Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
25-02-2018
Gerald Murnane
De Australische schrijver Gerald Murnane werd geboren op 25 februari 1939 in Coburg, Victoria, een voorstad van Melbourne, en heeft de staat Victoria bijna nooit verlaten. Delen van zijn jeugd werden doorgebracht in Bendigo en de Western District. In 1956 studeerde hij af aan het De La Salle College in Malvern. Murnane studeerde daarna kort voor het rooms-katholieke priesterschap. Hij verliet dit pad echter en werd leraar op basisscholen (van 1960 tot 1968) en in de Apprentice Jockeys 'School van de Victoria Racing Club. Hij behaalde in 1969 een Bachelor of Arts aan de University of Melbourne en werkte vervolgens tot 1973 in de Victorian Education Department. Vanaf 1980 begon hij creatief schrijven te doceren aan verschillende instellingen voor hoger onderwijs. De eerste twee boeken van Murnane, “Tamarisk Row” (1974) en “A Lifetime on Clouds” (1976), lijken semi-autobiografische verslagen te zijn van zijn kindertijd en adolescentie. Beide zijn grotendeels samengesteld uit zeer lange maar grammaticale zinnen. In 1982 bereikte hij zijn volwassen stijl met “The Plains”, een korte roman over een naamloze filmmaker die naar 'Inner Australia' reist, waar hij de vlaktes probeert te filmen onder het beschermheerschap van rijke landeigenaren. “The Plains” werd gevolgd door: “Landscape With Landscape” (1985), “Inland” (1988), “Velvet Waters” (1990) en “Emerald Blue” (1995). Een essaybundel, “Invisible Yet Enduring Lilacs”, verscheen in 2005. Deze boeken houden zich allemaal bezig met de relatie tussen geheugen, beeld en landschap, en vaak met de relatie tussen fictie en non-fictie. In 2009 verscheen, na meer dan een decennium, pas weer opnieuw fictioneel werk van Murnane: “Barley Patch”, gevolgd door “A History of Books” in 2012 en “A Million Windows” in 2014.
Uit: Invisible Yet Enduring Lilacs
“On the road to Bendigo: Kerouac’s Australian life Like other children of my time and place, I watched films from Hollywood in the first years after World War II, although I believe I watched fewer than most children. I watched perhaps twenty double-feature programs from 1946 to 1948. The films were mostly cowboy films, in black and white, and I watched them on Saturday afternoons in the Lyric Theatre, Bendigo, of which I remember only that the floor was quite level, so that the screen always seemed high above me and remote. The films I watched made me discontented. Scene after scene disappeared from the screen before I had properly appreciated it; the characters moved and spoke much too fast. I hardly ever got the hang of a film, as my brother would say afterwards when I asked him to explain what I had missed. What I looked for in films was what I called pure scenery. I thought of pure scenery as the places safely behind the action: the places where nothing seemed to happen. Occasionally I glimpsed the kind of scenery I wanted. Behind the men on horses or the encampment of wagons was a broad tract of tall grass leading back to a line of hills. When I saw any such banal arrangement of grassy middle distance and hilly background, I tried to do to it something for which the simplest word I could have found was swallow. I wanted to feel that waving grass and that line of hills somewhere inside me. I wanted grass and hills fixed inside the space that began, as I thought, behind my eyes. I was not so literal-minded that I was troubled by cartoon images of a greedy boy with his cheeks swollen by a segment of landscape-pie. Yet the word swallow was not inapt. Getting the scenery from outside to inside seemed to engage me in some kind of bodily effort. And if I did not actually think of mouth or stomach, I could still see myself crouching over scenery made somehow conve-niently tiny; the scenery brought so close to my face that the familiar became blurred, and strange details filled my eyes; some crucial moment arriving for which I had no words; and finally the scenery safely mine, a piece of plain with a rim of hills floating inside my private space, and rather higher than lower, as though my space was a sort of appropriate that an early Australian poet should have put on racing silks and ridden at Flemington and Coleraine. The racecourse must have seemed sometimes to Gordon his landscape of last resort. A man who had been born in Ballarat in the 1890s once told me that he had heard from a former jockey who rode with Gordon. At the barrier before a steeplechase one day at Dowling Forest, Gordon announced that this would be his last race. When he urged his horse like a madman at the first jump, the other riders knew what he had meant. That was the last they saw of him — in racing parlance. He won that day by a great space.”
“Opnieuw knikte de man, met gebogen hoofd nu. Maar hij was zo lang dat Joop nog steeds onbelemmerd zijn gezicht kon zien. `Waar wacht je op! Weg! Wil je dat ik de politie bel!' `Het mag niet zo blijven,' zei de man terwijl hij naar zijn handen keek. 'Als mensen sterven hebben ze recht op een ritueel. Mirjam moet een graf krijgen. Ik bemoei me nergens mee, maar u reageert niet. U neemt de telefoon niet op. U haalt de post niet uit uw brievenbus. Ik moest iets doen. Ik zei maar dat ik namens u handelde. Doet u het dan alstublieft zelf. Doe 't voor haar. Ze heeft er recht op. Mister Koepm'n, ze heeft nog steeds rechten!' Het gezicht van de grote man trok opeens in een kramp en zijn ogen stroomden vol. Terwijl hij in zijn handen kneep, perste hij zijn lippen op elkaar en probeerde zijn tranen in te slikken. Maar de tranen bleven stromen en met diepe uithalen stond de man voor zijn deur te huilen. Zijn schouders schokten en hij opende zijn mond en haalde diep adem om de pijnscheuten van verdriet te kunnen weerstaan. De aanblik van de man was niet te verdragen. Joop deed een stap opzij en zocht steun bij de muur naast de kapstok, met zijn schouder tegen het rugzakje, en onttrok zich aan het uitzicht door het raam. Gedempt hoorde hij het gesnik van de man. De man had de motor bestuurd. Zijn dochter was gestorven, maar de man was ongedeerd, stond hier nu te janken alsof het zijn eigen kind was geweest. Hij had geen recht op medelijden. Niet van Joop. Niet hier. Joop wachtte tot er geen gesnik meer door de deur klonk. Na een paar minuten leek de man zijn huilende lijf onder controle te krijgen. Het gesnik stopte en Joop hoorde dat de man zijn neus snoot. `Mister Koepm'n, sir?' hoorde Joop vervolgens. 'Mister Koepm'n? Luistert u even naar me? Ik weet dat u me hoort. Mister Koepm'n, ik heb gisteren m'n zaak verkocht! U bent er geweest, pas geleden nog! Ik moet daar les blijven geven, maar ik heb het verkocht en ik heb er geld aan overgehouden! Real money! Mister Koepm'n, ik wil een gedenkteken voor haar oprichten! Een tempel, sir! Een beeld in een Griekse tempel met zuilen! Zoiets als de tempel van Artemis in Ephesus! Iets wat er eeuwig zal staan! Ik betaal alles, sir!”
Leon de Winter (’s-Hertogenbosch, 24 februari 1954) Cover
“1985, April, Mai »Ich bleib morgen zu Hause.« Harald Protter reagierte nicht. Ihn jammerte, wie die Französin dem netten Österreicher die Tour ver-masselte, und der Quizmaster gab sich doch die größte gerade noch erlaubte Mühe, ihr eine Brücke zu bauen. •Kein Maler, neiiin, ein Bildhauer, vielleicht hat er mal Skizzen gezeichnet, aber die Bronzen... Seine Lippen bildeten ein R000, da hallte der Gong. Der Österrei-cher, der wohl gewußt hatte, daß nach Rodin gefragt worden war, lächelte seine Partnerin tröstend an. Prompt kam Paul Kuhn ins Bild, der hieb in die Tasten und gab mit einem Kinnrucken seinen Mannen das Einsatzzeichen. Protter fragte erst jetzt: •Und warum?« »Weil ich wütend bin.« Astrid Protter wollte anfü-gen: Weil ich übermorgen den schwersten Tag haben werde, seit ich in diesem Büro sitze, weil ich meinen Zorn brauche und alle Kraft. Da kann ich nicht vorher an einer Maitribüne vorbeihüpfen, als wäre alles in But-ter. »Und was sagst du im Betrieb?« Protter hätte gern gewußt, ob alle Leute in diesem Riesensaal völlig bei der Sache waren oder im Hinterkopf an den nächsten Tag dachten, beispielsweise an eine Gewerkschaftsfeier. Demonstrieren im Sinne von Vorbeimarschieren wie hier gab es ja drüben nicht. »Ich kann doch mal krank sein, oder?« »He, Schwänzen!« Das war Silke. »Mutti, das merk ich mir aber!« •Schule ist was anderes.« »Bei mir ist es immer was anderes.« Astrid Protter versuchte sich vorzustellen, sie würde zu ihrem Chef sagen: Ich habe nicht gegen die Kriegs-brandstifter und ftir den Völkerfrieden und unseren ruhmreichen Sozialismus demonstriert, weil dein Be-richt absoluter Unfug ist. Und du weißt es. Silke knüllte Papier und zerriß Pappe. Protter mein-te, jetzt sollte ihre Mutter sie eigentlich darauf hinwei-sen, daß derlei doch nicht um diese Zeit im Wohnzim-mer gemacht werden müßte. Vor zwei Jahren hätte er sie ins Bett geschickt. Er fand selten den richtigen Ton, Silke auf etwas hinzuweisen, noch nicht einmal, sie um etwas zu bitten: Sofort zog sie einen Flunsch. Kürzlich haue er in einem Radiovortrag gehört, Pubertät setze ein, wenn die Eltern blöd würden.“
Erich Loest (24 februari 1926 - 12 september 2013) Cover
“Je m’appelle Julien Makambo. Pendant les semaines qui ont suivi mon arrestation, et même bien avant, lorsque j’étais encore en cavale, ma tronche et mon autre nom, José Montfort, ont occupé la une de la plupart des journaux de France et de Navarre. Dans notre langue du Congo-Brazzaville, le lingala, Makambo signifie « les ennuis ». J’ignore ce qui avait piqué mes parents pour m’attribuer un tel nom qui n’est d’ailleurs pas celui de mon défunt père, encore moins celui d’un proche de la famille. Je suis maintenant convaincu que le nom qu’on porte a une incidence sur notre destin. Si ce vendredi 13 je ne m’étais pas rendu au restaurant L’Ambassade avec Pedro pour rencontrer celui qu’il qualifiait alors de « type très important » venu de Brazzaville, je ne serais peut-être pas en détention provisoire depuis un an et demi dans cette cellule de Fresnes. Mais voilà, lorsqu’on s’appelle Makambo les choses ne sont pas aussi simples. * Quand on vient me tirer de la cellule pour les interrogatoires devant le juge d’instruction ou pour les entretiens avec mon avocat commis d’office, j’ai presque envie de demander aux gardiens pourquoi ils sont aussi nombreux à m’entourer, comme si j’étais ce célèbre Guy Georges, le meurtrier qui sévissait dans l’Est de Paris, qui violait, puis tuait certaines femmes dans les parkings. Je ne suis pas non plus un de ces tueurs en série qu’on voit dans les films américains et qui sont emprisonnés à Alcatraz. Ceux-là sont surveillés sept jours sur sept, vingt-quatre heures sur vingt-quatre, et on ne les libère jamais, pas question de les voir recommencer leur entreprise maléfique de destruction du genre humain — ce que d’ailleurs ce Guy Georges faisait chaque fois qu’il sortait de prison. Je cite ce nom parce qu’un détenu d’une des cellules du fond du couloir m’a laissé entendre un jour que je ressemblais à ce criminel et qu’avec ma tête «bizarre» — je reprends son mot — même un aveugle dirait sans risque de se tromper que je suis un tueur-né, un tueur de la trempe de ceux qu’on voit dans les films.”
Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)
“The tall double stocks were breathing heavily in the dark garden; the delicate sweetness of the syringa moved as if on tip-toe towards the windows; but it was the aching smell of lilies that kept Mildred awake. As she tossed to and fro the recollections of the day turned and turned in her brain, ticking loudly, and she could see each event as distinctly as the figures on the dial of a great clock. 'What a strange woman that Mrs. Fargus--her spectacles, her short hair, and that dreadful cap which she wore at the tennis party! It was impossible not to feel sorry for her, she did look so ridiculous. I wonder her husband allows her to make such a guy of herself. What a curious little man, his great cough and that foolish shouting manner; a good-natured, empty-headed little fellow. They are a funny couple! Harold knew her husband at Oxford; they were at the same college. She took honours at Oxford; that's why she seemed out of place in a little town like Sutton. She is quite different from her husband; he couldn't pass his examinations; he had been obliged to leave. ... What made them marry? 'I don't know anything about Comte--I wish I did; it is so dreadful to be ignorant. I never felt my ignorance before, but that little woman does make me feel it, not that she intrudes her learning on any one; I wish she did, for I want to learn. I wish I could remember what she told me: that all knowledge passes through three states: the theological, the--the--metaphysical, and the scientific. We are religious when we are children, metaphysical when we are one-and-twenty, and as we get old we grow scientific. And I must not forget this, that what is true for the individual is true for the race. In the earliest ages man was religious (I wonder what our vicar would say if he heard this). In the Middle Ages man was metaphysical, and in these latter days he is growing scientific.”
George Moore (24 februari 1852 – 20 januari 1933) Moore Hall in de baronie van Carra in 1890. Het huis van de familie Moore brande af tijdens de Ierse Burgeroorlog (1922/23)
“Een kort, onderdrukt gelach, terwijl haar ogen hem uitdagend tegen-blikten. Dan: `Dat kunt ge immers niet!' `Och, arm dingske, met één hand draag ik u weg!' Een schoof stro, die zij juist in de handen hield, gooide ze hem naar het hoofd met de kracht van sterke armen, gewoon aan ruw werk. Dat prikkelde hem en hij greep haar vast in een worsteling. In zijn omarming wrongen hun lichamen zich tegen elkaar. De weerstand van haar sterk gebouwd vrouwenlijf bedwelmde hem geheel in een roes van zinnelijkheid. Haar haren raakten los en bosten wild om haar hoofd terwijl haar rokken opfladderden om de benen. Toen rukte zij zich los en liep weg. Maar datzelfde spelletje herhaalde zich dikwijls. En er gebeurden dan wel eens dingen, waarin zij door gebrek aan ontwikkeling niets zagen, maar die hun begeerte met ál-groter kracht deden opvlammen. Geen van beiden dacht er aan, dat het iets onbehoorlijks was. Zo verminderde al langer hoe meer het hoewel onbewuste, natuurlijke zich inhouden tussen hen, dat de dadelijke toenadering tussen de man en de vrouw verhindert, maar dat door de langzame ontwikkeling hen wellicht juist met zoveel te meer kracht tot elkander dwingt. In de zomer, in het hooiland, hadden enige lui iets gezien. En onmiddellijk vloog rumoerend het praatje het dorp rond, dat de knecht en de meid van de Veulenhof met elkaar vrijden. Het drong ineens door in alle huizen als een stofwolk, waarvoor geen deuren of ramen dicht genoeg kunnen zijn. Er werd druk over gepraat. Ook werden er toespelingen gemompeld, die iets moesten verbergen voor jonge oren, maar toch ruw genoeg waren om door iedereen verstaan te worden. Eén ding was zeker, het was nog schande, zo onder één dak. Schande ook voor de boer en de boerin. Dat die zulke dingen maar allemaal toelieten.”
Herman Maas (24 februari 1877 - 27 januari 1958) Venray. De Groote straat op een oude ansichtkaart
Zingt niet de grootheid van voorbije eeuwen als een verloren vogel diep in mij? Snikt niet in mij het stervend hart der Leeuwen wijl ik, onmachtig, om mezelven schrei?
O belforten, o burchten, kathedralen, torens en beelden, uit steen en graniet, blijft gij niet eenzaam en versomberd pralen in dezen nacht vol sterren en verdriet?
Laat nog éénmaal de bronzen klokken bonzen, hun slagen mij doorzindren, en hun lied, hun volle tonen om mijn oren gonzen tot weer het vuur der vaadren mij doorschiet
en ik weer word een nieuwe mens, herboren, herrezen uit het donker van den tijd, die slechts zijn Volk en God kan toebehoren en niet verkwijnt in knagend zelfverwijt.
Ik wil Uw klacht, klein hart, niet langer horen, Uw onmacht en Uw vrees niet meer verstaan, doch onbeschroomd en driest den ongeboren maar open morgen juichend binnengaan.
Luc Verbeke (24 februari 1924 – 30 september 2013) Het Kasteel van Wakken
„Ein Mann hatte sieben Söhne und immer noch kein Töchterchen, so sehr er sichs auch wünschte; endlich gab ihm seine Frau wieder gute Hoffnung zu einem Kinde, und wies zur Welt kam, war es auch ein Mädchen. Die Freude war groß, aber das Kind war schmächtig und klein, und sollte wegen seiner Schwachheit die Nottaufe haben. Der Vater schickte einen der Knaben eilends zur Quelle, Taufwasser zu holen: die andern sechs liefen mit, und weil jeder der erste beim Schöpfen sein wollte, so fiel ihnen der Krug in den Brunnen. Da standen sie und wußten nicht, was sie tun sollten, und keiner getraute sich heim. Als sie immer nicht zurückkamen, ward der Vater ungeduldig und sprach: "Gewiß haben sie's wieder über ein Spiel vergessen, die gottlosen Jungen." Es ward ihm angst, das Mädchen müßte ungetauft verscheiden, und im Ärger rief er: "Ich wollte, daß die Jungen alle zu Raben würden." Kaum war das Wort ausgeredet, so hörte er ein Geschwirr über seinem Haupt in der Luft, blickte in die Höhe und sah sieben kohlschwarze Raben auf- und davonfliegen. Die Eltern konnten die Verwünschung nicht mehr zurücknehmen, und so traurig sie über den Verlust ihrer sieben Söhne waren, trösteten sie sich doch einigermaßen durch ihr liebes Töchterchen, das bald zu Kräften kam, und mit jedem Tage schöner ward. Es wußte lange Zeit nicht einmal, daß es Geschwister gehabt hatte, denn die Eltern hüteten sich, ihrer zu erwähnen, bis es eines Tags von ungefähr die Leute von sich sprechen hörte, das Mädchen wäre wohl schön, aber doch eigentlich schuld an dem Unglück seiner sieben Brüder“.
Wilhelm Grimm (24 februari 1786 – 16 december 1859) Illustratie door Oskar Herfurth, ca. 1930
“Die Tischglocke des »Grand Hôtel du Lac« in Vevey war verklungen; die Gäste kamen aus ihren Zimmern, sich in den zur ebenen Erde gelegenen Speisesaal zu begeben; einige hatten bereits ihre Plätze an der Tafel eingenommen. Wir bringen es heute nicht mehr auf Dreißig, sagte Herr Sybold über den Rücken seiner Frau zu Herrn Banse. Was gilt die Wette? Was ist da groß zu wetten, erwiderte Herr Banse, den Zipfel der Serviette vorsichtig zwischen die beiden obersten Knöpfe seiner weißen Weste schiebend; Sie haben sich bei Delajoux erkundigt. Parole d'honneur! rief Herr Sybold, fragen Sie meine Frau! Ich kalkuliere nur nach der Unmenge von Koffern, die zum Zwei-Uhr-Zuge im Vestibül aufgestapelt waren, als wir um ein Uhr mit dem Dampfer nach Montreux fuhren. Sind erst vor zehn Minuten zurück – fragen Sie meine Frau! So habe ich mich erkundigt, erwiderte Herr Banse, und kann also nicht wetten: einunddreißig auf den Kopf. Sie sehen, Sie hätten verloren. Und gestern waren wir noch achtundvierzig, klagte Herr Sybold; als wir am Dienstag vorige Woche kamen: sechsundachtzig! Fünfundfünfzig in sieben Tagen – das ist arg – und wir gedachten bis Mitte November zu bleiben! Wer hindert Sie daran? Delajoux gewiß nicht. Der freilich nicht; er wird froh fein, wenn überhaupt noch ein Mensch aushält; aber das wird doch am Ende verteufelt langweilig. Nicht sehr schmeichelhaft für uns, die wir hier überwintern, wie Sie wissen. Die Anwesenden sind immer ausgenommen – pardon, liebes Suschen! Frau Sybold hatte eine ungeduldige Bewegung gemacht; Herr Sybold zog den Arm von der Lehne ihres Stuhles zurück, beugte sich über seine Suppe und murmelte, während er eifrig zu löffeln begann: Ich weiß gar nicht, was Du gegen die Leute hast.“
Friedrich Spielhagen (24 februari 1829 – 25 februari 1911) In zijn werkkamer, 1898
“Hoeveel kwamen in Engeland aan? Het heet: enige honderden. Men kan met zekerheid zeggen: verreweg de meeste ontsnapten, maar niet alle. De bekende Amsterdamse kunsthandelaar J. Goudstikker, die zelf zoveel voor de gevluchte Duitse Joden had gedaan, viel in het nachtelijk duister in het ruim van een boot, waar men zijn lijk pas na uren terugvond; op een snikhete dag in juli, enige maanden later, verscheen in zijn zaak op de Herengracht 'een zeer omvangrijk man, in een witte uniform en met een stafje in de hand' (naar het verhaal van een ooggetuige); het was de Reichsmarschal Goering, en: 'Enige dagen later reden grote vrachtauto's bij Goudstikker voor, terwijl langs de gracht een paar zolderschuiten meerden. Werklieden droegen de kostbare schilderijen en de antieke meubelen in de auto's en op de schuiten. Goudstikker werd leeggehaald. Alles ging naar Duitsland'. Hierbij nu alvast de aantekening dat Goering's 'hofjuwelier', Staatsrat dr. Kurt Hermann al op 7 juni 1940 bij de firma Asscher voor 368 000 gulden aan briljanten kocht, de eerste van een reeks welgeslaagde aankopen. Een enkele Joodse familie dobberde in een bootje een week lang op de Noordzee rond. Gelukkig was het weer goed en in elk geval kwam ook zij aan de overkant. In tegenstelling tot de vele duizenden, die terugkeerden. Naar het inmiddels overweldigde strijdensmoede Nederland, naar Amsterdam, waar rookwolken zwaar boven de westkant van de stad hingen, naar Amsterdam, dat die éne avond in jaren, in dat donkerste uur zijner geschiedenis, niet verduisterde, dus helder verlicht was, alsof het illumineerde, naar Amsterdam, waar ze beschaamd hun achtergelaten betrekkingen ontmoetten, hun meewarige buren, waar velen, vooral in 'Oost' maar zeker ook elders, brandstapels aanrichtten van anti-Nazi kranten en diergelijke lectuur, tot Engelse woordenboeken toe. In Amsterdam tenslotte, waar velen, maar al te velen nu de andere vluchtweg opgingen, die in de dood. Maar ook van deze poging kwam de meerderheid terug zonder het doel bereikt te hebben.”
Jacques Presser (24 februari 1899 - 30 april 1970) Cover
Tags:Leon de Winter, Alain Mabanckou, George Moore, Erich Loest, Herman Maas, Luc Verbeke, Wilhelm Grimm, Friedrich Spielhagen, Jacques Presser, Romenu
August Derleth, Keto von Waberer, Yüksel Pazarkaya, Erich Pawlu, Irène Némirovsky, Vincent Voiture, Rosalía de Castro, Paul Alfred Kleinert, Stanisław Witkiewicz
“At dusk, the wild, lonely country guarding the approaches to the village of Dunwich in north central Massachusetts seems more desolate and forbidding than it ever does by day. Twilight lends the barren fields and domed hills a strangeness that sets them apart from the country around that area; it brings to every-thing a kind of sentient, watchful animosity—to the ancient trees, to the brier-bordered stone walls pressing close upon the dusty road, to the low marshes with their myriads of fireflies and their incessantly calling whippoorwills vying with the muttering of frogs and the shrill songs of toads, to the sinuous windings of the upper reaches of the Miskatonic flowing among the dark hills seaward, all of which seem to close in upon the traveller as if intent upon holding him fast, be-yond all escape. On his way to Dunwich, Abner Whateley felt all this again, as once in childhood he had felt it and run screaming in terror to beg his mother to take him away from Dunwich and Grandfather Luther Whateley. So many years ago! He had lost count of them. It was cu-rious that the country should affect him so, pushing through all the years he had lived since then—the years at the Sorbonne, in Cairo, in London—pushing through all the learning he had assimilated since those early visits to grim old Grandfather Whateley in his ancient house attached to the mill along the Miskatonic, the country of his childhood, coming back now out of the mists of time as were it but yesterday that he had visited his kinfolk. They were all gone now—Mother, Grandfather Whateley, Aunt Sarey, whom he had never seen but only knew to be living some-where in that old house—the loathsome cousin Wilbur and his terri-ble twin brother few had ever known before his frightful death on top of Sentinel Hill.”
“Papa ist tot. Sein Schlüsselbund mit dem Löwenkopf wiegt schwer in meiner Tasche. Ich bin noch nie lange draußen gewesen. Ich bin noch nie alleine draußen gewesen, und ich sem mich sofort auf einen Stein neben dem Tor und sehe zu, wie die Sonne untergeht. Ich weiß, dass dies die Sonne ist, die hinter den Bergen wegtaucht wie eine glühende Scheibe. Papa hat sie mir gezeigt durchs Fenster. Das ist lange her, viele, viele Zeiten, Zeiten von flitze und Kälte. Jahreszeiten, sagt Papa. Jetzt ist Sommer. Meine Lieblingszeit Draußen riecht es gut, und doch, ich möchte zurück in mein Bett kriechen. Aber vor meinem Bett liegt Papa. Er lebt nicht mehr, und all sein roter Saft ist ausgelaufen. Ich habe ihn abgeworfen, nur das, nichts weiter, ich habe ihn abgeschüttelt, weggcschlcu-den, weiter nichts. Ich wollte ihm nicht wehtun. »Du musst lernen, dich zu bezähmen«, sagt Papa »Du hast solche Kraft«, sagt Papa. »Das ist gut, aber gefährlich.« Er hat mich angesprungen, von hinten, und nach mei-nem Mund gesucht mit seiner Hand, in der er die Tablette hielt. Ich wollte sie nicht nehmen. Ich hasse es, so lange zu schlafen. Immer macht er, dass ich schlafe. Man kann weit sehen von hier aus. Das rote Tal, sandiger Boden mit Steinen, die Schatten werfen. Weit weg, so weit weg die Berge. Es sind keine Berge, sondern Hügel, sagt Papa. Ich habe noch nie einen Berg gesehen. Die Sonne ist weg, und alles färbt sich dunkelblau, dann grau, dann schwarz. Die Steine sehen aus wie kleine Menschen, die sich zum Schlafen zusammengekauert haben. Nichts be-wegt sich. Nur Wind geht und kommt, unsichtbar, hebt Stöckchen auf und trockene Halme und trägt sie ein Stück, ehe er sie fallen lässt. Ich höre das große Windrad über mir klappern. Ich möchte essen. Drinnen mache ich die Kiste auf, in der es Winter ist, immer Winter, sagt Papa. Ich nehme Fleisch heraus. Ein großes Stück mit einem Kno-chen. Der glänzt wie Metall im trüben lieht. »Ich esse das alles auf«, sage ich. Natürlich antwortet er nicht. Und ich lache. Die toten Tiere kann man essen, aber nicht die Menschen, sagt mein Papa. Menschen muss man ganz lassen, wenn sie tot sind, und dann eingraben, ehe sie schlecht riechen. In der Winterkiste ist kein Platz für Papa. Ich werde ein Loch graben. Morgen. Und einen Stein draufrollen. Ich bin stark. Viel stärker als Papa. Ich kann ihn aufheben und tra-gen. Er will das nicht. Papas Bett ist zu klein für mich, aber es riecht gut, nach ihm. Er hat ein Kissen. Ich werfe es auf den Boden. Mor-gen grabe ich Papa ein. Morgen gehe ich weg. Morgen geht die Sonne auf, und es wird heiß. Ich werde Papas Tasche mitnehmen. Sie packen, so wie er es immer getan hat. »Geh nicht weg, Papa! Gch nicht weg!« — »Ich bin bald zurück. Dein Essen ist da. Komm her, lass mich die Kette festma-chen. Nimm schön deine Tabletten, schau, ich nehme auch Tabletten.“
1 Wo blieb mein Holzkoffer Wie ich in weiter Ferne
Dieser Fernseher paßt jedoch nicht in ihn Der Waschautomat und der Geschirrspüler Die Sitzgruppe und das Schlafzimmer im Möbelhaus gekauft Und die Kücheneinrichtung Sie passen nicht in meinen Holzkoffer Nicht einmal die Kaffeemaschine - Da ich hier süchtig wurde nach gefilterten Bohnenkaffee - Der Staubsauger und die Musikbox Wie kann doch alles und noch viel mehr Hineinpassen in den Holzkoffer
Eine Handvoll Weizengrütze Ein Pfund weiße Bohnen und Eine kleine Flasche Raki und Die selbstgemachte Hirtenflöte Hatte ich eingepackt für die Reise in die Hoffnung die bange Und einige Lieder die nach Erde rochen Nach Trennung und Sehnsucht Einige Lieder verstaut im Holzkoffer
“Auch nach München? Das ist er.« Er, das war ein blitzblanker ICE, der wartend auf dem Gleis stand. Und die da sprach, war eine langmähnige Reisende mit offensichtlichen Führungsqualitäten. Ich folgte ihr und ihrem festen Schritt. Am Kopfschild stand in großen Lettem »München Hbf«. Und es war wenig Zeit. Der Zug sollte in einer Minute abfahren. »Wir müssen uns beeilen«, sagte ich. Ich staunte, wie schnell die Sprache auf ein »Wir« umschalten kann. Wir stiegen ein. Kaum saßen wir uns gegenüber, setzte sich der Zug auch schon in Bewegung. »Ich liebe Pünktlichkeit«, sagte sie. Merkwürdigerweise beschäftigte mich die Überlegung, was die fremde Schöne wohl sonst noch liebte. »Es ist wunderbar, bequem zu reisen«, sagte sie. Und während der ICE seine Geschwindigkeit steigerte, begann sie von ihren Bahnfahrten quer durch Europa zu erzählen, von Kindheitserlebnissen und von der schönen Landschaft ihrer Heimat. »Ach«, rief sie, »ich möchte wieder einmal so unbekümmert zum Fluss hinunterlaufen können wie damals!« Mir fiel ein, dass ich eine Stelle an der Isar kannte, auf die man, wenn man Lust hatte, über einen Ufersteilhang zulaufen konnte. »So ein Wunsch«, sagte ich, »lässt sich erfüllen.« Aber plötzlich beobachtete die Fremde durch das Fenster die vorüberfliegende Gegend, wurde ganz still und sagte nach einer Weile: »Der Zug fährt nicht nach München.« So war es. Ein Bahnbediensteter hatte vergessen, das Hinweisschild am Gleisende im Frankfurter Hauptbahnhof zu wechseln. Der ICE raste bei anbrechender Nacht nach Berlin. Unruhe machte sich bemerkbar. Eine Schar von Reisenden geriet in Wut. Sie hatten ebenfalls bemerkt, dass sie in den falschen Zug eingestiegen waren.“
« Les Michaud s'étaient levés à 5 heures du matin pour avoir le temps de faire l'appartement à fond avant de le quitter.Il était évidemment étrange de prendre tant de soin de choses sans valeur et condamnées,selon toutes probabilités,à disparaître dès que les premières bombes tomberaient.Mais,pensait Mme Michaud,on habille et on pare bien les morts qui sont destinés à pourrir dans la terre.C'est un dernier hommage,une preuve suprême d'amour à ce qui fut. (…)
Qu'ils aillent où ils veulent; moi, je ferai ce que je voudrai. Je veux être libre. Je demande moins la liberté extérieure, celle de voyager, de quitter cette maison (quoique ce serait un bonheur inimaginable !), que d'être libre intérieurement, choisir ma direction à moi, m'y tenir, ne pas suivre l'essaim. Je hais cet esprit communautaire dont on nous rabat les oreilles. Les Allemands, les Français, les gaullistes s'entendent tous sur un point: il faut vivre, penser, aimer avec les autres, en fonction d'un État, d'un pays, d'un parti. Oh, mon Dieu ! je ne veux pas ! Je suis une pauvre femme inutile; je ne ne sais rien mais je veux être libre ! Des esclaves nous devenons, pensa-t-elle encore; la guerre nous envoie ici ou là, nous prive de bien-être, nous enlève le pain de la bouche; qu'on me laisse au moins le droit de juger mon destin, de me moquer de lui, de le braver, de lui échapper si je peux. Un esclave ? Cela vaut mieux qu'un chien qui se croit libre quand il trotte derrière son maître. Ils ne sont même pas conscients de leur esclavage, (...) et moi je leur ressemblerais si la pitié, la solidarité, "l'esprit de la ruche" me forçaient à repousser le bonheur."
Irène Némirovsky (24 februari 1903 – 17 augustus 1942) Cover
Le Soleil ne voit icy bas Rien qui ne cede aux doux appas Dont Caliste nous ensorcelle, Son air n'est pas d'une mortelle, Sa bouche, ses mains, ny ses bras.
Ses beaux yeux causent cent trespas, Ils esclairent tous ces climats, Et portent en chaque prunelle Le Soleil.
Tout son corps est fait par compas, La grace accompagne ses pas ; En fin Venus n'est pas si belle, Et n'a pas si bien faites qu'elle Les beautez qui ne voyent pas Le Soleil.
Vincent Voiture (24 februari 1598 – 26 mei 1648) Vincent Voiture als Lodewijk de Heilige door Philippe de Champaigne, ca. 1640–48,
Cold months of winter That I love with all my love; Months of rivers that run full And the sweet love of home. Months of wild storms, Image of the pain That besets the young And severs lives in bloom. Come, after the autumn That makes the leaves fall, And let me sleep among them The slumber of dissolution. And when the lovely sun Of April returns smiling Let it shine upon my repose, No longer upon my suffering.
Vertaald door Eduardo Freire Canosa.
Now that the sunset of hope
Now that the sunset of hope for my life has sand and colourless come, toward my dim dwelling, dismantled and chill, let us turn step by step: for the white light of the day with its gladness does not embitter me more:
Contented the ill-fated bird seeks its black nest; well the wild beast to its hidden cave retreats; the dead to the grave; the wretched to oblivion, and to its wilderness my soul.
Vertaald door Kate Flores.
Rosalía de Castro (24 februari 1837 – 15 juli 1885) Rosalia de Castros museum in Padron
Uit: Afscheid van de herfst (Vertaald door Karol Lesman)
“Een knal en een vreselijke pijnscheut in de maagstreek, een pijn waar hij psychisch sinds lang tegen verdoofd was (sinds een paar minuten), de eerste grote fysieke pijn in zijn leven, de eerste en de laatste. Het is vast de lever, dacht hij. En tegelijk was er het zalige gevoel dat hij geen hart had en dat het nooit meer zou kloppen, nooit meer. Een van de kogels, de slimste van de serie, trof hem recht in het hart. Met een gevoel van buitenaards genot, wegzinkend in het zwarte, van de essentie van het leven doordrenkte niet-zijn, wat niet alleen een illusie is van niet met elkaar in overeenstemming te brengen tegenstrijdigheden, maar datzelfde juist, dat enige en toch nimmer vervulbare, ook niet op het moment van de dood zelf, alleen een oneindig tijdstipje erna. . . (...)
Atanazy stortte op haar neer als een kerktoren die zojuist een tweeënveertig centimeter granaat verslonden had en met een onweerstaanbare stoot van zijn bloederige zwengel tot vlak onder haar hart nagelde hij haar aan zich vast, en zo veroverde hij haar voor eeuwen.”
Stanisław Witkiewicz (24 februari 1885 - 18 september 1939) Molen door Stanisław Witkiewicz, 1877
Tags:August Derleth, Keto von Waberer, Yüksel Pazarkaya, Erich Pawlu, Irène Némirovsky, Vincent Voiture, Rosalía de Castro, Paul Alfred Kleinert, Stanisł,aw Witkiewicz, Romenu
César Aira, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Ljoedmila Oelitskaja, Toon Kortooms, Jo Ypma, Sonya Hartnett, Maxim Februari
De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.
Uit:An Episode in the Life of a Landscape Painter (Vertaald door Chris Andrews)
“The horse did indeed rise to its feet, bristling and monu-mental, obscuring halfthe mesh oflightning, his giraffe-like legs contorted by wayward steps; he turned his head, hear-ing the call of madness ... and took off ... But Rugendas went with him! He could not understand, nor did he want to—it was too monstrous. He could feel himself being pulled, stretching (the electricity had made him elastic), almost levitating, like a satellite in thrall to a dangerous star.The pace quickened, and off he went in tow, bouncing, bewildered ... What he did not realize was that his foot was caught in the stirrup, a classic riding accident, which still occurs now and then, even afterso many repetitions.The generation of electricity ceased as suddenly as it had begun, which was a pity, because a well-aimed lightning bolt, stopping the creature in its flight, might have spared the painter no end of trouble. But the current withdrew into the clouds, the wind began to blow, rain fell ... Itwas never known how farthe horse galloped, nor did it really matter.Whateverthe distance,shortorlong,thedisas-ter had occurred. Itwas not until the morning ofthe follow-ing day that Krause and the old guide discovered them.The horse had found his clover, and was grazing sleepily, with a bloody bundle trailing from one stirrup. After a whole night spent looking for his friend, poor Krause, at his wits' end, had more or less given him up for dead. Finding him was not entirely a relief: there he was, at last, but prone and motionless.They hurried on and, as they approached, saw him move yet remain face down, as if kissing the earth; the flicker of hope this aroused was quenched when they real-ized that he was not moving himself, but being dragged by the horse's blithe little browsing steps. They dismounted, took his foot from the stirrup and turned him over ...The horror struck them dumb. Rugendas's face was a swollen, bloodymass;theboneofhisforehead wasexposed and strips of skin hung over his eyes. The distinctive aquiline form of hisAugsburg nosewas unrecognizable,and his lips,splitand spread apart, revealed his teeth, all miraculously intact. The first thing was to see if he was breathing. He was. This gave an edge of urgency to what followed. They put him on the horse's back and set off. The guide, who had re-covered hisguiding skills,rememberedsomeranchesnearby and pointed the way. They arrived half way through the morning, bearing a gift that could not have been more dis-concerting for the poor, isolated farmers who lived there. It was, at least, an opportunity to give Rugendas some simple treatment and take stock of the situation.They washed his face and tried to put it back together, manipulating the pieces with their fingertips; they applied witch hazel dress-ings to speed the healing and checked that there were no broken bones.“
She never mentions anything of what troubled her adult years – God, the evil passages of the Bible, her own mother’s long, hard dying, my father. Nothing at all of my father, and nothing of her obsession with the religion that he drove her to. She says the magpie’s song, which goes on and on, like an Irishman wheedling to himself, and which I have turned her chair towards, reminds her of a cup. A broken cup. I think that the chaos in her mind is bearable to her because it is revolving so slowly – slowly as dust motes in an empty room. The soul? The soul bas long been defeated, and is all but gone. She’s only productive now of bristles on the chin, of an odour like old newspapers on a damp concrete floor, of garbled mutterings, of some crackling memories, and of a warmth (it was always there, the marsupial devotion), of a warmth that is just in the eyes now, particularly when I hold her and rock her for a while, as I lift her back to bed – a folded package, such as, I have seen from photographs, was made of the Ice Man. She says, ‘I like it when you – when when you...’ I say to her, ‘My brown-eyed girl.’ Although she doesn’t remember the record, or me come home that time, I sing it to her: ‘Da da-dum, de-dum, da-dum ... And it’s you, it’s you,’– she smiles up, into my face –‘it’s you, my brown-eyed girl.’
“...mijn boy Mohongu - een schurk van het zuiverste water - voer er eveneens wel bij, want ook hij had prompt een vriendinnetje aan de haak en Marie-Jeanne en Martha schoten merkwaardig met elkaar op wat vrij zeldzaam is want het Budja-spreekwoord zegt dat twee vrouwen elkaar niet in het hart plegen te dragen en spreekwoorden liegen nooit en slechts sporadisch moesten beide jongedames uit elkaar getrokken worden, maar tot een bloedig handgemeen is het nooit gekomen, er zijn echter talloze redenen om als vrouw elkaar in het haar te vliegen, dagelijks weerklinken in de Budja-dorpen de schelle kreten van jaloerse vrouwen die elkaar met maniokschrapers te lijf gaan terwijl de mannen grinnikend toekijken of de vechters met handgeklap en gejuich aanvuren en savonds omstreeks negen uur, als het dorp met hier en daar een hoopje gloeiende as verstild lag in de nacht, niet meer verpletterd maar opgenomen in het oerwoud en de oorverdovende zee van krekels, glipte Marie-Jeanne, de warme wezel, in de hut, ik sprong uit het bed, kreeg net de tijd om vlug mijn sigaret weg te gooien en hartstochtelijk viel ze me om de hals en 'bési' zei ze en we kusten elkaar behendig terwijl ik het broekje verschoof dat ik o.m. voor haar gekocht had en ze rook erg prettig als jonge katten, naar gemalen amandelen en suiker en ze waste zich met dure zeep en ik had ook een stel badhanddoeken voor haar gekocht, wijnrood met zwarte slingerplanten erop, waar ze vaak mee door het dorp paradeerde, althans in het begin en staande moest ik haar afvingeren, ze gaf nauwkeurige aanwijzingen want ze was veeleisend en onophoudelijk kreunde ze 'elengi, elengi, elengi', wat genot betekent in alle talen en als het kwam ging ze door de knieën en sloeg de armen als takken om me heen en het jankende bundeltje moest op het veldbed onder de opengeslagen klamboe worden gelegd...”
Jef Geeraerts (23 februari 1930 – 11 mei 2015) Cover
“I took thirty men to Lundene, not because I needed them, but because a lord should travel in style. We found quarters for men and horses in the Roman fort which guarded the old city’s north-western corner, then I walked with Finan and Weohstan along the remnants of the Roman wall. ‘When you commanded here,’ Weohstan asked, ‘did they starve you of money?’ ‘No,’ I said. ‘I have to beg for every coin,’ he grumbled. ‘They’re building churches, but I can’t persuade them to repair the wall.’ And the wall needed repair more than ever. A great stretch of the Roman battlements between the Bishop’s Gate and the Old Gate had fallen into the stinking ditch beyond. It was not a new problem. Back when I had been commander of the garrison, I had filled the gap with a massive oak palisade, but those trunks were dark now and some of them were rotting. King Eohric had seen this decayed stretch and I did not doubt he had noted it, and after his visit to Lundene I had suggested that repairs be made urgently, but nothing had been done. ‘Just look,’ Weohstan said and scrambled awkwardly down the slope of rubble that marked the ruined wall’s end. He pushed on an oak trunk and I saw it move like a dead tooth. ‘They won’t pay to replace them,’ Weohstan said gloomily. He kicked the base of the trunk and soft dark lumps of fungus-ridden wood exploded from his boot. ‘We’re at peace,’ I said sarcastically, ‘hadn’t you heard?’ ‘Tell that to Eohric,’ Weohstan said, climbing back to join me. All the land to the north east was Eohric’s land, and Weohstan told of Danish patrols coming close to the city. ‘They’re watching us,’ he said, ‘and all I’m allowed to do is wave at them.’ ‘They don’t need to come close,’ I said, ‘their traders will have told them everything they want to know.’ Lundene was always busy with traders, Danish, Saxon, Frankish and Frisian, and such merchants carried news back to their homelands. Eohric, I was certain, knew just how vulnerable Lundene’s defences were, indeed he had seen them for himself. ‘But Eohric’s a cautious bastard,’ I said.”
Bernard Cornwell (Londen, 23 februari 1944) Alexander Dreymon als Uhtred en Eva Birthistle als Hild in de tv-serie "The Last Kingdom"
Uit: Een russische geschiedenis (Vertaald door Arie van der Ent)
“Het is interessant de baan te volgen van de onvermijdelijke ontmoeting van mensen die voor elkaar bestemd zijn. Soms lijkt zo'n ontmoeting zonder bijzondere inspanning van het lot te verlopen, zonder ingewikkelde voorbereiding van het verhaal de natuurlijke loop van de gebeurtenissen te volgen, dat mensen bijvoorbeeld op dezelfde binnenplaats wonen of op dezelfde school gaan. Deze drie jongetjes zaten samen op school. Ilja en Sanja vanaf de eerste klas. Micha kwam er later bij. In de hierarchie die als vanzelf in elke kudde ontstaat, namen ze alle drie de allerlaagste posities in, dankzij een volstrekte ongeschiktheid voor vechten en wreedheid. Ilja was lang en dun, zijn handen en voeten staken uit zijn te korte mouwen en broekspijpen. Daarnaast was er geen spijker of haakje dat geen stuk uit zijn kleren rukte. Zijn moeder, de eenzame, neerslachtige Maria Fjodorovna, werkte zich uit de naad om met haar volkomen scheef staande handen scheve lappen op zijn kleren te zetten. De kunst van het naaien was haar niet gegeven. Altijd slechter gekleed dan de andere, eveneens slechtgeklede jongens, hing Ilja voortdurend de pias uit en maakte iedereen aan het lachen, hij maakte een voorstelling van zijn armoede, wat een verheven manier was die te overwinnen. Sanja's situatie was de slechtste. Zijn jack met rits, zijn meisjesachtige wimpers, de ergerlijke aanvalligheid van zijn gezicht en de stoffen servetten, waar zijn van huis meegenomen boterhammen in waren gewikkeld, wekten afgunst en afkeer. Daarnaast leerde hij pianospelen en zagen velen hoe hij met zijn oma aan zijn ene hand en een muziekmap in zijn andere de Tsjernysjevskistraat uit liep, de voormalige en toekomstige Pokrovka, naar de Igoemnovmuziekschool, soms zelfs op dagen waarop hij even licht als langdurig ziek was. Oma, met een profiel van heb-ik-jou-daar, zette haar ranke benen voor zich, als een circuspaard, en schudde al lopend regelmatig met haar hoofd de maat. Sanja liep naast en net iets achter haar, zoals het een stalknecht betaamt. Anders dan op de gewone school was men op de muziekschool weg van Sanja — in de tweede klas speelde hij op het examen al een Grieg die menig vijfdeklasser te machtig was.”
Ljoedmila Oelitskaja (Davlenkanovo, 23 februari 1943) Cover
‘Eenzaamheid,’ zei hij tegen onze pastoor, ‘eenzaamheid is voor de mens de zwaarste straf. En zij die de eenzamen laten zitten waar ze zitten, zijn in mijn ogen misdadigers. Vraag uw paus of hij boven aan de lijst der zonden de ergste zonde van deze tijd plaatst: de eenzamen te laten vereenzamen. Het is mij niet duidelijk waarom de Oppergeneesheer aan zijn Bergrede niet heeft toegevoegd: zalig zijn zij dmen het zelf is...’ Groot ook was Angelino's haat als hij haatte. In zijn wachtkamer hing een bord met de mededeling: Toegang voor eenieder behalve... en dan volgden de namen van enige ingezetenen. Wij zullen die in de loop van het verhaal ongetwijfeld leren kennen. Kareltje Schutte, zoon van de Rechtvaardige, zag het gebeuren. Hij was druk doende de zegswijze in praktijk te brengen dat men in het veen op geen turfje ziet. Zijn vader, om nog nimmer achterhaalde redenen Herman de Rechtvaardige genaamd, had Kareltje erop uitgezonden. Hij diende wat brandstof te vergaren voor het kacheltje in de woonwagen van de familie Schutte. ‘Trek iets verder de Peel in, jongen,’ had hij gezegd. ‘Ze hoeven het nou ook weer niet te zien. Dat wekt maar ergernis.’ Trouwens Kareltje móést wel verder van huis opereren. De turfhopen in de onmiddellijke omgeving van het woonwagenkamp begonnen een aanfluiting te vormen van de eerder aangehaalde spreuk - er was nauwelijks nog een turfje te bespeuren. Die er gelegen hadden, volop, waren door de zwarte kachelpijpjes van de woonwagens vervlogen tot lichtblauwe rook. De gemeente, eigenaresse en exploitante van het veen, kon tegen dit brandoffer niets ondernemen. Het gappen geschiedde ongezien en op onmogelijke tijdstippen. De politiemacht van de Peel was er nooit bij. Patrouilles, hinderlagen en bliksemcontroles haalden weinig uit. Niemand van het woonwagenvolk werd ooit op heterdaad betrapt. Men keek wel uit.”ie de eenzamen trachten te begrijpen. Let wel, herder, ik zeg trachten! Want begrijpen doet men de eenzame pas als
Toon Kortooms (23 februari 1916 – 5 februari 1999) Martine Bijl als schooljuf Irene Muller in de gelijknamige film uit 1974
Storm, die ik liefheb zing in mijn oren, Ruisch om mijn leden met eeuwige kracht. Doe me je voelen, doe me je horen Leer me je zegezang, geef mij je macht?
Om eend're afkomst, om eend're erven Om zelfde eenzaamheid. Om eigen smart. Leer me als jij mijn vrijheid verwerven Storm door mijn bloed, jaag door mijn hart.
Ik heb de winden tot makkers verkoren De stormen heb ik van jongs af bemind Eeuwig zal ik hen toebehoren Hoort niet aan de storm, wat speeld met de wind?
Moeder
Nooit hebben wij een klacht gehoord Moeder, toen God uw lichaam sloopte En toen in u, hoe u ook hoopte, Die hoop langzaam werd vermoord.
Uw bevend hulpeloze handen Vouwden zich zo vaak ineen. Wie zegt hoe dikwijls u, alleen, Gebeden hebt om niet te stranden.
U hebt verwonnen 't grote leed. U hebt het zwijgend kunnen dragen. Totdat God u uit uw plagen In Zijn vreugde komen deed.
“Outside the milkbar, they were noticed again. This would be the last sighting. A woman, checking her change in the shade of the store, saw from the corner of an eye a little girl waving. The woman was a schoolteacher and her first instinct was to assume the child was one of her pupils - Zoe Metford, blue-eyed with mousy bobbed hair and a round, elfin chin, looked, at a glance, like any other seven-year-old. Not recognising her, however, the teacher turned to discover the recipient of the child's friendliness. On the far side of the road a young man was standing beside a street sign. The witness would describe this man as thin, tall, unhealthy. His brown hair was windswept and clung about his shoulders. He wore blue jeans and a t-shirt, ruby red against his skin. Over a wrist was hanging a colourless cloth of some kind. He did not return the little girl's greeting and the teacher guessed she had made a mistake. The children and the youth had nothing in common, and perhaps the child was waving at a bird. As she walked away the teacher smiled to see the difficulty the older girl was having, prising coins from her brother's clenched hand. In 1977, a Year of the Snake, the purged Chinese leader Deng Xiaoping was returned to power. The audacious angles of Concorde took to the air, linking Paris to New York. Queen Elizabeth celebrated her Silver Jubilee, Time magazine named Anwar Sadat its Man of the Year. Disco ruled the dancefloor, jiving to Saturday Night Fever. The space shuttle Enterprise successfully completed its first manned flight, and Star Wars was seen by millions. A fishing boat dredged from the Pacific's depths a carcass initially touted as being that of a dinosaur. »
“Hermann Kafka kondigt wetten af die alleen gelden voor zijn zoon en die onbegrijpelijk zijn - daarin herken je de eerste zin uit Over de kwestie van de wetten: Onze wetten zijn niet algemeen bekend, zij zijn het geheim van de kleine adellijke groep die ons regeert. Hermann Kafka uit allerlei onterechte beschuldigingen, maar zijn zoon komt niet in verzet en neemt de schuld voor de gebeurtenissen als vanzelfsprekend op zich. Daarin herken je elke rechtszaak uit het werk van Kafka - van Het proces tot In de strafkolonie - waar de beklaagde de gang van zaken simpelweg als een gegeven aanvaardt. Al met al beschouwen psychologiserende lezers de schrijver Kafka vaak als een angstig, gekweld, zachtmoedig en briljant wezen, maar je kunt ook strenger zijn en je afvragen waarom hij zijn lot niet wat serieuzer in eigen hand heeft genomen. Zelfs als hij in een uiterste verdwijnpoging besluit dat zijn oeuvre moet worden vernietigd, laat hij die taak na zijn dood, tevergeefs, aan een ander over. Had hij zelf niet kunnen ingrijpen in zijn bestaan? De vader kan zo wel heel eenvoudig zegevieren. Jij zei: Geen woord meer! en wilde daarmee de voor jou zo onaangename tegenkrachten in mij tot zwijgen brengen, maar die invloed was voor mij te sterk, ik was te volgzaam, ik verstomde totaal, kroop voor je weg en durfde me pas weer te verroeren wanneer ik zo ver van je verwijderd was dat je macht mij tenminste niet meer rechtstreeks bereikte. Maar jij stond in de weg, en alles werd door jou weer als contramine beschouwd, terwijl het alleen maar het vanzelfsprekende gevolg was van jouw kracht en mijn zwakte. Hoe meer je dit leest als de beschrijving van een leven, de beschrijving van een geval, des te beklemmender wordt de uitzichtloosheid van de hele situatie. Tot op een punt waarop die beklemming omslaat in ergernis over de zelfkwelling en zelfkastijding van een man met zo grote en bijzondere talenten; toe nou, jongen, doe eens wat! roep je uit. Dat is het moment waarop je zelf snakt naar buitenlucht, naar beweging, iets vitaals. Naar eten.”
Maxim Februari (Coevorden, 23 februari 1963) Portret van Franz Kafka met een gigantische insect door Tommaso Pincio, z.j.
De Roemeense schrijfster en vertaalster Lavinia Braniștewerd geboren op 23 februari 1983 in Brăila.Ze is in 2006 afgestudeerd aan de letterenfaculteit van de Babeș-Bolyaiuniversiteit in Cluj-Napoca, Zij behaalde een Master in het vertalen van literaire (Franse) literatuur aan de universiteit van Boekarest, en promoveerde in 2007 met een proefschrift over voetnoten in de literaire vertaling. Ook behaalde zij een Europese Master voor de opleiding van conferentietolken, universiteit van Boekarest, specialisatie Engels-Frans (2010-2012). Zij werkte als redacteur (o.a. Cluj, ART, Boekarest). Zij vertaalde boeken naar het Roemeens van o.a. Henry Miller, “A Devil in Paradise”; A.A. Milne – “When We Were Very Young; Now We Are Six”; Kate DiCamillo – T”he Miraculous Journey of Edward Tulane”; Ruth Stiles Gannett – “My Father’s Dragon”; Kate DiCamillo – “Flora and Ulysses”; Luis Sepulveda – “Historia de una gaviota y del gato que le enseñó a volar”; V.S. Naipaul – “Magic Seeds” etc. Gepubliceerde volumes: Escapada (korte verhalen), Polirom, 2014; “Vijf minuten per dag” (“Cinci minute pe zi” - korte verhalen), “Casa de Pariuri Literare”, 2011; Verhalen bij mij (Poveşti cu mine“ - gedichten), “Paralela 45”, 2006. In 2016 verscheen “Interior zero”.
Uit: Interior Zero (Vertaald door Alistair Ian Blyth)
« Mother has been working in Spain for so long that it seems like forever. She works in tourism, at the seaside, and comes home once a year, out of season. She arranges it so that she will catch the winter holidays. For years and years, she hasn’t seen Romania in leaf or in bloom, she always comes when it’s muddy, when people are grey and muffled up, and she gets the impression that the country is a depressing place. Sometimes she’ll be here when it snows and it makes her as happy as a small child, her woolly hat slips down over her eyes and she blows her nose and she shovels the snow out of the yard. And after that she tells the people in Spain that it was snowing here and they are amazed and they always say that they ought to come to visit Romania at least once. When she comes to my house in Bucharest, I always draw up a plan for where we can go and what we can do to have fun, so that we won’t sit in my one room flat and get bored. We’ve set aside a whole day to do a tour of Berceni and the new housing blocks. So that we can see what they’re like, because I’ve been sending her links about the new blocks, and if I decide to take out a loan, she’ll give me the deposit. There’s a little bit of sun in the morning, but by the time we leave the house, we’ve missed it. The day turns grey again, like it was yesterday and the day before yesterday. We get on the metro, change at Victoriei and then sit next to each other during the long journey to Dimitrie Leonida. I tell her that the new metro trains are built in Spain. And that the woman who announces the stations has taken Metrorex to court, because they didn’t pay her. I don’t know what else to tell her about Romania. “But isn’t she from the time of Ceausescu ?” “No, it’s a young woman. An actress.” The Dimitrie Leonida metro station is a time capsule and Mother likes it. But when we come outside onto the boulevard she doesn’t like it. “Oh dear.” We turn left at random and the asphalt immediately peters out. Here and there between the new housing blocks you can see a rustic yard, which has survived the real estate invasion. A cowpat, a horse neighing, a cockerel. I think it’s nice. Far from the madness of the city. And this is the only area where a one room flat costs twenty thousand. “Where are the drains ?” wonders Mother. “I read on the chat rooms that the ones that are farther from the main road don’t have drains. They have septic tanks.” “What’s a septic tank ?”