Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
22-11-2016
André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Christian Filips, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevin, Endre Ady, William Kotzwinkle
"Mais si cela voulait dire quelque chose, tu ne comprendrais tout de même pas. Quand on parle, c'est pour se faire comprendre. Veux-tu, nous allons jouer à faire des mots pour nous deux seulement les comprendre. Tâche d'abord de bien parler français. Ma maman, elle, parle le français, l'anglais, le romain, le russe, le turc, le polonais, l'italoscope, l'espagnol, le perruquoi et le xixitou. Tout ceci dit très vite, dans une sorte de fureur lyrique. Bronja se mit à rire. Boris, pourquoi est-ce que tu me racontes tout le temps des choses qui ne sont pas vraies ? Pourquoi est-ce que tu ne crois jamais ce que je te raconte ? Je crois ce que tu me dis, quand c'est vrai. (...)
Oui. Non ; écoute : on va prendre un bâton ; tu tiendras un bout et moi l'autre. Je vais fermer les yeux et je te promets de ne les rouvrir que quand nous serons arrivés là-bas. Ils s'éloignèrent un peu ; et, tandis qu'ils descendaient les marches de la terrasse, j'entendis encore Boris : Oui, non, pas ce bout-là. Attends que je l'essuie. Pourquoi ? J'y ai touché.”
André Gide (22 november 1869 – 19 februari 1951) Hier met zijn jonge geliefde Marc Allégret (links) in 1926
De Engelse dichteres en schrijfster George Eliot werd geboren op 22 november 1819 in Nuneaton in Warwickshire. Zie ook alle tags voor George Eliot op dit blog.
Uit: Silas Marner
“To them pain and mishap present a far wider range of possibilities than gladness and enjoyment: their imagination is almost barren of the images that feed desire and hope, but is all overgrown by recollections that are a perpetual pasture to fear. "Is there anything you can fancy that you would like to eat?" I once said to an old labouring man, who was in his last illness, and who had refused all the food his wife had offered him. "No," he answered, "I've never been used to nothing but common victual, and I can't eat that." Experience had bred no fancies in him that could raise the phantasm of appetite. And Raveloe was a village where many of the old echoes lingered, undrowned by new voices. Not that it was one of those barren parishes lying on the outskirts of civilization--inhabited by meagre sheep and thinly-scattered shepherds: on the contrary, it lay in the rich central plain of what we are pleased to call Merry England, and held farms which, speaking from a spiritual point of view, paid highly-desirable tithes. But it was nestled in a snug well-wooded hollow, quite an hour's journey on horseback from any turnpike, where it was never reached by the vibrations of the coach-horn, or of public opinion. It was an important-looking village, with a fine old church and large churchyard in the heart of it, and two or three large brick-and-stone homesteads, with well-walled orchards and ornamental weathercocks, standing close upon the road, and lifting more imposing fronts than the rectory, which peeped from among the trees on the other side of the churchyard:--a village which showed at once the summits of its social life, and told the practised eye that there was no great park and manor-house in the vicinity, but that there were several chiefs in Raveloe who could farm badly quite at their ease, drawing enough money from their bad farming, in those war times, to live in a rollicking fashion, and keep a jolly Christmas, Whitsun, and Easter tide.”
George Eliot (22 november 1819 – 22 december 1880) Cover
“Het was niet moeilijk om ons met Rigaut te vereenzelvigen. Ook wij waren enigzins stuurloze jonge mannen die op het dode punt tussen jeugd en een eigen leven balanceerden. Ook wij hadden weinig fiducie in een normale maatschappelijke loopbaan en ook wij onderhielden een ambivalente relatie tot het idee dat we ons in de kunsten moesten ontplooien. Mede onder invloed van de penibele economische toestand en de sfeer van vervallen modernisme, politieke ongeloofwaardigheid en culturele verwarring, voelden ook wij het monster van het cynisme op onze zielen loeren. De nihilistische dada dandy die zo helder en intens over een spiegel, een lamp, een overhemd, een geeuw, de morele juistheid van het lege leven der rijken kon schrijven, dat was een aantrekkelijke verschijning. De uiterst consequente verbeelding van het ‘beginnersnihilisme’ dat aan de grote levenskeuzes vooraf gaat. Waar we heel zelden en dan maar vluchtig over praatten met elkaar was Rigauts zelfmoord en de daarmee opgeroepen vraag naar de afstand die wijzelf tot die logische optie innamen. Bijna een half jaar zaten we bijna dagelijks gebogen over Rigauts teksten en vermaakten we ons met zijn overgevoelige ‘cool’, zijn laconieke fijnzinnigheid en die directe maar onthechte toon. Wat mij naast het proza hypnotiseerde was iets dat ik nu als huiver zou omschrijven. Er was ook iets griezeligs aan Rigaut. Iets confronterends. Zijn werk kwam voort uit een een overmatige reflexiviteit, een gekmakende bespionering van zichzelf en een genadeloze blik in de spiegel. Dat kwam mij maar al te bekend voor. Ook de ontdekking van het niets in de eigen ledematen en het eigen bewustzijn, herkende ik. Het punt was dat Rigaut veel extremere conclusies uit die ervaringen trok dan ik. Hij zocht naar iets dat hem op waardige wijze kon helpen het illusoire karakter van kennis, liefde, schoonheid, rechtvaardigheid, wijsheid te overleven. Daarom noemde hij zichzelf een moreel personage en iemand die vooral probeerde niet te sterven. In zijn ogen was er niets dat hem van de weerzin kon genezen die hij voelde door een menselijk persoon te zijn, met een lichaam, een identiteit, een geschiedenis, een leven. Zelfs zijn zintuigen noemde hij onrechtmatig. Daarom restte hem niets anders dan ‘zijn eigen zeep te zijn’ oftewel zichzelf uit te wissen. Eigenlijk ging zijn logica nog verder. Hij schreef dat er helemaal niets mogelijks was, ook geen zelfmoord. Er school geen wijsheid, schoonheid of gelijk in de zelfgekozen dood.”
Dirk van Weelden (Zeist, 22 november 1957) In 1992
Weg Libido! Weg, Bücher! Körper, weg! Ihr wollt mir alle doch nur an die Leber. Weg, Liebes-Hudelei! Lass keinen ran. Und wenn Ihr mir mit Kränen auf den Leib rückt: Geht besser nach Kamtschatka oder Leipzig, Baut Euch im Umkreis Kolonien, benennt sie Nach mir (So: Filips-Kongo. Oder: Christograd), Errichtet Zoos, Gedächtnisorte, Nightclubs, Schreibt Hausarbeiten zu meinen Gedichten, Bringt mich ins Ungarische, pflegt mich, fleht nur – Das alles lässt mich kalt. Ich, die Grandezza, Bin schnellen Herzens, geh zu Bett um neun. Verlier mich nicht im Denken, spekulier auch jetzt nicht länger mehr auf Euren Anruf - Ob jemand etwa grad bereit zu teilen Mit mir sein bisschen Leben, Arbeit, Triebstruktur - Ich leg mich einfach schlafen. Sage laut: Legenden wachsen weiter. Bis sie wahr sind. Der Teufel prahlte mit dem Glauben fauchend. Ward zur Substanz. Und gab sich hin: dem Geist.
Heiße Fusion mit Aurora
Surplus, Surplus, reinster Überschuss. Sperma von Giraffen. Rassenhunden. Artischockenherzen. Liebe, unverlangt. So viel, das uns umgibt. Mir träumte eben leer und weiß vom Dung, vom Dunst von Schafen. Inmitten der Herde, der heiligsten Wolken-Kommune erschienst auch Du mir, wollte bei Dir schlafen, aber im Fell meiner Beine warst Du bald nicht mehr zu sehen, verschwunden aus Angst vor dem Schwanz, Dein extravagantes tönendes Blöken, das mähte uns hin alle die schöne Aurora-Kosmologie!
'He heard the Ostentum have returned.' The voice was impossibly deep, and earthy, the very voice of the mountain, it appeared. It reverberated around the cavern, the bass vibrating inside the man's chest. 'Yes, Master.' 'Has he seen evidence?' The man worded his response carefully, suppressing his confusion. Only the Master understood all aspects of the plan, even if they did seem self-contradictory to lesser beings. 'Not yet, Master.' 'Very well.' The room was dark and damp, cave-like. In truth they were hundreds of feet above the ground. The figure looked out through a slit in the stone wall into blinding sunlight, although the room remained dark, as if the shadows here were resistant to being penetrated by the sun's rays. The Master turned to face him, and the man immediately hugged the ground. The thundering voice spoke again. 'You have done well, Apostate. Arise.' Breathing a sigh of relief, the man, who looked so small, thin and pathetic in the shadow of his demonic master, stood. He quickly walked to a marble basin at the far end of the room and proceeded to wash. The Master did not move, but watched impassively as his servant cleaned off the signs of battle: grime, sand, blood Ð and even the wounds themselves.”
Suresh en Jyoti Guptara (Frimley, 22 november 1988)
Uit: Buddha's Little Finger (Vertaald door Andrew Bromfield)
`How are things in Petersburg?' asked Vorblei. `As if you didn't know.' `That's right,' agreed Vorblei, suddenly seeming to lose interest. `I do know.' We turned off the boulevard, crossed the roadway and found ourselves in front of a seven-storey apartment house. It was directly opposite the Palace Hotel, in front of which two machine-gun installations were visible; they were manned by sailors smoking cigarettes, and a red flag flapped in the wind at the end of a long stick. Vorblei tugged at my sleeve. `Look over there,' he said. I turned my head. On the street outside the entrance to the house stood a black limousine with a tiny cabin for passengers and open front seats, on which the snow had piled up. `What?' I asked. `It's mine,' said Vorblei. `It goes with the job.' `Ah,' I said, `congratulations.' We entered the apartment building. The lift was not working and we had to make our way up a dark staircase, from which the carpet runner had not yet been ripped away. `What is it that you do?' I asked. `Oh,' said Vorblei, `it's not something I can explain in a few words. There's really a lot of work — too much, in fact. First one thing, then another, and then something else, and all the time you have to try to keep up. First one place, then another. Someone has to do it all.' `In the cultural line, is it?' He inclined his head to one side in a rather indefinite fashion. I did not try to ask any more questions. When we reached the fifth floor we approached a tall door on which there was a clearly defined lighter coloured rectangular area which showed where a name plaque had once been. He opened the door, and we went into a dark hallway when a telephone on the wall immediately began to jangle."
I walk the forest in the moonlight Whistle through my chattery teeth Stalking behind me ten feet tall Good Prince Silence Mercy, I tremble, dare not turn.
Mercy, I tremble, dare not turn, And dare not gaze up, up to the moon: One false movement, one needless sound Good Prince Silence Would step on me and tread me down.
Who Come From Far Away
We are the men who are always late, we are the men who come from far away. Our walk is always weary and sad, we are the men who are always late. We do not even know how to die in peace. When the face of distant death appears, our souls splash into a tam tam of flame. We do not even know how to die in peace. We are the men who are always late. We are never on time with our success, our dreams, our heaven, or our embrace. We are the men who are always late.
Endre Ady (22 november 1877 – 27 januari 1919) Op een Hongaarse postzegel uit 1969
“The wave came again and carried them out onto the sea of pain, where he wondered again why life ever came into the world...The tide that drew them out into the troubled waters once again spent itself, and they floated slowly back, resting for a minute or so, only to be dragged out again. He held her up while she contracted and pushed inside herself, trying to open the petals of her flowering body...He lifted her, trying to free the load she was struggling with, but she was straining against the traces, getting nowhere, her eyes like those of a draft horse...Who would choose this, thought Laski, this work, this woe? Life enslaves us, makes us want children, gives us a thousand illusions about love, and all so that it can go forward.” (…)
“Hardly had they rested when the waves carried them out again, like a nightmare that repeats itself over and over through the night, and over and over again through the years. Back and forth they went and he feared that her strength could not hold. He had no confidence, not in himself, nor in her. He felt like a helpless child, and Diane seemed helpless too, their long struggle getting them nowhere, only repeating itself--contraction, release, contraction again.”
William Kotzwinkle (Scranton, 22 november 1943) Cover
“Owen Dromgould had run his fingers over the bark of trees. He could tell the difference in the outline of their leaves; he could tell the thorns of gorse and bramble. He knew birds from their song, dogs from their bark, cats from the touch of them on his legs. There were the letters on the gravestones, the stops of the organ, his violin. He could see red, berries on holly and cotoneaster. He could smell lavender and thyme. All that could not be taken from him. And it didn’t matter if, overnight, the colour had worn off the kitchen knobs. It didn’t matter if the china light-shade in the kitchen had a crack he hadn’t heard about before. What mattered was damage done to something as fragile as a dream. The wife he had first chosen had dressed drably: from silence and inflexions – more than from words – he learned that now. Her grey hair straggled to her shoulders, her back was a little humped. He poked his way about, and they were two old people when they went out on their rounds, older than they were in their ageless happiness. She wouldn’t have hurt a fly, she wasn’t a person you could be jealous of, yet of course it was hard on a new wife to be haunted by happiness, to be challenged by the simplicities there had been. He had given himself to two women; he hadn’t withdrawn himself from the first, he didn’t from the second. Each house that contained a piano brought forth its contradictions. The pearls old Mrs Purtill wore were opals, the pallid skin of the stationer in Kiliath was freckled, the two lines of oaks above Oghill were surely beeches? ‘Of course, of course,’ Owen Dromgould agreed, since it was fair that he should do so. Belle could not be blamed for making her claim, and claims could not be made without damage or destruction. Belle would win in the end because the living always do. And that seemed fair also, since Violet had won in the beginning and had had the better years.”
“Daarop had de schilder gevoeld hoe ze ontspanden. Hoe de anderen begrepen dat ze het dus goed hadden gezien. Alle vier keken nu van het schilderij naar hem, maar hij zei niets, knikte alleen vaagjes. De vernedering kwam eraan, maar was nog abstract. Had nog niet de gedaante aangenomen van een brik, normaal in gebmik voor biertransport, die met een hoop lawaai de Rozengracht op komt rollen en stilhoudt voor nummer 184. Dat zou pas over een paar dagen gebeuren. Nog voordat er zou worden geklopt zou zijn vrouw opendoen. ‘Lieve help! Ze hebben het al gebracht!’ Hij en zij zouden elkaar halverwege de trap tegemoet zijn gebold, hij vanaf de eerste verdieping waar hij aan het werk was, zij vanuit de open voordeur waardoorheen je op straat het paard kon zien, de lege bok en een stuk van de gênante, tot aan de dissel naar voren geschoven lading, een slordige grijsgrauwe rol, dubbelgeklapt tot een paar meter doorsnee. Nog niet. Geen sprake van zelfs. De grijsgrauwe rol hing op dit moment nog magnifiek uitgespreid, al zijn kleuren naar buiten, op een van de eervolste plekken waar hij maar hangen kon. Eigenlijk tweede keus, zeker, maar niettemin. Intussen kwam de commissie met kritische opmerkingen over de woeste stijl van het werk, argumenten die zonder meer relevant waren, maar die de maker ervan een lachje ontlokten – dit is verdorie mijn beste groep, beter nog dan die schutters die nu toch al zo’n jaar of twintig zonder noemenswaardig gezeur in De Doelen hangen! Zijn lachje kwam irritant over. ‘Een penseel is geen hakbijl,’ klonk het kwaad. ‘Soms wel,’ zei de schilder. ‘U rotzooit maar wat aan.’ De schilder boog. Een van de burgemeesters opende nu een bleekgroene map, haalde er een tekening uit en wilde hem die toesteken. Maar de schilder verroerde geen vin.”
“Herfst. Bijna zestig en nog op de vlucht. Mijn knie is kapot, het be-gin van het eind. Vroeg in de ochtend las ik op een Beierse parkeerplaats voor, tot de winkel met haar indianenlaarsjes openging, uit Hamsun, Hoe het groeide. ’s Middags haastten we ons in Mantova over de hertogelijke gangen en trappen naar de fresco’s van Mantegna. De avond viel in een armoedig Apennijnendorp, waar een manke herbergierster en ik haar schaamteloze rekening over de tafel heen en weer schoven. Door het lawaai van de donderdagnacht gewekt, schoot ik in m’n blootje over de gang naar een raam. Gelukkig, de auto glom nog in lantarenlicht. Vrijdag naar Perugia, weerzinwekkend rijk en druk, om vanaf de hoge balustrade een blik op Assisi te werpen. Dat marmeren beeld-houwwerk in de zon aan de overkant van de vallei was van dichtbij een pandemonium van winkels, zwaarlijvigheid en rondstuivend gruis. ’s Avonds eindelijk rust in een bos boven Spoleto, waar ons tentje uitkeek op de verlichte muren in de nacht. Zaterdagmorgen voerden onder Ovidius’ standbeeld de heren van Sulmona hun gesprekken, terwijl een aanwakkerende wind aan de marktzeilen rukte boven de warme ham. Langs de snelweg schudden de palmen. Vento forte tussen Poggio Imperiale en Taranto Nord. In Bari maakte de zee tot in de haven witte koppen, wind-kracht zeven. Toch maar gaan. Zonder hut was er aan boord de schrale slaap die je soms van een uur verlost. Ik miste de besneeuwde bergen van Albanië en werd wakker van het plotselinge gelijkmatige glijden in de baai van Igoumenitsa. Het was nog nacht, te koud om naar de railing te gaan en de lichten op Corfu te duiden.”
“Jacob was continually astonished at how many Jews obeyed only one half of the Torah. The very same people, who strictly observed the minor rituals and customs which were not even rooted in the Talmud, broke without thinking twice the most sacred laws, even the Ten Commandments. They wanted to be kind to God and not to man; but what did God need of man and his favors? What does a father want from his children but that they should not do injustice to each other?” (…)
“But now he at least understood his religion: its essence was the relation between man and his fellows. Man’s obligations toward God were easy to perform. Didn’t Gershon have two kitchens, one for milk, and one for meat? Men like Gershon cheated, but they ate matzoth prepared according to the strictest requirements. They slandered their fellow men, but demanded meat doubly kosher. They envied, fought, hated their fellow Jews, yet still put on a second pair of phylacteries. Rather than troubling himself to induce a few to eat pork or kindle a fire on the Sabbath, Satan did easier and more important work, advocating those sins deeply rooted in human nature.”
Isaac Bashevis Singer (21 november 1904 – 24 juli 1991) Cover Spaanse uitgave
Er staat een praatpaal op mijn hoofd. Het is niet evident om bijv. door de deuropening te raken. Ik moet me diep bukken en als een kuikentje het huis binnengaan.
Een geluk dat door één of ander toeval het plafond te hoog werd gelegd, en ik zomaar kan wandelen in mijn woonst. Ook headbangen is een mogelijkheid.
Het ontspant me meer en meer. De dokter zegde enkel dat ik voorzichtig moet zijn, hersenbloedingen zijn nooit ver weg moet je weten. Zonde dat die hoorn steeds tegen dat schoon stuk oranje slaat.
Op straat staren de mensen me na alsof het zo ongewoon is een praatpaal op je hoofd te hebben. Misschien zijn ze enkel verbaasd omdat ik er steeds in slaag het evenwicht te bewaren.
Er zijn ook mensen die me opbellen, vraag me niet hoe, want ik dacht dat het onmogelijk geworden was. Ik neem dan heel beleefd op, en zeg dat het met de Belgische staat is.
Mensen stellen me de allergekste vragen. Of ze wat reclame mogen maken langs het luidsprekertje. Waar hun auto precies staat geparkeerd, wanneer hun slee nog eens in panne zal staan. Of er ergens een spookrijder is gesignaleerd, …
Soms belt er een pienter meisje met de stem van Ayco Duyster. Ze vindt me aardig denk ik, en noemt me ‘Belgische’. Ze vraagt vaak hoe het gaat met mij, en dat roert me wel.
“Saturday morning, March 7, 1992, was bright and sunny on the east coast of Florida. It would be hot, I thought, but I dressed formally in a pantsuit and heels, because I was scheduled to address a local chapter of NOW that day. I live alone, so did not talk to anyone until I reached the restaurant where I was to speak and was greeted by the NOW people. Then I was startled to hear a thin, reedy sound emerge from my throat. It was not my voice at all. I was puzzled; my daughter, Jamie, had returned to New York the day before, after a week's visit. Although I had had what I thought was laryngitis while she was with me, my voice had been normal. Now it was not. Mike Edmondson, a friend, came up to greet me. I was surprised to see him--few men attend NOW events. But Mike is political and a feminist. I recalled that we had been supposed to see a movie together some weeks earlier but somehow had not done so. "Wonderful to see you, Mike! How have you been?" "Not too good, Marilyn. That's why I never called. The Monday after you came for dinner, I was diagnosed with cancer." I felt myself pale. "Testicular cancer. They operated. It's gone. I'm fine." It was almost inconceivable that he could be diagnosed and cured within so brief a time. "It seems miraculous," I said. "That's how they treat it now." He smiled. Mike is a good-looking man in his thirties, and he shone with health. It was equally shocking that he should develop cancer and that he had been cured of it in the few weeks since I'd seen him.”
“Something isn't quite right-I have a hunch about this. But I think I'll just tuck it into the back of my mind while I tuck my feet into my wellington boots. Now I'll open my front door and step out into the night. I'm ready. Where is it I'm meant to be going? I can't quite remember. It'll come back to me in a moment. I'll just put one foot in front of the other and trust myself. I am turning left. If I am automatically taking this direction to Wherever, this must mean it is the right way to go. Now where am I? I'm glad I'm wearing my gumboots. That was a good idea. I had to rummage for them as I can't remember when I last wore them. I can't remember when I last had a weekend away from the city. No one has ever whisked me away. Not that I've ever asked-that wouldn't be me. That's not to say I haven't daydreamed of it, though. But enough of this mental meandering, I must walk on. This way. That way. I don't feel very comfortable. I'm rather cold and my feet feel-strange. I'm hoping for the landmark to loom, to say to me that I've arrived at my destination. I know metaphysics would say that it's not the arriving but the journey that's the point-but I'm going to have to have a sit-down and a rethink if I don't get there soon. Perhaps I've gone the wrong way. I don't want to admit to myself that I don't really know the route because that would call into question the destination which, actually, I can't remember at all. Well, I'll keep on walking this way. My feet are really sore. I'd love a bar of chocolate. I'm quite tired now. Sleepy, in fact. Something will jog my memory. It was not Petra Flint's memory that was jogged. It was her slumber. By the police. She woke with a start and in a panic; for a split second she thought she was blind. Actually it was very dark and she was lying face down on the ground. Earthy, itchy ground, and wet. "Are you OK?" Petra lifted her head a little and glanced up: two police officers were looming over her. The sudden beam from a torch scorched her eye so she dropped her gaze and put her face back to the ground. She was wearing her nightshirt and her wellington boots, which were on the wrong feet, and she felt mortified.“
„Er brachte sie ganz ungezwungen vor, aber ich merkte schon bald, dass es untergründig eine ernsthafte Rivalität gab, und zwar nicht nur um die Lebensdauer, sondern auch um das Wohlwollen der Krankenschwestern; Gunst wäre angesichts des Zustands, in dem wir uns befanden, zu viel gesagt. Wie dem auch sei, Börje forderte jedenfalls unsere Einsätze auf "den zähesten alten Knacker" und bot uns darüber hinaus an, auch auf Platz zu setzen. Taktvoll setzten Harry und ich auf unseren Buchmacher als Gewinner, er war immerhin der jüngste von uns und hatte Familie (was ich allerdings erst später erfuhr). Wir verzichteten darauf, um den zweiten Platz zu spielen. Die Frage des Gewinns führte zu einigem Murmeln über die Testamente, was Börje mit großer Geste beiseite wischte. Das Spiel selbst war wichtig. Dann war da noch der vierte Mann im Raum, der stumme und unsichtbare. Wir verzichteten zwar darauf, auf ihn zu setzen, aber ansonsten war an ihm nichts Okkultes, er war aus Fleisch und Blut. Sein Bett stand links von meinem, an der Fensterwand, aber als Lebenden sahen wir ihn nie, ein grüner Vorhang, der in einer Deckenschiene lief, entzog ihn unseren Blicken. Börje, der ihm gegenüber lag, behauptete, flüchtig Teile von ihm gesehen zu haben, einen Fuß, der gegen den Vorhang trat,einen Arm, der über die Bettkante gestreckt wurde, aber den ganzen Menschen sahen wir erst, als er tot und zugedeckt war und zu seinen Ahnen gerollt wurde, die ihn auf der andere Seite des Erdballs erwarteten. Das Personal hüllte sich zu seiner Person in Schweigen, so lauteten offensichtlich die Anweisungen, und wir erfuhren lediglich, dass er aus einem anderen Erdteil stammte (oder einem anderen "Kulturkreis", wie man heute sagt).“
Carl-Henning Wijkmark (Stockholm, 21 november 1934)
De Franse schrijver Voltaire, (pseudoniem van François-Marie Arouet)werd werd op 21 november 1694 geboren in Parijs. Zie ook alle tags voor Voltaire op dit blog.
Uit:Candide ou l'Optimiste
« Candide, plus ému encore de compassion que d'horreur, donna à cet épouvantable gueux les deux florins qu'il avait reçus de son honnête anabaptiste Jacques. Le fantôme le regarda fixement, versa des larmes, et sauta à son cou. Candide, effrayé, recule. « Hélas ! dit le misérable à l'autre misérable, ne reconnaissez-vous plus votre cher Pangloss ? -- Qu'entends-je ? Vous, mon cher maître ! vous, dans cet état horrible ! Quel malheur vous est-il donc arrivé ? Pourquoi n'êtes-vous plus dans le plus beau des châteaux ? Qu'est devenue Mlle Cunégonde, la perle des filles, le chef d'oeuvre de la nature ? -- Je n'en peux plus », dit Pangloss. Aussitôt Candide le mena dans l'étable de l'anabaptiste, où il lui fit manger un peu de pain ; et quand Pangloss fut refait : « Eh bien ! lui dit-il, Cunégonde ? -- Elle est morte », reprit l'autre. Candide s'évanouit à ce mot ; son ami rappela ses sens avec un peu de mauvais vinaigre qui se trouva par hasard dans l'étable. Candide rouvre les yeux. « Cunégonde est morte ! Ah ! meilleur des mondes, où êtes-vous ? Mais de quelle maladie est-elle morte ? ne serait-ce point de m'avoir vu chasser du beau château de monsieur son père à grands coups de pied ? -- Non, dit Pangloss ; elle a été éventrée par des soldats bulgares, après avoir été violée autant qu'on peut l'être ; ils ont cassé la tête à monsieur le baron qui voulait la défendre ; madame la baronne a été coupée en morceaux ; mon pauvre pupille, traité précisément comme sa soeur ; et quant au château, il n'est pas resté pierre sur pierre, pas une grange, pas un mouton, pas un canard, pas un arbre ; mais nous avons été bien vengés, car les Abares en ont fait autant dans une baronnie voisine qui appartenait à un seigneur bulgare. » A ce discours, Candide s'évanouit encore ; mais revenu à soi, et ayant dit tout ce qu'il devait dire, il s'enquit de la cause et de l'effet, et de la raison suffisante qui avait mis Pangloss dans un si piteux état. « Hélas ! dit l'autre, c'est l'amour ; l'amour, le consolateur du genre humain, le conservateur de l'univers, l'âme de tous les êtres sensibles, le tendre amour. -- Hélas ! dit Candide, je l'ai connu, cet amour, ce souverain des coeurs, cette âme de notre âme ; il ne m'a jamais valu qu'un baiser et vingt coups de pied au cul. Comment cette belle cause a-t-elle pu produire en vous un effet si abominable ? "
Voltaire (21 november 1694 – 30 mei 1778) Les démêlés de Voltaire avec Frédéric II door Charles Fichot (1817-1903)
“It was connected with the doctor’s studious skirting of the word “father” and its equivalents, which of course kept the person they referred to at the very front of Charlie’s mind. But suppose they were right: the school guidance counselor, his mom. Suppose the dead father lodged in his skull was making him sick, and suppose Dr. Altschul could pry Dad out, like a bad tooth. What, then, would be left of Charlie? So he talked instead about school and pee-wee league, about the Sullivans and Ziggy Stardust. When given a “homework” assignment—think about a moment he’d been scared—he talked about the terrifying dentist his mom used to make him go see on the thirty-eighth floor of the Hamilton-Sweeney Building; how old Dr. DeMoto once scraped his plaque onto a saltine and made him eat it; and how the window, inches away from his chair, gave onto a sheer drop of six hundred feet. Mom had this idea that for the finest care, you had to go to Manhattan. In fact, maybe ponying up for a fancy headshrinker now was contrition for Dad; maybe she thought if he’d been rushed after the second heart attack to a hospital in the City, he’d still be alive. “Heights—that’s what scares me,” Charlie said. “And fires. And snakes.” One of these wasn’t even true. He’d put it in to test Dr. Altschul, or throw him off the trail. Then one Friday, a month before school ended, he found himself holding forth with unexpected vehemence about Rabbi Lidner. This had been another of his “homework” assignments, to “recover” his feelings about his adoption. “Abe and Izz will do fine with the Torah study, it’s in their blood, but honestly, sometimes I feel sorry for them. They don’t know what they’re in for.” There was a twitch, a resettling of fingers on the cardigan, like a cellist’s on his instrument, a movement at the corner of the therapeutic mouth too quick for the beard to camouflage. “What is it you feel they’re in for, Charlie?” “All this stuff about being shepherded, watched over…You and I both know it’s bullshit, Doc. If I was any kind of brother, I’d take them aside and tell them.” “Tell them what? Shall we role-play?” Charlie let his gaze rest on Dr. Altschul’s pantheistic tchotchkes. “You know. You are alone, you were alone, you will be alone.” “This is a worldview you have.” “I’ve only been saying this for like two months now. What I feel is, basically, you’re an alien dropped on a hostile planet, whose inhabitants are constantly trying to tempt you into depending on them. Have you seen The Man Who Fell to Earth?” Charlie’s face was hot, his asthma tightening his throat. “I realize that maybe sounds like a metaphor, but you listen to David Bowie, he’s thinking about what people will face in the future. I guess I’m trying to, too. Because there’s two ways of taking off a band-aid.”
Glas-in-loodraam boven de ingang van de Agneskerk in Amsterdam
Christ The King Mathew 25: 31-46
Our King is calling from the hungry furrows Whilst we are cruising through the aisles of plenty, Our hoardings screen us from the man of sorrows, Our soundtracks drown his murmur: ‘I am thirsty’. He stands in line to sign in as a stranger And seek a welcome from the world he made, We see him only as a threat, a danger, He asks for clothes, we strip-search him instead. And if he should fall sick then we take care That he does not infect our private health, We lock him in the prisons of our fear Lest he unlock the prison of our wealth. But still on Sunday we shall stand and sing The praises of our hidden Lord and King.
Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957) Ibadan, Nigeria. Methodistenkerk. Malcolm Guite werd geboren in Ibadan.
Uit: Leise Musik hinter der Wand (Vertaald door Angelika Schneider)
„In seiner Jugend hatte der Großvater gesungen: ›Gott, schütze den Zaren‹, als Erwachsener musste er singen: ›Wir stammen alle aus dem Volke‹. Aber was war schon dabei? Der Großvater hatte ein gutes Gehör und eine schöne Stimme und wurde sogar zum Vorsänger bestimmt. Die Eltern der Großmutter waren Großgrundbesitzer gewesen. Nach der Revolution sagte die Großmutter immer, dass sie Landwirte waren. Das war gelogen, aber nicht ganz. Ein gut ausgebildeter Großgrundbesitzer kannte sich mit Landwirtschaft aus, und so waren sie, in gewissem Maße, tatsächlich Landwirte. Den Familiennamen Scheremetjew verkürzten sie um ein Drittel, so entstand der Name Schermet. Ein guter Name, der in den Arbeiter- und Bauernstaat passte. Ariadna wurde auf den Nachnamen Schermet eingetragen, da der biologische Vater nicht anwesend war. Es hatte ihn natürlich einmal gegeben, aber man hatte ihn, da er aus dem einfachen Volk war, aus der Familie gedrängt. Der Vater hieß Alik. Jedes Mal, wenn sie sich zu Tisch setzten, hatte Alik den Platz des Großvaters eingenommen. Die Großmutter hatte sich darüber aufgeregt und gesagt: »Setzen Sie sich auf Ihren Platz«, worauf Alik verwundert die Brauen hochgezogen und gefragt hatte: »Ist es denn nicht völlig egal, wo man sich hinhockt?« Die Großmutter hatte schwer aufgeseufzt. Ihr war klar geworden, dass es in Aliks Familie keinerlei Traditionen gab und dass Alik selbst ohne anständige Herkunft, sozusagen ohne Stammbaum, war. Anständig essen konnte er auch nicht. Er wusste mit dem Besteck nicht richtig umzugehen und verschlang das Essen derart schnell, als hätte er Angst, dass man es ihm wegnähme. Zudem trank er den Tee aus der Untertasse, ja er schlürfte ihn geradezu wie aus einer Pfütze.“
"Sole and heel." "Yes, go on." I set my foot back down and stared at the boot, which seemed about as blank as a closed brown box. "Proceed, boy." "There's not much to name, is there? A front and a top." "A front and a top. You make me want to weep." "The rounded part at the front." "You're so eloquent I may have to pause to regain my composure. You've named the lace. What's the flap under the lace?" "The tongue." "Well?" "I knew the name. I just didn't see the thing." He made a show of draping himself across the desk, writhing slightly as if in the midst of some dire distress. "You didn't see the thing because you don't know how to look. And you don't know how to look because you don't know the names." He tilted his chin in high rebuke, mostly theatrical, and withdrew his body from the surface of the desk, dropping his bottom into the swivel chair and looking at me again and then doing a decisive quarter turn and raising his right leg sufficiently so that the foot, the shoe, was posted upright at the edge of the desk. A plain black everyday clerical shoe. "Okay," he said. "We know about the sole and heel."
Like the memory of your eyes my Troy trusting in your wooden horse - fragile interferences, absolution -
After all you always wanted to leave: Long walks After all you always wanted to leave: years before - dogs knew their owners -
Even when we laid stomach to stomach - It was some time later when we turned on our backs - My heart in your hands - it was only some time late when I shivered from the cold.
You had my heart in your hands
Warning, before history, I returned to my flesh to shrink.
Have you ever seen him?
Have you ever met one who seems not to see you?
He dines you every night he wins you later before he leaves to dine the next.
He dines you every night and after the spring leaves are not so green leaves you.
He loves you with all his heart and leaves you with leaves on the red rose bed.
I want to sleep to sleep through just enough to pass the chapel.
In the mirror I call myself drifted distanced not reaching her - me.
Nowhere to go! - I said Now Where To Go? - he asked.
Sheema Kalbasi (Teheran, 20 november 1972) Teheran
Uit: Een tijd als nooit tevoren (Vertaald door Eugène Dabekaussen en Tilly Maters)
“Ze zaten net na zonsondergang op het balkon van hun appartement in Glen Grove Place tussen de rekken met kinderkleertjes die te drogen hingen. Een motor scheurde door de straat als een ruw afgerukt stuk papier. Beiden keken op van een gemoedelijke stilte, haar mond vertrokken, de boog van haar over haar gladde voorhoofd getekende wenkbrauwen omhooggeschoten. Het was tijd voor het nieuws. De radio stond op de vloer naast zijn biertje. Maar in plaats daarvan begon hij te praten. ‘We zouden moeten verhuizen. Wat vind jij? Naar een huis.’ ‘Hoe bedoel je?’ Hij glimlacht bijna minzaam. ‘Wat ik zeg. Huis.’ ‘We hebben geen geld.’ ‘Ik heb het niet over kopen. Ergens een huis huren.’ Ze draaide een halve cirkel met haar hoofd, in een poging zijn gedachten te volgen. ‘Een van de buitenwijken waar de blanken zijn wegverhuisd naar omheinde huizenblokken. Sommige kameraden hebben huurwoningen gevonden.’ ‘Wie?’ ‘Peter Mkize, dacht ik. Isa en Jake.’ ‘Ben je er geweest?’ ‘Natuurlijk niet. Maar toen we donderdag bij de Commissie waren vertelde Jake dat ze een huis huren in de buurt van een goede school waar hun jongens naartoe kunnen.’ ‘Sindiswa heeft geen school nodig.’ Ze lachte en als in spottende instemming verslikte het kind zich in het biscuitje dat het at. ‘Hij zegt dat de straten rustig zijn.’ Dus het is de motor die het idee heeft opengescheurd. ‘Oude bomen daar.’
The Sun revolving on his axis turns, And with creative fire intensely burns; Impell'd by forcive air, our Earth supreme, Rolls with the planets round the solar gleam. First Mercury completes his transient year, Glowing, refulgent, with reflected glare; Bright Venus occupies a wider way, The early harbinger of night and day; More distant still our globe terraqueous turns, Nor chills intense, nor fiercely heated burns; Around her rolls the lunar orb of light, Trailing her silver glories through the night: On the Earth's orbit see the various signs, Mark where the Sun our year completing shines; First the bright Ram his languid ray improves; Next glaring watry thro' the Bull he moves; The am'rous Twins admit his genial ray; Now burning thro' the Crab he takes his way; The Lion flaming bears the solar power; The Virgin faints beneath the sultry show'r, Now the just Balance weighs his equal force, The slimy Serpent swelters in his course; The sabled Archer clouds his languid face; The Goat, with tempests, urges on his race; Now in the Wat'rer his faint beams appear, And the cold Fishes end the circling year. Beyond our globe the sanguine Mars displays A strong reflection of primoeval rays; Next belted Jupiter far distant gleams, Scarcely enlighten'd with the solar beams, With four unfix'd receptacles of light, He tours majestic thro' the spacious height: But farther yet the tardy Saturn lags, And five attendant Luminaries drags, Investing with a double ring his pace, He circles thro' immensity of space. These are thy wondrous works, first source of Good! Now more admir'd in being understood.
Thomas Chatterton (20 november 1752 - 5 augustus 1770) Thomas Chatterton, poet, receiving a bowl of Poison from Despair door John Flaxman, ca. 1775-80
The vomit of the war – the feast of the October! From all this wine, that desperately stinks, Oh, how loathsome was later your hangover, My country, sunk in poverty and sins!
To please which dogs or swarms of awful demons, To what a dream of what an evil sleep, The people killed their freedom in their madness, And even didn’t killed – just flogged to death by a weep?
The dogs and imps laugh o’er a fishy bone And guns, too, laugh, through their mouths-spans … You’ll soon be penned by sticks into your pigsty, old, -- The people, not respecting own saints.
Freedom
I hate to submit to the people’s desire. Who likes a yoke of a slave? Trough whole our life we’re in permanent trial, After – we lay in a grave.
I can’t submit to the Heavenly Low If Lord are my love and my light. He gave me the ways on the earth, I’ve to go, How I can step aside?
I break all nets by which people are drawn – Dreams, deepest sadness and bliss. We are not slaves, we are children His own, Children are free as He is.
I pray my God, who produced all the living, Using the name of His Son: Father, let our unambiguous willing Ever be righteous and one!
Zinaida Hippius (20 november 1869 - 9 september 1945) Zinaida Hippius als pop door Alexandra Koukinova
Uit: Niels Holgersson's wonderbare reis (Vertaald door Margaretha Meijboom)
“Nauwelijks had hij het net in het oog gekregen, of hij trok het naar zich toe, sprong op, en zwaaide het over den kant van de kist. En hij was zelf verbaasd, dat het hem zoo meeliep. Hij begreep bijna niet, hoe hij dat klaar gespeeld had, maar hij had werkelijk den kabouter gevangen. De stumper lag onder in het lange net, met het hoofd naar beneden, en kon niet naar boven komen. In 't eerst wist de jonge heelemaal niet, wat hij met zijn vangst beginnen zou. Hij vond het alleen vermakelijk het net heen en weer te zwaaien, zoodat de kabouter geen gelegenheid zou hebben naar boven te kruipen. De kabouter begon te praten, en smeekte zoo innig om vrij te komen. Hij had hun zooveel jaren lang goed gedaan, en was een beter behandeling waard. Als de jongen hem nu losliet, zou hij hem een ouden rijksdaalder geven en een zilveren lepel en een gouden munt, zoo groot als de kast van zijn vaders horloge. De jongen vond niet, dat dit bod groot genoeg was, maar het was hem zoo gegaan - nu hij den kabouter in zijn macht had - was hij bang voor hem geworden. Hij merkte, dat hij met iets vreemds en griezeligs in aanraking gekomen was, en hij was maar blij, dat hij van dat duivelsche gedoe weer afkomen kon. Hij ging daarom dadelijk op den koop in, en hield het net stil, zoodat de kabouter er uit kruipen kon. Maar toen die er bijna uitgekropen was, viel het den jongen in, dat hij grooter schatten had moeten bedingen, en alle mogelijke heerlijkheden. Ten minste had hij dit moeten bedingen, dat de kabouter hem de preek in 't hoofd zou tooveren. ‘Wat was ik dom, dat ik hem vrij liet,’ dacht hij, en hij begon het net te schudden, opdat de kabouter weer naar beneden zou vallen.”
Selma Lagerlöf (20 november 1858 – 16 maart 1940) Op een postzegel van de Sovjet Unie, 1959
„Man weiß Spiegel herzustellen seit achttausend Jahren, jedoch »noch nie hat jemand wissend beschrieben«, was sie in ihrem Wesen sind. Zauberkraft, glaubte man, hätten sie, und sagten wahr, »Spieglein, Spieglein an der Wand, wer ist die Schönste im ganzen Land?« War jemand gestorben im Haus, verhängte man die Spiegel, denn sie vermochten die Seele des Toten zu halten, er wäre auf ewig im Hause verblieben und gespenstig umgegangen, hätte man nicht ein Tuch über jeden Spiegel gehängt. Geheimnisse wurden in Spiegelschrift geschrieben und waren nur im Spiegel lesbar. Alles fangen Spiegel ein, das reglos vor ihnen Verweilende wie das was vorüberhuscht. Sie sagen nicht wahr, aber sie geben wahrhaft wieder. In einem äußersten Akt spiegelnder Kraft wirft ein Brennspiegel Sonnenlicht so heftig zurück, daß man Feuer mit ihm entzünden kann, der Spiegel vermittelt die Entbrennkräfte der Sonne, Vesralinnen benutzten Spiegel um die Heiligen Feuer auf diese Weise mit der reinen Sonne zu entflammen, Archimedes soll mit Brennspiegeln feindliche Schiffe vernichtet haben. Gewöhnlich sind Spiegel kühl, so kühl, daß sie wie eine Eisfläche unseren Hauch annehmen, Sterbenden hielt man früher einen Spiegel vor den Mund um zu prüfen, ob sie noch atmen. »Noch nie hat jemand wissend beschrieben«, was sie in ihrem Wesen sind - der Zauber, wenn man irgendwo, sei's im Foyer eines Theaters, in einem Cafe oder sonstwo in einem Spiegel an der Wand sieht, was um einen herum geschieht; man könnte sich umwenden und alles ungespiegelt betrachten, aber dem unwirklichen Spiegelbild traut man mehr Wahrheit zu und erwartet den Wink des Geheimen. Was ein Bild zurückwirft, spiegelt. Ein Kind, das mich anschaut, spiegelt sich in meinen Augen. Warum soll es sich nicht in meinen Sätzen spiegeln? Berichten, erinnern ist: spiegeln, aus den »Zwischenräumen der Zeit« hervorziehen, wieder wahrnehmbarmachen.“
De Duitse schrijver en advocaat Ferdinand von Schirach werd geboren in 1964 in München. Von Schirach is een zoon van de Münchener zakenman Robert von Schirach (1938-1980) en kleinzoon van de Nazi Reich jeugdleider Baldur von Schirach en zijn vrouw Henriette von Schirach. Een van zijn overgrootvaders was de Hitler fotograaf Heinrich Hoffmann, een andere voorvader, Carl von Schirach, was directeur van het NationaleTheater in Weimar en het Staatstheater Wiesbaden. Schirach groeide op in München en Trossingen en beziocht het jezuïetencollege St. Blasien waarover hij in “Der Spiegel” schreef naar aanleiding van gevallen van misbruik. Na zijn studie in Bonn en zijn stage in Keulen en Berlijn vestigde hij zich in 1994 als advocaat, gespecialiseerd in het strafrecht. Von Schirach wordt beschouwd als een "celebrity advocaat" en vertegenwoordigde onder meer de BND spion Norbert Juretzko en ook GÜnter Schabowski. Hij deed in 2008 o.a. van zich spreken, toen hij in naam van de familie van de overleden acteur Klaus Kinski een rechtszaak begon omdat het Berlijnse Rijksarchief met toestemming van de Berlijnse commissaris voor gegevensbescherming Alexander Dix de medische dossiers van Kinski had gepubliceerd. Op 45-jarige leeftijd publiceerde hij zijn eerste korte verhalen. Schirach werd een van de meest succesvolle schrijvers van Duitsland, wiens boeken wereldwijd bestsellers zijn. Zijn boeken zijn gepubliceerd in 40 landen.
Uit: Verbrechen
“Friedhelm Fähner war sein Leben lang prak¬tischer Arzt in Rottweil gewesen, 2800 Krankenscheine pro Jahr, Praxis an der Hauptstraße, Vorsitzender des Kulturkreises Ägypten, Mitglied im Lionsclub, keine Straftaten, nicht einmal Ordnungswidrigkeiten. Neben seinem Haus besaß er zwei Mietshäuser, einen drei Jahre alten Mercedes E-Klasse mit Lederausstattung und Klimaautomatik, etwa 750000 Euro in Aktien und Obligationen und eine Kapitallebensversicherung. Fähner hatte keine Kinder. Seine einzige noch lebende Verwandte war seine sechs Jahre jüngere Schwester, die mit ihrem Mann und zwei Kindern in Stuttgart lebte. Über Fähners Leben hätte es eigentlich nichts zu erzählen gegeben. Bis auf die Sache mit Ingrid. Mit 24 Jahren hatte Fähner Ingrid auf dem sechzigsten Geburtstag seines Vaters kennengelernt. Auch sein Vater war Arzt in Rottweil gewesen. Rottweil ist eine durch und durch bürgerliche Stadt. Jedem Fremden wird ungefragt erklärt, die Stadt sei von den Staufern gegründet und die älteste in Baden-Württemberg. Tatsächlich trifft man hier auf mittelalterliche Erker und hübsche Stechschilder aus dem 16.Jahrhundert. Die Fähners waren schon immer hier. Sie gehörten zu den sogenannten ersten Familien der Stadt, waren anerkannte Ärzte, Richter und Apotheker. Friedhelm Fähner ähnelte dem jungen John F. Kennedy. Er hatte ein freundliches Gesicht, man hielt ihn für einen sorglosen Menschen, die Dinge glückten ihm. Nur wenn man genauer hinsah, fiel etwas Trauriges, etwas Altes und Dunkles in seinen Zügen auf, wie man es nicht selten in dieser Gegend zwischen Schwarzwald und Schwäbischer Alb sieht. Ingrids Eltern, Apotheker in Rottweil, brachten ihre Tochter zu der Feier mit. Sie war drei Jahre älter als Fähner, eine handfeste Provinzschönheit mit schweren Brüsten. Wasserblaue Augen, schwarze Haare, blasse Haut – sie war sich ihrer Wirkung bewusst. Die seltsam hohe, metallische Stimme, die keinerlei Modulation zuließ, irritierte Fähner. Nur wenn sie leise sprach, hatten ihre Sätze eine Melodie.“