Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
22-07-2017
Maria Janitschek, Oskar Maria Graf, Emma Lazarus, Per Hojholt, Jakob Lorber
„Nachdem mit der Zeit die Gesichtszüge des Kindes deutlicher geworden waren und insbesondere die breiten, stark hervortretenden Backenknochen mit den tief dahinterliegenden kleinen graugrünen Augen das Eigentümliche des Geschlechtes mehr und mehr sichtbar machten, meinte sein Vater mitunter, die Res' sei durch und durch eine echte Heimrathische. Er sagte es sicherlich nicht aus irgendeiner besonderen Hinneigung, denn mit den Kindern machte man beim Heimrath kein großes Aufheben. Jedes Jahr wurde eins geboren. Starb es, so war es schade darum, blieb es am Leben, war es gut. Wahrscheinlich erinnerte das Gesicht der Resl den Bauern an seine Väter und Urväter und heimelte ihn an. Die Heimraths lebten seit Jahrhunderten auf dem einsamen Bauernhof in Aufhausen. Es gab dort nur noch das weit kleinere Lechnerhaus, und erst in den letzten Jahren nach dem Weltkrieg ist ein gräfliches Gut dazugekommen. Die alte, breite Fahrstraße, die vom hochgelegenen, weithin sichtbaren Aufkirchen in südöstlicher Richtung talabwärts läuft, führt am Hof vorbei, rinnt kurz darauf in einen weit ausgedehnten Fichtenwald und erreicht schließlich nach langen Windungen durch eine triste Moorgegend, in welcher nur wenige niedere, winklige Häuser armer Torfstecher stehen, den ansehnlichen Marktflecken Wolfratshausen. Aufhausen liegt in einer tellerflachen Mulde, die linkerseite sich aufschließt und schräg abfällt. Weite grüne Wiesen, fruchtbare Äcker und friedliche Wälder, die die fernen, leicht gewellten Hügel verdunkeln, breiten sich rundherum aus. Auf der einzigen Straße ächzen schwere Fuhrwerke dahin Wandernde Zigeuner ziehen am Hof vorüber und kampieren mitunter einige Tage am Waldrand. Fremde städtische Menschen tauchen ganz selten auf. Gleichgültig schauen sie die paar Häuser an und gehen weiter. Es mag vorkommen, daß einmal ein Hausierer nach langem Gerede in Aufhausen etwas von seiner Ware absetzt.“
Oskar Maria Graf (22 juli 1894 - 28 juni 1967) Portret door Georg Schrimpf, 1927
In meiner Kammer, wo die Sonne es sieht, Sitzt im weißen Kleide mein jüngstes Lied.
Sitzt da und lächelt: nun diene mir, bin deshalb kommen so schön zu dir.
Ich aber knie ganz stumm mich hin, mir ist, als ob ich im Himmel bin.
Raststätte
Ich weiß eine Kirche; hochschlanke Säulen tragen ihr köstliches Dach. Nach Ewigkeit riechts in ihrer Halle, nach feuchtem Moder und verborgenen Narzissen.
Liebfromme Sänger singen Cantaten, und amt den hohen luftigen Thoren wachen Winde mit geschlossenen Flügeln.
Über den Säulen aber Sah ich walten das herrlichste Gnadenbild: Die Morgensonne tränkte die durstigen Wipfel der Bäume mit frischen Quellen stärkenden Lichts ...
O Wald, Wald, du von heimlichen Liebesworten Gottes Erklingender!
Maria Janitschek (22 juli 1859 – 28 april 1927) Mödling
MY heart, my heart is heavy, Though merrily blooms the May; Out on the ancient bastion, Under the lindens I stay. There stands by yon gray old tower, The sentry-house of the town; A red clad peasant soldier Goes pacing up and down. He toys with his shining musket, That gleams in the sunset red, Presenting and shouldering arms now,— I wish he would shoot me dead!
Sonnet
Still northward is the central mount of Maine, From whose high crown the rugged forests seem Like shaven lawns, and lakes with frequent gleam, 'Like broken mirrors,' flash back light again. Eastward the sea, with its majestic plain, Endless, of radiant, restless blue, superb With might and music, whether storms perturb Its reckless waves, or halcyon winds that reign, Make it serene as wisdom. Storied Spain Is the next coast, and yet we may not sigh For lands beyond the inexorable main; Our noble scenes have yet no history. All subtler charms than those that feed the eye, Our lives must give them; 'tis an aim austere, But opes new vistas, and a pathway clear.
Emma Lazarus (22 juli 1849 – 19 november 1887) Cover biografie
hier sitzt sie nun und singt auf einer nassen Latschenkiefer
gleich fliegt sie zurück zur Natur
Idylle, katastrophal
Zur Zeit fallen Mauern, kann sein, aber jedenfalls wohl nicht die sonnenwarme, weiße, an die ich mich lehne zwar habe ich von Balkons gehört, die ihren Geist aufgaben bei einem schlichten Niesen, deiner aber ist fest verankert und hat Geranien so daß ich eigentlich gerade glauben wollte, ich würde diesen Sonntag bei euch mit Tee und klitzekleinen englischen Keksen überleben aber als du anfingst die Unterhaltung mit Metaphern und Poesie aus eigener Herstellung zu behelligen, ging es doch schief: Die Geranien rochen plötzlich nach Tod, ich bekam eine Leiche in die Pfeife, und unten auf der sonntagsleeren Straße hielt plötzlich ein viel zu langes schwarzes Taxi mit laufendem Motor
Vertaald door Peter Urban-Halle und Henning Vangsgaard
„Und die Wehmutter erfreute sich dessen und führte den ihr wohlbekannten biederen, jungen Hauptmann hin, welcher ihr vor der Höhle gestand und sagte: »O Weib, wie leicht gehe ich in Rom zu meinem Kaiser, und wie schwer wird es mir hier, in diese Höhle einzutreten! Das muß etwas Besonderes sein! Sage mir doch, ob du irgendeinen Grund weißt; denn ich weiß, daß du eine biedere Jüdin bist!« Die Wehmutter aber sprach: »Guter Hauptmann des großen Kaisers! Harre hier vor der Höhle nur einen Augenblick; ich will hineingehen und will dir die Lösung bringen!« Und sie ging hin und sagte es dem Joseph, daß der gute Hauptmann selbst draußen vor der Höhle harre, und daß er herein möchte, aber sich nicht getraue aus einem ihm unerklärlichen Grunde. Als Joseph solches vernahm, ward er gerührt und sprach: »O Gott, wie gut bist Du, daß Du sogar das von mir in Freude verwandelst, davor ich mich am meisten gefürchtet habe! Darum sei Dir allein alles Lob und alle Ehre!« Nach diesen Worten eilte er sogleich aus der Höhle und fiel dem Kornelius zu Füßen, sagend: »Machtträger des großen Kaisers, habe Erbarmen mit mir armem Greise! Siehe, mein junges Weib, das mir durchs Los im Tempel zuteil ward, hat hier sich entledigt ihrer Frucht diese Nacht, und gestern bin ich erst hier angekommen, daher mochte ich nicht mich sogleich bei dir melden lassen!"
Jakob Lorber (22 juli 1800 - 24 augustus 1864) Cover
Frouke Arns, Ernest Hemingway, Belcampo, Boris Dittrich , Hans Fallada, David Boerljoek
Dolce far niente – Bij de Nijmeegse Vierdaagse
Wandelaars tijdens de Vierdaagse van Nijmegen
Roem en blaren
dit vallen in de voetstappen van hen die voor je gingen gaat je goed af; zwaaiend doe je voort, aangespoord door duizend klanken langs de weg
als lava stroom je door de straten, geeft je glimlach aan elk gezicht, in iedere taal een nieuwe vriend
in de vroegte op de Wedren moedigt de laatste lichting uit de kroeg je aan twee werelden die elkaar hier raken – ieder draagt zijn eigen kruis
in de maat van het legioen ga ook jij de eindstreep halen; op de Via Gladiola wachten zwaardlelies jouw komst
en de stad, zij heeft de tijd, deinend staat zij aan haar kade middenin het feestgedruis straks ga je naar huis, zijn haar straten vreemd sereen, geeft je eeuwige roem en blaren mee.
Frouke Arns (Handorf, 1964) Handorf. Frouke Arnswas in 2015 en 2016 stadsdichter van Nijmegen.
“It was a pleasant café, warm and clean and friendly, and I hung up my old waterproof on the coat rack to dry and put my worn and weathered felt hat on the rack above the bench and ordered a café au lait. The waiter brought it and I took out a notebook from the pocket of the coat and a pencil and started to write. I was writing about up in Michigan and since it was a wild, cold, blowing day it was that sort of day in the story. I had already seen the end of fall come through boyhood, youth and young manhood, and in one place you could write about it better than in another. That was called transplanting yourself, I thought, and it could be as necessary with people as with other sorts of growing things. But in the story the boys were drinking and this made me thirsty and I ordered a rum St. James. This tasted wonderful on the cold day and I kept on writing, feeling very well and feeling the good Martinique rum warm me all through my body and my spirit. A girl came in the café and sat by herself at a table near the window. She was very pretty with a face fresh as a newly minted coin if they minted coins in smooth flesh with rain-freshened skin, and her hair black as a crow's wing and cut sharply and diagonally across her cheek. I looked at her and she disturbed me and made me very excited. I wished I could put her in the story, or anywhere, but she had placed herself so she could watch the street and the entry and I knew she was waiting for someone. So I went on writing. The story was writing itself and I was having a hard time keeping up with it. I ordered another rum St. James and I watched the girl whenever I looked up, or when I sharpened the pencil with a pencil sharpener with the shavings curling into the saucer under my drink. I've seen you, beauty, and you belong to me now, whoever you are waiting for and if I never see you again, I thought. You belong to me and all Paris belongs to me and I belong to this notebook and this pencil. Then I went back to writing and I entered far into the story and was lost in it. I was writing it now and it was not writing itself and I did not look up nor know anything about the time nor think where I was nor order any more rum St. James. I was tired of rum St. James without thinking about it. Then the story was finished and I was very tired. I read the last paragraph and then I looked up and looked for the girl and she had gone.”
Ernest Hemingway (21 juli 1899 – 2 juli 1961) Ernest Hemingway (links) met vrienden in een café in Parijs
“Waarvoor stroomt mijn bloed in godsnaam door mijn aderen,' verzuchtte Eugène van Sonswyck terwijl hij, gemakkelijk gestrekt en met een boek op zijn schoot, een luie stoel bezwaarde. Waarom ben ik er? Waarom is alles er? Waarom lees ik eigenlijk? Wat heb ik met gedachten van anderen te maken! Eens hoopte ik nog dat daar wat in te vinden was, dat anderen het mij konden zeggen, mij de weg wijzen, ergens naartoe', en, zijn blikken richtend op een enorme, dicht gevulde boekenwand: 'Al die delen waar ik uitkomst van verwachtte; een ondoordringbare muur, een blinde muur. Nee, gedachten van anderen hebben voor mij afgedaan. En mijn eigen gedachten dan, heb ik daar eigenlijk wél iets mee te maken? Zijn ze wel echt van mij! Of wordt er enkel door een ander in mij gedacht? Door een intelligentie, ergens ver weg. Zoals ook een schrijver zijn personages met gedachten vult. Zijn mijn hersens soms lege hulzen waar niet eens gedachten in horen? Dat ze zich daar hebben genesteld als ratten in een kelder, er bezit van hebben genomen. En wij maar denken dat we denken. Misschien is het hele denken wel een vergissing, een fout in de regie. Het hele leven. Waarom blijft niet alles waar het hoort? In zijn onbekende bedding, in de bedding van het niets. Af en toe gaat er iets mis, of slaat op hol, en dat wordt dan levend. Elke geboorte is een ontsporing, een kortsluiting, misschien wel een ontploffing, een ontploffing van cellen. En wij zitten ermee. Iedereen zit met het leven in zijn maag, of hij het wil weten of niet.' De man die al deze overpeinzingen slaakte was een keurig verzorgd, knap en welgebouwd jongmens van minstens vijfentwintig jaar en wiens uitwendig voorkomen geheel in overeenstemming was met de smaakvolle inrichting van het hem omgevende vertrek, de typische herenkamer van een rijk en verwend vrijgezel. Zijn trieste gedachteloop werd onderbroken, of misschien ook wel niet, door de binnenkomst van een nog welig bloeiende vrouw met een theeblad voor zich uit waarop een koffieservies. Zij zet het neer op het kortpotig tafeltje dat, zoals in tal van moderne interieurs, laag bij de grond een middelpunt probeerde te vormen.”
Belcampo (21 juli 1902 – 2 januari 1990) Scene uit de gelijknamige film uit 2015 met Georgina Verbaan en Jeroen van Koningsbrugge
“Dat bleek niet het geval. Gary adviseerde om niet op de aanvraag voor het onderhoud in te gaan: `Wij moeten niet betrokken willen raken in een Nederlands onderzoek. Straks wordt er nog een parlementaire enquête naar de zaak-Korff ingesteld en loopt u de kans opgeroepen te worden uw verklaring in het parlement toe te lichten.' Maar ambassadeur Weislogel heeft door zijn ontmoeting met Korff en de enorme hoeveelheid publiciteit een grote fascinatie voor de zaak ontwikkeld. Hij besloot de aanvraag voor een gesprek off the record te honoreren. Toen hij net als ambassadeur aan de slag was gegaan, werkte hij volgens het draaiboek dat het Amerikaanse State Department voor beginnende ambassadeurs heeft opgesteld. Het eerste hoofdstuk daaruit spoort de nieuwe ambassadeur aan intensief gesprekken te voeren met sleutelfiguren uit de samenleving, om zo een goed beeld te krijgen wie de Amerikaanse belangen het best kunnen helpen dienen. Zijn voorgangers hadden baat bij een dergelijke aanpak. In kwesties als de politieke steun voor de oorlog in Irak of de militaire aanwezigheid in Afghanistan hadden de oriënterende gesprekken hun waarde in het verleden bewezen. De ambassadestaf had dossiers aangemaakt met informatie over iedere gesprekspartner. Voor elke bespreking bestudeerde de ambassadeur de notities. In de ontmoetingen verstrekte Weislogel achteloos gedetailleerde feiten. Hardop nadenkend, alsof hij naar woorden zocht, stelde hij van tevoren ingestudeerde vragen. De truc werkte. Zijn gesprekspartners bewonderden zijn kennis van zaken. `Heel wat beter dan de kippenboer, de kunsthistorica of de onroerendgoedmagnaat die hem zijn voorgegaan,' zoemde het rond in de elitekringen van Nederland. Weislogel concentreerde zich op de zakenwereld, de overheid en de politiek. In hun enthousiasme namen zijn gesprekspartners geen blad voor de mond. Ze stortten hun hart uit, wezen de ambassadeur op tekortkomingen van anderen en prezen zichzelf de hemel in. In korte tijd leerde Scott Weislogel de eigenaardigheden van de Nederlandse samenleving doorgronden. En nu wilde hij achterhalen of er nieuwe ontwikkelingen waren in het onderzoek naar de zaak-Korff.”
«So müßte man wohnen können», denkt Pinneberg. «Si-cher hat dieser Sesam sieben Zimmer. Muß ein klotziges Geld verdienen. Er wird Miete zahlen ... zweihundert Mark? Dreihundert Mark? Ach was, ich habe keine Ahnung. — Zehn Minuten nach vier!» Pinneberg greift in die Tasche, holt aus dem Etui eine Zi-garette und brennt sie an. Um die Ecke weht Lämmchen, im plissierten weißen Rock, der Rohseidenbluse, ohne Hut, die blonden Haare verweht. «Tag, Junge. Es ging wirklich nicht eher. Böse?» «Keine Spur. Nur, wir werden endlos sitzen müssen. Es sind mindestens dreißig Leute reingegangen, seit ich warte.» «Sie werden ja nicht alle zum Doktor gegangen sein. Und dann sind wir ja angemeldet.» «Siehst du, daß es richtig war, daß wir uns angemeldet haben!» «Natürlich war es richtig. Du hast ja immer recht, Junge!» Und auf der Treppe nimmt sie seinen Kopf zwi-schen die Hände und küßt ihn stürmisch. «0 Gott, ich bin glücklich, daß ich dich mal wieder habe, Junge. Denke doch, beinahe vierzehn Tage!» «Ja, Lämmchen», antwortet er. «Ich bin auch nicht mehr brummig.» Die Tür geht auf, und im halbdunklen Flur steht ein wei-ßer Schemen vor ihnen, bellt: «Die Krankenscheine!» «Lassen Sie einen doch erst mal rein», sagt Pinneberg und schiebt Lämmchen vor sich her. «Übrigens sind wir privat. Ich bin angemeldet. Pinneberg ist mein Name.» Auf das Wort «Privat» hin hebt der Schemen die I Land und schaltet das Licht auf dem Flur ein. «Herr Doktor kommt sofort. Einen Augenblick, bitte. Bitte, dort hin-ein.»
Hans Fallada (21 juli 1893 – 5 februari 1947) Scene uit een toneeluitvoering in Bochum, 1973
« I could write a whole book about my ancestors. And I will write it some day, when I have more time. Now I am writing in Russian, but later maybe I will turn to my native Ukrainian, for I was born in Ukraine. • • • Ukraine was and remains my homeland, because I was born in Ukraine, .. the bones of my ancestors, free Cossacks, who fought in the name of glory, power and freedom are buried there.... • What unites them [my ancestors] into one general type? Determina-tion, character, the desire to obtain a set goal. All my life I have felt these traits within me. . . . However, my deter-mination was aimed at overcoming an old, outdated taste and at introduc-ing a new art; a wild beauty into life. ... My father wrote poetry in Russian and Ukrainian (although he did not write much in his native language). . . . In 1915, I painted the picture "Sviatoslav" in the style of ancient Ukrainian painting. As far as the dominance of one or another color scheme in my work, I have to say, that in my person Ukraine has its most faithful son. My color schemes are deeply national. Orange, greenish-yellow, red, and blue tones gush like Niagaras from beneath my brush. When I. paint, it seems to me, that I am a savage rubbing he stick of one color against another in order to obtain a certain color effect. The effect of flames. The effect of passion, the sexual arousal of one color's charac-teristic features and peculiarities by another.... A child of the Ukrainian steppes, I have always been most partial to horizontal formats. ... It would be a good idea to transfer a part of my paintings to Ukraine, my beloved homeland...”
David Boerljoek (21 juli 1882 – 15 januari 1967) Zelfportret van de kunstenaar die een drankje inschenkt aan een tafel
De Catalaanse dichter Ernest Farrés i Junyentwerd in Igualada geboren op 21 juli 1967 en woont in Barcelona. Hij werkt als journalist en redacteur voor het supplement van La Vanguardia, Farrés publiceerde zes dichtbundels: “Clavar-ne una al mall i l'altra a l'enclusa” (1996), “Mosquits” (1998), “Edward Hopper” (2006), “Els efectes imprevisibles dels camps magnètics” (2011), “Blitzkrieg” (2011) en “Los Angeles” (2015), met illustraties van Joan Longas. Elk gedicht in het tweetalige “Edward Hopper”, waarvoor hij de Englantina d'Or van de Jocs Florals van Barcelona ontving, is gebaseerd op een schilderij van de Amerikaanse kunstenaar. Farrés heeft ook een bloemlezing uitgegeven van de hedendaagse Catalaanse poëzie, “21 poetes del XXI”(2001). In Spanje is Edward Hopper zowel in het Catalaans als het Spaans bewerkt voor het toneel. Engelse vertalingen van Farrés 'gedichten zijn verschenen in Calque, The Nation, PN Review, Two Lines, Words without Borders, World Literature Today en Zoland Poetry. Voor zijn blog “La República Poètica de l'Ernest Farrés” ontving hij in 2010 de Vila Martorell-prijs voor literatuurblogs in het Catalaans.
House by the Railroad door Edward Hopper, 1925
House by the Railroad, 1925
I fantasize that luck is placed within my reach. Of course, there's different kinds. Take the kind that turns up ad hoc, for instance, and the kind that unfolds backwards. There are deficits and surpluses of luck. By the same token, we have good luck, everyday luck, luck-you-don't-remember, and bad luck, a.k.a. misfortune. Luck that puts us on easy street and luck that’s an asp, a scorpion fish, a wild boar, a starling. I have a vision of train tracks half covered with grass and rust, hurling themselves —like a jagged line or a blade with an iridescence that catches you by surprise— against a tomorrow without an Achilles’ heel. And I imagine who-knows-what plains and mountains untouched by human hand and still not weatherproofed at the mercy of nor’easters, downpours, and heat. But the fantasies don't stop here. Like the rip in a memory of a past life, another jolts my mind: I recognize myself holding vigil inside a huge Victorian house, vacant, foreboding, phantasmagorical, without going crazy for what I can't possess yet cut off from the world, supreme example of original innocence.
Hills South Truro door Edward Hopper 1930
Hills, South Truro, 1930
I climbed to the very top of the mountain to speak to myself. You know, about the present, the future. Bared to the sun, I held the prerogative of seeing many things coming to pass. It must be due to the scent of earth and distant sea, which were consoling. It must be due to birdsong. It must be due to trains. Is it due to the grandeur of this vista? As the sun beat down I allowed my gaze to range and understood my limits and that a slew of pot-boilers hinders me. That I am diverted by punk points of light. That I dedicate no immortality to doing nothing. That I hear a whisper from inside.
I utter not a word and the surrounding world suddenly possesses me and bears me away. I grow lighter. Become leaf-bearing and even burst into bloom. From the peak I delight in the superhuman contemplation of dominions.
But thereafter my lot will be to descend to the plain, returning to my kind, and thus, as if I were such, I shall resume an everyday likeness squandering time and resources.
De Britse schrijfster Sarah Waterswerd geboren in Neyland, Wales, op 21 juli 1966. Ze ging daar ook naar school en bezocht later de universiteit van Canterbury waar ze haar doctoraat in Engelse literatuur verkreeg. Haar specialisering was moderne homoliteratuur vanaf de negentiende eeuw. Zij deed voor haar proefschrift onderzoek naar lesbische historische romans. Door een bestudering van de negentiende-eeuwse seksuele onderwerelden toont zij onder meer aan dat de voorstellingen die men tegenwoordig van (homo)seksualiteit in de Victoriaanse periode heeft, in het beste geval stereotiep en in het slechtste geval onjuist zijn. Haar werk voor haar promotiethesis inspireerde haar tot het schrijven van haar eigen lesbische historische romans waarin ze het Victoriaanse tijdperk nieuw leven inblaast. Door haar stijl, de periode waarin haar romans zich afspelen en het feit dat haar hoofdpersonages uit de onderklasse afkomstig zijn, wordt zij vaak vergeleken met Dickens. Zij ontving o.a. de Betty Trask Award, Somerset Maugham award, de Lambda Literary Award for Lesbian Fiction, Young Writer of the Year Award en de CWA Historical Dagger prizee. Twee van haar boeken werden door de BBC tot miniseries bewerkt. In 2002 verscheen “Tipping the Velvet” met Rachael Stirling en Keeley Hawes in de hoofdrollen. De serie zorgde voor enige opschudding, omdat op de BBC nog nooit eerder zulke expliciet (lesbische) erotische scènes werden uitgezonden. In 2005 werd Waters’ derde boek “Fingersmith” verfilmd, met Sally Hawkins, Elaine Cassidy en Rupert Evans in de belangrijkste rollen. In het voorjaar van 2006 verscheen haar vierde roman getiteld “The Night Watch” die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog afspeelt.
Uit: Tipping the Velvet
“Have you ever tasted a Whitstable oyster? If you have, you will remember it. Some quirk of the Kentish coastline makes Whitstable natives – as they are properly called – the largest and the juiciest, the savouriest yet the subtlest, oysters in the whole of England. Whitstable oysters are, quite rightly, famous. The French, who are known for their sensitive palates, regularly cross the Channel for them; they are shipped, in barrels of ice, to the dining-tables of Hamburg and Berlin. Why, the King himself, I heard, makes special trips to Whitstable with Mrs Keppel, to eat oyster suppers in a private hotel; and as for the old Queen – she dined on a native a day (or so they say) till the day she died. Did you ever go to Whitstable, and see the oyster-parlours there? My father kept one; I was born in it – do you recall a narrow, weather-boarded house, painted a flaking blue, half-way between the High Street and the harbour? Do you remember the bulging sign that hung above the door, that said that Astley's Oysters, the Best in Kent were to be had within? Did you, perhaps, push at that door, and step into the dim, low-ceilinged, fragrant room beyond it? Can you recall the tables with their chequered cloths – the bill of fare chalked on a board – the spirit-lamps, the sweating slabs of butter? Were you served by a girl with a rosy cheek, and a saucy manner, and curls? That was my sister, Alice. Or was it a man, rather tall and stooping, with a snowy apron falling from the knot in his neck-tie to the bow in his boots? That was my father. Did you see, as the kitchen door swung to and fro, a lady stand frowning into the clouds of steam that rose from a pan of bubbling oyster soup, or a sizzling gridiron? That was my mother. And was there at her side a slender, white-faced, unremarkable- looking girl, with the sleeves of her dress rolled up to her elbows, and a lock of lank and colourless hair forever falling into her eye, and her lips continually moving to the words of some street-singer's or music-hall song? That was me. Like Molly Malone in the old ballad, I was a fishmonger, because my parents were. They kept the restaurant, and the rooms above it: I was raised an oyster-girl, and steeped in all the flavours of the trade. My first few childish steps I took around vats of sleeping natives and barrels of ice; before I was ever given a piece of chalk and a slate, I was handed an oysterknife and instructed in its use; while I was still lisping out my alphabet at the schoolmaster's knee, I could name you the contents of an oyster-cook's kitchen – could sample fish with a blindfold on, and tell you their variety. Whitstable was all the world to me, Astley's Parlour my own particular country, oyster-juice my medium. Although I didn't long believe the story told to me by Mother – that they had found me as a baby in an oyster-shell, and a greedy customer had almost eaten me for lunch – for eighteen years I never doubted my own oysterish sympathies, never looked far beyond my father's kitchen for occupation, or for love. »
Weet je nog...? - Toen de wind, de bomen Tergde en hen de mantels, van het lichaam trok, Dat wij samen - de regen kletterde bij stromen - Schuilden onder 't loof, en jij zó schrok
Toen ik je zei dat dit het eind was, en voorgoed Onze wegen voortaan zouden scheiden. 'Mijn arme kind 't is droevig maar het moet; Beter is het heen te gaan' Ik zweeg en jij schreide.
Weet je nog? Toen mijn hand de jouwe Zachtkens drukte, omdat jij spoedig zou zien Dat ik niet de beste was. 'zo zijn vrouwen!' En dat jij door je tranen lachte, en zei; 'Misschien...!"
Nu is het herfst opnieuw en regen, maar alleen Schuil ik onder 't lover, denk aan jou - en ween...
In de bedding van je heupen
In de bedding van je heupen wil ik slapen door de hemel van je ogen bedekt
je voeten zijn ver en toch behoren ze bij je als een vlieger zijn ze opgelaten in een zomerdag
ik woon in een ander huis; soms komen we elkander tegen ik slaap altijd zonder jou en wij zijn altijd samen
spinnenwebben van moeheid
spinnenwebben van moeheid dragen over grandioze zeeën zijn ellendig hart. en toch zal alles zo blijven
Hans Lodeizen (20 juli 1924 - 26 juli 1950)
De Nederlandse schrijver, journalist, commentator, essayist en columnist Henk Hoflandwerd geboren in Rotterdam op 20 juli 1927. Zie ook alle tags voor Henk Hoflandop dit blog.
Uit: Het Barend Servet effect
“De hoes van de LP Waar moet dat heen? vertoont geen opgewekte gezelschappen. Op de kleurenfoto aan de voorkant zien we Fred Haché woedend op de lekke achterband van een meer dan tien jaar oude Saab wijzen, terwijl Barend Servet wanhopig op zijn hoofd krabt en de Dames RiMiCo met een mengsel van onkunde, wanbegrip, twijfel en ontsteltenis het verdere verloop der gebeurtenissen afwachten. Vooral dank zij de aanwezigheid van Servet (die, zoals we later zullen zien, een buitenbeentje is) kan men bij dit tafereel nog wel aan iets komisch denken, maar uit de verschijning van de Dames valt al iets heel anders op te maken. De volledige waarheid zien we pas als we de hoes omdraaien. Daar staan alle belangrijke medewerkers aan de shows op het toneel gegroepeerd. Het is een wat schèmerige zwart-wit foto, waarop we van links naar rechts onderscheiden een vermagerde, ziekelijke man die met een somber gezicht in de coulissen staart; de geestelijke met zwarte pij, glimmend gezicht en ingevallen mond; Gerrit Dekzeil, de zanger, die boven een das met vrolijk patroon neerslachtig naar de grond kijkt; Fred Haché, streng, tevens verongelijkt en met de handen waardig voor de onderbuik gekruist; Servet, opnieuw de enige die duidelijk optimisme uitstraalt, maar daarbij betrekkelijk stom kijkt; dan de koningin met de halfbegrijpende blik der ouden van dagen, het toch gezellig vindend; de Dames RiMiCo in dameskleding, één zelfs in broekpak, en allen reeds flink beproefd door de tand des tijds; tenslotte Sjefke van Oekel die met een breed arm gebaar, trots glimlachend, dit treurige gezelschap aan het publiek vertoont. Hij heeft er zijn beste pak voor aangetrokken, zijn schoenen glanzen, het haar is met zorg achterover geplakt en hij straalt: het is kennelijk een hoogtepunt in zijn leven. Een feestdag. De shows van Haché, Servet en Van Oekel zijn rijker aan interpretatieve mogelijkheden dan alles wat er ooit in Nederland aan amusement op de televisie te zien is geweest. Eén van de interpretaties voert naar de vreselijke treurigheid waarvan ik hierboven, in de beschrijving van de foto's op de hoes, een voorbeeld heb gegeven.”
Henk Hofland (20 juli 1927 – 21 juni 2016) Barend Servet en Sjef van Oekel
De Nederlandse schrijver en literatuurcriticus Arie Stormwerd geboren in Den Haag op 20 juli 1963. Zie ook alle tags voor Arie Stormop dit blog.
Uit: Genot en huiver: de grote sprookjes van Maarten 't Hart
“Er zijn schrijvers die je bijna je hele leven met je meedraagt, vanaf het moment dat je literatuur gaat lezen tot aan de man van middelbare leeftijd die je later wordt, en vermoedelijk nog wel langer, en die alleen al wanneer je hun naam ergens leest of hoort meteen iets in je wakker maken. Ik schreef in de vorige zin ‘je’, ongeveer zoals een voetballer praat die een strafschop heeft gemist en daar in de je-vorm over vertelt alsof het een heel andere persoon betreft, maar ik bedoel natuurlijk ik. Mijn eerste grote liefde, dat is Maarten 't Hart, en ik ga het daar nu heel eerlijk over hebben. Dat moet op een persoonlijke manier, want 't Hart is een schrijver die je persoonlijk aanspreekt, die een vriend van je wordt terwijl je hem leest, die je niet op een afstand houdt, maar je juist in zijn armen sluit. Er is voor mij geen andere wijze dan een persoonlijke als ik het iets uitgebreider over hem heb, over hem en zijn boeken, vooral over zijn boeken, die toevoeging lijkt overbodig maar is het niet, want dat betekent Maarten 't Hart voor mij in de eerste plaats: een liefde voor lezen en een liefde voor boeken; niet alleen zijn boeken, maar boeken in het algemeen, literatuur. Er is een tijd geweest dat ik me er een beetje voor schaamde, voor mijn liefde voor Maarten 't Hart, en dat lag niet aan Maarten en niet aan mij maar aan de anderen, anderen die die liefde probeerden te frustreren; eerst mijn vader, die zelf niet las maar die de door mij bewonderde auteur op tv had gezien en allerlei flauwe dingen over hem zei, later las ik nare dingen over de stijl van 't Hart, dat hij slordig zou schrijven, en dat hij niet meer dan een ordinaire verteller zou zijn, of dat er te veel natuur in zijn werk voorkwam.”
Arie Storm (Den Haag, 20 juli 1963)
De Duitse schrijverUwe Johnsonwerd geboren op 20 juli 1934 in Cammin (tegenwoordig Kamień Pomorski, Polen). Zie ook alle tags voor Uwe Johnson op dit blog.
Uit: Mutmaßungen über Jakob
„Achtundsechzig Jahre alt, Kunsttischler, wohnhaft Jerichow Ziegeleistrasse. Ich konnte und konnte mir nicht denken was das Referat Militärische Spionageabwehr mit dem gewinnen wollte. Diese Berichte von der Dienststelle Jerichow, quengelig, meistens private Anzeigen: hat dies gesagt, hat das zu verstehen gegeben. Hat öffentlich im Krug von Jerichow (glaube nicht dass da im Krug "öffentlich" bedeutet, die kennen sich doch alle, na ja: öffentlich im Krug) das Lied gesungen von dem Hund, der in die Küche kam, der schiss dort auf ein Ei, da nahm der Koch den Löffel, und schlug den Hund zu Brei, da kamen die Hunde zusammen, und lobten sehr den Koch, und schrieben auf den Grabstein, geschissen hat er doch, dann kam der Hund wieder in die Küche und das hab ich jetzt vergessen und jaja ich verstehe schon. Das schreiben die nun auf. Geben wir ernstlich zu bedenken. Die scheinen zu meinen, die Agenten hätten Vereinslieder, nächstens wollen sie vielleicht amtliche Abzeichen einführen. Hundefänger. Darüber ärgern die sich, darüber ärgern sich noch ganz andere Leute, die lassen Cresspahl lieber den gemütlichen Lebensabend. Bis ich sah er hatte eine Tochter, geboren 1933, Oberschule in Jerichow, Studium der Anglistik in Leipzig, Dolmetscherschule Frankfurt am Main, am Main, und seit Anfang des Jahres (aber das hatten nicht die in Jerichow gemerkt, denn Cresspahl wird es ihnen nicht erzählt haben:) the N.A.T.O. Headquarters. Ich blätterte noch die anderen Vorschläge durch, konnte mit keinem so recht warmwerden, alle so schnurgerade Röntgenarbeit, kurzgesagt stur, und gegen Mittag fuhr ich zurück zur M.S.A. und liess mich melden bei Lagin und legte ihm die Mappe hin, wenn schon, dann will ich was davon haben.“
Uwe Johnson (20 juli 1934 – 24 februari 1984) Borstbeeld voor het John-Brinckman-gymnasium in Güstrow
Tu veux que je n’existe pas Mais j’existerai quand même Je ne quitterai pas le pays Tant que le combat durera Je résisterai Je ne l’abandonnerai pas
Je porte en moi une plaine De mots de poèmes Mon être respire l’air du pays Je suis la gazelle vive du ghazal Tu ne me chasseras pas facilement
Je suis en vie Ma voix est ardeur et révolte Je n’évite ni la pierre ni le roc Tu ne pourras harnacher mon torrent
Pourquoi voiler ma chevelure Pourquoi me travestir pour te combattre Je suis femme et jamais ne prendrai par ruse La voie de l’effacement
Que tu protestes ou que tu cries J’ai dit ce que j’avais à dire “Seule la voix reste Mais moi je ne serai pas toujours là Malgré la vieillesse la maladie Je veux chevaucher Même si je ne peux plus monter à cheval
Uit: DieBesteigung des Mont Ventoux (Vertaald door Kurt Steinmann)
„Den höchsten Berg dieser Gegend, den man nicht unverdientermaßen Ventosus, den Windigen, nennt, habe ich am heutigen Tage bestiegen. Dabei trieb mich einzig die Begierde, die ungewöhnliche Höhe dieses Flecks Erde durch Augenschein kennenzulernen. Viele Jahre lang hatte dieses Unternehmen mir im Sinne gelegen; habe ich doch in der hiesigen Gegend, wie du weißt, seit meiner Kindheit geweilt, wie eben das Schicksal die menschlichen Dinge fügt. Dieser Berg aber, der von allen Seiten weithin sichtbar ist, steht mir fast immer vor Augen. Nun aber faßte ich den Entschluß, endlich einmal auszuführen, was ich täglich hatte ausführen wollen, besonders nachdem mir tags zuvor, als ich römische Geschichte beim Livius nachlas, zufällig jene Stelle vor Augen gekommen war, wo Philipp, der Mazedonierkönig, den Berg Hämus in Thessalien besteigt. Mir schien für einen Jüngling ohne Anteil am Staatsleben entschuldbar zu sein, was man ja an einem greisen König nicht tadelt. Als ich aber wegen eines Begleiters mit mir zu Rate ging, erschien mir, so merkwürdig es klingt, kaum einer meiner Freunde dazu geeignet: so selten ist selbst unter treuen Freunden jener vollkommenste Zusammenklang aller Wünsche und Gewohnheiten. Was glaubst du wohl? Schließlich wende ich mich um Beistand an den, der mir zunächst steht, und eröffne die Sache meinem jüngeren, meinem einzigen Bruder, den du ja gut kennst. Frohere Botschaft hätte er nicht hören können, und er dankte mir freudig, daß er bei mir gleichzeitig die Stelle eines Freundes und eines Bruders hätte.“
Francesco Petrarca (20 juli 1304 – 19 juli 1374) Mont Ventoux
“Somewhere out there is a true and living prophet of destruction and I don't want to confront him. I know he's real. I have seen his work. I walked in front of those eyes once. I wont do it again. I wont push my chips forward and stand up and go out to meet him. It ain't just bein' older. I wish that it was. I cant say that it's even what you are willin' to do. Because I always knew that you had to be willin' to die to even do this job. That was always true. Not to sound glorious about it or nothin' but you do. If you ain't they'll know it. They'll see it in a heartbeat. I think it is more like what you are willin' to become. And I think a man would have to put his soul at hazard. And I wont do that. I think now that maybe I never would. The deputy left Chigurh standing in the corner of the office with his hands cuffed behind him while he sat in the swivel chair and took off his hat and put his feet up and called Lamar on the mobile. Just walked in the door. Sheriff he had some sort of thing on him like one of them oxygen tanks for emphysema or whatever. Then he had a hose that run down the inside of his sleeve and went to one of them stun guns like they use at the slaughterhouse. Yessir. Well that's what it looks like. You can see it when you get in. Yessir. I got it covered. Yessir. When he stood up out of the chair he swung the keys off his belt and opened the locked desk drawer to get the keys to the jail. He was slightly bent over when Chigurh squatted and scooted his manacled hands beneath him to the back of his knees. In the same motion he sat and rocked backward and passed the chain under his feet and then stood instantly and effortlessly. If it looked like a thing he'd practiced many times - it was. He dropped his cuffed hands over the deputy's head and leaped into the air and slammed both knees against the back of the deputy's neck and hauled back on the chain. They went to the floor. The deputy was trying to get his hands inside the chain but he could not. Chigurh lay there pulling back on the bracelets with his knees between his arms and his face averted. The deputy was flailing wildly and he'd begun to walk sideways over the floor in a circle, kicking over the wastebasket, kicking the chair across the room. He kicked shut the door and he wrapped the throw rug in a wad about them. He was gurgling and bleeding from the mouth. He was strangling on his own blood. Chigurh only hauled the harder. The nickel plated cuffs bit to the bone.”
Tags:Hans Lodeizen, Henk Hofland, Arie Storm, Uwe Johnson, Simin Behbahā,ni, Francesco Petrarca, Maurice Gilliams, Erik Axel Karlfeldt, Cormac McCarthy, Romenu
De Amerikaanse dichter Paul Randolph Violi werd geboren op 20 juli 1944 in Brooklyn, New York. Violi was in de periode 1972-1974 redacteur van The Architectural Forum, werkte als freelancer bij Universal Limited Art Editions en als voorzitter van de Associate Council Poetry Committee organiseerde hij van 1974 tot 1983 een reeks lezingen in het Museum of Modern Art. Hij was ook mede-oprichter van de Swollen Magpie Press, die poëziebundels, anthologieën en een tijdschrift genaamd New York Times uitgaf en werkte samen met Dale Devereux Barker aan kunstboeken, zoals “Envoy; Life is Completely Interesting” en “Selected Accidents, Pointless Anecdotes, a collection of non-fiction prose”. Violi kreeg ook twee poëziebeurzen van het National Endowment for the Arts en ontving de John Ciardi Lifetime Achievement Award in Poetry, de the American Academy of Arts and Letters Morton Dauwen Zabel Award, en subsidies van The Foundation for Contemporary Arts Poetry, The Fund for Poetry, The New York Foundation for the Arts, The Ingram Merrill Foundation,en de New York Creative Artists Public Service Fund. Hij publiceerde elf poëziebundels, waaronder “Splurge” (1982), “Likewise” (1988), “The Curious Builder” (1993), “Fracas” (1998), en “Overnight” (2007).
Appeal to the Grammarians
We, the naturally hopeful, Need a simple sign For the myriad ways we’re capsized. We who love precise language Need a finer way to convey Disappointment and perplexity. For speechlessness and all its inflections, For up-ended expectations, For every time we’re ambushed By trivial or stupefying irony, For pure incredulity, we need The inverted exclamation point. For the dropped smile, the limp handshake, For whoever has just unwrapped a dumb gift Or taken the first sip of a flat beer, Or felt love or pond ice Give way underfoot, we deserve it. We need it for the air pocket, the scratch shot, The child whose ball doesn’t bounce back, The flat tire at journey’s outset, The odyssey that ends up in Weehawken. But mainly because I need it—here and now As I sit outside the Caffe Reggio Staring at my espresso and cannoli After this middle-aged couple Came strolling by and he suddenly Veered and sneezed all over my table And she said to him, “See, that’s why I don’t like to eat outside.
Midnight Shift
I listen to the crickets and hear the machinery at the bottom of the night.
They are all made in Hong Kong out of interchangeable parts.
They all rise and fall on the same wave, the creaking, changeless sea they made out of sound and the night air.
I don't surprise myself anymore: a sense of motion but no advance, no shore in sight other than sleep; and the usual lines scribbled on the way, the notes an alchemist hears adrift in the ordinary with no symbol for the element of surprise.
-- But then to feel your hand instead, palm up on the bed like a little boat in the dark,
with everything calm for an instant before out of nowhere all of you lands on me with a great laugh, a splash of hair.