. Met zijn andere hand strijkt hij zijn snor. Daarna keert de prins zich om naar zijn genodigden, maar in gedachten is hij bij Deedee. Jack Preston was dertien toen hij aan de tractor van boer Colin sleutelde. Het was een oude Massey Ferguson, uit de vroege jaren dertig. Hij stond tegen een van de monumentale loodsen die dwars op de weg waren gebouwd, sommige zonder muren om het hooi droog te houden, zes aan weerskanten van de straat, die daardoor toch de indruk wekte een privéweg te zijn door het landbouwbedrijf van boer Colin. Sinds twee jaar was Jack Preston een zwijgzame jongen geworden; hij stond naast zijn moeder toen een man van het leger, met zijn pet tegen de glimmende knopen van zijn uniform, over hun hoofden heen het huis in staarde en woordelijk herhaalde wat hem was opgedragen.”
« CALIGULA: I'm going to marry you. DRUSILLA: You can't. We're not Egyptians. CALIGULA: I know. We are much more beautiful. DRUSILLA: Rome is not Egypt, and stop looking at yourself like that. CALIGULA: Let's go to Egypt then. DRUSILLA: You are a fool. CALIGULA: Caesar cannot be a fool. DRUSILLA: But he's trying very hard. CALIGULA: Caesar cannot be a fool! DRUSILLA: "Little Boots", they'll throw you in the Tiber if you attempt to move the government. So, you're going to marry a respectable Roman lady of the senatorial class. CALIGULA: No, I'm not. DRUSILLA: Yes, you are! You've got to have an heir. CALIGULA: Who will kill me when he grows up! (…)
CALIGULA: That will be my wife. DRUSILLA: Oh no! Not Caesonia. CALIGULA: You're impossible! DRUSILLA: She's the most promiscuous woman in Rome. CALIGULA: Perfect! DRUSILLA: Caesonia's been divorced. She's extravagant, always in debt. CALIGULA: I want her. DRUSILLA: But not for a wife. CALIGULA: Send her to me now. DRUSILLA: No, "Little Boots". I won't let you do it. It wouldn't be wise. CALIGULA: Yet such is the will of the senate and the people of Rome.“
Gore Vidal (3 oktober 1925 – 31 juli 2012) Scene uit de remake van Gore Vidal’s Caligula, 2005
« Maybe I could guide the conversation along more clinical lines. `Any more symptoms?' I asked. 'Any cough, constipation, diarrhoea? Does she ever cry out in pain?' The lady shook her head. 'No, nothing like that. She just moons around looking at us with such a pitiful expression and searching for Emmeline.' Oh dear, there it was again. I cleared my throat. 'She never vomits at all? Especially after a meal?' `Never. When she does eat a little she goes straight away to find Emmeline and takes her to her basket.' `Really? Well I can't see that that has anything to do with it. Are you sure she isn't lame at times?' The lady didn't seem to be listening 'And when she gets Emmeline into her basket she sort of circles around, scratching the blanket as though she was making a bed for the little thing.' I gritted my teeth. Would she never stop? Then a light flashed in the darkness. `Wait a minute,' I said. 'Did you say making a bed?' `Yes, she scratches around for ages then puts Emmeline down.' `Ah yes.' The next question would settle it. 'When was she last in season?' The lady tapped a finger against her cheek. 'Let me see. It was in the middle of May — that would be about nine weeks ago.' There wasn't a mystery any more. `Roll her over, please,' I said. With Lucy stretched on her back, her eyes regarding the surgery ceiling with deep emotion, I ran my fingers over the mammary glands. They were turgid and swollen. I gently squeezed one of the teats and a bead of milk appeared. `She's got false pregnancy,' I said. `What on earth is that?' The lady looked at me, round-eyed. `Oh, it's quite common in bitches. They get the idea they are going to have pups and around the end of the gestation period they start this business.”
“7 oktober 1917 De oorlog brengt ons altijd nieuwe stemmingen die als trilbeelden3 elkander in ons gemoed opvolgen. Er zijn er van algemene aard die bijblijven, - alzo4: de slechte hoedanigheid van het meel dat we uit het voedingscomiteit et eten krijgen; - de schaarsheid van kolen en het gebrek aan licht, - het gevoel van opgesloten te zijn als in krijgsgevangenschap... dat alles zijn dingen die bijblijven en die men gewaar wordt bij 't wakkerworden, 's morgens, en waarvan er de dag door gesproken wordt opdat we 't toch niet vergeten zouden; - Maar daarbij zijn nog de vluchtige stemmingen die als trilbeelden opkomen en weer vervliegen in rasse1 vlucht. Zo heb ik het nu vandaag. Het is kermiszondag. Van de kermis blijft echter niets meer over tenzij de herinnering aan de vroegere feestelijkheden, de overkomst2 van familieleden en een geweldige smulpartij die verschillende dagen duurde. Nu niets van dat alles. De zondag gaat voorbij in de zwaarste eenzaamheid. In 't westen gaat het trommelvuur, omdat3 we eraan herinnerd zouden blijven dat het oorlog is. Gister kregen we duizend mannen troepen op 't dorp maar 't weer is zo slecht dat er op straat geen enkele van die duizend soldaten te zien is. Hier in huis hebben we een luitenant die de ganse dag te slapen ligt en twee ordonnancen4 die zitten te koekeloeren op hun bovenkamertje. In de keuken zijn de kinders aan 't spel en ik kan gerust en ongestoord mijn zondagslectuur voortzetten met Goethe.
10 oktober 1917 Mijn luitenant heeft ontdekt dat hij toevallig bij iemand is ingekwartierd die van zijn vak is en hij komt kennis maken. Hij is een student Dr. in de Germaanse philologie en vereerder van Gezelle5 ... en zo kunnen we wat praten over boeken en schriften.”
Stijn Streuvels (3 oktober 1871 – 15 augustus 1969) Cover
« Désoeuvré, le promeneur erra un long moment sur la rive sablée comme un chemin de halage. Il examinait curieusement les grandes portes aux vitres poussiéreuses qui donnaient sur des pièces délabrées ou abandonnées, sur des débarras encombrés de brouettes, d’outils rouillés et de pots de fleurs brisés, lorsque soudain, à l’autre bout des bâtiments, il entendit des pas grincer sur le sable. C’étaient deux femmes, l’une très vieille et courbée ; l’autre, une jeune fille, blonde, élancée, dont le charmant costume, après tous les déguisements de la veille, parut d’abord à Meaulnes extraordinaire. Elles s’arrêtèrent un instant pour regarder le paysage, tandis que Meaulnes se disait, avec un étonnement qui lui parut plus tard bien grossier : « Voilà sans doute ce qu’on appelle une jeune fille excentrique – peut-être une actrice qu’on a mandée pour la fête. » Cependant, les deux femmes passaient près de lui et Meaulnes, immobile, regarda la jeune fille. Souvent, plus tard, lorsqu’il s’endormait après avoir désespérément essayé de se rappeler le beau visage effacé, il voyait en rêve passer des rangées de jeunes femmes qui ressemblaient à celle-ci. L’une avait un chapeau comme elle et l’autre son air un peu penché ; l’autre son regard si pur ; l’autre encore sa taille fine, et l’autre avait aussi ses yeux bleus ; mais aucune de ces femmes n’était jamais la grande jeune fille. Meaulnes eut le temps d’apercevoir, sous une lourde chevelure blonde, un visage aux traits un peu courts, mais dessinés avec une finesse presque douloureuse. Et comme déjà elle était passée devant lui, il regarda sa toilette, qui était bien la plus simple et la plus sage des toilettes… Perplexe, il se demandait s’il allait les accompagner, lorsque la jeune fille, se tournant imperceptiblement vers lui, dit à sa compagne : « Le bateau ne va pas tarder, maintenant, je pense ?… » Et Meaulnes les suivit. La vieille dame, cassée, tremblante, ne cessait de causer gaiement et de rire. La jeune fille répondait doucement. Et lorsqu’elles descendirent sur l’embarcadère, elle eut ce même regard innocent et grave, qui semblait dire : « Qui êtes-vous ? Que faites-vous ici ? Je ne vous connais pas. Et pourtant il me semble que je vous connais."
Alain-Fournier (3 oktober 1886 - 22 september 1914) Cover
„Teresa Sanchez sat behind me in ninth-grade algebra. When Mr. Hubbley faced the blackboard, I'd turn around to see what she was read-ing; each week a new book was wedged inside her copy of Today's Equations. The deception worked; from Mr. Hubbley's point of view, Theresa was engrossed in the value of X, but I knew otherwise. One week she perused The Wisdom of the Orient, and I could tell from Theresa's con-templative expression that the book contained exotic thoughts, guidelines handed down from high. Another week it was a paperback novel whose title, Let Me Live My Life, appeared in bold print atop every page, and whose cover, a gauzy photograph of a woman biting a strand of pearls, head thrown back in an attitude of ecstasy, con-firmed my suspicion that Theresa Sanchez was mature beyond her years. She was the tallest girl in school. Her bouffant hairdo, streaked with blond, was higher than the flaccid bouffants of other girls. Her smooth skin, plucked eyebrows, and painted finger-nails suggested hours of pampering, a worldly and sensual vanity that placed her within the domain of adults. Smiling dimly, steeped in daydreams, Theresa moved through the crowded halls with a languid, self-satisfied indif-ference to those around her. "You are merely children," her posture seemed to say. "I can't be bothered." The week Theresa hid 101 Ways to Cook Hamburger behind her algebra book, I could stand it no longer and, after the bell rang, ventured a question. "Because I'm having a dinner par-tl," said Theresa. "Just a couple of in-timate friends." No fourteen-year-old I knew had ever given a dinner party, let alone used the word "intimate" in conversa-tion. "Don't you have a mother?" I asked. Theresa sighed a weary sigh, suf-fered my strange inquiry. "Don't be so naive," she said. "Everyone has a mother." She waved her hand to indi-cate the brick school buildings outside the window. "A higher education should have taught you that." There-sa draped an angora sweater over her shoulders, scooped her books from the graffiti-covered desk, and just as she was about to walk away, she turned and asked me, "Are you a fag?" There wasn't the slightest hint of rancor or condescension in her voice. The tone was direct, casual.”
Bierstube Magie allemande Et douces comme un lait d'amandes Mina Linda lèvres gourmandes Qui tant souhaitent d'être crues A fredonner tout bas s'obstinent L'air Ach du lieber Augustin Qu'un passant siffle dans la rue
Sofienstrasse Ma mémoire Retrouve la chambre et l'armoire L'eau qui chante dans la bouilloire Les phrases des coussins brodés L'abat-jour de fausse opaline Le Toteninsel de Boecklin Et le peignoir de mousseline Qui s'ouvre en donnant des idées
Au plaisir prise et toujours prête Ô Gaense-Liesel des défaites Tout à coup tu tournais la tête Et tu m'offrais comme cela La tentation de ta nuque Demoiselle de Sarrebrück Qui descendais faire le truc Pour un morceau de chocolat
Et moi pour la juger que suis-je Pauvres bonheurs pauvres vertiges Il s'est tant perdu de prodiges Que je ne m'y reconnais plus Rencontres Partances hâtives Est-ce ainsi que les hommes vivent Et leurs baisers au loin les suivent Comme des soleils révolus
Tout est affaire de décors Changer de lit changer de corps À quoi bon puisque c'est encore Moi qui moi-même me trahis Moi qui me traîne et m'éparpille Et mon ombre se déshabille Dans les bras semblables des filles Où j'ai cru trouver un pays
Louis Aragon (3 oktober 1897 – 24 december 1982) Cover van een biografie over zijn jeugd
De Frans-Marokkaanse schrijfster en journaliste Leïla Slimaniwerd geboren op 3 oktober 1981 in Rabat. Slimani ging op 17-jarige leeftijd naar Parijs om politieke wetenschappen en media studies aan de Sciences Po te studeren. Na haar afstuderen overwoog ze even een carrière als actrice, maar zij begon te werken als journaliste voor het tijdschrift Jeune Afrique. In 2014 publiceerde ze haar eerste roman “Dans le jardin de l'ogre” ("In de Tuin van de Ogre") en kreeg ze de Marokkaanse literaire prijs La Mamounia, als eerste vrouwelijke auteur. Twee jaar later werd “Dans le Jardin de l'Ogre” gevolgd door de psychologische thriller “Chanson douce”. Laatstgenoemde werd snel tot een bestseller met meer dan 76.000 verkochte exemplaren binnen drie maanden, zelfs nog voordat aan het boek de Prix Goncourt 2016 werd toegekend. Slimani heeft zowel het Franse als het Marokkaanse staatsburgerschap.
Uit:Chanson douce
“Le bébé est mort. Il a suffi de quelques secondes. Le médecin a assuré qu’il n’avait pas souffert. On l’a couché dans une housse grise et on a fait glisser la fermeture éclair sur le corps désarticulé qui flottait au milieu des jouets. La petite, elle, était encore vivante quand les secours sont arrivés. Elle s’est battue comme un fauve. On a retrouvé des traces de lutte, des morceaux de peau sous ses ongles mous. Dans l’ambulance qui la transportait à l’hôpital, elle était agitée, secouée de convulsions. Les yeux exorbités, elle semblait chercher de l’air. Sa gorge s’était emplie de sang. Ses poumons étaient perforés et sa tête avait violemment heurté la commode bleue. On a photographié la scène de crime. La police a relevé des empreintes et mesuré la superficie de la salle de bains et de la chambre d’enfants. Au sol, le tapis de princesse était imbibé de sang. La table à langer était à moitié renversée. Les jouets ont été emportés dans des sacs transparents et mis sous scellés. Même la commode bleue servira au procès. La mère était en état de choc. C’est ce qu’ont dit les pompiers, ce qu’ont répété les policiers, ce qu’ont écrit les journalistes. En entrant dans la chambre où gisaient ses enfants, elle a poussé un cri, un cri des profondeurs, un hurlement de louve. Les murs en ont tremblé. La nuit s’est abattue sur cette journée de mai. Elle a vomi et la police l’a découverte ainsi, ses vêtements souillés, accroupie dans la chambre, hoquetant comme une forcenée. Elle a hurlé à s’en déchirer les poumons. L’ambulancier a fait un signe discret de la tête, ils l’ont relevée, malgré sa résistance, ses coups de pied. Ils l’ont soulevée lentement et la jeune interne du SAMU lui a administré un calmant. C’était son premier mois de stage. L’autre aussi, il a fallu la sauver. Avec autant de professionnalisme, avec objectivité. Elle n’a pas su mourir. La mort, elle n’a su que la donner. Elle s’est sectionné les deux poignets et s’est planté le couteau dans la gorge. Elle a perdu connaissance, au pied du lit à barreaux. Ils l’ont redressée, ils ont pris son pouls et sa tension. Ils l’ont installée sur le brancard et la jeune stagiaire a tenu sa main appuyée sur son cou."
De vensters behangen met langdurige landschappen, een zak met slanke handen aan een meisje voeren van achter de tralies die mijn vingers zijn.
Een ooggetuige van het zwart uithoren op de hoek van twee nachten en geduldig wachten tot de schaduw uit de bomen valt.
Mijn ogen wegens verbouwing sluiten en haarfijn dromen dat ik een ver verwant werd van mijzelf.
Van mijn verveling grote vliegers vouwen, van de vissen de schaliedekker zijn en van de mens de mens.
Een steentje in de diepte van mijn droefheid gooien en tellen tot ik de tel kwijt ben. En herbeginnen.
Ik zie mij in jouw ogen zien.
Hoe ik je Zeg dat wij in staat zijn Sterren te bekijken Die lang voor ons al ophielden te bestaan hoe ik je luid, likkend aan de klepel van je vuig bebaarde klok.
Hoe ik je toon die trillende angel in mijn handen en hoe ik mijn paarsbekopte spijker in je kruishout sla, ha,
Hoe ik je judaskus en dodendans in al je holten ja.
Hoe ik je vertaal dat wij in staat zijn van ontbinding, gepolijste woorden horen van een liefde die inmiddels al is doodgegaan.
Doe ik je toch geen pijn. Hoe durf ik.
Zwijg nu maar Blaas geen tekstballon in mijn gezicht! Want vanavond wil ik je vlooien, mij vertakken tot in je donkerste vertrekken. Ik wil vanavond van de avond zijn en met de blinden open bepoteld worden.
Dimitri Verhulst (Aalst, 2 oktober 1972)
De Nederlandse dichter, essayist, bloemlezer en boekhandelaar Joost Baarswerd geboren op 2 oktober 1975 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Joost Baars op dit blog.
het groeien van de ruimte bij de dood van Thomas Blondeau
dat de sterren gemiddeld 200 lichtjaar ver zijn weet ik, maar
wat betekent dat? deze lengtemaat
is voor niet-natuurkundigen een mystieke demystificatie.
ik wil zeggen: ik weet niets van de afstand tussen hen
en mij, ik weet alleen dat er iets van geweten
wordt. zo maakt kennis van de oorzaak
van een aneurysma het sterven van een vriend
niet minder zomaar. daar ging hij, bij zijn laptop,
met een blauwe borst van angst. ik bid
tot wikipedia, zit uren aan de binnenplaats
en kijk omhoog, maar zie alleen het jaar na jaar
na lichtjaar groeien
van de ruimte.
Tom Waits
tom waits reed op een negenbaansweg en kreeg een lied in zijn hoofd.
hij zei: ‘jezus, zie je dan niet dat ik rij?’
later, zijn album was bijna voltooid, foeterde hij tussen zijn tanden:
‘alle kinderen zitten klaar in de auto. nu moet je komen of we gaan zonder jou!’
zonder jou wil ik niet, maar dit is een liefdesgedicht
van iemand die jou niet wil bezitten. als het je wil is, neem mij dan
het stuur uit mijn handen, geef me andere woorden dan deze,
I Sah heute im wald einen Trauermantel, groß, prächtig auf der dunklen lichtung zwischen hohen bäumen neben dem großen ameisenhaufen Wie ein kleiner vogel flog er mit leuchtend hellem saum Ich ließ ihn sich setzen, neben mir, dort wo ich kauerte, bei dem stein Die flügel bräunliches dunkelrot, geädert dann das band von perlen in leuchtendem blau, und ganz außen der saum, cremegelb Die vorderränder der flügel schwach gebogen, leicht gesprenkelt hinter jeder flügelspitze ein kleiner zacken der hinterleib stark behaart Sah ihn dort an, lange, bis ich eine hand ausstreckte und das trockne gras, berührte Da flog er schnell auf, hoch, fort
Die Sprache der Lebenden
Die Sprache der Lebenden ist ohne Grenze Sie suchen den Zustand zwischen sich, wo alles Liebe ist Der Schatten von diesem Licht kommt auch, ist aber ein Blendlicht im Licht Der Kern aus Zärtlichkeit öffnet sich mitunter ganz ohne Vorbehalt
“Doctor Eduardo Plarr stood in the small port on the Paraná, among the rails and yellow cranes, watching where a horizontal plume of smoke stretched over the Chaco. It lay between the red bars of sunset like a stripe on a national flag. Doctor Plarr found himself alone at that hour except for the one sailor who was on guard outside the maritime building. It was an evening which, by some mysterious combination of failing light and the smell of an unrecognized plant, brings back to some men the sense of childhood and of future hope and to others the sense of something which has been lost and nearly forgotten. The rails, the cranes, the maritime building -- these had been what Doctor Plarr first saw of his adopted country. The years had changed nothing except by adding the line of smoke which when he arrived here first had not yet been hung out along the horizon on the far side of the Paraná. The factory that produced it had not been built when he came down from the northern republic with his mother more than twenty years before on the weekly service from Paraguay. He remembered his father as he stood on the quay at Asunción beside the short gangway of the small river boat, tall and gray and hollow-chested, and promised with a mechanical optimism that he would join them soon. In a month -- or perhaps three -- hope creaked in his throat like a piece of rusty machinery. It seemed in no way strange to the fourteen-year-old boy, though perhaps a little foreign, that his father kissed his wife on her forehead with a sort of reverence, as though she were a mother more than a bedmate. Doctor Plarr had considered himself in those days quite as Spanish as his mother, while his father was very noticeably English-born. His father belonged by right, and not simply by a passport, to the legendary island of snow and fog, the country of Dickens and of Conan Doyle, even though he had probably retained few genuine memories of the land he had left at the age of ten.”
Graham Greene(2 oktober 1904 – 3 april 1991) Affiche voor de gelijknamige film uit 1983
4 She says, 'I am content when wakened birds, Before they fly, test the reality Of misty fields, by their sweet questionings; But when the birds are gone, and their warm fields Return no more, where, then, is paradise?' There is not any haunt of prophecy, Nor any old chimera of the grave, Neither the golden underground, nor isle Melodious, where spirits gat them home, Nor visionary south, nor cloudy palm Remote on heaven's hill, that has endured As April's green endures; or will endure Like her remembrance of awakened birds, Or her desire for June and evening, tipped By the consummation of the swallow's wings.
5 She says, 'But in contentment I still feel The need of some imperishable bliss.' Death is the mother of beauty; hence from her, Alone, shall come fulfillment to our dreams And our desires. Although she strews the leaves Of sure obliteration on our paths, The path sick sorrow took, the many paths Where triumph rang its brassy phrase, or love Whispered a little out of tenderness, She makes the willow shiver in the sun For maidens who were wont to sit and gaze Upon the grass, relinquished to their feet. She causes boys to pile new plums and pears On disregarded plate. The maidens taste And stray impassioned in the littering leaves.
Wallace Stevens(2 oktober – 1879 – 2 augustus 1955)
De Nederlandse dichter en kunstcriticus Nes Tergast (eigenlijk Albert Ernest Bruno Johannes) werd geboren in Salatiga, Java, op 2 oktober 1896. Zie ook alle tags voor Nes Tergast op dit blog.
Wandeling
Waarom heb ik mijzelve uitgelaten en liet de hondenketting thuis? Ik raak verdwaald in late straten en iedre straat verwordt tot kruis: in ieder raam staat een mismaakt persoon te zoeken naar zijn huis. De postbode is een rood verleden: ik ben mijzelve kwijtgeraakt. Gespiegeld in de naakte regen val ik van boven naar beneden voortdurend langs mijzelve heen. Wellicht heeft mij de wind geschaakt en aan een vlinder uitgeleend! Maar neen, de klok schudt tweemaal neen: ik ben eenvoudig zoek geraakt.
Nes Tergast (2 oktober 1896 – 12 december 1974) Salatiga (Geen portret beschikbaar)
Laß Fürsten auff der Welt mit grossen Namen prangen: Ihr Diamanten Glantz/ ihr eitle Purpur Zir/ Vnd Wollust/ Macht vnd Gut/ ist rauch vnd Dunst für mir/ Der/ wenn ein Wind entsteht/ ist vnversehns vergangen Wer das besternte Schloß/ wer Kronen wil erlangen/ Die keine Zeit abnimt; wer frölich für vnd für Wil herrschen; muß den Weg durch die gedrange Thür/ Die Demuth auffschleust/ gehn/ doch wer nur an wil fangen: Vnd nicht die Reiß außdaurt/ thut was er thut vergebens; Du must den rauen Pfadt/ du must Gefahr deß Lebens. Vnd was mehr schrecklich scheint/ ertragen mit Gedult Wer Christi Bluttschweiß schaut/ schaut endlich Christi Siegen Wer treu biß in den Tod singt nach dem sauren Kriegen Von Freude/ Ruh vnd Lust/ frey von Tod Hell vnd Schuld.
Andreas Gryphius (2 oktober 1616 - 16 juli 1664) Het martelaarschap van de heilige Bartholomeus door Lubin Baugin, ca. 1660
“Man hätte mir jedes beliebige Elternpaar unterschieben können, so gleichgültig waren sie mir, der Vater ein ausgezehrter Kriegsheimkehrer mit grauem Gesicht, die Mutter ein rothaariges Mädchen, das meine Gegenwart in Verlegenheit brachte. Auch nach der Hochzeit wohnte ich bei meinen Großeltern, die Eltern holten mich an Wochenenden, ich war ihr Sonntagsgast. Von Juden, Halbjuden, Vierteljuden und jüdisch Versippten erfuhr ich bei den Verwandten meines Vaters und begriff erst im Lauf der Zeit, dass auch von mir die Rede war, und aus den Blicken und abfälligen Bemerkungen schloss ich, dass es sich um ein schmutziges Geheimnis handeln musste, eine rätselhafte Schande, für die ich selbst nichts konnte, die mich jedoch von den Gleichaltrigen aus der Familie meines Vaters trennte. (…)
„Nur das Unrecht der Juden in Palästina, dem Land, das sie sich widerrechtlich angeeignet hätten, konnte ihn von seinem niemals eingestandenen, bedrückend gegenwärtigen Schuldgefühl erlösen [...] sieh dir das an, ein Verbrechen, ein Vergehen gegen das Völkerrecht, nein, dafür könne es keine Erklärung geben, ich solle zugeben, dass das, was hier geschähe, rassistisch sei, faschistisch.“
Waltraud Anna Mitgutsch (Linz, 2 oktober 1948) Linz
“Sigmund Freud was also frustrated here. In a city that later embraced his ideas with particular zeal, being organically inclined towards neurosis, he himself found only failure. He came to Trieste on the train from Vienna in 1876, commissioned by the Institute of Comparative Anatomy at Vienna University to solve a classically esoteric zoological puzzle: how eels copulated. Specialist as he later became in the human testicle and its influence upon the psyche, Freud diligently set out to discover the elusive reproductive organs whose location had baffled investigators since the time of Aristotle. He did not solve the mystery, but I like to imagine him dissecting his four hundred eels in the institute's zoological station here. Solemn, earnest and bearded I fancy him, rubber-gloved and canvas-aproned, slitting them open one after the other in their slimy multitudes. Night after night I see him peeling off his gloves with a sigh to return to his lonely lodgings, and saying a weary goodnight to the lab assistant left to clear up the mess — "Goodnight, Alfredo", "Goodnight, Herr Doktor. Better luck next time, eh?" But the better luck never came; the young genius returned to Vienna empty-handed, so to speak, but perhaps inspired to think more exactly about the castration complex.” (...)
“For some years, Trieste was a murky exchange for the commodities most coveted in the deprived societies of Hungary, Czechoslovakia, Bulgaria, Romania and Yugoslavia. Jeans, for example, were then almost a currency of their own, so terrific was the demand on the other side of the line, and the trestle tables of the Ponterosso market groaned with blue denims of dubious origin ("Jeans Best for Hammering, Pressing and Screwing", said a label I noted on one pair). There was a thriving traffic in everything profitably resellable, smuggleable or black-marketable - currencies, stamps, electronics, gold. Not far from the Ponterosso market was Darwil's, a five-storey jewellers' shop famous among gold speculators throughout central Europe. Dazzling were its lights, deafening was its rock music, and through its blinding salons clutches of thick-set conspiratorial men muttered and wandered, inspecting lockets through eye-glasses, stashing away watches in suitcases, or coldly watching the weighing of gold chains in infinitesimal scales.”
Tags:Dimitri Verhulst, Joost Baars, Göran Sonnevi, Graham Greene, Wallace Stevens, Andreas Gryphius, Nes Tergast, Waltraud Anna Mitgutsch, Jan Morris, Romenu
„Die Bahn Richtung Friedrichstraße war losgefahren und so rüttelte nun das für unsere Hauptstadt ungewöhnlich gepflegte Regierungsviertel vorbei. In gut zweieinhalb Stunden würde die vierhundertdreiundsechzigste Vorstellung von Einer flog über das Kuckucksnest beginnen, einer Produktion, die im Herbst 1989 entstanden war und wie keine andere die revolutionäre Tugend jener Zeit beschworen hatte. Das war übrigens nicht meine Privatmeinung, sondern stand am Vortag – als Tipp zum Wochenende – fast buchstäblich so in der Zeitung. Das Theater, unser Liebknecht-Theater, war damals das Glashaus gewesen. Ich einer von denen, die drin gesessen hatten. Und jetzt spielten wir dieses Stück im achtundzwanzigsten Jahr. Die Vorstellung war auch diesmal ausverkauft. Und darauf würde der letzte Vorhang folgen. Vor nicht einmal drei Jahren hatte ich dafür gesorgt, dass sie die Abendspielleitung von Kuckucksnest übernahm. Doch im letzten Herbst hatte ich zugelassen, dass sie diese Produktion gegen Malapartes Die Haut tauscht hatte, weil dort jemand krank geworden war. Gegen meinen Willen hatte ich das zugelassen. Sie war die weitaus bessere Assistentin gewesen als Leitterfeldt, der seitdem Kuckucksnest betreute. Hätte ich im letzten Herbst meinen Willen durchgesetzt, würde ich sie unweigerlich heute Abend im Theatersehen. Meine revolutionäre Tugend war mitnichten unerschöpflich. Im besten und im schlimmsten Fall sollte ich noch heute herausfinden, was sie mit ihrem orakelhaften Warte nicht auf mich gemeint hatte. Im besten Fall würde sie spätestens heute Nacht in der Solinger auftauchen und sich still neben mich legen. Wir würden über Oia reden. Über die Intimität im Glashaus. Eine konkrete Zukunft. Sie würde sich an meinen ausgezehrten, liebebedürftigen Körper klammern. Irgendwann würde das Knistern zurückkehren.“
Michael Schindhelm (Eisenach, 1 oktober 1960)
De Amerikaanse dichter en bloemlezerLouis Untermeyerwerd geboren op 1 oktober 1885 in New York City. Zie ook alle tags voor Louis Untermeyer op dit blog en ook mijn blog van 1 oktober 2010
Infidelity
You have not conquered me—it is the surge Of love itself that beats against my will; It is the sting of conflict, the old urge That calls me still.
It is not you I love—it is the form And shadow of all lovers who have died That gives you all the freshness of a warm And unfamiliar bride.
It is your name I breathe, your hands I seek; It will be you when you are gone. And yet the dream, the name I never speak, Is that that lures me on.
It is the golden summons, the bright wave Of banners calling me anew; It is all beauty, perilous and grave— It is not you.
Rainbow’s End
“Do you remember at the rainbow's end Those flowers trampled by the hurrying rain, Hanging their heads, knowing they would not spend Their prodigal colors again?
“Hanging their heads, you laughed, afraid to stare Back at the boundless apathy of blue. While arched above them in prismatic air Their seven colors grew.
“And then, do you remember how you said That every flower beaten to the ground Blossoms in beds of light, and shook your head, Half playful, half profound?
“And stooped and picked two petals suddenly And let them fall—do you remember—so ...?” I have forgotten. “And how you answered me? How all the heaven flamed ... Remember?” No.
Louis Untermeyer (1 oktober 1885 - 18 december 1977) Cover
„An einem solchen Donnerstag nachmittags war es auch, dass ich in der nahe gelegenen Bäckerei den stillen Herrn vor dem Ladentisch stehen und zahlen sah. Als er sich umwandte, um hinauszugehen, standen wir einander frontal gegenüber. "Was! Sie sind das?" entfuhr es mir. "Es scheint so", quittierte er meine etwas törichte Frage mit hochgezogenen Brauen und spöttischen Mundwinkeln. Im prompten Gegenzug liess ich - während ich der Verkäuferin meine Wünsche bekanntgab - beiläufig fallen: "Wissen Sie eigentlich, dass wir Kopfnachbarn sind?" Weit entfernt, sein Erstaunen einzugestehen, schlug er - ganz der alte Singer - einen boshaften Haken: "Was Sie nicht sagen! So sind also Sie die Person, die sich gegen Abend bisweilen auf dem Klavier ergeht. Mit echter Empfindung, muss ich einräumen - wofür der reichliche Pedalgebrauch spricht." "Nur ein schwacher Ausgleich für die Reinigungsorgien Ihrer Raumpflegerin, die mir jeden Donnerstag die Ohren blessieren!" Bei dieser Bemerkung schreckte Singer hoch, sah auf die Uhr und blickte gequält: "Erst halb fünf! Da dreht sie sich noch herum in meiner Wohnung", kam es mit gedrückter Stimme. "Warum verbitten Sie sich nicht wenigstens Ö3?" "Trauen werd' ich mich!" Seite an Seite gingen wir die paar Schritte auf das Haus zu. Bereits als der Aufzug der zweiten Etage zuschwebte, quoll uns hingebender Gesang entgegen. "Die Kanaille ist noch in Aktion!" knirschte Singer.“
Inge Merkel (1 oktober 1922 – 15 januari 2006) Wenen
Uit: A Russian Schoolboy (Vertaald door J. D. Duff)
“In the middle of winter in the year 1799, when I was eight years old, we traveled to Kazan, the chief town of the Province. The frost was intense; and it was a long time before we could find out the lodgings we had taken beforehand. They consisted of two rooms in a small house belonging to a Mme. Aristov, the wife of an officer; the house stood in Georgia Street, a good part of the town. We arrived towards evening, traveling in a common sledge of matting drawn by three of our own horses harnessed abreast; our cook and a maid had reached Kazan before us. Our last stage was a long one, and we drove about the town for some hours in quest of our lodgings, with long halts caused by the stupidity of our country servants—and I remember that I was chilled to the bone, that our lodgings were cold, and that tea failed to warm me; when I went to bed, I was shaking like a man in a fever. I remember also that my mother who loved me passionately was shivering too, not with cold but with fear that her darling child, her little Seryozha, had caught a chill. She pressed me close to her heart, and laid over our coverlet a satin cloak lined with fox-fur that had been part of her dowry. At last I got warm and went to sleep; and next morning I woke up quite well, to the inexpressible joy of my anxious mother. My sister and brother, both younger than I, had been left behind with our father's aunt, at her house of Chufarovo in the Province of Simbirsk. It was expected that we should inherit her prop-erty; but for the present she would not give a penny to my father, so that he and his family were pretty often in diffi-culties; she was unwilling even to lend him a single ruble. I do not know the circumstances which induced my parents, straitened as they were for money, to travel to Kazan; but I do know that it was not done on my account, though my whole future was affected by this expedition. When I awoke next morning, I was much impressed by the movement of people in the street; it was the first time I had seen anything of the kind, and the impression was so strong that I could not tear myself away from the window. Our maid, Parasha, who had come with us, could not sat-isfy me by her replies to my questions, for she knew as little as I did; so I managed to get hold of a maid belonging to the house and went on for some hours teasing her with ques-tions, some of which she was puzzled to answer. My father and mother had gone off to the Cathedral to pray there, and to some other places on business of their own; but they refused to take me, fearing for me the intense cold of that Epiphany season.”
Sergej Aksakov (1 oktober1791 - 12 mei 1859) Cover
‘Die beesten zijn hondsdol en psychotisch,’ zei ik. En jawel, toen ze voorbij renden, bleef de lucht zo in hun bek hangen dat ze leken te grijnzen gelijk waanzinnige clowns die geflankeerd werden door cartooneske strepen modder en kwijl. Mijn moeder begon nog feller te schreeuwen. Het venijn van haar stem breidde zich uit naar de rest van haar lijf. Haar bewegingen waren verwoed en weinig natuurlijk. ‘Geef mij een sigaret.’ De eerste sigaret die ik haar gaf, moest zij niet hebben. Ik was op het pak gaan zitten en er zat een scheurtje in het papier. ‘Volgens mij heeft Danny zich naar een andere wereld gezopen,’ zei ik. ‘Die notaris staat daar nu al een uur op ons te wachten.’ ‘Dat hij wacht. Ik ben al heel mijn leven aan ’t wachten.’ ‘En weet gij zelf nog waarop?’ Aan haar gezicht te zien wist zij dat niet. ‘Hebt gij vuur?’ ‘Neen.’ ‘Hoe, gij hebt geen vuur?’ ‘Ik heb geen vuur.’ ‘Waar hebt gij die sigaret dan mee aangestoken?’ ‘Dat weet ik niet meer.’ ‘Ik moet nu vuur hebben.’ ‘Ik heb geen vuur.’ ‘Ik moet nu vuur hebben.’ ‘Ik zeg toch dat ik dat niet heb.’ ‘Ga dan naar binnen! Ga dat pakken!’ ‘Ga zelf es naar binnen.’
Michael Bijnens (Genk, 1990)
De Duitse dichter Titus Meyerwerd geboren in 1986 in Berlijn. Meyer studeerde Duitse taal- en letterkunde en Scandinavische studies in Greifswald. Hij publiceerde in tijdschriften en anthologieën zoals, “außer.dem”, “randnummer”, “hochroth”, “Risse” en “Lyrik von Jetzt 3”. In 2015 verscheen zijn bundel “Meiner Buchstabeneuter Milchwuchtordnung”.
Nemo-Nomen Tuche & Wein. Hermeneutiktreppe, diese Mannespille. Niemand dablieb. Metathese der Leser hierherholt.
Velare, Bildnumen, o Rabe der Herzleporellos, Nebelnaesse, HTML, Ehebesorgnisse, Gatten-Games, Eidhast.
Sah diese Magnettagessingrose behelmt Hesse an? Leben soll er, o Pelzreh! Redebarone, mundliberal evtl. Ohrehre?
Ihr Esel Rede seht: Atembeilbad. DANN, mein Ellipsenname, sei deppert? KI, tue ’nem Reh nie weh!
Cut.
Titus Meyer (Berlijn, 1986)
De Duitse dichter en schrijver Stephan Reichwerd geboren in 1984 in Kassel. Hij studeerde Duitse taal, Engels en sociologie in Münster en werkte als redacteur bij 11FREUNDE. Zijn teksten werden gepubliceerd in tijdschriften en anthologieën en hoorde op de 18e en 21e "open mike" van de Literaturwerkstatt Berlijn tot de finalisten. In het voorjaar van 2014 verscheen zijn poëziedebuut "Everest". In 2016 verscheen zijn eerste roman "Wenn's blennt".
urban legend
nachts, heißt es, krabbeln dir spinnen, arachne, über den zungenstyx, gott
ist in dir & im schmutz deiner laken, am seidenen faden esse man durchschnittlich 8 im laufe des jahres wie
rasierklingen in äpfeln, mund zu mund, arachne, gibt die geschichte sich weiter
wie eine krankheit, eine legende, für jedes der beine, die kurzen, ein mögliches ende, eine phantasie
von ständiger transformation der gedoppelte puls im magen das kribbeln, das sich nicht puppen lässt, arachne:
De Nederlandse schrijfster Renée van Marissing werd geboren in 1979 in Amsterdam. Van Marissing studeerde Dramaschrijven aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Ze schreef (muziek)-theaterteksten voor onder andere De Toneelmakerij en De Nederlandse Opera, en hoorspelen voor de AVRO, VPRO en internettijdschrift hard//hoofd. In 2009 debuteerde ze met haar roman “Het waaien van mijn oma”. Haar tweede roman “Strak blauw”, die in 2012 verscheen werd genomineerd voor de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs. Haar derde roman "Parttime Astronaut" verscheen in 2017.
Uit:Parttime Astronaut
“We liggen stil, de hangmat beweegt niet, mijn zoon beweegt niet, ik vraag me af of hij slaapt. De gedachte dat ik niks weet van het vastknopen van touwen rond bomen en dat als we nu vallen en Lucas gewond raakt, dat mijn schuld zou zijn, gonst door mijn hoofd. Er wordt gezegd dat je als ouder vanzelf gaat relativeren, je kunt simpelweg niet continu angstig zijn om je kind, zoals je wanneer je van Schiphol naar Nieuw Zeeland vliegt, niet eenentwintig uur non stop aan je vliegangst kunt toegeven. Het is ook niet een continue angst, maar soms hebben de vlagen een verlammend effect. Lucas is boven op me gaan liggen, zijn buik op mijn buik, zijn benen tussen mijn benen, zijn kruin tegen mijn kin. Ik buig mijn hoofd naar voren en kus zijn haar. Mijn armen heb ik om hem heen geslagen. Hij draait zijn hoofd opzij, zijn wang en oor tussen mijn borsten, en begint met zijn vingers de geweven draden van de hangmat te volgen. Ik kijk naar boven, naar de takken en de bladeren. ‘Ik hoor je hart kloppen,’ zegt Lucas. ‘Snel of langzaam?’ ‘Weet ik niet.’ Door een opgekomen wind beginnen we zacht heen en weer te schommelen. Ik denk aan vliegeren, mensen die rennen over het strand, de vlieger die ik zelf ooit als kind maakte in een museum, van rijstpapier, bamboestokjes en een wc-rol als klos voor het touw. We lieten hem op tijdens een vakantie in Noord-Frankrijk. Ik wilde mijn vlieger zijn, bij gebrek aan eigen vleugels liet ik een stuk beschilderd papier de lucht verkennen. Hé, vogels, vriendjes, kom dan. Ik wilde dat ze uit mijn hand zouden eten, ik wilde daar staan met een stuk brood in mijn hand, mijn arm omhoog, in de lucht. Vogels, ik heb brood. Kom, met die scherpe snavels, pik het tussen mijn vingers vandaan, maar pas op, zorg dat ze niet gaan bloeden. Mijn vlieger heeft die dag in Picardië niet overleefd, hij stortte in zee en het rijstpapier scheurde. ‘Weet je nog dat we op de Afsluitdijk stonden?’ vraag ik. ‘Hoe oud was ik toen?’ ‘Twee.’ ‘Nee, weet ik niet meer.’ ‘We stonden op de Afsluitdijk en het waaide vreselijk hard.’ ‘Waar is de Afsluitdijk?’ ‘Dat is die weg door het water als we naar tante Sophie gaan. Het stormde bijna, en toen hebben we de auto midden op de Afsluitdijk op de parkeerplaats gezet en zijn we uitgestapt en toen hebben we onze jassen opengehouden, jij, ik en papa, en zijn we gaan springen zodat de wind onze jassen zou vangen en we zouden gaan vliegen.’
“Als heerser van het grote Beierhuis had ik de macht over onder anderen een aan hypochondrie lijdende maatschappelijk werkster, een door haar ex bedreigde gescheiden moeder van twee kinderen, een Roemeense die de beste wegen naar de Nederlandse blijf-van-mijn-lijfhuizen niet wist te vinden, de heer Fretvanger, de aan drank verslaafde algemeen directeur van Stichting Verslavingszorg, een failliete muzikant, een crimineel met berouw, en zelfs een verstoten hond: een mooie Beierse Bergzweethond - hem vond ik in de berm langs de A15, zijn poten waren aan elkaar gebonden en zijn kop lag open, iemand moest hem bruut uit de auto hebben gegooid. De volgende op wie ik mijn zinnen had gezet was Malinka. Aanvankelijk dacht deze volslanke vrouw met een melancholische Oostblokachtige gelaatsuitdrukking, haar schade voor mij te bedekken door een vlies van gemaakt zelfvertrouwen over haar gezicht heen te trekken. Maar ik ben een vakman, iemand die ziet in welke hoek het magazijn wegrot, ook al blinkt de etalage nog zo sterk. Een vakman die heeft geleerd schade te zien, zoals hij oneffenheden in een strookje ebbenhout heeft leren zien. Ooit was ik namelijk leerling techneut. Ik denk dat de zucht naar heersen daar moet zijn ontstaan, op technische school De Horsten, waarvan ik in het derde leerjaar werd verwijderd. Niet dat ik er een leraar had bedreigd of beschoten, dat vind ik iets voor mietjes, nee, het was zo dat ik voor het vak metaalbewerking de opdracht kreeg een windhaan te vervaardigen, maar zeg nou eerlijk, een windhaan maak je op een huishoudschool, en ik sneed en smeedde daarom van al mijn trots en het aanwezige schoolijzer een tachtig centimeter lang zwaard, dat ik op de borst hield van klassenvertegenwoordiger Lars van Schotanus, de langste leerling van de klas.Maar ach, wat maakte het uit... een jong heerser moet wel een verwoed rokkenjager zijn, en op een technische school is de koningin, die edel ingelijst op de gang hangt, de enige vrouw, dus was ik genoodzaakt op andere jachtvelden mijn jagersdorst te lessen. Met mijn onafgeronde technische opleiding kwam ik echter niet ver. Ik werd gedwongen jobs aan te nemen waar ik beheerst werd door kinderen die naar een goede carrière waren gelanceerd vanuit een stropdasmilieu. Onder de verschrikkelijke tirannie van die ongelooflijk saaie papkinderen kon ik niet leven, mijn doelen lagen veel en veel hoger; het bedrijfsleven kon mij dat niet schenken, dus brak ik daarmee, en zo had ik dus niets meer. Mij restte niets dan mezelf op het leven van anderen te storten. Hoe minder ik te doen had, en dat werd met de dagen almaar minder, des te meer ontfermde ik me over het leven van anderen. Ik leefde van de problemen van anderen zoals een mestkever leeft van mest, en ik genoot ervan zoals Johan Cruyff geniet van zijn eigen ballen.”
“Viel war nicht nötig, um mich ins Abseits zu begeben, um zu einer ausgestoßenen Minderheit zu gehören, um ganz unten zu sein. Von einem Spezialisten ließ ich mir zwei dünne, sehr dunkel gefärbte Kontaktlinsen anfertigen, die ich Tag und Nacht tragen konnte. »Jetzt haben Sie einen stechenden Blick wie ein Südländer«, wunderte sich der Optiker. Normalerweise verlangen seine Kunden nur blaue Augen. Ein schwarzes Haarteil verknotete ich mit meinen eigenen, inzwischen spärlich gewordenen Haaren. Ich wirkte dadurch um etliche Jahre jünger. So ging ich als Sechsundzwanzig- bis Dreißigjähriger durch. Ich bekam Arbeiten und Jobs, an die ich nicht herangekommen wäre, wenn ich mein wirkliches Alter — ich bin inzwischen dreiundvierzig — genannt hätte. So wirkte ich in meiner Rolle zwar jugendlicher, unverbrauchter und leistungsfähiger, aber sie machte mich gleichzeitig zu einem Außenseiter, zum letzten Dreck. Das »Ausländerdeutsch«, das ich für die Zeit meiner Verwandlung benutzte, war so ungehobelt und unbeholfen, daß jeder, der sich die Mühe gemacht hat, einem hier lebenden Türken oder Griechen einmal wirklich zuzuhören, eigentlich hätte merken müssen, daß mit mir etwas nicht stimmte. Ich ließ lediglich ein paar Endsilben weg, stellte den Satzbau um oder sprach oft ganz einfach ein leicht gebrochenes »Kölsch«. Um so verblüffender die Wirkung: niemand wurde mißtrauisch. Diese paar Kleinigkeiten genügten. Meine Verstellung bewirkte, daß man mir direkt und ehrlich zu verstehen gab, was man von mir hielt. Meine gespielte Torheit machte mich schlauer, eröffnete mir Einblicke in die Borniertheit und Eiseskälte einer Gesellschaft, die sich für so gescheit, souverän, endgültig und gerecht hält. Ich war der Narr, dem man die Wahrheit unverstellt sagt."
Günter Wallraff (Burscheid, 1 oktober 1942) Wallraff als de Turk Ali Levent in de filmversie van het boek uit 1985
Hoe zal mijn woord uw stil bewegen strelen, mijn torve mond uw zacht-strelende daên?...
- Op de effen lente-Leie zie 'k, blad-weemlend, gaan 't verduisterd even-beeld van roereloze abelen om 't matte wit en eêle geel der vele water-leel'en die, bij 't gewieg van trage avond, kallem staan en teer-aan neigen in het zilver-stil getaan van schuine zonne-glanze' in bevend schaaûwe-spelen...
- Hoe zal 'k uw leden strelen, ik die treurig ben en, vrezend, in mijn leven slechts de liefde ken voor mijn vreemd eigen-beeld, weerkaatst in moe dood water;
('t beeld der abelen speelt in 't zilver-gele water)
- hoe smaakt mijn torve mond de wrange, arme waan dat zijne liefde om uw stil wezen kunne gaan?...
Eenzaamheid
En zal dit leven mij dan buitenwerpen, En zal ik, met mijn eigen nood alleen, Mij zelf verteren in de ijdle, scherpe Knel van mijn trots, de smaad van mijn geween,
En heeft de lucht zich voor mijn ziel gesloten, En heeft de stad zich voor mij toegedaan, Draag ik de kneuzing van wie werd verstoten Uit de gemeenschap der vertrouwde pâen,
En voel ik mij vergeten en verlaten, En is het mij of niemand mij gedenkt, En keren nacht en avond door de straten Zonder dat mij één blik van vriendschap wenkt,
O laat mij dan dit éne zeekre weten: (Hoor hoe mijn stem u toeroept door de nacht!) Dat ik bij ú mijn droefheid kan vergeten, Dat gíj mij met uw diepe liefde wacht.
P. N. van Eyck (1 oktober 1887 – 10 april 1954) Hier met echtgenote Nelly
“Diep, in zandkuil van uitgespitte hei, weggeslobberd met zijn beenen, in blauw-zwarte glimmige klei, schoot ie rhytmisch-breed over, zwaar-ademend, grauwe zandbonken van z'n stompkorte graaf opwerpend in kracht-zwaai, àl meer roestige brokken en plakken naar den omgespitten grond, die dichtgegooid lag boven hem. Grauw-grijze december-donkering dreigde; gier-felle wind, met er doorheen dwars gerafel van regen, bolde en loeide wijd-wild over het verre middag-land, dat vaal-bruin, en groezelig-geel, aan de kim vernevelde in toonloos grauw van winter-droef-doodscheakkers, grimmig verdoffend tegen verschimd-bleeke bosschages en hagen van ver-affe tuinderijen en bollenland. En zwaar-eindloos, laag, stond boven het akkerbrons gestolpt de wild-dreigende lucht-donkering, aanhollend wolkengrauw met al duisterder tintvegen. Hier en daar brokkelde gloedloos pluimgroen van boerenkool en prei, groen-vaal gerijd tusschen bollenakkers, die in vuil-geel dekriet schimmelden of bemorst lagen met boomstronken en zwaren takkenrommel. Flauwe silhouetten van grondwerkers en spitters kontoerden in wrongig-gebuk, schonkig-somber, in den woest-kalen omtrek van het grondbrok dat Dirk bewerkte. Zwaar-melancholisch loomden van ver hun lijfbewegingen en starre armenheffing in het stugge druillicht, dat àl droeviger door-donkerde over de velden. Schonkig-gespierd, met zweet-vet op roodbruin gezicht, schoot Dirk over, al hooger boven 'm, al dieper wegzakkend in hei, uitspittend onder z'n voeten in breeëre sneden, òpwerpend de zandvrachten, vlijmend met scherpen kant van mes-blinkige spa in den grond, plots harder en inspannender soms, met bloed-rood hoofd van aanzwellende kracht-dreiging inhakkend en kervend, waar kleibonken, ommodderend z'n beenen, kleef-zwaarder naar den grond terugzogen. Z'n vuile slijk-klompen klodderden in het sappige kleiblauw, en àl zwaarder, werkkoortsig-heftig, in onberusten maatgang kerfde en hakte z'n graaf door modder en zandgrond, in wilder opwerping van àl zwarter gestikte brokken en roest, omwoelde en groef ie uit de spitkuil, al breeër en dieper, tot het zwart-vette water uit den grond borrel-schuimde rond z'n beenen en broek. Dan ging er 'n wellust-tinteling door z'n werklijf, door z'n blaasbalgende borst, want dàt moest ie zien van zijn land, doorwatering, vettig en modderig.”
Israël Querido (1 oktober 1872 - 5 augustus 1932) Plaquette in de Eerste Goudsbloemdwarsstraat in Amsterdam ter herinnering aan de schrijver van “De Jordaan”.
Un temple ambré, le ciel bleu, des cariatides. Des bois mystérieux; un peu plus loin, la mer... Une cariatide eut un regard amer Et dit : C'est ennuyeux de vivre en ces temps vides.
La seconde tourna ses grands yeux froids, avides, Vers Lui, le bien-aimé, l'homme vivant et fier Qui, venu de Paris, peignait d'un pinceau clair Ces pierres, et ce ciel, et ces lointains limpides.
Puis la troisième et la quatrième : " Comment Retirer nos cheveux de cet entablement ? Allons ! nous avons trop longtemps gardé nos poses ! "
Et toutes, par les prés et les sentiers fleuris, Elles coururent vers des amants, vers Paris ; Et le temple croula parmi les lauriers roses.
Excuse
Aux arbres il faut un ciel clair, L'espace, le soleil et l'air, L'eau dont leur feuillage se mouille. Il faut le calme en la forêt, La nuit, le vent tiède et discret Au rossignol, pour qu'il gazouille.
Il te faut, dans les soirs joyeux, Le triomphe ; il te faut des yeux Eblouis de ta beauté fière. Au chercheur d'idéal il faut Des âmes lui faisant là-haut Une sympathique atmosphère.
Mais quand mauvaise est la saison, L'arbre perd fleurs et frondaison. Son bois seul reste, noir et grêle. Et sur cet arbre dépouillé, L'oiseau, grelottant et mouillé, Reste muet, tête sous l'aile.
Ainsi ta splendeur, sur le fond Que les envieuses te font, Perd son nonchaloir et sa grâce. Chez les nuls, qui ne voient qu'hier, Le poète, interdit et fier, Rêvant l'art de demain, s'efface.
Arbres, oiseaux, femmes, rêveurs Perdent dans les milieux railleurs Feuillage, chant, beauté, puissance. Dans la cohue où tu te plais, Regarde-moi, regarde-les, Et tu comprendras mon silence.
Charles Cros (1 oktober 1842 - 9 augustus 1888) Poster in het Musée du souvenir Charles Cros in Fabrezan
I believe in you. I believe in you being close to me. I believe in you being close to me intimately. I believe in you being close to me intimately, regularly. I believe in you being close to me intimately, regularly just not today. I believe in you being close to me intimately, regularly just not today because sometimes I need to be with myself alone all the better to be with you more intimately.
Bat
With torrents of abusing which would later feed the musing, D.H. Lawrence tried to extricate the bat.
A vendetta and a spat, he would continue to attack it until batteries exhausted, all out of flutter the brown flitter slumped and sat.
Then, smothered up in jacket the beast was bundled to the window and cast out into daylight: very bright and oh so frightful, even in the loveliness of Florence.
Later having mated, increasing the Italian battalion might the released creature forewarn a small unseeing one: “You steer WELL CLEAR of that human being’s flat, do you hear me?!”
“"It's incredible, it really is, isn't it? Ever think you'd be humping along some crazy-ass trail like this, jumping up and down like a goddamn bullfrog, dodging bullets all day? Back in Cleveland, man, I'd still be asleep." Barney smiled. "You ever see anything like this? Ever?" "Yesterday," I said. "Yesterday? Shit, yesterday wasn't nothing like this." "Snipers yesterday, snipers today. What's the difference?" "Guess so." Barney shrugged. "Holes in your ass either way, right? But, I swear, yesterday wasn't nothing like this." "Snipers yesterday, snipers today," I said again. Barney laughed. "I tell you one thing," he said. "You think this is bad, just wait till tonight. My God, tonight'll be lovely. I'm digging me a foxhole like a basement." We lay next to each other until the volley of fire stopped. We didn't bother to raise our rifles. We didn't know which way to shoot, and it was all over anyway. Barney picked up his helmet and took out a pencil and put a mark on it. "See," he said, grinning and showing me ten marks, "that's ten times today. Count them-one, two, three, four, five, six, seven, eight, nine, ten! Ever been shot at ten times in one day?" "Yesterday," I said. "And the day before that, and the day before that." "No way. It's been lots worse today." "Did you count yesterday?" "No. Didn't think of it until today. That proves today's worse." "Well, you should've counted yesterday." We lay quietly for a time, waiting for the shooting to end, then Barney peeked up. "Off your ass, pal. Company's moving out." He put his pencil away and jumped up like a little kid on a pogo stick. Barney had heart. I followed him up the trail, taking care to stay a few meters behind him. Barney was not one to worry about land mines. Or snipers. Or dying. He just didn't worry. »
“Een afscheid en voorgoed, zover waren we dan eindelijk gekomen, Sarah en ik, zo diep verdwaald, en toen brak de oorlog uit. Nu ja, eigenlijk was de oorlog al uitgebroken, met het Frans-Engelse antwoord op de Duitse inval in Polen, wij werden er pas het volgend voorjaar in betrokken, in de meinacht van 1940, toen ik aan Sarahs lang gekoesterde wens om mij voor haar minnaar in te wisselen toegaf. Ik kon wel huilen toen ze me omhelsde, maar ik gunde het haar niet, het was niet omdat ze me ging verlaten maar omdat ik vreesde nooit meer te kunnen liefhebben. Onzin, ik had nog mijn eigenliefde, die moeder van de jaloezie, ik stond nota bene in het stuk der stukken, Sarah had me daarin gezien en bewonderd, Othello dus, als Jago nog wel, maar misschien werkt zo’n rol buiten het toneel eerder verduisterend dan verhelderend, in elk geval, toen de oorlog gestalte kreeg, geratel van afweergeschut, gebrom van vliegtuigen, gillen en janken van sirenes, geschreeuw van mensen die de straat waren opgegaan, trok ik Sarah, die zich wilde aankleden, terug in bed om haar te zeggen, toe te bijten, dat ik wel gek zou zijn om haar in dat tumult te laten gaan, dat ik mijn toezegging introk en haar zou tegenhouden als ze haar zin zou doorzetten en mijn overwinnaar in de armen vliegen. Deze Kasper, een Duitser, een goede helaas, schrijver van enige naam, had een hoge dunk van mij, dat maakte alles gecompliceerder dan nodig was. Had ik hem maar kunnen verdenken van een poging mij met zijn loftuitingen onschadelijk te maken, maar hij prees mij oprecht als de acteur die ik in zijn ogen was. Nog nooit had hij een Puck gezien als de mijne, Shakespeare zou mij hebben omhelsd, een ogenblik leek het erop dat hij het in zijn plaats zou doen, hij boog zich al naar me over, onopzettelijk misschien maar wel nadrukkelijk ons verschil in lengte aangevend, hij met zijn een meter negentig torenhoog boven mijn een meter zestig, de eik die zijn schaduw werpt over het sparretje, dat geen ander verweer heeft dan het uitzetten van zijn stekels. Ik was wel op de hoogte van de verhouding tussen die twee, maar verdrong iedere gedachte eraan, uit zelfbehoud misschien, gebrek aan interesse of aan verbeelding, ja, eigenlijk kon ik het me niet voorstellen, hij zo duits als zij joods, hoe konden ze elkaar buiten de literatuur liefhebben. Sarah had in literaire en politieke kring naam gemaakt met haar vertalingen van in Hitlers Duitsland verboden schrijvers die in ons land onderdak hadden gevonden bij een daartoe opgerichte afdeling van een Amsterdamse uitgever. In vliegende vaart, alsof de vijand haar op de hielen zat, vertaalde ze Klaus Mann, Egon Kisch, de al dode Ernst Toller, Arnold Zweig, en haar geliefde, die ik om welke reden ook, een menselijke hopelijk, alleen met zijn voornaam aanduid. Ingewijden zullen hem herkennen als de auteur die zich van het pseudoniem Heim bedient, om aan te geven waarschijnlijk dat hij zich overal thuis voelt of, pretentieuzer nog, dat iedereen zich bij hem thuis moet voelen. Er was voor de tortels gelegenheid genoeg elkaar binnen de grenzen te ontmoeten, Kasper verbleef meer dan eens in Amsterdam, als redacteur bij de Duitse afdeling van die genereuze Nederlandse uitgever.”
Willem G. van Maanen (30 september 1920 - 17 augustus 2012) Cover
Uit: Parting Of The Way (The Early Stories of Truman Capote)
“Twilight had come; the lights from the distant town were beginning to flash on; up the hot and dusty road leading from the town came two figures, one, a large and power-ful man, the other, young and delicate. Jake's flaming red hair framed his head, his eyebrows looked like horns, his muscles bulged and were threaten-ing; his overalls were faded and ragged, and his toes stuck out through pieces of shoes. He turned to the young boy walking beside him and said, "Guess this is just about time to make camp for tonight. Here, kid, take this bun-dle and lay it over there; then git some wood—and make it snappy too. I want to make the vittels before it's all dark. We can't have anybody seein' us. Go on there, hurry up." Tim obeyed the orders and set about gathering the wood. His thin shoulders drooped from the strain, and his gaunt features stood out with protruding bones. His eyes were weak but sympathetic; his rose-bud mouth puckered slightly as he went about his labor. Neatly he piled the wood while Jake cut strips of bacon and put them in a grease-coated pan. Then, when the wood was ready to be fired, he searched through his overalls for a match. "Damn it, where did I put those matches? Where are they, you ain't got 'em, have you, kid? Nuts, I didn't think so; ah, here they arc." He drew a paper of matches from a pocket, lit one, and protected the tiny flame with his rough hands. Tim put the pan with the bacon over the small fire that was rapidly catching. The bacon remained still for a minute or so and then a tiny crackling sound started, and the bacon was frying. A very rancid odor came from the meat. Tim's sick face turned sicker from the fumes. "Gee, Jake, I don't know whether I can eat any of this junk or not. It doesn't look right to me. I think it's rancid." "You'll eat it or nothin'. If you weren't so stingy with that piece of change you got, we could a got us somethin' decent to eat. Why, kid, you got a whole ten bucks. It doesn't take that much to get home on."
Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984) Cover
Het was donker, hij lag op zijn bed. hij had het raam op de haak gezet, opdat het getij van de nacht door de baai van zijn kamer kon gaan en zijn dromen stijgen en dalen op de golven der maan, en hij dacht: 'hoe vaster ik slaap, des te zwaarder slaapt het heelal, hoe dieper ik ademhaal hoe hoger de nacht en het lied van de nachtegaal. kan het zijn, dat van Genesis af het parabolisch Verhaal, de Ellips der Geschiedenis - tot het vuur van de Apocalyps de laatste beelden verbrandt, de luchter, het boek en het lam - niets anders is dan het vluchtige spiegelbeeld van mijn slaap, tussen dromen verdeeld?'
Polderland
Ik loop door ’t polderland onder de helle regen; oneindig is het land, oneindig zijn de wegen,
die naar de kimmen gaan; in lage hemelstreken heerst tussen zwarte kreken het mistig licht der maan.
o, dertigstroomenland, het volk dat u bewoont versombert in krakelen die geld en God verdelen, purper en doornenkroon.
oneindig is het land, oneindig zijn de wegen die naar de kimmen gaan; ik loop de morgen tegen in ’t mistig licht der maan.
Voor het inslapen
In deze kleine kamer vind ik soms nog vrede. al wat daarbuiten ligt heeft voor mij afgedaan; wat rest mij nog, dan ‘Krieg und Frieden’ lezend, tot mijn verwoeste dromen in te gaan?
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940) In Italië in 1934
“Net als op het vorige bord was elke letter van de naam in een andere kleur geschilderd. De a kwam als enige letter twee keer voor. Het deed me denken aan de waterverf van vroeger op de lagere school. Meer water dan verf. MONA LISA 100 M. Het pijltje zou me de weg wijzen naar een kraan. Mona Lisa; het kon een garage zijn, een zaak in schilderijlijsten, een bedrijf-je in truffelolie. Het maakte me niet uit, als er maar koud water uit de kraan kwam. Col de l'Homme Mort kon me gestolen wor-den. Het pijltje werd een pijl. MONA usa, stond er weer op, de let-ters nu twee keer zo groot als op het vorige bordje. Met als extra aanduiding: LAVANDE. De pijl wees schuin naar beneden, om duidelijk te maken dat je van de stijgende asfaltweg af moest. Een onverhard pad leidde naar beneden. Ik stapte af. Met kleine passen en aangetrokken remmen liep ik naast mijn fiets. De blokjes onder mijn wielerschoenen maakten het naar bene-den lopen verraderlijk. Aan het einde van het pad doemde een oud stenen huisje op. De pannen op het schuine dak waren overwoekerd door klimop. De deur was half afgeschuurd en stond op een kier. 'Bonjour: zei ik. Het bleef stil. Alleen de krekels gingen onverstoorbaar door met hun eentonige geluid. 'Allo?' riep ik, op weifelende toon, om aan te geven dat ik niets kwaads in de zin had. Er gebeurde niets. Voor het huis stond een kromgetrokken houten tafel. Tus-sen bosjes lavendel lag een stuk karton met een handgeschreven mededeling: Retour dans quinze minutes. Ik zette mijn fiets tegen een boom en trok de lege bidon uit de houder. Hoelang geleden waren die drie woorden opgeschreven? Misschien kwam de eigenaar van het huis al binnen een paar minuten aangewandeld. Ik keek op mijn horloge. Het was zes uur.”
“If in my lifetime I was to write only one book, this would be the one. Just as the past lingers in the present, all my writings after Night, including those that deal with biblical, Talmudic, or Hasidic themes, profoundly bear its stamp, and cannot be understood if one has not read this very first of my works. Why did I write it? Did I write it so as not to go mad or, on the contrary, to go mad in order to understand the nature of madness, the immense, terrifying madness that had erupted in history and in the conscience of mankind? Was it to leave behind a legacy of words, of memories, to help prevent history from repeating itself? Or was it simply to preserve a record of the ordeal I endured as an adolescent, at an age when one’s knowledge of death and evil should be limited to what one discovers in literature? There are those who tell me that I survived in order to write this text. I am not convinced. I don’t know how I survived; I was weak, rather shy; I did nothing to save myself. A miracle? Certainly not. If heaven could or would perform a miracle for me, why not for others more deserving than myself? It was nothing more than chance. However, having survived, I needed to give some meaning to my survival. Was it to protect that meaning that I set to paper an experience in which nothing made any sense? In retrospect I must confess that I do not know, or no longer know, what I wanted to achieve with my words. I only know that without this testimony, my life as a writer—or my life, period—would not have become what it is: that of a witness who believes he has a moral obligation to try to prevent the enemy from enjoying one last victory by allowing his crimes to be erased from human memory. For today, thanks to recently discovered documents, the evidence shows that in the early days of their accession to power, the Nazis in Germany set out to build a society in which there simply would be no room for Jews. Toward the end of their reign, their goal changed: they decided to leave behind a world in ruins in which Jews would seem never to have existed.”
“Het Parool . `Je puntenrubriek is uniek, je maandagcolumn vervangbaar,' zei Frits. Mijn professionele identiteit wordt kennelijk door het voetbal bepaald. Ik kan wel denken dat het schrijven zelf de doorslag geeft, de zakenman kijkt naar de inhoud. Tot zover mijn functioneringsgesprek. Ik neem me vast voor hierop later terug te komen. 16 september We hebben met 1-6 verloren van Vlug & Vaardig. Het was zo warm dat de leider van de tegenpartij en ik de scheidsrechter in de rust hebben verzocht de tweede helft in te korten. Het stond toch al 1-5. Mijn nieuwe assistent Pelle floot niet. Hij had daarvoor een vriend meegenomen, Wander, ook uit zijn en Sophies jaar. Wander ging akkoord met 35 in plaats van 45 minuten. We misten vier basisspeelsters. Roanne was op Romereis met school, Yarti 'zat vast in Vinkeveen', Jet moest de catering doen op de verjaardag van een tante en bij Mirjam was een moedervlek weggehaald (beide ouders arts). Ik kom uit Amsterdam-West en wil geenszins koketteren met een eenvoudige afkomst, maar dit waren toen ik zelf nog voetbalde geen redenen voor afmelding die onze leiders wekelijks ter ore kwamen. Laat staan dat meisjes voetbalden. De wedstrijd vóór ons van de Al liep uit. Aan de zijlijn keken we naar de slotfase. Opeens was het schreeuwen en slaan. De scheidsrechter gaf er twee rood. Eenmaal buiten het veld bleven de weggestuurde meisjes elkaar slaan en schoppen. Mijn speelsters ontging het incident totaal. Ik zag Sophie, Julia en Klaartje druk in gesprek. Ze kennen elkaar al vanaf de kleuterschool. Maud zwaaide een meisje van de tegenpartij gedag: klasgenootjes. Al die kinderen kennen elkaar. Zo heeft een van Wanders beste vrienden, Ewoud, acht jaar bij Sophie, Klaartje en Julia in de klas gezeten. Dat is autochtoon Amsterdam.”
Liefde fluistert me in het oor: `Je kunt beter een prooi zijn dan een jager. Wees mijn dwaas - verzaak de hoge staat van de zon en word een stofje! Kom, hang rond bij Mijn deur en word dakloos. Doe niet net of je een kaars bent, wees een mot, opdat je de smaak van het leven mag proeven en mag zien dat er gezag schuilt in dienstbaarheid.'
Degene die het schuim ziet, verklaart het geheim, terwijl wie de Zee ziet verbijsterd is. Degene die het schuim ziet, neemt zich iets voor, terwijl wie de Zee kent, zijn hart ermee verenigt. Degene die de schuimvlokken ziet, wikt en weegt, terwijl wie de Zee ziet, zijn bewuste wil heeft opgegeven. Degene die de vlokken ziet, is voortdurend in beweging, terwijl wie de Zee ziet, vrij is van huichelarij.
Roemi (30 september 1207 - 17 december 1273) Standbeeld in Buca, Turkije
Uit:Love in a Fallen City (Vertaald doorKaren Kingsbury)
“People like to say that the wide, long-sleeved gowns of former times didn't flatter curvaceous beauties, but Zhenbao had just discovered that this was not the case. He turned on the faucet. The water wasn't very hot, though the water heater downstairs was certainly on, and yet the lukewarm stream seemed to have a lighted wick running through it. Twisting and winding, the water ran from the faucet, every inch of it alive, while Zhenbao's mind went running off to who knows where. Wang Shihong heard the sound of running water and came into the bathroom. 'Do you want to take a bath? The water never comes up hot in this bathroom. The hot water pipe wasn't connected properly. That's one bad thing about this apartment. If you want to wash, come into our bathroom.' 'Oh no, please don't bother,' Zhenbao said. 'Isn't your wife washing her hair?' 'She must be finished by now. I'll go and have a look.' 'Oh, really, it's not that important.' Wang Shihong went to speak with his wife, and his wife said, 'I'm just finishing. Tell the amah to draw him a bath.' A little later, Wang Shihong told Zhenbao to bring his soap, towel, and clothes into their bathroom. Mrs Wang was still in front of the mirror, struggling to get a comb through her tightly permed hair. The bathroom was full of steam, and the night wind blew in through the open window. On the floor, clusters of fallen hair swirled about like ghostly figures. Zhenbao stood outside the door holding his towel and watching the tangled hair, in the glare of the bathroom light, drifting across the floor. He felt quite agitated. He liked women who were fiery and impetuous, the kind you couldn't marry. Here was one who was already a wife, and a friend's wife at that, so there couldn't be any danger, but ... look at that hair! It was everywhere. She was everywhere, tugging and pulling at him. The couple stood in the bathroom talking, but the water filling the tub was loud and Zhenbao couldn't hear what they said. When the tub was full, they came out so he could take his bath. After his bath, Zhenbao crouched down and started picking up stray hairs from the floor tiles and twisting them together.“
Zhang Ailing (30 september 1920 - 8 september 1995) Cover
„Einen Hügel schritt er hinauf, Oben ragten drei Kreuze. Coredans Stern, der ihn einst zu dem Kind führen sollte, blieb über dem Kreuz in der Mitte stehen, leuchtete noch einmal auf und war dann erloschen. Ein Blitzstrahl warf den müden Greis zu Boden. "So muß ich also sterben", flüsterte er in jäher Todesangst, "sterben, ohne dich gesehen zu haben? So bin ich umsonst durch die Städte und Dörfer gewandert wie ein Pilger, um dich zu finden, Herr?" Seine Augen schlossen sich. Die Sinne schwanden ihm. Da aber traf ihn der Blick des Menschen am Kreuz, ein unsagbarer Blick der Liebe und Güte. Vom Kreuz herab sprach die Stimme: "Coredan, du hast mich getröstet, als ich jammerte, und gerettet, als ich in Lebensgefahr war; du hast mich gekleidet, als ich nackt war!" Ein Schrei durchbebte die Luft - der Mann am Kreuz neigte das Haupt und starb. Coredan erkannte mit einemmal: Dieser Mensch ist der König der Welt. Ihn habe ich gesucht in all den Jahren. - Er hatte ihn nicht vergebens gesucht, er hatte ihn doch gefunden.“
Edzard Schaper (30 september 1908 - 29 januari 1984) Hier met zijn dochtertje Elin
“Der Friede war geschlossen. Die Welt, mit welcher der Korse ein halbes Menschenalter hindurch Fangball zu spielen gewagt, hatte sich wiedergefunden. – Zerschunden, zerfetzt, aus tausend Wunden blutend, mit Schlachtfeldern besät wie mit eiternden Schwären, halb Kirchhof und halb Trümmerstätte – so fand sie sich wieder. Aber die Menschheit, die jüngst befreite, ahnte nichts von dem eigenen Jammer. – War der Boden, aus dem ihr Brot entsproß, auch mit Blut gedüngt – nun wohl! – so trug er fortan um so reichere Frucht; hatten Kugel und Bajonett auch ihre Reihen gelichtet, was tat's? – so fanden die Übrigbleibenden Raum, die Ellenbogen aufzustemmen. – Man konnte sich doch wieder regen in dem locker gewordenen Menschenknäuel. Ein einziger Jubelschrei von Gibraltars Felsen bis zum Nordkap hallte den Himmel auf. – An jedem Glockenstrange hing ein zappelnder Bursche, von jedem Altar, aus jedem Kämmerlein erscholl ein Dankgebet. – – – Die Trauernden verkrochen sich, ihre Klage erstickten die Lobgesänge, ihre Tränen sog die Erde mit demselben Gleichmut ein, mit dem sie die Blutstropfen der Gefallenen in sich aufgenommen hatte. Zur schönen Maienzeit waren in Paris die Friedensartikel unterzeichnet worden – – In den Blutlachen blühten die Lilien, und aus den Rumpelkammern holte man die blutgetränkten Lilienbanner. – Die Bourbonen krochen aus den Winkeln hervor, in die Robespierres Rasiermesser sie gejagt hatte, wischten sich die schlaftrunkenen Augen aus und fingen flott zu regieren an. Vergessen hatten sie nichts, gelernt nur eine schöne neue Vokabel aus Talleyrands Entout-cas-Fibel! Sie lautete: Legitimität. Die übrige Welt hatte zuviel mit sich zu tun, hatte zu viel an Siegeskränzen zu winden und Pokale zum Willkomm zu kredenzen, als daß sie sich um diese Farce kümmern konnte. Gerötet vom Fieber der Erwartung, starrte ein jedes Auge gen Westen, woher sie kommen mußten, die Helden, die lorbeergekrönten, sie, die um der heiligen Scholle willen, um Weib und Kind, um Recht und Vaterland den Feuerschlünden des korsischen Dämons Leib und Leben dargeboten hatten. – In seine hintersten Höhlen hinein hatten sie ihn verfolgt, bis er geknebelt zu ihren Füßen gelegen.“
Hermann Sudermann (30 september 1857 – 21 november 1928)
Willst du die Leiden dieser Erde, Der Menschheit Jammer ganz versteh'n, Mußt du mit scheuer Gramgebärde Ein Kind im stillen weinen seh'n;
Ein Kind, das eben fortgewichen Aus fröhlicher Gespielen Kreis Und nun, vom ersten Schmerz beschlichen, In Tränen ausbricht, stumm und heiß.
Du weißt nicht, was das kleine Wesen So rauh und plötzlich angefaßt – Doch ist's in seinem Blick zu lesen, Wie es schon fühlt des Daseins Last.
Wie es sich bang und immer bänger Zurück schon in sein Innres zieht, Weil es Bedränger auf Bedränger Mit leisem Schaudern kommen sieht.
Willst du die Leiden dieser Erde, Der Menschheit Jammer ganz versteh'n: Mußt du mit scheuer Gramgebärde Ein Kind im stillen weinen seh'n.
Zuletzt
Weh' dem, der da sein eignes Tun zu richten Begonnen hat! Dann zählt er zu den Kranken Und schaudernd fühlt er keimen den Gedanken: Sich selbst erkennen, heißt sich selbst vernichten.
Denn auf sein Wesen muß er stumm verzichten, Und wie die liebsten Hoffnungen ihm sanken, Lebt er dahin in haltlos ödem Schwanken Und wünscht den Tod herbei, die Qual zu schlichten.
Darum frohlockt nicht so beim Weiterschreiten! Das Dasein ist ein großes Sichbesinnen – Und ein Erkennen jeder Sieg im Streiten.
Die Menschheit wird sich selber nicht entrinnen, Denn ob sie scheinbar auch nach außen leiten: Die Fäden führen doch zuletzt nach innen.
Ferdinand von Saar (30 september 1833 – 24 juli 1906)
„Der Berg ist abgetragen, Frankfurter hebt einen Pappkarton auf einen weißen oder braunen, jedenfalls einen Pappkarton, in dem sich der Grund für ein gerechtes und rechtskräftiges Todesurteil befindet. Er nimmt den Deckel ab und zeigt seiner Frau das Radio. Sie schreit vielleicht leise auf sie ist vielleicht entsetzt, bestimmt erschrocken, sie starrt das Radio an und ihn und versteht es nicht. »Du hast unser Radio mitgenommen«, flüstert sie und faltet die Hände. »Du hast unser Radio mitgenommen, man hätte uns alle dafür erschießen können, und ich habe nichts davon gewußt ... Ich habe nichts gewußt ...« »Wozu?« sagt er. »Wozu hätte ich es dir sagen sollen? Ich habe alleine schon genug gezittert, und du hast ohne Radio auch genug gezittert. Es gab Tage, da hatte ich es vergessen, ganz einfach vergessen, manchmal sogar wochenlang. Man hat eben ein altes Radio im Keller und denkt nicht mehr dran. Aber sooft ich mich erinnert habe, ist mir das Zittern gekommen, und so wie heute bin ich noch nie daran erinnert worden. Doch das schlimmste ist, ich habe nie gehört, nicht ein einziges Mal, auch nicht in der ersten Zeit. Nicht, damit du es nicht merken solltest, ich habe es einfach nicht gewagt. Manchmal wollte ich, ich habe es vor Neugier fast nicht ausgehalten, ich habe den Schlüssel genommen, und du weißt, daß ich von Zeit zu Zeit in den Keller gegangen bin. Du hast mich gefragt, was ich dort will, und ich habe dir gesagt, ich will mir Bilder ansehen oder die alten Kritiken durchlesen. Aber das war gelogen, ich wollte Radio hören. Ich bin in den Keller gegangen, habe die Tür verhängt, aber ich habe es nicht gewagt. Ich habe mich hingesetzt, die Bilder angesehen oder die Kritiken gelesen, wie ich es dir gesagt hatte, und es nicht gewagt. Aber damit ist jetzt Schluß!« »Ich habe nichts gewußt«, flüstert sie vor sich hin. »Damit ist ein für allemal Schluß!« sagt er. »Du hast damals recht gehabt, es war unnützes Zeug, ich brauche es nicht mehr. Nichts wird davon übrigbleiben, nichts, was nach Radio aussieht. Dann sollen sie kommen und suchen.« Er nimmt das Radio auseinander, Teil für Teil, wahrscheinlich das einzige Radio, das sich in unserer Hand befindet, ohne lautes Aufsehen zerstört er es. Die Röhren werden zu Staub zertreten, ein unzerstörbarer Draht wird als harmlose Schnur um eine Schachtel gewickelt, die Bretter des Kastens werden Stück für Stück zur Seite gelegt und müssen noch einige Wochen warten, bis sie verbrannt werden dürfen. Denn um diese Jahreszeit macht sich jeder rauchende Schornstein verdächtig, aber das ist nicht weiter tragisch, Holz ist schließlich Holz. »Hast du auch gehört, daß die Russen fast in Bezanika sind?« fragt Frau Frankfurter leise. Er sieht sie sehr verwundert an. »Ich habe dir doch gesagt, daß ich nie gehört habe«, könnte er ihr geantwortet haben.“
Jurek Becker (30 september 1937 – 14 maart 1997) Cover
Onder 't eten, op het balkon, en drinkend met lange teugen schijn ik eensklaps door een gat in mijn geheugen te vallen
en laat mijn glas water staan; het wil niet eens terug in mijn hand, nu denk ik aan de oceaan die mij scheidt van mijn vaderland.
Zo bitter vol water, zo grauw dat de doden en de dolfijnen, stikkend van diepte en kou, als in wildernissen verdwijnen.
Soms aal ik daar dromend in voort, voortslangelende omlaag. Maar van 't land, waar ik dromend naar vraag, werd slechts koude paling gehoord,
want Holland is donker en klein. Eén lichtroze koningin kan er maar stijfjes in als haar slepen niet te lang zijn.
Wie er praat blaast in iemands gelaat; wie gebaart geeft iemand een slag. Men schrikt er van iedere lach, nabijheid verwarrend met haat.
Neen, zelfs tastend om heide en strand, — en al sluit ik krampachtig de oren om nog Hollandse stormen te horen —heb ik toch liever heimwee dan Holland.
Dit vreemde, ijle verpozen doorwaad ik het lichtst van alle op dit wijde, dit eindeloze eiland, door herfst overvallen, waar de lente des doods is begonnen. Met bomen, rood verguld, als grote gebladerde zonnen, zijn de parken hier opgevuld. In rode traagwalmende vuren verbranden de bladeren dood; traag zijn de namiddag uren en de zon kookt laag en rood.
Zoete meisjes, die zelve niet weten hoe innig en zacht ze bederven, slenteren in blue jeans, zweten, zien rood van het langzame sterven van het roestende licht op hun wangen, en de zonen van Perzen, Hongaren, lopen met brandende haren voortgeduwd van verlangen onder de vallende blaren die als adem te voorschijn suizen. Reeds worden de sneeuwwitte huizen, door de schaduwen van takken geaderd, zichtbaar. De winter nadert.
Kom, ik sta op, want het wordt wat fris, al is het nog lang licht, en ik ga met mijn glas op mijn bord naar binnen en doe de deur dicht.
Leo Vroman (10 april 1915 - 22 februari 2014) Gouda, brug over de Gouwe. Leo Vroman werd in Gouda geboren.
Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Colin Dexter, Ingrid Noll, Akram Assem, Lanza del Vasto
De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkelswerd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. In de maand september is er in de Openbare Bibliotheek Gelderland Zuid aan het Mariënburg in Nijmegen een expositie over de Nijmeegse schrijver, dichter, vertaler Pé Hawinkels. Ook wordt er bij café Trianon een literair baken van Hawinkels onthuld. Dit ter gelegenheid van zijn veertigste sterfdag op 16 augustus 1977. Zie ook mijn blog van 29 september 2010en eveneens alle tags voor Pé Hawinkels op dit blog.
Sketches of Spain
I alfalfa voor mijn wit konijn spattend gras voor mijn vechtstier die een windsel om zijn poten draagt sinaasappels als ogen van te grote witte muizen lanen van zo groene verf en het hijgen van de wijn
II de nacht staat tot barstens toe gespannen en met mijn gitaar van bloed prik ik gaten in de donkerblauwe lucht-ballon die ineenkrimpt tot een snik
III wanneer is de hitte opgestaan die nu hangt te hijgen over het land dat geel is als een buik de rode doeken van de merelvrouwen die zich geluidloos onderkruiks bewegen klapperen tegen mijn tanden een ezel scheurt onder koren de zon de zes zonen van de waard
IV een stier leeft als een trompetstoot in het gras staat vreselijk in de weiden met een hek een stier zaait een wolk ontzag in maag en knieën een stier is spieren kracht en machtsgedonder een stier sterft lillend in het zand een vlek ellende darmen bloed een stier sterft onder trompetstoten en olé
Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977) Portret door Joseph Quaedackers,1990
Go down and deeper down, down! Go down into the chilly pit, Where shining bodies writhe and pound Upon a wall by blackness lit - A life of toil in darkness drowned, Suffocating and unholy lands. In twisting tunnels blows resound Of picks held firm by sinewy hands, They ring in protest and in hope For open skies and sunny days, Go down and deeper down, down! into spaceless space.
Go down into the lightless womb Of rapacious mother Earth, Where men are doomed to constant gloom, Deprived of their human worth And the glimmer of your lamp Will light this temple of toil, Sinister rugged and damp, Build of props, black stone and simple soil. There monster idols twitch and frown Upon the worshippers of dayless time. Go down and deeper down, down! into a climeless clime.
Here the countless years have piled Layers upon layers of black And stony rugs of patterns wild, Boundless Nature's bounty stack of power locked in smoke and flame, Rough and cold like human pain. Go down to this fountain of shame, Of hope and despair, of sweat and gain. Go down along the narrow track, And storm the dark abysmal caves To break the layers thick and black and the chains of slaves.
Shove the shining mass of coal Into the raging furnace of the fight, And out of the leaden clouds will roll An ever-flowing river bright, Luminous streams and waves of fire Rushing through the weary night, In fury and rightful ire, The Earth will bathe with joyous flares, With rainbow-coloured blazing arks, With flaming fires every where, and myriads of sparks.
Hristo Smirnenski (29 september 1898 – 18 juni 1923) Monument in Sofia
“'Edith!' said Margaret, gently, 'Edith!' But, as Margaret half suspected, Edith had fallen asleep. She lay curled up on the sofa in the back drawing-room in Harley Street, looking very lovely in her white muslin and blue ribbons. If Titania had ever been dressed in white muslin and blue ribbons, and had fallen asleep on a crimson damask sofa in a back drawing-room, Edith might have been taken for her. Margaret was struck afresh by her cousin s beauty. They had grown up together from childhood, and all along Edith had been remarked upon by every one, except Margaret, for her prettiness; but Margaret had never thought about it until the last few days, when the prospect of soon losing her companion seemed to give force to every sweet quality and charm which Edith possessed. They had been talking about wedding dresses, and wedding ceremonies; and Captain Lennox, and what he had told Edith about her future life at Corfu, where his regiment was stationed; and the difficulty of keeping a piano in good tune (a difficulty which Edith seemed to consider as one of the most formidable that could befall her in her married life), and what gowns she should want in the visits to Scotland, which would immediately succeed her marriage; but the whispered tone had latterly become more drowsy; and Margaret, after a pause of a few minutes, found, as she fancied, that in spite of the buzz in the next room, Edith had rolled herself up into a soft ball of muslin and ribbon, and silken curls, and gone off into a peaceful little after-dinner nap. Margaret had been on the point of telling her cousin of some of the plans and visions which she entertained as to her future life in the country parsonage, where her father and mother lived; and where her bright holidays had always been passed, though for the last ten years her aunt Shaw's house had been considered as her home.”
Elizabeth Gaskell (29 september 1810 – 12 november 1865) Cover
«Maar dat jochie,» begon Augusto, die niet zozeer dacht als wel tegen zichzelf praatte, in zichzelf te zeggen, «wat zou die daar aan het doen zijn, zo op zijn buik op de grond? Naar een of andere mier liggen kijken, vast en zeker! Een mier, het zou wat! Een van de schijnheiligste dieren die er bestaan! Die doen nauwelijks iets anders dan maar wat rondlopen en ons doen geloven dat ze werken. Die zijn net als die nietsnut die daar loopt te rennen, die iedereen opzij duwt die hij tegenkomt, en ik twijfel er niet aan of hij heeft niets te doen. Wat zou die nou te doen moeten hebben, man, wat zou die te doen moeten hebben! Het is een leegloper, een leegloper, net als... Nee, ik ben geen leegloper! Mijn fantasie krijgt nooit rust. De leeglopers dat zijn zíj, die lui die zeggen dat ze werken en die niets anders doen dan verdoofd raken en hun gedachten onderdrukken. Want, laat me eens kijken, die malloot van een chocolademaker die daar staat, achter dat raam, hoe die met die stomme rol bezig is zodat we hem maar goed kunnen zien, die exhibitionist van het werk, wat is hij anders dan een leegloper? En wat kan het ons nou schelen of hij werkt of niet? Werk! Werk! Schijnheiligheid! Als je het over werken hebt, dan die arme lamme die daar loopt, die zichzelf half voortsleept... Maar, nou ja, weet ik veel.» ‘Neem me niet kwalijk, broeder!’ dat zei hij hardop tegen hem. «Broeder? Hoezo broeder? Broeder in de verlamming! Men zegt dat we allemaal van Adam afstammen. En die daar, de kleine Joaquín, is die ook een afstammeling van Adam? Tot ziens, Joaquín! Nee maar, daar hebben we ook nog zo’n onvermijdelijke automobiel, lawaai en stof! En wat schiet men ermee op om op die manier afstanden sneller te af te leggen? De manie om te willen reizen komt voort uit topofobie en niet uit Wlotopie; iemand die veel reist vlucht weg uit iedere plek die hij verlaat en is niet op zoek naar iedere plek waar hij aankomt. Reizen... reizen... Wat een ontzettend hinderlijk ding is die paraplu... Stil nou, wat is dat?»
Miguel de Unamuno (29 september 1864 – 31 december 1936) Cover Spaanse uitgave
Uit: Don Quichot van La Mancha (Bewerkt door J.J.A. Goeverneur)
“Hij trad met eene beleefde buiging op den held toe en zeide uitermate vriendelijk: “Heer ridder, ingeval gij misschien nachtkwartier zoekt, zult gij in mijn huis op de kostelijkste manier bediend worden.” Don Quichot nam den dikken waard van het hoofd tot de voeten op en meende uit zijne woorden te mogen opmaken, dat deze de bewaarder van den ingebeelden burcht was. Zoo antwoordde hij dan, dat hij zelf met alles zou tevreden zijn, mits men maar zorg wilde dragen voor zijn ros, welks weerga in kracht en schoonheid men in de geheele wereld tevergeefs zou zoeken. De waard keek den mageren Rocinante aan en schudde glimlachend zijn dik hoofd. Evenwel greep hij het dier gewillig bij den teugel, leidde het in den stal en keerde vervolgens tot zijn gast terug, om te vernemen, wat die verder zou te gelasten hebben. In de gelagkamer tredend, vond hij daar Don Quichot onder de handen der beide ganzenmeiden, die na eene roerende verzoening thans druk bezig waren, den dolenden ridder van zijne zware wapenstukken te ontlasten. Borst- en rugharnas hadden zij hem reeds losgegespt; maar met den helm konden zij onmogelijk klaarkomen, daar die met eenige groene koorden stijf aan het pantser vastzat. Die koorden waren dusdanig in de war geraakt, dat men ze zou moeten doorknippen, om den held van den zwaren last van den helm te bevrijden. Dit echter wilde Don Quichot volstrekt niet toelaten, en daarom hield hij den helm liever den ganschen nacht op het hoofd; wat wel zeer krijgshaftig stond, maar ook zeker een weinig lastig en vermoeiend moest wezen.”
Miguel de Cervantes (29 september 1547 – 23 april 1616) Scene uit de film « Don Quixote: The Ingenious Gentleman of La Mancha” met Horatio Sanz (Sancho Panza en Carmen Argenziano (Don Quixote), 2015
“Sir Clixby Bream would be almost sixty-nine years old when he retired as Master of Lonsdale. A committee of Senior Fellows, including two eminent Latin scholars, had found itself unable to interpret the gobbledegook of the Founders' Statutes (vide supra); and since no "accommodation" (whatever that was) had presented itself, Sir Clixby had first been persuaded to stay on for a short while—then for a longer while. Yet this involved no hardship. He was subject to none of the normal pressures about moving to somewhere nearer the children or the grandchildren, since his marriage to Lady Muriel had been sine prole. Moreover, he was blessedly free from the usual uxorial bleatings about a nice little thatched cottage in Dorset or Devon, since Lady Muriel had been in her grave these past three years. The position of Head of House at any of the Oxbridge Colleges was just about the acme of academic ambition; and since three of the last four Masters had been knighted within eighteen months of their appointments, it had been natural for him to be attracted by the opportunity of such pleasing preferment. And he had been so attracted; as, even more strongly, had the late Lady Muriel. Indeed, the incumbent Master, a distinguished mathematician in his earlier days, had never enjoyed living anywhere as much as in Oxford—ten years of it now. He'd learned to love the old city more and more the longer he was there: It was as simple as that. Of course he was somewhat saddened by the thought of his imminent retirement: He would miss the College—miss the challenges of running the place—and he knew that the sight of the furniture van outside the wisteria-clad front of the Master's Lodge would occasion some aching regret. But there were a few unexpected consolations, perhaps. In particular, he would be able (he supposed) to sit back and survey with a degree of detachment and sardonic amusement the infighting that would doubtless arise among his potential successors. It was the duty of the Fellows' Appointments Committee (its legality long established by one of the more readily comprehensible of the College Statutes) to stipulate three conditions for those seeking election as Master: first, that any candidate should be "of sound mind and in good health"; second, that the candidate should "not have taken Holy Orders"; third, that the candidate should have no criminal record within "the territories administered under the governance of His (or Her) Most Glorious Majesty."
Colin Dexter (Stamford, 29 september 1935) Hier (rechts) met de acteur Shaun Evans die Morse speelt in de prequel Endeavour Morse
„Wir werden dich nie vergessen! Du fehlst mir!Selbst die Schleifeauf einem verwelkten Kranz war bedruckt: Ewig Deine Sieglinde. Ob man davon ausging, dass die Verstorbenen die Botschaften mit Genugtuung zur Kenntnis nahmen? Auch in Todesanzeigen hatte ich schon ähnliche Anreden gefunden und mir ausgemalt, wie man sich im Jenseits gegenseitig die Zeitung vorlas. Während ich mich noch bei dieser Vorstellung amüsierte, entdeckte ich sie wieder, diese eigenartige und nicht eben freundliche Inschrift auf einer grauen Granitplatte: Bleib, wo du bist! War es ein Versehen, sollte es eigentlich heißen: Bleib, wie du bist!, und der Spruch sollte der Toten die allmählicheVerwesung untersagen? Ich studierte erneut Vor- und Nachnamen – kein Zweifel: Hier ruhte wirklich die Ehefrau jenes Kollegen, der mir vor wenigen Tagen die bewusste Karte geschickt hatte. Bernadette Kempner war vor einem halben Jahr gestorben, so dass die Einladung zum Gabelfrühstück nicht in unmittelbarem Zusammenhang mit ihrer Bestattung stehen konnte. Man konnte nicht von einem allzu frühen Ableben sprechen, denn sie war, wie ich mich auf dem Grabstein vergewisserte, mit 73 gestorben, war also etwa sechs Jahre älter als ihr Mann. Nur sehr selten hatte Wolfram seine Frau erwähnt, überhaupt war er ein stiller, zurückhaltender Mitarbeiter unserer Stadtbücherei gewesen, der lieber im Hintergrund Büroarbeiten erledigte, als sich im Publikumsverkehr zu engagieren. Zwar war er der einzige Mann unseres Teams gewesen, sozusagen der Hahn im Korb, hatte aber nie den Gockel gespielt, galt eher als Neutrum oder – um im Bild zu bleiben – als Kapaun. Ich hatte ihn auch deshalb etwas aus den Augen verloren, weil ich vorzeitig die Rente beantragt hatte und vor drei Jahren mit sechzig aus der Bibliothek ausgeschieden war. Den Kampf mit unbekannten audiovisuellen Medien und immer neuer Software hatte ich längst aufgegeben. Ein einziges Mal schüttete ich ihm mein Herz aus, wie viel angenehmer und menschlicher es doch früher zugegangen war, als es noch in erster Linie um die Ausleihe und Verwaltung von Büchern ging. Er nickte zwar teilnahmsvoll, schien sich aber im Gegensatz zu mir mit der modernen Technik überhaupt nicht schwerzutun, denn er war ein ebenso leidenschaftlicher Bastler wie Bücherwurm.“
« Le 27 décembre 1979, les troupes soviétiques envahissaient l'Af-ghanistan, pays musulman, pour sauver un régime communiste arri-vé un peu plus d'un an auparavant au pouvoir grâce à un coup d'État sanglant. Les Russes avaient-ils conscience que ce serait là le début de la fin pour un empire qui, à l'époque, suscitait encore crainte, fas-cination et même admiration pour certains ? Si les stratèges de Moscou étaient partagés sur la nécessité d'une intervention, personne ne pensait que cette aventure allait si mal se terminer et finalement hâter l'éclatement d'un système de type colo-nial dont les composantes tentent aujourd'hui de retrouver, au prix de convulsions et de crises successives, une vie normale d'États in-dépendants. Si l'Union des Républiques socialistes soviétiques s'en est allée et a laissé place à une bien incertaine Communauté des États indépendants (CEI), si les pays de l'Europe de l'Est ont recou-vré leur liberté et si, aujourd'hui, les restes du Mur de Berlin dé-corent tables et cheminées des foyers allemands, c'est, en partie, parce que des Afghans ont su résister à la superpuissance soviétique, la contraindre à se retirer et lui faire abandonner une proie qui sem-blait pourtant si facile aux yeux de certains, comme nous l'indique Anatoly Chernayev, conseiller aux Affaires étrangères de Mikhaïl Gorbatchev de 1986 à 1991: « Les uns et les autres savaient que l'acte soulèverait la désapprobation internationale mais ils pensaient que la question serait résolue en moins de trois mois et qu'après les choses rentreraient dans l'ordre".
Akram Assem (Kabul, 29 september 1965) Cover
De Italiaanse filosoof, dichter, artiest, en geweldloos activist Lanza del Vasto werd geboren in San Vito dei Normanni op 29 september 1901. Zie ookalle tags voor Lanza del Vastoop dit blog.
Le manteau d’images
Au fond de chaque chose un poisson nage. Poisson, de peur que tu n'en sortes nu Je te jetterai mon manteau d'images.
Vous qui vous déroulez dans nos délices Lorsque ma bien-aimée à moi s'enlace Et qui glissez dans ses flancs lisses, Serpents, de peur que vous n'en sortiez nus, Je vous jetterai mon manteau d'images.
Vous, crabes, poux, crapauds, scorpions, limaces, Qui m'observez avec des yeux d'humains Et que parfois je touche dans leur main, Amis, de peur que vous ne sortiez nus, Je vous jetterai mon manteau d'images.
Je rejetterai mon manteau d'images, Afin que, m'étant quelque peu tenu Sur le bord du toit sans voix ni visage, J'éclate de rire et m'envole nu.
Lanza del Vasto (29 september 1901 – 5 januari 1981)
Tags:Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Colin Dexter, Ingrid Noll, Akram Assem, Lanza del Vasto, Romenu
De Nederlandse dichteres en schrijfster Hella Haasse is vandaag precies zes jaar geleden overleden. Hélène Serafia Haasse werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Hellas Haasse op dit blog .
Paestum
Ik zie de witte paarden van de zee driftig schuimbekkend landwaarts dringen. Bergen en dalen rollen voor hen uit, tuimelend groen, onstuimig violet, en loodrecht op het strand springen fonteinen: voorboden van de god en zijn triomf.
De spiegels krimpen langzaam van het zand, dan sproeit opnieuw de vloed die glooiing blank. De paarden steigeren aan de horizon.
Ik wacht niet meer. Poseidon zal niet komen. Hij heeft zijn dode stad voorgoed verlaten, daar zijn de golven verticaal versteend: geribde zuilen tussen gras en brem. IJl waaien heeft de branding overstemd.
Verdwaalde schelpen schud ik leeg. Ik hoor het suizen in hun ronding aan mijn oor: de adem van de tijd die ik verloor.
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
De Nederlandse dichteres Ankie Peypers werd geboren op 29 september 1928 in Amsterdam. Peypers debuteerde in 1946 met de bundel “Zeventien”, een bundel met zeventien gedichten die zij voor haar zeventiende jaar geschreven had. Sindsdien verschenen er vele dichtbundels, vertalingen en enkele romans van haar. In 1991 kwam er een verzamelbundel van haar poëzie uit: “Gedichten 1951-1975”. Peypers raakte in de jaren vijftig en zestig sterk betrokken bij het feminisme. Ze was medeoprichtster van het feministisch-literaire tijdschrift Surplus. In haar gedichten weerklonk het verzet van vrouwen tegen hun achtergestelde positie. Maar haar maatschappelijke betrokkenheid was breder. Vanaf 1976 was ze voorzitter van PEN Centrum Nederland, een organisatie die zich inzette voor bedreigde schrijvers en kunstenaars. Ook was ze jarenlang voorzitter van het Centrum voor Chileense Cultuur. In de jaren zestig trad ze op in radio- en televisieprogramma's, waaronder het AVRO-programma Hou Je aan Je Woord met vakgenoten Victor van Vriesland, Hella Haasse en Godfried Bomans. In de jaren tachtig was ze vaste medewerker aan de radioprogramma's van de Humanistische Omroep. In 2000 schreef ze op verzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei een aantal herdenkingsgedichten. Ze droeg ze tijdens de Nationale Dodenherdenking op 4 mei zelf voor in de Nieuwe Kerk in Amsterdam in aanwezigheid van koningin Beatrix. Haar laatste optreden in het openbaar was op 10 juni van dit jaar bij het Zeeuwse festival Park en Poëzie in Middelburg. Peypers woonde sinds jaren in Frankrijk, samen met beeldend kunstenares An Dekker.
Topografie
Je bent niet in kaart gebracht. Je zou een mooi lang land zijn. Gestrekte armen, je voeten samen, de ronding van je hoofd; meridianen om je te verdelen.
Ik heb je niet geleerd op school, geen dwarsdoorsnede op het bord dunne lagen tijd, verstenend.
We praten maar ik ken je grenzen niet de kanalen die je hebt gegraven niet nergens cirkels van je steden geen windroos in een hoek, geen vaan.
Geen kust waar ik aan land kan gaan.
Het was september
Het was september achter hoge ramen. Geraniums waarop het daglicht brak stuurden de kinderblikken naar de juffrouw die voor de klas stond en de waarheid sprak.
Zij wees de platen aan en zei de namen schreef witkrijten tekens op het zwart tekens voor aap en noot en duiven die kinderen in schriften overschrijven - zo was het in hun denken niet, zij buigen zich verwonderd over het papier en zwijgen - schrijven het woord dat onaantastbaar wordt.
Het is september achter hoge ramen. Mijn stem de aanwijsstok van donker hout die tastend woorden zoekt en twijfelt en nooit de waarheid spreekt - er is geen teken en de woorden buigen verwonderderd over het tekort en zwijgen - trekt krom, verspintert, breekt.
Ben je zestig
ben je zestig? vroeg mijn vader als ik iets wilde dat niet kon
wilde me binnen zijn perken en ik was te horig aan hem aan de gemoedelijke lasso van zijn ogen en zijn stem zo lang
doe al vaker wat niet kan nu ik bijna zestig ben
Ankie Peypers (29 september 1928 – 24 oktober 2008)