Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
02-07-2015
Emanuel Geibel, Hermann Hesse, Wisława Szymborska, Pierre H. Dubois
Dolce far niente
The Coming Storm door George Inness, 1878
Hochsommer
Von des Sonnengotts Geschossen Liegen Wald und Flur versengt, Drüber, wie aus Stahl gegossen, Wolkenlose Bläue hängt.
In der glutgeborstnen Erde Stirbt das Saatkorn, durstig ächzt Am versiegten Bach die Herde, Und der Hirsch im Forste lechzt.
Kein Gesang mehr in den Zweigen! Keine Lilie mehr am Rain! – O wann wirst du niedersteigen, Donnerer, wir harren dein.
Komm, o komm in Wetterschlägen! Deine Braut vergeht vor Weh – Komm herab im goldnen Regen Zur verschmachtenden Danae!
Emanuel Geibel (17 oktober 1815 - 6 april 1884) Lübeck, waar Emanuel Geibel werd geboren.
Wir Kinder im Juli geboren Lieben den Duft des weißen Jasmin, Wir wandern an blühenden Gärten hin Still und in schwere Träume verloren.
Unser Bruder ist der scharlachene Mohn, Der brennt in flackernden roten Schauern Im Ährenfeld und auf den heißen Mauern, Dann treibt seine Blätter der Wind davon.
Wie eine Julinacht will unser Leben Traumbeladen seinen Reigen vollenden, Träumen und heißen Erntefesten ergeben, Kränze von Ähren und roten Mohn in den Händen.
Wie eine Welle
Wie eine Welle, die vom Schaum gekränzt Aus blauer Flut sich voll Verlangen reckt Und müd und schön im großen Meer verglänzt -
Wie eine Wolke, die im leisen Wind Hinsegelnd aller Pilger Sehnsucht weckt Und blaß und silbern in den Tag verrinnt -
Und wie ein Lied am heißen Staßenrand Fremdtönig klingt mit wunderlichen Reim Und dir das Herz entführt weit über Land -
So weht mein Leben flüchtig durch die Zeit, Ist bald vertönt und mündet doch geheim Ins Reich der Sehnsucht und der Ewigkeit.
Hermann Hesse (2 juli 1877 – 9 augustus 1962) Zonnebloemen in Montagnola, ca. 1927, aquarel van Hermann Hesse
Nacht - en het huis op de heuvel in het lege licht van de maan niet te ontkomen vleugels strijken tegen het raam Een hand verschuift de gordijnen (het licht verschuift de slaap) uit verwaarloosde bronnen stijgen beschamende geheimen met het strak gezicht van de wraak.
Tenuto
Warmte van zon niet verdragen week worden bij een gezicht in de tram ongelijk bekennen met gelijk verdriet noem ik het Met regen in de ogen (en drift) een deur toeslaan door een scheur in de keel klankloos schreeuwen en dan weer Glimlachend liefkozen als de worm van het niet geloven de wortel heeft doorgeknaagd verdriet noem ik het
De Vlaamse schrijver Erik Vlaminck werd geboren in Kapellen op 2 juli 1954. Hij leidde de Antwerpse SchrijversAcademie en de Vlaamse Auteursvereniging en hij is voorzitter van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Als romanschrijver kreeg Vlaminck bekendheid met een zesdelige romancyclus over het ongewone leven van gewone mensen in het Vlaanderen van de 20e eeuw, later gebundeld in drie delen:” Langs moederszijde”, “Langs vaderszijde” en “Langs schrijverszijde”. Doorbraak bij een ruim lezerspubliek kwam er in 2008 met “Suikerspin” en in 2011 met “Brandlucht.” Als theaterauteur werkte Vlaminck voor diverse belangrijke gezelschappen. Hij schrijft ook de column “Brieven van Dikke Freddy” waarin een dakloze zijn problemen aankaart bij de groten der aarde.
Uit:Suikerspin
“Mijn grootvader, Jean-Baptist, is als gewone burger in een gewoon huis geboren maar hij heeft het karakter gehad om forain te worden. Meer dan honderd jaar geleden heeft hij de kop boven water gestoken in een ongelukkig huishouden, ergens in een achterbuurt van Dendermonde. Hij kreeg thuis meer slaag dan eten en bijgevolg heeft hij zijn boeltje, veel zal het allicht niet geweest zijn, gepakt en is hij op de loop gegaan. Een mens zou van minder… Maar Jean-Baptist heeft gewerkt en gespaard tot de vellen van zijn handen hingen en toen heeft hij, want hij had gezien dat een eerlijke en volhardende doorzetter op de kermis goed zijn boterham kan verdienen, zijn zuurverdiende spaarcenten bijeengelegd om een rariteitenkabinet over te nemen. Een rariteitenkabinet was in die tijd een van de topkramen van de grote foren. Jean-Baptist heeft het van bij het begin groots gezien. De wereld is aan de doeners en de durvers, aan de mannen die risico durven te nemen. En hoewel mijn grootvader vanwege het slechte karakter van zijn ouders geen goeie herinneringen aan zijn kindertijd en aan zijn thuis had, heeft hij toch direct zijn jongere broer in dienst genomen en hem in de zaak betrokken. Maar de zaak is niet blijven marcheren omdat er spijtig genoeg op Gust niet gerekend kon worden. Hij was niet alleen een wijvenzot van het zwaarste kaliber maar hij was bovenal een flierefluiter die meer zat dan nuchter was. Zijn wapenspreuk was: ‘Alle dagen zat is ook een geregeld leven.’ Na verloop van tijd kende hij van danige zattigheid het verschil tussen zijn voorkant en zijn achterkant niet meer. En zo heeft hij de zaak bijna de dieperik in gedronken want de mensen wilden een verschrikkelijk zeemonster zien waar ze rillingen van op hun ruggengraat kregen, en geen zatte paljas die zeverend en zwijmelend in zijn waterbak zat. En hoewel mijn grootvader het op alle mogelijke manieren heeft geprobeerd, viel er met Gust niet te redekavelen. Hij was verslaafd tot op de bodem van zijn nieren.”
1. Politiek De grenswacht bekijkt de lege achterbank en ziet de schim niet die wij aanwezig weten. Bij Grünewald kijkt hij tot achter in de bossen - hij wil alleen zijn maar de auto rijdt door tot in het centrum voor de Deutsche Oper waar we Tosca zullen zien, een drama van verraad, maar anders, verouderd. Soldaten voor het Sowjet-gedenkteken, in de lucht oplossend prikkeldraad hier beneden groeiende concertina's. Studenten uit Keulen of Braunschweig dragen hun gekleurde petten maar iets nonchalanter dan hun vaders.
Tas
Liep ik met mijn grote tas alle boeken, niks vergeten te zeulen in die nieuwe school. Waar moest ik naar toe?
De jongens en meisjes uit de vijfde stonden gewoon bij elkaar. Zou ik later ook met jongens praten en lachen en staan?
Stonden ze bij mijn fiets te vrijen durfde ik niks te zeggen. Wachten tot ze klaar waren mijn zware tas op de grond.
Remco Ekkers (Bergen, 1 juli 1941)
De Nederlandse dichter, schrijver, beeldend kunstenaar, zanger en fotograaf F. Starikwerd geboren in Apeldoorn op 1 juli 1958. Zie ook alle tags voor F. Starik op dit blog.
Uit:O teder lied. Bij Rainer Maria Rilkes Nieuwe gedichten
“Rilke woonde in Parijs toen hij Malte Laurids Brigge schreef. Hij sloot daar vriendschap met Auguste Rodin, werkte aan een monografi e over de beroemde beeldhouwer, en functioneerde zelfs enige tijd als zijn persoonlijk secretaris. Rilke werd daar erg ongelukkig van. Maar Rodin bracht hem het belang van ‘zien’ bij. Rodin leerde hem kijken. En Rilke heeft vervolgens in zijn Neue Gedichte zo zakelijk mogelijk opgeschreven wat hij zag. En in Malte Laurids Brigge wat hij daarbij dacht. Vijfentwintig jaar na die rotvakantie begon ik aan De gastspeler en wist ik dat ik Malte Laurids Brigge opnieuw nodig had: ik zou mijn roman op dezelfde manier opbouwen. De hernieuwde lezing bracht me een verrassing: ik moest er nu ook verschrikkelijk om lachen. Een bevrijdende lach. Het heilig verklaarde boek bleek een heel nieuwe laag te bevatten. Over hoeveel gezichten wij hebben: ‘Nu vraagt men zich wel af, daar ze meer dan één gezicht hebben, wat doen ze met de andere? Ze slaan ze op. Hun kinderen zullen ze dragen. Maar het komt ook voor, dat hun honden ermee de straat op gaan. Waarom ook niet. Een gezicht is een gezicht.’ Een paar jaren eerder, bij de oprichting van de Poule des doods, een gezelschap dichters die eenzame uitvaarten verzorgen, had ik ook al naar Malte gegrepen: ‘Nu wordt er in 559 bedden gestorven. Aan de lopende band natuurlijk. Bij een dergelijke monsterproductie zit elke dood op zich niet zo goed in elkaar, maar het doet er ook niet toe. De massa, daar gaat het om. Wie heeft vandaag de dag nog wat over voor een goed afgewerkte dood?’ Malte Laurids Brigge verscheen in 1910. Rilke begon er zeven jaar eerder aan te werken. En in diezelfde tijd begon hij eindelijk te schrijven aan de gedichten die aan de opdracht die hij van Rodin meekreeg voldeden, Neue Gedichte. Het eerste deel verscheen in 1907, Der Neuen Gedichte anderer Teil een jaar later."
Het huis van een kennis, die met vakantie is, leeg halen.
De schilderijen, meubels, tapijten, kachels, het servies, grammofoonplaten, kleding, spiegels en ander huisgerei fotograferen en op ware grootte afdrukken.
De gefotografeerde dingen eventueel met een standaard in de rug - denk aan de meubels - weer op hun oude plaats terugzetten.
Messen en vorken hebben geen standaard nodig, komen gewoon in de gefotografeerd bak (het zoutvaatje een kleine standaard).
Bij zijn thuiskomst zit wat de bewoner in het buitenland de laatste weken zag, ontwikkeld door een plaatselijk fotograaf, plat in een reistas.
“V. (verontwaardigd): De hoeksteen van onze beschaving? Dat ga je toch niet beweren? Je gaat hier toch geen christelijke praatjes houden? De hoeksteen van onze beschaving! Laat me niet lachen! Zo zout heb ik het nog nooit gegeten! De hoeksteen van onze beschaving! Hear! Hear! M. (zwijgt) V. Dat meende je toch niet, hoop ik? Dat het de hoeksteen van onze beschaving is? M. Natuurlijk meende ik dat. V. Wat is er ineens met je gebeurd? Dat het de hoeksteen van onze beschaving is? M. Er is niets met me gebeurd. V. Waarom zeg je dan zoiets idioots? De hoeksteen van onze beschaving! Ik weet niet wat ik hoor! M. (heftiger, belerend, ook iets pesterigs): Zonder het huwelijk zouden we een totaal andere beschaving hebben gehad. Ik zeg niet dat ik dat erg zou vinden! Ik stel het alleen maar vast! Als de Kerk er in de Middeleeuwen het huwelijk niet had doorgedrukt en iedereen zich aan een vrouw vergreep zonder getrouwd te zijn, met hel en verdoemenis had bedreigd, dan leefden we nu in een maatschappij waarin de vrouwen zich te pletter werkten en de mannen op hun krent in de zon zaten te wachten tot ze er weer een konden versieren! V. (verontwaardigd): Dus de feministen hebben ongelijk? M. Natuurlijk hebben de feministen ongelijk. Als er iemand ongelijk heeft dan zijn het de feministen!
J. J. Voskuil (1 juli 1926 - 1 mei 2008) Scene uit een voorstelling in Amstelveen, 2010
“Waar hij al bang voor was, gebeurd ook. Als zijn vrienden zijn dikke lip zien, beginnen ze te lachen. ’Nou nou, dat was een heftige zoenpartij dit weekend. Je mag wel opassen met Roosmarijn. ’Iedereen moet lachen en Bob lacht nog het hardst. ‘Je mag zeker wel uitkijken, Sven, ’zegt hij tot overmaat van ramp. ’Dit is nog maar je lip. Je snaapt wat ik bedoel hè?’Ja, ik snap het heus wel denkt Sven. Viezerik, hou lieverje mond. Alle woede komt in een klap boven. Van zijn vader die hem heeft geslagen. Van Lennart die Roosmarijn heeft ingepikt en van zijn moeder die nooit voor hem opkomt. Bob merkt dat Sven het niet zo leuk vindt. ’Je kunt toch wel tegen een grapje?Ben jij nou een kerel?’Hij legt zijn hand op Svens schouder. Sven wordt razend. ’Afblijven !’‘Nou nou, ’zegt Bob. ‘Ik dacht dat jij alleen aan meisjes zat, ’zegt Sven. Het is alsof er een bom in de klas valt. Bob doet alsof hij er niets van begrijpt. ‘Wat kijk je nou?’schreeuwt Sven. ’Je vindt het toch zo lekker je leerlingen aan te raken? Maar van mij blijf je af. ’‘Waar doel jij op, jongen?’Sven heeft Bob nog nooit zo kwaad gezien, maar het kan hem niks schelen. Alles is een puinhoop, zijn hele leven. Iedereen die nu nog iets doet wat hem bevalt, kan hem krijgen. De spanning in klas is om te snijden. Niemand zegt iets. ‘Waar ik op doel?’vraagt Sven. ’Moet ik je dat nog vragen?Dat jij je handen niet kunt thuishouden, daar doel ik op. ’Bob wordt spierwit. In een paar passen staat hij bij de deur en gooit hem open. ’Eruit jij!’Zijn stem slaat over. ’En voorlopig hoef ik je hier niet meer te zien. ’‘Mij best. ’Sven pakt zijn tas en loopt de klas uit.”
Friedrich Hölderlin, Czeslaw Milosz, Yaseen Anwer, José Emilio Pacheco
Dolce far niente
Baum im Kornfelddoor August Macke, 1907
Der Sommer
Das Erntefeld erscheint, auf Höhen schimmert Der hellen Wolke Pracht, indes am weiten Himmel In stiller Nacht die Zahl der Sterne flimmert, Groß ist und weit von Wolken das Gewimmel.
Die Pfade gehn entfernter hin, der Menschen Leben, Es zeiget sich auf Meeren unverborgen, Der Sonne Tag ist zu der Menschen Streben Ein hohes Bild, und golden glänzt der Morgen.
Mit neuen Farben ist geschmückt der Gärten Breite, Der Mensch verwundert sich, dass sein Bemühn gelinget, Was er mit Tugend schafft, und was er hoch vollbringet, Es steht mit der Vergangenheit in prächtigem Geleite.
Friedrich Hölderlin (20 maart 1770 – 7 juni 1843) Die Neckarbrücke in Lauffen am Neckar waar Hölderlin werd geboren
Faith is in you whenever you look At a dewdropp or a floating leaf And know that they are because they have to be. Even if you close your eyes and dream up things The world will remain as it has always been And the leaf will be carried by the waters of the river.
You have faith also when you hurt your foot Against a sharp rock and you know That rocks are there to hurt our feet. See the long shadow that is cast by the tree? We and trees throw shadows on the earth. What has no shadow has no strength to live.
Hope
Hope is with you when you believe The earth is not a dream but living flesh, that sight, touch, and hearing do not lie, That all thing you have ever seen here Are like a garden looked at from a gate.
You cannot enter. But you're sure it's there. Could we but look more clearly and wisely We might discover somewhere in the garden A strange new flower and an unnamed star.
Some people say that we should not trust our eyes, That there is nothing, just a seeming, There are the ones who have no hope. They think the moment we turn away, The world, behind our backs, ceases to exist, As if snatched up by the hand of thieves.
Love
Love means to learn to look at yourself The way one looks at distant things For you are only one thing among many. And whoever sees that way heals his heart, Without knowing it, from various ills— A bird and a tree say to him: Friend.
Then he wants to use himself and things So that they stand in the glow of ripeness. It doesn’t matter whether he knows what he serves: Who serves best doesn’t always understand.
If you want to study its essence, its purpose, its usefulness in the world, you’ve got to see it as a whole. Salt isn’t the individuals who make it up but the solidary tribe. Without it each particle would be like a fragment of nothingness, dissolving in some unthinkable black hole.
Salt surfaces from the sea. It’s petrified foam. It’s sea baked by the sun.
And so finally worn-out, deprived of its great water force, it dies on the beach to become stone in the sand.
Salt is the desert where there once was sea. Water and land reconciled, matter of no one.
It’s why the world tastes of what it is to be alive.
Vertaald doorKatherine M. Hedeen en Víctor Rodríguez Núñez.
De Nederlandse dichter en schrijver Hendrik Jan Schimmel werd geboren in ’s-Graveland op 30 juni 1823. Schimmel was een zoon van de burgemeester en notaris van 's-Graveland Hendrik Poeraat Schimmel en van Sara Meyse. Ondanks het verzet van zijn vader tegen de literaire aspiraties van zijn zoon werd hij schrijver en dichter met een omvangrijk literair oeuvre. Hij publiceerde diverse toneelstukken, naast proza en poëzie. De componist Richard Hol componeerde de muziek bij diverse van zijn gedichten. Na een kostschoolopleiding werd Schimmel geplaatst op het notariskantoor van zijn vader om daar het vak van notaris te leren. Na het overlijden van zijn vader in 1842 ging hij werken bij het Agentschap der Schatkist te Amsterdam. In 1847 werd voor de eerste maal een toneelstuk van zijn hand, “Twee Tudors”, opgevoerd in de Amsterdamse Schouwburg. Zijn tweede toneelstuk “Joan Wouters” werd opgedragen aan de schrijver Jacob van Lennep, die zijn leermeester zou worden. Schimmel was inmiddels in dienst getreden bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij. In die tijd schreef hij “Oranje en Nederland”, ter gelegenheid van de inhuldiging van koning Willem II in 1849. Het stuk zou later ook opgevoerd worden bij het tweede huwelijk van koning Willem III in 1879 en bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898. Meerdere van zijn toneelstukken beleefden diverse herdrukken. In 1851 werd Schimmel redacteur van het literaire tijdschrift De Gids, een functie die hij zestien jaar zou vervullen. Ook was hij redacteur van de Nederlandsche Volksalmanak en van het tijdschrift Nederland. Zowel in De Gids als in het tijdschrift Nederland verschenen diverse gedichten van zijn hand. Schimmel, inmiddels bankdirecteur, was jarenlang voorzitter van de raad van beheer van de vereniging Het Nederlandsch Tooneel, waar hij zich inzette voor de belangen van het toneel. Hij werd door koning Willem III benoemd tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.
Als 't uit de stilte spreekt!
Wat stemmen opgaand van rondom! De Zelfzucht eischt en grauwt, De Wanhoop schreeuwt de Hope stom En verwt de jonkheid oud. Zich zelv' vergeten 't hoogste doel! Een nu dat 't gister wreekt....! Hoor toe, ver van het slaggewoel, ‘Als 't uit de stilte spreekt!’
Wat bede om zieke- en stervensspond, Wat beet in brein en hart, Wat kreet bij nieuw geslagen wond, Wat snik van oude smart: Herinring van een laatsten groet En van een oog dat breekt....! Hoor toe - ge ontvangt licht troost en moed - ‘Als 't uit de stilte spreekt!’
Terug-Blik
'k Ben er wedergekeerd, Waar mij 't eerst werd geleerd: Min de Heer en de naaste als u-zelve; Waar ik 't eerst, mij bewust, Door mijn moeder gekust, Het azuur van de hemel zag welven.
Ik herkende geen kluis, 'k Vond een vreemde in mijn huis, En 't omsloot eens zo veel wat ik minde, 'k Vond geen schaâuw in de tuin, Want geknakt was de kruin Van de aloude, van Grootvaders linde.
'k Vond geen vriend in de stoet, Die ter kerke zich spoedt. En voorheen kende ik voornaam en have. Maar de grijze zonk neer, En de knaap van weleer, Buigt het hoofd nu als grijze ten grave.
'k Heb de rustplaats gezocht Voor mijn oudren gewrocht, Op de vruchtbare akker der doden; Maar de plek was mij vreemd, Want de terp werd een beemd, Overdekt door een dekbed van zoden.
'k Hief weemoedig het oog, Maar daar tintelde omhoog, In haar glans door de Tijd niet te doven, De immer vriendlijke ster Die me als kind reeds, van ver, Zo vaak sprak van de woning daarboven.
Hendrik Jan Schimmel (30 juni 1823 - 14 november 1906) Portret door Hendrik Johannes Haverman
Ror Wolf, Vasko Popa, Oriana Fallaci, Giacomo Leopardi, Antoine de Saint-Exupéry, Anton Bergmann
De Duitse dichter en schrijver Ror Wolf (pseudoniem van Raoul Tranchirer) werd geboren op 29 juni 1932 in Saalfeld/Saale. Zie ook alle tags voor Ror Wolf op dit blog.
Uit: Verschiedene Möglichkeiten, die Ruhe zu verlieren
“Allenfalls ein paar Titelstümpfe kommen beim Ausgraben zum Vorschein: Stoßtrupp So¬undso/Calais sturmreif ja Mölders und seine Männer oder war es Prien? also gut: Prien und seine Männer in dieser Zeit mit Fanfarenstößen und Sondermeldungen, in der Schurschill, der dicke Lügenlord und der schwarze dünne Schamberlein eins nach dem andern auf die Nuß bekommen haben. Ich zog die Verdunklung herunter und las wahrscheinlich Panzerspähwagen westwärts. Oder ich saß nachts im Keller, mit dem Brummen darüber und gelegentlich mit den fernen, aber wirklich noch sehr fernen Detonationen und las: Bomber über Dünkirchen. Diese Zeit war noch längst nicht vorbei. Doch eines Tages saß ich vielleicht in der Stube. Ich hatte die Raupen, die damals in ungeheuren Schwärmen über den Kohl wanderten, mitten im Fressen abgerissen und in den Bottich geworfen. Oder ich hatte Schnee geschaufelt vor der Haustür und Viehsalz gestreut. Und was nun? Vielleicht bin ich aufgestanden zweiundvierzig oder dreiundvierzig im Sommer oder im Winter und habe mich auf den Weg zum Herrenzimmer gemacht. Rechts entlang, an der Küche vorbei, in der es wahrscheinlich dampfte, weiter den langen Gang entlang, am Klosett vorbei, wo die Sonne hineinstach, durch das menschenleere Schlafzimmer und weiter durch eine neue Tür in einen anderen Gang, drei Stufen knarrend hinunter, links mein Zimmer, dann, ebenfalls links, das letzte Zimmer, das Herrenzimmer, in dem es im Sommer sehr heiß und im Winter sehr kalt war. Nehmen wir an, es war Sommer, dann war es sehr heiß. Oder nehmen wir eine gemäßigte Jahreszeit an, weder heiß noch kalt. Aber das spielt keine Rolle.”
“I was at home, which is in the center of Manhattan. At exactly nine o'clock I had a sensation of danger, of a danger that perhaps would not touch me, but that undoubtedly concerned me. It's the sensation you feel in war, or rather in combat, when every pore of your skin feels the bullet or the rocket as it approaches, and you perk up your ears and yell at the person next to you: "Down! Get down!" I pushed it away. It's not like I was in Vietnam. It's not like I was in one of the many wars, those fucking wars that have tortured my life since World War II. I was in New York for God's sake, on a marvellous September morning in 2001. But the sensation still possessed me, inexplicably. So I did something I never do in the morning and turned on the TV. The audio wasn't working. The screen was. And on every channel—and here there are almost a hundred—you saw a tower of the World Trade Center burning like a giant match. A short circuit? A small plane gone off course? Or an act of deliberate terrorism? I stayed there almost paralyzed, fixed on that tower, and while I fixed on it, while I asked myself those three questions, another plane appeared on the screen. White, huge. An airliner. It was flying extremely low. Flying low, it turned toward the second tower like a bomber who draws a bead on a target and then hurls himself at it. That's when I understood. I also understood because in that same moment the audio came back on and transmitted a chorus of primal screams. Repeated and primal. "God! Oh, God! Oh, God, God, God! Gooooooood!" And the plane went into that second tower like a knife going into a stick of butter. “
When, as a boy, I went To study in the Muses' school, One of them came to me, and took Me by the hand, and all that day, She through the work-shop led me graciously, The mysteries of the craft to see. She guided me Through every part, And showed me all The instruments of art, And did their uses all rehearse, In works alike of prose and verse. I looked, and paused awhile, Then asked: 'O Muse, where is the file?' 'The file is out of order, friend, and we Now do without it,' answered she. 'But, to repair it, then, have you no care?' 'We _should_, indeed, but have no time to spare.'
Uit: De kleine prins (Vertaald door L. De Beaufort-Van Hamel)
“Als het geheimzinnige al te veel indruk op ons maakt, moeten wij wel gehoorzamen. Hoe zinloos het mij ook leek, - op duizend mijl van de bewoonde wereld en in doodsgevaar - ik haalde een blaadje papier en een vulpen uit mijn zak. Maar toen bedacht ik, dat ik vooral aardrijkskunde, geschiedenis, rekenen en taal geleerd had en ik zei, een beetje humeurig, tegen het kereltje, dat ik niet tekenen kon. Hij antwoordde: 'Dat doet er niet toe. Teken maar 'n schaap voor me.' En omdat ik nog nooit een schaap getekend had, maakte ik nog maar eens een van de twee enige tekeningen waartoe ik in staat was voor hem. De dichte boa constrictor. En stomverbaasd hoorde ik hem zeggen: 'Nee, nee! Ik wil geen olifant in 'n boa. 'n Boa constrictor is veel te gevaarlijk en een olifant neemt zoveel ruimte. Ik woon erg klein. Ik heb 'n schaap nodig. Teken nou een schaap voor me.' Toen tekende ik het dan maar (tekening nummer 5). Hij bekeek het aandachtig en zei: 'Nee, dat schaap is nú al zo ziek. Maak er nog maar een.' Ik tekende (tekening nummer 6). Mijn vriendje lachte vriendelijk en toegeeflijk. - Je ziet toch wel dat dat geen schaap is: 't is een ram, hij heeft horens... Nog eens maakte ik mijn tekening over. Maar die werd ook al geweigerd, net als de vorigen.”
Antoine de Saint-Exupéry (29 juni 1900 - 31 juli 1944)
“Monsieur Lefinaud wierp zijnen frak achteruit, plaatste zijne duimen onder de armen, en liet zijne vingers eenen galop spelen op zijne vuurroode gilet. ‘Maar de ligging, mevrouw!’ riep hij uit. ‘Ik zeg maar dit enkel woord: de ligging! Daarin is alles besloten in eene groote stad. - Goede ligging: fortuin, - slechte ligging: ondergang en fail... liet!’ en de kleermaker, fier dat hij zulke hooge stadhuiswoorden kende, trok het zoo lang hij maar kon. ‘En failliet!’ herhaalde hij nog eens, terwijl zijne vingers hun dansje op de roode gilet herbegonnen. Tante aarzelde: de prijs ging hare berekeningen te boven, en zij keek nog eens rond, of er niets op af te wijzen of te verminderen viel. Monsieur Lefinaud zag het oogenblik gekomen om den grooten slag te slaan. ‘Mevrouw,’ hernam hij op ernstigen toon, zijne vingeren in de hoogte houdend en alle dartelende beweging stakend, ‘het is in uw belang, dat ik spreek. Mijn kwartier verhuren kan ik met honderd handen tegelijk. Het ware spijtig. Die kamers zijn als gemaakt voor eenen rechtsgeleerde. Vroeger woonde hier nog een jong advocaat aan huis. Hij was onbekend en moest zoeken, doch was werkzaam en knap gelijk mijnheer, en iedereen, die de hoofdstad kent, zal u kunnen zeggen, welk vermaard advocaat mijnheer Duruisseau, die hier klein begon, thans geworden is.’ Die beweegreden was afdoende. Waar Mr. Duruisseau groot geworden was, waarom zoude Ernest Staas daar ook niet lukken? Tante sloeg het akkoord toe: de jonge advocaat was geëtabliseerd."
De Nederlandse dichter, prozaïst, vertaler en uitgever Maarten Asscher werd geboren op 29 juni 1957 in Alkmaar als zoon van de vermaarde rechtbankpresident Mr. B.J. Asscher. Maarten Asscher studeerde rechten, werkte in de uitgeverijwereld en werd in 1992 directeur van uitgeverij J.M. Meulenhoff in Amsterdam. In datzelfde jaar debuteerde Asscher met de verhalenbundel “Dodeneiland, vier geschiedenissen”. Twee verhalen hieruit keren terug in de bundel “Strindbergs dood” (1995). In beide verhalenbundels maakt Asscher gebruik van gegevens uit de werkelijkheid (een foto, een historisch gegeven o.i.d.) om daar vervolgens zijn fantasie op los te laten en daar in een precieuze stijl verslag van te doen. Een titel als “Dingenliefde” (2002) kan gelden als een voorbeeld van die werkwijze. “In Nachtvraat” (2002) nam Asscher naast proza ook poëzie op. In “Julia en het balkon” (1997) vertellen 21 ooggetuigen over de zelfmoord van Julia, een door het leven gemangelde verkoopster. “De verstekeling” (1999), een novelle, gaat over moord en persoonsverwisseling, maar in feite over schuld en onschuld.
Twee nocturnes
Uit bed Steunen en trillen, brommen. Het klaaglijk rillen. Blote voeten op de tast. Niet op zwarte tegels willen lopen. Gretig zuigen beide handen zich aan de handgreep vast. Honger, donker om te snijden. Koud licht vormt ham en vla en vlees en kaas en melk. Breken en schrokken, klokken. Brokken slikken. Op mijn pyjamamouw de koele waas die dooft, als ik de resten van mijn aas achter hun witte celdeur weer laat stikken. Een puber wordt zijn groei de baas.
Naar bed Innig, namens alle slapers, ligt haar kinderlijk gewicht in de waagschaal van mijn armen. Haar lichaam rust ondraaglijk licht op de bodem van de slaap. Vanaf de kant tuur ik omlaag. Geen geest geeft haar adem. Iets dierlijks heeft zij, anorganisch: blindelings volmaakt. Onaangeraakt. Haar slaap vervult mijn dragen met ontzag dat even onbeweeglijk maakt. Zo rijk is haar overgave, zo twijfelloos haar verzinken in onbeschaamde kwetsbaarheid.